Besluit van 25 april 1994, houdende uitvoering van artikel 20, aanhef en onderdeel a, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
- BWB-id
- BWBR0006624
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- 2003-12-02 t/m 2006-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0006624
- ELI
- /eli/nl/amvb/1994/besluit-vrijgestelde-onderlinge-waarborgmaatschappijen-1994
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1994/besluit-vrijgestelde-onderlinge-waarborgmaatschappijen-1994/2003-12-02
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0006624&g=2003-12-02
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0006624&z=2026-06-06&g=2003-12-02
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0006624/2003-12-02
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1994/besluit-vrijgestelde-onderlinge-waarborgmaatschappijen-1994
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 de artikelen 2 3 Deis, voor zover in dit besluit niet anders is bepaald, niet van toepassing op een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent en in het bezit is van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende verklaring ingevolgeofvan dit besluit. 2 Bij de aanvraag van een verklaring legt de aanvraagster aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een programma van werkzaamheden over. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het programma van werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid. 4 Indien voor de eerste maal een verklaring wordt aangevraagd, legt de aanvraagster tevens aan de Pensioen- & Verzekeringskamer over een authentiek afschrift van de akte van oprichting, een exemplaar van haar statuten en reglementen alsmede een lijst met namen en adressen van haar bestuurders. 5 Indien de stukken die bij de aanvraag van een verklaring zijn overgelegd de Pensioen- & Verzekeringskamer aanleiding geven tot het maken van opmerkingen, stelt zij de aanvraagster in de gelegenheid op deze opmerkingen binnen een door haar te stellen termijn te antwoorden. 6 De Pensioen- & Verzekeringskamer beslist binnen acht weken. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, begint de in de eerste volzin genoemde termijn op het tijdstip waarop de inlichtingen door de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn ontvangen. 7 Staatscourant De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van de verlening van een verklaring mededeling in de. 8 De Pensioen- & Verzekeringskamer legt te haren kantore ten behoeve van een ieder een lijst ter inzage van de onderlinge waarborgmaatschappijen die in het bezit zijn van een verklaring. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een verklaring aan een onderlinge waarborgmaatschappij waarvan: a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te dragen in de tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt; b. artikel 15 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 de bedrijfsuitoefening is beperkt tot slechts een van de branches, genoemd in, met uitzondering van de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening; c. de bij haar verzekerde risico’s op naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer genoegzame wijze zijn herverzekerd, tenzij de Pensioen- & Verzekeringskamer er mee instemt dat geen herverzekering plaatsvindt; d. ten minste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van de leden; e. het aantal verzekeringnemers niet groter is dan drieduizend; en f. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 455 000 beloopt. 2 c Het eerste lid, onderdeel, is niet van toepassing op een onderlinge waarborgmaatschappij zolang het aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 91 000 beloopt. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2 De Pensioen- & Verzekeringskamer verleent een verklaring aan een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan geen verklaring ingevolgekan worden verleend en waarvan: a. de statuten bepalen dat de leden tijdens de bedrijfsuitoefening verplicht zijn of kunnen worden volledig bij te dragen in de tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt en dat bij de ontbinding de leden en zij die binnen de in de statuten bepaalde termijn hebben opgehouden leden te zijn, aansprakelijk zijn voor tekorten of dat de schadevergoedingsplicht naar gelang van de beschikbare middelen kan worden beperkt; b. de bedrijfsuitoefening zich niet uitstrekt tot de branches Ongevallen, Ziekte, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen, Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen, Algemene aansprakelijkheid, Krediet, Borgtocht en Hulpverlening; c. het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 5 miljoen beloopt; en d. ten minste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van de leden. 2 artikel 68, eerste lid en vierde tot en met zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 De onderlinge waarborgmaatschappij dient te beschikken over een solvabiliteitsmarge die ten minste € 205 000 bedraagt. Ten aanzien van deze solvabiliteitsmarge isvan toepassing. 2003 483 01-12-2003 11-11-2003 2003 483 01-12-2003 11-11-2003 02-12-2003
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 2 Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolgeis verleend: a. artikel 58, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dient binnen de doorbepaalde termijnen haar jaarrekening en jaarverslag bij de Pensioen- & Verzekeringskamer in; b. artikel 2 toont op verzoek en ten genoegen van de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door deze te bepalen termijn aan dat zij nog voldoet aan de voorwaarden, gesteld in; c. gedoogt dat de Pensioen- & Verzekeringskamer op elk door deze gewenst tijdstip bij haar een onderzoek instelt of zij nog voldoet aan de voorwaarden, gesteld voor het verkrijgen van de verklaring, en aan de verplichtingen die overigens ingevolge dit besluit op haar rusten; d. geeft aan de Pensioen- & Verzekeringskamer of aan personen, door deze bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, inzage van haar zakelijke gegevens en bescheiden en verleent de vereiste medewerking opdat hij, die deze zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, deze aan de Pensioen- & Verzekeringskamer of de door deze aangewezen personen ter inzage geeft. 2 d Een derde, die de in het eerste lid, onderdeel, bedoelde zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, legt deze desgevorderd over aan de Pensioen- & Verzekeringskamer of de overeenkomstig genoemd onderdeel aangewezen personen. 3 a Het eerste lid, onderdeel, is niet van toepassing op een onderlinge waarborgmaatschappij indien het aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 91 000 beloopt. 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 2001 415 04-10-2001 14-09-2001 01-01-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 3 Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolgeis verleend, dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar bij de Pensioen- & Verzekeringskamer een opgave in met betrekking tot de vanuit de vestigingen in Nederland gesloten overeenkomsten van verzekering met betrekking tot in andere lid-staten dan Nederland gelegen risico's. In die opgave worden per lid-staat en per branchegroep de in dat boekjaar geboekte premies, schaden en provisies vermeld, telkens zonder aftrek van herverzekering. 2 De in het eerste lid bedoelde branchegroepen en het model van de opgave worden door de Pensioen- & Verzekeringskamer vastgesteld. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 2 artikelen 1 2 8 10, eerste lid 11 15 18 20, aanhef en onderdeel a 29 51 54 55 55a 56 64 70 70a 71 75, eerste tot en met derde lid 141, eerste lid 182 tot en met 186 188, eerste lid 188a, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolgeis verleend, is het bepaalde bij of krachtens de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,, envan toepassing of van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 27, tweede en derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen Met betrekking tot het verzekeren van bijkomende risico’s isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de risico’s van de branche Rechtsbijstand uitsluitend als bijkomende risico’s mogen worden gecombineerd met branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband houden met het gebruik van zeeschepen. Risico’s die verband houden met aansprakelijkheden ten aanzien waarvan devan toepassing is, mogen evenwel niet als bijkomend risico worden verzekerd. 2003 396 21-10-2003 10-10-2003 2003 482 27-11-2003 18-11-2003 01-12-2003
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 3 artikelen 1 2 8 10, eerste lid 11 15 18 20, aanhef en onderdeel a 29 51 54 55 55a 56 57, eerste, derde en vierde lid 64 66, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, eerste volzin, zevende en achtste lid 70 tot en met 73 75, eerste tot en met derde lid 76 77, eerste en derde lid 121, eerste en vijfde lid 122 123 127 137a 138, eerste, vierde en vijfde lid 140 140a 141, eerste lid 155 156, eerste tot en met derde en vijfde tot en met dertiende lid 157 158 161 tot en met 164 165, eerste lid en derde tot en met zevende lid 165a 166 168 169, eerste, derde en vierde lid, vijfde lid, onderdelen a tot en met d en f 169a 170 182 tot en met 186 188 188a 196 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan een verklaring ingevolgeis verleend, is het bepaalde bij of krachtens de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,envan toepassing of van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 66, zesde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 De waarden, bedoeld inmoeten in Nederland aanwezig zijn, met dien verstande dat met betrekking tot een overeenkomst van communautaire co-assurantie deze waarden ter keuze van de onderlinge waarborgmaatschappij ook aanwezig mogen zijn in de andere lid-staten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de overeenkomst. 3 Artikel 6, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2003 483 01-12-2003 11-11-2003 2003 483 01-12-2003 11-11-2003 02-12-2003
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Indien een onderlinge waarborgmaatschappij weet of redelijkerwijze kan voorzien dat zij niet meer voldoet of zal voldoen aan een der voorwaarden op grond waarvan zij een verklaring heeft verkregen, deelt zij dit terstond aan de Pensioen- & Verzekeringskamer mee. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verklaring intrekken indien de onderlinge waarborgmaatschappij: a. daarom verzoekt; b. niet meer voldoet aan de voorwaarden die voor de verlening van de verklaring zijn gesteld; c. ernstig in gebreke blijft aan verplichtingen, haar bij of krachtens de wet of dit besluit opgelegd, te voldoen; d. de bedrijfsuitoefening gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt; e. binnen twaalf maanden na de verlening van de verklaring daarvan geen gebruik heeft gemaakt; of f. artikel 2 waaraan een verklaring ingevolgeis verleend, in surséance van betaling verkeert of failliet is verklaard. 2 De werking van het besluit tot intrekking van de verklaring wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 3 Staatscourant De Pensioen- & Verzekeringskamer doet van het besluit in demededeling, zodra de intrekking van kracht is geworden. Zij kan, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen acht, het besluit eveneens op andere door haar te bepalen wijze publiceren. 4 artikel 3 De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt de intrekking van een verklaring, verleend ingevolge, ter kennis van de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waarheen de onderlinge waarborgmaatschappij vanuit Nederland diensten verricht. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 e f artikel 2, eerste lid, onderdelenen c artikel 3, eerste lid, onderdeel De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verklaring weigeren of intrekken indien een onderlinge waarborgmaatschappij deel uitmaakt of zal uitmaken van een groep en met het deel uitmaken van die groep naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer uitsluitend of in hoofdzaak wordt beoogd te bewerkstelligen dat een andere in die groep verbonden onderlinge waarborgmaatschappij voldoet of zal blijven voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in, of. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Houdt de onderlinge waarborgmaatschappij op te bestaan, dan vervalt de aan haar verleende verklaring. Artikel 9, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 12 Herleeft de rechtspersoon vervolgens, dan isvan overeenkomstige toepassing. 1994 314 25-04-1994 1994 314 25-04-1994 01-07-1994
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 De intrekking van een verklaring verplicht de onderlinge waarborgmaatschappij haar bedrijf af te wikkelen, tenzij de intrekking gepaard gaat met de verlening van een andere verklaring ingevolge dit besluit of met de verlening van een vergunning als bedoeld in. 2 Op de onderlinge waarborgmaatschappij die ingevolge het eerste lid verplicht is haar bedrijf af te wikkelen, blijven de bepalingen van dit besluit van toepassing. 3 Gedurende de afwikkeling mag zonder toestemming van de Pensioen- & Verzekeringskamer geen wijziging worden gebracht in de verplichting van de leden om bij te dragen in de tekorten dan wel in de mogelijkheid de schadevergoedingsplicht te beperken. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 Op een onderneming of instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die vanuit een vestiging buiten Nederland diensten wenst te verrichten of verricht naar Nederland en niet in het bezit is van een vergunning die overeenkomt met de inbedoelde vergunning, zijn de artikelen 111 tot en met 114 en 116 tot en met 119 van die wet niet van toepassing, indien de onderneming of instelling ten genoegen van de Pensioen- & Verzekeringskamer aantoont dat: a. artikel 2 artikel 3 zij voldoet aan voorwaarden die overeenkomen met het bepaalde inof; b. indien de betrokken vestiging zich in een lid-staat bevindt, op deze vestiging toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate overeenkomt met het toezicht ingevolge dit besluit of, indien de betrokken vestiging zich buiten de Unie bevindt, zij in de staat van haar zetel bevoegd is tot uitoefening van het directe schadeverzekeringsbedrijf en dit bedrijf vanuit een vestiging in die staat daadwerkelijk uitoefent. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikel 188d, vijfde lid, eerste volzin, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 Het bedrag van de boete, bedoeld in, wordt bepaald op de wijze, voorzien in de bijlage bij dit besluit. 2 De Pensioen- & Verzekeringskamer kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is. 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 2001 22 16-01-2001 05-01-2001 17-01-2001
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikelen 2 of 3 van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen de artikelen 2 3 Een verklaring die is verleend ingevolge deen die op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt niet is ingetrokken, wordt beschouwd te zijn verleend ingevolgeonderscheidenlijkvan dit besluit. 2 a artikel 9van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen artikel 13 Een onderneming of instelling op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond vanbevoegd is diensten te verrichten naar Nederland vanuit een vestiging buiten Nederland en tevens daadwerkelijk zulke diensten verricht, wordt beschouwd bevoegd te zijn ingevolgevan dit besluit. 1994 314 25-04-1994 1994 314 25-04-1994 01-07-1994
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1994. 1994 314 25-04-1994 1994 314 25-04-1994 01-07-1994
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994. 1994 314 25-04-1994 1994 314 25-04-1994 01-07-1994
Artikel Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 4, eerste lid, onderdeel a hoofdstuk XI B van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 1 In dit lid zijn bepalingen opgesomd die zich uitsluitend richten tot verzekeraars. 1. Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gesteld bij, en 5, eerste lid, van dit besluit, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van, bedraagt € 453. artikel 4, eerste lid, onderdeel d hoofdstuk XI B van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 2 In dit lid is een bepaling vermeld die zich uitsluitend richt tot verzekeraars. 2. Het bedrag van de boete voor overtreding van het voorschrift, gesteld bij, van dit besluit, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van, bedraagt € 5 445. de artikelen 4, eerste lid, onderdelen b en c, 7, tweede lid 8 12, eerste en tweede lid hoofdstuk XI B van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 3 In dit lid zijn bepalingen opgesomd die zich uitsluitend richten tot verzekeraars. 3. Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gesteld bij,,, van dit besluit, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van, bedraagt € 21 781 artikel 4, tweede lid hoofdstuk XI B van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 4 In dit lid is een bepaling vermeld die zich in beginsel tot een ieder (inclusief verzekeraars) richt. 4. Het bedrag van de boete voor overtreding van het voorschrift, gesteld bij, van dit besluit, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van, bedraagt € 5 445
Artikel Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1, eerste tot en met derde lid 1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een voorschrift als bedoeld in, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing, met de daarbij behorende factor: Categorie-indeling normgeadresseerden Categorie I: schadeverzekeraars met een balanstotaal van minder dan € 4 538 000; factor 1; Categorie II: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten minste € 4 538 000 maar minder dan € 22 689 000; factor 2; Categorie III: schadeverzekeraars met een balanstotaal van ten minste € 22 689 000 maar minder dan € 113 445 000; factor 3. artikel 1, eerste tot en met derde lid 2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, genoemd in, te vermenigvuldigen met de factor, behorende bij de categorie naar balanstotaal. 3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn gesteld, kan zij aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie III van toepassing. artikel 188f, tweede lid artikel 1, eerste lid 4. Op grond van, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete, bedoeld in, wordt opgelegd.