Besluit van 1 juli 1963, tot vaststelling van een Algemene Maatregel van Bestuur als bedoeld in artikel 14 van de Zuiderzeesteunwet 1925 (Stb. 290)
- BWB-id
- BWBR0002420
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2002-01-01 t/m 2005-09-27
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002420
- ELI
- /eli/nl/amvb/1960/zuiderzeesteunbesluit-1963
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1960/zuiderzeesteunbesluit-1963/2002-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002420&g=2002-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002420&z=2026-06-06&g=2002-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002420/2002-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1960/zuiderzeesteunbesluit-1963
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder a. Zuiderzeesteunwet Zuiderzeesteunwet Stb. de: de(1925, 290); b. Zuiderzeesteunwet Onze Minister: Onze Minister, belast met de uitvoering van de; c. artikel 3 van de Zuiderzeesteunwet de Generale Commissie: de Generale Commissie, bedoeld in; d. vervallen; e. vervallen; f. artikel 1 van de Zuiderzeesteunwet a artikel 1van die wet een belanghebbende: een belanghebbende als bedoeld in, alsmede een op grond van dat artikel en vanmet een belanghebbende gelijkgestelde; g. artikel 21 van de Visserijwet 1963 Stb. een visvergunning: een vergunning, bedoeld in(312) voor het vissen in het IJsselmeer; h. het inleveren van een vergunning: het afstand doen van de rechten, voortvloeiende uit een geldende visvergunning, waaronder wordt begrepen het niet-weder-in-aanmerking-komen voor een visvergunning bij de aanvang van een nieuw vergunningsjaar, tenzij dit een gevolg is van laakbare gedragingen; i. een grootbedrijf: een scheepswerf of een door Onze Minister daarmede gelijkgesteld bedrijf, voor zover die scheepswerf of dat bedrijf vóór 31 mei 1932 in hoofdzaak gegrond was op de Zuiderzeevisserij; 1976 337 23-06-1976 1976 337 23-06-1976 01-06-1976
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 6 van de Zuiderzeesteunwet De tegemoetkoming in geld, bedoeld in het tweede lid van, bedraagt in geen geval meer dan € 453,78. 2 a artikel 6van de Zuiderzeesteunwet tweede lid van artikel 6 van de Zuiderzeesteunwet De belanghebbende die een vergoeding van waardevermindering als bedoeld inheeft gekregen, kan op grond van hetslechts worden tegemoetgekomen in zoverre de na 31 december 1959 genoten vergoeding van waardevermindering, alle andere omstandigheden mede in aanmerking genomen, geen oplossing biedt voor de moeilijkheden die de liquidatie van zijn bedrijf ondervindt. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 In deze titel wordt onder vergoeding verstaan: a artikel 6van de Zuiderzeesteunwet vergoeding van waardevermindering van vissersvaartuigen en van netwerk als bedoeld in. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Met inachtneming van hetgeen overigens in deze titel is bepaald wordt de vergoeding toegekend aan de belanghebbende alsmede aan de zoon van een belanghebbende, voor zover deze a. in 1950, 1951 of 1952 houder waren van een visvergunning en b. hun bedrijf bij inlevering van de visvergunning zonder in die vergunning te zijn opgevolgd, hebben opgeheven vóór 1 juni 1976. 2 Bij overlijden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het vorige lid, treedt, voor zover er geen opvolging in de vergunning heeft plaatsgehad, met uitsluiting van alle anderen de weduwe in diens plaats of, indien hij geen weduwe achterlaat, zijn erfgenamen in de eerste en bij gebreke van dezen zijn erfgenamen in de tweede graad van bloedverwantschap in rechte nederdalende lijn. 1975 635 11-11-1975 1975 635 11-11-1975 24-12-1975
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 a De belanghebbende en de zoon van een belanghebbende, die na 1952 en vóór 1 juni 1976 een houder van een visvergunning als bedoeld in het eerste lid ondervan het vorige artikel, in die vergunning zijn opgevolgd, worden voor de toepassing van deze titel geacht, in 1950, 1951 of 1952 houder van een visvergunning te zijn geweest. 1975 635 11-11-1975 1975 635 11-11-1975 24-12-1975
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 het eerste lid van artikel 4 Behoudens de in deze titel gestelde beperkingen betreft de vergoeding vissersvaartuigen en netwerk, die voor de belanghebbende of voor de zoon van een belanghebbende als bedoeld invan dit besluit, overbodig zijn geworden bij de opheffing van zijn bedrijf, voor zover deze goederen in 1950, 1951 of 1952 zijn eigendom waren en werden gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Met de in het vorige artikel bedoelde goederen worden voor de toepassing van deze titel gelijkgesteld a. het eerste lid van artikel 4 vissersvaartuigen en netwerk, door de belanghebbende of door een zoon van een belanghebbende als bedoeld invan dit besluit, gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend, mits deze goederen in 1950, 1951 of 1952 in eigendom toebehoorden aan degeen in wiens visvergunning hij is opgevolgd; b. het eerste lid van artikel 4 vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld invan dit besluit, nadat hij reeds in 1950, 1951 of 1952 houder of bezitter te goeder trouw ervan is geweest, voor zover deze goederen althans in één van die jaren werden gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend mits zij tot de opheffing van zijn bedrijf zijn eigendom zijn gebleven; c. het eerste lid van artikel 4 vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld invan dit besluit, of van hem, in wiens rechten deze als opvolger in de IJsselmeervisserij is getreden, mits zij hebben gestrekt om zijn IJsselmeervisserijbedrijf uiterlijk tot de opheffing daarvan te kunnen uitoefenen in de omvang waarin en de wijze waarop dit in 1950, 1951 of 1952 geschiedde. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 het eerste lid van artikel 4 Vissersvaartuigen en netwerk worden zolang deze goederen toebehoren of hebben toebehoord aan de echtgenote van een belanghebbende of van een zoon van een belanghebbende als bedoeld invan dit besluit, gelijkgesteld met eigendommen van die belanghebbende of van die zoon van een belanghebbende. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Voor vaartuigen en voor netwerk, in onverdeelde eigendom mede toebehorende aan hem die op de vergoeding van waardevermindering aanspraak kan maken, wordt die vergoeding voor het geheel van die goederen toegekend. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikelen 13 14 De vergoeding wordt, behoudens het bepaalde in deenvan dit besluit, vastgesteld op het verschil tussen de werkelijke waarde van schepen en van netwerk en de basiswaarde daarvan. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Als werkelijke waarde van vissersvaartuigen en van netwerk wordt beschouwd de opbrengst ervan bij openbare verkoop, geschied onder gewone omstandigheden op een geschikte tijd en op een geschikte plaats, na verkregen toestemming van Onze Minister, dan wel een bedrag dat Onze Minister in overeenstemming met de aanvrager van de vergoeding heeft bepaald. 2 Indien verkoop heeft plaats gevonden zonder toestemming van Onze Minister, stelt hij de werkelijke waarde vast. Hetzelfde geldt voor het geval van verkoop op grond van artikel 1223 van het Burgerlijk wetboek en voor het geval van executoriale verkoop. 3 tweede lid van artikel 12 Indien binnen zes maanden nadat de vastgestelde basiswaarde overeenkomstig het bepaalde in hetvan dit besluit ter kennis van de aanvrager van de vergoeding is gebracht, de werkelijke waarde niet in overeenstemming met die aanvrager is kunnen worden bepaald, of ingeval die aanvrager geen toestemming tot openbare verkoop aan Onze Minister heeft gevraagd, is de Minister bevoegd, de werkelijke waarde vast te stellen. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De basiswaarde is de waarde die vissersvaartuigen en netwerk op het tijdstip van de buitengebruikstelling van deze goederen, die is voorafgegaan aan of heeft plaatsgevonden tegelijkertijd met het inleveren van de visvergunning, zouden hebben gehad, respectievelijk zouden hebben indien de inpolderingen in het IJsselmeer in 1950 niet waren hervat. 2 artikel 15 De basiswaarde wordt, indien de uitvoering van dit besluit daartoe aanleiding geeft, door de invan dit besluit bedoelde deskundigen vastgesteld. De vastgestelde basiswaarde wordt zo spoedig mogelijk medegedeeld aan Onze Minister, die haar onverwijld schriftelijk ter kennis brengt van de aanvrager van de vergoeding. 3 De basiswaarde van de daarvoor in aanmerking komende goederen kan op verzoek van een belanghebbende of van een zoon van een belanghebbende, die in de mogelijkheid verkeert aanspraken te verkrijgen op een vergoeding, worden vastgesteld. Deze vaststelling zal aan de latere berekening van de vergoeding ten grondslag strekken. Voor deze vaststelling wordt aan de verzoeker een door Onze Minister te bepalen bedrag in rekening gebracht, dat bij latere inlevering van de visvergunning wordt terugbetaald. 1976 337 23-06-1976 1976 337 23-06-1976 01-06-1976
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Ten aanzien van houten vissersvaartuigen, die zijn gebouwd vóór 1932, bedraagt de vergoeding a. voor een Volendammer kwak € 453,78 b. voor een zuidwalbotter, groot model of voor een aak € 363,02 c. voor een zuidwalbotter, klein model, voor een grote pluut of voor een bons € 272,27 d. voor een kleine pluut of voor een schouw € 90,76 2 Met uitzondering van motorbotters, dienende voor de aalkuilvisserij met gebruikmaking van mechanische kracht, worden andere vóór 1932 gebouwde houten vissersvaartuigen dan de in het vorige lid genoemde, geacht geen waardevermindering te hebben ondergaan in de zin van dit besluit. 3 Evenmin worden stalen vissersvaartuigen, gebouwd tussen 1 januari 1932 en 1 mei 1940, geacht waardevermindering te hebben ondergaan in de zin van dit besluit. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De vergoeding voor netten, gebezigd voor de aalkuilvisserij, bedraagt ten hoogste een derde van de kostprijs van dergelijke netten ten tijde van de buitengebruikstelling en wordt ten hoogste over vier van die netten toegekend. 2 Voor niet in het vorige lid bedoelde netten van katoen of van linnen en voor katoenen fuiken, die vóór 1 januari 1958 na beëindiging van het visserijbedrijf buiten gebruik zijn gesteld, wordt ten hoogste een derde van de kostprijs ten tijde van de buitengebruikstelling vergoed. 3 Geen vergoeding wordt gegeven voor: niet in het eerste lid van dit artikel bedoelde netten van katoen of van linnen en voor katoenen fuiken, die na 31 december 1957 buiten gebruik zijn gesteld; voor hoekwant en voor netten en fuiken van kunstvezels. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Onze Minister benoemt, de Generale Commissie gehoord, deskundigen die beslissen omtrent a. de basiswaarde van vissersvaartuigen; b. eerste lid van artikel 13 de indeling van een vissersvaartuig in een van de categorieën, genoemd in hetvan dit besluit, indien er over die indeling twijfel bestaat; c. het aantal netten en fuiken, als bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, nodig voor de uitoefening van het bedrijf in de omvang, waarin die uitoefening in 1950, 1951 of 1952 geschiedde; d. de kostprijs en omtrent het te vergoeden bedrag, ingeval omtrent de kostprijs van de in het eerste en tweede lid van het vorige artikel bedoelde netten tussen Onze Minister en de aanvrager geen overeenstemming bestaat zomede ingeval Onze Minister van oordeel is, dat de vergoeding op minder dan een derde van de kostprijs moet worden bepaald en die vergoeding niet is kunnen worden vastgesteld in overeenstemming met de aanvrager ervan. 2 De deskundigen worden vanwege Onze Minister beëdigd. Onze Minister stelt de af te leggen eed vast. 3 Onze Minister stelt regelen welke de deskundigen hebben in acht te nemen. Beslissingen van de deskundigen waarbij deze regelen niet in acht zijn genomen, kunnen door Onze Minister worden vernietigd. 1976 337 23-06-1976 1976 337 23-06-1976 01-06-1976
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 eerste lid van artikel 4 Aanvragen om vergoeding van waardevermindering moeten, voor zover de belanghebbende of de zoon van een belanghebbende als bedoeld in hetvan dit besluit, zijn visvergunning bij het in werking treden van dit besluit reeds heeft ingeleverd, uiterlijk een jaar na de dagtekening van dit besluit en overigens uiterlijk een jaar nadat de visvergunning is ingeleverd of blijvend is ingetrokken, worden ingediend bij Onze Minister. 2 Bij overschrijding van de in het vorige lid genoemde termijnen vervallen de aanspraken die aan het bepaalde in deze titel zouden kunnen worden ontleend. 1976 337 23-06-1976 1976 337 23-06-1976 01-06-1976
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 De vergoeding, berekend overeenkomstig het bepaalde in deze titel, wordt vastgesteld bij een beschikking van Onze Minister. 2 Zuiderzeesteunwet Zij wordt uitbetaald aan de aanvrager nadat hij een verklaring heeft ondertekend en afgegeven, inhoudende dat hij het bedrag van de vastgestelde vergoeding als juist erkent, en dat hij dientengevolge noch op grond van de, noch op grond van dit besluit enig verder recht op vergoeding van waardevermindering doet gelden. 1976 337 23-06-1976 1976 337 23-06-1976 01-06-1976
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Zuiderzeesteunwet Indien de aanvrager ten tijde van de vaststelling van de vergoeding schulden heeft wegens een crediet of enige credieten, verleend hetzij ingevolge de, hetzij door de Credietvereniging voor de Zuiderzee, of schulden heeft wegens een crediet of enige credieten, verstrekt ingevolge een door Onze Minister van Financiën vastgestelde garantieregeling, strekt de toegekende vergoeding in de eerste plaats tot delging van deze schulden. 2 Schulden als in het vorige lid bedoeld, die op grond van dezelfde oorzaak, mede ten laste zijn van andere personen dan de aanvrager van de vergoeding, of die ten laste zijn van zijn echtgenote, worden voor de toepassing van dit artikel geacht schulden te zijn van de aanvrager. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Indien uit enig feit blijkt, dat de vergoeding op grond van onjuiste gegevens, door of vanwege de aanvrager verstrekt, is vastgesteld op een te hoog bedrag, wordt zij herzien zolang niet sedert de eerste vaststelling drie jaren zijn verstreken. Het te veel uitgekeerde wordt verhaald op de aanvrager of op hem die in zijn rechten is getreden. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 titels II III De aanvraag om vergoeding of een tegemoetkoming, toe te kennen volgens het bepaalde in deenvan dit besluit, wordt bij Onze Minister ingediend. 1993 627 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 1976 254 06-05-1976 1976 254 06-05-1976 01-05-1976
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Zuiderzeesteunwet artikel 15 Tegen beschikkingen, gegrond op de, het Zuiderzeesteunbesluit 1963 en de op die wet en/of dat besluit gebaseerde regelingen, kan hij te wiens aanzien de beslissing is genomen, bij Onze Minister een bezwaarschrift indienen behalve voorzoveel het gaat om beslissingen bedoeld invan dit besluit. 2 artikel 8, derde lid, van het Koninklijk besluit van 18 december 1925 Stb. Stb. Onze Minister hoort, alvorens op het bezwaarschrift te beschikken, de subcommissie voor de bezwaarschriften, bedoeld in(475), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 2 december 1938 (579K. 1993 627 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 het tweede lid van artikel 13 van de Zuiderzeesteunwet Het einde van de termijnen van 3 en 5 jaar, bedoeld in, blijft vastgesteld voor belanghebbenden benoorden de Afsluitdijk op respectievelijk 30 april 1941 en 30 april 1943 en voor de overige belanghebbenden op 31 december 1934 respectievelijk 31 december 1936. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Met het in werking treden van dit besluit vervallen: a. Stb. het Zuiderzeesteunbesluit van 28 november 1927 (365), zoals dit besluit sedert die datum is gewijzigd; b. het Koninklijk besluit van 19 mei 1932, zoals dit besluit sedert die datum is gewijzigd. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Dit besluit kan worden aangehaald als Zuiderzeesteunbesluit 1963. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Staatsblad Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van hetwaarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1960. 1963 350 01-07-1963 1963 350 01-07-1963 01-01-1960