Besluit van 24 november 1986, houdende vaststelling van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken
- BWB-id
- BWBR0004052
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Buitenlandse Zaken
- Geldigheid
- 2019-07-01 t/m 2019-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004052
- ELI
- /eli/nl/amvb/1987/reglement-dienst-buitenlandse-zaken
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1987/reglement-dienst-buitenlandse-zaken/2019-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004052&g=2019-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004052&z=2026-06-06&g=2019-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004052/2019-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1987/reglement-dienst-buitenlandse-zaken
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit reglement wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken; b. DBZ: Dienst Buitenlandse Zaken; c. artikel 5, tweede lid, onder a Ambtenaar: de in, bedoelde ambtenaar van de DBZ, tenzij anders blijkt; d. Werknemer: degene die buiten Nederland op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is genomen voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland; e. Algemeen Rijksambtenarenreglement ARAR:; f. Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 BBRA 1984:; g. Functie: Het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar of werknemer te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen door het daartoe bevoegde gezag aan betrokkene is opgedragen; h. Arbeidsomstandighedenwet Arbodienst: de door Onze Minister aangewezen arbodienst als bedoeld in de; i. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister; j. Volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat; k. Arbeidsduurfactor: een breuk waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36; l. artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet deskundige persoon: de door Onze Minister aangewezen deskundige persoon als bedoeld indie belast is met de taken, bedoeld in; m. sector Rijk: de ambtelijke diensten van: 1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie; 2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal; 3° de Raad van State; 4° de Algemene Rekenkamer; 5° de Nationale ombudsman; 6° de Hoge Raad van Adel; 7° het Kabinet van de Koning; 8° de Kanselarij der Nederlandse Orden; 9° het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; 10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden; 11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden; n. bevoegd gezag: Onze Minister. 2018 117 26-04-2018 18-04-2018 2018 119 26-04-2018 18-04-2018 01-05-2018
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Waar in dit reglement sprake is van gezinsleden, worden daaronder verstaan: a. de huwelijkspartner van betrokkene, b. de minderjarige kinderen, adoptief- of stiefkinderen van de betrokkene welke ten laste van betrokkene komen, c. door Onze Minister als gezinslid beschouwde andere minderjarige kinderen, adoptief- of stiefkinderen of pleegkinderen van betrokkene of van diens huwelijkspartner, alsmede d. door Onze Minister als gezinslid beschouwde meerderjarige studerende of invalide kinderen, adoptief-, stief- of pleegkinderen van betrokkene of van diens huwelijkspartner. 2 In dit reglement wordt onder huwelijkspartner mede verstaan de geregistreerde partner alsmede de levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Onder weduwe en weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de achtergebleven levenspartner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner dan wel weduwe of weduwnaar worden aangemerkt. Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld op grond waarvan een tijdelijke voorziening kan worden getroffen voor de toepassing van dit reglement, indien de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland waar de betrokken ambtenaar is geplaatst geen notariële bevoegdheid heeft en niet de mogelijkheid bestaat een samenlevingscontract notarieel in het desbetreffende land te doen opmaken. 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 23-10-1998 Artikelen 8, 118 en 144 werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Waar in dit reglement sprake is van de formatie, wordt daaronder verstaan de kwantitatieve omvang van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de zich daarbinnen voordoende kwalitatieve structuur. De formatie is samengesteld uit formaties van de binnen het ministerie voorkomende dienstonderdelen en de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland. 2 Onze Minister stelt na advies van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de formatie vast. Onze Minister bepaalt de inrichting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met inachtneming van de formatie, volgens met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeen te komen regels. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 BBRA 1984 Tenzij anders is bepaald, wordt in dit reglement onder salaris, bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het. 2 In gevallen waarin niet is bepaald wie bevoegd is tot het nemen van besluiten of het doen van voordrachten krachtens dit reglement, is Onze Minister bevoegd. 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 10-10-2007 01-12-2006
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 Berichten inzake het maandelijkse in geld vastgestelde loon en de jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden verzonden. 2 De in het eerste lid bedoelde berichten worden niet uitsluitend elektronisch verzonden: a. indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch verzonden bericht; b. bij ontslag of overlijden van de ambtenaar; c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze. 3 Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bestaat een Dienst Buitenlandse Zaken. 2 De Dienst Buitenlandse Zaken bestaat uit: a. degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken zijn aangesteld; b. degenen die door Onze Minister als werknemer in dienst zijn genomen; c. tweede lid van artikel 132 degenen die bij koninklijk besluit, dan wel door Onze Minister, als honoraire consulaire ambtenaren zijn aangesteld, met inachtneming van het; d. artikel 7 tweede lid van artikel 140 degenen die door het hoofd van een der ingenoemde vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland bij die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland als honorair adviseur zijn aangesteld, met inachtneming van het. 3 derde, vierde en zesde lid van artikel 8 Met betrekking tot hun dienstverrichtingen worden voorts de in hetgenoemde gedetacheerden dan wel toegevoegden gelijkgesteld met degenen die tot de Dienst Buitenlandse Zaken behoren. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 vijfde lid van artikel 12 De Dienst Buitenlandse Zaken heeft tot taak, het beleid ter zake van de door het Koninkrijk met het buitenland onderhouden betrekkingen en de door de regering bevorderde ontwikkeling van de internationale rechtsorde, ambtelijk voor te bereiden, gestalte te geven, te coördineren en tot uitvoering te brengen; hij staat daartoe onder leiding van Onze Minister, met inachtneming van de verantwoordelijkheden van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, alsmede van Onze Minister van Economische Zaken ingevolge het. 2 Met inachtneming van het volkenrecht, in het bijzonder de voor het Koninkrijk, Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bindende internationale verdragen en andere overeenkomsten alsmede de buitenlandse wetten en gebruiken, omvat de in het eerste lid genoemde taak mede: a. het vertegenwoordigen van het Koninkrijk buiten zijn grondgebied; b. het uitdragen en toelichten van het beleid van het Koninkrijk ten aanzien van internationale vraagstukken en ontwikkelingen; c. het behartigen en beschermen van de belangen van het Koninkrijk, van Nederlanders en van rechtspersonen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten buiten het grondgebied van het Koninkrijk; d. het verzamelen, verwerken en verstrekken van inlichtingen omtrent internationale ontwikkelingen ten behoeve van de overheid van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, van Nederlanders en van rechtspersonen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten; e. het verrichten van de gerechtelijke, buitengerechtelijke en administratieve handelingen en werkzaamheden welke krachtens internationale overeenkomsten en de wetten en voorschriften van het Koninkrijk aan ambtenaren die in diplomatieke of consulaire functies zijn aangesteld, zijn opgedragen en waartoe zij bevoegd zijn verklaard; f. andere bij koninklijk besluit, dan wel door de regering, door tussenkomst van Onze Minister, aan vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland op te dragen werkzaamheden welke met het buitenlands beleid dan wel de bevordering van de internationale rechtsorde samenhangen. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken omvat het in Nederland gevestigde deel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verder aangeduid met departement, en de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland. 2 De vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen zijn: a. vaste diplomatieke zendingen, te weten ambassades en gezantschappen; b. permanente vertegenwoordigingen van het Koninkrijk bij internationale organisaties, ook als deze in Nederland zijn gevestigd; c. consulaire posten, te weten consulaten-generaal, consulaten, vice-consulaten en consulaire agentschappen; d. tijdelijke diplomatieke zendingen; e. andere, naar het oordeel van Onze Minister met de onder a tot en met d vergelijkbare, posten. 3 De in het tweede lid genoemde vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland worden bij koninklijk besluit naar behoefte ingesteld, geopend, verplaatst, gesloten en opgeheven; bij de instelling worden hun hoedanigheid en plaats van vestiging of bestemming bepaald. 4 Het ambtsgebied van een vaste diplomatieke zending omvat het grondgebied van de staat of de staten waar de zending wordt onderhouden. 5 Onze Minister bepaalt voor elke consulaire post een ressort en kan dit naar behoefte wijzigen. Binnen de ressorten van consulaire posten kan hij sub-ressorten instellen voor consulaire posten van dezelfde of lagere orde. 6 Consulaire posten die zich binnen het ambtsgebied van een vaste diplomatieke zending bevinden zijn daaraan ondergeschikt tenzij Onze Minister anders bepaalt. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Bij het departement kunnen werkzaam zijn: a. ambtenaren; b. ambtenaren van Aruba, Curaçao en Sint Maarten welke door Onze Minister in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao dan wel Sint Maarten, bij het departement zijn gedetacheerd. c. anderen dan de onder a en b genoemden die door of in overeenstemming met Onze Minister tijdelijk op het departement zijn tewerkgesteld. 2 Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen werkzaam zijn: a. ambtenaren; b. artikel 114 werknemers als bedoeld in; c. degenen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister als honorair consulair ambtenaar zijn aangesteld; d. artikel 5, tweede lid, onder d honoraire adviseurs, in de zin van. 3 artikel 6 Bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de ingenoemde taak a. in overeenstemming met Onze Minister worden gedetacheerd ambtenaren van een ander ministerie, wier detachering geschiedt door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie; b. artikel 115 werknemers, bedoeld inwerkzaam zijn. 4 artikel 6 Aan de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen voorts ter verdere verwezenlijking van de ingenoemde taak door Onze Minister worden toegevoegd ambtenaren van een ander ministerie, dan wel van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten, die met het oog op die tewerkstelling tijdelijk ter beschikking zijn gesteld van Onze Minister. 5 Onze Minister kan voorts, onder door hem te stellen voorwaarden, anderen dan degenen bedoeld in het tweede tot en met vierde lid tijdelijk bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam laten zijn. 6 In bijzondere gevallen kunnen aan tijdelijke diplomatieke zendingen anderen dan de in het tweede, derde, vierde en vijfde lid genoemden, worden toegevoegd. 7 Onze Minister kan, voor wat betreft de dienstverrichtingen van degenen die in het derde, vierde en zesde lid zijn genoemd, in overeenstemming met zijn betrokken ambtgenoot, dan wel met de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten; nadere regelen stellen. 8 a Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, stelt in overeenstemming met Onze Minister de vergoedingen en tegemoetkomingen vast welke verband houden met de in het derde lid, onder, bedoelde detacheringen volgens de regelen die bij of krachtens dit reglement zijn gesteld. 9 Op degenen die ingevolge het vierde lid aan een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland worden toegevoegd, kan Onze Minister bepalingen van dit reglement, welke gelden voor ambtenaren, van overeenkomstige toepassing verklaren. 2010 366 01-10-2010 27-09-2010 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 7 De hoofden van de ingenoemde vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland worden, behoudens het hierna in het tweede en derde lid bepaalde, bij koninklijk besluit uit de ambtenaren benoemd. 2 Tot hoofd van een consulaire post kan bij koninklijk besluit ook een honorair consulair ambtenaar worden aangesteld. 3 Tot hoofd van een tijdelijke diplomatieke zending kan bij koninklijk besluit ook een persoon die geen ambtenaar is worden aangesteld, mits deze de Nederlandse nationaliteit bezit. 4 Hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland worden bij koninklijk besluit, waar nodig, van geloofds- en terugroepingsbrieven, benoemingsbrevetten of inleidingsbrieven voorzien. 5 Als hoofd van een vaste diplomatieke zending kan door Onze Minister, indien een benoeming als bedoeld in het eerste lid niet heeft plaatsgevonden, een ambtenaar worden aangewezen in de hoedanigheid van Zaakgelastigde. Onze Minister voorziet deze, indien nodig, van een inleidingsbrief. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 12 Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland is jegens Onze Minister verantwoordelijk voor de leiding en inrichting van die vertegenwoordiging, alsmede voor de goede verrichting van de dienst, zulks met inachtneming van. 2 Voorts is deze verantwoordelijk voor: a. een juist beheer van de zaken en andere waarden in gebruik bij of toevertrouwd aan die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland; b. een goed comptabel en financieel beheer; c. het toezicht op de ambtenaar die als rekenplichtig ambtenaar in de zin van de Comptabiliteitswet 2001 het beheer voert over de aan de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland toevertrouwde gelden en geldswaardige papieren. 3 Het hoofd van een vaste diplomatieke zending heeft het toezicht op ambtenaren en overheidsinstellingen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten die zich duurzaam of tijdelijk voor ambtsverrichtingen in zijn ambtsgebied bevinden. Betrokkene kan in dit ambtsgebied tevens toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van instellingen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, geen ondernemingen zijnde, die zich bezighouden met de bevordering van de belangen van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de uitvoering van het overheidsbeleid, alsmede op die van de vertegenwoordigingen of neveninstellingen daarvan. De vorige volzin geldt niet ten aanzien van een permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie met betrekking tot het vertegenwoordigen van het Koninkrijk bij die internationale organisatie, en ten aanzien van een tijdelijke diplomatieke zending met betrekking tot de aangelegenheid waartoe die tijdelijke diplomatieke zending werd ingesteld. 4 Het hoofd van een vaste diplomatieke zending geeft aanwijzingen aan en oefent toezicht uit op de hoofden van consulaire posten die aan die vaste diplomatieke zending ondergeschikt zijn en kan het toezicht, bedoeld in het derde lid, overdragen aan deze consulaire posten. 5 De bevoegdheden, in het derde en vierde lid voorzien, worden ook uitgeoefend door hoofden van consulaire posten, niet gelegen in het ambtsgebied van een vaste diplomatieke zending. 2010 366 01-10-2010 27-09-2010 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland verlaat diens standplaats niet zonder in de leiding of waarneming ervan te hebben voorzien met inachtneming van het tweede tot en met zesde lid. 2 Voor afwezigheid van de standplaats binnen het land van vestiging, alsmede voor verblijf buiten het land van vestiging behoeft betrokkene steeds de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister, welke goedkeuring ook kan worden ontleend aan een door Onze Minister voor die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland vastgestelde regeling. 3 Indien de plaats van hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland openstaat, of indien het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland buiten het ambtsgebied verblijft dan wel, indien het een consulaire post betreft, buiten het ressort van die consulaire post, dan wel buiten staat is diens functie uit te oefenen, is de hoogste bij die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland geplaatste ambtenaar in vaste dienst met de waarneming belast, tenzij Onze Minister anders bepaalt. 4 Degene die met de waarneming is belast treedt op als tijdelijk hoofd van die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland; betrokkene is niet bevoegd om zonder dringende noodzaak wijziging te brengen in de dienstverrichting alsmede de inrichting van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 5 Degene die met de waarneming van een vaste diplomatieke zending is belast treedt, indien betrokkene bij de desbetreffende staat met een diplomatieke titel is ingeleid, op als Tijdelijk Zaakgelastigde. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de waarneming van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 Allen die bij de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam zijn, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften dan wel aanwijzingen die bij koninklijk besluit dan wel door Onze Minister zijn gesteld of gegeven, onverminderd het tweede tot en met vijfde lid. 2 Zij staan daarbij onder leiding van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland of, bij diens afwezigheid of verhindering, van degene die met de leiding of waarneming is belast. 3 derde lid van artikel 8 De ambtenaren bedoeld in het, oefenen hun werkzaamheden uit overeenkomstig de voorschriften en aanwijzingen welke worden gegeven door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, behoudens bedenkingen van Onze Minister of van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in welk geval gehandeld dient te worden overeenkomstig de regeling welke ter zake door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, is vastgesteld. 4 Voor wat ontwikkelingssamenwerking betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld door Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. 5 Voor wat economische werkzaamheden betreft, worden deze voorschriften en aanwijzingen vastgesteld op de door Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken overeengekomen wijze. Binnen het kader van deze overeenkomst zijn de Directeur-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen, alsmede de Directeur voor Exportbevordering en Economische Voorlichting, ter zake van economische onderwerpen bevoegd, onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Economische Zaken rechtstreeks bijzondere instructies aan de hoofden der vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland te geven. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Onze Minister draagt, zoveel mogelijk overeenkomstig de regels welke gelden voor degenen die op het departement werkzaam zijn, zorg voor een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid voor degenen die werkzaam zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 2 Ter voorbereiding op plaatsing in het buitenland, gedurende plaatsing in het buitenland, en in verband met terugplaatsing naar Nederland van ambtenaren, heeft het eerste lid tevens betrekking op hun gezinsleden. In dit kader erkent Onze Minister de bijzondere positie van de huwelijkspartner van de in het buitenland geplaatste ambtenaar. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voor de verwezenlijking van het eerste lid regels worden gesteld. De in het eerste lid bedoelden zijn gehouden zich naar die regelen te gedragen en zich er voor in te spannen dat deze voor zover van toepassing door hun gezinsleden worden nageleefd. 4 Komt aan het gezinsverband in het buitenland van degenen die in het tweede lid van dit artikel zijn genoemd geheel of ten dele een eind, dan richt de bevordering van het welzijn zich, binnen door Onze Minister te stellen grenzen, en indien door betrokkenen gewenst, mede op de herplaatsing van de repatriërenden in de Nederlandse samenleving of andere samenleving van hun keuze. 5 derde tot en met zesde lid van artikel 8 Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die op de voet van hetbij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn gedetacheerd, dan wel daaraan zijn toegevoegd. 6 a. Onze Minister benoemt één of meer ambtenaren tot contactfunctionaris. b. De Contactfunctionaris adviseert en assisteert gezinsleden van ambtenaren op hun verzoek aangaande zaken die verband houden met het persoonlijk welzijn van die gezinsleden in verband met de plaatsing van de ambtenaar in het buitenland, en adviseert Onze Minister aangaande voorzieningen in verband met het persoonlijk welzijn van de ambtenaar en diens gezinsleden. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De bepalingen van dit reglement vinden slechts toepassing, voor zover niet bij of krachtens een wet anders is of wordt bepaald. 2 tweede lid van artikel 5 derde, vierde en zesde lid van artikel 8 Bepalingen van dit reglement zijn niet toepasselijk op degenen die in heten hetzijn genoemd ten aanzien van wie een algemene maatregel van bestuur of een uit kracht daarvan gegeven voorschrift om bijzondere redenen hun toepasselijkheid uitsluit. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 4a van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 hoofdstukken I tot en met XIV XXI tot en met XXV Op ambtenaren zijn van toepassing deen. 2 derde en vierde lid van artikel 8 zesde lid van artikel 8 hoofdstukken I tot en met III XXI tot en met XXV Op degenen die ingevolge hetbij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn gedetacheerd of toegevoegd, dan wel ingevolge hetaan een tijdelijke diplomatieke zending zijn toegevoegd, zijn van toepassing deen. 3 hoofdstukken I tot en met III XVIII XXI tot en met XXV Op werknemers zijn van toepassing de,en. 4 hoofdstukken I tot en met III XIX XXI tot en met XXV Op honoraire consulaire ambtenaren zijn van toepassing de,en. 5 hoofdstukken I tot en met III XX tot en met XXV Op honoraire adviseurs zijn van toepassing deen. 6 In de artikelen van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde hoofdstukken worden waar nodig bepalingen van andere hoofdstukken van overeenkomstige toepassing verklaard, of wordt de toepasselijkheid van artikelen beperkt tot een groep of groepen van degenen die daarin zijn genoemd. 7 hoofdstukken VI VIII IX De,enzijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstonderdeel de nodige bepalingen vastgesteld. 8 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het desbetreffende dienstonderdeel, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing: a. hoofdstuk V ; b. artikelen 31 33 tot en met 33a deen; c. hoofdstukken VIII IX deen; d. hoofdstuk X, paragrafen 2 3 en; e. artikelen 45a 54d 56 57 de,,en. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 17 — Artikel 17 Aanstelling#
Artikel 17 Aanstelling 1 De aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst. 2 De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. 3 De aanstelling geschiedt in de regel met het oogmerk van wisselende functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland. 4 Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien: a. artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 Wet arbeid vreemdelingen hem in Nederland rechtmatig verblijf is toegestaan als bedoeld inen Onze Minister voor hem beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist, en b. aanstelling niet geschiedt met het in het derde lid genoemde oogmerk, maar met het oogmerk van functievervulling op het departement. 5 artikel 5a van het ARAR ARAR Onder aanstelling in vaste dienst wordt tevens verstaan de indiensttreding van een ambtenaar in vaste dienst in algemene dienst van het rijk als bedoeld in. Voor de duur van het dienstverband bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken is op betrokkene niet het, maar dit reglement van toepassing. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 18 — Artikel 18 Aanstelling in vaste dienst#
Artikel 18 Aanstelling in vaste dienst De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het rijk. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 19 — Artikel 19 Aanstelling in tijdelijke dienst#
Artikel 19 Aanstelling in tijdelijke dienst 1 Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt verleend voor: a. een kalenderperiode, of b. een andere objectief bepaalbare periode. 2 Een aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden: a. voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht; b. artikel 23, zesde lid voor een tijd van ten hoogste drie maanden, indien de betrokkene de verlangde verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in, nog niet in zijn bezit heeft; c. voor het verrichten van werkzaamheden waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan; d. voor een opleiding tot een beroep of verdere theoretische of praktische vorming; e. voor oproepkrachten; f. voor een andere reden. 3 In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien: a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze Minister; b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd, en c. het in deze beide aanstellingen in tijdelijke dienst dezelfde werkzaamheden betreft. 4 Vanaf de dag waarop na het verstrijken van de door Onze Minister vastgestelde proeftijd de aanstelling in tijdelijke dienst stilzwijgend wordt voortgezet, geldt dat er een aanstelling in vaste dienst is verleend. 5 De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met f, wordt geacht opnieuw voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar op dezelfde voorwaarden te zijn verleend in geval van stilzwijgende voortzetting na het verstrijken van de tijd, voor welke zij is verleend. 6 De aanstelling in tijdelijke dienst geldt als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop: a. door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, of b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden. 7 Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door Onze Minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht. 8 Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 20 — Artikel 20 Aanstelling met buiten toepassing verklaring van onderdelen van het RDBZ en andere besluiten#
Artikel 20 Aanstelling met buiten toepassing verklaring van onderdelen van het RDBZ en andere besluiten 1 artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet ARAR In zeer bijzondere gevallen kan op aanvraag van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld indie specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit of van het, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard. 2 Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde nadere regels omtrent het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 21 — Artikel 21 Aanstelling voor vast of variabel aantal uren#
Artikel 21 Aanstelling voor vast of variabel aantal uren 1 De aanstelling geschiedt voor een vast aantal uren of voor een variabel aantal uren. 2 Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald. 3 Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 22 — Artikel 22 Tot aanstelling bevoegd gezag#
Artikel 22 Tot aanstelling bevoegd gezag De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze minister. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 23 — Artikel 23 Onderzoek naar geschiktheid en bekwaamheid#
Artikel 23 Onderzoek naar geschiktheid en bekwaamheid 1 Een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden kan slechts plaatsvinden, indien Onze Minister op grond van de gegevens waarover hij beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is. 2 Onze Minister kan voor een bepaalde functie of voor een groep van functies eisen van geschiktheid en bekwaamheid vaststellen waaraan de betrokkene moet voldoen om voor een aanstelling in aanmerking te komen. 3 Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt of bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zo nodig aanvullen van de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt. 4 Het onderzoek, bedoeld in het derde lid, omvat tevens: a. een psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze Minister behoefte bestaat; b. een geneeskundig onderzoek, indien 1°. dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld; 2°. op grond van functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is, of 3°. indien de aanstelling geschiedt met het oogmerk van wisselende functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, in welk geval het onderzoek door de deskundige persoon of de arbodienst gericht is op de bepaling van de medische geschiktheid voor dienstverrichting waar ook ter wereld. 5 Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is. 6 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens Onze Minister kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in deoverlegt. 7 artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan Onze Minister justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan. 8 artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in, waaronder mede begrepen wordt aanstelling welke geschiedt met het oogmerk van wisselende functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, is slechts mogelijk indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld inis afgegeven. 9 Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. 10 Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van Onze Minister op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, overigens voldoende bekwaam en geschikt is. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden gevraagd. 11 Een onderzoek als bedoeld in het zevende lid of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van Onze Minister de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie of voor wisselende functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland. 12 Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde nadere regels omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken Bij wijziging van omstandigheden, zoals bij omzetting van een tijdelijke in een vaste aanstelling of bij plaatsing of tijdelijke tewerkstelling in een andere functie, niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in, kan een verklaring omtrent het gedrag verlangd worden of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, kan om justitiële gegevens worden verzocht, indien de wijziging van omstandigheden zodanig is dat dat nodig is. 2004 130 31-03-2004 25-03-2004 2004 129 31-03-2004 25-03-2004 01-04-2004 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet justitiële
gegevens in werking treedt.
Artikel 23b — Artikel 23b Kosten en uitslag geneeskundig onderzoek#
Artikel 23b Kosten en uitslag geneeskundig onderzoek 1 Reisbesluit binnenland De kosten van het geneeskundig onderzoek en het hernieuwd geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het Rijk. Hier te lande daartoe gemaakte reis- en verblijfkosten worden vergoed op de voet van het. Buitenslands gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover daartoe vooraf door het bevoegd gezag is besloten. 2 De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen twee weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld. 3 De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen. 4 Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde nadere regels omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek zijn van overeenkomstige toepassing. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht. 5 Bij wijziging van een tijdelijke in een vaste aanstelling vindt niet opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen. 6 artikel 23, vierde lid, onderdeel b De betrokkene die op grond van, is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek, wordt bij plaatsing in een andere functie opnieuw aan een onderzoek naar de medische geschiktheid onderworpen indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie. 7 artikel 23, vierde lid, onder b, ten 2° artikel 36, vierde lid a. Gezinsleden van de in, bedoelde ambtenaar die in tijdelijke dienst is aangesteld om tijdelijk werkzaam te zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, worden, mede vanwege het bepaalde in, in de gelegenheid gesteld, door middel van een geneeskundig onderzoek inzicht te verwerven in hun geschiktheid tot verblijf in het desbetreffende land. artikel 23, vierde lid, onder b, ten 3° artikel 36, vierde lid b. Gezinsleden van de in, bedoelde ambtenaar worden, mede vanwege het bepaalde in, in de gelegenheid gesteld, door middel van een geneeskundig onderzoek inzicht te verwerven in hun geschiktheid tot verblijf waar ook ter wereld. c. Op de onderdelen a en b is het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-03-2007
Artikel 23c — Artikel 23c Kosten en uitslag psychologisch onderzoek#
Artikel 23c Kosten en uitslag psychologisch onderzoek 1 artikel 23, vierde lid, onderdeel a Aan de betrokkene die is onderworpen aan een psychologisch onderzoek als bedoeld in, wordt op zijn verzoek binnen twee weken na de vaststelling van de uitslag van het onderzoek inzage verleend in die uitslag. Dit vindt plaats in het kader van een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht. 2 Mededeling van de uitslag van het onderzoek aan Onze Minister blijft achterwege, indien de betrokkene uiterlijk een week nadat hij van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen zijn wens daartoe schriftelijk heeft meegedeeld aan degene die met het onderzoek is belast. 3 De uitslag van het onderzoek wordt niet eerder dan twee weken nadat betrokkene van de uitslag van het onderzoek heeft kennis genomen, medegedeeld aan Onze Minister, tenzij die mededeling op een eerder tijdstip nodig is en de betrokkene met die eerdere mededeling schriftelijk heeft ingestemd. 4 Voor zover dit niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid heeft de betrokkene recht op een nagesprek met de psycholoog die het onderzoek heeft verricht. 5 artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur De betrokkene kan na afloop van het in het eerste en vierde lid bedoelde nagesprek afschrift nemen van de uitslag of daarvan een fotokopie krijgen overeenkomstig het in en krachtensbepaalde. 6 Reisbesluit binnenland De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Rijk. Hier te lande daartoe gemaakte reis- en verblijfkosten worden vergoed op de voet van het. Buitenslands gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover daartoe vooraf door het bevoegd gezag is besloten. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 24 — Artikel 24 Akte van aanstelling#
Artikel 24 Akte van aanstelling 1 Aan de ambtenaar wordt, zo mogelijk voordat zijn aanstelling een aanvang neemt, een akte van aanstelling uitgereikt, waarin in ieder geval worden vermeld: a. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar; b. de naam van het ministerie en het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam zal zijn; c. de datum, met ingang waarvan hij wordt aangesteld; d. of de aanstelling geschiedt in vaste of tijdelijke dienst, en e. of de aanstelling geschiedt met het oogmerk van wisselende functievervulling op het departement en bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland, dan wel met het oogmerk van wisselende functievervulling op het departement. 2 Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld: a. de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst; b. artikel 19, tweede lid de toepasselijke, in, omschreven grond(en) voor de aanstelling in tijdelijke dienst, en c. artikel 19, tweede lid, onder f de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond van. 3 artikel 20, eerste lid Indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst met toepassing van, wordt bovendien in de akte van aanstelling vermeld welke van de in dat artikellid bedoelde regelingen geheel of gedeeltelijk buiten toepassing zijn verklaard. 4 artikel 21, tweede lid Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt in de akte van aanstelling in voorkomende gevallen bovendien het op grond van, voor de ambtenaar geldende aantal garantie-uren vermeld. 5 artikel 17, vijfde lid In geval van indiensttreding van een ambtenaar in vaste dienst in algemene dienst van het rijk als bedoeld in, zijn het eerste, tweede en vierde lid van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 24a — Artikel 24a Nadere schriftelijke mededelingen#
Artikel 24a Nadere schriftelijke mededelingen Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld: a. het dienstonderdeel waarbij en de functie waarin hij wordt geplaatst, de periode gedurende welke hij in die functie wordt geplaatst alsmede de hem aangewezen standplaats; b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels; c. het salaris dat hem is toegekend, alsmede het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal kunnen worden verhoogd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 24b — Artikel 24b Informeren over hoofdlijnen van de rechtspositie#
Artikel 24b Informeren over hoofdlijnen van de rechtspositie 1 De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie. 2 Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Van deze regelingen kan hij kosteloos afschriften maken voor zover dat redelijkerwijs nodig is. 3 De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, welke hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Ingeval de vermelde regelingen en instructies niet schriftelijk zijn vastgelegd, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 25 — Artikel 25 Mobiliteitsbevordering#
Artikel 25 Mobiliteitsbevordering 1 De ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst dan wel in tijdelijke dienst voor een proeftijd, wordt in de gelegenheid gesteld zijn mobiliteit te bevorderen, onder meer door scholing. 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaar draagt, onder meer door scholing, zorg voor de bevordering van zijn mobiliteit, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. 3 Bij ministeriële regeling of bij beleidsregel van Onze Minister worden regels gesteld betreffende de bevordering van de mobiliteit. 4 In dit artikel wordt onder bevordering van mobiliteit verstaan de vergroting van de geschiktheid van de ambtenaar voor de vervulling van een andere functie dan die waarin hij is of was geplaatst. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 25a — Artikel 25a Loopbaanscan#
Artikel 25a Loopbaanscan 1 De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige. 2 artikel 78 De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het gesprek, bedoeld in, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden. 2006 670 20-12-2006 07-12-2006 2006 670 20-12-2006 07-12-2006 21-12-2006
Artikel 26 — Artikel 26 Plaatsingsduur#
Artikel 26 Plaatsingsduur 1 Plaatsing in een functie geschiedt voor een vooraf bepaalde periode. Na afloop van de voor de ambtenaar vastgestelde plaatsingsduur eindigt de plaatsing. 2 artikelen 27 29 Met inachtneming van de in of krachtens deengestelde regels wordt de ambtenaar, aangesteld in vaste dienst of in tijdelijke dienst voor een proeftijd, in een andere functie geplaatst. In bijzondere gevallen kan plaatsing in dezelfde functie geschieden. 3 Om redenen ontleend aan het dienstbelang of aan het belang van de betrokken ambtenaar of diens gezinsleden, kan een plaatsing worden verlengd, dan wel worden beëindigd op een eerder tijdstip dan bedoeld in het eerste lid. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 27 — Artikel 27 Plaatsingen#
Artikel 27 Plaatsingen 1 artikel 29 Plaatsing in een functie geschiedt, behoudens het gestelde in, op het departement of bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. Een plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, niet gevolgd door een plaatsing bij diezelfde vertegenwoordiging. 2 De ambtenaar maakt op de daarvoor vastgestelde wijze kenbaar naar welke functies zijn voorkeur voor plaatsing in een volgende functie uitgaat. 3 De ambtenaar kan in een andere functie worden geplaatst dan die waarvoor hij zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt, indien: a. hij naar het oordeel van Onze Minister beschikt, dan wel binnen redelijke termijn kan beschikken, over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om die functie naar behoren te kunnen uitoefenen, en b. die functie hem redelijkerwijs kan worden opgedragen in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten. Bedoelde plaatsing en de vaststelling van de plaatsingsduur, komen tot stand na een zorgvuldige afweging van het dienstbelang en het persoonlijk belang van de betrokkene en diens gezinsleden. 4 artikel 26, eerste of derde lid Tussen twee plaatsingen in kan een ambtenaar wiens plaatsing ingevolge, eindigt respectievelijk is beëindigd, gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden ter beschikking worden gehouden. Deze periode kan in bijzondere gevallen worden verlengd. Gedurende de periode dat de ambtenaar ter beschikking wordt gehouden, wordt hij belast met andere passende werkzaamheden dan wel met studie gericht op het voortzetten van zijn loopbaan tenzij dat na overleg met de ambtenaar redelijkerwijs niet mogelijk blijkt. 5 Behoudens spoedeisende gevallen, wordt de ambtenaar uiterlijk acht weken voor de ingangsdatum in kennis gesteld van het besluit tot plaatsing, dan wel het besluit tot terbeschikkinghouding. In het besluit wordt ten minste vermeld: de ingangsdatum en, in geval van plaatsing, de nieuwe standplaats, de te vervullen functie en de duur van de plaatsing. 6 De Nederlandse nationaliteit is vereist in geval van plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. Indien het dienstbelang dat bepaaldelijk vordert, kan van de eerste volzin worden afgeweken. 7 artikelen 23 23b 23c Voor de bepaling van de geschiktheid voor een functie zijn de,envan overeenkomstige toepassing. 8 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van dit artikel. 2013 335 06-09-2013 30-08-2013 2013 335 06-09-2013 30-08-2013 07-09-2013
Artikel 28 — Artikel 28 Andere werkzaamheden in verband met ziekte#
Artikel 28 Andere werkzaamheden in verband met ziekte Vervallen 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 29 — Artikel 29 Plaatsingen buiten het Ministerie van Buitenlandse Zaken#
Artikel 29 Plaatsingen buiten het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1 artikel 27 Naast plaatsingen ingevolgekan Onze Minister een ambtenaar: a. artikel 7, tweede lid, van het ARAR in overeenstemming met het desbetreffende bevoegde gezag, plaatsen bij een ander ministerie, waaronder in dit artikel tevens wordt verstaan een orgaan als bedoeld in; b. in overeenstemming met de leiding van een volkenrechtelijke organisatie waarvan het Koninkrijk of Nederland lid is, voordragen voor een functie dan wel plaatsen bij die volkenrechtelijke organisatie; c. in overeenstemming met de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, plaatsen bij een ministerie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten; d. artikel 6 belasten met een bijzondere opdracht buiten het verband van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, mits de aard van die opdracht samenhangt met de ingenoemde taak van de DBZ. 2 artikelen 26 27 Tot een plaatsing als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden besloten indien die plaatsing, mede gezien de loopbaan van betrokkene, in het belang van de dienst is. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 3 Plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, behoeven, ook ten aanzien van de standplaats, de duur van de plaatsing en de in het vijfde lid bedoelde voorwaarden, de voorafgaande instemming van betrokkene. 4 Gedurende plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, behoudt betrokkene zijn rechtspositie als ambtenaar zoals omschreven in dit reglement, voor zover dat verenigbaar is met zijn rechtspositie uit hoofde van de functie bij het andere Nederlandse ministerie, de volkenrechtelijke organisatie of het ministerie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wel uit hoofde van de bijzondere opdracht bedoeld in het eerste lid, onder d. Indien de functie bij de volkenrechtelijke organisatie, bij het ministerie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wel de bijzondere opdracht, dit nodig maakt, is betrokkene ontslagen van de ambtseed met uitzondering van de geheimhoudingsplicht. 5 Bij plaatsingen als bedoeld in het eerste lid, bericht Onze Minister betrokkene tevoren welke rechten en verplichtingen gelden uit hoofde van het vierde lid. Met inachtneming van het zesde lid wordt bepaald welke voorzieningen ter zake van bezoldiging alsmede tegemoetkomingen en vergoedingen voor betrokkene in verband met bedoelde plaatsing zullen gelden. 6 Bij plaatsing buiten Nederland worden de voorzieningen, bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin, zoveel mogelijk afgestemd op die welke voor betrokkene zouden hebben gegolden indien hij in een vergelijkbare functie zou zijn geplaatst bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland met als standplaats de plaats van vestiging van de desbetreffende instantie. Bij de vaststelling van deze voorzieningen wordt rekening gehouden met de gezinsomstandigheden van betrokkene, de aard en de duur van de plaatsing alsmede met de voorzieningen welke door de instantie bij wie de plaatsing geschiedt, worden of kunnen worden verstrekt. Een en ander met eerbiediging van dwingende bepalingen in een rechtspositieregeling van de desbetreffende instantie. 2010 366 01-10-2010 27-09-2010 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 30 — Artikel 30 artikel 29 Benoeming bij een andere instantie, anders dan op grond van#
Artikel 30 artikel 29 Benoeming bij een andere instantie, anders dan op grond van 1 artikel 29 artikel 46 Bij benoeming van een ambtenaar in een functie buiten het gezagsbereik van Onze Minister is vanaf de dag van ingang van de benoeming dit reglement op hem niet meer van toepassing en houdt betrokkene op ambtenaar van de DBZ te zijn, tenzij het een plaatsing op grond vanbetreft, of aan betrokkene buitengewoon verlof wordt verleend op grond van. 2 artikel 4, vijfde lid, onder a, van het ARAR Een lid van de topmanagementgroep, bedoeld in, dat direct voorafgaande aan zijn aanstelling als lid van die groep, in vaste dienst was aangesteld als ambtenaar van de DBZ wordt op zijn schriftelijk verzoek overgeplaatst naar de DBZ indien hij sinds zijn aanstelling als lid van vorenbedoelde groep niet gedurende een periode van meer dan zes aaneengesloten jaren buiten de DBZ werkzaam is geweest en geen zwaarwegend dienstbelang zich tegen de overplaatsing naar de DBZ verzet. De overplaatsing vindt plaats zodra een passende functie binnen de DBZ voor betrokkene beschikbaar is maar uiterlijk een jaar na ontvangst van zijn schriftelijk verzoek. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 31 — Artikel 31 Wanneer geen bezoldiging#
Artikel 31 Wanneer geen bezoldiging De ambtenaar ontvangt over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 32 — Artikel 32 Beloning voor enkele diensten#
Artikel 32 Beloning voor enkele diensten artikel 16, achtste lid De beloning van de ambtenaar die is aangesteld voor enkele diensten, niet vallende binnen de taak van het desbetreffende dienstvak, wordt bepaald op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst, afzonderlijk vast te stellen bedrag, met inachtneming van. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 33 — Artikel 33 Non-activiteitswedde#
Artikel 33 Non-activiteitswedde 1 Aan de ambtenaar die in verband met de werkzaamheden die voortvloeien uit een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk wordt ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt voor de duur daarvan een non-activiteitswedde toegekend. De non-activiteitswedde is het bedrag waarmee de laatstelijk door hem genoten bezoldiging het bedrag overschrijdt van de inkomsten die de ambtenaar in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college geniet. 2 Voor de toepassing van het eerste lid geldt voorts dat: a. artikelen 4, tweede, derde, vierde en vijfde lid 5 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement toekenning van de non-activiteitswedde plaatsvindt op de voet van het bepaalde in de, en; b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelijk college worden genoten wordt verstaan: alle inkomsten die aan die werkzaamheden zijn verbonden. 3 artikel 4, eerste lid, van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement Dit artikel is niet van toepassing op degene die een non-activiteitswedde geniet uit hoofde van. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 33a — Artikel 33a Verlof en bezoldiging in verband met militaire dienst en bij dienst als vrijwillige ambtenaar van politie#
Artikel 33a Verlof en bezoldiging in verband met militaire dienst en bij dienst als vrijwillige ambtenaar van politie artikelen 17 tot en met 20d van het ARAR Op de ambtenaar zijn devan overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 34 — Artikel 34 BBRA 1984 Hetis van overeenkomstige toepassing#
Artikel 34 BBRA 1984 Hetis van overeenkomstige toepassing 1 BBRA 1984 Op de ambtenaar is hetvan overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het tweede tot en met achtste lid. 2 artikelen 17 17a 17b 18a van het BBRA 1984 Gedurende plaatsing buiten Nederland zijn de,,enniet van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 22c van het BBRA 1984 In afwijking vanwordt een eenmalige mobiliteitstoeslag toegekend op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels, zoveel mogelijk overeenkomstig genoemd artikel. 4 artikel 23 van het BBRA 1984 Een vergoeding voor overwerk, verricht tijdens plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, wordt in afwijking vantoegekend op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels. Deze regels houden rekening met de bijzondere omstandigheden van het werkzaam zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 5 artikel 27 29 artikel 35, vierde lid artikel 5, vijfde lid, onderdeel d, van het BBRA 1984 Ingeval een plaatsing als bedoeld inofgeschiedt in een functie waaraan een lagere salarisschaal is verbonden dan de salarisschaal die voor de betrokken ambtenaar geldt, behoudt de ambtenaar, in afwijking van, de voor hem geldende salarisschaal. Indien evenwel sprake is van de in, bedoelde omstandigheid, kan aan betrokkene een lagere salarisschaal worden toegekend. 6 artikel 3, tweede lid bijlage A van het BBRA 1984 Met inachtneming van, kan aan functies bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland salarisschaal 19 vanworden verbonden. 7 artikel 3, tweede lid bijlage A van het BBRA 1984 Met inachtneming van, kan worden besloten dat een ambtenaar die is geplaatst in een functie waaraan met toepassing van het zesde lid salarisschaal 19 vanis verbonden en waarvan de zwaarte en het belang voor de bevordering van de internationale rechtsorde en de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk zodanig groot zijn dat de functie zwaarder is dan de functie van directeur-generaal, voor de duur van die plaatsing aanspraak heeft op een maandelijkse toeslag ter grootte van 7,5% van zijn salaris. Deze toeslag maakt deel uit van de bezoldiging. 8 BBRA 1984 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke andere gevallen dan bedoeld in het tweede tot en met zevende lid kan worden afgeweken van het. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 35 — Artikel 35 Vrijwillig aanvaarden van een functie met een lagere salarisschaal#
Artikel 35 Vrijwillig aanvaarden van een functie met een lagere salarisschaal 1 Indien de ambtenaar van 57 jaar of ouder op diens aanvraag wordt geplaatst in een functie waaraan een salarisschaal is verbonden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal, wordt op zijn salaris een inhouding toegepast. 2 De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer. 3 artikel 54, eerste lid Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond van, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de inhouding over die uren opgeschort voor de duur van de ziekte. 4 artikel 27 29 Inhouding vindt niet plaats indien de in het eerste lid bedoelde functie wordt opgedragen op grond vanof, tenzij betrokkene uitsluitend zijn voorkeur heeft kenbaar gemaakt voor functies waaraan een salarisschaal verbonden is met een lager maximumsalaris dan de reeds voor hem geldende salarisschaal, ondanks de beschikbaarheid van een passende functie waaraan een salarisschaal is verbonden die ten minste gelijk is aan de salarisschaal die voor betrokkene geldt. 5 In bijzondere gevallen kan geheel of gedeeltelijk van inhouding worden afzien. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 a. De ambtenaar die geplaatst is bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, heeft op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels aanspraak op tegemoetkomingen in de kosten van hemzelf en zijn gezinsleden, welke verband houden met het verblijf buiten Nederland, alsmede de kosten welke verband houden met de aard en het niveau van de functie. Bedoelde tegemoetkomingen strekken ter bestrijding van beroepskosten. b. In dit artikel wordt onder overplaatsing verstaan: een plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland dan wel, volgende op een dergelijke plaatsing, een plaatsing in Nederland. 2 Aan de ambtenaar die wordt overgeplaatst, wordt een tegemoetkoming verleend in de daarmee verband houdende kosten van betrokkene zelf en de hem vergezellende gezinsleden, op grond van de bij ministeriële regeling gestelde regels. 3 De ambtenaar die, uit het buitenland komende, in Nederland is geplaatst en voor wie uit die plaatsing bijzondere kosten voortvloeien, wordt een tegemoetkoming toegekend in die kosten, op grond van de bij ministeriële regeling gestelde regels. 4 a. artikel 23b, zevende lid, onderdeel a, respectievelijk b, Indien de inbedoelde gezinsleden geen gebruik hebben gemaakt van de in die bepalingen vermelde gelegenheid tot geneeskundig onderzoek, dan wel indien zij na onderzoek niet geschikt zijn verklaard voor verblijf in het desbetreffende land, respectievelijk voor verblijf overal ter wereld, heeft de betrokken ambtenaar ten aanzien van die gezinsleden geen aanspraak op vergoedingen op grond van bepalingen die in of krachtens dit reglement zijn gesteld ten behoeve van vergezellende gezinsleden bij plaatsing van de ambtenaar buiten Nederland, voor zover die bepalingen direct verband houden met de gezondheidstoestand van gezinsleden. b. Voor de toepassing van onderdeel a worden onder gezinslid tevens verstaan degenen die eerst tijdens het dienstverband van de ambtenaar diens gezinslid worden of zijn geworden. c. In bijzondere gevallen kan geheel of gedeeltelijk en al dan niet onder het opleggen van voorwaarden worden afgeweken van onderdeel a. 5 Onze Minister bepaalt per geval in welke muntsoort of muntsoorten de tegemoetkomingen worden uitbetaald. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007 01-03-2007
Artikel 37 — Artikel 37 Arbeidstijdpatroon, arbeidsduur, nachtdienst voor 55-plussers, dienst op feestdagen en afwijking van het vastgestelde arbeidspatroon#
Artikel 37 Arbeidstijdpatroon, arbeidsduur, nachtdienst voor 55-plussers, dienst op feestdagen en afwijking van het vastgestelde arbeidspatroon 1 Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens Nederlandse wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd, worden voor de ambtenaar een arbeidstijdpatroon vastgesteld. Onder arbeidstijdpatroon wordt verstaan een van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode. Het in de arbeidstijdpatroon opgenomen aantal te werken uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week. 2 De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Een aanvraag tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegewezen voor: a. artikel 38 de ambtenaar van 57 jaar of ouder wiens gemiddelde wekelijkse werktijd op basis vanis teruggebracht; b. artikel 45b de ambtenaar die op basis vanbetaald ouderschapsverlof geniet; c. artikel 46 de ambtenaar die op basis vanbuitengewoon verlof van lange duur geniet. 3 Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. 4 Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond. 5 Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur. 6 Van het vijfde lid kan voor de duur van telkens ten hoogste een jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd dan wel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de deskundige persoon of de arbodienst daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht. In geval van plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland is afwijking van het vijfde lid voor ten hoogste de duur van de plaatsing mogelijk zolang bovendien door de deskundige persoon of de arbodienst daaromtrent jaarlijks positief wordt geadviseerd. 7 a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en op 5 mei. b. Van onderdeel a kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende: c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag. d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven. 1°. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden; 2°. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken. 8 a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van zeven maal 24 uren, hetzij ten minste 72 uren in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, welke rusttijd kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden van elk ten minste 32 uren. b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van zeven maal 24 uren. 9 Van het voor de ambtenaar vastgestelde arbeidstijdpatroon kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en – behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden – mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet. 10 In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een arbeidstijdpatroon als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die gevallen vindt het tweede tot en met negende lid overeenkomstige toepassing. 11 Indien de ambtenaar gedurende vier aaneengesloten weken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk geen dienst heeft verricht, geldt met ingang van de dag onmiddellijk aansluitend op die vier weken voor zolang wegens ziekte geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht een arbeidstijdpatroon waarin het aantal te werken uren per week gelijk is aan 36 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. 12 Arbeidstijdenwet a. In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het tweede tot en met negende lid, alsmede van de tweede volzin van het tiende lid, worden afgeweken voor zover dat niet in strijd is met het bepaalde in of krachtens de. b. Ten aanzien van buiten Nederland geplaatste ambtenaren is de in onderdeel a bedoelde overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet vereist. 13 Bij de vaststelling van een arbeidstijdpatroon voor degenen die bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland zijn geplaatst wordt rekening gehouden met dienst- en werktijden die bij een overheidsdienst in het desbetreffende land gelden; daarbij worden voorzieningen getroffen die ertoe strekken dat die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland ononderbroken bezet of bereikbaar is. 14 Gedurende plaatsing in een functie bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland geldt in de regel een volledige arbeidsduur. 15 artikel 21, dertiende lid, van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond vangestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland werkzame ambtenaren. Voor de buiten Nederland werkzame ambtenaren kan Onze Minister ter zake van de uitvoering van het eerste tot en met veertiende lid nadere regels stellen. 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 01-07-2016 Abusievelijk is voor het achtste lid, onderdeel a, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 38 — Artikel 38 Partiële arbeidsparticipatie senioren#
Artikel 38 Partiële arbeidsparticipatie senioren 1 De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag zijn arbeidsduur is vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur. 2 De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de vermindering van de werktijd ten minste vijf aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het Rijk. 3 Voor de uren die het wekelijkse verschil vormen tussen de in het eerste lid bedoelde arbeidsduur en de teruggebrachte werktijd wordt de ambtenaar geacht met verlof te zijn. 4 artikel 35 Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding toegepast. De hoogte van deze inhouding is afhankelijk van de leeftijd op de datum dat de werktijdvermindering op grond van dit artikel ingaat en bedraagt een percentage volgens onderstaande tabel van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dit artikel, nadat dit salaris is verminderd met een eventuele inhouding als bedoeld in: Leeftijd Inhouding in procenten 57 5 58 5 59 3,5 60 3,5 61 2 62 2 63 1 64 1 5 artikel 54, eerste lid De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70% voor zover op grond van, niet meer dan 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald. 6 Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde regels omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar zijn van overeenkomstige toepassing. 7 Gedurende plaatsing buiten Nederland is het eerste tot en met zesde lid niet van toepassing, tenzij Onze Minister in bijzondere gevallen anders bepaalt. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 39 — Artikel 39 Aanpassing arbeidsduur voor de duur van een plaatsing#
Artikel 39 Aanpassing arbeidsduur voor de duur van een plaatsing 1 De ambtenaar kan een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur te vermeerderen of te verminderen voor een periode van ten hoogste de duur van zijn plaatsing in de huidige of daarop volgende functie. De ambtenaar vermeldt daarbij zijn wensen met betrekking tot de omvang van de aanpassing van zijn arbeidsduur en de spreiding van de te werken uren over de week. 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 39a — Artikel 39a Tijdelijke uitbreiding arbeidsduur leden Ondernemingsraad#
Artikel 39a Tijdelijke uitbreiding arbeidsduur leden Ondernemingsraad 1 artikelen 17 18 van de Wet op de ondernemingsraden Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die op grond van deenvoor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren. 2 Artikel 37, tweede lid De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid., is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. 2006 670 20-12-2006 07-12-2006 2006 670 20-12-2006 07-12-2006 21-12-2006
Artikel 40 — Artikel 40 IKAP#
Artikel 40 IKAP artikel 21c van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie krachtensgestelde regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld. 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 40a — Artikel 40a IKAP; minder uren werken#
Artikel 40a IKAP; minder uren werken Vervallen 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 40b — Artikel 40b IKAP; aanvraagprocedure#
Artikel 40b IKAP; aanvraagprocedure Vervallen 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 40c — Artikel 40c IKAP; op wie niet van toepassing#
Artikel 40c IKAP; op wie niet van toepassing Vervallen 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 40d — Artikel 40d IKAP; afzien van bepaalde aanspraken; bestedingsmogelijkheden#
Artikel 40d IKAP; afzien van bepaalde aanspraken; bestedingsmogelijkheden Vervallen 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 40e — Artikel 40e IKAP; nadere regels#
Artikel 40e IKAP; nadere regels Vervallen 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 2003 394 23-10-2003 26-09-2003 01-01-2004
Artikel 41 — Artikel 41 Aanspraak op vakantie#
Artikel 41 Aanspraak op vakantie 1 De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van bezoldiging. 2 De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren. 3 De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van: a. de leeftijd van de ambtenaar; b. de arbeidsduur van de ambtenaar. 4 Voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt de aanspraak op vakantie 144 wettelijke vakantie-uren en 21,6 bovenwettelijke vakantie-uren per kalenderjaar. 5 De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt met bovenwettelijke vakantie-uren verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt. Leeftijd Verhoging van 45 tot en met 49 jaar 7,2 uren van 50 tot en met 54 jaar 14,4 uren van 55 tot en met 59 jaar 21,6 uren vanaf 60 jaar 28,8 uren 6 De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats. 7 Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten. 8 Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe arbeidsduur. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de arbeidsduur verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd. 9 Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van zijn arbeidstijdpatroon gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens zijn arbeidstijdpatroon dienst verricht. 10 Het negende lid is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens: a. genoten vakantie; b. ziekteverlof; c. artikel 45a, derde en vierde lid zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in; d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen; e. artikel 42a 43a 43c 43d 43e 45 45c 45d hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg verlof verleend op basis van,,,,,,ofvan dit besluit of op basis van; f. artikel 40 het minder uren werken op basis van de inbedoelde regels. 11 artikel 54f, eerste lid, onderdeel i, q of r In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie. 12 artikel 38 Met ingang van de dag dat de ambtenaar van 57 jaar of ouder op grond vangedeeltelijk geen dienst verricht, vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak. 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 01-07-2016
Artikel 41a — Artikel 41a Het opnemen van vakantie#
Artikel 41a Het opnemen van vakantie 1 De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten. 2 Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar ieder jaar in de gelegenheid in ieder geval de wettelijke vakantie-uren op te nemen. 3 Aan een ambtenaar kan op zijn aanvraag worden toegestaan, in enig kalenderjaar meer uren vakantie op te nemen dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige arbeidsduur wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de arbeidsduur. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op wettelijke vakantie-uren over het eerstvolgende jaar. 4 De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren. 5 Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. 6 Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan de aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen worden ingetrokken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed. 7 artikel 42, eerste lid, onder a Indien een ambtenaar verlof als bedoeld in, geniet, is het hem toegestaan het opnemen van vakantie niet voort te zetten. Indien het bevoegd gezag hier om verzoekt, dient de ambtenaar de ziekte of het ongeval aan te tonen. 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 41aa — Artikel 41aa Verval van aanspraak#
Artikel 41aa Verval van aanspraak 1 De aanspraak op wettelijke vakantie-uren vervalt na verloop van één jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. 2 Indien de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is geweest de wettelijke vakantie-uren binnen de in het eerste lid genoemde termijn op te nemen, staat het bevoegd gezag toe dat van het eerste lid wordt afgeweken. In dit geval vervalt de aanspraak alsnog na verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. 3 De aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren vervalt na verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze aanspraak is ontstaan. 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 41ab — Artikel 41ab Verlagen van bovenwettelijke aanspraak#
Artikel 41ab Verlagen van bovenwettelijke aanspraak 1 Tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren van dat kalenderjaar verlagen. 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt voor 1 november van het lopende kalenderjaar ingediend. 3 De ambtenaar wordt een vergoeding toegekend voor elk uur waarmee zijn aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren overeenkomstig het eerste lid wordt verlaagd, ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de eerste dag van de maand waarin hij de aanvraag doet. 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 41b — Artikel 41b Ontslag en vakantie#
Artikel 41b Ontslag en vakantie 1 Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. 2 Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag schuldig ten bedrage van het salaris per uur. 3 Indien de ambtenaar een aanstelling in tijdelijke dienst heeft en hij zonder onderbreking een nieuwe aanstelling binnen de rijksdienst krijgt, behoudt de ambtenaar in afwijking van het eerste lid de vakantieaanspraken die niet genoten zijn. 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 41c — Artikel 41c Vakantie en toelagen#
Artikel 41c Vakantie en toelagen artikel 17 18a van het BBRA 1984 Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld inof, wordt die toelage gedurende zijn vakantie vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge zijn arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend, indien hij geen vakantie zou hebben genoten. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelage heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan de kalendermaand waarin zijn vakantie een aanvang nam. 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 01-07-2016
Artikel 41d — Artikel 41d Nadere regels#
Artikel 41d Nadere regels artikelen 41 tot en met 41c Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot denadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld, zonodig onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel buiten Nederland zijn geplaatst. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 42 — Artikel 42 Verlof bij ziekte en dienst als militair of vrijwillige ambtenaar van politie#
Artikel 42 Verlof bij ziekte en dienst als militair of vrijwillige ambtenaar van politie 1 hoofdstukken VI X Onverminderd het bepaalde in deen, geniet verlof: a. de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten; b. artikel 1, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie de ambtenaar die als militair, dan wel als vrijwillige ambtenaar als bedoeld in, in werkelijke dienst is; c. artikel 20b van het ARAR de ambtenaar die zich bevindt in een van de omstandigheden, genoemd in. 2 artikel 41a, zevende lid De ambtenaar die ingevolge het eerste lid, onder a, verlof geniet, kan, onverminderd, vakantie opnemen. 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 42a — Artikel 42a Verlof bij sluiting rijksdienst op daartoe aangewezen dagen#
Artikel 42a Verlof bij sluiting rijksdienst op daartoe aangewezen dagen 1 Indien de rijksdienst in Nederland op een daartoe aangewezen kerkelijke of niet-kerkelijke, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de ambtenaar verlof voor zover het dienstbelang niet anders vereist. 2 Het eerste lid vindt geen toepassing, indien de sluiting van de rijksdienst regionaal of plaatselijk plaatsvindt en de ambtenaar elders werkzaam is. 3 Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere en zonodig afwijkende regels worden vastgesteld voor degenen die buiten Nederland zijn geplaatst. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 43 — Artikel 43 Buitengewoon verlof#
Artikel 43 Buitengewoon verlof 1 artikel 82 artikelen 43a tot en met 48 Onverminderd het bepaalde inwordt aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de, buitengewoon verlof verleend. 2 artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg artikelen 43d 43e 45 Onder zeer persoonlijke omstandigheden als bedoeld inworden in ieder geval begrepen de omstandigheden, genoemd in de,en. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 43a — Artikel 43a Buitengewoon verlof van korte duur; kiesrecht en wettelijke verplichtingen#
Artikel 43a Buitengewoon verlof van korte duur; kiesrecht en wettelijke verplichtingen Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: a. voor de uitoefening van kiesrecht; b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 43b — Artikel 43b Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van vergaderingen van publiekrechtelijke colleges waarin men is verkozen#
Artikel 43b Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van vergaderingen van publiekrechtelijke colleges waarin men is verkozen 1 artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het inbedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven. 2 artikel 33a van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 43c — Artikel 43c Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken#
Artikel 43c Buitengewoon verlof van korte duur voor bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van ambtenarenorganisaties, kaderactiviteiten, cursussen en commissies van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt jaarlijks ten hoogste 120 uren buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van ambtenaren, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale ambtenarenorganisaties, mits de ambtenaar hieraan deelneemt: a. indien het vergaderingen betreft van verenigingen van ambtenaren: als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan; b. indien het vergaderingen betreft van centrale organisaties waarbij verenigingen van ambtenaren zijn aangesloten: als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren; c. indien het vergaderingen betreft van een internationale ambtenarenorganisatie: als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van ambtenaren. 2 artikel 142, derde lid Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt tot ten hoogste 208 uren per jaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar, die door een centrale als bedoeld in, of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen. 3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar voor het – op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaren bedraagt. 4 Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt tezamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend: a. artikel 105, tweede lid, onder a en b, van het ARAR aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd inen van organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten; b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten organisaties; c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie. 5 Het verlof, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van verenigingen van ambtenaren die zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren die deel uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel. 6 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van georganiseerd overleg in ambtenarenzaken. Dit geldt eveneens voor een voorvergadering per in de eerste volzin bedoelde vergadering. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007 28-08-2002 De aanhef van het vierde lid werkt terug tot en met 28 augustus 2002.
Artikel 43d — Artikel 43d Buitengewoon verlof van korte duur in verband met verhuizing#
Artikel 43d Buitengewoon verlof van korte duur in verband met verhuizing 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: a. voor het zoeken van een woning vanwege overplaatsing: ten hoogste twee dagen; b. bij verhuizing vanwege overplaatsing: aan hen die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zonodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden gesteld, zonodig onderscheiden naar degenen die in Nederland dan wel in het buitenland zijn geplaatst. 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 01-01-2008
Artikel 43e — Artikel 43e Buitengewoon verlof van korte duur in verband met familieomstandigheden#
Artikel 43e Buitengewoon verlof van korte duur in verband met familieomstandigheden 1 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: a. bij zijn huwelijk: twee dagen; b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: een dag; c. bij overlijden van: 1e. artikel 45d, tweede lid in, genoemde personen: vier dagen; 2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen; d. bij bevalling van zijn huwelijkspartner: ten hoogste twee dagen; e. na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, gedurende een tijdvak van vier weken vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont: twee dagen. 2 artikel 2, tweede lid Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap. 3 artikel 2, tweede lid Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn huwelijkspartner, wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere of afwijkende regels worden gesteld voor degenen die in het buitenland zijn geplaatst. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 43f — Artikel 43f Buitengewoon verlof van korte duur in andere gevallen#
Artikel 43f Buitengewoon verlof van korte duur in andere gevallen 1 Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat. 2 artikel 33e, tweede lid, van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestelde nadere regels als bedoeld inzijn van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 44 — Artikel 44 Aanvragen buitengewoon verlof van korte duur#
Artikel 44 Aanvragen buitengewoon verlof van korte duur 1 Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur ten minste 24 uren tevoren schriftelijk of mondeling worden aangevraagd. 2 Indien de ambtenaar, die niet vooraf een verzoek om buitengewoon verlof van korte duur heeft ingediend, aantoont dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad, terwijl er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging. 3 Een gegronde reden als bedoeld in het tweede lid is slechts aanwezig: a. artikelen 43a tot en met 43f indien een omstandigheid als genoemd in deaanwezig is geweest, op grond waarvan aan de ambtenaar op zijn verzoek buitengewoon verlof wordt verleend, zulks met inachtneming van de daarbij vermelde voorwaarden en termijnen; b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 45 — Artikel 45 Buitengewoon verlof in verband met calamiteiten#
Artikel 45 Buitengewoon verlof in verband met calamiteiten 1 De ambtenaar die zorg draagt voor een of meer personen als bedoeld in het vierde lid heeft aanspraak op zorgverlof bij calamiteiten met behoud van bezoldiging. 2 Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een of meer van de in het vierde lid bedoelde personen. 3 Het verlof is bedoeld als eerste opvang en voor het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal een dag per calamiteit. 4 De personen voor wier verzorging het verlof kan worden verleend zijn: de huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwd kinderen van de ambtenaar. 5 De ambtenaar informeert het bevoegd gezag vooraf over het opnemen van het verlof onder vermelding van de reden. 6 Geëist kan worden dat de ambtenaar achteraf aannemelijk maakt dat daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie. Indien de ambtenaar dat niet aannemelijk maakt, kunnen de opgenomen uren in mindering worden gebracht op zijn vakantie-aanspraken. 7 het derde lid van artikel 43e Voor de toepassing van dit artikel isvan overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 45a — Artikel 45a Zwangerschaps- en bevallingsverlof#
Artikel 45a Zwangerschaps- en bevallingsverlof 1 De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. 2 Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging. 3 De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Dit verlof gaat uiterlijk in vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling. 4 De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen. 5 Wet arbeid en zorg Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 6 Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 45aa — Artikel 45aa Bevalling en ontslag#
Artikel 45aa Bevalling en ontslag 1 artikel 45a, eerste lid artikel 45a, eerste lid De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in, behoudt haar aanspraak op haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in, een aanvang heeft genomen. 2 De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die: a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum van bevalling. 3 De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen. 4 De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die periode bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die: a. aanvangt op de datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden. 5 artikelen 45a, vijfde en zesde lid 54e, tweede lid 57 De,, en, zijn van overeenkomstige toepassing. 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 10-10-2007 01-12-2006
Artikel 45b — Artikel 45b Buitengewoon verlof in verband met ouderschap#
Artikel 45b Buitengewoon verlof in verband met ouderschap 1 De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof. 2 De ambtenaar die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof. 3 Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt. 4 Het verlof wordt behoudens bijzondere gevallen genoten gedurende een plaatsing in Nederland. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het verlof gedurende plaatsing buiten Nederland kan worden genoten. 5 Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. 6 De ambtenaar, wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd, heeft aanspraak op 60% van zijn bezoldiging over een gedeelte van de verlofuren, bedoeld in het vijfde lid, zijnde ten hoogste dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. 7 Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken. 8 De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof is toegekend wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. De terugbetalingsverplichting wordt beperkt tot de laatste twaalf maanden waarin, voorafgaande aan het verlaten van de sector Rijk, ouderschapsverlof is genoten. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de sector Rijk wordt niet als ontslag beschouwd. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. 9 De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag. Daarbij geeft de ambtenaar op: Bij de eerste melding ten aanzien van het desbetreffende kind dient tevens opgave te worden gedaan van het totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden. Indien de ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, slechts voor één periode tegelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging van het kind. a. de perioden waarin het verlof zal worden genoten; b. het aantal uren verlof per periode, en c. de spreiding van de verlofuren over de perioden. 10 Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek, bedoeld in het negende lid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. 11 artikelen 45a 45c Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de, onderscheidenlijk. Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. 12 Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het elfde lid niet met ingang van een vroeger tijdstip dan vier weken na de aanvraag gevolg te geven. In het geval het verlof met toepassing van het elfde lid, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof opgeschort. 13 artikel 43e, eerste lid, onderdeel d Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. De eerste volzin is niet van toepassing op de ambtenaar die na het verlof op grond van, gedurende een periode van vier weken voor drie dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten gebruik maakt van zijn verlof. 14 Indien de aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, reikt het bevoegd gezag de ambtenaar op diens verzoek een verklaring uit waaruit blijkt op hoeveel uren verlof de ambtenaar nog aanspraak heeft. 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 01-07-2019
Artikel 45c — Artikel 45c Buitengewoon verlof in verband met adoptie#
Artikel 45c Buitengewoon verlof in verband met adoptie 1 De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging. 2 a. De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. b. Ingeval redenen van zwaarwegend dienstbelang daartoe noodzaken, kan besloten worden dat het adoptieverlof gedurende plaatsing bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland op een andere wijze wordt genoten dan vermeld onder a. 3 Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van een van die kinderen. 4 De ambtenaar meldt het verlof in verband met adoptie uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen. 5 Wet arbeid en zorg Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. 6 Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan, maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, wordt het vijfde lid op overeenkomstige wijze toegepast. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend. 7 artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in. 2004 688 28-12-2004 14-12-2004 2004 688 28-12-2004 14-12-2004 29-12-2004 29-06-2002
Artikel 45d — Artikel 45d Buitengewoon verlof voor noodzakelijke verzorging#
Artikel 45d Buitengewoon verlof voor noodzakelijke verzorging 1 Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van: a. zijn huwelijkspartner; b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat; c. een inwonend kind van zijn huwelijkspartner; d. artikel 22, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in. 2 Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: zijn huwelijkspartner, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen. 3 Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt in elk kalenderjaar ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week. 4 De ambtenaar meldt vooraf dat hij het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de ambtenaar het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de ambtenaar ook de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan. 5 Achteraf kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 46 — Artikel 46 Buitengewoon verlof van lange duur#
Artikel 46 Buitengewoon verlof van lange duur 1 Buitengewoon verlof van lange duur kan aan de ambtenaar op zijn aanvraag worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden. 2 Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat pas in nadat de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat hij de daaraan verbonden voorwaarden aanvaardt. 3 Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar. 4 Artikel 43c, vijfde lid Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren., is van overeenkomstige toepassing. 5 Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen de huwelijkspartner, indien deze als ambtenaar buiten Nederland wordt geplaatst, te vergezellen, wordt dat verlof in beginsel verleend voor de duur van de plaatsing van de huwelijkspartner, zonder behoud van bezoldiging. 6 artikel 27, vierde lid Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan wel van een functie als bedoeld in het vierde lid, na afloop van het verlof een passende functie aan. Indien plaatsing niet aanstonds mogelijk is, wordt de ambtenaar ter beschikking gehouden overeenkomstig. 7 Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon verlof betrekking had. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 26-11-2008 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 46a — Artikel 46a Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur#
Artikel 46a Ontslag bij niet hervatten van de werkzaamheden na afloop van buitengewoon verlof van lange duur 1 De ambtenaar die na afloop van hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, wordt voor de toepassing van dit reglement geacht een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 46b — Artikel 46b Buitengewoon verlof; doorbetalen toelage voor onregelmatige diensten of voor consignatie#
Artikel 46b Buitengewoon verlof; doorbetalen toelage voor onregelmatige diensten of voor consignatie artikel 17 18 18a van het BBRA 1984 artikel 57, tweede tot en met vierde lid Voor zover op grond van deze paragraaf buitengewoon verlof met gehele of gedeeltelijke bezoldiging wordt verleend, wordt, indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in,en, dit bezoldigingsdeel vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de in, vermelde berekeningswijze. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 47 — Artikel 47 Levensloopverlof#
Artikel 47 Levensloopverlof artikel 34g van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde regels ten aanzien van levensloopverlof zijn van overeenkomstige toepassing. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-01-2006
Artikel 48 — Artikel 48 Verlof in geval van gijzeling#
Artikel 48 Verlof in geval van gijzeling 1 hoofdstuk X Aan een ambtenaar die buiten Nederland in samenhang met diens functie onwettig wordt gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de vrijheid wordt beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling gelijk wordt gesteld, wordt na afloop daarvan, onverminderd de mogelijkheid van bedrijfsgeneeskundige begeleiding ingevolge de bepalingen van, naar billijkheid recuperatieverlof verleend met behoud van bezoldiging. 2 Indien het in het eerste lid genoemde recuperatieverlof wordt verleend, wordt aan de ambtenaar een recuperatie-uitkering toegekend. Deze uitkering verhoudt zich tot de jaarlijkse vakantie-uitkering als de duur van het recuperatieverlof zich verhoudt tot de duur van de jaarlijkse vakantie. 3 hoofdstuk X Indien een gezinslid van een ambtenaar buiten Nederland onwettig wordt gegijzeld of anderszins buiten Nederland onwettig van de vrijheid wordt beroofd op een wijze die door Onze Minister met gijzeling wordt gelijkgesteld, en samenhang bestaat met de functie van de ambtenaar, wordt aan die ambtenaar na afloop daarvan, onverminderd de mogelijkheid van geneeskundige begeleiding van dat gezinslid ingevolge de bepalingen van, naar billijkheid recuperatieverlof verleend en een recuperatie-uitkering toegekend overeenkomstig het eerste en tweede lid. 4 In bijzondere gevallen kunnen bij onwettige vrijheidsberovingen als bedoeld in het eerste en derde lid ook kosten van gezinshereniging en andere in samenhang met de onwettige vrijheidsberoving gemaakte kosten of schade worden vergoed voor zover deze redelijk zijn en als niet verzekerbaar kunnen worden beschouwd. Voor het vrijkopen van personen betaalde losprijzen worden nimmer vergoed. 5 De in het eerste tot en met vierde lid genoemde voorzieningen gelden uitsluitend voor zover de ambtenaar aanspraken op vergoeding en verhaal aan het Rijk heeft gecedeerd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 49 — Artikel 49 Definities#
Artikel 49 Definities hoofdstuk XIV hoofdstuk XXV In dit hoofdstuk,enwordt verstaan onder: – AAOP-uitkering: ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het pensioenreglement; – arbeidsongeschiktheid: artikel 4, eerste lid, van de WIA artikel 5 van de WIA volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld inof gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in; – beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken; – beroepsziekte: een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; – bovenwettelijke WW-uitkering: artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk de uitkering, bedoeld in; – dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten; – gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden; – passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; – Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; – Stichting Pensioenfonds ABP: artikel 6 van de Wet privatisering ABP de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in; – Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ; – UWV: hoofdstuk 5 van de Wet SUWI het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in; – WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ; – WIA-uitkering: WIA een uitkering op grond van de; – WW-uitkering: Werkloosheidswet een uitkering op grond van de; – ZW: Ziektewet ; – ZW-uitkering: artikel 19 van de ZW ziekengeld als bedoeld in; – arbeid: artikel 19 van de ZW hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-01-2007
Artikel 50 — Artikel 50 Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar#
Artikel 50 Verzuimbegeleiding en arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de ambtenaar 1 Arbeidsomstandighedenwet Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot de begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de, dan wel zoveel mogelijk overeenkomstig die wet indien het de bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland geplaatste ambtenaar betreft, alsmede op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk. 2 Ter voorbereiding op plaatsing buiten Nederland, gedurende plaatsing buiten Nederland en in verband met terugplaatsing naar Nederland omvat de arbeidsgezondheidskundige begeleiding tevens de gezondheidskundige begeleiding van de gezinsleden van de ambtenaar. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures. 4 De ambtenaar is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, maar in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden. 5 Onze Minister kan ten aanzien van de ambtenaar die korter dan een jaar volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten, bepalen dat hij zijn arbeid slechts mag hervatten nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend. 6 De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend. 7 De in het vijfde en zesde lid bedoelde toestemming wordt eerst verleend nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de arbodienst. 2006 674 21-12-2006 05-12-2006 2006 675 21-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 50a — Artikel 50a Arbeidsgezondheidskundig onderzoek#
Artikel 50a Arbeidsgezondheidskundig onderzoek 1 De ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: a. voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van 55 jaar en ouder in staat is nachtarbeid te verrichten; b. indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; c. indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid; d. ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht; e. Wet publieke gezondheid indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge deeen nominatieve aangifteplicht geldt; f. artikel 104, derde lid, aanhef en onderdelen a en b om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in; g. om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten; h. voor zover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting; i. artikel 23, vierde lid, onderdeel b indien de ambtenaar in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld in; j. artikel 104, negende lid om bij een verzoek als bedoeld in, te beoordelen of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven vervullen. 2 Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn. 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 01-04-2015
Artikel 50b — Artikel 50b#
Artikel 50b 1 artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorzietin het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel. 2 artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet artikel 50a Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld inen, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld. 3 De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek. 4 Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, maar uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats. 5 Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie kenbaar te maken. 6 De leden van de commissie worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting. 7 De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan: a. de ambtenaar of de gewezen ambtenaar; b. Onze Minister; c. de behandelend arts, bedoeld in het vijfde lid. 8 De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek, bedoeld in het derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen. 2008 597 30-12-2008 29-12-2008 2008 601 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, enz. (evaluatie Wet SUWI, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en deregulering) (Stb. 2008/600) in werking treedt.
Artikel 50c — Artikel 50c Infectieziekten#
Artikel 50c Infectieziekten 1 Wet publieke gezondheid De ambtenaar die in contact staat, of kort geleden gestaan heeft, met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge het krachtens debepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst slechts verrichten en heeft slechts toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen indien hem daartoe toestemming is verleend. Deze toestemming wordt slechts verleend na positief medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst. 2 De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. 3 Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-12-2008
Artikel 51 — Artikel 51 Bijzondere bepalingen in verband met plaatsing in het buitenland#
Artikel 51 Bijzondere bepalingen in verband met plaatsing in het buitenland 1 Bij plaatsing buiten Nederland geschiedt het door de ambtenaar raadplegen van de deskundige persoon of de arbodienst in het kader van het arbeidsgezondheidskundig spreekuur schriftelijk, in dringende gevallen met gebruikmaking van de telecommunicatiemiddelen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor rekening van het Rijk. 2 artikel 50a, eerste lid, onderdeel i De ambtenaar wordt in elk geval in verband met zijn plaatsing buiten Nederland, in overleg met of op aanwijzing van de deskundige persoon of de arbodienst onderworpen aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in. Een buiten Nederland geplaatste ambtenaar ondergaat dit onderzoek zo mogelijk tijdens verblijf hier te lande. 3 artikel 50a, tweede lid Onverminderd het bepaalde in, vindt buitendienststelling plaats door Onze Minister. Daarbij vindt een belangenafweging plaats teneinde na te gaan of het verblijf van de ambtenaar in het land van plaatsing kan worden voortgezet. 4 De deskundige persoon of de arbodienst kan de ambtenaren individueel of gezamenlijk aanwijzingen geven tot behoud, herstel of bevordering van hun arbeidsgeschiktheid en de geschiktheid tot verblijf buiten Nederland van hun gezinsleden. De ambtenaren zijn gehouden die aanwijzingen op te volgen. 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 01-04-2015
Artikel 52 — Artikel 52 Gezondheidskundige begeleiding van gezinsleden in verband met plaatsing in het buitenland#
Artikel 52 Gezondheidskundige begeleiding van gezinsleden in verband met plaatsing in het buitenland 1 artikel 51, eerste lid Bij plaatsingen buiten Nederland worden de gezinsleden van de ambtenaar, overeenkomstig, in de gelegenheid gesteld de deskundige persoon of de arbodienst te raadplegen. 2 artikel 51, tweede lid Gezinsleden van de ambtenaar worden, zo mogelijk tijdens verblijf hier te lande, in de gelegenheid gesteld het onderzoek, bedoeld in, te ondergaan. 3 Indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de gezinsleden van de ambtenaar, worden deze in de gelegenheid gesteld een gezondheidskundig onderzoek te ondergaan. 4 De ambtenaar is verplicht zich in te spannen dat diens gezinsleden hun medewerking verlenen aan: a. artikel 51, tweede lid onderzoeken als bedoeld in het derde lid, alsmede in; b. gezondheidskundige onderzoeken welke worden ingesteld ter beantwoording van de vragen: 1°. in welke mate en tot welk tijdstip sprake is van verhindering wegens ziekte om in een bepaald gebied, een bepaald land of bepaalde landen te verblijven; 2°. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van hun gezondheid. 5 artikel 51, vierde lid De ambtenaar is verplicht zich in te spannen dat zijn gezinsleden de in, bedoelde aanwijzingen opvolgen, met uitzondering van aanwijzingen tot het ondergaan van een ingreep van heelkundige aard. 6 Artikel 36, vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-03-2007
Artikel 53 — Artikel 53 Kostenvergoeding#
Artikel 53 Kostenvergoeding artikelen 50, tweede lid 51 52 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de mate waarin kosten die verband houden met de arbeidsgezondheidskundige begeleiding van ambtenaren en de gezondheidskundige begeleiding van hun gezinsleden, bedoeld in de,en, ten laste van het Rijk komen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. 2 Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd. 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld, indien: a. artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, of b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 4 In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident. 5 In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden. 6 De doorbetaling van de bezoldiging eindigt: a. 54a, eerste lid met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel, is herplaatst; b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of c. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden. 7 Gedurende een plaatsing buiten Nederland kan Onze Minister een ambtenaar, indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte naar verwachting langer dan drie maanden zal voortduren, opdracht geven tot terugkeer met zijn gezinsleden naar Nederland. 8 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 09-10-2014
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a 1 De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid. 2 De ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, wordt herplaatst in een functie die passende arbeid omvat, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. 3 artikel 104, derde lid, onderdeel a De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen: a. artikel 54 het bedrag waarop de ambtenaar op grond vanrecht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. 4 Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft de ambtenaar, bedoeld in het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid ten minste 35% bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken tevens recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen: a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering. 5 Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van: 80% of meer: 90,02%; 65 tot 80%: 65,26%; 55 tot 65%: 54,01%; 45 tot 55%: 45,01%; 35 tot 45%: 36,01%. 6 De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het derde en vierde lid, eindigen in ieder geval: a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of b. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden. 7 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de eerste 52 weken weken het verschil tussen: a. artikel 76a van de Ziektewet het bedrag waarop de ambtenaar op grond vanrecht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering; en b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 09-10-2014 01-07-2013
Artikel 54ab — Artikel 54ab#
Artikel 54ab 1 artikel 54a, tweede lid De ambtenaar, bedoeld in, ontvangt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid gedurende hoogstens vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil tussen: a. zijn bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering zoals die zou zijn geweest op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en b. artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zijn bezoldiging na herplaatsing verminderd met eventuele daarna volgende verhogingen op grond van, en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. 2 In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een beroepsincident, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken recht op een uitkering. 3 De uitkering eindigt in ieder geval: a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; b. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is overleden. 4 artikel 54a, derde of vierde lid Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit artikel en een recht op uitkering op grond van, vervalt laatstbedoelde recht. 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016 01-01-2015 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 54b — Artikel 54b#
Artikel 54b 1 artikel 104, eerste lid, onderdeel e De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft: a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. 2 De gewezen ambtenaar die binnen vier weken na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest. 3 artikel 23 van de WIA De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering indien hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident. 4 Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan op de dag waarop het ontslag is ingegaan. 5 Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld, indien: a. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of b. artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg artikel 3:8 3:10, eerste lid, van die wet zij direct voorafgaan aan of aansluiten op een periode waarin zwangerschap- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig, of een uitkering op grond vanof, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 6 De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; of b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden. 7 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WIA-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident. 8 De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan het verschil tussen: a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en b. de aan de gewezen ambtenaar toegekende WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekende AAOP-uitkering. 9 Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van: 80% of meer: 90,02%; 65 tot 80%: 65,26%; 55 tot 65%: 54,01%; 45 tot 55%: 45,01%; 35 tot 45%: 36,01%. 10 De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, heeft bereikt; of b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden. 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 54c — Artikel 54c#
Artikel 54c 1 De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte maar niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident. 2 De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte maar niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 54d — Artikel 54d#
Artikel 54d artikelen 54, vierde lid 54a, derde tot en met het zevende lid 54b 54c 77, tweede lid artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP De artikelen,,,en, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen overheidswerknemer zijn als bedoeld in. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 54e — Artikel 54e Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging#
Artikel 54e Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging 1 De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging: a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen; b. indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt, of c. artikel 23, vierde lid, onderdeel b indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in, en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. 2 De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op betaling van loon of bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken op een ZW-uitkering. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 54f — Artikel 54f Verval van aanspraken#
Artikel 54f Verval van aanspraken 1 De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar: a. niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept; b. zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen; c. de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt; d. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd; e. verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken; f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen; g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; h. niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij het bevoegd gezag; i. weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verrichten; j. zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure; k. zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt; l. artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld inof een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor Onze Minister voor de uitvoering van wetten; m. tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht; n. vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden; o. niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn aanspraak op of de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering; p. zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; q. zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten; r. artikel 25, tweede lid, van de WIA zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in; s. artikel 88 van de WIA geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is ingediend of in verband met de toepassing van; t. zonder deugdelijke grond weigert meer te werken aan de doelmatige uitvoering van dit hoofdstuk. 2 De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld. 3 De ingevolge het eerste en tweede lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de desbetreffende verplichting op grond van dat lid. 4 Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald. 5 artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 54g — Artikel 54g#
Artikel 54g 1 Onze Minister zal zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen treffen en voorschriften geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. 2 De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen Onze Minister en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de overheidssectoren. 3 Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt Onze Minister de ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid te verrichten. 4 artikel 25, tweede lid, van de WIA In overeenstemming met de ambtenaar stelt Onze Minister een plan van aanpak op als bedoeld in. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. 5 artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI De ambtenaar die van mening is dat Onze Minister de in het eerste lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot nakoming aan Onze Minister een oordeel van het UWV als bedoeld inover. Onze Minister beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek hem aanleiding geeft. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 54h — Artikel 54h Samenloop met andere inkomsten#
Artikel 54h Samenloop met andere inkomsten 1 artikelen 56 56a Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van deofbetreft. 2 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten. 3 ZW WIA Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het verplichtingen- en sanctieregime van deof devan overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking. 4 De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering of de WIA-uitkering, vermeerderd met de AAOP-uitkering, de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering te boven gaan. 5 Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij: a. de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot, en b. de omvang van die arbeid niet is toegenomen. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 55 — Artikel 55 Ziekte na bevalling#
Artikel 55 Ziekte na bevalling 1 artikel 54b Indien de gewezen vrouwelijke ambtenaar na de datum waarop de periode afloopt gedurende welke zij ingevolge artikel 45aa, eerste, tweede of vierde lid, haar bezoldiging en vakantie-uitkering ontvangt, wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na die datum wegens ziekte ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering overeenkomstig, zolang zij wegens ziekte ongeschikt is tot werken. De termijn van 52 weken vangt aan na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. 2 Ongeschikt tot werken wegens ziekte in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen als zij vervulde. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 56 — Artikel 56 Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten#
Artikel 56 Tegemoetkoming in noodzakelijk gemaakte ziektekosten 1 In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend in noodzakelijk gemaakte kosten die verband houden met ziekte, welke de ambtenaar voor zichzelf en voor zijn medebelanghebbenden heeft gemaakt: a. indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien, en b. deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven. 2 artikel 47, tweede lid, van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing. 3 Bij ministeriële regeling kan van de in het tweede lid bedoelde regels worden afgeweken met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde kosten welke voortvloeien uit een plaatsing buiten Nederland. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 56a — Artikel 56a Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en beroepsziekte#
Artikel 56a Vergoeding van ziektekosten bij dienstongeval en beroepsziekte 1 Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die voor rekening van de ambtenaar blijven. 2 artikel 48, tweede lid, van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 57 — Artikel 57 Aanpassing bedrag; begrip bezoldiging#
Artikel 57 Aanpassing bedrag; begrip bezoldiging 1 artikelen 54 54a, vierde lid 54b Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in de,, en, en het bedrag van de eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering. 2 artikel 17 17a 18 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in,,of, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge zijn arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan: a. de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, of b. de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. 3 Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend over de drie kalenderjaren voorafgaande aan de maand waarin: a. de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; b. de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. 4 Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke functie. 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 01-07-2016
Artikel 57a — Artikel 57a#
Artikel 57a Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 Hoofdstuk VIIbis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. hoofdstuk VIIbis van het Rijksambtenarenreglement een ambtenaar voor wie een plaatsingsduur is vastgesteld, en niet overeenkomstigverplichte VWNW-kandidaat wordt maar ter beschikking wordt gehouden tenzij: 1e. het bevoegd gezag oordeelt dat de betrokken ambtenaar naar verwachting niet binnen de Dienst Buitenlandse Zaken herplaatst kan worden, of 2e. hoofdstuk VIIbis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement de ambtenaar vooraf aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt overeenkomstigverplichte VWNW-kandidaat te willen worden; b. artikel 49cc, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement de ambtenaar die is geplaatst in het buitenland niet overeenkomstigaanspraak kan maken op plaatsing in een andere standplaats voordat de voor hem vastgestelde plaatsingsduur is afgelopen. 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58a — Artikel 58a Werkingssfeer#
Artikel 58a Werkingssfeer Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58b — Artikel 58b Informatie aan centrales en medezeggenschapsorganen#
Artikel 58b Informatie aan centrales en medezeggenschapsorganen Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58c — Artikel 58c Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. de opheffing van de functie#
Artikel 58c Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. de opheffing van de functie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58d — Artikel 58d Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. overtolligheid#
Artikel 58d Aanwijzen van herplaatsingskandidaten i.v.m. overtolligheid Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58e — Artikel 58e Informatie over de aanwijzing als herplaatsingskandidaat#
Artikel 58e Informatie over de aanwijzing als herplaatsingskandidaat Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58f — Artikel 58f Verplichting om een passende functie aan te bieden#
Artikel 58f Verplichting om een passende functie aan te bieden Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58g — Artikel 58g Passende functie#
Artikel 58g Passende functie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58h — Artikel 58h Plaatsing van herplaatsingskandidaat in een functie#
Artikel 58h Plaatsing van herplaatsingskandidaat in een functie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58i — Artikel 58i Verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden#
Artikel 58i Verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58j — Artikel 58j Om-, her- en bijscholing#
Artikel 58j Om-, her- en bijscholing Vervallen 2010 233 24-06-2010 10-06-2010 2010 233 24-06-2010 10-06-2010 25-06-2010 01-01-2008
Artikel 58k — Artikel 58k Sanctie#
Artikel 58k Sanctie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58l — Artikel 58l Reistijd-werktijd#
Artikel 58l Reistijd-werktijd Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58m — Artikel 58m Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand#
Artikel 58m Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58n — Artikel 58n Stimuleringspremie#
Artikel 58n Stimuleringspremie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58o — Artikel 58o Salarissuppletie na ontslag#
Artikel 58o Salarissuppletie na ontslag Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 58p — Artikel 58p Anticiperen op een reorganisatie#
Artikel 58p Anticiperen op een reorganisatie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 59 — Artikel 59 Algemene verplichtingen#
Artikel 59 Algemene verplichtingen 1 De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt. 2 De ambtenaar is zich er bij voortduring van bewust deel uit te maken van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, zolang hij daarbij is geplaatst. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 60 — Artikel 60 Eed/belofte; verplichtingen#
Artikel 60 Eed/belofte; verplichtingen 1 De ambtenaar is verplicht een eed of een belofte af te leggen. 2 De ambtenaar legt zo spoedig mogelijk na diens indiensttreding in handen van Onze Minister of van een door deze aangewezen ambtenaar de navolgende eed of belofte af: «Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de overige wetten van het Rijk. Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Ik zweer/beloof dat ik om iets te doen of te laten in mijn functie van niemand enige belofte of geschenk aannemen zal. Ik zweer/beloof dat ik mijn werkzaamheden als ambtenaar steeds zal verrichten overeenkomstig de mij gegeven voorschriften en aanwijzingen, en dat ik de belangen van het Koninkrijk zal voorstaan en bevorderen. Ik zweer/beloof dat ik de zaken waarvan ik als ambtenaar kennis draag en waarvan ik het geheim of vertrouwelijk karakter moet begrijpen niet zal openbaren aan anderen dan aan hen aan wie ik volgens de wet of uit hoofde van mijn werkzaamheden tot mededeling verplicht ben. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik).» 3 Alvorens voor de eerste maal een functie als hoofd van een vaste diplomatieke zending dan wel van een permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie te aanvaarden, hernieuwt de betrokkene de in het tweede lid genoemde eed of belofte in handen van de Koning. In dat geval wordt het woord «aanstelling» vervangen door «benoeming als hoofd van een vaste diplomatieke zending» respectievelijk «benoeming als hoofd van een permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie» en wordt het woord «ambtenaar» vervangen door «hoofd van een vaste diplomatieke zending» respectievelijk« hoofd van een permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk bij een internationale organisatie». In geval van verhindering van de Koning wordt de hernieuwde eed of belofte afgelegd in handen van Onze Minister. Bestaat ook daartoe geen gelegenheid, dan wordt de hernieuwde eed of belofte schriftelijk afgelegd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 61 — Artikel 61 Niet-naleving van onbekende bepalingen#
Artikel 61 Niet-naleving van onbekende bepalingen Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 62 — Artikel 62 Verplichte mededeling van verhindering#
Artikel 62 Verplichte mededeling van verhindering Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk mededeling te doen, ten einde vertraging of hinder in de dienst zoveel mogelijk te voorkomen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 63 — Artikel 63 Woonplaats#
Artikel 63 Woonplaats 1 De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente, die hem als standplaats is aangewezen of waartoe zijn standplaats behoort, indien dit noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie. 2 De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven. 3 De ambtenaar die bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland is geplaatst, is verplicht voor de duur van zijn plaatsing te wonen in of nabij de plaats van vestiging van die vertegenwoordiging. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 64 — Artikel 64 Dienstwoning#
Artikel 64 Dienstwoning 1 De ambtenaar is verplicht, indien hem een dienstwoning ter bewoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften, die daaromtrent zijn gesteld. 2 Hij draagt de onderhoudskosten, welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gewoonlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald. 3 Voor de buiten Nederland geplaatste ambtenaar: a. is het eerste lid van overeenkomstig toepassing met betrekking tot de inrichting indien de ter bewoning aangewezen woning geheel of ten dele van Rijkswege is ingericht; b. wordt in plaats van «de wet en het plaatselijk gebruik», genoemd in het tweede lid, gelezen: de Nederlandse wetten en gebruiken. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de aanwijzing, de bewoning en het gebruik van dienstwoningen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 65 — Artikel 65 Opdragen van andere ambtelijke werkzaamheden#
Artikel 65 Opdragen van andere ambtelijke werkzaamheden 1 De ambtenaar kan worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen. Hij kan echter niet worden verplicht werkzaamheden te verrichten in de plaats van stakers of uitgeslotenen in particuliere dienst, tenzij de opgedragen werkzaamheden worden verricht in dienst van het lichaam, waarbij hij werkzaam is, en voor de openbare dienst tijdens de staking of uitsluiting, dan wel als onmiddellijk gevolg daarvan redelijkerwijze dadelijk noodzakelijk zijn te achten. 2 Voorts kan aan de ambtenaar door Onze Minister de verplichting worden opgelegd in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak, welke het Ministerie van Buitenlandse Zaken in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren. 3 De ambtenaar aan wie de in het tweede lid bedoelde verplichting is opgelegd, is tevens te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen, die verband houden met de in dat lid bedoelde werkzaamheden. 4 Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt voor zover mogelijk rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 De ambtenaar die is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. 2 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar: a. voor de basisbedrijfshulpverlener: € 246,38; b. voor de allroundbedrijfshulpverlener: € 492,74; c. voor de bedrijfshulpverlener die is aangewezen om leidinggevende taken met betrekking tot bedrijfshulpverlening uit te oefenen: € 739,12. 3 De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd. 4 De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing tot bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van: a. € 403,16 na vijf jaar; b. € 492,74 na tien jaar; c. € 587,94 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend. 5 artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 In afwijking vanworden taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van het salaris per uur, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7. 6 artikel 58a, tweede en vierde lid, van het ARAR Indien de bedragen, bedoeld in indoor Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op respectievelijk het tweede en vierde lid. 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 01-07-2019
Artikel 67 — Artikel 67 Scholing#
Artikel 67 Scholing 1 De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend. 2 artikelen 58c 58d De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in deen, die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend. 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn: a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten; b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met: 1° het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding; 2° contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding; 3° zelfstudie van maximaal een dag per week, en 4° het afleggen van examens. 4 Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend: a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten; b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met: 1° het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding; 2° contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding; 3° zelfstudie van maximaal een dag per week, en 4° het afleggen van examens. 5 Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen: a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten; b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens. 6 De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten: a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten; b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen. 7 artikel 58f artikelen 58c 58d De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de inbedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in deen, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst. 8 Onze Minister kan toestaan dat het verlof voor zelfstudie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 3°, en vierde lid, onderdeel b, onder 3°, geldt voor meer dan maximaal een dag per week. 9 Reisbesluit binnenland Reisbesluit buitenland Op reizen en verblijf en de vergoeding van de daaruit voortvloeiende kosten, die de ambtenaar in het kader van scholing als bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid maakt, is het bepaalde bij of krachtens hetof hetvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 6, tweede lid, van het Reisbesluit binnenland in afwijking vande vergoeding van kosten, voor zover binnen Nederland met de trein wordt gereisd, gelijk is aan de gemaakte kosten op basis van het tarief van de tweede klasse, en; b. artikel 6, vierde lid, van het Reisbesluit Onze Minister, voor zover het reizen betreft waarvan het beginpunt of het eindpunt buiten Nederland ligt, kan afwijken van het krachtensbuitenland bepaalde. 10 In deze bepaling wordt onder scholingskosten verstaan de kosten voor de door de onderwijsinstelling verplicht gestelde onderwijsmiddelen, les- en examengelden en verplicht gestelde excursies of studiereizen. 2016 481 08-12-2016 23-11-2016 2016 481 08-12-2016 23-11-2016 01-01-2017
Artikel 68 — Artikel 68 Scholing in het persoonlijk belang#
Artikel 68 Scholing in het persoonlijk belang Vervallen 2010 233 24-06-2010 10-06-2010 2010 233 24-06-2010 10-06-2010 25-06-2010 01-01-2008
Artikel 69 — Artikel 69 Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden#
Artikel 69 Nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden 1 De ambtenaar is verplicht aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. 2 Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het eerste lid gedane opgaven. 3 Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld. Van verboden nevenwerkzaamheden als bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval sprake indien een consulaire betrekking van een andere mogendheid wordt aanvaard zonder bij koninklijk besluit verleende voorafgaande machtiging. 4 Bij plaatsing buiten Nederland draagt de ambtenaar er zorg voor, indien zijn gezinsleden hem in het buitenland vergezellen en zij ter plaatse werkzaamheden verrichten, dat deze werkzaamheden niet strijdig zijn met de wetten van dan wel overeenkomsten met dat land en tevens niet schadelijk kunnen zijn voor het functioneren van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 69a — Artikel 69a Financiële belangenverstrengeling en koersgevoelige informatie#
Artikel 69a Financiële belangenverstrengeling en koersgevoelige informatie 1 Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt aan een daartoe aangewezen functionaris financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. 2 Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen. 3 De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden. 4 Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid. 2006 129 09-03-2006 03-02-2006 2006 129 09-03-2006 03-02-2006 10-03-2006
Artikel 70 — Artikel 70 Verbod tot deelneming aan aannemingen en leveringen#
Artikel 70 Verbod tot deelneming aan aannemingen en leveringen 1 Het is de ambtenaar verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend. 2 Hij is verplicht zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het deelnemen, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 71 — Artikel 71 Terugstorting van vergoedingen in 's Rijks kas#
Artikel 71 Terugstorting van vergoedingen in 's Rijks kas 1 De ambtenaar die een besturende, beherende dan wel toezichthoudende functie vervult in een naamloze vennootschap of ander rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan uit 's Rijks kas, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding in genoemde kas te storten, indien de benoeming in die functie a. heeft plaatsgehad door dan wel in overeenstemming met Onze Minister; b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift dan wel uit een overeenkomst welke met instemming van Onze Minister of de ministerraad is tot stand gekomen. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar die werkzaamheden vervult die verband houden met de door hem vervulde functie en hem zijn opgedragen door Onze Minister, en die voor die werkzaamheden, anders dan uit 's Rijks kas, een vergoeding ontvangt. 3 Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing in de gevallen, waarin dit door Onze Minister-President is bepaald. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 72 — Artikel 72 Aannemen van vergoedingen, beloningen, of steekpenningen#
Artikel 72 Aannemen van vergoedingen, beloningen, of steekpenningen 1 Het is de ambtenaar in zijn ambt verboden, tenzij hem daarvoor door het bevoegd gezag toestemming is verleend, vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen. 2 Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk en ten strengste verboden. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 73 — Artikel 73 Dienstkleding en onderscheidingstekenen#
Artikel 73 Dienstkleding en onderscheidingstekenen 1 De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is. 2 Het is de ambtenaar verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze door Onze Minister zijn verstrekt of voorgeschreven. 3 Het is de ambtenaar verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door Onze Minister-President vergunning is verleend. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 74 — Artikel 74 Schadevergoeding door de ambtenaar#
Artikel 74 Schadevergoeding door de ambtenaar 1 De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 2 Het bedrag van de schadevergoeding wordt pas vastgesteld, nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 75 — Artikel 75 Telewerken#
Artikel 75 Telewerken artikel 67 van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde regels ten aanzien van telewerken zijn van overeenkomstige toepassing. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 76 — Artikel 76 Vergoeding dienstreizen#
Artikel 76 Vergoeding dienstreizen 1 De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen. 2 Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde regels. De vergoedingen voor de buiten Nederland geplaatste ambtenaren worden vastgesteld op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 76a — Artikel 76a#
Artikel 76a 1 De ambtenaar die een functie als bedoeld in het derde lid uitoefent of ten minste drie maanden waarneemt, ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming in verband met representatiekosten. 2 In deze bepaling wordt onder representatiekosten verstaan de door de ambtenaar gemaakte of te maken kosten in verband met de eisen die de uitoefening van de functie stelt ten aanzien van het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten, waaronder worden begrepen de kosten in verband met: a. huur of aanschaf van kleding en schoeisel of andere persoonlijke attributen; b. aanpassing en inrichting van de eigen woning; c. persoonlijke verzorging; d. contributies en lidmaatschappen; e. ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning; f. het aanbieden van lunches, diners en overige consumpties, persoonlijke attenties en geschenken, en g. fooien. 3 artikel 68a, derde lid, onderdeel a, van het ARAR De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een percentage van de vergoeding, bedoeld in. Dat percentage is: a. voor het structurele plaatsvervangerschap van de functie van directeur-generaal: 75% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag; b. voor de functie van directeur of daarmee door Onze Minister voor de toepassing van dit artikel gelijk te stellen functie: 50% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag; c. voor een andere functie waaraan representatiekosten zijn verbonden, voor zover deze functie is vermeld op een daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde lijst: het bij die functie vermelde bedrag dat maximaal 25% van het in de eerste volzin bedoelde bedrag kan zijn. 4 Indien de ambtenaar op grond van het derde lid in aanmerking zou komen voor meer dan één tegemoetkoming ontvangt hij uitsluitend de tegemoetkoming met het hoogste bedrag. 5 In afwijking van het derde lid, aanhef en onder d, kan in bijzondere gevallen een hogere tegemoetkoming aan de betrokken ambtenaar worden toegekend, die maximaal gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder c. 6 De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar in het geheel geen dienst heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de dienst het gevolg is van vakantieverlof of ziekte voor zover het de eerste vier weken van de ziekte betreft. De uitbetaling wordt hervat in de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar zijn dienst heeft hervat. 7 De ambtenaar die een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan geen representatiekosten declareren. 8 Aan de ambtenaar die geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die kosten voor representatieve activiteiten heeft gemaakt, die niet zijn genoemd in het tweede lid, kunnen daadwerkelijk gemaakte representatiekosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, indien: a. het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten plaatsvindt met voorafgaande toestemming van of in opdracht van het bevoegd gezag; b. de declaratie van representatiekosten is ingediend binnen zes maanden na de kalendermaand waarin de kosten zijn gemaakt, en c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. 9 artikel 68a, derde lid, onder a, van het ARAR Indien het bedrag, bedoeld in, door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst wordt aangepast, is die aanpassing van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder a. 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 2017 277 26-06-2017 30-05-2017 01-07-2017
Artikel 77 — Artikel 77 Schadeloosstelling aan de ambtenaar#
Artikel 77 Schadeloosstelling aan de ambtenaar 1 Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloosstellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen. 2 artikel 49 artikel 54b, zevende lid De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als bedoeld in, hebben gehad, hebben recht op volledige vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat beroepsincident lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze vergoeding mede strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels worden gesteld. 4 artikel 69, vierde lid, van het ARAR Door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtensgestelde regels omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kan Onze Minister andere regels stellen in verband met het verrichten van arbeid buiten Nederland. 5 derde lid van artikel 13 Lijdt een ambtenaar die voldaan heeft aan het, buiten Nederland schade als gevolg van een normaliter niet verzekerbaar molest, dan wordt indien dat molest samenhangt met de functie of de plaatsing van betrokkene, die schade volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vergoed, voor zover betrokkene vorderingen terzake aan het Rijk heeft gecedeerd. 6 Onze Minister bepaalt de muntsoort of muntsoorten waarin de bedoelde schadeloosstelling, vergoedingen en tegemoetkomingen bij plaatsing buiten Nederland worden uitbetaald. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-01-2007
Artikel 78 — Artikel 78 Functionerings- en ontwikkelingsgesprekken#
Artikel 78 Functionerings- en ontwikkelingsgesprekken 1 Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een leidinggevende functionaris, aangewezen door Onze Minister, gesproken over: a. de resultaten die de ambtenaar heeft behaald en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd; b. de opvatting van zowel de functionaris als de ambtenaar over het onder a besprokene, op basis waarvan de functionaris tot een uiteindelijke samenvattende conclusie komt; c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen, de omstandigheden waaronder deze zullen worden uitgevoerd en welke resultaten daarbij behaald moeten worden; d. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden. 2 Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de wenselijkheid en mogelijkheid van de continuering van de loopbaan in een andere functie. 3 Over de in het eerste lid, onder c en d, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt. 4 Van het met de ambtenaar besprokene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt een schriftelijk verslag gemaakt. 5 Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid alsmede het verslag, bedoeld in het vierde lid moet voldoen. 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 2016 227 17-06-2016 08-06-2016 01-07-2016
Artikel 79 — Artikel 79 Beoordelingen#
Artikel 79 Beoordelingen 1 Indien dit wenselijk wordt gevonden of de ambtenaar dit aanvraagt, wordt een beoordeling opgemaakt. 2 Een beoordeling wordt eerst vastgesteld nadat deze met de ambtenaar is besproken en hij zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken. 3 Bij ministeriële regeling worden, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, nadere regels gesteld omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 80 — Artikel 80 Zekerheidsstelling#
Artikel 80 Zekerheidsstelling Verplichting tot zekerheidsstelling wordt de ambtenaar niet opgelegd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 81 — Artikel 81 Aanzuivering van een tekort#
Artikel 81 Aanzuivering van een tekort 1 artikel 24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 De ambtenaar die namens een minister is belast met de invermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 2 artikel 25, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 De ambtenaar die namens een minister is belast met het inbedoelde beheer, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 82 — Artikel 82 Kind zogen#
Artikel 82 Kind zogen Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft en hiervan aan het hoofd van dienst heeft kennis gegeven, wordt gelegenheid gegeven haar kind te zogen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 83 — Artikel 83 Maatregelen van orde#
Artikel 83 Maatregelen van orde 1 Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd. 2 De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde, die ten aanzien van het verblijf aldaar zijn vastgesteld. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 84 — Artikel 84 Verbod van alcoholgebruik#
Artikel 84 Verbod van alcoholgebruik Het is de ambtenaar verboden gedurende de werktijd zonder toestemming van het bevoegd gezag alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 85 — Artikel 85 Gratificatie bij ambtsjubileum#
Artikel 85 Gratificatie bij ambtsjubileum 1 artikel 79, eerste lid, van het ARAR De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum, overeenkomstig de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtenste stellen regels. 2 104, eerste lid, onder e De ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van, wordt een diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het eerste lid. 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 85a — Artikel 85a Definities#
Artikel 85a Definities Vervallen 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 01-01-2010
Artikel 85b — Artikel 85b Meldingsplicht#
Artikel 85b Meldingsplicht Vervallen 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 01-01-2010
Artikel 85c — Artikel 85c Wijze van behandeling#
Artikel 85c Wijze van behandeling Vervallen 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 01-01-2010
Artikel 85d — Artikel 85d Commissie integriteit overheid#
Artikel 85d Commissie integriteit overheid Vervallen 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 01-01-2010
Artikel 85e — Artikel 85e Bescherming vertrouwenspersoon#
Artikel 85e Bescherming vertrouwenspersoon Vervallen 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 2009 572 24-12-2009 15-12-2009 01-01-2010
Artikel 86 — Artikel 86 Plichtsverzuim#
Artikel 86 Plichtsverzuim 1 De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan daarvoor disciplinair worden gestraft. 2 Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift, als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. 3 artikel 87, eerste lid, onder i en l Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in de door de ambtenaar vervulde functie. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover betreft de straffen genoemd in, door Onze Minister. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 87 — Artikel 87 Soorten van straffen#
Artikel 87 Soorten van straffen 1 De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd, zijn: a. schriftelijke berisping; b. buitengewone dienst op andere dagen dan zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen, zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag; c. vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met ten hoogste een derde gedeelte van het aantal uren, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat; d. geldboete van ten hoogste € 22; e. gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand; f. vaststelling van het salaris in de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, op het bedrag behorend bij een salarisnummer dat maximaal twee salarisnummers lager is dan voor de ambtenaar geldt, of indien voor de functie waarin de ambtenaar is geplaatst geen salarisschaal geldt, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van ten hoogste twee jaren; g. het niet toekennen van een hoger salarisnummer gedurende ten hoogste vier jaren; h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden; i. BBRA 1984 indeling in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan dat verbonden aan de salarisschaal welke ingevolge hetbehoort te gelden, een en ander al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging; j. Verplaatsingskostenbesluit 1989 verplaatsing, al dan niet met verlening van een tegemoetkoming in mogelijke verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag, dat in geval van verplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend krachtens het, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd aan een buiten Nederland geplaatste ambtenaar; k. artikel 93, derde lid schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging; indien deze straf aan een buiten Nederland geplaatste ambtenaar is opgelegd, is, van overeenkomstige toepassing; l. ontslag. 2 Indien een straf als bedoeld in het eerste lid, onder g, h of i, is opgelegd, kan, indien het verdere gedrag van de ambtenaar naar het oordeel van het tot oplegging van de straf bevoegd gezag daartoe aanleiding heeft gegeven, zijn positie met ingang van een bepaald tijdstip geheel of ten dele in overeenstemming worden gebracht met de positie, zoals deze zonder strafoplegging zou zijn geweest. 3 Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en hij zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 88 — Artikel 88 Gelegenheid tot verantwoording#
Artikel 88 Gelegenheid tot verantwoording 1 Indien de ambtenaar verantwoording aflegt doet hij dit ten overstaan van het gezag dat tot de voorgenomen strafoplegging bevoegd is, of van een door dit gezag aangewezen autoriteit, tenzij bij koninklijk besluit anders wordt bepaald. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de verantwoording ten overstaan van Onze Minister of van een door deze aangewezen autoriteit. Het gezag, ten overstaan waarvan de verantwoording zal plaatsvinden, bepaalt of deze mondeling of schriftelijk zal geschieden, met dien verstande dat bij schriftelijke verantwoording de ambtenaar op zijn verzoek gelegenheid wordt gegeven tot nadere mondelinge toelichting. 2 Van de mondelinge verantwoording en van een eventuele nadere mondelinge toelichting wordt zo spoedig mogelijk proces-verbaal opgemaakt, dat na kennisneming wordt getekend door hem, ten overstaan van wie de verantwoording heeft plaatsgevonden, en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de ambtenaar uitgereikt. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 89 — Artikel 89 Straf in verband met meningsuiting e.d.#
Artikel 89 Straf in verband met meningsuiting e.d. artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet De ambtenaar kan slechts gestraft worden wegens overtreding van, nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functieuitoefening ambtenaren. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 90 — Artikel 90 Ontvangstbevestiging besluit tot strafoplegging#
Artikel 90 Ontvangstbevestiging besluit tot strafoplegging De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 91 — Artikel 91 Tenuitvoerlegging van de straf#
Artikel 91 Tenuitvoerlegging van de straf De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 92 — Artikel 92 Schorsing van rechtswege#
Artikel 92 Schorsing van rechtswege Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens een Nederlandse wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de, genomen in het belang van de volksgezondheid. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 93 — Artikel 93 Schorsing bij strafrechtelijke vervolging e.d.#
Artikel 93 Schorsing bij strafrechtelijke vervolging e.d. 1 artikel 87, eerste lid, onder k, eerste zinsdeel Onverminderd het bepaalde in, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst: a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld; b. wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd; c. wanneer het belang van de dienst dat vordert. 2 Schorsing geschiedt door Onze Minister. 3 artikel 36 Schorsing van een buiten Nederland geplaatste ambtenaar gaat gepaard met terugroeping naar Nederland, met verlening van een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten tot ten hoogste het bedrag dat in geval van overplaatsing in het belang van de dienst zou kunnen worden verleend op grond van de krachtensgestelde regels. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 94 — Artikel 94 Inhouding op bezoldiging bij schorsing#
Artikel 94 Inhouding op bezoldiging bij schorsing 1 Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden. Na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van de volledige bezoldiging, plaatsvinden. artikel 93, eerste lid, onder c artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de dienst als bedoeld in, van het doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis of daarmede gelijk te stellen inrichting dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in, mits niet gevolgd door inbewaringstelling. 2 artikel 104, eerste lid, onderdeel d De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dat onredelijk of onbillijk is. 3 Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald. 4 hoofdstuk X In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder voor de toepassing vanwordt verstaan. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 95 — Artikel 95 Bevoegdheid tot ontslagverlening#
Artikel 95 Bevoegdheid tot ontslagverlening Ontslag wordt verleend door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 96 — Artikel 96 Ontslag op aanvraag van de ambtenaar#
Artikel 96 Ontslag op aanvraag van de ambtenaar 1 De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend. 2 artikel 46a, eerste lid Behoudens in het geval, bedoeld in, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag, waarop de aanvraag om ontslag is ingekomen. 3 Van het eerste lid kan worden afgeweken: a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld, of b. indien wordt overwogen de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. 4 Van het tweede lid kan worden afgeweken: a. indien wordt overwogen de ambtenaar een disciplinaire straf op te leggen; b. indien het belang van de dienst zulks vordert, met dien verstande, dat de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of c. op aanvraag van de ambtenaar. 5 Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 97 — Artikel 97 Ontslag wegens flexibel vervroegd uittreden#
Artikel 97 Ontslag wegens flexibel vervroegd uittreden Vervallen 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 2015 531 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 98 — Artikel 98 Ontslag ambtenaar in tijdelijke dienst#
Artikel 98 Ontslag ambtenaar in tijdelijke dienst 1 artikel 19, vierde of vijfde lid Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra de duur van de aanstelling in tijdelijke dienst is verstreken, tenzij sprake is van een stilzwijgende voortzetting als bedoeld in. 2 Aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst kan ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van: a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk ten minste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest; b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest; c. een maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst is geweest. 3 artikel 45a, vierde lid Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar, noch gedurende het verlof bedoeld in, noch, indien zij haar dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de zwangerschap kan een verklaring van een arts of van een verloskundige worden verlangd. 4 Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens het aanvragen of het opnemen van ouderschapsverlof. 5 Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. 6 artikel 142, derde lid Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet plaatsvinden wegens het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in, of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die ertoe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen. 7 artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in, noch wegens het lidmaatschap of het korter dan twee jaren geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad. 8 Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 2007 351 09-10-2007 11-09-2007 10-10-2007 01-12-2006 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 99 — Artikel 99 Ontslag wegens opheffing van de functie of overtolligheid#
Artikel 99 Ontslag wegens opheffing van de functie of overtolligheid Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 100 — Artikel 100 Ontslag wegens verplaatsing van de functie#
Artikel 100 Ontslag wegens verplaatsing van de functie Vervallen 2017 509 22-12-2017 13-12-2017 2017 510 22-12-2017 13-12-2017 01-01-2018
Artikel 101 — Artikel 101 Ontslag van ambtenaren die bijvoorbeeld lid van gedeputeerde staten of wethouder zijn geweest#
Artikel 101 Ontslag van ambtenaren die bijvoorbeeld lid van gedeputeerde staten of wethouder zijn geweest 1 Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk wordt ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te vervullen en hij niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend. 2 artikel 46a, eerste lid artikel 46 Tenzij, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van, uitgezonderd het vierde lid en in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, niet in actieve dienst kan worden hersteld. 2010 366 01-10-2010 27-09-2010 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 101a — Artikel 101a Ontslag van ambtenaren die minister of staatssecretaris worden#
Artikel 101a Ontslag van ambtenaren die minister of staatssecretaris worden Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking eervol ontslag verleend. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 102 — Artikel 102 Ontslag uit een substantieel bezwarende functie#
Artikel 102 Ontslag uit een substantieel bezwarende functie Vervallen 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 01-04-2015
Artikel 103 — Artikel 103 Ontslag wegens bijzondere gedragingen#
Artikel 103 Ontslag wegens bijzondere gedragingen artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet Voor de ontslagverlening, bedoeld in, is overeenstemming vereist met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is gehouden het advies in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 104 — Artikel 104 Gronden van ontslag#
Artikel 104 Gronden van ontslag 1 artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet artikelen 98 tot en met 101a Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij, bij devan dit besluit en bij, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van: a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt; b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld; c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; d. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; e. ongeschiktheid wegens ziekte voor het vervolgen van zijn loopbaan, dan wel, indien de ambtenaar is aangesteld in tijdelijke dienst anders dan voor een proeftijd, tot het verrichten van zijn arbeid; f. onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, voor het vervolgen van zijn loopbaan, dan wel, indien de ambtenaar is aangesteld in tijdelijke dienst anders dan voor een proeftijd, voor de door hem vervulde functie; g. het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar; h. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. 2 Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a, e, f en g wordt steeds eervol verleend. 3 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden indien: a. er sprake is van ongeschiktheid voor het vervolgen van zijn loopbaan, respectievelijk tot het verrichten van zijn arbeid, wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar, b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde periode van twee jaar te verwachten is, en c. Onze Minister van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is. 4 De termijn van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt verlengd: a. artikel 38, eerste lid, van de ZW met de duur van de vertraging indien Onze Minister de aangifte, bedoeld inlater doet dan op grond van dat artikel van de ZW is voorgeschreven; b. artikel 23, eerste lid, van de WIA artikel 24, eerste lid, van de WIA met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in, indien de wachttijd op grond vanwordt verlengd; c. artikel 25, negende lid, van de WIA met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond vanheeft vastgesteld. 5 artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in, niet in aanmerking genomen. 6 artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 7 WIA artikel 32, derde lid, van de Wet SUWI Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het kader van de. Indien deze beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een oordeel als bedoeld inen betrekt dit bij zijn beoordeling. 8 artikel 54a Indien herplaatsing als bedoeld in, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren. 9 artikel 50a, eerste lid, onderdeel k Van ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt op verzoek van de ambtenaar afgezien voor de duur van telkens ten hoogste één jaar, indien de ambtenaar volgens de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in, in staat is zijn functie te blijven vervullen. 10 Een verzoek als bedoeld in het negende lid wordt door de ambtenaar ten minste drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar of ouder, ingediend. 11 Een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het negende lid wordt niet eerder dan vier maanden voor het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar of ouder, bij de ambtenaar uitgevoerd. 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 2015 125 26-03-2015 10-03-2015 01-04-2015
Artikel 105 — Artikel 105 Reorganisatie-ontslag bij niet-passende functie#
Artikel 105 Reorganisatie-ontslag bij niet-passende functie Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd dat hij recht heeft op wachtgeld een voor hem passend geachte functie is aangeboden en die functie binnen een periode van uiterlijk een jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die functie worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend. 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 09-10-2014
Artikel 105a — Artikel 105a Ontslagsanctie bij arbeidsongeschiktheid#
Artikel 105a Ontslagsanctie bij arbeidsongeschiktheid 1 Aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert: a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende andere arbeid te verrichten, of b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of c. artikel 25, tweede lid, van de WIA zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in, of d. een WIA- uitkering aan te vragen. 2 Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het kader van de WIA betrekken indien deze minder dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 01-01-2007
Artikel 106 — Artikel 106 Ontslag op andere gronden dan die van artikel 104#
Artikel 106 Ontslag op andere gronden dan die van artikel 104 1 artikel 104 Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die inzijn genoemd of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend. 2 Werkloosheidswet Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk artikel 24 van de Werkloosheidswet Werkloosheidswet Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van deen het, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in. Voor zover door het bevoegd gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige deen hetvan overeenkomstige toepassing. 3 Werkloosheidswet Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk Indien de ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens deof het, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 107 — Artikel 107 Bovenwettelijke uitkering bij aanvaarden van functie buiten de overheid#
Artikel 107 Bovenwettelijke uitkering bij aanvaarden van functie buiten de overheid 1 Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het. 2 artikelen 58c 58d Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in deenen hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen. 3 Werkloosheidswet Indien de ambtenaar ter zake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens dewordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 108 — Artikel 108 Uitkering na overlijden ambtenaar#
Artikel 108 Uitkering na overlijden ambtenaar 1 De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitbetaald tot en met de dag van overlijden. 2 artikel 41b, eerste en tweede lid Indien de ambtenaar bij zijn overlijden een positief of negatief vakantiesaldo heeft, vinden, overeenkomstige toepassing. Het aldus openstaande bedrag en de reeds voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak worden verrekend met het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien dit bedrag daarvoor niet toereikend is, op de uitkering, bedoeld in het derde lid. 3 ZW Werkloosheidswet WIA Aan de nabestaande, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over drie maanden, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering over die maanden. Indien de ambtenaar op de dag direct voorafgaand aan zijn overlijden aanspraak maakte op een uitkering op grond van de,of de, wordt als maatstaf voor de bezoldiging uitgegaan van de bezoldiging die hij zou hebben genoten als hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest. 4 Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in de artikelen 17, 17a, 18 en 18a en 18b, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt de in het derde lid bedoelde bezoldiging in zoverre gesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de overleden ambtenaar is toegekend of zou zijn toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de dag van overlijden, of het intreden van de arbeidsongeschiktheid. 5 artikel 35 van de ZW artikel 74 van de WIA Op het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van,, of een overlijdensuitkering die is verleend door de Stichting Pensioenfonds ABP indien recht bestaat op arbeidsongeschiktheidspensioen of andere naar aard en strekking hiermee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde dienstbetrekking. 6 Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het derde lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar. 7 Indien de ambtenaar geen betrekkingen als bedoeld in het derde en zesde lid, nalaat, kan de daar bedoelde uitkering door het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging indien de nalatenschap van de overledene hiertoe ontoereikend is. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 109 — Artikel 109 Uitkering na overlijden gewezen ambtenaar#
Artikel 109 Uitkering na overlijden gewezen ambtenaar artikelen 54b 55 artikel 108 artikelen 35 36 van de ZW artikel 74 van de WIA artikelen 6 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van deenin het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de inbedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van deen,, deenof naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht. 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 2010 9 12-01-2010 18-12-2009 13-01-2010 29-12-2005
Artikel 110 — Artikel 110 Hoger nabestaandenpensioen indien overlijden veroorzaakt is door de dienst#
Artikel 110 Hoger nabestaandenpensioen indien overlijden veroorzaakt is door de dienst 1 Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18% van het resultaat van de vermenigvuldiging van: Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgende op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel het aangaan van het geregistreerd partnerschap. a. artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP indien het gaat om de partner, vijf zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in; b. artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP indien het gaat om de wees waarvan de verzorger geen recht heeft op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, een zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in; c. artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP indien het gaat om de wees zonder verzorger als bedoeld in onderdeel b, twee zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in. 2 artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, zoals dit begrip door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld inaan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen. 3 artikel 54b, derde lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel. 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 2014 345 08-10-2014 11-09-2014 09-10-2014 01-07-2013
Artikel 111 — Artikel 111 Gebruik dienstwoning door achterblijvende gezinsleden#
Artikel 111 Gebruik dienstwoning door achterblijvende gezinsleden 1 Gedurende de kalendermaand van het overlijden en de volgende drie kalendermaanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning, waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan worden afgeweken als Onze Minister dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht. Alsdan wordt naar billijkheid een schadevergoeding gegeven. 2 Bij vrijwillig verlaten van de dienstwoning binnen de termijn gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan een vergoeding worden gegeven. De eerste volzin is niet van toepassing op een buiten Nederland gelegen woning. 3 Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik van die woning behouden. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 112 — Artikel 112 Overige financiële voorzieningen bij overlijden#
Artikel 112 Overige financiële voorzieningen bij overlijden 1 artikel 36, eerste lid Indien de ambtenaar ten tijde van diens overlijden een tegemoetkoming genoot in de zin van, wordt deze gedurende ten hoogste drie maanden, of zoveel langer als aantoonbaar onvermijdelijk blijkt, doorbetaald ten behoeve van de nagelaten gezinsleden, voor zover deze tegemoetkoming verband houdt met hun verblijf buiten Nederland. 2 derde lid van artikel 36 Indien de ambtenaar overlijdt gedurende het tijdvak waarover aan hem de in hetgenoemde tegemoetkoming is toegekend, worden de in dat lid bedoelde regels toegepast ten behoeve van de nagelaten gezinsleden, voor zolang de bijzondere kosten te hunnen aanzien doorlopen. De hoogte van de vergoeding wordt dan berekend als ware de ambtenaar niet overleden. 3 derde lid van artikel 36 artikel 36, eerste lid Indien de ambtenaar overlijdt gedurende een plaatsing buiten Nederland en de nagelaten gezinsleden verkiezen naar Nederland terug te keren, gelden de in hetbedoelde regels eveneens voor zolang de bijzondere kosten te hunnen aanzien doorlopen. Voor de berekening van de hoogte en de duur van de in die regels voorziene tegemoetkoming in de bijzondere kosten wordt de toepassing van de regels dan geacht te zijn ingegaan op de dag, volgende op de dag waarop de ambtenaar is overleden. Is na diens overlijden met toepassing van het eerste lid, de tegemoetkoming, bedoeld in, doorbetaald, dan wordt over dat tijdvak de eerstgenoemde tegemoetkoming geacht voor de laatstgenoemde in de plaats te zijn getreden. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 29-12-2005
Artikel 113 — Artikel 113 Vermissing van de ambtenaar#
Artikel 113 Vermissing van de ambtenaar 1 artikelen 108 tot en met 112 Bij vermissing van de ambtenaar vinden, behoudens het bepaalde in het tweede lid, de bepalingen van deovereenkomstige toepassing. De ambtenaar wordt daarbij geacht te zijn overleden op een door Onze Minister te bepalen dag. 2 derde lid van artikel 108 Hetvindt geen toepassing indien gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg is van ongeoorloofde afwezigheid. 3 Indien blijkt dat de als vermist beschouwde ambtenaar in leven is, kan ter beoordeling van Onze Minister, de bezoldiging alsnog worden uitbetaald, tenzij gegronde vermoedens bestaan, dat de vermissing het gevolg was van ongeoorloofde afwezigheid. 4 Indien uit hoofde van de vermissing van de ambtenaar pensioen of enige andere uitkering, voortvloeiende uit zijn ambtelijke rechtspositieregeling, is toegekend over het tijdvak waarover naar het oordeel van Onze Minister aanspraak bestaat op bezoldiging, wordt die bezoldiging verminderd met de over dat tijdvak aldus uitbetaalde bedragen. 5 De bezoldiging, waarop de ambtenaar ingevolge het derde en het vierde lid aanspraak heeft, kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitbetaald. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 29-12-2005
Artikel 114 — Artikel 114 Werknemers, behorende tot de DBZ#
Artikel 114 Werknemers, behorende tot de DBZ 1 Onze Minister kan voor werkzaamheden bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, werknemers op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst nemen. 2 Onze Minister bepaalt of een functie bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland door een lokaal in dienst te nemen werknemer zal worden vervuld. 3 Het indienstnemen van werknemers die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten is mogelijk, mits dezen in hun functie niet met daadwerkelijk overheidsgezag worden bekleed. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 115 — Artikel 115 Werknemers in dienst van een ander ministerie of andere instelling#
Artikel 115 Werknemers in dienst van een ander ministerie of andere instelling 1 In overeenstemming met Onze Minister kan ter ondersteuning van: a. artikel 8, derde lid, onder a een gedetacheerde ambtenaar van een ander ministerie als bedoeld in; b. artikel 8, vierde lid een toegevoegde ambtenaar van Aruba, Curaçao of Sint Maarten als bedoeld in, of c. artikel 8, vijfde lid een ander als bedoeld in, door Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, onderscheidenlijk door de ander, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, aan het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland volmacht worden verleend tot het in dienst nemen van een werknemer voor werkzaamheden bij die vertegenwoordiging. 2 artikel 114 De werknemers, bedoeld in het eerste lid, worden met betrekking tot hun dienstverrichtingen gelijkgesteld met werknemers als bedoeld in. Op de werknemers, bedoeld in het eerste lid, zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing de bepalingen die in of krachtens dit reglement zijn gesteld betreffende werknemers als bedoeld in artikel 114. 2010 366 01-10-2010 27-09-2010 2010 389 07-10-2010 30-09-2010 10-10-2010 Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
Artikel 116 — Artikel 116 Algemene verplichtingen#
Artikel 116 Algemene verplichtingen De werknemer verbindt zich: a. de opgedragen werkzaamheden naar beste vermogen te verrichten; b. artikel 114, eerste lid vierde en vijfde lid van artikel 12 indien, van toepassing is: zich te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen welke hem, met inachtneming van de verantwoordelijkheden van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking alsmede van Onze Minister van Economische Zaken ingevolge het, door of namens Onze Minister, dan wel door of namens het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland waarbij de werknemer diens werkzaamheden verricht, worden gegeven; c. artikel 115 artikel 12, eerste en tweede lid indien, van toepassing is: zich te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen welke hem door of namens zijn werkgever worden gegeven, onverminderd het gestelde in; d. artikel 117, derde lid tot het afleggen van de eed of belofte, indien hij deze ingevolge, dient af te leggen. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 117 — Artikel 117 Eed/belofte#
Artikel 117 Eed/belofte 1 Zo spoedig mogelijk na diens indiensttreding legt de werknemer ten overstaan van een door Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaar de navolgende eed of belofte af: "Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de overige wetten van het Rijk. Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn betrekking aan niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Ik zweer/beloof dat ik om iets in mijn werkzaamheden te doen of te laten, van niemand enige belofte of geschenk aannemen zal, en dat ik mij als een goed werknemer, zal gedragen, de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen, en de zaken waarvan ik door mijn werkzaamheden kennis draag en waarvan ik het geheim of vertrouwelijk karakter weet of moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik)." 2 Indien de werknemer niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, blijft de eerste zin van de eed of belofte achterwege. 3 artikel 114 115 De op de voet vanofindienstgenomen werknemer legt de in het eerste en tweede lid bedoelde eed of belofte alleen af, indien de door deze te vervullen functie zulks, naar het oordeel van het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, wettigt. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 118 — Artikel 118 De arbeidsovereenkomst#
Artikel 118 De arbeidsovereenkomst 1 Arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht worden schriftelijk aangegaan in de Nederlandse taal; bij niet-Nederlanders met vertaling in een taal die de werknemer voldoende machtig is. Daarin worden ten minste vermeld: a. de naam, voornamen en geboortedatum van de werknemer; b. de datum waarop betrokkene in dienst treedt; c. of de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd; wordt deze voor bepaalde tijd aangegaan, dan wordt die tijd vermeld; d. welke periode als proeftijd is overeengekomen; e. het loon waarop de werknemer in dienst is genomen; f. het aan betrokkene toekomende genot van kost, inwoning of andere vormen van loon in natura, alsmede de daarmee verbandhoudende inhoudingen; g. de aard van de werkzaamheden welke de werknemer gewoonlijk zullen worden opgedragen; h. de bepalingen, in of krachtens dit reglement gesteld, welke op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. 2 Wijzigingen van de in of krachtens dit reglement getroffen regelingen werken door naar de met betrokkene gesloten arbeidsovereenkomst. 3 De werknemer wordt, zo mogelijk vóór de indiensttreding, schriftelijk in kennis gesteld van de hoofdpunten van zijn rechtspositie; indien de werknemer de Nederlandse taal niet machtig is, geschiedt dit in een taal welke in het internationale verkeer ter plaatse gebruikelijk is. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 119 — Artikel 119 Van toepassing zijnde andere bepalingen#
Artikel 119 Van toepassing zijnde andere bepalingen Vervallen 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 120 — Artikel 120 Van toepassing zijnde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek#
Artikel 120 Van toepassing zijnde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek Vervallen 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 121 — Artikel 121 Nadere regeling van de rechtspositie; algemene bepalingen#
Artikel 121 Nadere regeling van de rechtspositie; algemene bepalingen 1 Bij ministeriële regeling wordt een regeling vastgesteld ter nadere bepaling van de rechtspositie van lokaal indienstgenomen werknemers. 2 Onze Minister kan in de in het eerste lid bedoelde regeling bepalen, welke onderwerpen, en met inachtneming van welke voorwaarden, namens hem nader dienen te worden geregeld. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 122 — Artikel 122 Inhoud van de nadere regeling#
Artikel 122 Inhoud van de nadere regeling artikel 121 De inbedoelde nadere regeling betreft in elk geval de volgende onderwerpen: a. indienstneming voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met een proeftijd; b. geneeskundige keuring bij indienstneming; c. een functie-indelingsschema, naar werksoort en functieniveau; d. een stelsel van loonschalen, met de maximale, minimale en tussengelegen loonnummers; e. de toekenning van een loonschaal, en de toekenning van een loonnummer; f. vaststelling en uitbetaling van het loon; g. vervallen van het recht op loon; h. betaling van loon tijdens ziekte; i. opdragen van overwerk, en vergoeding van de desbetreffende arbeidsuren; j. de muntsoort, of de muntsoorten, waarin lonen en andere bedragen aan de werknemer worden uitbetaald; k. dienst- en werktijden; l. vakantie en verlof; m. bedrijfsgeneeskundige begeleiding; n. tegemoetkoming in ziektekosten; o. aanspraken bij overlijden; p. zwangerschaps- en bevallingsverlof; q. opzegging tijdens zwangerschap; r. plichtsverzuim en disciplinaire straffen; s. het verstrekken van een opdracht tot het volgen van opleidingen, alsmede het verlenen van studiefaciliteiten; t. einde, beëindiging en opzegging van de arbeidsovereenkomst; u. uitkering bij beëindiging van de dienstbetrekking; v. uitreiking van een getuigschrift; w. vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen; x. algemene verplichtingen; y. functioneringsgesprekken en beoordelingen; z. bijzondere beloningen; aa. bekendstelling van regelingen waarin de rechtspositie van de werknemer is neergelegd, alsmede van wijzigingen daarin; bb. sociale voorzieningen, en cc. suppletie op oudedags-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 123 — Artikel 123 Uitwerking per vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland#
Artikel 123 Uitwerking per vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland 1 Bij ministeriële regeling wordt voor elke vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland het bepaalde in of krachtens dit hoofdstuk nader uitgewerkt, zodanig dat het geheel van arbeidsvoorwaarden en daarmee verbandhoudende voorzieningen voldoet aan de eisen van de lokale arbeidsmarkt en naar het oordeel van Onze Minister toereikend is. 2 artikel 121 Bij de inbedoelde ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid tot stand komt en de voorwaarden die daarbij in acht worden genomen. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 124 — Artikel 124 Uitsluiting van de toepasselijkheid#
Artikel 124 Uitsluiting van de toepasselijkheid artikelen 121 122 Het bepaalde in of krachtens deenis slechts van toepassing respectievelijk van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met dwingende bepalingen van lokaal geldend arbeidsrecht. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 20-06-2007
Artikel 125 — Artikel 125 Loonvaststelling#
Artikel 125 Loonvaststelling 1 Het loon van de werknemer wordt vastgesteld overeenkomstig het lokale loonpeil. 2 Onze Minister kan in plaats van een brutoloon een nettoloon toekennen. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 Vervallen 1997 153 15-04-1997 14-03-1997 1997 153 15-04-1997 14-03-1997 01-01-1998
Artikel 127 — Artikel 127 Uitkering bij beëindiging dienstverband#
Artikel 127 Uitkering bij beëindiging dienstverband Bij beëindiging van de dienstbetrekking, wordt aan de betrokkene een uitkering toegekend overeenkomstig het lokaal geldend arbeidsrecht dan wel de lokaal geldende gebruiken onverminderd a. artikel 128 de mogelijkheid van uitkeringen op de voet van de ingenoemde regelingen; b. artikel 130 de mogelijkheid van een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen als bedoeld in. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 128 — Artikel 128 Sociale verzekeringen, oudedags-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen#
Artikel 128 Sociale verzekeringen, oudedags-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen 1 Indien ten behoeve van werknemers verplichtingen bestaan tot deelname aan al dan niet lokale oudedagsvoorzieningen, sociale verzekeringen of andere sociale voorzieningen, worden deze werknemers daarvoor aangemeld door het hoofd van de desbetreffende vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 2 Indien geen verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, bestaan, doch naar het oordeel van Onze Minister passende mogelijkheden bestaan, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3 Aan de werknemer kan een deel van de premie worden vergoed van een door hem af te sluiten verzekering die voorziet in de opbouw van een oudedags-, nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidsvoorziening indien: a. de in het eerste en tweede lid bedoelde voorzieningen of regelingen ontbreken of de werknemer er niet voor kan worden aangemeld; of b. de in het eerste en tweede lid bedoelde voorzieningen of regelingen door Onze Minister in hun gevolg ontoereikend worden geacht. 4 artikel 123, eerste lid Indien zich bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland een situatie voordoet als bedoeld in het derde lid, wordt dit, tezamen met de daarbij geldende voorwaarden, opgenomen in de voor die vertegenwoordiging geldende ministeriële regeling, bedoeld in. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 129 — Artikel 129 Vrijwillige verzekering (oudedagsvoorziening, overlijden, arbeidsongeschiktheid)#
Artikel 129 Vrijwillige verzekering (oudedagsvoorziening, overlijden, arbeidsongeschiktheid) Vervallen 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 130 — Artikel 130 Suppletie op oudedags-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen#
Artikel 130 Suppletie op oudedags-, nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen 1 artikel 128 De werknemer op wie geen voorzieningen, regelingen dan wel verzekeringen als bedoeld invan toepassing zijn, kan ten behoeve van zichzelf dan wel voor zijn nagelaten gezinsleden in aanmerking worden gebracht voor een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen bij ontslag wegens het bereiken van de voor betrokkene geldende pensioengerechtigde leeftijd, overlijden dan wel arbeidsongeschiktheid. 2 artikel 128 Een suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen kan door Onze Minister worden toegekend indien deze van oordeel is dat de voorzieningen, regelingen dan wel verzekeringen, bedoeld in, niet leiden tot een geheel van voorzieningen dat, mede gelet op de duur van het dienstverband alsmede de oorzaak en het tijdstip van ontslag, het overlijden of de arbeidsongeschiktheid, passend is te achten, met dien verstande dat geen suppletie wordt verstrekt ingeval verzekeringspremies zijn vergoed, maar niet voor verzekering zijn aangewend. Indien overlijden of arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks gevolg is van de uitoefening van de dienst buiten schuld of onvoorzichtigheid van de werknemer, wordt de duur van het dienstverband fictief bepaald op de periode, gelegen tussen diens indiensttreding en de datum waarop de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt. 3 Het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland ziet erop toe dat in voorkomende gevallen de suppletie op oudedagsvoorzieningen, nabestaandenvoorzieningen of arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tijdig wordt aangevraagd, en adviseert Onze Minister desgevraagd met betrekking tot grootte en duur ervan. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 131 — Artikel 131 Nadere regelen betreffende sociale voorzieningen#
Artikel 131 Nadere regelen betreffende sociale voorzieningen Vervallen 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 1 Voor het vervullen van consulaire taken en het uitoefenen van consulaire bevoegdheden bij vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland kunnen bij koninklijk besluit, indien de benoeming bij koninklijk besluit dient te geschieden, dan wel door Onze Minister daartoe geschikt en bekwaam geachte personen als honorair consulair ambtenaar worden benoemd en ontslagen. 2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn, binnen het kader van de door hen te vervullen consulaire taken en uit te oefenen consulaire bevoegdheden, ambtenaar en behoren als zodanig tot de DBZ. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 1 Benoeming tot honorair consulair ambtenaar geschiedt voor een periode van ten hoogste vijf jaar. De benoeming kan telkens worden verlengd met een periode van ten hoogste vijf jaar. 2 Wanneer het belang van de dienst dat bepaaldelijk vordert, kan de honorair consulair ambtenaar door Onze Minister met onmiddellijke ingang worden geschorst. 3 Aan de honorair consulair ambtenaar wordt ontslag verleend door het tot benoeming bevoegde gezag: a. op aanvraag van de honorair consulair ambtenaar; b. wanneer het dienstbelang dat bepaaldelijk vordert. 4 Bij ontslag, anders dan vanwege voltooiing van de benoemingsperiode, wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 Bij diens benoeming verbindt de honoraire consulaire ambtenaar zich a. tot het vervullen van consulaire taken en het uitoefenen van consulaire bevoegdheden overeenkomstig de Nederlandse wetten en besluiten, ten behoeve van Nederlanders, in het daarbij aangewezen ressort; b. tot het opvolgen van de aanwijzingen, door Onze Minister of door het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in welks ambtsgebied diens ressort gelegen is, ter zake gegeven; c. tot het nakomen van de voor betrokkene geldende bepalingen van dit reglement en daarop steunende regelingen; d. tot het nakomen van de door betrokkene afgelegde eed of belofte. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 1 Onze Minister verbindt zich bij de benoeming van de honoraire consulaire ambtenaar die zaken ter beschikking te stellen, welke betrokkene voor het vervullen van diens consulaire taken en het uitoefenen van diens consulaire bevoegdheden behoeft. Deze zaken blijven Rijkseigendom, evenals de archieven van de desbetreffende consulaire post. 2 Onze Minister kan de honoraire consulaire ambtenaar een tegemoetkoming toekennen in de kosten die genoemde taakvervulling met zich meebrengt. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van het gestelde in het eerste en tweede lid. 4 artikel 16, vierde lid Bij de benoeming van de honoraire consulaire ambtenaar worden aan de betrokkene de voor hem ingevolge, geldende bepalingen van dit reglement schriftelijk medegedeeld. 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 23-10-1998 Artikelen 8, 118 en 144 werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 1 Honoraire consulaire ambtenaren zijn onbezoldigd; ter zake van hun benoeming worden aan hen geen kosten in rekening gebracht. 2 Honoraire consulaire ambtenaren zijn niet bevoegd tot rechtshandelingen die het Koninkrijk verplichten, tenzij: a. Nederlandse wetten of besluiten hen daartoe bevoegd verklaren; b. b artikel 134, onder zij daartoe op grond van aan hen gegeven aanwijzingen, bedoeld in, zijn gemachtigd of gehouden; dan wel c. zij daartoe tevoren door Onze Minister, dan wel door het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland in welks ambtsgebied hun consulair ressort gelegen is, zijn gemachtigd. 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 23-10-1998 Artikelen 8, 118 en 144 werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 Aan een honoraire consulaire ambtenaar kan door Onze Minister, dan wel door het hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland, in welks ambtsgebied het ressort van die honoraire consulaire ambtenaar gelegen is, verlof worden verleend, waarbij tevens wordt geregeld op welke wijze tijdens het verlof in de vervulling van de consulaire taken en het uitoefenen van de consulaire bevoegdheden wordt voorzien. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 138 — Artikel 138#
Artikel 138 1 Zo spoedig mogelijk na diens benoeming legt de honoraire consulaire ambtenaar ten overstaan van het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland in welks ambtsgebied diens ressort gelegen is, de navolgende eed of belofte af: "Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de overige wetten van het Rijk. Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven. Ik zweer/beloof dat ik om iets in mijn functie als honorair consulair ambtenaar behorende tot de Dienst Buitenlandse Zaken te doen of te laten van niemand enige belofte of geschenk zal aannemen. Ik zweer/beloof dat ik de mij opgedragen taken zal vervullen overeenkomstig de Nederlandse wetten en besluiten en de overige voorschriften en aanwijzingen, mij gegeven of te geven, en dat ik de belangen van het Koninkrijk der Nederlanden zal voorstaan en bevorderen. Ik zweer/beloof dat ik de zaken waarvan ik bij het vervullen van mijn consulaire taken kennis neem en waarvan ik het geheim of vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of uit hoofde van mijn taakvervulling tot mededeling verplicht ben. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik)." 2 Indien de honoraire consulaire ambtenaar niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, blijft de eerste zin van de eed of belofte achterwege. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 139 — Artikel 139#
Artikel 139 artikel 130, eerste en tweede lid Onze Minister kan, overeenkomstig toepassen ten aanzien van honoraire consulaire ambtenaren en hun nagelaten gezinsleden, waarbij hij rekening houdt met hun financiële omstandigheden. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 140 — Artikel 140#
Artikel 140 1 In bijzondere gevallen kan het hoofd van een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland met machtiging van Onze Minister bij die vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland een persoon van Nederlandse nationaliteit tot honorair adviseur benoemen en ontslaan. 2 Binnen het kader van zijn advieswerkzaamheden behoort de honoraire adviseur tot de DBZ. 3 Honoraire adviseurs genieten geen bezoldiging; bij hun benoeming worden de duur en de inhoud van hun advieswerkzaamheden geregeld, alsmede hun rechten en verplichtingen. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 141 — Artikel 141#
Artikel 141 1 tweede, vierde of zesde lid van artikel 8 Aan degenen die ingevolge hetbij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam zijn, kan in overeenstemming met de door hen beklede functies een titel worden toegekend, met inachtneming van het tweede tot en met zesde lid. 2 De in het eerste lid bedoelde titel kan zijn: a. Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur b. Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister c. Zaakgelastigde d. Gevolmachtigd Minister e. Ambassaderaad, Gezantschapsraad, Handelsraad, dan wel Raad f. Eerste Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris, Handelssecretaris, dan wel Eerste Secretaris g. Tweede Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris, Handelssecretaris, dan wel Tweede Secretaris h. Derde Ambassadesecretaris, Gezantschapssecretaris, Handelssecretaris, dan wel Derde Secretaris i. Consul-Generaal j. Consul k. Vice-Consul l. Adjunct Vice-Consul m. Attaché n. Adjunct-Attaché o. Directeur der Kanselarij der Eerste Klasse p. Directeur der Kanselarij q. Kanselier der Eerste Klasse, dan wel r. Kanselier der Tweede Klasse. 3 derde of vijfde lid van artikel 8 e h j n Aan degenen die ingevolge hetbij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland werkzaam zijn kan in overeenstemming met de door hen beklede functies één van de in het tweede lid, ondertot en metentot en met, genoemde titels worden toegekend, voorafgegaan of gevolgd door een aanduiding van hun specialisatie. 4 Aan een honoraire consulaire ambtenaar kan de titel Consul-Generaal, Consul, dan wel Vice-Consul worden toegekend. 5 Indien de functie dat in verband met de in het buitenland te vervullen ambtsbezigheden vereist, wordt aan een hier te lande geplaatste of benoemde ambtenaar de titel Ambassadeur toegekend. 6 De titels van hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland - met uitzondering van de titel Zaakgelastigde - en van degenen genoemd in het vijfde lid worden bij koninklijk besluit toegekend; de titel Zaakgelastigde en alle overige titels door Onze Minister. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 142 — Artikel 142 Het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren#
Artikel 142 Het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren 1 artikelen 105 tot en met 117 van het ARAR Met betrekking tot het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren zijn devan overeenkomstige toepassing, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid. 2 artikelen 113 115 van het ARAR Een voorgenomen besluit als bedoeld in deenheeft betrekking op: 1°. ambtenaren; 2°. werknemers; 3°. honoraire consulaire ambtenaren; 4°. honoraire adviseurs; 5°. artikel 8, zesde lid personen die ingevolge, aan een tijdelijke diplomatieke zending zijn toegevoegd; 6°. artikel 8, vierde lid artikel 113, eerste lid, van het ARAR bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland toegevoegde ambtenaren als bedoeld in, met dien verstande dat met betrekking tot hen het overleg over de inbedoelde aangelegenheden alleen wordt gevoerd voor zover die aangelegenheden verband houden met hun toevoeging. 3 artikelen 113 tot en met 117 van het ARAR Onder «centrales van verenigingen van ambtenaren» en «centrales» in de, wordt mede begrepen de Vereniging Dienst Buitenlandse Zaken. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 143 — Artikel 143 Medezeggenschap op de posten#
Artikel 143 Medezeggenschap op de posten Wet op de ondernemingsraden Voor de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland stelt Onze Minister ter zake van de medezeggenschap regels vast, die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de. Deze regels houden rekening met de bijzondere omstandigheden van het werkzaam zijn bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland. 1999 493 02-12-1999 27-10-1999 1999 493 02-12-1999 27-10-1999 03-12-1999 01-05-1997 Artikel 143 werkt terug tot en met 1 mei 1997.
Artikel 143a — Artikel 143a Informatie aan centrales en medezeggenschap over reorganisaties#
Artikel 143a Informatie aan centrales en medezeggenschap over reorganisaties Vervallen 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 144 — Artikel 144 Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken#
Artikel 144 Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken 1 Er is een Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken, hierna te noemen de Commissie van Bezwaar, die a. Onze Minister van advies dient over de beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit of een handeling krachtens dit reglement genomen onderscheidenlijk verricht ten aanzien van 1°. ambtenaren; 2°. artikel 114 werknemers als bedoeld in; 3°. derde en vierde lid van artikel 8 ingevolge hetbij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland gedetacheerde of toegevoegde ambtenaren, voor zover het besluiten of handelingen welke met hun detachering of toevoeging verband houden betreft; 4°. zesde lid van artikel 8 ingevolge hetaan een tijdelijke diplomatieke zending toegevoegde personen, voor zover het besluiten of handelingen welke verband houden met hun toevoeging betreft; 5°. artikel 115 werknemers als bedoeld in; 6°. honoraire consulaire ambtenaren en honoraire adviseurs, voor zover het besluiten of handelingen welke verband houden met de ambtsverrichtingen als honorair consulair ambtenaar onderscheidenlijk de advieswerkzaamheden als honorair adviseur betreft; 7°. nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden van de onder ten 1° tot en met ten 6° genoemden; b. Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, van advies dient over de beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen een besluit of een handeling, 1°. artikel 8, achtste lid als bedoeld in, 2°. artikel 115 genomen ten aanzien van zijn werknemers als bedoeld in. 2 De Commissie van Bezwaar brengt geen advies uit over de beslissing op een bezwaarschrift tegen een van de in het eerste lid bedoelde besluiten of handelingen, indien daarmee bij of krachtens dit reglement een andere commissie is belast. 3 De Commissie van Bezwaar zetelt te 's-Gravenhage en houdt zitting in een door Onze Minister ter beschikking gestelde lokaliteit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 145 — Artikel 145#
Artikel 145 1 a. De Commissie van Bezwaar bestaat uit de volgende leden: b. De leden worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. c. De voorzitter en plaatsvervangende voorzitters zijn niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister en Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, en dienen bij voorkeur te behoren of te hebben behoord tot de Nederlandse rechterlijke macht. Zij worden telkenmale voor een periode van vier jaar benoemd. d. Leden-niet-ambtenaren worden, telkenmale voor een periode van vier jaar, benoemd op voordracht van, evenwel niet uit, de ondernemingsraad. e. Geen lid kunnen zijn: ambtenaren die buiten Nederland of bij de personeelsdienst zijn geplaatst, alsmede degenen die ophouden ambtenaar te zijn. artikel 8, derde lid, onder a artikel 115 artikel 8, derde lid, onder a f. Indien bezwaar wordt gemaakt door een gedetacheerde ambtenaar als bedoeld inof door een werknemer als bedoeld indie in dienst is genomen ter ondersteuning van een gedetacheerde ambtenaar als bedoeld in, wordt door Onze Minister aan de Commissie van Bezwaar een lid toegevoegd op voordracht van Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie. 1°. een voorzitter; 2°. een of meer plaatsvervangende voorzitters; 3°. drie of meer leden-niet-ambtenaren, en 4°. negen of meer leden-ambtenaren. 2 Met inachtneming van het eerste lid bepaalt Onze Minister: a. om welke redenen de leden kunnen worden geschorst en ontslagen; b. de wijze waarop de leden aftreden. 3 De vergoeding van de voorzitter, plaatsvervangende voorzitters en de leden-niet-ambtenaren wordt door Onze Minister vastgesteld. 4 De leden van de Commissie van Bezwaar, alsmede de in het vijfde lid genoemde secretarissen, zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de beraadslagingen in de Commissie. 5 Onze Minister voegt een secretaris en zonodig een plaatsvervangend secretaris aan de Commissie van Bezwaar toe. 6 a. Voor het behandelen van bezwaren vormt en bezet de Commissie van Bezwaar op voorstel van de voorzitter meervoudige kamers. Elke kamer bestaat uit: 1°. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter; 2°. één lid-niet-ambtenaar en 3°. één of drie leden-ambtenaren. b. artikel 147 Bij een bezwaar als bedoeld inbestaat de kamer uit: 1°. de voorzitter of een plaatsvervangend voorzitter en 2°. twee of vier leden, waarvan ten minste één lid-ambtenaar. 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 2007 214 19-06-2007 13-04-2007 20-06-2007
Artikel 146 — Artikel 146 Aanvullende bepalingen inzake de bezwaarschriftprocedure#
Artikel 146 Aanvullende bepalingen inzake de bezwaarschriftprocedure 1 Onze Minister geeft aanwijzingen omtrent de wijze waarop het bezwaarschrift wordt geadresseerd. 2 Het horen door de Commissie van Bezwaar is niet openbaar. 3 De indiener van het bezwaarschrift die in het buitenland is geplaatst of gevestigd, ontvangt overeenkomstig de regelen inzake dienstreizen een vergoeding van reis- en verblijfkosten, indien de Commissie van Bezwaar het voor haar onderzoek noodzakelijk acht dat betrokkene in persoon wordt gehoord. De Commissie bericht betrokkene zo spoedig mogelijk, of zij het voor haar onderzoek al dan niet noodzakelijk acht betrokkene al dan niet in persoon te horen. 4 tweede lid van artikel 5 Degenen die in hetzijn genoemd zijn verplicht aan een oproep van de Commissie van Bezwaar gehoor te geven en desgevraagd alle inlichtingen en ter zake dienende bescheiden zonder voorbehoud te verstrekken. Degene die bezwaar heeft gemaakt en dienst bloed- en aanverwanten tot de tweede graad kunnen zich echter van het geven van inlichtingen en het verstrekken van bescheiden onthouden. 5 Wet tarieven in strafzaken De Commissie van Bezwaar kan zich door deskundigen schriftelijk van advies en verslag doen dienen. Getuigen en deskundigen die ambtshalve zijn opgeroepen of met een opdracht zijn belast, ontvangen een vergoeding overeenkomstig de. 6 Worden aan de Commissie van Bezwaar schriftelijk inlichtingen voorgelegd omtrent degene die het bezwaar heeft ingediend, dan mogen die niet ten nadele van betrokkene gelden, tenzij deze vóór de melding aan de Commissie door betrokkene voor gezien zijn getekend, of blijkens een daarop gestelde verklaring, ondertekend door twee ambtenaren, aan betrokkene zijn voorgelezen. 7 De Commissie van Bezwaar stelt haar advies in raadkamer vast bij volstrekte meerderheid van stemmen, waarbij geen der leden zich van deelneming aan enige stemming onthoudt. 8 artikel 147 artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht artikel 7:10, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht De Commissie van Bezwaar adviseert Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, behoudens in het geval voorzien inbinnen acht weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Indien toepassing is gegeven aanbrengt de Commissie binnen twaalf weken na ontvangst van het bezwaarschrift haar advies uit. Indien sprake is van verder uitstel als bedoeld inbrengt de Commissie binnen drie weken na sluiting van haar onderzoek haar advies uit. Vanwege de voorzitter wordt in het geval bedoeld in de vorige volzin aan de indiener van het bezwaarschrift kennis gegeven van het tijdstip waarop de Commissie haar onderzoek heeft afgesloten. Na het uitbrengen van het advies verleent de Commissie de indiener van het bezwaarschrift terstond afschrift van dit advies. Het advies wordt niet openbaar gemaakt. 9 De Commissie van Bezwaar kan Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister, hoofd van het betrokken ministerie, daarbij adviseren de betrokkene bedoeld in het derde lid die in persoon werd gehoord, hoewel de Commissie het horen in persoon voor haar onderzoek niet nodig oordeelde, alsnog een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de regelen inzake dienstreizen toe te kennen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 147 — Artikel 147 Versnelde bezwaarschriftprocedure rond plaatsingen van ambtenaren#
Artikel 147 Versnelde bezwaarschriftprocedure rond plaatsingen van ambtenaren 1 Bezwaarschriften tegen een besluit tot plaatsing, ter beschikking houden of wijziging van een plaatsingsduur van de indiener van het bezwaarschrift worden door de Commissie van Bezwaar versneld behandeld, met inachtneming van het navolgende: a. artikel 27, vijfde lid indien Onze Minister de in, genoemde termijn in acht heeft genomen, adviseert de Commissie van Bezwaar binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift; Onze Minister kan, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de genoemde termijn van twee weken verlengen; b. artikel 27, vijfde lid indien Onze Minister de in, genoemde termijn spoedshalve niet in acht heeft genomen, adviseert de Commissie van Bezwaar zo spoedig mogelijk na ontvangst van het bezwaarschrift, en wel op een zodanig korte termijn dat Onze Minister in staat is na ontvangst van het advies het bestreden besluit in voorkomend geval in te trekken dan wel te wijzigen. 2 artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht Het bezwaar schorst de werking van het besluit totdat Onze Minister op het bezwaarschrift heeft beslist, indien het bezwaarschrift binnen twee weken na de dag waarop het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is ingediend, dit bezwaarschrift voldoet aan de ingestelde vereisten en het besluit nog niet ten uitvoer is gelegd. 3 Bij deze bezwaarschriftprocedures kan door Onze Minister en de buiten Nederland geplaatste, bezwaar makende ambtenaar, alsmede door de Commissie van Bezwaar en de daaraan toegevoegde secretarissen, spoedshalve gebruik worden gemaakt van de telecommunicatiemiddelen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onder onverwijlde nazending van schriftelijke bevestigingen. 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 148 — Artikel 148#
Artikel 148 Vervallen 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 2002 334 28-06-2002 13-05-2002 29-06-2002 Bij Stb. 2002/334 is in de artikelen II, III, IV, V en VI een
bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 149 — Artikel 149#
Artikel 149 Bij algemene maatregel van bestuur, regelende de overgangsbepalingen, wordt het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vastgesteld. 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987
Artikel 149a — Artikel 149a#
Artikel 149a Onze Minister kan de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit mandateren. 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 1998 598 22-10-1998 27-08-1998 23-10-1998 Artikelen 8, 118 en 144 werken terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 149b — Artikel 149b#
Artikel 149b 1 artikelen 28 35 38 104 105a 108 109 hoofdstuk X artikel 54cb artikel 54g Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de,,,,,enenvan het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken van toepassing zoals deze luidden op 30 november 2005, met dien verstande dat voorin genoemd hoofdstuk X in de plaats treedtzoals dat thans luidt. 2 artikel 3:1, tweede lid en derde lid, van de Wet arbeid en zorg artikel 3:8 3:10, eerste lid, van die wet Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstigof een uitkering op grond van, of, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 2010 819 21-12-2010 14-12-2010 22-12-2010 29-12-2005
Artikel 149c — Artikel 149c#
Artikel 149c artikel 54c De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld inindien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 november 2005. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 149d — Artikel 149d#
Artikel 149d Artikel 77, tweede lid , is niet van toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005. 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 2005 591 29-11-2005 17-11-2005 01-12-2005
Artikel 149e — Artikel 149e#
Artikel 149e artikel 22, tweede lid artikel 22, eerste lid Met uitzondering van de in, genoemde ambtenaren, wordt de ambtenaar die voorafgaand aan 1 maart 2007 op grond van dit besluit bij Koninklijk Besluit is aangesteld, aangemerkt als te zijn aangesteld op grond van. 2007 52 08-02-2007 06-02-2007 2007 52 08-02-2007 06-02-2007 01-03-2007
Artikel 149f — Artikel 149f#
Artikel 149f 1 artikel 34, zevende lid Indien aan de ambtenaar met toepassing van, zoals dat artikellid luidde op 31 december 2007, een salaris was toegekend overeenkomstig de bezoldiging van een staatssecretaris, wordt dat salaris gehandhaafd op het op die dag voor hem geldende niveau, met dien verstande dat het salaris wordt aangepast overeenkomstig algemene wijzigingen van het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel. 2 artikel 34, zevende lid Indien het salaris is vastgesteld met toepassing van het eerste lid en de ambtenaar wordt geplaatst in een functie als bedoeld in, zoals dat artikellid luidt met ingang van 1 januari 2008, wordt de ambtenaar een maandelijkse toeslag toegekend ter grootte van het verschil tussen de som van het salaris en de toeslag, vastgesteld met toepassing van dat zevende lid, en het met toepassing van het eerste lid vastgestelde salaris. 2008 5 10-01-2008 17-12-2007 2008 5 10-01-2008 17-12-2007 11-01-2008 01-01-2008
Artikel 149g — Artikel 149g#
Artikel 149g 1 artikel 66, eerste lid De ambtenaar, bedoeld in, die voor de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 26 november 2013 tot wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met de harmonisatie van enkele secundaire arbeidsvoorwaarden Rijk en het herstel van enkele technische omissies (Stb. 2013, nr. 489) is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener, ontvangt eenmalig een compensatievergoeding. 2 artikel 66, eerste lid De compensatievergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt tweemaal het positieve verschil tussen de vergoeding, bedoeld in, op jaarbasis van het jaar voor inwerkingtreding en de vergoeding op jaarbasis van het jaar na inwerkingtreding van genoemd besluit. 3 Indien de ambtenaar op het moment van inwerkingtreding van genoemd besluit, korter dan één jaar als bedrijfshulpverlener is aangewezen, wordt het verschil, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de breuk van het aantal maanden dat hij is aangewezen als bedrijfshulpverlener in de teller en twaalf in de noemer. 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 2014 324 12-09-2014 01-09-2014 13-09-2014
Artikel 149h — Artikel 149h Overgangsrecht in verband met aanspraak op vakantie#
Artikel 149h Overgangsrecht in verband met aanspraak op vakantie 1 artikel 41, tweede lid In afwijking van, wordt ten aanzien van aanspraak op vakantie-uren die vóór 1 januari 2016 is ontstaan geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren; deze aanspraak vervalt op 1 januari 2021. 2 artikel 41ab, eerste lid Onverminderd, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie-uren die vóór 1 januari 2016 is ontstaan, met ten hoogste 22 vakantie-uren per kalenderjaar verlagen indien de ambtenaar een volledige werktijd heeft. Heeft de ambtenaar een andere werktijd, dan wordt dit aantal vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. Bij toepassing van de eerste volzin is artikel 41ab, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 2015 530 22-12-2015 14-12-2015 01-01-2016
Artikel 149i — Artikel 149i#
Artikel 149i 1 Artikel 45b, achtste lid , zoals dat luidde op 31 augustus 2018, blijft gelden voor ambtenaren die voor 1 september 2018 de sector Rijk wegens ontslag hebben verlaten. 2 Artikel 45b artikel 33g , zoals dat luidde op 30 juni 2019, blijft gelden voor ambtenaren waarvan het ouderschapsverlof op grond vanis ingegaan voor 1 juli 2019. 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 2019 189 28-05-2019 13-05-2019 29-05-2019 01-09-2018
Artikel 150 — Artikel 150#
Artikel 150 Dit besluit kan worden aangehaald als Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (afgekort: RDBZ). 1986 611 24-11-1986 1986 612 24-11-1986 01-07-1987