Besluit van 26 januari 1994, houdende regels betreffende de verlening en uitbetaling van geldelijke steun voor de ontwikkeling van bouwlocaties
- BWB-id
- BWBR0006425
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- 2005-01-01 t/m 2005-12-26
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006425
- ELI
- /eli/nl/amvb/1994/besluit-locatiegebonden-subsidies
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1994/besluit-locatiegebonden-subsidies/2005-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006425&g=2005-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006425&z=2026-06-06&g=2005-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006425/2005-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1994/besluit-locatiegebonden-subsidies
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Kaderwet bestuur in verandering regionaal openbaar lichaam: regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de; b. algemeen bestuur: algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam; c. budgethoudende bestuursorgaan: bestuursorgaan dat ten laste van een op voet van dit besluit toegekend budget subsidie kan verstrekken, en dat is het algemeen bestuur of provinciale staten; d. bebouwde kom: aaneengesloten bebouwing als opgenomen in de door het Centraal Bureau voor de Statistiek ontwikkelde woonplaatsindeling 1971; e. ontwikkelen van bouwlocaties: op bepaalde plaatsen in onderlinge samenhang bouwen van woningen en andere gebouwen, saneren van de bodem en aanleggen van voorzieningen op het terrein van verkeer en vervoer; f. budgetbeherende provincie: provincie die financiële middelen op voet van dit besluit ontvangt; g. ontvanger: regionaal openbaar lichaam of budgetbeherende provincie; h. uitvoeringscontract: overeenkomst waarin Onze Minister, zowel in de hoedanigheid van bestuursorgaan als in die van vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, een regionaal openbaar lichaam en de provincie waarin het grondgebied van dat openbaar lichaam gelegen is, zich jegens elkaar hebben verbonden tot de daarin neergelegde wijze van ontwikkeling van bouwlocaties op dat grondgebied; i. ontwikkelingscontract: overeenkomst waarin Onze Minister, zowel in de hoedanigheid van bestuursorgaan als in die van vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, en een budgetbeherende provincie zich jegens elkaar hebben verbonden tot de daarin neergelegde uitkomsten van het provinciale beleid inzake de ontwikkeling van bouwlocaties; j. bouwgemeente: gemeente die een bouwlocatie op haar grondgebied ontwikkelt; k. rente: rendement op staatsobligaties met een resterende looptijd van drie tot vijf jaar, als bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, of, indien dat rendement niet door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt bekendgemaakt, het door De Nederlandsche Bank N.V. aangenomen rendement op zodanige staatsobligaties. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bijlage I bij dit besluit Provinciale staten besteden de financiële middelen, verstrekt aan een budgetbeherende provincie, uitsluitend aan verstrekking van subsidie voor de ontwikkeling van bouwlocaties aan de in die provincie gelegen samenwerkingsgebieden als bedoeld in, genoemd in, of aan in die samenwerkingsgebieden gelegen bouwgemeenten, genoemd in die bijlage. Voorafgaand aan de subsidievaststelling wordt geen beschikking tot subsidieverlening gegeven. 2 bijlage I bij dit besluit Bij ministeriële regeling kunnen namen van bouwgemeenten worden toegevoegd aan. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Een uitvoeringscontract omvat in elk geval: a. de gedurende de contractperiode op het grondgebied van het regionaal openbaar lichaam te ontwikkelen bouwlocaties; b. artikel 27, eerste lid het tijdstip waarop de contractperiode begint en het tijdstip waarop deze eindigt, welk laatstbedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip waarop ingevolge de aanhef van, uiterlijk kan worden besloten een budget in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen; c. een verdeling van de contractperiode in drie tijdvakken, waarbij per tijdvak het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen wordt aangegeven, met dien verstande dat: 1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar; 2°. d het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en 3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak; d. het beoogde tijdstip van voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties; e. c de wijze van afstemming in een tijdvak als bedoeld in onderdeeltussen de bouw van woningen en andere gebouwen, de sanering van de bodem en de aanleg van voorzieningen op het terrein van verkeer en vervoer; f. het totale aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen; g. de gehanteerde rente, waarvoor wordt uit gegaan van de gemiddelde rente over de vijf kalenderjaren die direct voorafgaan aan het tijdstip van ondertekening van het uitvoeringscontract, en h. d artikelen 13 17, eerste lid, eerste en derde volzin 25, eerste lid, derde volzin hetgeen ingevolge de,, en, daarin dient te worden opgenomen. 2 Een uitvoeringscontract voor een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, omvat voorts in elk geval het aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie binnen de bebouwde kom van de betrokken genoemde gemeente, waarop bedrijfsterreinen gelegen zijn die niet meer als zodanig in gebruik zijn. Een uitvoeringscontract voor een ander regionaal openbaar lichaam omvat voorts in elk geval het aantal aan de woningvoorraad toe te voegen woningen voor iedere te ontwikkelen bouwlocatie buiten de bebouwde kom. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Een uitvoeringscontract omvat voorts in elk geval het totale aantal woningen waarmee en het aantal woningen in de sociale-bouwsector waarmee door de regionale openbare lichamen waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van in dat contract aan te geven nieuwe bouwlocaties, of waarmee door de andere regionale openbare lichamen de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van bouwlocaties buiten de bebouwde kom. Het in de eerste volzin bedoelde aantal woningen in de sociale-bouwsector is ten hoogste gelijk aan 30 procent van het totale aantal woningen waarmee de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van bouwlocaties als bedoeld in die volzin. 2 Indien het aantal woningen in de marktsector waarmee door de in het eerste lid eerstgenoemde regionale openbare lichamen de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van in het uitvoeringscontract aan te geven bouwlocaties in en aan de stad, of waarmee door de andere regionale openbare lichamen de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van bouwlocaties binnen de bebouwde kom, hoger is dan 50 procent van het totale aantal woningen waarmee de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van die bouwlocaties, kan, in afwijking van het eerste lid, tweede volzin, het aandeel van de woningen in de sociale-bouwsector in het in de eerste volzin van dat lid bedoelde totale aantal woningen dienovereenkomstig hoger zijn dan 30 procent. 3 Voor de toepassing van dit artikel: a. wordt de uitbreiding van de woningvoorraad, of van een deel daarvan, berekend door het aantal in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties daaraan toe te voegen woningen te verminderen met het aantal in dat kader daaraan te onttrekken woningen; b. wordt onder woningen in de sociale-bouwsector verstaan: 1°. de in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties aan de woningvoorraad toe te voegen woningen waarvan de geraamde kosten van het verkrijgen in eigendom niet hoger zijn dan € 101.449 en 2°. de op het tijdstip waarop de contractperiode begint bestaande woningen die door een gemeente of toegelaten instelling worden verhuurd, en de op dat tijdstip bestaande woningen die door de eigenaar worden bewoond en met betrekking tot welke op dat tijdstip een besluit van overheidswege tot verstrekking van, aan die eigenaar als begunstigde ten goede komende, subsidie ten behoeve van het verkrijgen in eigendom daarvan van toepassing is en c. wordt onder woningen in de marktsector verstaan: 1°. de in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties aan de woningvoorraad toe te voegen woningen waarvan de geraamde kosten van het verkrijgen in eigendom hoger zijn dan € 101.449 en 2°. b de op het tijdstip waarop de contractperiode begint bestaande woningen die niet begrepen zijn onder de in onderdeel, onder 2°, bedoelde woningen. 4 b c artikel 40, eerste lid, van de Woningwet De bedragen, genoemd in het derde lid, onderdelen, onder 1°, en, onder 1°, kunnen bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat wegens wijziging van de prijzen in verband met het bouwen van woningen. De voor enig kalenderjaar geldende bedragen zijn van toepassing op de woningen voor de bouw waarvan in dat jaar een vergunning als bedoeld inwordt verleend. 2004 121 29-06-2004 21-06-2004 MJZ062450 2004 121 29-06-2004 21-06-2004 MJZ062450 01-07-2004 01-01-2004
Artikel 6a — Artikel 6a#
Artikel 6a Een ontwikkelingscontract omvat in elk geval: a. artikel 27, eerste lid het tijdstip waarop de contractperiode begint en het tijdstip waarop deze eindigt, welk laatstbedoelde tijdstip samenvalt met het tijdstip waarop ingevolge de aanhef van, uiterlijk kan worden besloten een budget in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen; b. een verdeling van de contractperiode in drie tijdvakken, waarbij per tijdvak het aantal woningen wordt aangegeven dat aan de woningvoorraad wordt toegevoegd op grond van het ontwikkelingscontract, met dien verstande dat: 1°. het tweede tijdvak begint op 1 januari van een jaar; 2°. c het derde tijdvak begint op het tijdstip, bedoeld in onderdeel, en dat als aantal in dat tijdvak aan de woningvoorraad toe te voegen woningen nul wordt aangegeven, en 3°. zowel het eerste als het tweede tijdvak ten minste twee vijfde deel uitmaakt van de contractperiode zonder inbegrip van het derde tijdvak; c. het beoogde tijdstip van voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties; d. het aantal binnen de bebouwde kom en het aantal buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen op grond van het ontwikkelingscontract, alsmede de wijzigingen in die aantallen als gevolg van daartoe strekkende afspraken tussen de betrokken budgetbeherende provincie en één of meer andere budgetbeherende provincies; e. het totale aantal ten minste aan de woningvoorraad toe te voegen woningen; f. de gehanteerde rente, waarvoor wordt uit gegaan van de gemiddelde rente over de vijf kalenderjaren die direct voorafgaan aan het tijdstip van ondertekening van het ontwikkelingscontract, en g. d artikelen 13 17, eerste lid, eerste en derde volzin 25, eerste lid, derde volzin hetgeen ingevolge de,, en, daarin dient te worden opgenomen. 1998 233 23-04-1998 03-04-1998 1998 360 25-06-1998 16-06-1998 01-07-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 13b — Artikel 13b#
Artikel 13b 1 Onze Minister kan gedurende de contractperiode een budget verhogen, indien een wijziging van het rijksbeleid inzake de volkshuisvesting of de ruimtelijke ordening, die strekt tot een intensivering van de taakstelling voor de woningbouw, dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt. 2 Een budget kan slechts worden verhoogd, indien de ontvanger: a. aan Onze Minister op de wijze, bedoeld in het derde lid, gegevens verstrekt ten behoeve van de berekening van een zodanige verhoging, welke gegevens beperkt blijven tot die woningen en bouwlocaties, welke niet bij de berekening van het budget voor die ontvanger betrokken zijn, en b. a ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat met de voornemens tot ontwikkeling van bouwlocaties die blijken uit de in onderdeelbedoelde gegevens, wordt voldaan aan het vierde lid. 3 Ten behoeve van de berekening van de verhoging van het budget verstrekt de ontvanger aan Onze Minister met gebruikmaking van een door hem vast te stellen formulier: a. het aantal door de ontvanger geprojecteerde woningen dat aan de woningvoorraad wordt toegevoegd op grond van het uitvoeringscontract of het ontwikkelingscontract, waarbij het aantal binnen de bebouwde kom en het aantal buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen afzonderlijk wordt aangegeven; b. de uit een oogpunt van ruimtelijke ordening door de ontvanger beoogde ontwikkeling van bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn; c. de financiële gegevens met betrekking tot de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn, en d. de gegevens inzake de door de ontvanger beoogde mate van dichtheid van de woningbouw op de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn. 4 Onze Minister berekent geen verhoogd budget voor een ander regionaal openbaar lichaam dan een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, indien het algemeen bestuur niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat met de beoogde ontwikkeling van bouwlocaties: a. de behoeften van de inwoners van dat openbaar lichaam op het gebied van wonen, werken en verzorging overwegend binnen dat openbaar lichaam zullen worden vervuld; b. zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan het bouwen van nieuwe woningen in of zo dicht mogelijk bij bestaand stedelijk gebied; c. wordt gestreefd naar verscheidenheid in het aanbod van woningen naar in elk geval prijs en grootte en d. een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van open ruimten tussen het bebouwde grondgebied van dat openbaar lichaam en dat van de aangrenzende gemeenten. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 13c — Artikel 13c#
Artikel 13c 1 De verhoging wordt berekend aan de hand van het reeds aan de ontvanger toegekende budget, overeenkomstig het daarover bij of krachtens dit besluit bepaalde, zoals dit luidde ten tijde van de toekenning van het budget. 2 De budgetbeherende provincies komen overeen, hoe het verhoogde budget over de provincies wordt verdeeld. Zij delen de overeengekomen verdeling mee aan Onze Minister. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 13d — Artikel 13d#
Artikel 13d Bij verhoging van het budget voor een ontvanger worden van het betrokken uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract de bepalingen inzake de aantallen te bouwen woningen en de te ontwikkelen bouwlocaties dienovereenkomstig gewijzigd. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikel 13b Onze Minister kent een ingevolgetot stand gekomen verhoging van een budget aan de betrokken ontvanger toe. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikelen 18 25, eerste lid, tweede volzin Onze Minister betaalt een toegekend budget voor de ontwikkeling van bouwlocaties uit als jaarlijkse bijdrage in een reeks van jaarbedragen, waarvan het aantal en de hoogte in het uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract worden opgenomen. Buiten de gevallen, bedoeld in deen, worden de jaarbedragen slechts gewijzigd in overeenstemming tussen Onze Minister en het budgethoudende bestuursorgaan. De wijzigingen worden in het uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract opgenomen. 2 artikel 18 20, tweede of vijfde lid 21 23, tweede of vijfde lid 24 25 artikel 23, zesde lid 27 Bij de toepassing van het eerste lid houdt Onze Minister op een door hem te bepalen wijze rekening met de bedragen die als gevolg van toepassing van,,,,of, of als gevolg van een onherroepelijk geworden besluit tot intrekking of wijziging als bedoeld in, ofkunnen worden verrekend of teruggevorderd. 3 Het eerste jaarbedrag van een budget wordt uitbetaald in het eerste kalenderjaar van de contractperiode. De volgende jaarbedragen worden telkens voor 1 juli van aaneengesloten daaropvolgende kalenderjaren uitbetaald. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De nog uit te betalen jaarbedragen worden jaarlijks verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee het prijsindexcijfer «Bruto investeringen door bedrijven in woningen (a)», of bij vervanging van dit prijsindexcijfer, het prijsindexcijfer dat hiervoor in de plaats treedt, blijkens de gegevens in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau over het volgende jaar stijgt respectievelijk daalt. De verhogingen of verlagingen vinden steeds op 31 december plaats. 2 Onze Minister kan alle eerstvolgend uit te betalen jaarbedragen met een voor al die jaarbedragen gelijk percentage wijzigen, indien de mate van beschikbaarheid van kasmiddelen daar naar zijn oordeel aanleiding toe geeft. 1998 233 23-04-1998 03-04-1998 1998 360 25-06-1998 16-06-1998 01-07-1998
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a artikel 2, eerste lid Provinciale staten brengen een verordening tot stand, op voet waarvan zij subsidie als bedoeld in, verstrekken en die in elk geval omvat: a. regels inzake de wijze van aanvragen van die subsidie; b. de bij de aanvraag over te leggen gegevens en bescheiden; c. de termijnen voor de beslissing omtrent de aanvraag; d. de gronden om die subsidie niet te verstrekken; e. b artikel 18, eerste en tweede lid de verplichtingen die gelden ingevolge; f. de overige verplichtingen die gelden bij het verstrekken van die subsidie; g. regels inzake de berekening van het bedrag van die subsidie; h. b c artikel 18, eerste lid, onderdeel de termijnen voor en de wijze van uitbrengen van het verslag, bedoeld in; i. de termijnen voor en de wijze van melden van de voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties en j. de wijze en het tijdstip of de tijdstippen van uitbetalen van die subsidie. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 18b — Artikel 18b#
Artikel 18b 1 artikel 2, eerste lid Bij het verstrekken van subsidie als bedoeld in, gelden de verplichtingen dat: a. die subsidie uitsluitend wordt ingezet ter bestrijding van de grondkosten bij de ontwikkeling van bouwlocaties; b. ten hoogste 30 procent van het aantal woningen waarmee de woningvoorraad, conform het ontwikkelingscontract, wordt uitgebreid door het ontwikkelen van bouwlocaties buiten de bebouwde kom, behoort tot de woningen in de sociale-bouwsector, en c. aan provinciale staten jaarlijks een verslag wordt uitgebracht over de voortgang van de ontwikkeling van de bouwlocaties waarvoor die subsidie wordt verstrekt. 2 b Indien het aantal woningen in de marktsector waarmee de woningvoorraad wordt uitgebreid door het ontwikkelen van bouwlocaties binnen de bebouwde kom op grond van het ontwikkelingscontract, hoger is dan 50 procent van het totale aantal woningen waarmee de woningvoorraad op die wijze wordt uitgebreid, kan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel, het aandeel van de woningen in de sociale-bouwsector in het in genoemd onderdeel bedoelde aantal woningen dienovereenkomstig hoger zijn dan 30 procent. 3 b a artikel 6, derde lid, onderdeel b c artikel 6, derde lid, onderdelenen Artikel 6, vierde lid, tweede volzin Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel, en het tweede lid wordt de in die bepalingen bedoelde uitbreiding van de woningvoorraad op een gelijke wijze berekend als neergelegd in, en wordt onder woningen in de sociale-bouwsector en woningen in de marktsector hetzelfde verstaan als hetgeen daaronder in, wordt verstaan., is van overeenkomstige toepassing. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 bijlage II bij dit besluit artikel 26, eerste lid Het budgethoudende bestuursorgaan brengt jaarlijks voor 1 april, voor het eerst in het tweede kalenderjaar van de contractperiode, op een formulier volgens het model in, aan Onze Minister verslag uit over de voortgang van de ontwikkeling van de in het betrokken uitvoeringscontract genoemde bouwlocaties, respectievelijk van de bouwlocaties, genoemd in dan wel ter uitvoering van het ontwikkelingscontract. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt, indien in het eindrapport, bedoeld in, niet is gemeld dat de ontwikkeling van de bouwlocaties op het grondgebied van de ontvanger is voltooid, het in die volzin bedoelde verslag over het laatste kalenderjaar van de contractperiode uitgebracht binnen vier weken na die voltooiing. 1998 233 23-04-1998 03-04-1998 1998 360 25-06-1998 16-06-1998 01-07-1998
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 artikel 19, eerste volzin Onze Minister bevestigt binnen vier weken de ontvangst van het verslag, bedoeld in. 2 Indien het verslag niet tijdig of naar het oordeel van Onze Minister onvolledig is uitgebracht, geeft hij daarvan kennis aan het budgethoudende bestuursorgaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid. 3 Onze Minister stelt bij de in het tweede lid bedoelde kennisgeving een termijn van ten hoogste acht weken binnen welke het verslag alsnog moet worden uitgebracht of aangevuld. 4 Door een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid wordt de uitbetaling van het budget opgeschort. 5 De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het budgethoudende bestuursorgaan het verslag alsnog heeft uitgebracht of aangevuld. De door de opschorting niet uitbetaalde jaarbedragen worden terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Vervallen 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 c artikel 5, eerste lid, onderdeel, aanhef a b 6, onderdeel, aanhef bijlage III A bij dit besluit Het budgethoudende bestuursorgaan brengt binnen dertien weken na het verloop van het eerste van de drie tijdvakken, bedoeld in, of, op een formulier volgens het model in, aan Onze Minister een tussenrapport uit over de voortgang van de ontwikkeling van de in het betrokken uitvoeringscontract genoemde bouwlocaties, respectievelijk van de bouwlocaties genoemd in dan wel ter uitvoering van het ontwikkelingscontract. 2 Van het tussenrapport maken deel uit: a. g artikel 5, eerste lid, onderdeel a 6, onderdeel f c artikel 5, eerste lid, onderdeel, aanhef a b 6, onderdeel, aanhef, een vergelijking tussen de rente, bedoeld in, of, en de rente over het eerste van de drie tijdvakken, bedoeld in, respectievelijkvoor welke laatstbedoelde rente wordt uit gegaan van de gemiddelde rente over de vijf kalenderjaren die direct voorafgaan aan het begin van het tweede van die drie tijdvakken, en b. een uiteenzetting over het beleid dat door het budgethoudende bestuursorgaan is gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van ingevolge dit besluit verstrekte subsidie. 3 artikelen 5 6 a artikel 6 bijlagen IV A IV B bij dit besluit artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Het tussenrapport gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van dat rapport, omtrent de getrouwe naleving van de gestelde voorwaarden en omtrent de getrouwe naleving van het uitvoeringscontract of het ontwikkelingscontract, voor zover de inhoud daarvan uitvoering geeft aan deen, respectievelijk aan, welke verklaring wordt afgegeven door een accountant als bedoeld in. De verklaring wordt opgesteld met inachtneming van deen. 4 bijlage IV A bij dit besluit De verklaring, bedoeld in het derde lid, gaat vergezeld van het rapport van bevindingen, bedoeld in punt 3 van het onderdeel, getiteld «Richtlijnen», van. 1998 233 23-04-1998 03-04-1998 1998 360 25-06-1998 16-06-1998 01-07-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 22, eerste lid Onze Minister bevestigt binnen vier weken de ontvangst van het tussenrapport, bedoeld in. 2 Indien het tussenrapport niet tijdig of naar het oordeel van Onze Minister onvolledig is uitgebracht, geeft hij daarvan kennis aan het budgethoudende bestuursorgaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid. 3 Onze Minister stelt bij de in het tweede lid bedoelde kennisgeving een termijn van ten hoogste acht weken binnen welke het tussenrapport alsnog moet worden uitgebracht of aangevuld. 4 Door een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid wordt de uitbetaling van het budget opgeschort. 5 artikel 24, eerste lid De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het budgethoudende bestuursorgaan het tussenrapport alsnog heeft uitgebracht of aangevuld, tenzij Onze Minister van oordeel is dat toepassing zou moeten worden gegeven aan, in welk geval op de opheffing van de opschorting het tweede lid van dat artikel van toepassing is. De door de opschorting niet uitbetaalde jaarbedragen worden terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing. 6 artikel 22, eerste lid Indien het budgethoudende bestuursorgaan een jaar na het verloop van de termijn, genoemd in, het tussenrapport niet heeft uitgebracht of aangevuld, kan Onze Minister het besluit tot toekenning van het budget intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 22, eerste lid c artikel 5, eerste lid, onderdeel, aanhef a b 6, onderdeel Indien uit het tussenrapport, bedoeld in, naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het aantal woningen, bedoeld in, of, aanhef, niet aan de woningvoorraad is toegevoegd, kan Onze Minister de uitbetaling van het budget opschorten. 2 De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het budgethoudende bestuursorgaan alsnog aan het in het eerste lid bedoelde onderdeel van het betrokken contract voldoet. De door de opschorting niet uitbetaalde jaarbedragen worden terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 a artikel 22, tweede lid, onderdeel c artikel 5, eerste lid, onderdeel, aanhef a b 6, onderdeel artikel 5, eerste lid, onderdeel g a 6, onderdeel f artikel 17, eerste lid Het budget wordt als gevolg van een vergelijking als bedoeld in, verhoogd of verlaagd, indien de gemiddelde rente over het eerste van de drie tijdvakken, bedoeld in, of, aanhef, meer dan één procentpunt afwijkt van de rente, bedoeld in, respectievelijk. Bij een zodanige verhoging of verlaging wordt het aantal of de hoogte van de jaarbedragen, bedoeld in, gewijzigd. De wijzigingen worden in het uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract opgenomen. 2 artikel 17, eerste lid c artikel 5, eerste lid, onderdeel, aanhef a b 6, onderdeel Voor elk vol procentpunt dat de afwijking, bedoeld in het eerste lid, bedraagt, bedraagt de verhoging of verlaging, bedoeld in dat lid, 1,56 procent van de som van de ingevolge, in het uitvoeringscontract of ontwikkelingscontract opgenomen jaarbedragen voor het tweede van de drie tijdvakken, bedoeld in, of, aanhef. Het in de eerste volzin genoemde percentage kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd. 1998 233 23-04-1998 03-04-1998 1998 360 25-06-1998 16-06-1998 01-07-1998
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 bijlage III B bij dit besluit Het budgethoudende bestuursorgaan brengt binnen dertien weken na het tijdstip waarop ingevolge het uitvoeringscontract of het ontwikkelingscontract de ontwikkeling van de bouwlocaties op het grondgebied van de ontvanger dient te zijn voltooid, op een formulier volgens het model in, aan Onze Minister een eindrapport uit over die voltooiing. 2 b Artikel 22, tweede lid, aanhef en onderdeel, derde lid bijlagen IV A IV B bij dit besluit junctoen, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, indien in het eindrapport, bedoeld in het eerste lid, de voltooiing van de ontwikkeling van de bouwlocaties op het grondgebied van de ontvanger wordt gemeld. 3 Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het vijfde lid, eerste volzin, de zinsnede die begint met ", tenzij Onze Minister" en die eindigt met "van toepassing is" niet van toepassing is. 1997 470 21-10-1997 06-10-1997 1997 470 21-10-1997 06-10-1997 22-12-1997
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 26, eerste lid Onze Minister kan, uiterlijk zes maanden na de ontvangst van het volledige in, bedoelde eindrapport, een besluit tot toekenning van een budget intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien uit dat rapport, of uit de uitgebrachte eindrapporten gezamenlijk naar zijn oordeel blijkt dat: a. a f artikelen 5, eerste lid, onderdelenen, en tweede lid 6, eerste lid artikel 6, tweede lid een regionaal openbaar lichaam zich niet heeft gehouden aan één of meer van de onderdelen van het uitvoeringscontract, bedoeld in de, en, aan, en het algemeen bestuur in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat dat openbaar lichaam zich alsnog aan die bepalingen zal houden; b. artikel 8, tweede lid, tweede volzin in een regionaal openbaar lichaam waarvan Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, de toeslag, bedoeld in, zoals die luidde op 31 december 1999, niet of niet volledig is besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht op laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen, tenzij die gemeente van die besteding heeft afgezien ten gunste van een andere bouwgemeente die van het betrokken regionaal openbaar lichaam deel uitmaakt en die toeslag heeft besteed aan het ontwikkelen van bouwlocaties met laatstelijk voor 1 januari 1990 in gebruik zijnde bedrijfsterreinen. c. artikel 2, eerste lid a artikel 6, onderdeel e a artikel 18 b artikel 18, eerste en tweede lid een budgetbeherende provincie zich niet heeft gehouden aan, aan het onderdeel van het ontwikkelingscontract, bedoeld in, of aan, of niet de hand heeft gehouden aan de naleving van, en provinciale staten in het eindrapport niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk hebben gemaakt dat die provincie zich alsnog aan die bepalingen zal houden respectievelijk aan die naleving de hand zal houden, of d. a artikel 6, onderdeel e a artikel 6, onderdeel d een budgetbeherende provincie die zich heeft gehouden aan, binnen de bebouwde kom minder woningen aan de woningvoorraad heeft toegevoegd dan het ingevolge, in het ontwikkelingscontract opgenomen aantal binnen de bebouwde kom daaraan toe te voegen woningen, en het door de budgetbeherende provincies gezamenlijk binnen de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen lager is dan het aantal door die provincies gezamenlijk in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen. 2 Onze Minister kan een besluit tot toekenning van een budget voorts intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen, indien de gegevens op grond waarvan het budget is toegekend zodanig onjuist blijken te zijn, dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 27a — Artikel 27a#
Artikel 27a 1 Onze Minister stelt de hoogte van het in te trekken of op het budget in mindering te brengen bedrag vast, waarbij hij ten aanzien van de budgetbeherende provincies het tweede tot en met vierde lid in acht neemt. 2 Het ingevolge het eerste lid vast te stellen bedrag wordt berekend: a. a artikel 6, onderdeel e indien niet is voldaan aan het onderdeel van het ontwikkelingscontract, bedoeld inen 1°. dit uitsluitend is terug te voeren op het in onvoldoende mate buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toevoegen van woningen: volgens de formule (q . r) en het vierde lid; 2°. dit uitsluitend is terug te voeren op het in onvoldoende mate binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toevoegen van woningen: volgens de formule (p . € 1 361,34) - (q . r) en het vierde lid, en 3°. dit op de beide situaties, bedoeld onder 1° en 2°, is terug te voeren: volgens de formule (p . € 1 361,34) + (q . r) en het vierde lid, of b. artikel 27, eerste lid, onderdeel d indien, van toepassing is: volgens de formule \(s . € 1 361,34) . (p/pg)\ - (t . r) en het vierde lid. 3 In de formules, genoemd in het tweede lid en dit lid, stelt voor: p: het verschil tussen het aantal volgens het ontwikkelingscontract binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen in de betrokken provincie en het aantal feitelijk op grond van dat ontwikkelingscontract binnen de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen in die provincie; q: a a artikel 6, onderdeel e het verschil tussen het aantal volgens het ontwikkelingscontract buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen in de betrokken provincie en het aantal feitelijk op grond van dat ontwikkelingscontract buiten de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen in die provincie, welk verschil voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel, onder 1°, niet hoger wordt gesteld dan het verschil tussen het aantal, bedoeld in, en het aantal feitelijk op grond van dat ontwikkelingscontract aan de woningvoorraad toegevoegde woningen in die provincie; r: het aan de budgetbeherende provincies gezamenlijk toegekende budget, berekend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit besluit, zoals dit luidde op 31 december 1999, verminderd met het bedrag dat wordt verkregen door het aantal door die provincies gezamenlijk in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen te vermenigvuldigen met € 1 361,34, en vervolgens gedeeld door het aantal volgens de ontwikkelingscontracten gezamenlijk buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen in de budgetbeherende provincies gezamenlijk; s: het verschil tussen het aantal door de budgetbeherende provincies gezamenlijk in het kader van de ontwikkeling van bouwlocaties binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen, en het aantal feitelijk op grond van het ontwikkelingscontract binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toegevoegde aantal woningen in de budgetbeherende provincies gezamenlijk; pg: het verschil tussen het aantal volgens de betrokken ontwikkelingscontracten gezamenlijk binnen de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen in de betrokken provincies gezamenlijk en het aantal feitelijk binnen de bebouwde kom daaraan toegevoegde woningen in die provincies, en t: de uitkomst van de berekening van de factor q, dan wel, indien die lager is, de uitkomst van de formule (s . p/pg). 4 artikelen 18 25 artikel 27, eerste lid Een volgens het tweede en derde lid berekend bedrag wordt verhoogd of verlaagd met het percentage waarmee, door de toepassingen van deentot het tijdstip van de intrekking of wijziging, bedoeld in, de betrokken jaarbedragen hoger of lager zijn komen te liggen dan de oorspronkelijk in het ontwikkelingscontract opgenomen jaarbedragen. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 26, eerste lid bijlage III B bij dit besluit Indien in het eindrapport, bedoeld in, niet is gemeld dat de ontwikkeling van de bouwlocaties op het grondgebied van de ontvanger is voltooid, meldt het budgethoudende bestuursorgaan die voltooiing aan Onze Minister binnen vier weken na die voltooiing, op een formulier volgens het model in. 2 b Artikel 22, tweede lid, aanhef en onderdeel, derde lid bijlagen IV A IV B bij dit besluit junctoen, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3 Artikel 23 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het vijfde lid, eerste volzin, de zinsnede die begint met ", tenzij Onze Minister" en die eindigt met "van toepassing is" niet van toepassing is. 4 Artikel 27, eerste lid c , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van onderdeel a de zinsnede die begint met ", en het algemeen bestuur" en die eindigt met "zal houden", en van onderdeelde zinsnede die begint met "en provinciale staten" en die eindigt met "de hand zal houden," niet van toepassing is. 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Onze Minister kan van dit besluit of de daarop berustende bepalingen afwijken of afwijking daarvan toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting zijn. 2 Onze Minister kan bepalen dat een afwijking als bedoeld in het eerste lid van kracht blijft in gevallen dat het experiment is afgesloten, hij dat experiment als zodanig geslaagd beschouwt, dat dit naar zijn oordeel tot wijziging van dit besluit zou moeten leiden, en die wijziging nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 Vervallen 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 2000 578 21-12-2000 13-12-2000 22-12-2000 01-01-2000 Werkt terug tot en met 1 januari 2000.
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 1995 527 14-11-1995 30-10-1995 1995 627 27-12-1995 13-12-1995 14-01-1996
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit locatiegebonden subsidies. 1994 57 03-02-1994 26-01-1994 1994 207 29-03-1994 21-03-1994 05-04-1994
Artikel 22#
a artikel 22, tweede lid, onderdeel, van het Besluit locatiegebonden subsidies
Artikel 22#
b artikel 22, tweede lid, onderdeel, van het Besluit locatiegebonden subsidies
Artikel 22#
b artikel 22, tweede lid, onderdeel, van het Besluit locatiegebonden subsidies
Artikel 22#
artikel 22, eerste lid, van het Besluit locatiegebonden subsidies
Artikel 26#
artikel 26, eerste lid , van dat besluit
Artikel 28#
artikel 28, eerste lid, van dat besluit
Artikel 22#
artikel 22, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit locatiegebonden subsidies
Artikel 22#
artikel 22, eerste lid
Artikel 26#
artikel 26, eerste lid
Artikel 28#
artikel 28, eerste lid