Besluit van 2 december 1985, ter uitvoering van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
- BWB-id
- BWBR0003889
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2007-09-12 t/m 2008-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0003889
- ELI
- /eli/nl/amvb/1986/besluit-op-de-ruimtelijke-ordening-1985
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1986/besluit-op-de-ruimtelijke-ordening-1985/2007-09-12
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0003889&g=2007-09-12
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0003889&z=2026-06-06&g=2007-09-12
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0003889/2007-09-12
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1986/besluit-op-de-ruimtelijke-ordening-1985
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Wet op de Ruimtelijke Ordening de wet: de. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Vervallen 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 In een planologische kernbeslissing wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven. 2 artikel 2b van de wet In een planologische kernbeslissing wordt tevens herkenbaar aangegeven welke van de daarin opgenomen beslissingen van zodanig belang zijn dat afwijking daarvan slechts mogelijk is met toepassing van. 3 artikel 2a, tweede, derde, vierde of vijfde lid, van de wet In het plan kan worden aangegeven in hoeverre bij de herziening of intrekking van het plan of onderdelen daarvan toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Een structuurschets geeft inzicht in mogelijke ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid op de lange termijn, de middellange termijn daarbij tevens in beschouwing genomen, en bevat de hoofdlijnen en beginselen voor één of meer aspecten van dit beleid. Een structuurschets gaat vergezeld van één of meer kaarten waarop de hoofdlijnen en beginselen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht. 2 Een structuurschema bevat met betrekking tot een bepaalde sector van het rijksbeleid hoofdlijnen en beginselen van algemeen belang voor het nationaal ruimtelijk beleid en geeft in het bijzonder inzicht in de ruimtelijke aspecten van die sector op de lange termijn, de middellange termijn daarbij tevens in beschouwing genomen. Een structuurschema gaat vergezeld van één of meer kaarten waarop de ruimtelijke aspecten van het beleid in die sector voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht. 3 Een ontwerp voor een structuurschets of voor een structuurschema bevat de elementen genoemd in het eerste of tweede lid. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Vervallen 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Gedeputeerde Staten verrichten ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied van de provincie onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de provincie. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 4a, tiende lid, van de wet Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan, als bedoeld inalsmede ontwerpen daarvoor worden vervat in: a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken; b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin deze hoofdlijnen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht. 2 Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan alsmede ontwerpen daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. artikel 6 de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek, voorzover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft; b. de rapportering over het bij de voorbereiding van het streekplan gevoerde overleg en over de uitkomsten daarvan; c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding; d. a een beschrijving van de mate waarin of de wijze waarop de onderbedoelde ontwikkeling in hoofdlijnen is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, zoals dat is vastgelegd in het geldende provinciale milieubeleidsplan, of het provinciale waterhuishoudingsbeleid, zoals dat is vastgelegd in het geldende provinciale waterhuishoudingsplan; e. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop en de termijn waarbinnen het geldende provinciale milieubeleidsplan of waterhuishoudingsplan zal worden herzien. 3 In een streekplan wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 De kaarten worden ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften: a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond; b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven; c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van bij voorkeur 1 op 50 000; d. indien het plan wordt vervat in meerdere kaartbladen wordt een overzichtskaart op kleinere schaal daaraan toegevoegd; e. op de kaarten worden schaal en noordpijl aangegeven. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Burgemeester en wethouders verrichten ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. 2 Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-07-1986
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 artikel 19, eerste lid, van de wet Bij de voorbereiding van een structuurplan, een bestemmingsplan of een vrijstelling als bedoeld inplegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan of de vrijstelling betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met de besturen van de gemeenten wier belangen rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan of de vrijstelling in het geding zijn. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in: a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied; b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze ontwikkeling voorzover mogelijk in beeld is gebracht. 2 Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. artikel 9 de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek, voor zover dit onderzoek op het plan betrekking heeft; b. artikel 10 de uitkomsten van het inbedoelde overleg; c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding; d. artikel 6a van de wet artikel 150, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet een rapportering als bedoeld injuncto. 3 Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in: a. een omschrijving van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven, die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden worden toegekend, alsmede in voorkomend geval, een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop met het plan dat doel of die doeleinden worden nagestreefd; b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangewezen; c. voor zover nodig, voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daarop bevindende opstallen; d. artikelen 11, eerste lid 15 van de wet voor zover nodig, regelen dan wel grenzen als bedoeld in de, en. 2 Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. artikel 9 de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft; b. artikel 10 de uitkomsten van het inbedoelde overleg; c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding; d. artikel 6a van de wet artikel 150, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet een rapportering als bedoeld injuncto; e. artikel 31a, eerste lid, van de wet in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 11 van de wet Een bestemmingsplan dat op grond vangeheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, geeft aan waarop de uitwerkingsverplichting betrekking heeft. 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid geeft bovendien op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-07-1986
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 11, tweede lid, van de wet artikel 15 van de wet artikel 12, eerste lid d d. Op een besluit, bedoeld inalsmede een ontwerp daarvoor is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bepaalde onderwordt vervangen door:voor zover nodig, regelen als bedoeld in. 2 artikel 11, tweede lid, van de wet Een besluit, bedoeld in, alsmede een ontwerp daarvoor, gaan vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd: a. artikel 9 de aan het besluit ten grondslag liggende gedachten en, in voorkomend geval, de uitkomsten van nader, het in het besluit begrepen gebied betreffend, onderzoek als bedoeld in; b. artikel 10 in voorkomend geval, de uitkomsten van nader overleg als bedoeld in; c. artikel 31a, eerste lid van de wet in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Wet geluidhinder Voor zover de uitvoering van dezulks vereist, geeft het bestemmingsplan voorts aan: a. artikel 1 van de Wet geluidhinder Wet geluidhinder de ligging en de afmetingen van woningen en van andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in, die gelegen zijn binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de; b. de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan. 2 artikel 11 van de wet Voor zover een bestemmingsplan op grond vanmoet worden uitgewerkt dan wel kan worden gewijzigd, kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met het aangeven van de voor woningen en gebouwen als bedoeld in het eerste lid ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, welke bij de uitwerking dan wel de wijziging van het plan in acht moet worden genomen. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 12 De kaarten, bedoeld in, worden ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften: a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond; b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven; c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan een andere schaal noodzakelijk maakt; d. uit de kaarten moet blijken de aansluiting van het in het plan begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied; e. voor zover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwerkelijking in aanmerking komt, worden deze gedeelten vervat in één of meer kaarten op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop voorts de kadastrale grenzen, sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen percelen zijn aangegeven; f. indien een bestemmingsplan uit meerdere kaarten bestaat, moet uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken; g. op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven; h. op de kaarten worden de bestaande gebouwen en de namen van de belangrijkste wegen, straten en waterwegen aangegeven. 2 De kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze worden uitgevoerd. Zij moeten voorts van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed vermenigvuldigbaar zijn. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-07-1986
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 12, eerste lid, van de wet artikelen 10 11 van de wet Voorlopige bestemmingen of voorlopige gebruiksregelen, als bedoeld inkunnen slechts in samenhang met bestemmingen en gebruiksregelen, als bedoeld in deen, worden aangewezen of gegeven. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-07-1986
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikelen 17 19 van de wet De aanvraag om vrijstelling als bedoeld in deofgaat vergezeld van tenminste een duidelijke situatieschets van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft. 2 artikelen 17 19 van de wet Een aanvraag om een aanlegvergunning die slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in deof, wordt mede aangemerkt als een aanvraag om zodanige vrijstelling. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 17 van de wet Vrijstelling als bedoeld inwordt slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 19a — Artikel 19a#
Artikel 19a artikel 19, eerste lid, van de wet De ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in, gaat vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 19, derde lid, van de wet Voor de toepassing vankomen in aanmerking: a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij: 1°. een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft; 2°. een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en a. 2 het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw niet groter is dan 25 m, b. de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter, en c. de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden; 3°. een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat: a. het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden; b. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer: 1°. 2 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m, en 2°. dat bestaat uit één bouwlaag en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5m; c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde: 1°. 2 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m, en 2°. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5m; d. een kas of een bedrijfsgebouw van lichte constructie: 1°. ten dienste van een agrarische bestemming, en 2°. 2 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 100 m; e. 2 een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m; f. Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken een antenne-installatie als bedoeld in het, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m; g. een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits: 1e. Woningwet de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens deaan een bestaande woning gestelde eisen; 2e. Wet milieubeheer Wet geluidhinder Wet ammoniak en veehouderij Reconstructiewet concentratiegebieden bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de, de, degestelde regels of de; 3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont. 2 artikel 1, onder c, van de Woningwet Onder een gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een gebouw als bedoeld in. 3 artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet Onder een woongebouw als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een woonwagen als bedoeld in. 4 e De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de aanvrager en diens met name genoemde meerderjarige huisgenoten die voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 3. Zij vervalt in elk geval zodra de in de eerste volzin genoemde personen de bewoning hebben beëindigd. 5 Vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen. 2007 107 22-03-2007 09-03-2007 2007 107 22-03-2007 09-03-2007 01-06-2007
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam verricht ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het samenwerkingsgebied onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van dat gebied. 1994 398 14-06-1994 02-05-1994 1994 398 14-06-1994 02-05-1994 01-07-1994
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a Bij de voorbereiding van een regionaal structuurplan pleegt het dagelijks bestuur overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig pleegt het tevens overleg met de besturen van de gemeenten of samenwerkingsgebieden wier belangen rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in geding zijn. 2000 234 13-06-2000 22-05-2000 2000 234 13-06-2000 22-05-2000 01-09-2000
Artikel 21b — Artikel 21b#
Artikel 21b 1 Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in: a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied; b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze ontwikkeling voor zover mogelijk in beeld is gebracht. 2 Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. artikel 21 de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het inbedoelde onderzoek, voor zover dit onderzoek op het plan betrekking heeft; b. artikel 21a de uitkomsten van het inbedoelde overleg; c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. 3 Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt. 4 In een regionaal structuurplan wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven. 2003 294 17-07-2003 03-07-2003 2003 327 28-08-2003 13-08-2003 01-11-2003 Bij Stb. 2003/294 is in artikel II een bepaling betreffende de
toepassing gepubliceerd.
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 De leden van de Rijksplanologische Commissie worden benoemd door Onze Ministers van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Financiën, van Defensie, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die ieder één lid benoemen, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ieder twee leden benoemen en door Onze Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, die ieder drie leden benoemen. 2 Onze Minister kan één of meer deskundigen tot lid van de Rijksplanologische Commissie benoemen. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie kan zich bij ontstentenis of ziekte doen vervangen door een door hem aan te wijzen lid. 2 Bij ontstentenis of ziekte van een lid van de Commissie kan de betrokken Minister voor een bepaalde termijn een ander tot lid benoemen. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De Rijksplanologische Commissie heeft naast hetgeen de wet daaromtrent bepaalt tot taak: a. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen aan Onze Minister omtrent het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening; b. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen betreffende streekplannen, en voorts voor zover van algemene aard of strekking ten aanzien van structuurplannen, bestemmingsplannen en andere maatregelen op planologisch gebied; c. het ontwerpen van richtlijnen voor het planologische werk. 2 artikel 3, eerste lid artikel 7 van de Landinrichtingswet Van het bepaalde in, van de wet wordt afgeweken voor wat betreft de maatregelen en plannen die worden behandeld in de Centrale Landinrichtingscommissie, ingevolge, behoudens in die gevallen waarin van de zijde van een Onzer Ministers die in de Rijksplanologische Commissie vertegenwoordigd is, tegen de maatregel of het plan bezwaar wordt gemaakt op grond van het regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening. 1992 503 18-09-1992 1992 504 18-09-1992 01-10-1992
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie roept de Commissie in vergadering bijeen zo dikwijls hij dit nodig oordeelt of indien één lid dit verzoekt. De oproep vermeldt de agenda van de vergadering. 2 De Commissie kan uit haar midden werkcommissies vormen. De voorzitter kan deskundigen uitnodigen tot het deelnemen aan beraadslagingen van de Commissie of van een werkcommissie. 3 Op verzoek van een lid schorst de voorzitter de behandeling van een zaak tot de volgende vergadering teneinde het lid gelegenheid te geven met de Minister die hem heeft benoemd, ruggespraak te houden. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Er is in de Rijksplanologische Commissie een subcommissie voor algemene zaken. 2 Onze Minister bepaalt, de Rijksplanologische Commissie gehoord, welke leden van deze Commissie zitting hebben in de in het eerste lid bedoelde subcommissie. De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie is voorzitter van de subcommissie. Het hoofd van de Rijksplanologische Dienst heeft zitting in de subcommissie. 3 Onze Minister kan, de Rijksplanologische Commissie gehoord, niet-leden van deze Commissie als lid van de in het eerste lid bedoelde subcommissie benoemen. 4 Het advies van de in dit artikel bedoelde subcommissie treedt in de plaats van dat der Rijksplanologische Commissie, tenzij de voorzitter of een lid behandeling in de Rijksplanologische Commissie verlangt. 1990 474 07-09-1990 1990 474 07-09-1990 01-12-1990
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 In de adviezen van de Rijksplanologische Commissie of van de subcommissie wordt desverlangd van gevoelens, van die der meerderheid afwijkende, melding gemaakt. 2 De leden die in een vergadering van de Commissie of van de subcommissie een mening kenbaar hebben gemaakt, van die der meerderheid afwijkende, kunnen zich in deze vergadering de bevoegdheid voorbehouden tot het uitbrengen van een afzonderlijk advies, dat bij het advies van de Commissie of van de subcommissie wordt gevoegd. 1990 474 07-09-1990 1990 474 07-09-1990 01-12-1990
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De standplaats van het hoofd van de Rijksplanologische Dienst is 's-Gravenhage. 2 Ten behoeve van de vervulling van de taak van de dienst worden ten hoogste vijf directies ingesteld. 3 Onze Minister stelt het aantal alsmede de omvang van de werkzaamheden der directies vast. 4 Onze Minister kan ten behoeve van het verrichten van bepaalde onderzoekingen van algemene of bijzondere aard ter voorbereiding van de taakvervulling van de dienst commissies instellen, waarin uitsluitend of voor het merendeel personen die niet tot de dienst behoren, zitting hebben. 5 De in het vierde lid bedoelde commissies brengen advies uit aan het hoofd van de dienst. 6 Het hoofd van de dienst legt op verzoek van Onze Minister bij zijn advies dat van een overeenkomstig het vierde lid ingestelde commissie over. 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 Vervallen 2004 155 20-04-2004 19-03-2004 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 2004 155 20-04-2004 19-03-2004 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 De provinciale planologische commissies worden zodanig samengesteld, dat de verschillende aspecten die bij de ruimtelijke ordening zijn betrokken, daarin tot hun recht komen. 2 In de provinciale planologische commissies hebben in elk geval zitting de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de provincie, de inspecteur, de eerstaanwezend ingenieur directeur van de betrokken directie van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen van het departement van Defensie, het regiohoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de regio-coördinator van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, het hoofd van de betrokken regio van het ministerie van Economische Zaken, de betrokken regiodirecteur van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de regionaal-directeur voor de arbeidsvoorziening. 2004 155 20-04-2004 19-03-2004 2005 81 24-02-2005 08-02-2005 25-02-2005
Artikel 38a — Artikel 38a#
Artikel 38a Staatscourant Onze Minister maakt vóór 1 november in dehet door hem vastgestelde subsidieplafond voor het daaropvolgende kalenderjaar bekend. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38b — Artikel 38b#
Artikel 38b 1 artikel 50a, eerste lid, onderdeel a, van de wet Voor de ingenoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover het reguliere kosten voor het opstellen en herzien van ruimtelijke plannen betreft. 2 artikel 50a, eerste lid, onderdeel b, van de wet Voor de ingenoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover de kosten uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. 3 artikel 50a, eerste lid, onderdeel c, van de wet Voor de ingenoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover niet is aangetoond dat de activiteiten in financiële en in bestuurlijke zin haalbaar zijn of voor zover de kosten uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38c — Artikel 38c#
Artikel 38c Onze Minister kan ter uitvoering van de planologische kernbeslissing over de Waddenzee subsidie verstrekken ten behoeve van het bestuurlijk overleg over het Waddengebied. 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 38d — Artikel 38d#
Artikel 38d 1 De subsidie-aanvraag wordt voorafgaand aan de activiteit bij Onze Minister ingediend. 2 De activiteit vangt aan in het jaar waarop de subsidie-aanvraag betrekking heeft. 3 De subsidie-aanvraag gaat in elk geval vergezeld van: a. een sluitende begroting van de kosten of de wijze van financiering van de activiteit, en b. een beschrijving van de activiteit en een tijdsplanning. 4 Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de gegevens die bij de subsidie-aanvraag dienen te worden verstrekt. 5 Aan de aanvrager wordt onverwijld een bericht van ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38e — Artikel 38e#
Artikel 38e Onze Minister neemt bij de verdeling van het beschikbare bedrag in aanmerking: a. het belang van de activiteit waarvoor een subsidie-aanvraag is ingediend voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, en b. de bijdrage van die activiteit aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38f — Artikel 38f#
Artikel 38f 1 Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de subsidie-aanvraag. 2 Onze Minister kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38g — Artikel 38g#
Artikel 38g artikel 38d, eerste tot en met vierde lid De subsidieverlening wordt geweigerd indien de subsidie-aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38h — Artikel 38h#
Artikel 38h 1 De subsidie-ontvanger voert de activiteit uit overeenkomstig de door hem verstrekte gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken. 2 De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en de financieringswijze van de activiteit waarvoor een subsidie is verleend, kan worden afgelezen. 3 Voor zover de activiteit zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekt legt de subsidie-ontvanger tevens éénmaal per kalenderjaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteit over aan Onze Minister. 4 Onze Minister kan de subsidie-ontvanger bij de subsidieverlening ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 38i — Artikel 38i#
Artikel 38i 1 De subsidie-ontvanger dient binnen 13 weken na voltooiing van de activiteit bij Onze Minister een aanvraag tot subsidievaststelling in. 2 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een activiteitenverslag, waarbij de subsidie-ontvanger aantoont dat de activiteit overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft plaatsgevonden, en een financieel verslag. 3 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Indien de subsidie meer bedraagt dan € 50 000, gaat het financiële verslag vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de subsidie aan de wet en dit besluit. 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidieverstrekking aan gemeenten of provincies. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 38ia — Artikel 38ia#
Artikel 38ia artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001 Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, provincie of een regionaal openbaar lichaam op grond vanis, wordt een subsidievaststelling aangevraagd in het jaar na de voltooiing van de activiteit, door de verantwoordingsinformatie aan Onze Minister te verstrekken, op de wijze, bedoeld in. 2007 312 11-09-2007 23-08-2007 2007 312 11-09-2007 23-08-2007 12-09-2007 Artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001, de artikelen 24, derde lid, aanhef en onderdeel c, en 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, alsmede de artikelen 3a en 5, vierde lid, van het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten werken voor het eerst ten aanzien van de jaarstukken en de controle op de jaarrekening over het begrotingsjaar 2007.
Artikel 38j — Artikel 38j#
Artikel 38j 1 Onze Minister kan op aanvraag voorschotten verlenen, met dien verstande dat het totale bedrag aan verleende voorschotten niet meer kan bedragen dan 80 procent van het bedrag van de verleende subsidie. 2 In afwijking van het eerste lid, kan in naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende gevallen het totale bedrag van de verleende voorschotten 100 procent bedragen van de verleende subsidie. 3 Een beschikking tot voorschotverlening vermeldt de termijnen waarbinnen de voorschotten worden uitbetaald. Aan de beschikking kunnen verplichtingen worden verbonden. 1997 489 30-10-1997 17-10-1997 1997 684 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1998
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Vervallen 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 1995 83 21-02-1995 03-02-1995 22-02-1995
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 1999 447 28-10-1999 15-10-1999 2000 7 13-01-2000 24-12-1999 03-04-2000
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 2 Het kan worden aangehaald als "Besluit op de ruimtelijke ordening 1985". 1985 627 02-12-1985 1985 667 16-12-1985 01-03-1986