Besluit van 5 januari 1993, houdende uitvoering van de hoofdstukken 1 en 8 van de Wet milieubeheer en hoofdstuk V van de Wet geluidhinder
- BWB-id
- BWBR0005829
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2010-07-04 t/m 2010-09-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0005829
- ELI
- /eli/nl/amvb/1993/inrichtingen-en-vergunningenbesluit-milieubeheer
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1993/inrichtingen-en-vergunningenbesluit-milieubeheer/2010-07-04
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0005829&g=2010-07-04
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0005829&z=2026-06-06&g=2010-07-04
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0005829/2010-07-04
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1993/inrichtingen-en-vergunningenbesluit-milieubeheer
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Wet milieubeheer de wet: de; b. artikel 8.1 van de wet vergunning: een vergunning als bedoeld in; c. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage; d. artikel 1 van de Wet bodembescherming bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in; e. Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer genetische modificatie, micro-organismen, organismen en genetisch gemodificeerde organismen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het; f. Kaderwet bestuur in verandering regionaal openbaar lichaam: een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de; g. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam; h. Kaderwet bestuur in verandering samenwerkingsgebied: een samenwerkingsgebied als bedoeld in de; i. artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer autowrak: motorrijtuig op meer dan twee wielen dat een afvalstof is in de zin van; j. groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; k. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; l. artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen invloedsgebied: gebied waarin volgens door Onze Minister bij ministeriële regeling op grond vante stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. 2008 160 15-05-2008 29-04-2008 2008 160 15-05-2008 29-04-2008 01-06-2008
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die in bijlage I zijn genoemd. 2 b f In afwijking van het eerste lid heeft de aanwijzing geen betrekking op inrichtingen voor de uitoefening van detailhandel, voor zover die aanwijzing uitsluitend zou gelden omdat in de inrichting stoffen, preparaten of andere produkten worden op- of overgeslagen, die zijn genoemd in bijlage I, onder de categorieën 4.1, ondertot en met, 6.1, 8.1, 9.1, 11.1, met uitzondering van asbest of asbesthoudende produkten, 12.1, 15 of 16.1. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 artikel 8.17, tweede lid, van de wet bijlage I, onder 28.4, onder a tot en met d en onder g, 28.5 en 28.6 Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in. 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 Vervallen 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 1 artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder Als categorie van inrichtingen als bedoeld in, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder: a b c d 1.3, onder,, voor zover het thermisch vermogen 75 MW of meer bedraagt,, 1° en 2°, en, waarbij voor de toepassing van onderdeel 1.3 veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing of winning van aardgas buiten beschouwing blijven, b c 2.6, onder, voor zover het betreft aardgasbehandelingsinstallaties bij aardgaswinputten en gasverzamelinrichtingen, en, d 4.3, onder, b 5.3, onder, 6.2, 9.3, a e g k 11.3, ondertot en met, onderen onder, a g 12.2, ondertot en met, h 12.2, onder, voor zover het smeltpunt van de metalen of hun legeringen hoger is dan 800 K, b 13.3, onder, 14.2, voor zover een rangeerheuvel aanwezig is, 16.2, 19.2, b 20.1, onder, 24.2 en 27.3. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel 1.3, onder b, voor zover het thermisch vermogen 75 MW of meer bedraagt, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het verstoken van biomassa waarvan het equivalente geluidsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige vast opgestelde toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten op de grens van het bedrijventerrein niet meer bedraagt dan: a. 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; b. 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur; c. 40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 Gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, zijn bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 Onze Minister is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die in bijlage II is aangewezen. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die in bijlage I is aangewezen en die zijn of zullen zijn gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie. 2 artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet In afwijking van het eerste lid, is Onze Minister van Economische Zaken bevoegd te beslissen op een aanvraag om een vergunning voor een inrichting die een krachtensaangewezen mijnbouwwerk is, voor zover het niet betreft de ondergrondse gelegen inrichting voor het opslaan van afvalstoffen die van buiten het betrokken mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke stoffen. 2002 604 24-12-2002 06-12-2002 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003 [Treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in
werking treedt.]
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 De aanvraag om een vergunning wordt in viervoud ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag. 2 De aanvraag om een vergunning wordt in zesvoud bij het bevoegde gezag ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting waarvoor het dagelijks bestuur, gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag. 3 artikelen 7.1 7.2 7.3 In gevallen waarin bij de, dan welofvan dit besluit meer dan een, onderscheidenlijk drie adviseurs en betrokken bestuursorganen zijn aangewezen, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag even zoveel meer exemplaren van de aanvraag. 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 De bij de vergunningaanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag. 1993 675 14-12-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 artikel 8.1, eerste lid, onder a en c, van de wet In of bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in, vermeldt de aanvrager: a. zijn naam en adres; b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting; c. de aard van de inrichting; d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken; e. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld onder d, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten; f. de maximale capaciteit van de inrichting en het maximale motorische of thermische vermogen van de tot de inrichting behorende installaties; g. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn; h. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt; i. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van: 1°. het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen in de inrichting; 2°. het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor nuttig toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan; 3°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting; 4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan; j. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken; k. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de inrichting de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd, en l. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn; m. voor zover het betreft inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren: een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voor zover deze bestaan. 2 De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 2005 527 27-10-2005 08-10-2005 2005 527 27-10-2005 08-10-2005 01-12-2005
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Indien de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de inrichting buiten werking zal worden gesteld. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 Woningwet In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de, verstrekt de aanvrager aan het bevoegd gezag: a. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning bij zijn aanvraag; b. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning gelijktijdig met de indiening van die aanvraag. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens met betrekking tot: a. voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten; b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken; c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu; d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag nadere gegevens. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 1 De in artikel 5.1, eerste lid, of 5.4 vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien: a. de aanvrager die gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt, dan wel b. het bevoegd gezag op verzoek van de aanvrager heeft beslist dat verstrekking van die gegevens voor het nemen van een beslissing op de aanvraag niet nodig is. 2 a b De aanvrager deelt in of bij de aanvraag mee ten aanzien van welke gegevens het eerste lid, onder, onderscheidenlijk, is toegepast. 1997 493 04-11-1997 17-10-1997 1997 493 04-11-1997 17-10-1997 01-01-1998
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een of meer in deze paragraaf genoemde categorieën, verstrekt de aanvrager, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de daarbij genoemde gegevens. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 1 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken: a. tijdens het in werking zijn van de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden; b. ten gevolge van voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten. 2 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarvoor Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd is te beslissen, kan hij bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft, indien die gegevens niet nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag gezien de aard of de omvang van de gevolgen die die inrichting voor het milieu kan veroorzaken. 1998 574 06-10-1998 14-09-1998 1998 574 06-10-1998 14-09-1998 01-12-1998
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 a a Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 11.1, 12.1, 13.1, onder, 1° tot en met 3°, 17, onder, 18 of 19, of die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag in of bij de aanvraag: a. de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken; b. de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen; c. de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld. 1998 574 06-10-1998 14-09-1998 1998 574 06-10-1998 14-09-1998 01-12-1998
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 bijlage I, onder 28.4 of 28.5 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de inkomende afvalstoffen; b. de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen; c. de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan; d. de tarieven die de aanvrager voor het nuttig toepassen of verwijderen wil vaststellen alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld; e. de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen; f. de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd; g. de wijze waarop de bij het proces van nuttig toepassen of verwijderen ontstane stoffen, preparaten of andere producten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd, nuttig toegepast of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan; h. de ondernemings- en organisatiestruktuur, alsmede de regeling van de feitelijke leiding van de activiteiten in de inrichting; i. de naam en het adres van degene die de feitelijke leiding van de activiteiten heeft in de inrichting. 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.6, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de betrokken afvalstoffen. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 bijlage I, onder 28.1, onder c, onder 28.4, onder f, of 28.4, onder g Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in, in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, waaronder ten minste gegevens met betrekking tot: 1°. voor zover van toepassing de gemiddelde grondwaterstand, vastgesteld door metingen volgens de door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgeven norm NEN 5766, uitgave 1990, welke metingen tenminste tweemaal per maand op de 14e en 28e van die maand, gedurende een periode van tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn verricht; 2°. de grondwaterstroming; 3°. de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van de bodemlagen; c. de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de omvang en de duur daarvan die de inrichting naar verwachting kan veroorzaken na de beëindiging van de werking van de inrichting of de sluiting daarvan; d. de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënische beheer van die stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld; e. onderdelen d, e, f, g en k van artikel 5.1 onderdelen a tot en met h van artikel 5.11 een exploitatie-, toezicht- en controleplan dat ten minste de gegevens, bedoeld in de, alsmede de gegevens, bedoeld in de, bevat. 2 In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, toont de aanvrager aan dat financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot: a. de bovenafdichting van een stortplaats, niet zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort; b. het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem, of het zo nodig aanbrengen van een afdeklaag op een stortplaats, zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort. 3 Indien een gemeente-, een provincie-, of een waterschapsbestuur, dan wel het Rijk, vergunninghouder zal zijn, kan in afwijking van het tweede lid in plaats van het stellen van financiële zekerheid een daaraan gelijkwaardige voorziening zijn of worden getroffen. 4 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid in gevallen waarin sprake is van het storten van afvalstoffen in de diepe ondergrond, gaat zij tevens vergezeld van een rapport, inhoudende een veiligheidsbeoordeling die voldoet aan onderdeel 2.5 van de bijlage bij de beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L11). 5 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid en er sprake is van het opslaan of storten van metallisch kwik, voldoet deze tevens aan artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75). 6 Een wijziging van de bijlage, bedoeld in het vierde lid, gaat voor de toepassing van dat lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 2009 307 21-07-2009 02-07-2009 2009 307 21-07-2009 02-07-2009 22-07-2009
Artikel 5.13a — Artikel 5.13a#
Artikel 5.13a 1 artikel 3 van het Besluit beheer winningsafvalstoffen Indien de aanvraag betrekking heeft op een afvalvoorziening, gaat de aanvraag vergezeld van een door degene die de afvalvoorziening drijft, opgesteld winningsafvalbeheersplan als bedoeld in. 2 In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een afvalvoorziening, toont de aanvrager aan dat: a. de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder gelet op verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische en hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren; b. de afvalvoorziening zo is ontworpen dat voldaan wordt aan de noodzakelijke voorwaarden om: 1°. verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of een oppervlaktewaterlichaam, rekening houdende met in het bijzonder richtlijn 2006/11/EG, het Lozingenbesluit bodembescherming en de kaderrichtlijn water, te voorkomen, 2°. te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze kunnen worden verzameld, en 3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is; c. de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden teneinde: 1°. haar fysische stabiliteit te verzekeren, 2°. verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, een oppervlaktewaterlichaam of het grondwater te voorkomen, en 3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. d. passende plannen en regelingen zijn getroffen voor: 1°. een periodieke monitoring en inspectie van de afvalvoorziening door binnen de inrichting werkzame personen, die beschikken over de voor die werkzaamheden benodigde vakbekwaamheid; 2°. het treffen van maatregelen indien de resultaten van die monitoring en de inspectie wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem; e. passende regelingen zijn getroffen voor: 1°. de rehabilitatie en de sluiting van de afvalvoorziening; 2°. de fase na de sluiting van de afvalvoorziening; f. artikel 1, onderdeel f, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 in het ontwerp en bij de bouw van die afvalvoorziening rekening is gehouden met de noodzakelijke voorwaarden om een zwaar ongeval als bedoeld inte voorkomen en de nadelige gevolgen van een dergelijk ongeval voor de gezondheid van de mens of het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, met inbegrip van de grensoverschrijdende gevolgen; g. Besluit beheer winningsafvalstoffen titel 8.3 van de wet financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften die ingevolge hetaan de vergunning worden verbonden, alsmede voor het nakomen van. 2009 535 15-12-2009 02-12-2009 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 bijlage I, onder 21 of 28.4, onder g bijlage II, onder 9 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in, of in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. de namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de handelingen met de genetisch gemodificeerde organismen en voor het toezicht op en de controle van de veiligheid daarvan; b. de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen die bij die handelingen zijn betrokken; c. het eventuele bestaan van biologische veiligheidscomités of subcomités; d. het hoogste inperkingsniveau waaraan de ruimte bestemd voor ingeperkt gebruik voldoet. 2008 326 19-08-2008 26-07-2008 2008 326 19-08-2008 26-07-2008 16-09-2008
Artikel 5.14a — Artikel 5.14a#
Artikel 5.14a 1 Vuurwerkbesluit Vuurwerkbesluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar ten hoogste 10 000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in hetwordt opgeslagen vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maximale hoeveelheid consumentenvuurwerk in de zin van hetdie in de inrichting wordt opgeslagen. 2 bijlage I Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd inbij dit besluit, onder 3.5, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen de maximale hoeveelheden stoffen en voorwerpen behorend tot transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in, onderscheiden naar gevarensubklasse en compatibiliteitsgroep, die in de inrichting worden opgeslagen; b. Vuurwerkbesluit de maximale hoeveelheid consumenten- en professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de zin van hetdie in de inrichting wordt opgeslagen; c. de namen van degenen door wie of onder voortdurend toezicht van wie handelingen met professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk onderscheidenlijk pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; d. gegevens over de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. 2009 605 29-12-2009 09-12-2009 2009 605 29-12-2009 09-12-2009 04-07-2010
Artikel 5.14b — Artikel 5.14b#
Artikel 5.14b 1 Besluit verbranden afvalstoffen Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop hetvan toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag: a. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van terugwinning van de als gevolg van thermische behandeling van afvalstoffen opgewekte warmte; b. artikel 5.1, eerste lid, onder d Richtlijn 75/442/EEG Richtlijn 91/689/EEG de gegevens, bedoeld in, per categorie van stoffen, preparaten of andere producten, genoemd in de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, vanvan de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3), en c. richtlijn nr. 2000/76/EG een nadere omschrijving van de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden als bedoeld in artikel 11, derde lid, vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332). 2 Voor de toepassing van het eerste lid gaat een wijziging van: a. de bijlage, bedoeld in het eerste lid, onder b, gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld; b. de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 2004 97 18-03-2004 02-03-2004 2004 97 18-03-2004 02-03-2004 15-04-2004 Eerst van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 18 van
het Besluit verbranden afvalstoffen met ingang van 28 december 2005.
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 1 paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 artikel 10 van dat besluit Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropvan toepassing is, gaat zij vergezeld van die onderdelen van het veiligheidsrapport, bedoeld in, die betrekking hebben op de risico's voor personen buiten de inrichting en voor het milieu. 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit, de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd. 3 Het bevoegd gezag zendt uiterlijk twee weken na ontvangst van een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, een exemplaar daarvan en van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan: a. artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in; b. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; d. artikel 6.2 van de Waterwet artikel 8.28 van de Wet milieubeheer voor zover de onderdelen van het veiligheidsrapport betrekking hebben op de risicos voor een oppervlaktewaterlichaam: het bestuursorgaan dat tot het verlenen van de vergunning krachtensbevoegd is, behoudens in een geval als bedoeld in. 4 Het bevoegd gezag zendt, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling uiterlijk twee weken na ontvangst aan de in het derde lid genoemde bestuursorganen en aan de daar bedoelde toezichthouder. 2009 535 15-12-2009 02-12-2009 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 5.15a — Artikel 5.15a#
Artikel 5.15a 1 paragraaf 2 paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropen niet tevensvan toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, de volgende gegevens: a. het adres van de inrichting; b. de naam of de handelsnaam van degene die de inrichting drijft en zijn adres; c. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de inrichting drijft; d. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; e. per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit, en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit: 1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd; 2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is; 3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen; f. met het oog op de vaststelling van domino-effecten: voor gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij dat besluit: 1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem; 2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn; 3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof behoort; 4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting; 5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem; g. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend; h. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken. 2 Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3 Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels stellen met betrekking tot de gegevens bedoeld in het eerste lid. 1999 234 17-06-1999 27-05-1999 1999 305 15-07-1999 08-07-1999 19-07-1999
Artikel 5.15b — Artikel 5.15b#
Artikel 5.15b artikel 10c van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropvan toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de volgende gegevens: a. de resultaten van het onderzoek naar de technische en economische haalbaarheid van warmtekrachtkoppeling; b. indien van toepassing: de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van warmtekrachtkoppeling. 2005 114 10-03-2005 23-02-2005 2005 114 10-03-2005 23-02-2005 07-04-2005
Artikel 5.15c — Artikel 5.15c#
Artikel 5.15c 1 artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h artikel 4, onder b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in, ofvermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de volgende gegevens: a. -5 -6 -8 de ligging van zowel de 10per jaar contour als de 10per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar, de 10per jaar contour van het plaatsgebonden risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven; b. Besluit risico’s zware ongevallen 1999 de grootte van het groepsrisico, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers, dan wel voor inrichtingen waarvoor geen veiligheidsrapport verplicht is gesteld op grond van het, indien bekend de op grond van de oriënterende waarde voor het groepsrisico gemiddeld toelaatbare dichtheid van personen binnen het invloedsgebied rond de inrichting. 2 Besluit LPG-tankstations milieubeheer Vuurwerkbesluit Voor inrichtingen waarop hetof hetvan toepassing zijn, blijft het eerste lid buiten toepassing. 3 Bij de berekening van de in de onderdelen a en b van het eerste lid bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de aanvraag genoemde maximale hoeveelheid gevaarlijke stof. 2006 656 19-12-2006 28-11-2006 2007 102 29-03-2007 22-03-2007 30-03-2007
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 1 b In of bij de aanvraag om een vergunning voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder, van de wet, vermeldt de aanvrager: a. zijn naam en adres; b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is; c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan; d. b voor zover de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan van invloed is op de onderwerpen waaromtrent voor het verkrijgen van de onderbedoelde vergunning of vergunningen gegevens zijn verstrekt, een aanduiding van die gegevens en van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen daarvan. 2 De artikelen 5.2 tot en met 5.14 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 1 b paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder, van de wet, gaat zij vergezeld van een rapport, als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan voor de eerste maal van toepassing wordt. 2 b paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder, van de wet, gaat zij vergezeld van een herzien rapport, als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropvan toepassing is en ten aanzien waarvan reeds een rapport is overgelegd, voor zover de herziening van de gegevens in bedoeld rapport nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. 3 Op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid is artikel 5.15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover de gegevens met betrekking tot de maximale hoeveelheid nodig zijn voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. 4 Artikel 5.15, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 1999 234 17-06-1999 27-05-1999 1999 305 15-07-1999 08-07-1999 19-07-1999
Artikel 5.17a — Artikel 5.17a#
Artikel 5.17a 1 artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de wet paragraaf 2 paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropen niet tevensten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking daarvan voor de eerste maal van toepassing wordt. 2 artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de wet paragraaf 2 paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, herziene gegevens als bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waaropen niet tevensvan toepassing is en ten aanzien waarvan reeds gegevens als bedoeld in die paragraaf zijn overgelegd, voor zover de herziening van die gegevens nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. 3 Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 1999 234 17-06-1999 27-05-1999 1999 305 15-07-1999 08-07-1999 19-07-1999
Artikel 5.17b — Artikel 5.17b#
Artikel 5.17b 1 artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h artikel 4, onderdelen b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid artikel 5.15c, eerste lid Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in, indien de aanvraag ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan, voor de eerste maal betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in, of. 2 artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet artikel 5.15c Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, herziene gegevens als bedoeld in, eerste lid, voor zover de herziening van die gegevens nodig is voor het nemen van een beslissing op de aanvraag. 2006 656 19-12-2006 28-11-2006 2007 102 29-03-2007 22-03-2007 30-03-2007
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in artikel 8.4 van de wet zijn de artikelen 5.1 tot en met 5.16 van overeenkomstige toepassing. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 5.19 — Artikel 5.19#
Artikel 5.19 Bij een melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet, vermeldt de vergunninghouder: a. zijn naam en adres; b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is; c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan; d. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de onder b bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken; e. gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken; f. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken. 2000 331 24-08-2000 22-07-2000 2000 353 07-09-2000 24-08-2000 01-10-2000
Artikel 5.20 — Artikel 5.20#
Artikel 5.20 artikel 8.20, tweede lid, van de wet Bij een melding als bedoeld in, vermeldt de vergunninghouder: a. zijn naam en adres; b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is; c. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene voor wie de vergunning zal gaan gelden; d. een contactpersoon van degene voor wie de vergunning zal gaan gelden; e. het beoogde tijdstip waarop de vergunning zal gaan gelden voor de onder c bedoelde persoon. 2002 189 16-04-2002 09-04-2002 2003 216 22-05-2003 19-05-2003 01-06-2003 Treedt volgens Stb. 2002/189 in werking op het tijdstip waarop
artikel 40, onderdeel B, van de Wet bevordering
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur in werking treedt.
Artikel 5a.1 — Artikel 5a.1#
Artikel 5a.1 1 artikel 6.2 van de Waterwet Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtensis aangevraagd, het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, betrekt bij de bepaling van de voor een inrichting, onderscheidenlijk met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken, rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van maatregelen, en met het voorzorg- en het preventiebeginsel: a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; b. de toepassing van minder gevaarlijke stoffen; c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; h. de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. 2 Het bevoegd gezag houdt bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met bij ministeriële regeling aangewezen: a. documenten waarin door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 16, tweede lid, van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken is opgenomen; b. door andere internationale organisaties bekendgemaakte informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken; c. andere informatie met betrekking tot de bepaling van die technieken. 2009 535 15-12-2009 02-12-2009 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van de verklaring, in ieder geval door: a. overeenkomstige toepassing van artikel 19.1 van de wet; b. kennisgeving daarvan in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt. 2000 331 24-08-2000 22-07-2000 2000 353 07-09-2000 24-08-2000 01-10-2000
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 Bij de openbare kennisgeving van de verklaring vermeldt het bevoegd gezag ten minste: a. de zakelijke inhoud van de verklaring; b. de uren waarop en de plaats waar de stukken kunnen worden ingezien. 2000 331 24-08-2000 22-07-2000 2000 353 07-09-2000 24-08-2000 01-10-2000
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 In gevallen waarin een verklaring betrekking heeft op een inrichting waarvoor Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning, kan hij de toepassing van de artikelen 6.1 en 6.2 geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat geboden is in het belang van de veiligheid van de Staat. 2000 331 24-08-2000 22-07-2000 2000 353 07-09-2000 24-08-2000 01-10-2000
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 Besluit risico's zware ongevallen 1999 In gevallen waarin de verklaring betrekking heeft op een inrichting waarop hetvan toepassing is en die verklaring betrekking heeft op het onderdeel externe veiligheid, zendt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de verklaring, een exemplaar daarvan aan: a. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; b. de inspecteur; c. artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in; d. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn; e. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen. 2006 674 21-12-2006 05-12-2006 2006 675 21-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 1 a a a b Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2, eerste lid, onder, van de wet bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste lid, onderen, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen: a. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 3.1 of 17; b. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting of een onderdeel daarvan is gelegen in een gebied, waarvoor bij provinciale verordening regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; c. artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder artikel 163, derde lid, van de Wet geluidhinder gedeputeerde staten van een provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in, of met betrekking waartoe toepassing is gegeven aan; d. artikel 163, vierde lid, van de Wet geluidhinder Onze Minister, indien de inrichting is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in. 2 a a Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2, eerste lid, onder, van de wet bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen: a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10, bedoeld in; c. b gedeputeerde staten van een provincie waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel, betrokken bestuursorgaan zijn; d. a b het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelenofbetrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 1 a b artikel 8.7, eerste lid, onderen, van de wet Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden naast de inaangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen: a. gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken inrichting mede zal zijn of is gelegen; b. bijlage I, onder 3.5 de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in; c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de betrokken inrichting mede zal zijn of is gelegen; d. artikel 163, vierde lid, van de Wet geluidhinder Onze Minister, indien de inrichting is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in. 2 artikel 8.7, derde lid, van de wet Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in, aangewezen: a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen; c. -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10, bedoeld in; d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen b of c betrokken bestuursorgaan zijn; e. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen a, b of c betrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 1 a b Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste lid, onderen, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen: a. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen; b. artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet de inspecteur-generaal der mijnen, indien de aanvraag om een vergunning, betrekking heeft op een inrichting die een krachtensaangewezen mijnbouwwerk is; c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen; d. artikel 1, onder o, van de Mijnbouwwet de hoofdingenieur-directeur van de directie Noordzee van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een inrichting die een krachtensaangewezen mijnbouwwerk is. 2 Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen: a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen; c. -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10, bedoeld in; d. c gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeelbetrokken bestuursorgaan zijn; e. a b c het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen,, ofbetrokken bestuursorgaan zijn. 2002 604 24-12-2002 06-12-2002 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003 [Treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in
werking treedt.]
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 artikel 3.3 artikel 8.7, derde lid, van de wet Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop krachtensOnze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister, of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen als bedoeld in, aangewezen: a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen; b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen; c. -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10, bedoeld in; d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel c betrokken overheidsorgaan zijn; e. bijlage III gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting voor het op of in de zeebodem brengen van baggerspecie om deze daar te laten, die is gelegen binnen het gebied dat door arcering is aangegeven op de kaart die is opgenomen in. 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in artikel 5.14 met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen een exemplaar van de schriftelijke samenvatting van de risico-analyse aan: a. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen; b. a de commissaris van de Koning in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onderis gelegen; c. a het bestuur van de regionale brandweer waarin een gemeente als bedoeld onderis gelegen. 1997 74 25-02-1997 07-02-1997 1997 142 08-04-1997 13-03-1997 24481 09-04-1997
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 1 artikelen 5.15 5.17 Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in deenmet het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen de daar bedoelde onderdelen van het veiligheidsrapport en, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling aan: a. -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 de burgemeester van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10van het plaatsgebonden risico, bedoeld in; b. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente is gelegen waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a is gelegen; d. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder a of c is gelegen. 2 Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister. 3 -8 bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 artikel 19.3 van de wet Onze Minister zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, indien de lijn van 10van het plaatsgebonden risico, bedoeld inzich uitstrekt over het grondgebied van een andere staat, aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In afwijking van de eerste volzin zendt Onze Minister, indien krachtenseen tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat. 2006 417 21-09-2006 21-08-2006 2006 417 21-09-2006 21-08-2006 22-09-2006
Artikel 8.3 — Artikel 8.3#
Artikel 8.3 Vervallen 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 2005 168 31-03-2005 15-03-2005 28-04-2005 Artikel IV van het Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer in verband met beheer afvalstoffen
bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 8.4 — Artikel 8.4#
Artikel 8.4 Indien een inrichting belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lid-staat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lid-staat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van een inrichting kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan die lid-staat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd. 1997 418 30-09-1997 15-09-1997 1997 418 30-09-1997 15-09-1997 30-10-1997
Artikel 8a.1 — Artikel 8a.1#
Artikel 8a.1 artikel 6.2 van de Waterwet artikel 8.22, eerste lid, van de wet Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtensis aangevraagd, het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, geeft in ieder geval toepassing, onderscheidenlijk overeenkomstige toepassing aan het bepaalde inindien: a. de door de inrichting of onderdelen daarvan veroorzaakte verontreiniging van dien aard is dat de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de aan de vergunning verbonden voorschriften, gewijzigd moeten worden of daarin nieuwe emissiegrenswaarden vastgesteld moeten worden; b. belangrijke veranderingen in de beste beschikbare technieken een aanmerkelijke beperking van de emissies zonder buitensporige kosten mogelijk maken; c. de noodzaak om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken de toepassing van andere technieken vereist. 2009 535 15-12-2009 02-12-2009 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 Stb. artikel I van de wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving) (1992, 414) Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waaropin werking treedt. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993
Artikel 9.2 — Artikel 9.2#
Artikel 9.2 Dit besluit kan worden aangehaald als: Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. 1993 50 05-01-1993 1993 59 29-01-1993 27-01-1993 01-03-1993