Besluit van 18 april 1979 tot uitvoering van de artikelen 7, eerste lid, 9, eerste lid, 10, vierde lid, 15, eerste en tweede lid, en 18, vierde lid, van de Huurprijzenwet woonruimte
- BWB-id
- BWBR0003237
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003237
- ELI
- /eli/nl/amvb/1979/besluit-huurprijzen-woonruimte
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1979/besluit-huurprijzen-woonruimte/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003237&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003237&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003237/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1979/besluit-huurprijzen-woonruimte
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 artikel 3a, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte In dit besluit wordt onder de zittingsvoorzitters verstaan: de zittingsvoorzitters, bedoeld in. 2 artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek Onder een woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, wordt een woonruimte verstaan als bedoeld in, welke wordt bewoond door maximaal twee personen of welke wordt bewoond door drie of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben. Onder woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een woonwagen of een combinatie van een standplaats en een woonwagen. 3 Onder woonruimte welke niet een zelfstandige woning vormt, wordt in dit besluit niet mede begrepen een standplaats. 4 Wanneer een huurder van een woonruimte, zijnde één of twee personen of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben een deel van die woonruimte onderverhuurt aan één ander huishouden, geldt in afwijking van het tweede lid, dat het gedeelte dat de hoofdhuurder bewoont een zelfstandige woning blijft vormen, indien: a. de gehele woning gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar, voorafgaand aan de onderverhuring, slechts door het eerst genoemde huishouden is bewoond; en, b. het inwonende huishouden een huurovereenkomst heeft voor het gehuurde met de hoofdhuurder. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte artikel 12, eerste lid Het bedrag, bedoeld in, is de in de ministeriële regeling, bedoeld in, genoemde huurprijsgrens, behorende bij de kwaliteit voor een woonruimte met 186 punten. 2 Een woonruimte met een waardering die bij aanvang van de huurovereenkomst boven de grens ligt, bedoeld in het eerste lid, komt tot beëindiging van de huurovereenkomst, niet door een mindering van punten voor de WOZ-waarde onder de grens, bedoeld in het eerste lid, te vallen. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 1996 232 25-04-1996 18-04-1996 1996 232 25-04-1996 18-04-1996 01-07-1996
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte Het bedrag van de bij wijze van voorschot aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in, en het bedrag van de vergoeding, bedoeld in dat lid, wordt vastgesteld op: a. indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een huurder is: € 25, dan wel b. indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is: € 500. 2 Indien de huurcommissie in drie achtereenvolgende kalenderjaren onderscheidenlijk tweemaal, driemaal of viermaal of meer op een verzoek uitspraak heeft gedaan en daarbij, gelet op de strekking van het verzoekschrift, heeft geoordeeld dat de verhuurder de in het ongelijk gestelde partij is, wordt in het eerste lid, onderdeel b, voor € 500 onderscheidenlijk € 700, € 1.400, en € 1.750 gelezen. 3 artikel 7a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte Het bedrag van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in, wordt vastgesteld op € 100. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a artikel 8 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte Het bedrag van de aan de Staat verschuldigde vergoeding, bedoeld in, wordt vastgesteld op: a. indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een huurder is: € 25, dan wel b. indien de verzoeker dan wel de partij die niet de verzoeker is een verhuurder is: € 500. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte De inbedoelde waardering van de kwaliteit van woonruimte vindt plaats: a. bijlage I voor woonruimte, welke een zelfstandige woning vormt, overeenkomstig het in, onder A, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting; b. bijlage I voor een woonruimte, welke niet een zelfstandige woning vormt, overeenkomstig het in, onder B, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting en de bij bijlage I, onder A, gegeven toelichting voor zover deze mede op bijlage I, onder B, van toepassing is; c. bijlage I voor een woonwagen of een standplaats overeenkomstig het in, onder C, van dit besluit vervatte waarderingsstelsel en de daarbij gegeven toelichting. 2 De huurcommissie, het college van burgemeester en wethouders en de rechter kan, indien de aard van de woonruimte daartoe aanleiding geeft, de kwaliteit van woonruimte beoordelen in afwijking van het in het eerste lid bepaalde. 2024 195 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 12, eerste lid artikel 16, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bijlage II Bij de beoordeling van de redelijkheid van de in rekening te brengen huurprijs ingevolge, ofneemt de huurcommissie in aanmerking of zich met betrekking tot de woonruimte een of meer van de omstandigheden, bedoeld invan dit besluit, voordoen. Daarbij wordt door de huurcommissie ten laagste als de in rekening te brengen huurprijs die zij redelijk acht, vermeld: a. bijlage II, onder 1, categorie A indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in, van dit besluit: 20% van de overeengekomen huurprijs; b. bijlage II, onder 1, categorie B indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in, van dit besluit: 30% van de overeengekomen huurprijs; c. bijlage II, onder 1, categorie C indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in, van dit besluit: 40% van de overeengekomen huurprijs. 2 Teneinde huurder en verhuurder inzicht te bieden in het beleid van de huurcommissie inzake de in het eerste lid bedoelde categorieën en de daarbij behorende verlaging van de in rekening te brengen huurprijs die de huurcommissie doorgaans redelijk zal achten, stellen het bestuur en de zittingsvoorzitters op basis van door hen geformuleerde regels een geschrift op, genaamd gebrekenboek. Het gebrekenboek is openbaar en ligt bij de huurcommissie ter inzage. 3 bijlage II, onder 1, categorieën A, B en C In het gebrekenboek, bedoeld in het tweede lid, wordt voor ieder van de in, van dit besluit bedoelde omstandigheden aangegeven welke de door de huurcommissie ten laagste uit te spreken in rekening te brengen huurprijs zal zijn. 4 bijlage II, onder 1 Indien de huurcommissie de in, van dit besluit beschreven categorieën heeft onderverdeeld naar de mate van de ernst waarin de bewoonbaarheid naar haar oordeel wordt geschaad, is het derde lid op die onderverdeling van overeenkomstige toepassing. 5 bijlage II, onder 1, categorieën A, B en C Indien zich tegelijkertijd twee of meer omstandigheden voordoen als bedoeld in, van dit besluit wordt voor de toepassing van het eerste lid door de huurcommissie ten laagste als de in rekening te brengen huurprijs die zij redelijk acht, vermeld de huurprijs, behorend bij de omstandigheid waarvan door het bestuur en de zittingsvoorzitters in het gebrekenboek de laagste in rekening te brengen huurprijs is aangegeven. 2014 218 24-06-2014 17-06-2014 2014 234 27-06-2014 25-06-2014 01-07-2014
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 1999 69 23-02-1999 06-02-1999 1999 438 26-10-1999 11-10-1999 30-11-1999
Artikel 7a — Artikel 7a#
Artikel 7a Vervallen 1994 281 11-04-1994 1994 415 02-06-1994 01-07-1994
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 1999 69 23-02-1999 06-02-1999 1999 438 26-10-1999 11-10-1999 30-11-1999
Artikel 8a — Artikel 8a#
Artikel 8a 1 artikel 1.1 van de Erfgoedwet Wet betaalbare huur De maximale huurprijsgrens wordt met 35% vermeerderd indien de woonruimte bestaat uit of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld inen de huurovereenkomst betreffende die woonruimte is afgesloten na het tijdstip van inwerkingtreding van de. 2 artikel 1.1 van de Erfgoedwet Wet betaalbare huur bijlage I Indien de woonruimte bestaat uit of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld inen de huurovereenkomst betreffende die woonruimte is afgesloten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de, wordt de waardering voor een zelfstandige woonruimte in, onder A, met 50 punten vermeerderd en de waardering voor een onzelfstandige woonruimte in bijlage I, onder B, met 10 punten vermeerderd. 3 De maximale huurprijsgrens wordt met 15% vermeerderd indien de woonruimte bestaat uit of deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeentelijk monument of een door gedeputeerde staten aangewezen provinciaal monument. 4 artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 De maximale huurprijsgrens, behorende bij de kwaliteit van een middeldure huurwoonruimte als bedoeld in, wordt met 10% vermeerderd indien die woonruimte na 1 juli 2024 voor het eerst in gebruik wordt genomen als woonruimte en de bouw van deze woonruimte, of de verbouw van een ruimte met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie naar een woonruimte met een woonfunctie, voor 1 januari 2028 is gestart. De vermeerdering geldt voor twintig jaar vanaf de dag van ingebruikname. 5 De maximale huurprijsgrens wordt met 5% vermeerderd indien: a. artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet die woonruimte behoort tot een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in, b. de woonruimte behoort tot een woning die is gebouwd voor 1965; en c. artikel 1.1 van de Erfgoedwet de woonruimte niet bestaat of deel uitmaakt van een rijksmonument als bedoeld inof van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeentelijk monument of een door gedeputeerde staten aangewezen provinciaal monument. 6 artikel 7:247 van het Burgerlijk Wetboek Voor het bepalen of een woonruimte onder de ingenoemde grens valt, wordt gerekend met de huurprijsgrens die geldt voor de woonruimte voordat de huurprijsvermeerdering, bedoeld in het eerste, derde, vierde of vijfde lid is toegepast. 7 artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte De vermeerdering, bedoeld in het eerste, derde, vierde of vijfde lid, wordt toegepast op de krachtensgeldende maximale huurprijsgrens. 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 1999 69 23-02-1999 06-02-1999 1999 438 26-10-1999 11-10-1999 30-11-1999
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 1999 69 23-02-1999 06-02-1999 1999 438 26-10-1999 11-10-1999 30-11-1999
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 1999 69 23-02-1999 06-02-1999 1999 438 26-10-1999 11-10-1999 30-11-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Bij ministeriële regeling worden de maximale huurprijsgrenzen vastgesteld. 2 artikel 27, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag Bij ministeriële regeling worden elk jaar op 1 januari de op 31 december daaraan voorafgaande krachtens dit besluit geldende maximale huurprijsgrenzen gewijzigd overeenkomstig, met dien verstande dat de op basis daarvan berekende bedragen naar boven worden afgerond op hele eurocenten. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024 Artikel I, onderdeel G, onder 2, van Stb. 2024/194 bevat
overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a Artikel 2 zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur blijft van toepassing op huurovereenkomsten die voor die datum zijn gesloten. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b 1 Bijlage I , onder A, onderdeel 4.4 (nieuw) vervalt met ingang van 1 januari 2025. 2 Bijlage I , onder A, onderdeel 11.1 (nieuw), onder a, vervalt met ingang van 1 januari 2039. 3 Bijlage I , onder A, onderdeel 11.2 (nieuw), vervalt met ingang van 1 januari 2042. 4 Bijlage I In de toelichting bij, onder A, vervalt paragraaf 4.4 (nieuw) met ingang van 1 januari 2025. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de uitvoering van dit besluit. 2010 42 16-02-2010 04-02-2010 2010 133 30-03-2010 19-03-2010 01-04-2010
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit huurprijzen woonruimte. 2 Het treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1979 216 18-04-1979 1979 332 21-06-1979 01-07-1979
Artikel 8a#
artikel 8a
Artikel 8a#
artikel 8a
Artikel 8a#
artikel 8a
Artikel 8a#
artikel 8a
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte
Artikel 6#
artikel 6, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte
Artikel 1#
artikel 1 van het besluit