Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens
- BWB-id
- BWBR0004825
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0004825
- ELI
- /eli/nl/amvb/1991/reglement-verkeersregels-en-verkeerstekens-1990-rvv-1990
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1991/reglement-verkeersregels-en-verkeerstekens-1990-rvv-1990/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0004825&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0004825&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0004825/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1991/reglement-verkeersregels-en-verkeerstekens-1990-rvv-1990
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanhangwagens : voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers; ambulance: artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen een voor het verlenen van zorg aan en vervoer van zieken en gewonden ingericht motorvoertuig als bedoeld in; autobus : motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; autosnelweg bijlage I : weg, aangeduid door bord G1 van; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit; autoweg bijlage I : weg, aangeduid door bord G3 van; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit; bedrijfsauto artikel 1.1 van de Regeling voertuigen : bedrijfsauto als bedoeld in; bestelauto : motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg; bestemmingsverkeer : bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen; bestuurders : alle weggebruikers behalve voetgangers; bestuurder van een motorvoertuig : 1. hij die het motorvoertuig bestuurt of 2. artikel 131, eerste lid, van de wet voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in; bevoegd gezag artikel 18, eerste lid, van de wet : gezag als bedoeld in; brombakfiets : bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen en uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier; brommobiel : bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie; busbaan : rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; busstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; dag : de periode tussen zonsopgang en zonsondergang; diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen de op grond vanaangewezen Regionale Ambulancevoorzieningen, alsmede andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen bezig houden met het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening; dierenambulance : motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren; doorgaande rijbaan : rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken; driewielig motorvoertuig artikel 1.1 van de Regeling voertuigen : driewielig motorrijtuig als bedoeld in; fietsstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; gehandicaptenvoertuig : voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is; geslotenverklaring : verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken; haaientanden : voorrangsdriehoeken op het wegdek; invoegstrook : door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden; kampeerwagen: artikel 1.1 van de Regeling voertuigen kampeerwagen als bedoeld in; kruispunt : kruising of splitsing van wegen; ligplaats: artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ligplaats als bedoeld in; lijnbus Wet personenvervoer 2000 : motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de; militaire colonne : een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren; motorfiets : motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen; motorvoertuigen : alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen; nacht : de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; overweg bijlage 1 : kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van; parkeerhaven of parkeerstrook : langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen; parkeren : het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; personenauto artikel 1.1 van de Regeling voertuigen : personenauto als bedoeld in; puntstuk : meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen; richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226); rijbaan : elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden; rijstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken; snorfiets : 1. bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec, of 2. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet bromfiets als bedoeld in; speed-pedelec: elektrische bromfiets met trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht aanhoudt als het voertuig de snelheid van 25 km per uur overschrijdt; spitsstrook bijlage 1 : de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van; T100-bus : autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur. Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur; uitrijstrook : door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten; uitvaartstoet van motorvoertuigen: artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de lijkbezorging artikel 30c een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een lijk als bedoeld inof de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de inbedoelde herkenningstekens voeren; veiligheidscel : onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel; verdrijvingsvlak : gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht; verkeer : alle weggebruikers; verkeersregelaar artikel 1, onderdeel i, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer : persoon als bedoeld in; verlicht transparant artikel 1.1 van de Regeling voertuigen : verlicht transparant als bedoeld in; vluchthaven of vluchtstrook : door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook; voertuigen : fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens; voorrangsvoertuig artikel 29 : motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in; voorrang verlenen : het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen; vrachtauto : motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg; weggebruikers : voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen; wet Wegenverkeerswet 1994 :; zitplaats artikel 1.1 van de Regeling voertuigen : zitplaats als bedoeld in. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023 01-01-2021
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikel 1.2 van de Regeling voertuigen artikel 1.3, eerste lid, van de Regeling voertuigen Artikel 1.3, tweede lid, van de Regeling voertuigen Onder de vermelding in dit besluit van een EG-richtlijn of VN/ECE-reglement wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in, met inbegrip van de ingevolgebekendgemaakte wijzigingen.is van overeenkomstige toepassing. 2009 144 26-03-2009 21-02-2009 2009 184 21-04-2009 07-04-2009 01-05-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken. 2 De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen. 3 De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde colonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 2b — Artikel 2b#
Artikel 2b De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn, in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders is bepaald. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden. 2 Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad. 2 Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken. 3 Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 4 In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken. 5 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld inmogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 6 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld ingebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid. 8 artikel 15, eerste lid, van de wet Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in, is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt. 9 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld inen op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel. 2018 184 21-06-2018 06-06-2018 2018 184 21-06-2018 06-06-2018 01-07-2018
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan. 2001 201 01-05-2001 27-03-2001 2001 363 02-08-2001 05-07-2001 01-10-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Ruiters gebruiken het ruiterpad. 2 Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een colonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikelen 5 tot en met 8 Andere bestuurders dan die genoemd in degebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. 2 Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Inhalen geschiedt links. 2 Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald. 3 Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen. 4 Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen. 5 Bestuurders mogen trams rechts inhalen. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd. 2 Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders. 2 Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram. 2001 201 01-05-2001 27-03-2001 2001 363 02-08-2001 05-07-2001 01-10-2001
Artikel 15a — Artikel 15a#
Artikel 15a 1 Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken. 2 Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij. 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 13-05-2005
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door: a. indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden; b. indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden. 2 Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan. 2 Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan. 3 Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram. 2013 523 12-12-2013 26-11-2013 2013 523 12-12-2013 26-11-2013 01-01-2014
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen 50 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fiets/bromfietspad 30 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; 3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 30 km per uur; c. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld inop het trottoir of het voetpad 6 km per uur. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fiets/bromfietspad 40 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; 3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 40 km per uur; c. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld inop het trottoir of het voetpad 6 km per uur. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur; b. voor T100-bussen 100 km per uur; c. voor brommobielen 45 km per uur; d. voor snorfietsen 25 km per uur; e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur; f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 01-01-2021
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a 1 Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, geldt als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen: 25 km per uur. 2 In afwijking van het eerste lid geldt, voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen, op wegen: 40 km per uur. a. buiten de bebouwde kom; en b. binnen de bebouwde kom: 1°. die zijn voorzien van een vrijliggend fietspad of fiets/bromfietspad; 2°. die gesloten zijn voor fietsers; of 3°. waar een maximumsnelheid van 70 km per uur geldt: 2021 214 30-04-2021 26-04-2021 2021 214 30-04-2021 26-04-2021 01-07-2021
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan: a. op een kruispunt of een overweg; b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan; d. in een tunnel; e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord; f. op de rijbaan langs een busstrook en g. langs een gele doorgetrokken streep. 2 e Onderdeelvan het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan; b. voor een inrit of een uitrit; c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg; d. op een parkeergelegenheid: 1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen; 2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; 3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden; e. langs een gele onderbroken streep; f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; g. bijlage I op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend. 2 bijlage 1 Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren. 3 De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren. 4 bijlage 1 Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep. 2 Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst. 3 Op de parkeerschijf staat aan de getoonde zijde slechts één cijferreeks, die een aanduiding geeft van de kalenderuren, en die vanaf het begin van het parkeren in duidelijk leesbare cijfers tegen een contrasterende achtergrond in hele of halve uren het tijdstip weergeeft waarop met het parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt. 4 Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken. 5 Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd: a. een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte; b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig. 2 artikel 25, tweede tot en met vijfde lid Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. 2 De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 29, eerste lid Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren. 2 Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd. 2009 5 13-01-2009 08-12-2008 2009 5 13-01-2009 08-12-2008 01-03-2009 Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd. 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 01-03-2009 Artikel III, tweede lid, van Stb. 2008/513 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 30a — Artikel 30a#
Artikel 30a 1 artikel 29, eerste lid Bestuurders van de in, bedoelde motorvoertuigen mogen onder nader aan te geven omstandigheden extra richtingaanwijzers voeren. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de in het eerste lid bedoelde richtingaanwijzers en de omstandigheden waarin deze worden gebruikt. 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 01-03-2009
Artikel 30b — Artikel 30b#
Artikel 30b artikelen 29 tot en met 30a artikel 29, eerste lid Dezijn niet van toepassing op Belgische en Duitse motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, in gebruik bij diensten voor spoedeisende hulpverlening alsmede motorvoertuigen van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten, aangewezen bij of krachtens, mits deze voertuigen elk de signalen voeren overeenkomstig de voor hen in hun eigen land geldende wettelijke regels. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 30c — Artikel 30c#
Artikel 30c De motorvoertuigen die onderdeel uitmaken van een uitvaartstoet van motorvoertuigen voeren een herkenningsteken. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het herkenningsteken en de wijze waarop dit wordt gevoerd. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 artikel 30c Signalen mogen niet worden gegeven en de inbedoelde herkenningstekens mogen niet worden gevoerd in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de inbedoelde lichten. 2 Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen: a. bij dag; b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig. 3 Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden. 2010 803 14-12-2010 03-12-2010 2010 865 29-12-2010 16-12-2010 01-01-2011
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Regeling voertuigen Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in devoorgeschreven stadslicht voeren. 2009 144 26-03-2009 21-02-2009 2009 184 21-04-2009 07-04-2009 01-05-2009
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren. 2 Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Fietsers voeren tijdens het rijden bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid. 2 Een fiets op twee wielen en een fiets op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een wit of geel licht dat aan de voorzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder een wit of geel licht voert op zijn borst. 3 Op een fiets op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten aan de voorzijde twee witte of twee gele symmetrisch links en rechts van het midden bevestigde lichten worden gevoerd. 4 Een fiets moet zijn voorzien van een rood achterlicht dat aan de achterzijde wordt gevoerd, tenzij de bestuurder of een achter de bestuurder gezeten passagier een rood licht voert op zijn rug. 5 Een fiets mag zijn voorzien van twee ambergeel licht stralende richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde. 6 Er mogen niet meer lichten worden gevoerd op een fiets, door de bestuurder daarvan of door een achter de bestuurder gezeten passagier dan de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde lichten. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 35a — Artikel 35a#
Artikel 35a 1 artikel 35 De inbedoelde verlichting mag andere weggebruikers niet verblinden. 2 artikel 35, eerste tot en met vierde lid De in, bedoelde verlichting mag niet knipperen. 3 artikel 35, eerste tot en met vierde lid De in, bedoelde verlichting moet: a. aan de voorzijde voortdurend zichtbaar zijn voor tegemoetkomende weggebruikers; b. aan de achterzijde voortdurend zichtbaar zijn voor van achteren naderende weggebruikers. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 35b — Artikel 35b#
Artikel 35b 1 Bestuurders van een wagen voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht. 2 Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, dat niet is uitgerust met een motor, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, of bij nacht voor- en achterlicht indien zij gebruik maken van de rijbaan, het fietspad of het fiets-/bromfietspad. 2010 33 09-02-2010 27-01-2010 2010 33 09-02-2010 27-01-2010 10-02-2010
Artikel 35c — Artikel 35c#
Artikel 35c artikelen 35, eerste tot en met vierde lid en zesde lid 35a artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet De, enzijn van overeenkomstige toepassing op bestuurders van snorfietsen, zijnde bromfietsen als bedoeld in. 2010 803 14-12-2010 03-12-2010 2010 865 29-12-2010 16-12-2010 01-01-2011
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Ruiters en geleiders van rij- of trekdieren en vee moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht een lantaarn meevoeren die naar voren wit of geel licht en naar achteren rood licht moet stralen. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Door voetgangers gevormde colonnes en optochten moeten buiten de bebouwde kom bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht aan de linker voorzijde een naar alle zijden wit of geel licht uitstralende lantaarn en aan de linker achterzijde een naar alle zijden rood licht uitstralende lantaarn meevoeren. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Regeling voertuigen Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in devoorgeschreven stadslicht voeren. 2009 144 26-03-2009 21-02-2009 2009 184 21-04-2009 07-04-2009 01-05-2009
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 Stilstaande wagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht voor- en achterlicht voeren. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 artikel 32, eerste lid Onverminderd, mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd. 2 Bestuurders van een motorvoertuig mogen, indien deze verlichting krachtens de Regeling voertuigen voor dat motorvoertuig is toegestaan, tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren, waarbij voor het mogen voeren van manoeuvreerlichten een maximumsnelheid geldt van 10 km per uur. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 41a — Artikel 41a#
Artikel 41a 1 Verlichte transparanten die informatie bieden over de bestemming of het gebruik van het voertuig mogen worden gevoerd door: a. personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen: 1°. artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten in gebruik bij de politie of bij de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in; 2°. in gebruik bij de brandweer; 3°. in gebruik bij pechhulpdiensten; 4°. in gebruik bij Rijkswaterstaat, bij de Inspectie Leefomgeving en Transport of bij de douane; 5°. die worden gebruikt door artsen; 6°. die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef; 7°. artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen die worden gebruikt door de Regionale Ambulancevoorzieningen, bedoeld in; 8°. artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen van hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld inbezig houden met het verlenen van spoedeisende hulpverlening; b. autobussen van openbaar vervoerdiensten; c. bedrijfsauto’s van transportbegeleiders; d. personen- en bedrijfsauto’s ingericht als dierenambulance; e. taxi’s. 2 Reglement rijbewijzen Personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen die worden gebruikt voor het geven van rijonderricht of het afleggen van een rijproef mogen slechts zijn voorzien van een verlicht transparant die de ingevolge hetvoorgeschreven letter «L» weergeeft. 3 Onverminderd het eerste lid mogen: a. verlichte transparanten die worden gevoerd door de voertuigen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4° en onderdeel c, aanwijzingen weergeven voor het overige wegverkeer, b. taxi’s zijn voorzien van verlichte transparanten die de volgende informatie weergeven: 1°. tarieven; 2°. naam van het taxibedrijf; en 3°. telefoonnummer van het taxibedrijf. 4 Taxi’s die zijn voorzien van verlichte transparanten die tarieven weergeven, mogen deze verlichting slechts voeren wanneer zij zich op een taxistandplaats bevinden. 5 Verlichte transparanten worden niet gevoerd door andere voertuigen dan genoemd in het eerste lid en worden niet gevoerd op een andere wijze dan bepaald in het eerste tot en met vierde lid. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023 01-01-2021
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden. 2 Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden. 1996 557 19-11-1996 31-10-1996 1996 686 30-12-1996 20-12-1996 01-01-1997
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden. 2 Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan. 3 Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm. 4 Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Voetgangers mogen wegen gelegen binnen een erf over de volle breedte gebruiken. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Bestuurders mogen binnen een erf niet sneller rijden dan 15 km per uur. 2012 347 24-07-2012 02-07-2012 2012 347 24-07-2012 02-07-2012 01-01-2013
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden binnen een erf te parkeren anders dan op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven. 2 artikel 25 26 Indien het erf tevens is aangeduid als parkeerschijf-zone, zijn ten aanzien van het parkeren van voertuigenenvan toepassing. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 Het is bestuurders van een motorvoertuig en bromfietsers die de rijbaan volgen toegestaan vlak voor of op rotondes anders dan aan de rechterzijde van de rijbaan te rijden. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 Het is bestuurders toegestaan vlak voor of op rotondes rechts in te halen. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 4 artikel 74, tweede lid Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in, van toepassing is. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 1 Het is verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen. 2 Het eerste lid geldt niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Bestuurders die een stilstaande tram of autobus willen voorbijrijden aan de zijde waar passagiers in- en uitstappen, moeten aan hen daartoe gelegenheid geven. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Het is bestuurders van een motorvoertuig verboden een ander motorvoertuig te slepen, indien de afstand van de achterzijde van het trekkende voertuig tot de voorzijde van het gesleepte voertuig meer dan vijf meter bedraagt. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 Bestuurders van een motorvoertuig respectievelijk bromfietsers moeten een teken met hun richtingaanwijzer geven respectievelijk een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven, indien zij willen wegrijden, andere bestuurders van een motorvoertuig willen inhalen, de doorgaande rijbaan willen oprijden en verlaten en indien zij van rijstrook willen wisselen alsmede bij alle andere belangrijke zijdelingse verplaatsingen. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt. 2 Het eerste lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken. 1999 268 06-07-1999 27-05-1999 1999 391 14-09-1999 10-09-1999 15-12-1999
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 58a — Artikel 58a#
Artikel 58a 1 Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. staande passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan; b. passagiers van autobussen zonder staanplaatsen bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet; c. artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d passagiers die worden vervoerd overeenkomstig; d. passagiers, jonger dan 3 jaar, in autobussen; e. passagiers jonger dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels; f. artikel 59, vierde lid het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in; g. het vervoer van één persoon van 8 jaar of ouder op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers. h. passagiers die gebruik maken van een ligplaats, indien op één ligplaats ten hoogste één passagier is gelegen. 3 In afwijking van het eerste lid worden op fietsen en bromfietsen passagiers jonger dan 8 jaar alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op een doelmatige en veilige voorziening met voldoende steun voor rug, handen en voeten. 4 Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 22, vijfde lid, van de wet Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in. Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn. 2 Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 3 Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld. 4 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van: a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig, b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of c. een door Onze Minister aangewezen constructie. 5 Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 6 Wet personenvervoer 2000 artikel 81, tweede lid, van die wet Regeling voertuigen Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van deen tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in, of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de. 7 De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen. 8 Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 9 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 59a — Artikel 59a#
Artikel 59a 1 Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. 2 Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren: a. door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon; b. door audiovisuele middelen; c. door opschriften of het volgende pictogram: Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht. 3 In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken. 4 Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 5 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 59b — Artikel 59b#
Artikel 59b 1 artikel 59, eerste en achtste lid Artikel 59, zevende lid, is van toepassing In afwijking van, mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt.. 2 artikel 59, eerste lid, tweede volzin, en achtste lid In afwijking van, mogen in incidentele gevallen en over korte afstand in personenauto's en bestelauto's op andere dan de voorste zitplaatsen passagiers die 3 jaar of ouder zijn en met een lengte van minder dan 1,35 meter worden vervoerd wanneer deze passagiers een autogordel gebruiken. Dit geldt niet met betrekking tot passagiers waarvan een ouder de auto bestuurt dan wel daarvan eigenaar of houder is. 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 01-05-2009
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 21 van de wet De bestuurder en de passagiers van bromfietsen, snorfietsen, brommobielen zonder gesloten carrosserie, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen zonder gesloten carrosserie moeten een goed passende helm dragen, die door middel van een sluiting op deugdelijke wijze op het hoofd is bevestigd en die is voorzien van een goedkeuring als bedoeld inen een bij ministeriële regeling aangeduid goedkeuringskenmerk. 2 Het eerste lid geldt niet voor: a. artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet de bestuurder en de passagiers van een bromfiets als bedoeld in. b. de bestuurder en de achter hem zittende passagier van een brombakfiets; c. de bestuurder of de passagier van een door de Dienst Wegverkeer aangewezen type bromfiets, niet zijnde een brommobiel, of motorfiets van wie de zitplaats beschermd wordt door een veiligheidscel en voorzien is van een autogordel, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt. Bij de aanwijzing kan onderscheid gemaakt worden tussen de bestuurder en de passagiers ten aanzien van de gelding van het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld betreffende de eisen waaraan een type bromfiets of motorfiets moet voldoen om te kunnen worden aangewezen. Deze regels zien in elk geval op de eisen die gesteld worden aan de veiligheidscel en de autogordels; d. artikel 5.6.47, derde en vierde lid, van de Regeling voertuigen artikel 5.5.47, vierde en vijfde lid, van de Regeling voertuigen de bestuurders of de passagiers van een brommobiel zonder gesloten carrosserie of een driewielig motorvoertuig zonder gesloten carrosserie van wie de zitplaats in deze brommobiel of dat motorvoertuig is voorzien van twee bevestigingspunten onder en één bevestigingspunt boven voor een autogordel overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig zoals die gold op de datum waarop het voertuig in gebruik is genomen, en waarbij de autogordel voldoet aanof aan, mits van deze autogordel gebruik gemaakt wordt. 3 Het is bestuurders verboden passagiers beneden de twaalf jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 2022 270 30-06-2022 24-06-2022 2022 270 30-06-2022 24-06-2022 01-01-2023
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 Vervallen 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 61a — Artikel 61a#
Artikel 61a Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler. 2019 237 28-06-2019 24-06-2019 2019 237 28-06-2019 24-06-2019 01-07-2019
Artikel 61b — Artikel 61b#
Artikel 61b 1 Het is verboden personen te vervoeren in de open of gesloten laadruimte van een motorvoertuig of bromfiets en in of op een aanhangwagen achter een motorvoertuig of bromfiets. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op het vervoer van personen in de laadruimte van een ambulance of dierenambulance en op het vervoer van rolstoelinzittenden op de daarvoor ingerichte plaatsen in de laadruimte van een voertuig dat blijkens een aantekening op het kentekenbewijs speciaal is uitgerust voor rolstoelvervoer. b. op het vervoer van personen in de laadruimte van motorvoertuigen ten dienste van politie en brandweer en van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten; c. op het vervoer van een persoon op de bestuurderszitplaats in een motorvoertuig of op een bromfiets op meer dan twee wielen die door een ander motorvoertuig of een andere bromfiets op meer dan twee wielen wordt voortgetrokken en op het vervoer van passagiers van het getrokken voertuig als hier bedoeld, voor wie geen zitplaats in het trekkende voertuig als hier bedoeld beschikbaar is; d. in het geval het vervoer van personen geschiedt in het kader van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven; e. op het vervoer van personen met een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km per uur, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen indien voor dit vervoer een vergunning door het bevoegd gezag is afgegeven. 2012 378 28-08-2012 11-08-2012 2012 513 30-10-2012 19-10-2012 01-01-2013
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 63a — Artikel 63a#
Artikel 63a Tijdelijke geplaatste of toegepaste verkeerstekens op het wegdek gaan boven ter plekke aangebrachte andere verkeerstekens op het wegdek, voor zover deze verkeerstekens onverenigbaar zijn. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 63b — Artikel 63b#
Artikel 63b 1 Wanneer verkeerstekens die een maximumsnelheid aanduiden een hogere snelheid aangeven dan : geldt de laagste aangegeven snelheid. a. artikelen 20, onderdeel b 21, onderdeel b 22 22a de in de,,envastgestelde maximumsnelheden, of b. artikel 86a de ingevolge een ministeriële regeling krachtensgeldende maximumsnelheid, of c. artikel 45 de inaangegeven snelheid, 2 Indien zowel door verkeerstekens op borden als door elektronische signaleringsborden een maximumsnelheid wordt aangegeven, geldt de laagste aangegeven maximumsnelheid. 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 01-01-2021
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 64a — Artikel 64a#
Artikel 64a Verkeersborden mogen op een elektronisch signaleringsbord worden weergegeven. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken. 2 bijlage I De verkeersborden E1, E2 en E3 vangelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst. 3 Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten. 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied. 2 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid. 3 bijlage 1 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 vanis geplaatst. 2001 329 12-07-2001 22-06-2001 2001 437 28-09-2001 27-09-2001 01-01-2002
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden: a. een nadere uitleg van het verkeersbord; b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag; c. ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag. 2 Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord. 3 bijlage 1 Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke inzijn opgenomen. 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 Bij driekleurige verkeerslichten betekent: a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2 Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting. 3 Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. 4 Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden. 5 Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan. 6 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 Bij tweekleurige verkeerslichten betekent: a. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; b. rood licht: stop. 2 artikel 68 Het tweede tot en met zevende lid vanzijn van overeenkomstige toepassing. 1996 557 19-11-1996 31-10-1996 1996 686 30-12-1996 20-12-1996 01-01-1997
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 Bij tram/buslichten betekent: a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2 Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen. 3 De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft. 4 De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2009 160 02-04-2009 20-03-2009 01-05-2009
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 Bij overweglichten betekent: a. wit knipperlicht: er nadert geen trein; b. rood knipperlicht: stop. 1991 497 17-09-1991 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 Bij rijstrooklichten betekent: a. bijlage I groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van: de rijstrook mag worden gebruikt; b. rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt; c. witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis; d. het woord «BUS»: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus; e. het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus. 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 01-05-2009
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 Bij voetgangerslichten betekent: a. groen licht: voetgangers mogen oversteken; b. groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig; c. rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen. 2 artikel 75 Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in, mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan. 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Geel knipperlicht betekent: gevaarlijk punt; voorzichtigheid geboden. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 1 Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten; b. indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht; c. op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht. 2012 378 28-08-2012 11-08-2012 2012 513 30-10-2012 19-10-2012 01-01-2013
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken. 2 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert. 3 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert. 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 2010 227 22-06-2010 31-05-2010 01-07-2010
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 1 Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook. 2 Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2009 160 02-04-2009 20-03-2009 01-05-2009
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 Busbanen en busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. Busbanen en busstroken waarop het woord «LIJNBUS» is aangebracht mogen slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus of een tram. 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2009 160 02-04-2009 20-03-2009 01-05-2009
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door: a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren, b. de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren, c. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en d. de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding. 2 Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven. 3 bijlage II, onderdeel 8 Bestuurders zijn tevens verplicht de in, vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers. 4 bijlage 1 Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond. 2009 5 13-01-2009 08-12-2008 2009 5 13-01-2009 08-12-2008 01-03-2009
Artikel 82a — Artikel 82a#
Artikel 82a artikel 41a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 4° Weggebruikers zijn voorts verplicht de aanwijzingen op te volgen die worden gegeven door middel van de verlichte transparanten op personenauto’s, bedrijfsauto’s en motorfietsen in gebruik bij de in, genoemde diensten en op bedrijfsauto’s van transportbegeleiders. 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 2008 513 16-12-2008 26-11-2008 01-03-2009
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen een stopteken wordt getoond dat bestaat uit een rode lamp dan wel uit een aan een voertuig van de politie of van weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat aangebracht verlicht transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere achtergrond worden verlicht. 2008 184 29-05-2008 19-05-2008 2008 184 29-05-2008 19-05-2008 01-06-2008 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 Aanwijzingen gaan boven verkeerstekens en verkeersregels. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 1 artikel 25 artikelen 24, eerste lid, onderdeel e 46 62 bijlage 1 Op bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin op de door Onze Minister voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht, zijnen, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de,en, voor zover het betreft bord E1 van, niet van toepassing. 2 artikel 25 artikelen 24, eerste lid, onderdeel e 62 bijlage 1 Op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, zijnen, indien niet langer wordt geparkeerd dan drie uren, de, en, voor zover het betreft bord E1 van, niet van toepassing. 3 Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte. 4 In de gevallen, waarin niet langer dan drie uren mag worden geparkeerd, moet het motorvoertuig overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde zijn voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen. 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 2017 181 12-05-2017 24-04-2017 01-07-2017
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 Met een gehandicaptenparkeerkaart worden gelijkgesteld de door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven parkeerkaarten voor gehandicapten, voor zover deze bij ministeriële regeling zijn aangewezen. 2001 201 01-05-2001 27-03-2001 2001 363 02-08-2001 05-07-2001 01-10-2001
Artikel 86a — Artikel 86a#
Artikel 86a 1 artikel 21, aanhef en onderdeel a In geval van een ernstige verstoring van de olieaanvoer kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat op autosnelwegen en op autowegen, in afwijking van, voor motorvoertuigen een maximumsnelheid geldt van 90 kilometer per uur. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtauto’s, motorvoertuigen met aanhangwagen of autobussen, niet zijnde T100-bussen. 3 Onze Minister stelt de regeling, als bedoeld in het eerste lid, vast in overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van Economische Zaken. 4 De regeling, als bedoeld in het eerste lid, vervalt uiterlijk met ingang van de eerste dag van de vijfde kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding. 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 13-05-2005
Artikel 86b — Artikel 86b#
Artikel 86b artikel 86a, eerste lid artikel 86a Het is de bestuurders van de in, bedoelde motorvoertuigen verboden de ingevolgebepaalde maximumsnelheid te overschrijden. 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 2005 235 12-05-2005 27-04-2005 13-05-2005
Artikel 86c — Artikel 86c#
Artikel 86c Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlage 1 wordt verstaan onder: bedrijfsauto: artikel 1.1 van de Regeling voertuigen bedrijfsauto als bedoeld in, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg; emissieklasse: Kentekenreglement klasse van uitstoot van broeikasgassen, verontreinigende gassen en deeltjes door een voertuig als bedoeld in de bijlage van het; kermis- en circusvrachtauto: artikel 1.1 van de Regeling voertuigen vrachtauto die feitelijk gebruikt wordt als kermis- en circusvoertuig als bedoeld inen in het kentekenregister aangeduid als kermis- en circusvoertuig; emissieloos voertuig: voertuig zonder uitlaatemissie van broeikasgassen, verontreinigende gassen en deeltjes (emissieklasse Z); opleggertrekker: artikel 1.1 van de Regeling voertuigen 2 3 opleggertrekker als bedoeld inmet de voertuigclassificatie Nof N; verhuisauto: vrachtauto die gebruikt wordt door een verhuisonderneming en bestemd voor het vervoeren van inboedels; voor rolstoelen toegankelijke personen- of bedrijfsauto: personen- of bedrijfsauto die in het kentekenregister is voorzien van de aanduiding voor speciale doeleinden voor rolstoelen toegankelijk voertuig (code SH) of van de bijzonderheidscodes 70, 145, 146, 147 of 149; vrachtauto voor exceptioneel transport: artikel 1, onder c, van het Besluit ontheffingverlening exceptioneel vervoer vrachtauto voor exceptioneel transport als bedoeld in. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2024 115 30-04-2024 25-04-2024 01-07-2024 2024 107 29-04-2024 25-04-2024 2024 115 30-04-2024 25-04-2024 01-07-2024
Artikel 86d — Artikel 86d#
Artikel 86d 1 bijlage 1 De geslotenverklaring krachtens verkeersbord C22e vanvanwege een milieuzone is van toepassing op personenauto’s, bedrijfsauto’s, vrachtauto’s of autobussen met een dieselmotor. 2 bijlage 1 Onder verkeersbord C22e worden de inopgenomen onderborden C22e4, C22e5, C22e6, C22e7, C22e8, C22e9 of C22e10 geplaatst. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kampeerwagens, voor zover het betreft een geslotenverklaring vanwege een milieuzone waarin de houder van het kenteken van het betreffende voertuig woonachtig is; b. voertuigen met een datum van eerste toelating van veertig jaar of ouder; c. voor rolstoelen toegankelijke personen- of bedrijfsauto’s; d. vrachtauto’s, met de in het kentekenregister vastgelegde carrosseriecode 15, 16, 19, 23, 26, 27, 31 of de aanduiding voor speciale doeleinden SB en SF, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger. 4 artikel 87 Een ontheffing als bedoeld in, voor zover het betreft het verkeersteken C22e, wordt door het bevoegd gezag in ieder geval verleend voor de volgende voertuigen en is geldig voor het gehele land: a. voertuigen van gehandicapten, welke zijn aangepast voor € 500 of meer; b. kermis- en circusvrachtauto’s, vrachtauto’s voor exceptioneel transport, verhuisauto’s en vrachtauto’s met een laadkraan met een hefvermogen van 35 tonmeter of meer, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger. 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 01-01-2026
Artikel 86e — Artikel 86e#
Artikel 86e 1 bijlage 1 De geslotenverklaring krachtens verkeersbord C22e vanvanwege een nul-emissiezone is van toepassing op bedrijfsauto’s en vrachtauto’s, met uitzondering van emissieloze voertuigen. 2 bijlage 1 Onder verkeersbord C22e wordt het inopgenomen onderbord C22e1 geplaatst. 3 Tot en met 31 december 2026 is het eerste lid niet van toepassing op bedrijfsauto’s met emissieklasse 5. 4 Tot en met 31 december 2027 is het eerste lid niet van toepassing op bedrijfsauto’s met minimaal emissieklasse 6. 5 Tot en met 31 december 2029 is het eerste lid niet van toepassing op: a. artikel 86d, derde lid, onderdelen b tot en met d de voertuigen, bedoeld in; b. opleggertrekkers met emissieklasse 6 met een datum van eerste toelating vanaf 1 januari 2017; c. vrachtauto’s met emissieklasse 6 voor zover die niet onder onderdeel b vallen en met een datum van eerste toelating vanaf 1 januari 2020. 6 artikel 87 Een ontheffing als bedoeld in, voor zover het betreft het verkeersteken C22c, wordt door het bevoegd gezag in ieder geval verleend voor de volgende voertuigen: a. voertuigen van gehandicapten, welke zijn aangepast voor € 500 of meer; b. kermis- en circusvrachtauto’s, vrachtauto’s voor exceptioneel transport, verhuisauto’s en vrachtauto’s met een laadkraan met een hefvermogen van 35 tonmeter of meer, en met een datum van eerste toelating van twaalf jaar of jonger. 7 Het derde, vierde en vijfde lid, onderdelen b en c, zijn niet van toepassing op bedrijfs- en vrachtauto’s die na 31 december 2024 op kenteken zijn gezet. 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 01-01-2026
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 artikelen 3, eerste lid 4 artikel 5, eerste, tweede en achtste lid 6, eerste, tweede en derde lid 8 10 23, eerste lid 24 25 26 42 43 46 53 61b artikel 62 artikelen 73 76 77 78 81 Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de,,,,,,,,,,,,,,, alsmedevoor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22e, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de,,,en. 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 01-01-2026
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 1 artikel 149, tweede lid, van de wet Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd vanvoor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd. 2 De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar. 3 richtlijn nr 91/671/EEG PbEG Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van devan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton (L 373) aangebracht. 4 richtlijn nr 91/671/EEG Een wijziging van degaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 5 De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht. 2002 67 14-02-2002 04-02-2002 2002 167 28-03-2002 21-03-2002 30-03-2002
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 Bestuurders van een voorrangsvoertuig mogen afwijken van de voorschriften van dit besluit voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 artikelen 3 tot en met 12 14 tot en met 27 30, eerste lid 31 tot en met 43 45 46 49 tot en met 61b 62 bijlage 1 68, zesde lid 74, tweede lid 82 82a 83 86b Overtreding van de,,,,,,,, met uitzondering van verkeersbord C22 van,,,,,enis een strafbaar feit. 2 Bij de veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig, een bromfietser of een snorfietser wegens een overtreding als bedoeld in het eerste lid kan hem de bevoegdheid om motorvoertuigen, bromfietsen en snorfietsen te besturen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd. 2008 184 29-05-2008 19-05-2008 2008 184 29-05-2008 19-05-2008 01-06-2008
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 Vervallen 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 2009 171 16-04-2009 23-03-2009 01-05-2009
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 bijlage 1 van het RVV 1990 De in de rechterkolom genoemde borden volgens het model van bijlage 2, behorende bij het met ingang van 1 november 1991 ingetrokken Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Stb. 1966, 181), blijven van kracht. Zij hebben de betekenis die is toegekend aan de overeenkomstige in de linker kolom genoemde borden opgenomen in. 2 In afwijking van het eerste lid behouden de in de rechter kolom genoemde borden 46 en 47 de betekenis die daaraan is toegekend in het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde reglement. Zij blijven van kracht tot 1 januari 2009. Bijlage I RVV 1990 Bijlage II RVV 1966 A1 1 A2 2 A4 1a (eerste model) A5 2a (eerste model) B1 6 B2 7 B3 8 B4 8 (uitgevoerd conform onderschrift) B5 8 (uitgevoerd conform onderschrift) B7 10 C3 13 C4 14 C6 17 C7 17a C8 17b C10 18 C11 19 C12 20 C13 21 C14 22 C15 23 C16 27 C17 32 C18 33 C19 34 C20 35 C21 36 C22 98a D1 15 D2 16 D3 63 D4 tot en met D6 46 en 47 E3 52 E4 99 E5 54a E6 54b en 54c E7 54d E8 99 (met onderbord waarop de betrokken categorie is aangegeven) E9 99a E10 53 E11 54 F1 40 F2 41 F3 42 F4 43 F5 44 F6 45 F7 48 F8 55 G1 57a G2 58a G3 57b G4 58b G5 57c G6 58c G7 61 G11 59 G13 60 H1 3 en 4 H2 5 J2 66 J3 67 J4 69 J5 68 J1 73 J15 79 J16 80 J20 82 J21 83 J22 84 J23 84 J24 87 J25 85 J26 86 J27 88 J28 89 J29 91 J31 93 J33 94a J34 94b J35 94c J37 90 K14 98 L2 96 L3 102 L4 100 L8 101, onderdeel a L9 101, onderdeel b 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 2008 90 27-03-2008 17-03-2008 01-04-2008
Artikel 96a — Artikel 96a#
Artikel 96a Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer Verkeersborden die zijn geplaatst voor de inwerkingtreding van Besluit van 20 oktober 2022 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en hetin verband met diverse aanpassingen (onderhoudswijziging Reglement verkeersregels verkeerstekens 1990) (Stb.2022,413), die niet voldoen aan dit Reglement, voldoen aan het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze wijziging. 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 2022 413 31-10-2022 20-10-2022 01-01-2023
Artikel 96b — Artikel 96b#
Artikel 96b Verkeersborden die zijn geplaatst voor inwerkingtreding van het Besluit van 4 oktober 2025, tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer in verband met de invoering van een nieuw verkeersbord en bijbehorende onderborden voor milieuzones en nul-emissiezones (Stb. 2025, 265), die niet voldoen aan dit Reglement, voldoen aan het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze wijziging. 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 2025 265 10-10-2025 04-10-2025 01-01-2026
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 bijlage I Bewegwijzeringsborden, geplaatst voor 1 november 1991, blijven van kracht totdat zij door invastgestelde borden zijn vervangen. 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 Vervallen 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 2020 505 11-12-2020 04-12-2020 01-01-2021
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 113 — Artikel 113#
Artikel 113 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 114 — Artikel 114#
Artikel 114 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 115 — Artikel 115#
Artikel 115 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 116 — Artikel 116#
Artikel 116 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 117 — Artikel 117#
Artikel 117 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 118 — Artikel 118#
Artikel 118 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 119 — Artikel 119#
Artikel 119 Vervallen 1994 815 16-11-1994 1994 919 29-12-1994 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 120 — Artikel 120#
Artikel 120 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991
Artikel 121 — Artikel 121#
Artikel 121 Dit besluit kan worden aangehaald als "Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" of als "RVV 1990". 1990 459 26-07-1990 1991 513 14-10-1991 01-11-1991