Besluit van 25 oktober 1982, houdende uitvoering van de artikelen 1, derde lid, 19, 22, tweede lid, 23, vierde lid, en 58, eerste lid, van de Binnenschepenwet
- BWB-id
- BWBR0003526
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2005-01-01 t/m 2009-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003526
- ELI
- /eli/nl/amvb/1982/besluit-vaarbewijzen-binnenvaart
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1982/besluit-vaarbewijzen-binnenvaart/2005-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003526&g=2005-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003526&z=2026-06-06&g=2005-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003526/2005-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1982/besluit-vaarbewijzen-binnenvaart
Artikel 1#
de artikelen 1, derde lid
Artikel 19#
19
Artikel 22#
22, tweede lid
Artikel 23#
23, vierde lid
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. artikel 16 van de Binnenschepenwet "vaarbewijs": het vaarbewijs, bedoeld in; b. artikel 16, tweede lid, van de Binnenschepenwet "klein vaarbewijs": het klein vaarbewijs, bedoeld in; c. artikel 16, eerste lid, van de Binnenschepenwet "groot vaarbewijs": het groot vaarbewijs, bedoeld in; d. "de aanvrager": degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte van een vaarbewijs; e. artikel 21 van de Binnenschepenwet "geneeskundig onderzoek": het onderzoek, bedoeld in; f. Binnenschepenwet "geneeskundige verklaring": de verklaring, bedoeld in 21, eerste lid, van de; g. artikel 23, tweede lid, van de Binnenschepenwet "eigen verklaring": de eigen verklaring, bedoeld in; h. artikel 22 van de Binnenschepenwet "examen": het onderzoek, bedoeld in; i. artikel 22, eerste lid, van de binnenschepenwet "examinator": de instelling of persoon, aangewezen op grond van; j. artikel 22, vierde lid, van de Binnenschepenwet "gecommitteerde": de gecommitteerde, aangewezen op grond van; k. artikel 22, eerste lid, van de Binnenschepenwet "getuigschrift": de verklaring, bedoeld in; l. dagreis: reis gedurende een kalenderdag of gedeelte daarvan, waarop gedurende tenminste 6 uur dienst is gedaan. 2 artikelen 16 17 19 29 49 51 52 55 56 van de Binnenschepenwet Luchtkussenvoertuigen worden voor de toepassing van de,,,,,,,enen voor de toepassing van dit besluit met schepen gelijkgesteld. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 De door Onze Minister af te geven vaarbewijzen zijn: a. het klein vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren; b. het klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren; c. het groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren; d. het groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a Vervallen 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs wordt ingediend bij Onze Minister. 2 Bij de aanvraag worden overgelegd: a. artikel 7 de geneeskundige verklaring, niet ouder dan drie maanden, of een eigen verklaring op grond van; b. het getuigschrift dat betrekking heeft op het examen voor het verlangde vaarbewijs of een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart dat door Onze Minister is erkend; c. een een gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens, of enig ander bewijsstuk betreffende naam en geboortedatum van de aanvrager; d. twee goedgelijkende pasfoto’s van de aanvrager, aan de achterkant voorzien van zijn naam, voorletters en geboortedatum; e. een bewijs van betaling van het bedrag dat verschuldigd is voor de behandeling van de aanvraag. 3 In geval van ongeldigheid van het vaarbewijs mag geen gebruik worden gemaakt van een eerder overgelegd getuigschrift of erkend bewijs van vaarbekwaamheid. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 3, tweede lid, onderdeel b In plaats van een document als bedoeld in, kan worden overgelegd: a. een gelijkwaardig geldig vaarbewijs, of b. een gelijkwaardig vaarbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 55, eerste lid, van de Binnenschepenwet De aanvrager die op grond van omstandigheden, bedoeld in, om afgifte van een vaarbewijs verzoekt, dient die omstandigheden aannemelijk te hebben gemaakt ter beoordeling van de Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en zijn aanvraag uiterlijk 1 oktober 1983 te hebben ingediend. 2 artikel 3, tweede lid, onder c, d en e Hij dient tevens de bescheiden te hebben overgelegd, bedoeld in, en een eigen verklaring indien hij op het moment van de aanvraag 65 jaar of ouder was. 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 25-03-1998 01-05-1997 Werkt terug tot en met 1 mei 1997.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Het geneeskundig onderzoek ter afgifte van de geneeskundige verklaring heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke toestand van de aanvrager in het algemeen en in het bijzonder op: a. de gezichtsscherpte en het kleuronderscheidingsvermogen; b. de gehoorscherpte; c. de toestand van het hart en de longen, de bloeddruk; d. het functioneren van armen en benen; e. de neurologische en psychische gesteldheid. 2 Tevens wordt onderzocht of zich afwijkingen voordoen die het veilig varen nadelig kunnen beïnvloeden. 3 Het geneeskundig onderzoek en de afgifte van de geneeskundige verklaring geschieden met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen regelen. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 In plaats van de geneeskundige verklaring kan een eigen verklaring worden overgelegd door: a. de aanvrager van het klein vaarbewijs; b. de aanvrager van het groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren, die de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en reeds in het bezit is van een geldig groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren; c. de aanvrager die niet langer niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen, welke gelden voor schippers van rijksvaartuigen, voor loodsen, voor Rijnschippers of voor personen aan wie aan boord van zeeschepen de wacht of het houden van uitkijk kan worden opgedragen; d. c onder artikel 6, eerste lid artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet de aanvrager die niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen in andere gevallen danbedoeld, welke eisen naar het oordeel van Onze Minister - gehoord een inbedoelde deskundige - in voldoende mate betrekking hebben op de in, genoemde onderwerpen; e. artikel 55, vierde lid, van de Binnenschepenwet de aanvrager die bij toepassing van65 jaar of ouder is. 2 artikel 6, eerste en tweede lid De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in. 3 b, c d, De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onderenlegt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten. 4 De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden. 5 artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan door een deskundige, bedoeld in, een geneeskundige verklaring worden afgegeven indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden. 6 Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen regelen. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Het getuigschrift wordt afgegeven nadat het examen ter verkrijging van het vaarbewijs met gunstig gevolg is afgelegd. 2 artikel 2 In het getuigschrift wordt vermeld voor welk van de inbedoelde vaarbewijzen het examen is afgelegd. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren heeft betrekking op de volgende onderwerpen: a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op die wateren; b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen; de veiligheidsmaatregelen; c. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater, elementaire meteorologie; d. het varen en manoeuvreren, de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen. 2 Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren heeft betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen en bovendien op: a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard; b. het gebruik van nautische bescheiden; c. de koers- en plaatsbepaling; d. meteorologie. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 deel 2 hoofdstuk A hoofdstuk C bijlage II richtlijn nr. 96/50/EG Het examen ter verkrijging van het groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren, heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd invanenvanvanvan de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235). 2 deel 1 hoofdstuk A Het examen ter verkrijging van het groot vaarbewijs voor alle binnenwateren heeft betrekking op de onderwerpen, genoemd invanen hoofdstuk C van bijlage II van de richtlijn, genoemd in het eerste lid. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 Wet op de Zeevaartdiploma’s 1935 artikel 19, tweede lid artikel 68 van de Zeevaartbemanningswet artikel 14, eerste lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 Zeevaartdiploma’s 1935 Stb. Stb. Stb. Indien de aanvrager met goed gevolg een examen, bedoeld in de(455) of de(456) dan wel een examen als bedoeld in, onderscheidenlijk, heeft afgelegd, dan wel aan een school, bedoeld in(1963, 40) het eindexamen, bestemd voor een diploma of het bewijs, genoemd in deof de, met goed gevolg heeft afgelegd, wordt volstaan met een beperkt examen ten aanzien van de onderwerpen die door Onze Minister worden vastgesteld. 2004 711 29-12-2004 13-12-2004 2004 711 29-12-2004 13-12-2004 01-01-2005 01-02-2002 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 8 Om voor de afgifte van een groot vaarbewijs in aanmerking te komen beschikt de aanvrager over het getuigschrift, bedoeld in, en toont hij daarnaast aan, dat hij een vaartijd heeft doorlopen van vier jaren. 2 Als vaartijd, bedoeld in het eerste lid, komt in aanmerking de ervaring die de aanvrager na het bereiken van de 16-jarige leeftijd heeft opgedaan als lid van de dekbemanning van een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, of van een binnenschip met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart, op de binnenwateren van de Europese Gemeenschap of op binnenwateren die de buitengrens van de Gemeenschap overschrijden. 180 Effectieve vaardagen in de binnenvaart gelden als een jaar vaartijd als bedoeld in het eerste lid. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 3 Indien de aanvrager aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter zee, of van een schip met een lengte van 15 meter of meer, bestemd voor de niet-bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk geheel jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd met een jaar, doch met ten hoogste een vaartijd van twee jaren, waarbij 250 zeedagen als een jaar vaartijd als bedoeld in het eerste lid gelden. 4 Indien de aanvrager houder is van een diploma van een opleiding voor de binnenvaart, waarvan praktijkstages deel uitmaken, wordt de periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de duur van deze opleiding, doch met ten hoogste een vaartijd van drie jaren. 5 Indien de aanvrager een praktijkexamen heeft afgelegd voor het besturen van een schip waarvan de vaareigenschappen vergelijkbaar zijn met die van een schip waarvan de schipper bij het varen op de binnenwateren voorzien moet zijn van een groot vaarbewijs, wordt de periode, bedoeld in het eerste lid, verminderd met ten hoogste twee jaren. Onder een praktijkexamen wordt voor de toepassing van dit lid verstaan: een praktijkexamen dat door Onze Minister is erkend; een praktijkexamen dat bij internationale regeling of door een bevoegde autoriteit in het buitenland en door Onze Minister is erkend. 6 Als vaartijd als bedoeld in het eerste lid, komt voor degene die dienst doet of heeft gedaan als registerloods tevens in aanmerking het in een periode van 48 maanden op binnenwateren tenminste gedurende 64 dagreizen besturen van een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart. 7 Indien de aanvrager die dienst doet of heeft gedaan als registerloods aantoont ervaring te hebben opgedaan als lid van de dekbemanning van een schip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart ter zee, wordt voor elk geheel jaar van deze ervaring de periode, bedoeld in het vierde lid, verminderd met 9 maanden en wordt het vereiste aantal dagreizen waarop een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, bestuurd wordt, verminderd met 12 dagreizen, doch tot niet minder dan een vaartijd van 12 maanden waarin tenminste gedurende 16 dagreizen een binnenschip, bestemd voor de bedrijfsmatige vaart, is bestuurd. 8 De beoordeling van de vaartijd geschiedt door de examinator. 2003 9 09-01-2003 12-12-2002 2003 9 09-01-2003 12-12-2002 10-01-2003
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 De examinator opent ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid examens bij hem af te leggen. Hij deelt tijdig mee voor welk tijdstip en bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt tevens welk bedrag voor het afleggen van het examen aan hem verschuldigd is en hoe dat bedrag dient te worden voldaan. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe geschikte lokalen. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken bij het examen. Onder meer dienen maatregelen te worden getroffen om bedrog te voorkomen. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 De examinator houdt een examenstaat bij. Een afschrift daarvan zendt hij aan Onze Minister na afloop van het kalenderkwartaal, waarin het examen heeft plaatsgevonden. 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 25-03-1998 01-05-1997 Werkt terug tot en met 1 mei 1997.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het voorgevallene. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende een jaar na afloop van het examen. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De examinator biedt de gecommitteerde gelegenheid om het examen bij te wonen. Hij verschaft de gecommitteerde inzage van het verslag en de examenbescheiden en verstrekt alle inlichtingen die de gecommitteerde nodig acht om zich een oordeel over het examen te kunnen vormen. 2 De gecommitteerde stelt, indien hij daartoe aanleiding aanwezig acht, Onze Minister schriftelijk in kennis van zijn bevindingen omtrent het examen. 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 25-03-1998 01-05-1997 Werkt terug tot en met 1 mei 1997.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat kan Onze Minister een gecommitteerde belasten met het inwinnen van inlichtingen omtrent een reeds gehouden examen. De examinator verleent hierbij alle medewerking en verschaft inzage van de examenbescheiden. 2 De gecommitteerde stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van zijn bevindingen. 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 1998 150 24-03-1998 06-03-1998 25-03-1998 01-05-1997 Werkt terug tot en met 1 mei 1997.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 De examens ter verkrijging van een klein vaarbewijs worden afgenomen met inachtneming van een examenregeling en een examenprogramma, die door Onze Minister worden vastgesteld. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 De examens ter verkrijging van een groot vaarbewijs worden afgenomen met inachtneming van de examenregeling en het examenprogramma van de examinator, mits deze zijn goedgekeurd door Onze Minister. 2 Onze Minister keurt de examenregeling en het examenprogramma slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren worden onderzocht. 3 Indien de examinator geen examenregeling en examenprogramma heeft die door Onze Minister zijn goedgekeurd, worden de in het eerste lid bedoelde examens afgenomen met inachtneming van een examenregeling en een examenprogramma, die door Onze Minister worden vastgesteld. 4 De vorige leden zijn van toepassing op wijzigingen van de examenregeling en van het examenprogramma van de examinator. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikelen 20 21 De in deenbedoelde examenregelingen dienen bepalingen te bevatten met betrekking tot: a. het aanmelden en oproepen voor het examen; b. de wijze van examineren; c. de duur van het examen; d. de mogelijkheid van een beperkt examen; e. het slagen en afwijzen; f. het toezicht, het voorkomen van bedrog en de goede gang van zaken tijdens het examen; g. het beroep bij uitsluiting van deelneming of verdere deelneming aan het examen. 2 g Het beroep, bedoeld in het eerste lid, onderwordt ingesteld bij een in de examenregeling aangewezen instantie. 3 artikel 21 De examenregeling, bedoeld in, dient tevens bepalingen te bevatten ten aanzien van herexamen. 4 artikelen 20 21 artikelen 9 10 De in deenbedoelde examenprogramma’s dienen een nadere aanduiding te bevatten van de onderwerpen van het examen, bedoeld in deen. 5 artikel 21 artikel 12, vierde lid De examenregeling, bedoeld in, bevat nadere bepalingen ten aanzien van de diploma's, bedoeld in, en de hiermee samenhangende vermindering van vaartijd. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Vervallen 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Erkenning van een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenvaart vindt plaats indien naar het oordeel van Onze Minister het bewijs voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op binnenwateren. 2 Onze Minister kan ter vorming van zijn oordeel verlangen dat bescheiden worden overgelegd en inlichtingen worden verschaft met betrekking tot de kennis en bekwaamheid die ten grondslag liggen aan de afgifte van het bewijs van vaarbekwaamheid. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Een bewijs van vaarbekwaamheid wordt erkend voor de vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, dan wel voor de bedrijfsmatige vaart of voor de niet-bedrijfsmatige vaart, naar gelang het bewijs naar het oordeel van Onze Minister voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken wateren ter uitoefening van de bedrijfsmatige vaart of van de niet-bedrijfsmatige vaart. 2 c d Binnenschepenwet Voor de toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onderen, van dewordt het bewijs van vaarbekwaamheid erkend voor de vaart op alle binnenwateren. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 bijlage II artikel 10 richtlijn nr. 96/50/EG Een wijziging vanvanvan de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235), gaat voor de toepassing vangelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 2001 35 30-01-2001 15-01-2001 2001 78 15-02-2001 05-02-2001 01-03-2001
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Onze Minister kan bij ministeriële regeling nadere regelen geven ter uitvoering van dit besluit. 1993 661 08-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit vaarbewijzen binnenvaart". 2 Staatsblad Het treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van hetwaarin het wordt geplaatst. 1982 623 25-10-1982 1982 623 25-10-1982 18-11-1982