Besluit van 6 december 1955, houdende instelling van een bedrijfschap voor de schoenindustrie
- BWB-id
- BWBR0002200
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 1981-04-03 t/m 2007-03-08
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002200
- ELI
- /eli/nl/amvb/1956/instellingsbesluit-bedrijfschap-schoenindustrie
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1956/instellingsbesluit-bedrijfschap-schoenindustrie/1981-04-03
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002200&g=1981-04-03
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002200&z=2026-06-06&g=1981-04-03
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002200/1981-04-03
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1956/instellingsbesluit-bedrijfschap-schoenindustrie
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Er is een Bedrijfschap voor de Schoenindustrie. 2 Het bedrijfschap heeft zijn zetel te Tilburg. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin het bedrijf van het in serie vervaardigen van schoeisel wordt uitgeoefend, alsmede voor de ondernemingen, waarin door middel van stanzerij-, stikkerij- of lasserijwerkzaamheden, dan wel daaraan voorafgaande of daarbij aansluitende werkzaamheden, bedrijfsmatig onderdelen van schoeisel worden vervaardigd of bewerkt. 2 Dit besluit verstaat onder: schoeisel: schoenen, laarzen en pantoffels, met uitzondering van schoenen en laarzen, waarvan de buitenzijde geheel uit rubber bestaat, en van sportschoeisel, voorzien van een rubberzool en een bovenwerk van textiel; wet: Stb. Wet op de Bedrijfsorganisatie de(1950, K 22). 3 Dit besluit verstaat onder uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bedrijven niet het in serie vervaardigen van schoeisel, voorzien van een rubberzool en een bovenwerk van textiel, of daaraan verwant schoeisel, alsmede het vervaardigen of bewerken van onderdelen van zodanig schoeisel, mits dit geschiedt in een onderneming waarin niet tevens ander schoeisel in serie wordt vervaardigd, onderscheidenlijk onderdelen van dit schoeisel worden vervaardigd of bewerkt. 1980 777 22-12-1980 1980 777 22-12-1980 03-04-1981
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de volgende onderwerpen: a. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden; b. de aanstelling en het ontslag van personeel; c. de vakopleiding, omscholing en herscholing en de vaststelling van de getalsverhouding in ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld; d. fondsen en andere instellingen in het belang van de bedrijfsgenoten; e. de verkoops-, leverings- en betalingsvoorwaarden en daarmede verband houdende aangelegenheden; f. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, voor zover regeling daarvan voor het toezicht op de naleving van verordeningen nodig is; g. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, en van de in die ondernemingen werkzame personen; h. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens; i. h h de inzage van boeken en bescheiden van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, voor zover strekkend ter verkrijging van gegevens als bedoeld onder, welke degenen, die deze ondernemingen drijven, niet desgevraagd hebben verstrekt, of ter verificatie van gegevens als bedoeld onder, waarvan zij de juistheid niet hebben doen staven door een verklaring van een deskundige, die aan door het bestuur van het bedrijfschap te stellen eisen voldoet. 2 a Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie De overlating van de regeling of nadere regeling van het in het eerste lid, onder, genoemde onderwerp of van onderdelen daarvan neemt eerst een aanvang op een door de Sociaal-Economische Raad te bepalen en in hetbekend te maken tijdstip, doch uiterlijk vier jaren na het in werking treden van het onderhavige besluit. Alvorens te besluiten hoort de Raad het bestuur van het bedrijfschap. 3 e Mededelingenblad Bedrijfsorganisatie Verordeningen betreffende het in het eerste lid, onder, genoemde onderwerp worden niet vastgesteld, dan nadat een door het bestuur van het bedrijfschap in te stellen commissie in de gelegenheid is gesteld over het ontwerp der verordening van advies te dienen. Tenminste één maand vóór de instelling van de commissie maakt het bestuur zijn voornemen daartoe bekend in het. Het bestuur draagt zorg, dat de verschillende groepen op het gebied van de vervaardiging van en de handel in schoeisel, die bij de voorgenomen regeling zijn betrokken, in de commissie zijn vertegenwoordigd. Van afwijkende gevoelens van een minderheid in de commissie wordt in het advies desverlangd melding gemaakt. Bij het inzenden van een verordening ter goedkeuring wordt het advies overgelegd. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 e artikel 3, eerste lid, onder f, h i artikel 3, eerste lid, onderen Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening betreffende het in, genoemde onderwerp en, voor zover dit voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van een dergelijke verordening nodig is, bij een op grond van vorengenoemde wetsbepaling vastgestelde verordening betreffende een der in, genoemde onderwerpen, kan worden bepaald, dat de daarbij gestelde regelen mede degenen binden, die ondernemingen drijven, waarin geen ander dan schoeisel voorzien van een rubberzool en een bovenwerk van textiel, of daaraan verwant schoeisel in serie wordt vervaardigd, alsmede degenen, die ondernemingen drijven, waarin door middel van stanzerij-, stikkerij- of lasserijwerkzaamheden onderdelen van zodanig schoeisel worden vervaardigd of bewerkt. 1980 777 22-12-1980 1980 777 22-12-1980 03-04-1981
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Overtredingen van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening kunnen bij die verordening worden aangewezen als strafbare feiten. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Op overtreding van een op grond van artikel 93, eerste lid, van de wet vastgestelde verordening door de personen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de wet, kunnen, ook indien de overtreding als strafbaar feit is aangewezen, bij die verordening tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Onverminderd het in het tweede en derde lid bepaalde kunnen de door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de wet op te leggen heffingen worden vastgesteld: a. artikel 2, eerste lid naar de grondslag van het in iedere onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, bij de uitoefening van het in, bedoelde bedrijf gedurende een bij de verordening aan te wijzen tijdvak aan loon uitbetaalde bedrag; b. artikel 2, eerste lid naar de grondslag van de in iedere onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, bij de uitoefening van het in, bedoelde bedrijf gedurende een bij de verordening aan te wijzen tijdvak bereikte, in geld uitgedrukte omzet; c. naar beide grondslagen gezamenlijk. 2 Een periodieke heffing kan ook, als basisheffing, worden opgelegd tot een bedrag, dat voor alle ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, gelijk is. 3 Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Dit besluit kan worden aangehaald als: Instellingsbesluit Bedrijfschap Schoenindustrie. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1955 559 06-12-1955 1956 209 27-04-1956 15-05-1956