Besluit van 29 oktober 1964, houdende maatregelen ter uitvoering van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst
- BWB-id
- BWBR0002465
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2014-01-06
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002465
- ELI
- /eli/nl/amvb/1964/besluit-gewetensbezwaren-militaire-dienst
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1964/besluit-gewetensbezwaren-militaire-dienst/2014-01-06
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002465&g=2014-01-06
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002465&z=2026-06-06&g=2014-01-06
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002465/2014-01-06
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1964/besluit-gewetensbezwaren-militaire-dienst
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Wet gewetensbezwaren militaire dienst "de wet": de; b. artikel 3 der wet "de verzoeker": hij die een verzoek heeft gedaan als bedoeld in; c. artikel 5 van de wet "de commissie": de commissie van advies, bedoeld in; d. "fungerend voorzitter": het lid van de commissie dat het onderzoek leidt; e. artikel 5, eerste lid a artikel 7, eerste lid, van de wet "het onderzoek": het onderzoek, bedoeld in, respectievelijk; f. "de erkende gewetensbezwaarde": hij wiens bezwaren tegen de vervulling van militaire dienst, overeenkomstig de bepalingen der wet zijn erkend als ernstige gewetensbezwaren. 2 artikel 1 der wet Waar in dit besluit overigens uitdrukkingen voorkomen, als invermeld, worden deze verstaan in de zin als in dat artikel omschreven. 1994 643 30-08-1994 15-07-1994 1994 707 29-09-1994 22-09-1994 01-10-1994
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Tenzij Onze Minister van Defensie anders bepaalt, wordt aan de verzoeker die vóór zijn opkomst in militaire dienst, of binnen dertig dagen daarna, een verzoek tot erkenning van zijn bezwaren als ernstige gewetensbezwaren heeft gedaan, in afwachting van de onherroepelijke beslissing op het verzoek uitstel verleend van de militaire verplichtingen. 1979 685 14-12-1979 1979 686 20-12-1979 14-01-1980
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De commissie is zodanig samengesteld dat een brede spreiding van levensbeschouwing onder de leden aanwezig is. 2 Uit de leden worden door Ons een voorzitter en een of meer vice- voorzitters benoemd. 3 De leden wordt in elk geval ontslag verleend bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. 1985 458 31-07-1985 1985 458 31-07-1985 29-08-1985
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 De commissie stelt een reglement vast, waarin worden geregeld: a. de frequentie van de zittingen waarin het onderzoek plaatsvindt; b. de samenstelling van het rooster der zittingen waarin het onderzoek plaatsvindt; c. a artikel 7van de wet de deelneming van de leden aan de zittingen zulks op zodanige wijze, dat een zo groot mogelijke spreiding van levensbeschouwing ter zitting wordt bevorderd, dat zo mogelijk rekening wordt gehouden met de levensbeschouwing van de verzoeker en dat aan een onderzoek als bedoeld ingeen lid deelneemt dat reeds een advies met betrekking tot het verzoek heeft uitgebracht;; d. de frequentie van haar plenaire vergaderingen; e. hetgeen verder omtrent de werkwijze der commissie regeling behoeft. 2 Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Defensie en wordt door diens zorg gepubliceerd in de Staatscourant. 1994 700 14-09-1994 1994 700 14-09-1994 30-09-1994
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat de commissie beschikt over passende lokaliteiten. 1979 685 14-12-1979 1979 686 20-12-1979 14-01-1980
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Aan de commissie wordt toegevoegd een secretaris, die door Ons wordt benoemd en ontslagen. 2 Ten behoeve van het onderzoek worden adjunct-secretarissen toegevoegd, die door Onze Minister van Defensie worden benoemd en ontslagen. 3 De secretaris treedt op als hoofd van het bureau van het secretariaat en regelt onder verantwoordelijkheid van de voorzitter de werkzaamheden van het secretariaat. Hij kan, indien geen adjunct-secretaris voor het onderzoek aanwezig is, als zodanig optreden. 4 Een adjunct-secretaris kan, indien dit naar het oordeel van de voorzitter noodzakelijk is, bij ontstentenis van de secretaris tijdelijk de functie van secretaris vervullen. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 De secretaris draagt er zorg voor dat de verzoeker voor het onderzoek wordt opgeroepen. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De fungerend voorzitter beslist over een aanvraag van de verzoeker tot het bijwonen van de zitting van het onderzoek door andere personen. 2 De adjunct-secretaris stelt een verslag op van de verklaringen van de verzoeker ter zitting. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De commissie zendt het verzoek, haar advies en het verslag van het onderzoek ter zitting aan Onze Minister van Defensie. Indien de verzoeker niet verschijnt voor het onderzoek brengt de commissie advies uit, ook zonder dat de verzoeker is gehoord. 1994 700 14-09-1994 1994 700 14-09-1994 30-09-1994
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het advies van de commissie wordt door de leden, die hebben deelgenomen aan het onderzoek, vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Het lid, dat een van de meerderheid afwijkende mening is toegedaan, kan daarvan doen blijken in een afzonderlijk advies, hetwelk bij het advies van de commissie wordt gevoegd dan wel daarin wordt opgenomen. 2 In geval het onderzoek wordt gehouden door een even aantal leden en de stemmen staken, adviseert de commissie volgens de opvatting van de fungerend voorzitter. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Indien het advies van de commissie Onze Minister van Defensie daartoe aanleiding geeft, kan hij de zaak nogmaals aanhangig maken, onder vermelding van gerezen bedenkingen en met verzoek nader van advies te dienen. 1994 700 14-09-1994 1994 700 14-09-1994 30-09-1994
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Indien Onze Minister van Defensie afwijkt van een advies van de commissie, deelt hij dat besluit mede aan de commissie. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Vervallen 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 In onvoorziene omstandigheden kan Onze Minister van Defensie na overleg met de voorzitter van de commissie, en zoveel mogelijk met inachtneming van de bepalingen van dit besluit, passende voorzieningen treffen. 1979 685 14-12-1979 1979 686 20-12-1979 14-01-1980
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Vacatiegeldenbesluit Stb. Ten laste van 's Rijks kas genieten de voorzitter, de vice-voorzitters, de fungerend voorzitter en de leden een vacatiegeld, waarvan het bedrag wordt vastgesteld op de voet van het1970 (1970, 577). Aan de secretaris en de adjunct-secretarissen kan door Onze Minister van Defensie een vergoeding worden toegekend. 2 Stb. Ten laste van 's Rijks kas genieten de voorzitter, de vice-voorzitters, de fungerend voorzitter, de leden, de secretaris en de adjunct-secretarissen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten waarvan het bedrag wordt vastgesteld op de voet van het Reisbesluit 1971 (1970, 602). 3 Aan de verzoeker die is verschenen ter zitting voor het onderzoek wordt een tegemoetkoming toegekend voor de reiskosten en wegens loonderving overeenkomstig door Onze Minister van Defensie te stellen regelen. 1993 642 12-11-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 De burgemeester registreert de erkende gewetensbezwaarden, die als ingezetene met een adres in zijn gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven. Erkende gewetensbezwaarden die niet als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, worden geregistreerd door de burgemeester van ’s-Gravenhage. Omtrent de aard en de wijze van de te houden registratie geeft Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 De autoriteit, aan wie blijkt of die vermoedt, dat een erkende gewetensbezwaarde behoort tot een Staat welks onderdanen krachtens een met die Staat gesloten verdrag in Nederland niet tot krijgsdienst gehouden zijn, geeft hiervan terstond kennis aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zo mogelijk met overlegging van een stuk, waaruit de nationaliteit van de erkende gewetensbezwaarde blijkt. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Ingeval van de erkende gewetensbezwaarde de geschiktheid tot het vervullen van de vervangende dienst moet worden vastgesteld, geschiedt zulks overeenkomstig de regelen welke voor dienstplichtigen gelden. 2 De tewerkgestelde, omtrent wiens geschiktheid tot het vervullen van de vervangende dienst de beslissing van de Inspecteur van de militair geneeskundige dienst wordt ingeroepen, kan in het genot van groot verlof worden gesteld. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 De oproeping tot het vervullen van vervangende dienst geschiedt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1997 702 23-12-1997 15-12-1997 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking als de Aanpassingswet derde tranche Awb I in
werking treedt.
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt ten aanzien van de erkende gewetensbezwaarde vast: a. de tak van dienst waarbij de vervangende dienst wordt volbracht; b. het tijdstip van opkomst; c. de plaats van opkomst. 2 In de oproeping wordt vermeld, onder meer: a. de verplichting om zich op het aangegeven tijdstip en de aangegeven plaats aan te melden; b. de verplichting van de opgeroepene, die de vervangende dienst heeft moeten aanvangen of voortzetten en op de bepaalde tijd en plaats niet is verschenen, zich zodra mogelijk aan te melden bij de in de oproeping genoemde autoriteit; c. artikel 52 der wet de inhoud van. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 De vervangende dienst vangt aan op het ogenblik waarop de erkende gewetensbezwaarde tot het voldoen aan de oproeping, op de plaats voor zijn opkomst bepaald, is verschenen. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Vangt de erkende gewetensbezwaarde de tewerkstelling niet aan op de daarvoor vastgestelde datum, op grond van een naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wettige reden, dan treedt hij in het genot van groot verlof. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 De erkende gewetensbezwaarde die tot het vervullen van vervangende dienst heeft moeten opkomen doch op tijd en plaats, voor zijn opkomst bepaald, niet is verschenen, meldt zich zodra mogelijk aan bij de autoriteit bij wie hij zich moest melden, dan wel bij een andere door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen autoriteit. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 15, tweede lid, der wet Het aanvragen van vrijstelling van de gewone vervangende dienst dan wel van vrijstelling van vervangende dienst om de reden bedoeld ingeschiedt, mondeling of schriftelijk, door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde als regel bij de burgemeester van de gemeente waar hij, wie de aanvraag geldt, als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, bij de burgemeester van ’s-Gravenhage. 2 Van elke aanvraag om vrijstelling geeft de burgemeester terstond een bewijs af aan degene, die de aanvraag heeft gedaan. 3 De aanvraag wordt afgewezen: a. indien blijkt dat de erkende gewetensbezwaarde reeds van de op hem uit de wet voortvloeiende verplichtingen is ontslagen, voorgoed vrijgesteld, dan wel voorgoed ongeschikt bevonden is; b. artikel 15, tweede lid, der wet indien blijkt dat de erkende gewetensbezwaarde alleen verplicht is tot het vervullen van buitengewone vervangende dienst tenzij het betreft een aanvraag om vrijstelling om de reden bedoeld in; c. artikel 26 der wet indien het geldt een aanvraag om vrijstelling wegens kostwinnerschap en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bepaald, dat vergoeding zal worden toegekend als inbedoeld. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De aanvraag om vrijstelling wegens kostwinnerschap of wegens persoonlijke onmisbaarheid geschiedt door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde, binnen veertien dagen na ontvangst van de oproeping tot tewerkstelling. Ontstaat de reden tot het aanvragen van vrijstelling eerst na de hiervóór aangegeven tijd, dan geschiedt de aanvraag binnen veertien dagen nadat de reden tot aanvragen is ontstaan. Ten aanzien van hem, die tijdelijk is vrijgesteld en opnieuw vrijstelling verlangt, geschiedt de aanvraag daartoe binnen de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen tijd. De aanvraag kan geschieden bij de burgemeester van een andere gemeente dan die, waar de erkende gewetensbezwaarde, wie de aanvraag geldt, als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven. Acht de burgemeester het wenselijk dat een bij hem gedane aanvraag door de burgemeester van een andere gemeente wordt behandeld, dan verwijst hij de aanvrager naar die burgemeester. 2 De burgemeester, die de aanvraag om vrijstelling behandelt, maakt een staat van inlichtingen op, waarin hij alle omstandigheden vermeldt, die voor de beoordeling van het recht op vrijstelling van belang kunnen zijn. Hij ondervraagt degene, die de aanvraag doet, ten aanzien van hetgeen in de staat moet worden opgegeven, en stelt voorts een onderzoek in om zoveel mogelijk zekerheid omtrent de te verstrekken inlichtingen te verkrijgen. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Bij de beslissing op aanvragen om vrijstelling wegens het bekleden van een geestelijk ambt of een godsdienstig menslievend ambt of opleiding tot zodanig ambt wordt in acht genomen de inhoud van de bij het Dienstplichtbesluit behorende tabellen I en II. De vrijstelling kan ook worden verleend, indien de erkende gewetensbezwaarde niet behoort tot de personen, in kolom 2 en 3 van tabel I of in kolom 2 van tabel II vermeld, maar niettemin verkeert in een geval, dat met een der daar omschreven gevallen kan worden gelijkgesteld. 2 Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde wordt bij de burgemeester ingeleverd een verklaring waaruit blijkt, dat hij voor wie de aanvraag geldt, verkeert in een der gevallen, in tabel I of in tabel II omschreven, of in een daarmede overeenkomend geval. 3 De inlevering geschiedt - voor zoveel mogelijk - binnen een maand nadat de reden tot het aanvragen van vrijstelling is ontstaan. Ten aanzien van hem, die tijdelijk is vrijgesteld en opnieuw vrijstelling verlangt, geschiedt de inlevering binnen de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen tijd. 4 Voor zoveel betreft hen, die nog in opleiding zijn of zich in een kloosterinrichting bevinden, mag de verklaring, behoudens door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toe te laten uitzonderingen, bij de inlevering niet ouder zijn dan veertien dagen. 5 De verklaring moet in Nederland zijn afgegeven, voor zover uit de tabel het tegendeel niet blijkt. Ook in andere gevallen kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met verklaringen, die buiten Nederland zijn afgegeven, genoegen nemen. Voor zover Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet anders bepaalt, moet de handtekening van degene, die de verklaring heeft afgegeven, voor echt zijn verklaard door de burgemeester, door een Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaar of, indien de afgifte in Suriname of de Nederlandse Antillen heeft plaats gehad, door het hoofd van het plaatselijk bestuur. 6 Indien de erkende gewetensbezwaarde, die voorgoed of tijdelijk is vrijgesteld om de in het eerste lid genoemde reden, heeft opgehouden te verkeren in een geval, als daar bedoeld, wordt daarvan onverwijld door hem of van zijnentwege opgaaf gedaan aan de burgemeester, tenzij hij inmiddels uit de vervangende dienst mocht zijn ontslagen. De burgemeester brengt de in de vorige volzin bedoelde opgaaf binnen veertien dagen na ontvangst ter kennis van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Gelijke mededeling doet de burgemeester indien hem op andere wijze is gebleken, dat de persoon aan wie de vrijstelling als bedoeld in het eerste lid is verleend, heeft opgehouden te verkeren in een geval, als in dat lid bedoeld. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 tweede en vierde lid van artikel 18 der wet Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde, die vrijstelling verlangt wegens broederdienst, wordt bij de burgemeester aanvraag gedaan tot het opmaken van een verklaring betreffende broederdienst. Uit deze verklaring moet blijken welke broeders van de erkende gewetensbezwaarde volgens opgaaf van de aanvrager dienen of gediend hebben bij de krijgsmacht of bij de toenmalige overzeese krijgsmacht dan wel vervangende dienst vervullen of vervuld hebben en verkeren in een der gevallen, omschreven in het, en in welk van deze gevallen ieder hunner verkeert. 2 tweede lid van artikel 18 der wet Als tijdstip, bedoeld in het, geldt de datum van 1 januari van het jaar der lichting waarvoor de erkende gewetensbezwaarde voor de dienstplicht is ingeschreven. 3 De aanvraag geschiedt binnen een maand nadat de reden tot het aanvragen van vrijstelling is ontstaan. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 a artikel 18, tweede lid, onder, der wet Voor de toepassing van het bepaalde inblijft als broederdienst buiten aanmerking de werkelijke militaire dienst, die slechts bestaat in het bijwonen van oefeningen gedurende daarvoor vastgestelde oefeningsuren. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 De burgemeester zendt de stukken betreffende vrijstelling aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zo spoedig mogelijk nadat de aanvraag is gedaan. Zijn deze stukken niet opgemaakt door de burgemeester van de gemeente waar de erkende gewetensbezwaarde als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, dan geschiedt de toezending door tussenkomst van die burgemeester. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 De beslissing omtrent vrijstelling wordt medegedeeld aan de burgemeester van de gemeente, waar de erkende gewetensbezwaarde als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, aan de burgemeester van ’s-Gravenhage. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 21 der wet De autoriteit, die vermoedt, dat iemand ten onrechte van vervangende of gewone vervangende dienst is vrijgesteld als gevolg van een der inbedoelde feiten, brengt dit met mededeling van de gronden, waarop het vermoeden berust, terstond ter kennis van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 De erkende gewetensbezwaarde van wie, vóór het tijdstip waarop hij de vervangende dienst voor de eerste maal zou moeten aanvangen, een broeder in Nederlandse krijgsdienst is gesneuveld, wordt slechts verplicht tot het vervullen van buitengewone vervangende dienst. Onder een gesneuvelde wordt mede verstaan de broeder die: hetzij als militair a. is overleden of wordt vermist ten gevolge van oorlogshandelingen; b. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan bij of door oorlogshandelingen; c. is overleden of wordt vermist in en door de militaire dienst; d. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan in en door de militaire dienst; hetzij als erkende gewetensbezwaarde: e. is overleden in en door de vervangende dienst; f. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan in en door de vervangende dienst. 2 Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde, die op grond van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, slechts voor de vervulling van buitengewone vervangende dienst in aanmerking wenst te komen, wordt daartoe binnen een maand nadat de reden tot de aanvraag is ontstaan, aanvraag gedaan bij de burgemeester van de gemeente, waar de erkende gewetensbezwaarde als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, bij de burgemeester van ’s-Gravenhage. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan met afwijking van de termijnen, voor de indiening der aanvragen in voorafgaande artikelen gesteld, genoegen nemen, indien blijkt, dat voor het niet in acht nemen van die termijnen een aannemelijke reden bestaat. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslist of de erkende gewetensbezwaarde vervangende dan wel uitsluitend buitengewone vervangende dienst moet vervullen. Hiervan doet hij mededeling aan de burgemeester van de gemeente, waar de erkende gewetensbezwaarde als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, aan de burgemeester van ’s-Gravenhage. 2 artikel 24, tweede lid, der wet Mobilisatie-vrijstellings-besluit Voor de uitvoering vanis hetvan overeenkomstige toepassing. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan uitstel van de gewone vervangende dienst of van een gedeelte daarvan worden verleend. De duur van het uitstel wordt eveneens door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald. 1997 702 23-12-1997 15-12-1997 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking als de Aanpassingswet derde tranche Awb I in
werking treedt.
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 artikel 25 der wet Omtrent de verlenging van de vervangende dienst, als bedoeld in, beslist Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 De tewerkgestelde heeft aanspraak op een zakgeld op basis van de wedde eerste oefening zoals deze door Ons is vastgesteld voor dienstplichtige soldaten van de land- en luchtmacht. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Bij beëindiging van de gewone vervangende dienst heeft de tewerkgestelde aanspraak op een uitkering overeenkomstig hetgeen door Ons is bepaald met betrekking tot de uitkering waarop dienstplichtige soldaten van de land- en luchtmacht aanspraak hebben bij beëindiging van het verblijf in werkelijke dienst voor eerste oefening. 1968 415 17-07-1968 1968 415 17-07-1968 01-01-1967
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 1 Gedurende de tijd, dat gewone vervangende dienst wordt vervuld, is - behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid - het Kostwinners-vergoedingsbesluit-militairen van overeenkomstige toepassing. 2 Inkomsten-vergoedingsbesluit-militairen Wordt gewone vervangende dienst vervuld nadat de erkende gewetensbezwaarde de eerste oefening als militair reeds heeft volbracht, dan is hetvan overeenkomstige toepassing. 3 De tewerkgestelde die is gehuisvest in het gezin waartoe hij behoort, ontvangt aan emolumenten, voortvloeiende uit zijn vervangende dienst in totaal niet méér dan zijn inkomen, ware hij niet terwerkgesteld, zou hebben bedragen, met dien verstande, dat indien dit inkomen verandering zou hebben ondergaan ten gevolge van een algemene en door de overheid aanvaarde wijziging in de loonstandaard, het vergoedingsbedrag opnieuw wordt berekend. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 artikel 31 van de wet Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet Stb. Voor de toepassing vanwordt onder zakgeld verstaan het zakgeld na aftrek van de loonbelasting en de premies ingevolge de(1985, 181) en de. 1996 418 15-08-1996 23-07-1996 1996 418 15-08-1996 23-07-1996 16-08-1996 01-07-1996 Werkt terug tot en met 1 juli 1996.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 artikel 32, eerste lid, van de wet De termijn genoemd invangt aan op de dag waarop de uitnodiging om zich te verantwoorden aan de tewerkgestelde wordt uitgereikt dan wel, indien deze uitnodiging niet in persoon aan de tewerkgestelde wordt uitgereikt, op de dag volgende op die waarop de uitnodiging aan de tewerkgestelde werd verzonden. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 artikel 32, tweede lid, van de wet Een verzoek als bedoeld inkan slechts binnen de in het eerste lid van dat artikel genoemde termijn worden ingediend. Het verzoek wordt gericht tot de strafoplegger. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 artikel 37, vierde lid, van de wet In een geval als bedoeld invindt herstel van het door de gestrafte geleden nadeel plaats door toekenning van een door de rechtbank te bepalen, en door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit te keren, schadevergoeding. Bij het bepalen van de schadevergoeding neemt de rechtbank in aanmerking het bedrag van het inkomen dat de gestrafte over de periode waarin hij ten onrechte vervangende dienst heeft verricht heeft gederfd of zich redelijkerwijze had kunnen verwerven, verminderd met het bedrag van het zakgeld dat hij over die periode heeft ontvangen. De rechtbank kan, indien de redelijkheid dit vordert, een afwijkende schadevergoeding vaststellen. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 33, tweede lid, van de wet artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het lid, niet zijnde rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, van de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage, bedoeld in, alsmede diens plaatsvervangers, leggen, alvorens in bediening te treden, ten overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank, de eed of belofte af als bedoeld in, met dien verstande dat daar waar de formulering de woorden «rechterlijke» of «rechterlijk» bevat, deze woorden achterwege dienen te blijven. 2 Van het afleggen van de eed of belofte wordt een verklaring opgemaakt die aan de beëdigde ter hand wordt gesteld. Een gewaarmerkt afschrift wordt aan Onze Minister van Justitie gezonden. 2001 614 20-12-2001 10-12-2001 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 artikel 33, tweede lid, van de wet artikel 284, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering De getuigen en deskundigen die verschijnen ter terechtzitting van de inbedoelde kamer worden beëdigd overeenkomstig het bepaalde in. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Vervallen 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 De voor de uitvoering van dit besluit nodige regelen worden door Onze Minister van Defensie, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ieder voor zoveel hem betreft, vastgesteld. 1986 356 26-06-1986 1986 356 26-06-1986 01-07-1986
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Stb. Het Koninklijk besluit van 3 mei 1924,230, wordt ingetrokken. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit gewetensbezwaren militaire dienst". 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Wet gewetensbezwaren militaire dienst De, alsmede dit besluit treden in werking met ingang van 1 december 1964. 1964 404 29-10-1964 1964 404 29-10-1964 01-12-1964