Besluit van 21 juni 1994, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies en specifieke uitkeringen ten behoeve van cultuuruitingen
- BWB-id
- BWBR0006759
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Geldigheid
- 2009-07-01 t/m 2010-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006759
- ELI
- /eli/nl/amvb/1994/bekostigingsbesluit-cultuuruitingen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1994/bekostigingsbesluit-cultuuruitingen/2009-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006759&g=2009-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006759&z=2026-06-06&g=2009-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006759/2009-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1994/bekostigingsbesluit-cultuuruitingen
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Wet op het specifiek cultuurbeleid wet:; b. instelling: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel publiekrechtelijke rechtspersoon; c. artikel 4b van de wet aangewezen instelling: instelling die door Onze Minister is aangewezen als een instelling als bedoeld in; d. project: activiteit op het terrein van cultuur met een incidenteel karakter; e. jaarlijkse instellingssubsidie: subsidie aan een instelling gedurende een kalenderjaar voor het geheel of een deel van de activiteiten van die instelling; f. artikel 4a van de wet vierjaarlijkse instellingssubsidie: subsidie krachtensaan een instelling gedurende in beginsel vier aaneengesloten kalenderjaren voor het geheel of een deel van de activiteiten van die instelling; g. projectsubsidie: subsidie voor een project; 2 Artikel 28 van het Besluit financiële verhouding 2001 artikelen 5 6 7 van de wet is niet van toepassing op het verstrekken van specifieke uitkeringen als bedoeld in de,en. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 40 artikel 4a van de wet Onze Minister maakt openbaar welke activiteiten voor subsidie of voor een specifieke uitkering als bedoeld inin aanmerking komen voor zover dit niet reeds blijkt uit nota’s die van belang zijn voor het cultuurbeleid of uit de ministeriële regeling, bedoeld in, alsmede voor zover hij voornemens is af te wijken van het in die nota’s of ministeriële regeling gestelde onderscheidenlijk bepaalde. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a Onze Minister verstrekt subsidie voor perioden van ten hoogste vier jaren. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 artikel 40 artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Een subsidie of een specifieke uitkering als bedoeld inten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 40 artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht Op de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld inisvan overeenkomstige toepassing. 2 artikel 40 artikel 2 artikel 4a van de wet De subsidieverlening of de verlening van een specifieke uitkering als bedoeld inwordt geweigerd voor zover Onze Minister van oordeel is dat het verstrekken daarvan zijn beleid dat is neergelegd in de nota’s die van belang zijn voor het cultuurbeleid of in de ministeriële regeling, bedoeld in, of dat met toepassing vanopenbaar is gemaakt, mede gelet op de beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt. 3 De subsidieverlening wordt voorts geweigerd voor zover: a. naar het oordeel van Onze Minister mag worden verwacht dat de met de subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden bereikt; b. de aanvrager naar het oordeel van Onze Minister de behoefte aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een publiekrechtelijke rechtspersoon is; c. de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren. 4 Onze Minister kan bepalen dat in een geval of een categorie gevallen de behoefte aan subsidie niet behoeft te worden aangetoond. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 40 Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop het bedrag van een specifieke uitkering als bedoeld inof van een subsidie wordt berekend. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a Onze Minister kan ieder jaar subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende categorieën van activiteiten waarvoor een subsidie kan worden verstrekt. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b 1 Indien Onze Minister een subsidieplafond vaststelt in verband met verlening van vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie dan wel van projectsubsidie, voorziet hij in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke instellingen en soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, tenzij Onze Minister bij de vaststelling van een subsidieplafond bepaalt dat hij het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeelt. 2 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht Wanneer de aanvrager krachtensde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt in het geval, bedoeld in het eerste lid, laatste zinsdeel, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst. 3 Indien Onze Minister een subsidieplafond vaststelt in verband met subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, voorziet hij in een gelijktijdige beslissing ten aanzien van die instellingen of fondsen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Deze paragraaf is op aangewezen instellingen en fondsen slechts van toepassing voor zover het betreft projectsubsidies. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een instelling die een vierjaarlijkse instellingssubsidie verlangt, dient voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip een subsidieaanvraag in. Dit tijdstip ligt ten minste zes maanden vóór de aanvang van de periode van vier jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 2 Een instelling die een jaarlijkse instellingssubsidie verlangt, dient uiterlijk zes maanden vóór de aanvang van het betreffende jaar een subsidieaanvraag in. 3 Een instelling of een natuurlijke persoon die een projectsubsidie verlangt, dient uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het project een subsidieaanvraag in. 4 De subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse of een jaarlijkse instellingssubsidie geeft mede aan of de aanvraag geschiedt voor het geheel of een gedeelte van de activiteiten van de instelling. 5 Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvraagtermijn; 6 In afwijking van het derde lid kan Onze Minister: a. bepalen dat aanvragen voor bepaalde categorieën projecten vóór een of meer door hem vastgestelde data dienen te worden ingediend; of b. een andere aanvraagtermijn vaststellen. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van: a. een activiteitenplan; en b. een begroting. 2 Het activiteitenplan geeft het doel aan van en geeft inzicht in de voorgenomen activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. 3 Het activiteitenplan van de aanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie is uitgesplitst per jaar. 4 De begroting geeft inzicht in de geschatte baten en lasten van de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt uitgegaan van het prijspeil op 1 januari van het jaar van indiening van de aanvraag. De begroting is tevens voorzien van een postgewijze toelichting. 5 De begroting van de aanvraag voor een vierjaarlijkse instellingssubsidie omvat tevens een prestatieoverzicht dat in kort bestek een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de te verrichten activiteiten in ieder van de vier jaren van de periode waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 6 Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De aanvraag voor een jaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie gaat vergezeld van een liquiditeitsprognose, indien de liquiditeitsbehoefte van de betreffende instelling of de betrokken natuurlijke persoon onregelmatig is gespreid over de duur van de activiteiten. 2 De liquiditeitsprognose geeft gemotiveerd inzicht in het verloop van de liquiditeitsbehoefte van de activiteiten. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Bij de aanvraag worden tevens overgelegd: a. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten; b. een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het geldende openbaar register blijkt; en c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag, tenzij de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat de in die bescheiden opgenomen gegevens aan Onze Minister bekend zijn. Legt de aanvrager niet een of meer van deze bescheiden over dan doet hij daarvan mededeling in de aanvraag. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op publiekrechtelijke rechtspersonen. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Aangewezen instellingen en fondsen dienen uiterlijk zes maanden voor de aanvang van iedere subsidieperiode van vier kalenderjaren een begroting in die betrekking heeft op de door die instellingen als zodanig te verrichten activiteiten in die periode. De begroting is uitgesplitst per jaar. 2 Artikel 8, vierde tot en met zesde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 11 artikel 10 Indien aan een aangewezen instelling of een fonds voor de eerste maal een subsidie als bedoeld inwordt verleend, isvan overeenkomstige toepassing. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Op een aanvraag voor een vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie wordt beslist dertien weken voorafgaand aan het betrokken jaar. 2 Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan Onze Minister bepalen dat op een aanvraag niet wordt beslist voor een bepaalde datum in een kalenderjaar, dan wel dat wordt beslist op of na een of meer data in een kalenderjaar. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Onze Minister houdt bij het verlenen van voorschotten rekening met de liquiditeitsbehoefte. 2 Ingeval van voorschotverlening aan instellingen met vierjaarlijkse instellingssubsidie, aan aangewezen instellingen of aan fondsen wordt in de beschikking tot voorschotverlening vermeld welk bedrag elk jaar van de betrokken periode als voorschot zal worden verstrekt. 3 Indien een subsidieaanvraag voor een vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie of voor een projectsubsidie te laat wordt ingediend en Onze Minister de aanvraag desondanks in behandeling neemt, kan hij het verlenen van voorschotten evenredig later doen plaatsvinden. 4 Onze Minister kan met betrekking tot de bevoorschotting nadere regels stellen. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 Bij de subsidieverlening aan instellingen met vierjaarlijkse instellingssubsidie, aan aangewezen instellingen of aan fondsen kan Onze Minister bepalen dat het subsidiebedrag jaarlijks door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden. 2 Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden. 3 Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd. 4 Jaarlijks vindt overleg plaats tussen Onze Minister en, naar het oordeel van Onze Minister, representatieve vertegenwoordigers van subsidieontvangers over de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden in het daarop volgende jaar in relatie tot de kwaliteit en de kwantiteit van de gesubsidieerde activiteiten. Een bijstelling van het subsidiebedrag met toepassing van het eerste lid vindt eerst plaats nadat dit overleg heeft plaatsgevonden. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 De subsidieontvanger zorgt ervoor dat: a. de doeleinden gesteld in het activiteitenplan of, in geval van subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, het prestatieoverzicht op doelmatige wijze worden nagestreefd; b. dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd; en c. dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor het wordt verleend. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 De subsidieontvanger zorgt er voorts voor dat: a. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd; b. de administratie een juist, volledig en actueel beeld geeft van het functioneren van de instelling; c. van alle ontvangsten en uitgaven deugdelijke bewijsstukken waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen of van de verrichte diensten duidelijk blijken, aanwezig zijn; en d. de administratie en de daarbij behorende bewijsstukken ten minste gedurende vijf jaar na de vaststelling van de subsidie worden bewaard. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Bij instellingen met vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie, bij aangewezen instellingen en bij fondsen is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. 2 Onze Minister kan van het eerste lid ontheffing verlenen. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 Instellingen met vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie, aangewezen instellingen en fondsen verzekeren hun roerende en onroerende zaken op afdoende wijze tegen het risico van diefstal en brand, alsmede tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid tegenover derden. 2 Instellingen met een vierjaarlijkse of jaarlijkse instellingssubsidie, aangewezen instellingen en fondsen verzekeren voor vrijwilligers die werkzaamheden voor deze verrichten in het kader van de gesubsidieerde activiteiten, hun wettelijke aansprakelijkheid. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op zaken van provincies en gemeenten en op collecties van musea. 4 Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid. 5 Onze Minister kan het eerste of tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaren op de ontvanger van een projectsubsidie. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a Vervallen 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 25-03-2005
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Instellingen met vierjaarlijkse instellingssubsidie, aangewezen instellingen en fondsen dienen binnen vier maanden na afloop van enig jaar waarvoor subsidie is verleend een bestuursverslag en een jaarrekening of financieel verslag in. De jaarrekening of het financieel verslag gaat vergezeld van een toelichting. 2 artikelen 35 37 Op de jaarrekening zijn deenvan toepassing. 3 artikelen 36 37 Op het financieel verslag zijn deenvan toepassing. 4 Het bestuursverslag geeft toelichting op: a. het exploitatieresultaat van de instelling; b. de financiële positie van de instelling; c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten; d. de zaken die nu of in de toekomst van invloed kunnen zijn op het functioneren van de instelling. 5 Het bestuursverslag bevat naast de toelichting, bedoeld in het vierde lid, in kort bestek een inzichtelijke kwalitatieve beschrijving van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar. 6 Het bestuursverslag dat betrekking heeft op het laatste jaar van een periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie is verleend, bevat tevens een beschouwing over die vier kalenderjaren gezamenlijk. 7 Het bestuur van de instelling ondertekent het bestuursverslag. 8 Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot tussentijdse verslaglegging bij projectsubsidies die zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekken. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Indien een gesubsidieerd project leidt tot een publicatie, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en subsidiënt van het project zijn geweest. 2 artikel 10, onder 1°, van de Auteurswet Indien een subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk. 3 De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties. 2009 3 13-01-2009 12-12-2008 2009 3 13-01-2009 12-12-2008 10-03-2009
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Voor zover na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit besluit het bedrag van een verleend instellingssubsidie niet is besteed aan de doeleinden waarvoor de subsidie is verstrekt, wordt het gereserveerd in een bestemmingsfonds OCW. De aldus gereserveerde bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt. 2 Over de aanwending van het bedrag in het bestemmingsfonds OCW neemt Onze Minister na afloop van de subsidieperiode binnen tien maanden een besluit. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In de gevallen, bedoeld in, is de subsidieontvanger aan Onze Minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd. 2 Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken, wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de instelling wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen. 3 Toepassing van het eerste lid blijft achterwege indien de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van Onze Minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen. 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de historische kostprijs berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages. 2 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, is indien het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de instelling zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer. 3 De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn. Onze Minister kan ook andere gevallen aanwijzen waarin de bepaling niet geldt. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid. 2 artikel 28 Indien bij Onze Minister het vermoeden is gerezen datniet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie over te leggen. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 31a — Artikel 31a#
Artikel 31a 1 Tijdens iedere periode waarin aan de aangewezen instellingen of fondsen subsidie is verleend, wordt bij ieder van die instellingen een visitatie uitgevoerd die ten doel heeft de wijze waarop die instelling haar taken verricht te beoordelen. 2 Met de visitatie zijn visitatiecommissies belast. 3 Een visitatiecommissie wordt door Onze Minister ingesteld na overleg met de instelling of instellingen waarbij die visitatie wordt uitgevoerd. Onze Minister stelt daarbij vast over welke instelling of instellingen de visitatiecommissie haar bemoeienis uitstrekt. 4 De leden van de visitatiecommissie worden benoemd, ontslagen en geschorst door Onze Minister, gehoord de instelling of instellingen, waartoe de visitatiecommissie haar bemoeienis zal uitstrekken. 5 Na afloop van iedere visitatie stelt de visitatiecommissie een visitatierapport vast. Het visitatierapport is openbaar. 6 Vacatiegeldenbesluit 1988 dat besluit Op de visitatiecommissies is hetvan toepassing. De visitatiecommissies worden als «algemeen» in de zin vanaangemerkt. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent aan de verlening van bepaalde categorieën subsidies te verbinden verplichtingen. 2 Indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten op een terrein van cultuur waarvoor een sponsorcode is vastgesteld, kan Onze Minister bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger zich dient aan te sluiten bij de code. 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Binnen vier maanden na afloop van de periode dan wel het project, waarvoor subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger in ieder geval de volgende bescheiden in: a. een activiteitenverslag; b. een jaarrekening of een financieel verslag. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Het activiteitenverslag geeft inzicht in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. Het activiteitenverslag vergelijkt de verrichte activiteiten met de voorgenomen activiteiten in het activiteitenplan of, ingeval van subsidieverlening aan aangewezen instellingen of fondsen, in het prestatieoverzicht. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekening, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo. 2 Titel 9 Onze Minister kan bepalen dat bepalingen vanof onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde instellingen of categorieën instellingen. 3 De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening, en gaat vergezeld van een toelichting op beide. 4 De jaarrekening van instellingen met vierjaarlijkse instellingssubsidie, van aangewezen instellingen en van fondsen gaat tevens vergezeld van een prestatieverantwoording die in kort bestek een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. 5 De jaarrekening behoeft niet te worden ingezonden, indien het gaat om: a. een subsidie waarvan de omvang kleiner is dan een door Onze Minister vast te stellen bedrag; b. een projectsubsidie; of c. een subsidie aan een publiekrechtelijke rechtspersoon. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de instelling. Het financieel verslag sluit aan op de indeling van de begroting die voorafgaand aan de subsidieverlening is overgelegd. Belangrijke verschillen tussen financieel verslag en begroting worden toegelicht. 2 artikel 35, vierde lid Op het financieel verslag is, van overeenkomstige toepassing. 3 Een financieel verslag kan achterwege blijven indien de daarmee te verstrekken informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De jaarrekening en het financieel verslag zijn ieder afzonderlijk voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in. 2 De jaarrekening of het financieel verslag gaat vergezeld van een rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen protocol. 3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de departementale accountantsdienst in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte (controle)werkzaamheden. De daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie. 4 Indien het totaal van de door Onze Minister verleende subsidies met betrekking tot het boekjaar minder bedraagt dan een door hem vast te stellen bedrag zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 artikelen 33 tot en met 37 Na ontvangst van de gegevens, bedoeld in de, stelt Onze Minister de subsidie binnen zes maanden vast. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 artikelen 41 tot en met 49 Specifieke uitkeringen aan provincies en gemeenten ten behoeve van het door het desbetreffende openbaar lichaam te voeren cultuurbeleid worden door Onze Minister verstrekt met inachtneming van de. 1999 351 24-08-1999 28-07-1999 1999 351 24-08-1999 28-07-1999 25-08-1999
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 De aanvraag voor een specifieke uitkering wordt uiterlijk zes maanden vóór de aanvang van de desbetreffende uitkeringsperiode ingediend. Bij ministeriële regeling kan een andere termijn worden vastgesteld. 2 In de aanvraag voor een specifieke uitkering geeft het college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders aan welke: a. doelen worden nagestreefd, b. indicatoren de realisatie van deze doelen uitdrukken, en c. kosten met het realiseren van deze doelen zullen zijn gemoeid. 3 Bij ministeriële regeling kunnen indicatoren worden vastgesteld. 4 Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat het college van gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders geen toepassing behoeft te geven aan het tweede lid, onderdeel b. 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 25-03-2005
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan Onze Minister bepalen dat op een aanvraag niet wordt beslist voor een bepaalde datum in een kalenderjaar, dan wel op of na een of meer data in een kalenderjaar. Op een aanvraag wordt dertien weken voorafgaande aan de betrokken uitkeringsperiode beslist. 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 2005 148 24-03-2005 07-03-2005 25-03-2005
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 Nadat een aanvraag voor een specifieke uitkering is ingediend, kan Onze Minister voorschotten verlenen. 2 Onze Minister kan met betrekking tot de bevoorschotting nadere regels stellen. 1999 351 24-08-1999 28-07-1999 1999 351 24-08-1999 28-07-1999 25-08-1999
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht Gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van een specifieke uitkering. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.is van overeenkomstige toepassing. 2005 574 22-11-2005 24-10-2005 2006 109 02-03-2006 21-02-2006 08-03-2006
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2007 25 23-01-2007 19-12-2006 2007 25 23-01-2007 19-12-2006 24-01-2007 Artikel II, tweede lid, van Stb. 2007/25 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. In Stb. 2007/25 is in artikel II, eerste lid, een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 Gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid. 2005 574 22-11-2005 24-10-2005 2006 109 02-03-2006 21-02-2006 08-03-2006
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 artikel 217 van de Provinciewet artikel 213 van de Gemeentewet Voor zover niet uit de jaarrekening van de provincie of gemeente, alsmede uit de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, behorend bij die jaarrekening krachtensof, blijkt dat een specifieke uitkering rechtmatig is besteed, kan het bedrag waarvan de rechtmatige besteding niet vaststaat, worden teruggevorderd. 2007 25 23-01-2007 19-12-2006 2007 25 23-01-2007 19-12-2006 24-01-2007 Artikel II, tweede lid, van Stb. 2007/25 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. In Stb. 2007/25 is in artikel II, eerste lid, een bepaling betreffende de toepassing gepubliceerd.
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 hoofdstukken IV V artikel 36, eerste lid Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van de inrichting van aanvragen, het activiteitenplan de begroting, de liquiditeitsprognose, de administratie, de jaarrekening, bedoeld in deen, het financieel verslag, de verklaring van de accountant, bedoeld in, het activiteitenverslag en het bestuursverslag. 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 2007 367 16-10-2007 01-10-2007 17-10-2007
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 Onze Minister kan, gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Vervallen 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 1998 266 14-05-1998 20-04-1998 15-05-1998
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Dit besluit kan worden aangehaald als: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen. 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 1994 473 30-06-1994 21-06-1994 01-07-1994