Besluit van 30 augustus 2010, houdende de vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet BES (Besluit Pensioenwet BES)
- BWB-id
- BWBR0028316
- Type
- AMvB-BES
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2013-10-10
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0028316
- ELI
- /eli/nl/amvb-bes/2010/besluit-pensioenwet-bes
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb-bes/2010/besluit-pensioenwet-bes/2013-10-10
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0028316&g=2013-10-10
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0028316&z=2026-06-06&g=2013-10-10
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0028316/2013-10-10
Absolute ELI: /eli/nl/amvb-bes/2010/besluit-pensioenwet-bes
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – uitbesteding door een pensioenuitvoerder: het door een pensioenuitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van: 1°. of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of 2°. de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan; – wet: Pensioenwet BES . 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2 Toets deskundigheid en betrouwbaarheid#
Artikel 2 Toets deskundigheid en betrouwbaarheid artikel 5a van de wet Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een pensioenfonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3 Deskundigheid#
Artikel 3 Deskundigheid 1 artikel 5a, tweede lid, van de wet Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het pensioenfonds, mede gelet op, behoorlijk wordt bestuurd. 2 Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie. 3 De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op: a. het besturen van een organisatie; b. relevante wet- en regelgeving; c. pensioenregelingen en pensioensoorten; d. financieel technische en actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen, actuariële principes en herverzekering; e. administratieve organisatie en interne controle; en f. communicatie. 4 Het pensioenfonds geeft op verzoek van de Bank aan: a. hoe het beleid van het pensioenfonds ter bevordering en handhaving van het vereiste deskundigheidsniveau luidt; b. welke personen belast zijn met welke beleidsbepalende taken; c. welke personen over welke deskundigheid beschikken; en d. hoe en binnen welke termijn bepaalde tekortkomingen in de vereiste deskundigheid opgeheven zullen worden. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 4 — Artikel 4 Betrouwbaarheid#
Artikel 4 Betrouwbaarheid 1 artikel 5a, vijfde lid, van de wet De Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld inbuiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toetsing van de betrouwbaarheid en de in aanmerking te nemen antecedenten. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5 Bronnen#
Artikel 5 Bronnen 1 artikel 4 De Bank verkrijgt inzicht in de inbedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van: a. de door betrokkene verstrekte ingevulde vragenlijst volgens het door de Bank vastgestelde model; b. de mogelijkheid om bij het Openbaar Ministerie gegevens uit de politieregisters op te vragen; c. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst; d. gegevens en inlichtingen, verkregen van overheidsinstanties binnen en buiten het Koninkrijk dan wel van binnen of buiten het Koninkrijk gevestigde van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn; e. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie; f. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties; g. gegevens uit openbare bronnen; h. artikel 4 inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de inbedoelde persoon betrokken is geweest; i. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of j. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen. 2 Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van: a. de reden van het nadere onderzoek; b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 6 — Artikel 6 Strafrechtelijke veroordeling#
Artikel 6 Strafrechtelijke veroordeling 1 artikel 4 De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld instaat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, dat bij ministeriële regeling is aangewezen, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken. 2 artikel 7 De Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in, afwijken van het eerste lid. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 7 — Artikel 7 Vaststelling betrouwbaarheid#
Artikel 7 Vaststelling betrouwbaarheid artikel 4 De Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in, in aanmerking: a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval; b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en c. de overige belangen van het pensioenfonds en de betrokkene. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 8 — Artikel 8 Beheerste bedrijfsvoering#
Artikel 8 Beheerste bedrijfsvoering Een pensioenfonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt beleid op ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 9 — Artikel 9 Integriteitrisico#
Artikel 9 Integriteitrisico Een pensioenfonds draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10 Belangenverstrengeling#
Artikel 10 Belangenverstrengeling 1 Een pensioenfonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het pensioenfonds van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van het pensioenfonds en andere werknemers of andere personen die in opdracht van het pensioenfonds op structurele basis werkzaamheden voor het pensioenfonds verrichten. 2 Een pensioenfonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het pensioenfonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het pensioenfonds aanwezige informatie of zaken. 3 De Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de gedragscode, bedoeld in het tweede lid. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 11 — Artikel 11 Soliditeit van het pensioenfonds#
Artikel 11 Soliditeit van het pensioenfonds Een pensioenfonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 12 — Artikel 12 Continuïteitsanalyse#
Artikel 12 Continuïteitsanalyse 1 Een pensioenfonds voert ten minste eens in de drie jaar een continuïteitsanalyse uit waarbij met een stochastische benaderingswijze wordt bezien of het pensioenfonds aan haar verplichtingen op de lange termijn kan voldoen. De continuïteitsanalyse biedt tevens inzicht in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening naar verwachting kan worden toegekend. 2 Indien naar de mening van de Bank sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de huidige of verwachte financiële positie van het pensioenfonds, voert het pensioenfonds tussentijds een extra continuïteitsanalyse uit. 3 De continuïteitsanalyse omvat 15 prognosejaren, gerekend vanaf de rapportagedatum. Het pensioenfonds heeft voorbij deze tijdhorizon van 15 prognosejaren een kwalitatief beeld van de verwachtingen, risico’s en het beleid. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de continuïteitsanalyse. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 13 — Artikel 13 Parameters#
Artikel 13 Parameters Vervallen 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 01-01-2012
Artikel 14 — Artikel 14 Parameters vanaf 2012#
Artikel 14 Parameters vanaf 2012 1 artikelen 5b 13 13b 16a 16b van de wet Vanaf 1 januari 2012 gaat een fonds voor de berekeningen, bedoeld in de,,,enuit van: a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het loon- en prijsindexcijfer van 2%, respectievelijk 2%; b. een maximaal verwacht rendement op vastrentende waarden van 4,5% per jaar; c. een verwacht rendement op beursgenoteerde aandelen en indirect onroerend goed met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 8,5% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 7% per jaar; d. een verwacht rendement op overige zakelijke waarden met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 9% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 7,5% per jaar; e. een verwacht rendement op direct onroerend goed en grondstoffen met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 7,5% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 6% per jaar. 2 Een pensioenfonds kan na instemming van de Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds dat noodzakelijk maken. 3 De rendementscijfers, bedoeld in het eerste lid, betreffen bruto cijfers, voor aftrek van beleggingskosten. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt. Treedt voor zover het artikel niet dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2010. Treedt voor zover het artikel dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2013 (Stb. 2010/370).
Artikel 15 — Artikel 15 Overgangsbepaling wijziging parameters en lopende herstelplannen#
Artikel 15 Overgangsbepaling wijziging parameters en lopende herstelplannen 1 artikel 16a 16b van de wet artikel 16d, eerste lid, van de wet Bij een herstelplan als bedoeld inenwaarmee De Nederlandsche Bank heeft ingestemd, is het feit dat de uitkomst van berekeningen in het kader van dat herstelplan en het daarin opgenomen beleid wijzigt omdat gebruik wordt gemaakt van na de vaststelling van het herstelplan gewijzigde regels als bedoeld in, als zodanig geen aanleiding voor herziening van het herstelplan. 2 artikel 7f, eerste lid, van de wet In afwijking van het eerste lid kan bij berekeningen ten aanzien van de consistentie, bedoeld in, het feit dat de uitkomst van berekeningen wijzigt als bedoeld in het eerste lid, als zodanig wel aanleiding zijn tot herziening van het in het herstelplan, bedoeld in het eerste lid, opgenomen beleid omtrent voorwaardelijke toeslagverlening, nadat de maximale looptijd die geldt voor het kortetermijnherstelplan is verstreken. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt. Treedt voor zover het artikel niet dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2010. Treedt voor zover het artikel dient ter uitvoering van artikel 16a van de wet in werking op 10-10-2013 (Stb. 2010/370).
Artikel 16 — Artikel 16 Overgangsbepaling voor nieuwe herstelplannen#
Artikel 16 Overgangsbepaling voor nieuwe herstelplannen Vervallen 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 01-01-2012
Artikel 17 — Artikel 17 Hoogte technische voorzieningen#
Artikel 17 Hoogte technische voorzieningen 1 Het bestuur van een pensioenfonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. 2 De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een rekenrente van ten hoogste 4%. 3 Een pensioenfonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het pensioenfonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18 Inzenden berekening technische voorzieningen#
Artikel 18 Inzenden berekening technische voorzieningen 1 Een pensioenfonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in bij de Bank. 2 Onverminderd het eerste lid, dient een pensioenfonds desgevraagd een berekening van de technische voorzieningen in bij de Bank indien de Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het pensioenfonds in gevaar kunnen brengen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19 Kostendekkende premie#
Artikel 19 Kostendekkende premie artikel 17 De benodigde premie in verband met de pensioenverplichtingen wordt berekend overeenkomstig, waarbij rekening gehouden wordt met: a. artikel 13c van de wet de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen als bedoeld in; b. de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het pensioenfonds; en c. artikel 14b, eerste lid, onderdeel a, b of d van de wet de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van toeslagverlening indien gekozen is voor financiering op de wijze, bedoeld in. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 20 — Artikel 20 Samenstelling eigen vermogen#
Artikel 20 Samenstelling eigen vermogen 1 Het eigen vermogen van een pensioenfonds wordt met name gevormd door de volgende vermogensbestanddelen: a. het gestorte aandelenkapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met de ledenrekeningen; b. de reserves; c. het onverdeelde positieve of negatieve resultaat; en d. de achtergestelde leningen. 2 Het eigen vermogen van een pensioenfonds wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door het pensioenfonds worden gehouden en met het bedrag van de immateriële activa. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 21 — Artikel 21 Ledenrekeningen#
Artikel 21 Ledenrekeningen 1 artikel 20, eerste lid, onder a De ledenrekeningen, bedoeld in, worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer de statuten bepalen dat: a. vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden plaatsvinden als het eigen vermogen daardoor niet negatief wordt, dan wel bij liquidatie van het pensioenfonds, als alle andere schulden zijn voldaan; b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na melding daarvan aan de Bank; en c. de Bank kan besluiten dat een voorgenomen betaling niet mag plaatsvinden. 2 De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Bank is verkregen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 22 — Artikel 22 Achtergestelde leningen#
Artikel 22 Achtergestelde leningen 1 artikel 20, eerste lid, onder d De achtergestelde leningen, bedoeld in, worden meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van liquidatie van het pensioenfonds, de achtergestelde leningen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn voldaan. 2 De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen zijn gestort. 3 Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing. 4 Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of de Bank aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de aflossing ontvangt de Bank ten minste zes maanden voor de beoogde aflossingsdatum. 5 De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie van het pensioenfonds, wordt afgelost. 6 In afwijking van het vijfde lid kan de Bank toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van het pensioenfonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste niveau daalt. 7 De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Bank is verkregen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 23 — Artikel 23 Vereist eigen vermogen#
Artikel 23 Vereist eigen vermogen 1 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen hanteert het pensioenfonds een standaardmodel waarin door middel van risicofactoren voor de gehele balans van activa en passiva rekening wordt gehouden met: a. het renterisico; b. het aandelen- en vastgoedrisico; c. het valutarisico; d. het grondstoffenrisico; e. het kredietrisico; f. het verzekeringstechnisch risico; g. het liquiditeitsrisico; h. het concentratierisico; en i. het operationeel risico. 2 In afwijking van het eerste lid kan een pensioenfonds, mits voorafgaande toestemming is verleend door de Bank, voor de berekening van het vereist eigen vermogen: a. een vereenvoudigd model hanteren, of b. een intern model hanteren. 3 De Bank kan nadere regels stellen inzake de scenariomethode indien innovatieve beleggingsinstrumenten daartoe aanleiding geven. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld met betrekking tot het standaardmodel en de omvang, de inhoud en de samenhang van de risicofactoren, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde situatie. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 24 — Artikel 24 Eisen ten aanzien van beleggingen#
Artikel 24 Eisen ten aanzien van beleggingen 1 De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd. 2 Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. 3 De waarden worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt. 4 Beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Het pensioenfonds vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen. 5 De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. 6 Onder waardering op marktwaarde als bedoeld in artikel 14 van de wet wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 25 — Artikel 25 Leningen#
Artikel 25 Leningen 1 artikel 14a van de wet Leningen als bedoeld inzijn tijdelijk indien deze worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar. 2 artikel 14a van de wet Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld inis sprake als het pensioenfonds tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van het pensioenfonds. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26 Langetermijnherstelplan#
Artikel 26 Langetermijnherstelplan 1 Het langetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 16a van de wet, bevat in ieder geval een beschrijving van: artikel 12 en is ten aanzien van de onderdelen b en c gebaseerd op een recente continuïteitsanalyse als bedoeld in. a. artikel 13c van de wet de oorzaak van het niet meer of niet zullen voldoen aan de bij of krachtensgestelde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen; b. de voorziene ontwikkeling van de technische voorzieningen en de waarden; c. de concrete maatregelen waardoor het vereist eigen vermogen binnen maximaal vijftien jaar op het vereiste niveau komt, waarbij rekening wordt gehouden met de naar verwachting toe te kennen toeslagverlening en de overige verplichtingen van het pensioenfonds; 2 artikel 13c van de wet De in het eerste lid, onder c, bedoelde maatregelen mogen er niet toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onder a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen, doelbewust wordt vergroot ten opzichte van de situatie waarin wel werd voldaan aan de inopgenomen vereisten. 3 Een herstelplan vertoont ex ante een gestaag herstel. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 10-10-2013
Artikel 27 — Artikel 27 Kortetermijnherstelplan#
Artikel 27 Kortetermijnherstelplan Het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 16b van de wet, bevat in ieder geval: a. artikel 13 van de wet een beschrijving van de oorzaak van het niet meer of niet zullen voldoen aan de bij of krachtensgestelde vereisten ten aanzien de toereikende technische voorzieningen en de dekking daarvan door waarden; b. een beschrijving van de voorziene ontwikkeling van de technische voorzieningen en de waarden; c. een beschrijving van de concrete maatregelen waardoor de dekking van de technische voorzieningen binnen maximaal drie jaren op het vereiste niveau komt, waarbij rekening wordt gehouden met de verplichtingen van het pensioenfonds; en d. artikel 16b van de wet uitsluitsel of is voldaan aan de criteria in. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 28 — Artikel 28 Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota#
Artikel 28 Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 16e van de wet, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. artikel 5b van de wet artikel 8 de hoofdlijnen van het interne beheersingssysteem, zoals voorgeschreven bij of krachtens, en van de opzet van de administratieve organisatie en interne controle, bedoeld in; b. voor zover van toepassing procedures en criteria voor de aansluiting van werkgevers bij het betreffende pensioenfonds en voor het verkrijgen van het deelnemerschap van hun werknemers; c. de hoofdlijnen van de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement; d. de hoofdlijnen van de reeds verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken en -rechten die voor de deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden of andere aanspraakgerechtigden voortvloeien uit het pensioenreglement; e. de uit het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement voortvloeiende risico’s die in eigen beheer zijn gehouden dan wel zijn herverzekerd of overgedragen; f. de financiële opzet; g. de financiële sturingsmiddelen; en h. artikel 16d van de wet de systematiek van de vaststelling van de parameters, zoals die op grond vanworden vastgesteld. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 29 — Artikel 29 De financiële opzet#
Artikel 29 De financiële opzet 1 artikel 28, onder f De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van: a. artikelen 13 13c van de wet de technische voorzieningen en het vereist eigen vermogen, bedoeld in deen; b. artikel 13b van de wet het premiebeleid, bedoeld in; c. artikelen 14 14a van de wet het beleggingsbeleid en het aangaan van leningen, bedoeld in deen; d. artikelen 7f 14b van de wet de financiering van voorwaardelijke toeslagverlening, bedoeld in deen. 2 Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de overige verplichtingen van het pensioenfonds. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt. Het eerste lid, onderdeel a, treedt voor zover daarin niet verwezen wordt naar het vereiste vemogen, bedoeld in artikel 13c van de wet in werking op 10-10-2010.
Het eerste lid, onderdeel a, treedt voor zover daarin verwezen wordt naar het vereiste vemogen, bedoeld in artikel 13c van de wet in werking op 10-10-2013 (Stb. 2010/370).
Artikel 30 — Artikel 30 De financiële sturingsmiddelen#
Artikel 30 De financiële sturingsmiddelen artikel 28, onder g De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van de inzetbaarheid van de sturingsmogelijkheden van het pensioenfonds ten aanzien van het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid met betrekking tot de aanpassingen van de aanspraken en inzake voorwaardelijke toeslagverlening. Daarbij wordt aangegeven welke effecten met de genoemde sturingsmiddelen worden bereikt. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 31 — Artikel 31 Het beleggingsbeleid#
Artikel 31 Het beleggingsbeleid artikel 29, onder c De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. het strategisch beleggingsbeleid, waarin opgenomen een beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de beoogde beleggingsportefeuille alsmede de mate waarin van de beoogde beleggingsportefeuille mag worden afgeweken; b. de opzet van de uitvoering van de vermogensbeheeractiviteiten; c. de wijze van risicometing en -beheersing, met name van marktrisico’s en kredietrisico’s; en d. de opzet van de resultaatsevaluatie met betrekking tot de onderwerpen genoemd onder a, b en c. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 32 — Artikel 32 Afwijking in geval van overdracht of herverzekering van risico’s#
Artikel 32 Afwijking in geval van overdracht of herverzekering van risico’s artikelen 30 31 Voor zover risico’s zijn overgedragen of herverzekerd kunnen de beschrijvingen, bedoeld in deen, beperkt blijven tot een verwijzing naar hetgeen in de ten behoeve van de overdracht of herverzekering afgesloten overeenkomsten is opgenomen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 33 — Artikel 33 Uitgangspunten oordeelsvorming de Bank#
Artikel 33 Uitgangspunten oordeelsvorming de Bank artikelen 27 tot en met 31 artikelen 5b 7e 13 tot en met 14b van de wet De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van dezijn zodanig dat de Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de,,. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 34 — Artikel 34 Informatieverstrekking door pensioenfondsen aan de Bank#
Artikel 34 Informatieverstrekking door pensioenfondsen aan de Bank 1 artikel 16f van de wet De door een pensioenfonds op grond vante verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op: a. het pensioenfonds en zijn organisatie met betrekking tot: 1°. het aantal medewerkers; 2°. uitbesteding; 3°. de medebeleidsbepalers; 4°. deskundigheidsbevordering van het bestuur; 5°. artikel 35, tweede lid de persoongegevens van de actuaris bedoeld in, de externe deskundige, bedoeld in artikel 35, derde lid, en de adviserende actuaris; 6°. de verklaring van een externe deskundige; en 7°. het interne toezicht. b. een bestuursverslag; c. de balans, bestaande uit een enkelvoudige balans en, indien van toepassing, een geconsolideerde balans, een toelichting op de balans alsmede: 1°. een specificatie van de activa met betrekking tot immateriële activa, onroerende zaken, niet geconsolideerde en geconsolideerde deelnemingen, indien van toepassing, herverzekeringsdeel technische voorzieningen, overige activa en beleggingen voor risico deelnemers; 2°. een specificatie van de passiva met betrekking tot gespecificeerde reserves, het aandeel van derden in geval van een geconsolideerde balans, andere voorzieningen en overige verplichtingen; 3°. informatie over ontvangen en gestelde zekerheden en garanties; 4°. informatie over grote posten binnen de beleggingen; en 5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risicoklassen, derivatenposities, beleggingsrendementen; d. de financiële relaties en transacties van het pensioenfonds met: 1°. bijdragende ondernemingen; 2°. ondernemingen uit dezelfde groep als de bijdragende onderneming; 3°. personen die een relatie hebben of hebben gehad met het pensioenfonds wanneer sprake is van een bijzondere lening; en 4°. anderen dan de onder 1° en 2° genoemden inzake achtergestelde leningen aan het pensioenfonds; e. een rekening van baten en lasten met specificatie van de posten; f. de dekkingsgraad; g. toetsing van het eigen vermogen: 1°. aanwezig eigen vermogen; 2°. de dekkingspositie; 3°. bij gebruik van het standaard model; en 4°. bij gebruik van een intern model; h. actuariële staten: 1°. technische voorzieningen voor risico pensioenfonds; 2°. premiespecificatie garantiecontract; 3°. indexatiegegevens; 4°. actuarieel verslag; en 5°. een analyse van het saldo van baten en lasten; i. het deelnemersbestand inzake: 1°. de leeftijdsopbouw en de technische voorzieningen; en 2°. de geografische spreiding van deelnemers en premies; j. de door het pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling met betrekking tot: 1°. de kenmerken van de pensioenregeling; en 2°. het aantal deelnemers; k. premiegegevens over het nieuwe jaar, tenzij sprake is van een gesloten pensioenfonds; l. herverzekering, met betrekking tot: 1°. garantiecontracten; 2°. risicoherverzekering; en 3°. kapitaalcontracten. m. verplichtingen van het pensioenfonds voor risico van de deelnemers; n. uitvoering van een VUT-regeling; o. toepassing van een herstelplan, met betrekking tot de situatie per 31 december van het verslagjaar; p. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de pensioenregeling. 2 Het pensioenfonds verstrekt in geval van wijzigingen tevens informatie over: a. de door het pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling of pensioenregelingen; b. de gevolgen van deze wijziging voor de toeslagverlening; en c. de kenmerken van de pensioenregeling. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 35 — Artikel 35 Staten#
Artikel 35 Staten 1 artikel 16f van de wet De staten, bedoeld in, omvatten uitsluitend: a. informatie over de organisatie van het pensioenfonds; b. een bestuursverslag; c. een balans; d. informatie over financiële relaties en transacties van het pensioenfonds; e. een rekening van baten en lasten; f. informatie inzake de dekkingsgraad; g. informatie inzake het vereist eigen vermogen; h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van een actuaris; i. informatie over het deelnemersbestand; j. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregeling en eventueel andere door het pensioenfonds uitgevoerde regelingen; k. premiegegevens; l. informatie inzake herverzekering; m. informatie inzake verplichtingen van het pensioenfonds voor risico van de deelnemers. 2 artikelen 13 tot en met 16b van de wet Met zijn verklaring bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan is aan de. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken. 3 De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een externe deskundige. Ten bewijze dat de staten door hem zijn onderzocht, waarmerkt de externe deskundige de staten. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 36 — Artikel 36 Uitwerking informatieverstrekking door pensioenfondsen#
Artikel 36 Uitwerking informatieverstrekking door pensioenfondsen artikel 34 De Bank stelt regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in. Deze omvatten uitsluitend: a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt; b. artikel 34 de reikwijdte en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de ingeduide gegevens; c. de waardering van de posten; d. de te hanteren valuta en rekeneenheid; e. de afronding; f. de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de wet; en g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze bedraagt minimaal één maal en maximaal vier maal per jaar. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 37 — Artikel 37 Verstrekking langs elektronische weg#
Artikel 37 Verstrekking langs elektronische weg 1 artikel 34 Het pensioenfonds verstrekt de gegevens, bedoeld in, langs elektronische weg aan de Bank. 2 artikel 35, derde lid De externe deskundige zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de gegevens waaromtrent de externe deskundige een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in, heeft afgegeven en ten bewijze waarvan de staten door hem zijn gewaarmerkt. 3 artikel 35, eerste lid, onderdeel h en tweede lid De actuaris zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de door hem gewaarmerkte actuariële staten, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van de actuaris als bedoeld in. 4 artikel 16f, tweede lid, van de wet Het bestuur van het pensioenfonds zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de staten, bedoeld in. 5 De Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de schriftelijke controleverklaring, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid. 6 De Bank kan, in afwijking van het eerste lid, op verzoek besluiten dat de verstrekking niet langs elektronische weg behoeft te geschieden, mits de verstrekking van de gevraagde gegevens wat betreft indeling en inhoud niet afwijkt van hetgeen langs elektronische weg zou worden verstrekt. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikelen 1a 7e 16a, eerste tot en met vierde lid 16b, eerste tot en met derde lid 16c 16f, eerste en tweede lid 21a, eerste lid 26b, eerste lid, van de wet artikelen 26 33 37 Het boetebedrag voor overtreding van een voorschrift op grond van de,,,,,,enen op grond van de,enbedraagt 50.000 USD. 2 artikelen 5a, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid 5b 13b 13e 14, eerste lid 14a, eerste lid 14b 16e van de wet artikelen 23 24 25 Het boetebedrag voor overtreding van een voorschrift op grond van de,,,,,,enen op grond van de,enbedraagt 25.000 USD. 3 artikel 21a, eerste lid, van de wet Voor overtreding vankan per dag dat men in overtreding is een boete worden opgelegd van USD 1.250 met een maximum van USD 25.000. 4 artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 19a van de wet Voor overtreding vanzoals van toepassing verklaard inkan per dag dat men in overtreding is een boete worden opgelegd van USD 1.250 met een maximum van USD 25.000. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 39 — Artikel 39 Draagkracht#
Artikel 39 Draagkracht 1 De Bank houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder. 2 De Bank kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 40 — Artikel 40 Schade voor derden bij pensioenuitvoerders#
Artikel 40 Schade voor derden bij pensioenuitvoerders 1 De Bank houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden. 2 artikelen 38 39 De Bank kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in deenverlagen met maximaal 75 procent. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 41 — Artikel 41 Kosten#
Artikel 41 Kosten Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 42 — Artikel 42 Vaststelling verschuldigd bedrag#
Artikel 42 Vaststelling verschuldigd bedrag Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 43 — Artikel 43 Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar#
Artikel 43 Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 44 — Artikel 44 Gegevensverstrekking#
Artikel 44 Gegevensverstrekking Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 45 — Artikel 45 Betaling#
Artikel 45 Betaling Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 46 — Artikel 46 Fusie pensioenuitvoerders#
Artikel 46 Fusie pensioenuitvoerders Vervallen 2012 451 09-10-2012 20-09-2012 2012 263 19-06-2012 05-06-2012 01-01-2013 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bekostiging financieel toezicht in werking treedt.
Artikel 47 — Artikel 47 Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed#
Artikel 47 Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed Een uitvoerder besteedt niet uit: a. taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid; b. werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen; c. indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 48 — Artikel 48 Overeenkomst tot uitbesteding#
Artikel 48 Overeenkomst tot uitbesteding 1 Een pensioenfonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast. 2 In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld: a. welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het pensioenfonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt; b. de informatie-uitwisseling tussen het pensioenfonds en de derde; c. de verplichting voor de derde om informatie waar de Bank ter uitvoering van zijn wettelijke taak om vraagt rechtstreeks aan de Bank ter beschikking te stellen; d. de mogelijkheid voor het pensioenfonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt; e. de verplichting voor de derde om het pensioenfonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde; f. de mogelijkheid voor de Bank om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en g. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het pensioenfonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 49 — Artikel 49 Beheersing van de risico’s#
Artikel 49 Beheersing van de risico’s 1 Een pensioenfonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het pensioenfonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen. 2 artikel 5b van de wet Een pensioenfonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in. 3 Een pensioenfonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 50 — Artikel 50 Inwerkingtreding en werkingsduur#
Artikel 50 Inwerkingtreding en werkingsduur 1 artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waaropin werking treedt, met uitzondering van: die drie jaar na het genoemde tijdstip in werking treden. a. artikelen 13 tot en met 16 artikel 16a van de wet devoor zover zij dienen ter uitvoering van; b. artikel 19, onderdeel a ; c. artikelen 20 tot en met 23 26 deen; d. artikel 29, eerste lid, onderdeel a artikel 13c van de wet , voor zover daarin verwezen wordt naar het vereist vermogen, bedoeld in; 2 artikelen 13 16 Deenvervallen met ingang van 1 januari 2012. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.
Artikel 51 — Artikel 51 Citeertitel#
Artikel 51 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Pensioenwet BES. 2010 370 01-10-2010 30-08-2010 2010 387 01-10-2010 23-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de
Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse
Antillen in werking treedt.