Besluit van 25 maart 1995, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (invoering gewijzigde rechtspositieregeling vormingswerk en landbouwpraktijkonderwijs, aanpassing in verband met decentralisatie arbeidsvoorwaarden HBO, doorwerking Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA), invoering eindejaarsuitkering voor het onderwijsondersteunend personeel, verlenging overgangsuitkering WW-bodem en diverse wijzigingen in diverse hoofdstukken), van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen, van het Kaderbesluit rechtspositie HBO (doorwerking TBA), toekenning van een eenmalige uitkering in verband met algemene salarismaatregelen in 1992, toekenning van een eenmalige uitkering als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede fase, van het Bezoldigingsbesluit wetenschappelijk onderwijs, van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs en vaststelling van de Seniorenbeleid Onderwijspersoneelregeling (SOP-regeling-HO)
- BWB-id
- BWBR0007301
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 1999-12-17 t/m 2005-11-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007301
- ELI
- /eli/nl/amvb/1992/wijzigingsbesluit-rechtspositiebesluit-onderwijspersoneel-6
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1992/wijzigingsbesluit-rechtspositiebesluit-onderwijspersoneel-6/1999-12-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007301&g=1999-12-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007301&z=2026-06-06&g=1999-12-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007301/1999-12-17
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1992/wijzigingsbesluit-rechtspositiebesluit-onderwijspersoneel-6
Artikel I — Artikel I#
Artikel I Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel II — Artikel II#
Artikel II Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel III — Artikel III#
Artikel III Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel IV — Artikel IV#
Artikel IV Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. Artikel 4. Artikel 5. In dit artikel wordt verstaan onder: a De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder, wordt voor de toepassing van dit besluit niet als betrokkene aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerst oefening en in verband daarmee de aan zijn functie verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage. Hij die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aan hoofdstuk 5 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen, dan wel aan daarmede overeenkomende voorzieningen in andere rechtspositieregelingen, aanspraak kan ontlenen op bezoldiging of loon, wordt voor de toepassing van dit artikel behandeld alsof hij in dienst is gebleven. a. betrokkene: 1°. a de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen; 2°. artikelen 4 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de, eerste lid, en; 3°. Stb. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (287); 4°. artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in; 5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen; 6°. artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van de; 7°. a de onder, onder 1° en 5°, bedoelde betrokkene die op grond van hoofdstuk 19 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen aanspraak heeft op een ontslaguitkering; 8°. a Rijkswachtgeldbesluit de onder, onder 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde betrokkene die overeenkomstig het1966 dan wel de Uitkeringregeling 1966 aanspraak heeft op een ontslaguitkering. b. berekeningsbasis: 1°. a c a Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen voor de betrokkene, bedoeld onder, onder 1° en 5°, het salaris, bedoeld in artikel 2, onder, onderscheidenlijk artikel 142 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen en voor de betrokkene bedoeld onder, onder 2°, 3°, 4° en 6°, het salaris, bedoeld in hetdat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen terzake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld dan wel de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in artikel 119 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk de, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen; 2°. a voor de betrokkene bedoeld onder, onder 7° en 8°, het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregelingen over de maand september 1992 werd uitgekeerd. 1. a Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder, onder 1° tot en met 6° wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 6% van de voor hem geldende berekeningsbasis. 2. a Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder, onder 7° en 8°, wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 5, 56% van de voor hem geldende berekeningsbasis, dan wel ter grootte van 6% van de berekeningsbasis, indien daaruit het effect van de vakantie-uitkering is verwijderd. 1. Onder ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, wordt niet mede verstaan de in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering, dan wel de overeenkomstige uitkering in andere rechtspositieregelingen. 2. Stb. De in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering wordt aangewezen als een uitkering bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet van 17 juli 1923,364. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel V — Artikel V#
Artikel V 1 In dit artikel wordt verstaan onder: a. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel Rechtspositiebesluit: hetzoals dat op 30 september 1992 luidde; b. artikel I e betrokkene: een betrokkene bedoeld in-A1, onder, van het Rechtspositiebesluit, die in de periode van 1 januari 1992 tot en met 30 september 1992: 1. benoemd is of benoemd is geweest en voor zover over één van die maanden salaris is genoten; 2. een ontslaguitkering genoot op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit; 3. artikel I een ziekte-uitkering genoot na ontslag volgens-E19 van het Rechtspositiebesluit. c. berekeningsbasis: 1. b voor de betrokkene, genoemd onder.1, het totaal door de betrokkene over de maanden januari 1992 tot en met september 1992 feitelijk genoten salaris; 2. b voor de betrokkene, genoemd onder.2, de voor de betrokkene van toepassing zijnde laatstelijk genoten bezoldiging met uitzondering van de daarin opgenomen vakantie-uitkering en overige toelagen. 2 b Aan de betrokkene, genoemd in het eerste lid, onder.1 wordt per werkgever per dienstverband in de maand oktober 1992 een eenmalige uitkering toegekend waarvan de hoogte wordt berekend door bij elkaar op te tellen het feitelijk genoten salaris over: en de som te vermenigvuldigen met 0,005. a. de maanden januari 1992 tot en met maart 1992, vermenigvuldigd met 1,03; b. de maanden april 1992 tot en met september 1992; c. de maand september, vermenigvuldigd met 3; 3 b Aan de betrokkene, genoemd in het eerste lid, onder.2, wordt in de maand oktober 1992 een eenmalige uitkering toegekend, waarvan de hoogte wordt berekend door bij elkaar op te tellen de laatstgenoten bezoldiging, met uitzondering van de daarin opgenomen vakantie-uitkering en overige toelagen, over: en de som achtereenvolgens te vermenigvuldigen met 0,005 en het uitkeringspercentage dat voor de uitkering van toepassing is. a. de maanden januari 1992 tot en met maart 1992, vermenigvuldigd met 1,03; b. de maanden april 1992 tot en met september 1992; c. de maand september, vermenigvuldigd met 3; 4 Ten aanzien van de berekening, bedoeld in: a. artikel I het tweede lid worden inkomsten uit een nieuwe betrekking, die op grond van-P87 in mindering worden gebracht, buiten beschouwing gelaten; b. artikelen I het derde lid, is het bepaalde in de-H15 en I-H16 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in mindering te brengen inkomsten buiten beschouwing blijven. 5 De in het tweede en derde lid bedoelde uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet, wordt niet aangemerkt als bezoldiging en blijft buiten beschouwing bij de toepassing van de hoofdstukken I-E, I-F, I-H, I-J, I-K, I-L en de artikelen I-P7 tot en met I-P11, I-P17 en I-P18 van het Rechtspositiebesluit. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-01-1992
Artikel VI — Artikel VI#
Artikel VI 1 In dit artikel wordt verstaan onder: a. betrokkene: 1°. a de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen; 2°. artikelen 4 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de, eerste lid, en; 3°. Stb. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (287); 4°. artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in; 5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen; 6°. artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van demet dien verstande dat niet als betrokkene wordt aangemerkt degene die: - c b Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs Ziekenfondswet uit hoofde van zijn dienstverhouding met het ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen, onderscheidenlijk de instelling als bedoeld in artikel 2, onder, van hethetzij zelfstandig verplicht verzekerd is krachtens de; - ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerste oefening; - verlof dan wel buitengewoon verlof geniet zonder behoud van bezoldiging; - ontheven is van de waarneming van zijn ambt in verband met de uitoefening van een politieke functie zonder behoud van bezoldiging; - geschorst is zonder behoud van bezoldiging; b. berekeningsbasis: het voor betrokkene op 30 september 1992 geldende salaris bij een volledige werktijd, bedoeld in het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk het Bezoldigingsbesluit wetenschappelijk onderwijs; c. de werktijdfactor: de overeengekomen werktijd gedeeld door de volledige werktijd. 2 a Aan de betrokkene bedoeld in het eerste lid, onder, wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 11,3% van de voor hem geldende berekeningsbasis, met een maximum van f 431,- vermenigvuldigd met de werktijdfactor zoals deze voor de betrokkene op 30 september 1992 gold. 3 De eenmalige uitkering is geen ambtelijk inkomen als bedoeld in artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet. 4 De eenmalige uitkering wordt niet gerekend tot de inkomsten, bedoeld in artikel 2, noch tot de tegemoetkoming in ziektekosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-09-1992
Artikel VII — Artikel VII#
Artikel VII 1 In dit artikel wordt verstaan onder: a. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel Rechtspositiebesluit: hetzoals dat op 30 september 1992 luidde; b. artikel I e betrokkene: een betrokkene bedoeld in-A1, onder, van het Rechtspositiebesluit, die in de periode van 1 januari tot en met 30 september 1992: 1. in het onderwijs benoemd is of benoemd is geweest; 2. in één van die maanden salaris heeft genoten; 3. op grond van de benoeming of een gedeelte van die benoeming niet zelfstandig verplicht verzekerd is of is geweest; c. berekeningsbasis: het voor betrokkene geldende salaris bij een normbetrekking; d. werktijdfactor: de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene is benoemd, verminderd met het deel van de betrekkingsomvang waarvoor geen bezoldiging wordt ontvangen en gedeeld door de omvang van de normbetrekking, waarbij de uitkomst, indien hoger dan 1, op 1 wordt gesteld. 2 Aan de betrokkene, wordt in één der maanden gelegen in de periode oktober tot en met december 1992 een eenmalige uitkering toegekend waarvan de hoogte per dienstverband wordt vastgesteld door: c en de voor de maanden januari 1992 tot en met september 1992 vastgestelde bedragen te sommeren, waarbij de maand waarvoor de berekening onderleidt tot de uitkomst 0, buiten beschouwing blijft. a. de berekeningsbasis, nadat deze voor de maanden januari, februari en maart 1992 is vermenigvuldigd met 1,03, te vermenigvuldigen met 0,00942; b. a de uitkomst van de berekening onder, doch ten hoogste f 35,92, te vermenigvuldigen met: 1. de werktijdfactor op de laatste dag van de desbetreffende maand voor de betrokkene die op de laatste dag van deze maand is benoemd; 2. de laatstbekende werktijdfactor in de desbetreffende maand, indien betrokkene niet op de laatste dag van deze maand is benoemd; c. b de uitkomst van de berekening onder, te vermenigvuldigen met het aantal kalenderdagen waarvoor betrokkene in de desbetreffende maand benoemd is geweest, waarbij het aantal kalenderdagen waarover ziekenfondspremie is berekend buiten beschouwing blijft en te delen door het aantal kalenderdagen van de desbetreffende maand; d. a c de, met inachtneming van het bepaalde intot en metvoor de maand september berekende uitkering te vermenigvuldigen met 4; 3 b c De onderenberekende bedragen worden rekenkundig afgerond op centen. 4 De in het tweede lid bedoelde uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet en blijft buiten beschowuwing bij de toepassing van de hoofdstukken I-E, I-F, I-H, I-J, I-K, I-L en de artikelen I-P7 tot en met I-P11, I-P17 en I-P18 van het Rechtspositiebesluit. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-01-1992
Artikel VIII — Artikel VIII#
Artikel VIII 1 In dit artikel wordt verstaan onder: a. Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel Rechtspositiebesluit: hetzoals dat op 30 september 1992 luidde; b. Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II betrokkene: degene die op 30 september 1992 een uitkering geniet krachtens de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel dan wel de, met dien verstande dat niet als betrokkene wordt aangemerkt degene die - d Ziekenfondswet uit hoofde van zijn dienstverhouding met de instelling als bedoeld in artikel IA-1 onder, van het Rechtspositiebesluit hetzij zelfstandig verplicht verzekerd is krachtens de, dan wel deelnemer is in een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren; - Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II Ziekenfondswet op grond van zijn uitkering in de zin van de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel dan wel dehetzij verzekerd is krachtens de, dan wel deelnemer is in een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren; c. Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II berekeningsbasis: de op 30 september 1992 geldende uitkering krachtens de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel dan wel de; herrekend naar een volledige betrekking verminderd met de daarin begrepen vakantie-uitkering van 8%; d. de werktijdfactor: de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene is benoemd, verminderd met het deel van de betrekkingsomvang waarvoor geen bezoldiging wordt ontvangen en gedeeld door de omvang van de normbetrekking, waarbij de uitkomst, indien hoger dan 1, op 1 wordt gesteld; e. de deeltijdfactor: de overeengekomen betrekkingsomvang gedeeld door de volledige betrekkingsomvang zoals die voor betrokkene gold op de dag vóór het ontslag dan wel gedeeltelijke uittreding. f. de uittreedfactor: de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene is uitgetreden gedeeld door de betrekkingsomvang zoals die gold voor het ontslag dan wel gedeeltelijke uittreding. 2 Aan de betrokkene, wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 11,3% van 80% van de voor hem geldende berekeningsbasis, met een maximum van f 431, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor. 3 De eenmalige uitkering is geen ambtelijk inkomen als bedoeld in artikel C1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet. 4 De eenmalige uitkering wordt niet gerekend tot de inkomsten, bedoeld in artikel 2, noch tot de tegemoetkoming in ziektekosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-09-1992
Artikel IX — Artikel IX#
Artikel IX Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel X — Artikel X#
Artikel X Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel XI — Artikel XI#
Artikel XI Bevat wijzigingen in andere regelgeving. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel XII — Artikel XII (Seniorenbeleid onderwijspersoneel regeling (SOP-regeling-HO))#
Artikel XII (Seniorenbeleid onderwijspersoneel regeling (SOP-regeling-HO)) De Seniorenbeleid Onderwijspersoneel regeling wordt als volgt vastgesteld: In deze regeling wordt verstaan onder: a b c a Bij vermindering van de werktijd als bedoeld in artikel 2, wordt op het salaris van het personeelslid in de in artikel 2, eerste lid, onder,of, genoemde gevallen een inhouding toegepast ter grootte van: onder. 5%, onderscheidenlijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel; b onder. 25% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel; c onder. 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel. Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van het personeelslid zijn de artikelen 7 en 8 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uitt reden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan het personeelslid zou verdienen, indien hij in deeltijd werkzaam zou zijn in een betrekking met een gelijke omvang. Deze regeling kan worden aangehaald als Seniorenbeleid Onderwijspersoneel regeling (SOP-regeling-HO). Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3. Artikel 4. Artikel 5. Artikel 6. Artikel 7. Artikel 8. a. instelling: - a d Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderen, van de; - de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; - het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie; b. personeelslid: een personeelslid in dienst van een instelling en wat betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie een personeelslid in dienst van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen dat werkzaam is bij dat Rijksinstituut; c. bevoegd gezag: het college van bestuur, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van een instelling en voor zover het betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen; d. salaris: het salaris dat voor een personeelslid is vastgesteld aan de hand van de voor deze geldende rechtspositieregeling; e. volledige werktijd: een werktijd die gemiddeld acht en dertig werkuren per week omvat; f. arbeidsduur: de betrekkingsomvang van het personeelslid, voordat deze van deze regeling gebruik maakt. 1. Tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt de werktijd van het personeelslid met een volledige werktijd die daartoe een aanvraag heeft ingediend, met behoud van zijn arbeidsduur, verminderd, waarbij hij met vervallen van de overige in dit lid genoemde mogelijkheden kan kiezen tussen: a. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 32 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 24 uur per week; dan wel b. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 20 uur per week; dan wel c. wanneer hij 59 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week. 2. Voor een personeelslid met een niet-volledige werktijd wordt de werktijd verminderd in verhouding tot een volledige werktijd. 3. Het in het eerste lid en tweede lid bedoelde personeelslid dient op het moment van de eerste vermindering van de werktijd tenminste vijf aaneengesloten jaren ambtenaar te zijn in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel tenminste vijf aaneengesloten jaren in dienst te zijn van de instelling. 4. Voor de uren waarmee de werktijd van het personeelslid ingevolge het eerste lid is verminderd, wordt het personeelslid geacht met verlof te zijn. 5. Een verminderde werktijd als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt bij de vaststelling van uitkeringen of toelagen op grond van andere besluiten niet aangemerkt als onvolledige werktijd. 1. Het personeelslid dat boven de volledige werktijd per week gedurende meer uren werkt en daarvoor een compensatie ontvangt door toekenning van extra vakantiedagen, is, indien voor hem een vermindering van de werktijd op grond van artikel 2 plaats vindt, gehouden dit meerdere aantal uren te blijven werken om aanspraak op deze extra vakantiedagen te kunnen blijven behouden. 2. Het personeelslid voor wie op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, kan met ingang van de dag waarop die vermindering ingaat, geen aanspraak meer maken op de verhoging van de aanspraak op vakantieverlof die volgens de voor hem geldende vakantieregeling afhankelijk van zijn leeftijd is vastgesteld. 3. Met ingang van de dag waarop voor het personeelslid op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd. 4. In afwijking van het tweede en derde lid kunnen het bevoegd gezag en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel regels overeenkomen over de aanspraken van vakantieverlof, met dien verstande dat zolang dergelijke regels nog niet zijn overeengekomen, het tweede en derde lid van toepassing zijn. 1. Het personeelslid dat van deze regeling gebruik wenst te maken, dient hiertoe tenminste acht weken voor de datum dat hij wenst dat de vermindering van de werktijd ingaat, een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag. 2. Het bevoegd gezag maakt zijn beslissing op het verzoek van het personeelslid binnen acht weken na ontvangst van dit verzoek bekend aan het personeelslid. 3. De vermindering van de werktijd bedoeld in artikel 2 gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van 57, 59 onderscheidenlijk 61 is bereikt. 1. a Deze regeling is van toepassing op de in artikel 1, onder, bedoelde instellingen, voorzover het bevoegd gezag van de universiteit van Amsterdam dan wel van de bijzondere universiteiten voor de desbetreffende instelling voor 1 september 1993 niet een soortgelijke regeling heeft vastgesteld. 2. Staatsblad Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van plaatsing in hetwaarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1993. 3. Deze regeling geldt tot 1 april 1995, met dien verstande dat deze regeling voor het personeelslid dat vóór deze datum van deze regeling gebruik heeft gemaakt, behoudens voorafgaand ontslag, van toepassing blijft totdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-04-1995
Artikel XIII — Artikel XIII#
Artikel XIII artikel I Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel artikel 39 van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel Voor de gewezen betrokkene, bedoeld in-E19 van hetenvan wie het invaliditeitspensioen wordt berekend met inachtneming van een middelsom van berekeningsgrondslagen die geldt voor een diensttijd die eindigt voor 1 januari 1986, wordt de middelsom vermeld in genoemde artikelen, verhoogd met 10%. 1999 528 16-12-1999 06-12-1999 1999 528 16-12-1999 06-12-1999 17-12-1999
Artikel XIV — Artikel XIV#
Artikel XIV hoofdstuk III van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen De artikelen van de in dit besluit gewijzigde regelingen en besluiten voortvloeiende uit de maatregelen gericht op de terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals deze luidden op 31 juli 1993 blijven van toepassing op de ambtenaar of betrokkene in de zin van die regelingen en besluiten voor zover die ambtenaar of betrokkene verkeert in een overeenkomstige situatie, als de situaties als omschreven in. 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 1995 161 31-03-1995 25-03-1995 01-08-1993
Artikel XV — Artikel XV#
Artikel XV Staatsblad Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van hetwaarin het wordt geplaatst, behoudens het bepaalde in de volgende leden: 1. Artikel I, onderdelen a K7; L12 en U4, werkt terug tot en met 1 augustus 1992; 2. Artikel I, onderdelen d a b c a b C15, D, E5, O1 en O2,enen Z2en, werkt terug tot en met 1 april 1993; 3. Artikel I, onderdelen c c a b c d a b a b a b c a d a c b b d a b c a b a a b a a b c b a b a c e f a c e c b a a a b A1, A2, A3, A4, A5 en A8; B2, B4 en B5; C1, C2, C3,,en, C4, C6en, C13, C14, C16 en C17; E1en, E4,enen E6; Fen; I; J1 en J3; K1en, K3en K7en; L1,en, L3en, L4, L5, L6 en L8; M1en, M2, M3, M5, M6 en M7; N1,en, N2, N3, N5; P2; Q1en, Q2,,en, Q3, Q4 en Q5; T,en; U1, U2en U3; V; Y; Z1; AA1enen AA2; BB1; CC1, CC2 en CC5; DD1 en DD5; EE1 en EE3; GG3 en 5 werkt terug tot en met 1 augustus 1993; 4. Artikel I, onderdelen c a b a b B1; E3; F; J2en; K3, K4 en K12; N4, N9 en N13; BB2 en CC2; werkt terug tot en met 1 januari 1994; 5. Artikel I, onderdelen a b a b a b c d a b c a b a b e f g h b c d c e a b a b c d a a b a b b b d a c b d d a a c d b a b b A1en, A2enen A6; B3 en B6; C5, C7, C8,,en, C9,en, C10en, C11, C12 en C15,,,,en; E2; F; K3en, K5, K6, K7en, K8en, K9, K10, K11,,en, K12, K13, K14, K15, K16, K17, K18 en K19en; L2en; L5; L10 en L11; M2, M8 en M9; N1, N3en, N10 en N11; P1 en P3; Q2en; T; U1en U2,enen U3; W1, W2 en W3en; X1; Y; CC3 en CC4; DD2, DD3 en DD4; EE2; FF1, FF2 en FF3; GG1, GG2, GG4, GG8 en GG9 werkt terug tot en met 1 augustus 1994; 6. Artikel I, onderdeel c K2werkt terug tot en met 30 december 1994; 7. Artikel II, onder Q werkt terug tot en met 1 januari 1992; 8. Artikel II, onder E, F, H en K werkt terug tot en met 1 augustus 1993; 9. Artikel II, onder I en L werkt terug tot en met 1 januari 1994; 10. Artikel II, onder O , werkt terug tot en met 1 mei 1994; 11. artikelen III, onder A en B en XIII Dewerken terug tot en met 1 augustus 1993; 12. artikelen IV VI VIII De,enwerken terug tot en met 1 september 1992; 13. artikelen V VII Deenwerken terug tot en met 1 januari 1992; 14. Artikel X, onder A1, 2 en 3; B2; C1 en 2; D1, 2, 3, 4, 5 en 6; E en G werkt terug tot en met 1 maart 1994; 15. Artikel IX, onder A, B, C, D en E werkt terug tot en met 1 april 1993; 16. Artikel XI, onder A, B en C werkt terug tot en met 1 mei 1993; 17. artikelen XIII XIV Deenwerken terug tot en met 1 augustus 1993. 1996 162 19-03-1996 24-02-1996 1996 162 19-03-1996 24-02-1996 20-03-1996 01-04-1995