Besluit van 14 augustus 1976, houdende bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de benoemde leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
- BWB-id
- BWBR0003048
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- 2002-01-01 t/m 2004-10-05
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003048
- ELI
- /eli/nl/amvb/1976/rechtspositiebesluit-wrr
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1976/rechtspositiebesluit-wrr/2002-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003048&g=2002-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003048&z=2026-06-06&g=2002-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003048/2002-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1976/rechtspositiebesluit-wrr
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door Ons is benoemd als voorzitter of lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; Onze Minister: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken; ambt: het voorzitterschap of lidmaatschap van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Onze Minister doet geen voordracht tot benoeming van een ambtenaar, dan nadat de kandidaat op grond van een van rijkswege verrichte geneeskundige keuring geschikt is verklaard voor de aan het ambt verbonden werkzaamheden. 2 De uitslag van de keuring wordt binnen veertien dagen na vaststelling aan de kandidaat medegedeeld. 3 De kosten van de keuring komen voor rekening van het Rijk. Reis- en verblijfkosten van de kandidaat worden hem vergoed op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit 1971, waarbij hij wordt geacht te zijn ingedeeld in de categorie A van de Reisbeschikking Nederland. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, tweede lid Binnen veertien dagen na ontvangst van de in, bedoelde mededeling kan de belanghebbende bij Onze Minister een aanvraag tot een herkeuring indienen. Hiervoor is een bedrag van € 5 verschuldigd. 2 artikel 2, derde lid Het in het vorige lid bedoelde bedrag ontvangt de aanvrager terug en in verband met de herkeuring gemaakte reis- en verblijfkosten worden hem overeenkomstig, vergoed indien hij op grond van de herkeuring alsnog geschikt wordt verklaard. 3 Aan de herkeuring wordt niet deelgenomen door een arts die de keuring heeft verricht. 4 a artikel 9van het Algemeen Rijksambtenarenreglement De door Onze Minister van Binnenlandse Zaken krachtensvastgestelde voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Bij herbenoeming is geen geneeskundige keuring vereist. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikelen 24 tot en met 26 29 30 a 30 c 30 c 31 tot en met 31van het Algemeen Rijksambtenarenreglement Ten aanzien van de jaarlijkse vakantie en de vakantie-uitkering zijn de,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2 Aan de ambtenaar kan door Onze Minister buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, geniet gedurende de kalendermaand waarin deze verhindering is ontstaan, en gedurende 18 maanden daarna zijn volle bezoldiging en vervolgens 80% van zijn bezoldiging. 2 Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, in belangrijke mate haar oorzaak vindt in de aard van die werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging. 3 Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van zijn normale werktijd wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging. 4 Een opnieuw ingetreden verhindering tot verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn werkzaamheden volledig heeft hervat. 5 Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt te verrichten kan worden bepaald, dat deze zijn werkzaamheden slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Onze Minister neemt hieromtrent en omtrent de mate van hervatting van de werkzaamheden geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest tot het verrichten van zijn werkzaamheden. 6 artikelen 40 tot en met 49 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement Voorts zijn ten aanzien van de aanspraken ingeval van ziekte en geneeskundig onderzoek devan overeenkomstige toepassing. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Indien de voorzitter wegens ziekte of om andere redenen de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan Onze Minister. 2 Indien een lid wegens ziekte of om andere redenen de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden niet kan vervullen geeft hij daarvan kennis aan de voorzitter en indien de verhindering langer dan vier weken duurt tevens aan Onze Minister. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De ambtenaar onthoudt zich van gedragingen, die de goede vervulling of het aanzien van het ambt schaden of kunnen schaden. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Behoudens door Onze Minister te verlenen ontheffing, is de ambtenaar verplicht te wonen in of nabij de gemeente waarin de zetel van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid is gevestigd. 2 Aan de ambtenaar kan een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het dagelijks heen- en weerreizen naar de plaats van tewerkstelling. 3 Verplaatsingskostenbesluit 1989 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister aan de ambtenaar, die in verband met zijn benoeming moet verhuizen de vergoedingen verlenen overeenkomstig het bepaalde in heten de Verplaatsingskostenregeling 1989. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten terzake van dienstreizen op grond van het Reisbesluit 1971. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het is de ambtenaar verboden enige andere betrekking te vervullen of nevenwerkzaamheden te verrichten, in zoverre zulks naar het oordeel van Onze Minister niet in overeenstemming is met de aard en het aanzien van zijn ambt, dan wel zijn ambtsvervulling daardoor kan worden geschaad. 2 Hij is verplicht aan Onze Minister mededeling te doen van een of het voornemen tot het aanvaarden van een andere betrekking of het gaan verrichten van een nevenwerkzaamheid, onder opgave van aard en omvang daarvan. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Krankzinnigenwet, genomen in het belang van de volksgezondheid. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 De ambtenaar kan in zijn ambt worden geschorst: a. Indien een strafrechtelijke vervolging terzake van misdrijf tegen hem is ingesteld; b. wanneer, naar het oordeel van Onze Minister, het belang van de dienst zulks vordert. 2 De schorsing geschiedt door Onze Minister. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikelen 12 13 Gedurende de schorsing als bedoeld in deenkan de bezoldiging van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden ingehouden. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De ambtenaar wordt op zijn aanvraag eervol ontslag verleend. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Anders dan op aanvraag van de ambtenaar kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van: a. artikel P blijvende ongeschiktheid, uit hoofde van ziekten of gebreken, voor de vervulling van zijn ambt blijkens een onherroepelijk geworden beslissing als bedoeld in5 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. 2 Het ontslag kan niet vroeger ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was. 3 Aan de ambtenaar kan ook op andere gronden dan die in het eerste lid zijn geregeld of waarnaar in dat lid is verwezen, ontslag worden gegeven. 1993 683 16-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Aan de ambtenaar wordt behoudens in geval van herbenoeming geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 b artikel 16, eerste lid onder artikel 16, derde lid Rijkswachtgeldbesluit 1959 De niet-herbenoemde of op grond vanof vanontslagen ambtenaar heeft recht op wachtgeld op de voet van de bepalingen van het, tenzij hij terzake van de niet-herbenoeming of het ontslag recht heeft op pensioen, danwel de redenen die tot het ontslag hebben geleid naar het oordeel van Onze Minister aan zijn eigen schuld of toedoen zijn te wijten. 2 In bijzondere gevallen, dan wel gevallen waarin de toepassing van het vorige lid tot een naar Ons oordeel voor belanghebbende onredelijke uitkomst leidt, kunnen Wij de niet-herbenoemde of ontslagen ambtenaar een uitkering toekennen die naar Ons oordeel met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende echtgenoot, van wie de ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag gelijk aan de bezoldiging vermeerderd met vakantie-uitkering, de kindertoelage en de kinderbijslag, over drie maanden, gerekend naar het tijdstip van overlijden. 2 Indien de overledene geen echtgenoot als bedoeld in het eerste lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, dan wel pleegkinderen. Ontbreken ook deze, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige broers of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Onze Minister is bevoegd tot het vaststellen van de diensttijden van de ambtenaar. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt door Ons op voordracht van Onze Minister een bijzondere regeling getroffen. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Dit besluit, dat kan worden aangehaald als "Rechtspositiebesluit WRR", treedt in werking op 1 september 1976. 1976 436 14-08-1976 1976 436 14-08-1976 01-09-1976