Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964
- BWB-id
- BWBR0002489
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002489
- ELI
- /eli/nl/amvb/1965/uitvoeringsbesluit-loonbelasting-1965
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1965/uitvoeringsbesluit-loonbelasting-1965/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002489&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002489&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002489/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1965/uitvoeringsbesluit-loonbelasting-1965
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 artikelen 4 5a 7 13bis 18a 18g 19a 31a 33 34 35 35f 35g 35n artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Dit besluit geeft uitvoering aan de,,,,,,,,,,,,envan de Wet op de loonbelasting 1964 en aan. 2 Dit besluit verstaat onder: a. Wet op de loonbelasting 1964 wet:; b. artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek uitvoerder van aangenomen werk: degene, die, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld indie niet rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijke persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden, persoonlijk een werk tot stand brengt; c. loon in geld: het loon voor de loonbelasting, voor zover dit in geld wordt verstrekt; d. tabelloon: het loon waarop de loonbelastingtabel wordt toegepast; e. Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bruto-inkomen: het loon in de zin van de; f. artikel 27b, eerste lid, van de wet belasting, ingevalvan toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen; g. artikel 35 van de wet gage: gage als bedoeld in; h. gezelschap: een groep van natuurlijke personen of lichamen waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen. 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de topsporter die op grond van het met instemming van Onze Minister voor Medische Zorg en Sport vastgestelde reglement van de stichting Fonds voor de Topsporter een periodieke uitkering als tegemoetkoming in de kosten van zijn levensonderhoud geniet of een kostenvergoeding geniet. 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat, persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde, met uitzondering van de arbeidsverhouding van degene die: a. doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaam is voor een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden, tenzij loon wordt verstrekt door degene door wiens tussenkomst de arbeid wordt verricht; b. bij wijze van arbeidstherapie werkzaam is. 1993 70 25-01-1993 1993 70 25-01-1993 13-02-1993
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b 1 artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wet Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de thuiswerker of van de hulp van de thuiswerker, die persoonlijk arbeid verricht tegen een bruto-inkomen, dat doorgaans over een maand ten minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in, dan wel, voor degene, die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het eerstgenoemde bedrag vermenigvuldigd met het krachtens genoemdevoor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende percentage. 2 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand. 3 Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand. 4 artikel 5 Voor de toepassing van het eerste lid is met betrekking tot het bruto-inkomen van een thuiswerker en van de hulp van een thuiswerkervan overeenkomstige toepassing. 5 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van de thuiswerker die zich doorgaans laat bijstaan door meer dan twee personen niet zijnde zijn echtgenoot of zijn tot zijn huishouden behorende minderjarige kinderen. 2023 240 30-06-2023 27-06-2023 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet invoering
minimumuurloon in werking treedt.
Artikel 2c — Artikel 2c#
Artikel 2c 1 b artikel 8, eerste lid, onderdeel, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste 2 dagen per week tegen een bruto-inkomen dat doorgaans over een week ten minste zal bedragen 2/5 maal het bedrag, genoemd in, gedeeld door 4 1/3, dan wel, voor degene, die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto-inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld, 2/5 maal het eerstgenoemde bedrag gedeeld door 4 1/3 en vervolgens vermenigvuldigd met het krachtens genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende percentage. 2 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand. 3 Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan, geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding, tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand. 4 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht, indien: a. artikel 2 artikel 3 zijn arbeidsverhouding tevens is een arbeidsverhouding als bedoeld inofvan de wet, ongeacht of hij ingevolge het bij of krachtens die artikelen bepaalde al dan niet werknemer is; b. hij als bestuurder van een vereniging of stichting werkzaam is voor die vereniging of stichting. 2023 240 30-06-2023 27-06-2023 2023 247 07-07-2023 27-06-2023 01-01-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet invoering
minimumuurloon in werking treedt.
Artikel 2ca — Artikel 2ca#
Artikel 2ca 1 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht. 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sekswerker: degene die tegen betaling seksuele handelingen met of voor een ander verricht. 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 2d — Artikel 2d#
Artikel 2d artikelen 2b 2c artikel 8, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 14 Waar in deenwordt verwezen naar een ingenoemd bedrag, wordt, indien toepassing is gegeven aanvan die wet, als zodanig in aanmerking genomen het daarbij laatstelijk in de plaats daarvan gestelde bedrag. 1973 629 14-12-1973 1973 629 14-12-1973 01-01-1974
Artikel 2e — Artikel 2e#
Artikel 2e 1 Artikel 2a is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. 2 b Artikel 2, eerste lid c artikel 2, eerste lid , en, zijn niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die: a. arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep; b. het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden; c. arbeid van overwegend geestelijke aard verricht; d. werkzaam is in een arbeidsverhouding, die in overwegende mate beheerst wordt door een familieverhouding; e. anders dan bij wijze van beroep, als auteur of redactiemedewerker werkzaam is voor een uitgever; f. artikelen 2b 2c werkzaam is op basis van een voor aanvang van de betaling van de beloning gesloten schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat het de bedoeling is van beide partijen dat deenniet van toepassing zijn. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt degene die melkvervoer verricht krachtens een vervoersovereenkomst en die daarvoor een eigen vervoermiddel pleegt te gebruiken, geacht dit vervoer te verrichten in de uitoefening van een bedrijf. 4 Artikel 2ca is niet van toepassing: a. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep; b. met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene, die het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden; c. indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels. 2016 165 28-04-2016 08-04-2016 2016 166 28-04-2016 08-04-2016 01-05-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet deregulering
beoordeling arbeidsrelaties in werking treedt.
Artikel 2f — Artikel 2f#
Artikel 2f 1 artikel 2 artikelen 2a 2b 2c artikel 2ca Indien een arbeidsverhouding zowel op grond vanals op grond van de,of, maar niet op grond van, als dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen artikel 2 toepassing. 2 artikel 2a artikelen 2b 2c artikelen 2 2ca Indien een arbeidsverhouding zowel op grond vanals op grond van deof, maar niet op grond van deof, als dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen artikel 2a toepassing. 3 artikel 2b artikel 2c artikelen 2 2a 2ca Indien een arbeidsverhouding ingeval, tweede tot en met vijfde lid, buiten beschouwing wordt gelaten zowel op grond van artikel 2b als op grond van, maar niet op grond van de,of, als dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen artikel 2b toepassing. 4 artikel 2ca artikelen 2 2a 2b 2c artikel 2e, vierde lid Indien een arbeidsverhouding zowel op grond vanals op grond van de,,ofals dienstbetrekking wordt beschouwd, vindt alleen artikel 2ca toepassing. Voor de toepassing van de eerste zin wordt, buiten beschouwing gelaten. 2019 516 27-12-2019 18-12-2019 2019 516 27-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2g — Artikel 2g#
Artikel 2g 1 artikel 5 wet artikelen 2 tot en met 2ca artikel 2e Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd, zo nodig in afwijking vanvan de wet, de arbeidsverhouding welke niet reeds op grond van deof de, in samenhang met, als dienstbetrekking wordt beschouwd, mits: a. Wet inkomstenbelasting 2001 de werkzaamheden van degene die de arbeid verricht, geen belastbare winst in zin van degenereren; b. degene die de arbeid verricht, door middel van een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde inhoudingsplichtige voor de eerste beoogde inhouding van loonbelasting aan de inspecteur meldt dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd. 2 Zodra niet meer aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt voldaan, meldt degene die de arbeid verricht, dit aan de inspecteur. 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 2h — Artikel 2h#
Artikel 2h 1 artikelen 2 tot en met 2c artikel 2e artikel 2g Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft ingeval die arbeidsverhouding niet reeds op grond van de wet of de, in samenhang metof, als dienstbetrekking wordt beschouwd. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. partner: artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een inaangeduide persoon; b. een aanmerkelijk belang: Wet inkomstenbelasting 2001 een aanmerkelijk belang in de zin van de. 2009 615 29-12-2009 23-12-2009 2009 615 29-12-2009 23-12-2009 01-01-2011
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 2a 2c 2ca 2g Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt in de gevallen, bedoeld in de,,en, beschouwd degene op wie de verplichting rust het loon te betalen. 2 Ingeval van een sekswerker wordt degene met wie of voor wie de seksuele handelingen worden verricht, niet beschouwd als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat. 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 2008 574 29-12-2008 18-12-2008 01-01-2009
Artikel 3bis — Artikel 3bis#
Artikel 3bis artikel 5a van de wet Degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt, is geen artiest in de zin van, indien hij in Nederland woont en werkzaam is op basis van een voor aanvang van de betaling van de beloning gesloten schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat het de bedoeling is van beide partijen dat hij geen artiest is in de zin van artikel 5a van de wet. 2016 165 28-04-2016 08-04-2016 2016 166 28-04-2016 08-04-2016 01-05-2016 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet deregulering
beoordeling arbeidsrelaties in werking treedt.
Artikel 3a — Artikel 3a#
Artikel 3a Participatiewet artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 11, eerste lid, onderdeel a Ingeval degene die ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan periodieke uitkeringen ingevolge deverstrekt, bij het vaststellen van de hoogte van die uitkeringen rekening houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin van, niet zijnde een termijn van lijfrente, als bedoeld in, wordt deze geacht die uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking als loon in geld ingevolge de Participatiewet te verstrekken. 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 01-01-2015
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 8, van de wet Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat - of, indien krachtenseen ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander - wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken, dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet-inhoudingsplichtige. 2005 628 13-12-2005 05-12-2005 2005 628 13-12-2005 05-12-2005 01-01-2006
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Als loon van een uitvoerder van aangenomen werk, en van een thuiswerker wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder, onderscheidenlijk de opdrachtgever verstrekte loon, verminderd met het loon van de hulpen. Deze vermindering is slechts van toepassing voor zover de uitvoerder van aangenomen werk en de thuiswerker aan de aanbesteder, onderscheidenlijk de opdrachtgever een door hem en zijn hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder van de hulpen blijkt. 2000 640 28-12-2000 20-12-2000 2000 640 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2000 640 28-12-2000 20-12-2000 2000 640 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van de wet artikel 28, onderdeel f, van de wet De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de inbedoelde werknemers, bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel aangewezen percentage van het tabelloon, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel, ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten. 2 Het tabelloon is: a. artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet in de gevallen, bedoeld in: het loon in geld, nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor zijn rekening genomen belasting; b. artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 2°, van de wet in de gevallen, bedoeld in: het loon vermeerderd met de bedragen, bedoeld in. 3 Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing met betrekking tot uitkeringen ingevolge socialeverzekeringswetten die zonder tussenkomst van de inhoudingsplichtige worden genoten. 2022 540 27-12-2022 21-12-2022 2022 540 27-12-2022 21-12-2022 01-01-2023
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Vervallen 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 01-01-2014
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 13bis, zevende lid, van de wet De werknemer is gehouden voordat met de auto waarop de verklaring geen privé-gebruik, bedoeld in, betrekking heeft op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gereden, mede te delen dat hij om intrekking van de verklaring verzoekt. 2 De mededeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur. 3 Het niet of niet tijdig doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, en het niet doen van die mededeling op de in het tweede lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding. 4 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het derde lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is ontstaan. 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 01-01-2017
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 13bis, dertiende lid, van de wet Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, bedoeld in, geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur. 2 De werknemer is gehouden voordat met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft voor privédoeleinden wordt gereden, door tussenkomst van de inhoudingsplichtige mede te delen dat hij de verklaring intrekt. 3 De mededeling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt door het toezenden van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier aan de inspecteur. 4 Indien de inhoudingsplichtige weet of vermoedt dat de werknemer met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft voor privédoeleinden heeft gereden, is de inhoudingsplichtige gehouden schriftelijk mededeling te doen van het ten onrechte niet intrekken van de verklaring door de werknemer. 5 De mededeling, bedoeld in het vierde lid, bevat ten minste de volgende gegevens: a. de naam, het loonbelasting(sub)nummer van de inhoudingsplichtige; b. de naam, het adres en het burgerservicenummer van de werknemer; c. het kenteken van de bestelauto. 6 Naar aanleiding van de mededeling, bedoeld in het vierde lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking, dat de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto geacht wordt te zijn ingetrokken met ingang van de dag na die van de dagtekening van die beschikking. 7 Het niet of niet tijdig doen van de mededeling, bedoeld in het tweede en vierde lid, en het niet doen van die mededeling op de in het derde en vierde lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding. 8 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het zevende lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het doen van de mededeling, bedoeld in het tweede en vierde lid, is ontstaan. 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 01-01-2017
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 18a, eerste lid, van de wet In de premie, bedoeld in, zijn kosten voor vermogensbeheer en voor het afdekken van beleggingsrisico’s begrepen. Het percentage van artikel 18a, eerste lid, van de wet wordt verhoogd met overige kosten ten behoeve van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling. De overige kosten, bedoeld in de tweede zin, kunnen niet worden aangewend voor een ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum. 2 artikel 38r, eerste lid, van de wet Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de maximale premie, bedoeld in. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 artikel 18a van de wet Als perioden die meetellen als dienstjaren als bedoeld in, worden in aanmerking genomen: a. de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd, met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor; b. artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in, dat niet in Nederland is gevestigd, voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling; c. perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, of, perioden na ontslag van ten hoogste tien jaar voor zover in de laatstgenoemde perioden geen pensioen wordt opgebouwd uit hoofde van een dienstbetrekking die is ontstaan na aanvang van die perioden; d. artikel 38d van de wet perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden, of in aansluiting op de in onderdeel c bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag gedurende welke loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen, uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in; e. artikelen 70a 71 74 75 85 tot en met 88 91 van de Pensioenwet dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de,,,,en, naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige, voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld; f. perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, meetellen voor de helft en waarbij in het geval van dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. 2 Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een periode van onbetaald verlof, wordt die laatstgenoemde periode uitsluitend als dienstjaren in aanmerking genomen voor zover in die periode geen cumulatie plaatsvindt met opbouw in een pensioenregeling bij een andere inhoudingsplichtige of deelname aan een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling. De inhoudingsplichtige mag hierbij afgaan op een verklaring van de werknemer. 3 artikelen 70a 71 74 75 85 tot en met 88 91 van de Pensioenwet In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige, inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er, gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige, sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde-overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de,,,,en. 4 Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven, indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10aa — Artikel 10aa#
Artikel 10aa 1 Indien voor de toepassing van artikel 18a, eerste lid, van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a, derde lid, van de wet bedoelde bedrag vervangen door meer dan maar niet meer dan – 27,216% € 15.308 27,216% 28,608% € 17.283 2 Indien de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar en voor de toepassing van artikel 38r, eerste lid, van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a, derde lid, van de wet bedoelde bedrag vervangen door niet meer dan € 15.308 15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is 17,2% 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is 18,0% 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is 19,1% 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is 20,5% 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is 22,1% 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is 24,0% 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is 25,9% 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is 28,1% 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is 30,7% 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is 33,6% 65 jaar of ouder is 36,3% 3 Indien de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar en voor de toepassing van artikel 38r, eerste lid van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a, derde lid, bedoelde bedrag vervangen door meer dan maar niet meer dan € 17.283 15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is 17,2% 18,1% 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is 18,0% 18,9% 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is 19,1% 20,0% 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is 20,5% 21,6% 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is 22,1% 23,3% 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is 24,0% 25,2% 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is 25,9% 27,3% 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is 28,1% 29,6% 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is 30,7% 32,2% 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is 33,6% 35,3% 65 jaar of ouder is 36,3% 38,1% 4 artikel 18a, zesde of zevende lid, van de wet artikel 38r, tweede lid, van de wet Indien toepassing vanofleidt tot een wijziging van de percentages, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de wet, onderscheidenlijk artikel 38r, eerste lid, van de wet, worden de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde percentages bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze percentages worden berekend door de te vervangen percentages te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de wet, onderscheidenlijk artikel 38r, eerste lid, van de wet, in het kalenderjaar in aanmerking te nemen percentage en het ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de wet, onderscheidenlijk artikel 38r, eerste lid, van de wet, in het vorige kalenderjaar in aanmerking te nemen percentage. 5 artikel 18a, derde lid, van de wet Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolgein het kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag en het ingevolge artikel 18a, derde lid, van de wet in het vorige kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 10ab — Artikel 10ab#
Artikel 10ab Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10b — Artikel 10b#
Artikel 10b 1 artikel 18g, tweede lid, onderdeel a, van de wet Als loonbestanddelen als bedoeld inkomen in aanmerking: a. alle loonbestanddelen, met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto; b. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet ingehouden bedragen als bedoeld in; c. loonbestanddelen die worden geruild tegen een vermindering van de arbeidstijd tot een maximum van 10% van de overeengekomen arbeidsduur, mits: 1°. De mogelijkheid van deze ruil schriftelijk is vastgelegd in een regeling waaraan ten minste driekwart van de werknemers kan deelnemen die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid van de inhoudingsplichtige; 2°. Het een regeling betreft waarbij de verlaging van het loon tijdelijk is; en 3°. De werknemer ten minste één keer per jaar de keuze heeft om de samenstelling van zijn loon te wijzigen. 2 artikel 31 van de wet In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen eindheffingsbestanddelen als bedoeld inslechts in aanmerking, indien deze bestanddelen geïndividualiseerd zijn. 3 artikelen 18b 18c van de wet In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen voor de toepassing van deenregelmatig genoten loonbestanddelen worden gesteld op het gemiddelde van die regelmatig genoten loonbestanddelen in ten hoogste de laatste vijf kalenderjaren direct voorafgaande aan het kalenderjaar van overlijden van de werknemer. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op niet regelmatig genoten loonbestanddelen. 4 artikel 10a, tweede lid Gedurende perioden van onbetaald verlof als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen, dan wel de direct na afloop van die perioden genoten loonbestanddelen. 5 artikel 10a, eerste lid, onderdeel c Gedurende perioden na onvrijwillig ontslag waarin loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen als bedoeld in, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking. 6 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedurende andere perioden na ontslag dan bedoeld in het vijfde lid, uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De eerste zin geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar. Vanaf het vierde kalenderjaar na ontslag wordt geen hoger bedrag als pensioengevend loon in aanmerking genomen dan het door de gewezen werknemer in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar genoten gezamenlijke bedrag van: 1°. De winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek; 2°. De genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking; 3°. Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; en 4°. De belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. 7 artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van de wet Voor de toepassing vanmag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. 8 artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet Voor de toepassing vanmag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid. 9 Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt voor het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en voor het wezenpensioen het laatstgenoten pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Indien de werknemer een deeltijdfunctie aanvaardt in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, mag, in afwijking van de eerste zin, worden uitgegaan van het laatstgenoten pensioengevende loon direct voorafgaande aan het aanvaarden van die deeltijdfunctie. De tweede zin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de periode, bedoeld in de tweede zin. 10 Voor de toepassing van het vierde tot en met negende lid kan het loon gedurende de aldaar bedoelde perioden worden geïndexeerd met de loonindex in de bedrijfstak waarin de werknemer werkzaam is, dan wel met de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 01-01-2026 01-07-2023
Artikel 10ba — Artikel 10ba#
Artikel 10ba Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 10c — Artikel 10c#
Artikel 10c Vervallen 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 01-04-2017
Artikel 10ca — Artikel 10ca#
Artikel 10ca Vervallen 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 01-04-2017
Artikel 10d — Artikel 10d#
Artikel 10d 1 artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de wet Wet op het financieel toezicht Als een verzekeraar van een pensioen als bedoeld inkan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van dediensten naar Nederland mag verrichten. 2 artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de wet Als een pensioenfonds als bedoeld inkan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een pensioenregeling van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland overeenkomsten sluit. 3 artikel 18 van de wet artikel 19b van de wet Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling, bedoeld ininlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregelingen en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting. 4 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding. 5 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt. 6 artikel 19a van de wet Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de aanspraken ingevolge een pensioenregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken, indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van een pensioen die voldoet aan de ingestelde voorwaarden. 7 Onze Minister maakt het aanwijzen als een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, dan wel het aanwijzen als een pensioenfonds als bedoeld in het tweede lid, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 01-04-2017
Artikel 10e — Artikel 10e#
Artikel 10e 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende regelingen zijn de volgende definities van toepassing. 2 Verstaan wordt onder: a. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers en uitgezonden werknemers; b. artikel 2 van de wet ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van: 1°. met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en 2°. artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in. c. artikel 2 van de wet uitgezonden werknemer: werknemer in de zin van, door een inhoudingsplichtige naar het buitenland gezonden met het oog op: 1°. plaatsing als ambtenaar bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland (post); 2°. tewerkstelling als ambtenaar, rechterlijk ambtenaar of militair op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; 3°. tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der Nederlanden; 4°. tewerkstelling in een bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, aangewezen regio; 5°. het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs. d. looptijd: de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is. 3 artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone Indien de tewerkstelling van een werknemer met de titel van doctor (gepromoveerde) plaatsvindt binnen een jaar na het behalen van deze titel, blijven bij de beoordeling of deze werknemer door een inhoudingsplichtige uit een ander land in dienstbetrekking wordt aangeworven buiten beschouwing de periode van verblijf in het kader van het behalen van deze titel in Nederland of in het gebied binnen 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, alsmede de periode na de promotie. 4 artikel 2 van de wet artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone De in het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, opgenomen voorwaarde geldt niet indien de door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin vanmeer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van een eerdere tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in, en die eerdere tewerkstelling niet eerder dan vijf jaren voor de nieuwe tewerkstelling is aangevangen. 5 Een werknemer wordt slechts als uitgezonden aangemerkt indien hij in een periode van twaalf maanden ten minste 45 dagen ten behoeve van zijn werkzaamheden verblijft in een of meer plaatsen waarnaar hij is gezonden. Bij de bepaling of aan deze voorwaarde is voldaan worden verblijfsperioden van minder dan 15 dagen niet in aanmerking genomen en worden dagen waarop de werknemer zonder onderbreking naar de desbetreffende plaatsen en terug reist – of zou reizen bij gebruikmaking van het voor werknemers in het algemeen meest gebruikelijke vervoermiddel – als dagen van verblijf in die plaatsen aangemerkt. Indien aan de voorwaarde is voldaan, kan de werknemer tevens als uitgezonden worden beschouwd gedurende alle overige dienstreizen van ten minste 10 dagen naar de desbetreffende plaatsen. 6 Ambtenaren bij een post zijn: a. overplaatsbare ambtenaren van de Dienst Buitenlandse Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, zijnde ambtenaren die zijn aangesteld om waar ook ter wereld werkzaam te zijn; b. niet-overplaatsbare ambtenaren van die Dienst Buitenlandse Zaken die tijdelijk aan een post zijn toegevoegd; c. ambtenaren van andere ministeries die op een post zijn tewerkgesteld; d. militairen en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie die op een post zijn geplaatst, alsmede vlag- en opperofficieren die zijn geplaatst op internationale staven in het buitenland; e. werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht na uitzending vanuit Nederland werkzaamheden verrichten bij een post. 7 Onder het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs wordt verstaan: a. het buiten Nederland verrichten van onderzoek op de financiële basis van: 1°. een beurs of stipendium van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek of de Stichting voor wetenschappelijk onderzoek van de tropen; 2°. een NATO-fellowship; 3°. door Onze minister aan te wijzen vergelijkbare beurzen, stipendia en fellowships; b. het als leerkracht of beoefenaar van wetenschap door een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap worden uitgezonden dan wel op uitnodiging van een dergelijke in het buitenland gevestigde instelling zich naar het buitenland begeven, met het doel aldaar onderwijs te geven aan een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap of wetenschappelijk onderzoek te verrichten voor een dergelijke instelling. 8 Schoolgelden zijn uitgaven voor het door kinderen van de extraterritoriale werknemer volgen van basisonderwijs of voortgezet onderwijs aan internationale scholen en internationale afdelingen van niet-internationale scholen, tot de bedragen die door de school overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden gebracht, met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met inbegrip van vervoerskosten. 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021
Artikel 10ea — Artikel 10ea#
Artikel 10ea 1 Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten, respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden, ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot (bewijsregel): a. 30% van de grondslag voor een periode van ten hoogste 20 maanden, 20% van de grondslag voor de daaropvolgende periode van ten hoogste 20 maanden en 10% van de grondslag voor de daaropvolgende periode van ten hoogste 20 maanden, waarbij de grondslag de som is van: 1°. artikelen 20a 20b 26 26b van de wet het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst dat is genoten tijdens de looptijd van de bewijsregel en waarover met toepassing van de,,enbelasting wordt geheven, voor zover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting; 2°. artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de wet de vergoeding voor extraterritoriale kosten, bedoeld in; b. het bedrag van de schoolgelden. 2 artikel 13 van de wet In geval van verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtensvan toepassing. 3 artikel 31a, achtste lid, van de wet artikel 10ef 10ec tot en met 10ef Indien de werknemer gedurende de tewerkstelling of gedurende een deel daarvan geen vergoeding geniet waaropvan toepassing is, leidt dat niet tot een verlenging van een of meer van de perioden van 20 maanden. Bij een werknemer als bedoeld ingeldt, met inachtneming van de eerste zin, vanaf de datum van tewerkstelling gedurende de eerste periode van 20 maanden 30% van de grondslag, gedurende de daaropvolgende periode van 20 maanden 20% van de grondslag en voor de daaropvolgende periode van 20 maanden 10% van de grondslag, voor zover de maximale looptijd ingevolge de artikelennog niet is verstreken. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 10eb — Artikel 10eb#
Artikel 10eb 1 paragraaf 3.3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Een werknemer bezit specifieke deskundigheid indien het loon, bedoeld in, op jaarbasis meer bedraagt dan € 48.013. 2 paragraaf 3.3.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking van het eerste lid bezit een werknemer die in het wetenschappelijk onderwijs een Nederlandse mastergraad of een hiermee gelijkwaardige buitenlandse graad heeft behaald en die de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt, specifieke deskundigheid indien het loon, bedoeld in, op jaarbasis meer bedraagt dan € 36.497. 3 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid bezit een werknemer ook specifieke deskundigheid indien de werknemer: a. artikel 1.11, onderdelen a of b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in het kader van wetenschappelijk onderzoek of wetenschappelijk onderwijs in Nederland wordt tewerkgesteld bij een onderzoeksinstelling als bedoeld in, of b. in Nederland wordt tewerkgesteld als arts in opleiding tot specialist aan een door de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten aangewezen opleidingsinstituut. 4 Bij de beoordeling of de specifieke deskundigheid die een ingekomen werknemer bezit niet of schaars aanwezig is op de Nederlandse arbeidsmarkt, wordt in onderlinge samenhang rekening gehouden met de volgende factoren, voor zover relevant: a. het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding; b. de voor de functie relevante ervaring van de werknemer; c. het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer. 5 artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid genoemde bedragen bij ministeriële regeling gewijzigd in andere bedragen. Deze bedragen worden berekend door de te wijzigen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij wijziging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van de toepassing van dit artikel. 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 2025 40487 24-12-2025 24-12-2025 2025-0000608432 01-01-2026
Artikel 10ec — Artikel 10ec#
Artikel 10ec 1 Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal vijf jaar, ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige en eindigende op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling is geëindigd. 2 Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de uitzending. 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019 Artikel III van Stb. 2018/514 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10ed — Artikel 10ed#
Artikel 10ed 1 Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt, blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing, mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden. 2 Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer. 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 01-01-2012
Artikel 10ee — Artikel 10ee#
Artikel 10ee Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is, wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich voordoet. 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 01-01-2012 Artikel IV van Stb. 2011/677 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10ef — Artikel 10ef#
Artikel 10ef 1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven, wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf. 2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijfentwintig jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd, worden niet in aanmerking genomen. 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt. 4 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden, waarbij in de periode van vijfentwintig jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen. 5 artikel 2 van de wet Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een werknemer geacht in Nederland te zijn tewerkgesteld gedurende de gehele periode dat hij een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin vanis. 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 01-01-2012
Artikel 10eg — Artikel 10eg#
Artikel 10eg artikel 10ei artikel 10ei Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld inniet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige, wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in, voor het eerst van toepassing is. 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 Voorheen art. 9f.
Artikel 10eh — Artikel 10eh#
Artikel 10eh Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt elke periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden. 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 2011 677 30-12-2011 22-12-2011 01-01-2012
Artikel 10ei — Artikel 10ei#
Artikel 10ei 1 Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur. Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. 2 Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige, werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer. Indien het verzoek later is gedaan, is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan. 3 De inspecteur kan ambtshalve of op verzoek de beschikking in het voordeel van de werknemers of inhoudingsplichtige herzien in het geval van onjuistheden op het moment van het vaststellen van die beschikking. 4 De inspecteur kan de beschikking in het nadeel van de werknemer of de inhoudingsplichtige intrekken of herzien in het geval van onjuistheden op het moment van het vaststellen van die beschikking. Een intrekking of herziening heeft alleen gevolgen voor een toekomstig loontijdvak. 5 In afwijking van het vierde lid kan een intrekking of herziening ook gevolgen hebben voor voorafgaande en lopende loontijdvakken indien: a. de inspecteur aannemelijk maakt dat de inhoudingsplichtige of de werknemer te kwader trouw is ter zake van het feit dat heeft geleid tot een onjuistheid in de beschikking; b. de inspecteur aannemelijk maakt dat ten gevolge van een fout van de inspecteur de beschikking onjuist is vastgesteld en die fout de werknemer of inhoudingsplichtige redelijkerwijs kenbaar is. 6 Een intrekking of herziening in het nadeel van de werknemer of inhoudingsplichtige geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de intrekking of herziening. 7 artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Een intrekking of herziening in het nadeel van de werknemer of de inhoudingsplichtige is mogelijk voor zover de beschikking een loontijdvak bevat waarover de bevoegdheid tot naheffing, bedoeld in, niet is vervallen. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024 01-01-2018 Het vierde tot en met zevende lid vinden voor het eerst toepassing
m.b.t. een beschikking als gevolg van een verzoek om toepassing of
voortgezette toepassing van de bewijsregel die op of na 1 januari
2024 is vastgesteld.
Artikel 10ej — Artikel 10ej#
Artikel 10ej De inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk ten aanzien van een ingekomen werknemer geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer mits: a. artikel 27e van de wet de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige behoren tot een zelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van, en b. artikel 10ed aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt als ingekomen werknemer indienzou worden toegepast. 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 01-01-2011 Voorheen art. 10.
Artikel 10f — Artikel 10f#
Artikel 10f Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 10g — Artikel 10g#
Artikel 10g Vervallen 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Wet inkomstenbelasting 2001 De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van debehorende inkomsten genieten: a. de navolgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en afkoopsommen: 1°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht artikel 3.126a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 termijnen van lijfrenten verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in, alsmede termijnen als bedoeld inverstrekt door een bank, beleggingsonderneming of beheerder als bedoeld in artikel 3.126a van die wet; 2°. artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in, verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in; 3°. artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen ter zake van een afkoop als bedoeld in, indien de afkoopsom is verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in; daarbij wordt de loonbelasting geheven over de afkoopsom; 4°. artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.133, achtste lid, van die wet uitkeringen die worden verstrekt door een bank, beleggingsonderneming of beheerder als bedoeld inen die ingevolgeworden aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; 5°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 afkoopsommen ter zake van lijfrenten verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in, voor zover met betrekking tot die afkoopsommen ingevolgeen artikel 75 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing blijven; 6°. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, aanhef en onderdeel b of d, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 periodieke uitkeringen en verstrekkingen en afkoopsommen daarvan verstrekt door een verzekeraar als bedoeld in, voor zover met betrekking tot die uitkeringen of verstrekkingen ingevolgede regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing blijven; b. Ziektewet Liquidatiewet ongevallenwetten uitkeringen ingevolge deen ingevolge de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met de; c. Algemene Ouderdomswet Algemene nabestaandenwet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2 artikelen 4:2b, zevende lid 6:3, zevende lid, van de Wet arbeid en zorg Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitkeringen ingevolge de, de,,, en, de, deen deen uitkeringen of inkomensvoorzieningen ingevolge de; d. Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet uitkeringen ingevolge de, ingevolge deen ingevolge de; e. artikel 150a van de Pensioenwet uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van; f. uitkeringen ingevolge de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946 (nr. 48) en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6 (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1946, nr. 118), alsmede op deze uitkeringen betrekking hebbende toe- en bijslagen; g. Participatiewet artikel 3a uitkeringen ingevolge de, alsmede de inbedoelde uit het familierecht voortvloeiende periodieke uitkeringen of verstrekkingen; h. Werkloosheidswet uitkeringen ingevolge de; i. uitkeringen uit de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Hulp voor nagelaten betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek 1940-1945); j. Wet op het notarisambt uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van de; k. Wet verplichte beroepspensioenregeling uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van de; l. Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 uitkeringen ingevolge deen ingevolge de; m. Remigratiewet uitkeringen ingevolge deen de Remigratieregeling 1985; n. Toeslagenwet uitkeringen ingevolge de; o. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen uitkeringen ingevolge deen ingevolge de; p. uitkeringen verstrekt door de Conterganstiftung für behinderte Menschen; q. vervallen; r. vervallen; s. artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge; t. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen uitkeringen ingevolge de; u. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 uitkeringen ingevolge een pensioenregeling waaraan wordt deelgenomen op grond van de; v. artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet tegemoetkomingen ingevolge; w. Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd artikelen 3 9 van de Kaderwet SZW-subsidies uitkeringen in verband met deop grond van deen; x. uitkeringen op grond van de Gesetz zur Zahlbarmachung von Renten aus Beschäftigungen in einem Ghetto; y. uitkeringen op grond van de Bundesgesetz zur Entschädigung für auf dem Gebiet des ehemaligen Deutschen Reiches lebende Opfer der NS-Verfolgung; z. uitkeringen uit het Härtefonds für rassisch Verfolgte nicht jüdischen Glaubens; aa. artikel 3 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen artikelen 8 11, tweede lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen uitkeringen op grond vanof op grond van deof. 2 De in het eerste lid bedoelde inkomsten worden aangemerkt als loon uit vroegere arbeid. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024 25-03-2022
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a artikel 19a van de wet artikel 31, vierde lid, onderdeel h, van de wet Ingeval een verzekeraar als bedoeld inovereenkomt met de inhoudingsplichtige die aan de werknemer loon verstrekt als bedoeld in, dat die verzekeraar de ter zake van dat loon verschuldigde loonbelasting inhoudt op het pensioen, wordt niet die inhoudingsplichtige, maar die verzekeraar ter zake van dat loon als inhoudingsplichtige beschouwd. 2015 544 30-12-2015 23-12-2015 2015 544 30-12-2015 23-12-2015 01-01-2016
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 33, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Participatiewet artikel 23, tweede lid, van de wet Ten aanzien van de inbedoelde werknemers, met uitzondering van degenen die een uitkering ontvangen op grond van het, herrekent de inhoudingsplichtige bij het einde van het kalenderjaar volgens bij ministeriële regeling te stellen regels de op de voet van de in die bepaling bedoelde tabel geheven belasting zodanig dat uiteindelijk de belasting zoveel mogelijk wordt geheven als hadden de werknemers loon uit vroegere arbeid genoten niet zijnde uitkeringen ingevolge de. Bij de in de vorige volzin bedoelde herrekening wordt het bedrag van de in aanmerking te nemen heffingskorting, in afwijking in zoverre van, verminderd met het volgens bij ministeriële regeling te stellen regels te bepalen bedrag aan heffingskorting voor de loonbelasting, met uitzondering van de arbeidskorting, waarmee ten aanzien van de werknemer reeds rekening is gehouden bij de inhouding van belasting op ander loon. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 artikel 35, vierde lid, van de wet artikel 35g, vierde lid, van de wet De inbedoelde kostenvergoedingsbeschikking kan betrekking hebben op een artiest of beroepssporter (individuele kostenvergoedingsbeschikking), dan wel op een gezelschap (gezelschapskostenvergoedingsbeschikking). De inbedoelde kostenvergoedingsbeschikking is een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking. 2 De individuele kostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen, door de artiest of de beroepssporter. 3 De gezelschapskostenvergoedingsbeschikking heeft betrekking op hetgeen geacht kan worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van het optreden of de sportbeoefening, dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen, door het gezelschap of de leden van het gezelschap. 4 Een verzoek om een kostenvergoedingsbeschikking kan bij de inspecteur worden ingediend door: a. voorafgaande aan een optreden of sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen: de artiest, de beroepssporter, de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dan wel de inhoudingsplichtige; b. uiterlijk een maand na afloop van een optreden of sportbeoefening dan wel een reeks van optredens of sportbeoefeningen: de inhoudingsplichtige. 5 De inspecteur kan op eigen initiatief dan wel op initiatief van degene die heeft verzocht om de kostenvergoedingsbeschikking, deze intrekken of vervangen door een andere kostenvergoedingsbeschikking. 6 De inhoudingsplichtige neemt een kostenvergoedingsbeschikking slechts in aanmerking indien hij beschikt over een kopie daarvan en deze bij de loonadministratie bewaart. De inhoudingsplichtige neemt een individuele kostenvergoedingsbeschikking niet in aanmerking indien hij met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening beschikt over een kopie van een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking voor een gezelschap waartoe de artiest of beroepssporter behoort. 7 Indien zulks door of namens de artiest of beroepssporter dan wel het gezelschap wordt aangegeven, wordt de inhoudingsplichtige die met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening niet beschikt over een kopie van een kostenvergoedingsbeschikking, geacht te beschikken over: a. ingeval de artiest of beroepssporter geen deel uitmaakt van een gezelschap: een individuele kostenvergoedingsbeschikking tot het door de artiest of beroepssporter aangegeven bedrag met een maximum van € 163 per optreden of sportbeoefening; b. in het geval van een gezelschap: een gezelschapskostenvergoedingsbeschikking tot het door het gezelschap aangegeven bedrag, met per optreden of sportbeoefening een maximum van € 163 vermenigvuldigd met het aantal leden van het gezelschap. 8 Een verzoek als bedoeld in het vierde lid bevat ten minste: a. indien het wordt ingediend door een in Nederland wonende artiest of leider dan wel vertegenwoordiger van een gezelschap: zijn naam, adres, woonplaats en burgerservicenummer; b. indien het wordt ingediend door een niet in Nederland wonende artiest, beroepssporter of leider dan wel vertegenwoordiger van een gezelschap: zijn naam, adres, woonplaats, woonland en geboortedatum; c. indien het wordt ingediend door een inhoudingsplichtige: zijn naam, adres, woonplaats en het loonheffingennummer, alsmede – bij een verzoek voor een artiest of beroepssporter – de naam, adres, woonplaats van de artiest onderscheidenlijk beroepssporter en, indien de artiest in Nederland woont, het burgerservicenummer van de artiest, en – bij een verzoek voor een gezelschap – de naam, adres, woonplaats en, indien deze in Nederland woont, het burgerservicenummer van de leider dan wel vertegenwoordiger van het gezelschap, en voorts d. bij een gezelschap: de naam van het gezelschap en het aantal leden van het gezelschap; e. de datum van het optreden of de sportbeoefening dan wel, in geval van een reeks van optredens of sportbeoefeningen, de periode waarin die optredens of sportbeoefeningen plaatsvinden; f. een opgave van de gage, de gemaakte en nog te maken kosten, alsmede een toelichting op deze kosten. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b 1 Als gage van de artiest of de beroepssporter die deel uitmaakt van een gezelschap, wordt aangemerkt het deel van de met het gezelschap overeengekomen gage dat volgens de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap aan zijn optreden dan wel sportbeoefening kan worden toegerekend. De leider of vertegenwoordiger van het gezelschap geeft aan de inhoudingsplichtige ter zake een ondertekende verklaring af (gageverdelingsverklaring). Indien geen verklaring wordt afgegeven of de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap de met het gezelschap overeengekomen gage niet geheel over de artiesten of beroepssporters heeft verdeeld, wordt de voor het optreden van het gezelschap overeengekomen gage geacht door ieder lid van het gezelschap voor een gelijk deel te zijn genoten. 2 De in het eerste lid bedoelde gageverdelingsverklaring bevat ten minste de volgende gegevens: a. van de inhoudingsplichtige: naam, adres en woon- of vestigingsplaats; b. artikel 5b van de wet van het gezelschap, niet zijnde een gezelschap als bedoeld in: naam, adres en woonplaats van de leden van het gezelschap, alsmede van de in Nederland wonende leden van het gezelschap het burgerservicenummer; c. artikel 5b van de wet van het gezelschap, bedoeld in: naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap, alsmede de namen van de leden van het gezelschap en het burgerservicenummer van de in Nederland wonende leden van het gezelschap; d. de naam van het gezelschap; e. datum, plaats en naam van de locatie van het optreden of de sportbeoefening; f. het bedrag van de brutogage, waaronder begrepen gage anders dan in geld en kostenvergoedingen; g. het deel van de brutogage, bedoeld in onderdeel f, dat op grond van het eerste lid volgens de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap aan het optreden van de artiest dan wel de sportbeoefening van de beroepssporter kan worden toegerekend; h. het bedrag dat elk lid van het gezelschap als kosten in aanmerking kan nemen op grond van een kostenvergoedingsbeschikking. 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 2020 551 23-12-2020 16-12-2020 01-01-2021
Artikel 12c — Artikel 12c#
Artikel 12c artikel 10b, zesde lid, onder 1° artikel 10a.29, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 Voor de toepassing van, blijft een toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve, bedoeld in, buiten aanmerking. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1965. 2 Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. 1965 202 17-05-1965 1965 202 17-05-1965 01-07-1965