Besluit van 15 december 1994 houdende regeling inzake de rusttijden van bemanningsleden, de samenstelling van de bemanning en de vaartijden van schepen op binnenwateren
- BWB-id
- BWBR0007124
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2008-09-17 t/m 2009-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007124
- ELI
- /eli/nl/amvb/1995/besluit-vaartijden-en-bemanningssterkte-binnenvaart
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1995/besluit-vaartijden-en-bemanningssterkte-binnenvaart/2008-09-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007124&g=2008-09-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007124&z=2026-06-06&g=2008-09-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007124/2008-09-17
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1995/besluit-vaartijden-en-bemanningssterkte-binnenvaart
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit en de daarbij behorende bijlage bepaalde wordt verstaan onder: a. Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart wet:; b. motorschip: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen; c. duwboot: een schip dat is gebouwd om te duwen en niet is bestemd voor het zelfstandig vervoeren van goederen; d. sleepschip: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, 2°. wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt zijn; e. duwbak: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, 2°. wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt zijn; f. hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel; g. duwstel: een hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; h. gekoppeld samenstel: een samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; i. zeeschipbak: een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren; j. passagiersschip: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning, niet zijnde een veerboot of een veerpont; k. hotelschip: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers; l. bunkerschip: een schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden; m. veerboot: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning, alsook van voertuigen op meer dan twee wielen, dat een veerdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de overige waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds; n. d artikel 1, onderdeel veerpont: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van één of meer personen buiten de bemanning, dat een veerdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in, van de wet, niet zijnde een veerboot; o. lengte: de grootste lengte van de scheepsromp, het roer en de boegspriet niet inbegrepen; p. breedte: de grootste breedte gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, schoepraderen niet inbegrepen; q. rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie; r. artikel 25, onderdeel a exploitatiewijze A1: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 9, 16 uur bedraagt; s. artikel 25, onderdeel a exploitatiewijze A2: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, ten hoogste 18 uur bedraagt; t. artikel 25, onderdeel a exploitatiewijze B: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in, meer dan 18 uur bedraagt; u. tachograaf: een registratie-apparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften, van een door Onze Minister goedgekeurd model; v. divisie Scheepvaart: divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. 2 Waar in dit besluit de aanduiding «jaar» wordt gebruikt in relatie tot vaartijd, wordt hieronder verstaan hetgeen als zodanig geldt op grond van artikel 23.01, vierde lid, van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995. 2004 495 07-10-2004 23-09-2004 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1, onderdeel d Stb. Als lijn, bedoeld in, van de wet, wordt aangewezen de lijn, vastgesteld bij koninklijk besluit van 2 juni 1982 (363). 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 dit hoofdstuk artikel 1, onderdeel d Voor de toepassing vanwordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in, van de wet is binnengevaren. 2 Een schip dat de in het eerste lid bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van: a. artikel 25, onderdeel a hetzij een vaartijdenboek als bedoeld in, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld; b. onderdeel a hetzij een ander document waaruit de inbedoelde gegevens blijken. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Het is een bemanningslid verboden arbeid te verrichten in een toestand van oververmoeidheid. 2 Het is de gezagvoerend schipper verboden een bemanningslid in een zodanige toestand arbeid te laten verrichten. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikelen 5.5:2 5.5:3 5.5:4 5.5:5 5.5:7 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer De gezagvoerend schipper en diens werkgever organiseren de arbeid zodanig dat een bemanningslid geen arbeid verricht in strijd met de,,,en. 2 paragraaf 6.6 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer De gezagvoerend schipper en diens werkgever organiseren de arbeid van een bemanningslid aan boord van een havensleepboot gedurende de tijd dat dit schip dienst doet in havensleepdienst zodanig dat hij geen arbeid verricht in strijd met. 2005 306 21-06-2005 07-06-2005 2005 306 21-06-2005 07-06-2005 22-06-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een wisseling van exploitatiewijze is slechts toegestaan met inachtneming van de volgende voorschriften: van de exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar de exploitatiewijze A2 worden gewisseld indien: de bemanning in zijn geheel is afgelost, of bij controle kan worden aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 8 uur, waarvan 6 uur buiten de vaartijd, in acht hebben genomen en de voor de exploitatiewijze A2 voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt; van de exploitatiewijze A2 mag slechts naar de exploitatiewijze A1 worden gewisseld indien: de bemanning in zijn geheel is afgelost, of bij controle kan worden aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht hebben genomen; van de exploitatiewijze B mag slechts dan naar de exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld indien: de bemanning in zijn geheel is afgelost, of bij controle kan worden aangetoond dat de voor de exploitatiewijze A1 respectievelijk A2 bestemde bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur in acht hebben genomen; van de exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts naar de exploitatiewijze B worden gewisseld indien: de bemanning in zijn geheel is afgelost, of bij controle kan worden aangetoond dat de voor de exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur buiten de vaartijd in acht hebben genomen, en de voor de exploitatiewijze B voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt. 2 Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de exploitatiewijze A1 of A2 voor een verdere exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en kan worden aangetoond dat de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de voortzetting van de exploitatiewijze A1 of A2 een ononderbroken rusttijd van 8, respectievelijk 6 uur buiten de vaartijd in acht genomen hebben. 3 bijlage K van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt door middel van hetzij een verklaring als bedoeld in, hetzij door een kopie van de pagina met aantekeningen van de vaar- respectievelijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Bij exploitatiewijze A1 mag de vaartijd van een schip ten hoogste eenmaal per kalenderweek tot ten hoogste 16 uur worden verlengd indien: artikelen 11, eerste lid 18, eerste lid, van de wet het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is voor de in de, enbedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het begin van de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart; en de bemanning uit ten minste een schipper en een stuurman bestaat. 2 Een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, mag worden geëxploiteerd overeenkomstig het eerste lid, aanhef, indien het schip of de schepen die zorgdragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip, voldoen aan het eerste lid. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikelen 11, eerste lid 18, eerste lid, van de wet Bij exploitatiewijze A1 onderbreekt een schip de vaart van 22.00 uur tot 6.00 uur, tenzij het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is voor de in de, enbedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het begin van de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken gedurende ten minste 8 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 8 uur. 2 artikelen 11, eerste lid 18, eerste lid, van de wet Bij exploitatiewijze A2 onderbreekt een schip de vaart van 23.00 uur tot 5.00 uur, tenzij het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is voor de in de, enbedoelde ambtenaren en in werking is gesteld vanaf het begin van de voorgaande ten minste 6 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken gedurende ten minste 6 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 6 uur. 3 artikelen 11, eerste lid 18, eerste lid, van de wet Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing op een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, of een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, indien het schip of de schepen die zorgdragen voor de voortstuwing van het samenstel, zijn uitgerust met een goed functionerende tachograaf die te allen tijde bereikbaar is voor de in de, enbedoelde ambtenaren en inwerking is gesteld vanaf het begin van de voorgaande ten minste 8 respectievelijk 6 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikelen 9 10 Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf in de gevallen, bedoeld in deen, bewaart de gezagvoerend schipper de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 artikel 18 , eerste lid, onderdeel a De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in. 3 Een van de lichtmatrozen is ouder dan 18 jaar. Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden Bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 A1 A2 B S1 S2 S1 S2 S1 S2 1 L ≤70 m schipper 1 2 2 2 stuurman – – – – volmatroos – – – – matroos 1 – 1 – lichtmatroos – – 1 1 1 3 2 2 70 m < L ≤ 86 m schipper 1 of 1 1 2 2 2 stuurman – – – – – – volmatroos 1 – – – – – matroos – 1 1 – 2 1 lichtmatroos – 1 1 1 1 – 1 3 L > 86 m schipper 1 of 1 1 2 2 2 of 2 2 stuurman 1 1 1 – – 1 2 1 1 volmatroos – – – – – – – – matroos 1 – – 1 – 2 1 1 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 – – 1 2 De in de tabel in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. 3 De in de tabel in het eerste lid voorgeschreven minimumbemanning a) in groep 2, exploitatiewijze A 1, Standaard S2; en b) in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 474 24-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002 Verbeterd door een verbeterblad.
Artikel 12a — Artikel 12a#
Artikel 12a 1 De minimumbemanning van hechte samenstellen bestaat uit: 1 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 artikel 18, eerste lid, onderdeel a De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in. 3 Een van de lichtmatrozen is ouder dan 18 jaar. * In dit artikel omvat het begrip duwbak ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingwerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere duwbakken met een totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15 m. Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 A1 A2 B S1 S2 S1 S2 S1 S2 1 Afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m schipper 1 2 2 2 stuurman – – – – volmatroos – – – – matroos 1 – 1 – lichtmatroos – – 1 1 1 3 2 machinist of matroos-motordrijver – – – – 2 Afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m schipper 1 of 1 1 2 2 2 stuurman – – – – – – volmatroos 1 – – – – – matroos – 1 1 – 2 1 lichtmatroos – 1 1 1 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver – – – – – – 3 Duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m schipper 1 of 1 1 2 2 2 of 2 2 stuurman 1 1 1 – – 1 1 1 volmatroos – – – – – – – – matroos 1 – – 1 – 2 1 1 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 – – 1 machinist of matroos-motordrijver – – – – – – – – 4 * duwboot + 2 duwbakken schipper 1 1 2 2 2 of 2 2 of 2 * motorschip + 1 duwbak stuurman 1 1 – – 1 2 1 1 2 1 volmatroos – – – – – – – – matroos 1 – 2 1 2 2 1 1 lichtmatroos 1 1 1 2 1 1 1 2 – – 1 1 machinist of matroos-motordrijver – – – – 1 – 1 – 5 * duwboot + 3 of 4 duwbakken schipper 1 of 1 1 2 2 2 of 2 2 of 2 * motorschip + 2 of 3 duwbakken stuurman 1 1 1 – – 1 2 1 1 2 1 volmatroos – – – – – – – – – matroos 2 1 1 2 1 2 2 1 1 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 1 1 – 1 2 – machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 1 1 1 6 * duwboot + meer dan 4 duwbakken schipper 1 of 1 1 2 2 2 of 2 2 of 2 stuurman 1 1 1 – – 1 2 1 1 2 1 volmatroos – – – – – – – – – matroos 3 2 2 3 2 3 3 2 2 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 1 1 – 1 2 1 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 De in de tabel in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. 3 De in de tabel in het eerste lid voorgeschreven minimumbemanning a) in de groep 2, exploitatiewijze A 1, Standaard S2; en b) in de groep 3, 5 en 6 exploitatiewijze A1, Standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003
Artikel 12b — Artikel 12b#
Artikel 12b 1 De minimumbemanning voor schepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 A1 A2 B S1 S2 S1 S2 S1 S2 1 Toegestaan aantal passagiers: tot en met 75 schipper 1 2 2 2 stuurman – – – – volmatroos – – – – matroos 1 1 2 1 lichtmatroos – – – 1 machinist of matroos-motordrijver – – – – 2 Toegestaan aantal passagiers: van 76 tot en met 250 schipper 1 of 1 1 2 2 stuurman – – – – – volmatroos – – – – – matroos 1 – 1 – 1 1 lichtmatroos 1 – 1 1 1 1 machinist of matroos-motordrijver – 1 – 1 1 3 Toegestaan aantal passagiers: van 251 tot en met 600 schipper 1 of 1 1 2 2 3 3 stuurman – – – – – – – volmatroos 1 1 1 – – – – matroos – – – 1 – 1 – lichtmatroos – 2 1 – 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver 1 – – 1 1 1 1 4 Toegestaan aantal passagiers: van 601 tot en met 1000 schipper 1 1 2 2 3 3 stuurman 1 1 – – – – volmatroos – – – – – – matroos 1 – 2 1 2 1 lichtmatroos 1 1 1 2 – 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver – 1 1 1 1 1 5 Toegestaan aantal passagiers: van 1001 tot en met 2000 schipper 2 of 2 2 2 2 3 3 stuurman – – – – – – – volmatroos – – – – – – – matroos 3 2 2 3 2 3 2 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 1 1 1 2 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 1 6 Toegestaan aantal passagiers: meer dan 2000 schipper 2 2 2 2 3 3 stuurman – – – – – – volmatroos – – – – – – matroos 3 2 4 3 4 3 lichtmatroos 1 1 1 2 – 1 1 1 1 2 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 2 De minimumbemanning voor stoomschepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 Het hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt of machinisten en/of matrozen-motordrijvers vereist zijn en vult dat in het Certificaat van Onderzoek in onder nummer 52. Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 A1 A2 B S1 S2 S1 S2 S1 S2 1 Toegestaan aantal passagiers: van 501 tot en met 1000 schipper 1 1 2 2 3 3 stuurman 1 1 – – – – volmatroos – – – – – – matroos 2 1 2 1 2 1 lichtmatroos – 1 – 1 – 1 2 machinist of matroos-motordrijver 2 2 2 2 3 3 2 Toegestaan aantal passagiers: van 1001 tot en met 2000 schipper 2 of 2 2 2 2 3 3 stuurman – – – – – – – volmatroos – – – – – – – matroos 3 2 2 3 2 3 2 lichtmatroos – 2 1 1 1 1 2 1 1 1 2 2 machinist of matroos-motordrijver 3 3 3 3 3 3 3 3 De minimumbemanning voor hotelschepen bestaat uit: Groep Bemanningsleden Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 A1 A2 B S1 S2 S1 S2 S1 S2 1 Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 schipper 1 1 2 2 3 3 stuurman – – – – – – volmatroos 1 – – – – – matroos – – 1 – 1 – lichtmatroos – 2 – 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 2 Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 schipper 1 1 2 2 3 3 stuurman 1 1 – – – – volmatroos – – – – – – matroos 1 – 1 – 1 – lichtmatroos – 1 – 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 3 Toegestaan aantal bedden: meer dan 100 schipper 1 of 1 1 2 2 3 3 stuurman 1 1 1 – – – – volmatroos – – – – – – – matroos 2 1 1 3 2 3 2 lichtmatroos – 2 1 – 1 – 1 machinist of matroos-motordrijver 1 1 1 1 1 1 1 4 artikel 12 Voor passagiersschepen, bedoeld in het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen, geldt de minimumbemanning volgens. 5 De in de tabellen in het eerste en tweede lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. 6 De in de tabel in het eerste lid voorgeschreven minimumbemanning kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid. in groep 2, exploitatiewijze A 1, Standaard S2; en in de groepen 3 en 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1 7 De in de tabel in het tweede lid voorgeschreven minimumbemanning (stoomschepen voor dagtochten) in de groep 2, exploitatiewijze A1, standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid. 8 De in de tabel in het derde lid voorgeschreven minimumbemanning (hotelschepen) in de groep 3, exploitatiewijze A1, standaard S1 kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. 9 Op schepen die zijn bedoeld om voornamelijk zeilend te varen, kan de matroos-motordrijver worden vervangen door een matroos. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003
Artikel 12c — Artikel 12c#
Artikel 12c 1 De minimumbemanning voor veerboten bestaat uit: Groep Toegestane aantal passagiers Bemanningsleden Aantal bemanningsleden 1 max. 300 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos - 2 max. 600 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos 1 3 max. 900 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos 2 4 max. 1200 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos 3 5 max. 1500 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos 4 6 max. 1750 passagiers schipper 1 stuurman 1 1e machinist 1 2e machinist 1 matroos 1 lichtmatroos 5 2 Indien zonder passagiers gevaren wordt, kan volstaan worden met een schipper, een stuurman, een 1e machinist en een 2e machinist. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, die met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, voldoen aan de volgende voorschriften: Standaard S1 De voortstuwingsinstallaties zijn zodanig ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren nodig bij het varen met het schip kunnen vanaf de stuurstelling worden aan – en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn. Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer wordt aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen. De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren geschieden automatisch De bediening van de stuurinrichting kan, zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning worden verricht. De door het ter plaatse geldende scheepvaartreglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen kunnen vanaf de stuurstelling worden gegeven. Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, is een spreekverbinding aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt. De voorgeschreven bijboot kan door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water worden gelaten. Er is een vanaf de stuurstelling te bedienen schijnwerper aan boord. De kracht, nodig om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen bedraagt niet meer dan 160 N. De in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren worden door een motor aangedreven. De lenspompen en de dekwaspompen worden door een motor aangedreven. De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten zijn ergonomisch aangebracht. De inrichting nodig voor het sturen van het schip kan vanuit het stuurhuis worden bediend. Indien voor de goede bestuurbaarheid of het kop voor stilhouden een boegroerinstallatie voorgeschreven is, kan deze eveneens vanuit het stuurhuis worden bediend. Standaard S2 voor alleen varende motorschepen geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie; voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen, geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie; voor motorschepen, die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen, geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen is; voor duwboten, die een duwstel voortbewegen, geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, als het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is; voor passagiersschepen geldt Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen. 2 Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat in een verklaring vastgelegd. De verklaring, bedoeld in het, afgegeven door de Commissie van Deskundigen, waarin is vastgelegd of een schip al dan niet voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de uitrusting van schepen, wordt met de in de eerste volzin bedoelde verklaring gelijkgesteld. 3 de artikel 12 tot en met 12c Indien een schip als bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste lid, Standaard S 1, wordt de minimumbemanning, bedoeld in: bij exploitatiewijzen A1 en A2 versterkt met één matroos; bij exploitatiewijze B versterkt met twee matrozen. 4 Indien een schip als bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan het eerste lid onderdeel a, 9) of 11), wordt in afwijking van het derde lid, onderdeel b, de minimumbemanning in de exploitatiewijze B slechts versterkt met één matroos. 5 Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt, indien een schip niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel a, 1) tot en met 3): bij exploitatiewijzen A1 en A2 een matroos vervangen door een matroos-motordrijver; bij exploitatiewijze B twee matrozen vervangen door twee matrozen-motordrijver. 2004 495 07-10-2004 23-09-2004 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikelen 12 12a 12b 12c De minimumbemanning van schepen, waarop de,,enniet van toepassing zijn, is, rekening houdend met de afmetingen, de bouw, de inrichting en de bestemming van deze schepen, voldoende met het oog op de veiligheid van de vaart en van de arbeid aan boord. 2 De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat kan met inachtneming van het eerste lid, na overleg met het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie, ten aanzien van elk schip als bedoeld in het eerste lid afzonderlijk dan wel voor categorieën van schepen als bedoeld in het eerste lid de minimumbemanning vaststellen. Schepen als bedoeld in de vorige zin zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, waarin de minimumbemanning is vastgelegd. 3 artikel 12, eerste lid De inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat kan na overleg met het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie, ten aanzien van bunkerschepen met een lengte van minder dan 35 meter die slechts op korte trajecten ingezet worden, een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van. Bunkerschepen als bedoeld in de vorige zin, zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, waarin de minimumbemanning is vastgelegd. 2004 495 07-10-2004 23-09-2004 2004 553 29-10-2004 18-10-2004 01-11-2004
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 de artikelen 12 tot en met 14 De minimumbemanning, bedoeld in, bevindt zich tijdens de vaart voortdurend aan boord. 2 artikel 18, eerste lid, onderdeel a Indien door onvoorziene omstandigheden, zoals ziekte, ongeval of bevel van een gezagdrager, tijdens de vaart ten hoogste één lid van de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven minimumbemanning uitvalt, mag een schip, in afwijking van het eerste lid, doorvaren tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt, mits de bemanning ten minste uit twee bemanningsleden bestaat, waarvan er één voldoet aan. Voor een passagiersschip geldt in plaats van de eerstvolgende geschikte aanlegplaats, het eindpunt van de reis van die dag. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, mag geen deel uitmaken van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de feitelijke datum van de bevalling liggen. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van één of meer zich aan boord bevindende kinderen die de leeftijd van 6 jaar nog niet hebben bereikt, mag geen deel uitmaken van de minimumbemanning, tenzij er maatregelen zijn getroffen waardoor de veiligheid van het kind of de kinderen ook zonder voortdurend toezicht is gewaarborgd. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 De bemanningsleden van schepen, niet zijnde veerboten, voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten: a. een schipper is 1°. Patentreglement Rijn hetzij in het bezit van een groot patent als bedoeld in hetof een krachtens artikel 5.01 van het Patentreglement Rijn geldig Rijnschipperspatent; 2°. artikel 16 van de Binnenschepenwet hetzij in het bezit van een vaarbewijs als bedoeld in; 3°. artikel 17, eerste lid, onderdeel g, van de Binnenschepenwet hetzij in het bezit van een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart als bedoeld in, voor zover dat bewijs is erkend voor de bedrijfsmatige vaart; 4°. Binnenschepenwet artikel 16 van de Binnenschepenwet hetzij krachtens devrijgesteld of ontheven van de verplichting in het bezit te zijn van een groot vaarbewijs als bedoeld in, mits de aan de vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen door hem worden nageleefd. b. een stuurman voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste twee jaar als zodanig in de binnenvaart gevaren; c. een machinist is 1°. Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties hetzij ten minste 18 jaar en in het bezit van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van motoren en werktuigkunde heeft gevolgd dan wel in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; 2°. hetzij ten minste 19 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos-motordrijver en heeft ten minste twee jaar als zodanig op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen gevaren; d. een volmatroos voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste één jaar als zodanig in de binnenvaart gevaren; e. een matroos-motordrijver voldoet 1°. Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties hetzij aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding voor matroos-motordrijver heeft gevolgd dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; 2°. hetzij aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste één jaar als zodanig op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen gevaren, en bezit een aantoonbare elementaire kennis op het gebied van motoren; f. een matroos is 1°. Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties hetzij ten minste 17 jaar en in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding voor matroos heeft gevolgd dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; 2°. hetzij ten minste 19 jaar en heeft ten minste drie jaar gevaren als lid van een dekbemanning, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar, hetzij in de binnenvaart, dan wel in de zeevaart, kustvaart of visserij; g. een lichtmatroos is ten minste 15 jaar en in het bezit van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers, of het volgen van een schriftelijke cursus die door Onze Minister is erkend dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland is erkend en die opleidt tot een gelijkwaardig diploma. h. een deksman is tenminste 16 jaar. 2 De bemanningsleden van veerboten voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten: a. een schipper Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is ten minste 21 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een schipper en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de korte opleiding schipper-machinist met beperkt werkgebied of een andere door onze Minister erkende opleiding alsmede te allen tijde de nautische Module Zoute Veren heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijk-waardige opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; b. een stuurman is ten minste 21 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een schipper en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een E.H.B.O.-opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door Onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; c. een 1e machinist Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is ten minste 21 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg hetzij de opleiding MTS-Werktuigbouw alsmede de opleiding Zoute Veren, technische Module, hetzij de opleiding Machinist Binnenvaart B aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module, hetzij een andere door Onze Minister erkende opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; d. een 2e machinist Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties is ten minste 19 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de opleiding machinist binnenvaart B heeft gevolgd, hetzij een andere door onze Minister erkende opleiding heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door Onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de; e. een matroos is ten minste 19 jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; f. een lichtmatroos is ten minste 18 jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd. 3 Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van bemanningsleden van veerponten en veerboten opleidings- en ervaringseisen worden gesteld, welke afwijken van het eerste, onderscheidenlijk tweede lid of strekken ter aanvulling daarvan. 2008 362 16-09-2008 22-08-2008 2008 362 16-09-2008 22-08-2008 17-09-2008
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Een bemanningslid is in het bezit van een geneeskundige verklaring, afgegeven door een arts die is aangewezen door Onze Minister dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen betreffende de lichamelijke geschiktheid als voorgeschreven in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn. 2 Indien de afgifte van een verklaring wordt geweigerd, kan, op verzoek van de betrokkene, een verklaring worden afgegeven door een door Onze Minister aangewezen arts, niet zijnde de arts die de verklaring heeft geweigerd, indien de betrokkene voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Een geneeskundige verklaring, afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot drie maanden na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt. 2 Een geneeskundige verklaring afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is geldig gedurende een tijdvak van een jaar. 1998 131 10-03-1998 24-02-1998 1998 131 10-03-1998 24-02-1998 11-03-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 19, eerste lid artikel 18, eerste lid, onderdeel a Geen verklaring als bedoeld in, is vereist ten aanzien van de schipper, bedoeld in. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 11, eerste lid artikel 19, eerste lid Een ambtenaar als bedoeld in, van de wet is bevoegd te eisen, dat binnen een door hem te bepalen termijn een nieuwe geneeskundige verklaring wordt afgegeven, indien hij redelijkerwijs vermoedt dat de houder daarvan niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 19 Bij ministeriële regeling wordt de vergoeding vastgesteld die verschuldigd is voor de kosten van afgifte van een geneeskundige verklaring, als bedoeld in. 2 artikel 22 Indien een geneeskundige verklaring wordt afgegeven, overeenkomstig, komen de kosten van afgifte toe aan het bemanningslid indien de twijfels gegrond zijn gebleken. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 23.04 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 artikelen 12, tweede lid 12a, tweede lid 12b, vijfde lid 18 tot en met 21 Een bemanningslid is in het bezit van een dienstboekje als omschreven in, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen, gesteld in de,,, en. 2 Het dienstboekje, bedoeld in het eerste lid, wordt afgegeven door een door Onze Minister aangewezen instelling, welke verantwoordelijk is voor de invulling van het dienstboekje overeenkomstig de daarin gestelde instructies; artikel 18 de invulling van de gegevens betreffende de ingestelde eisen aan het bemanningslid; de afstempeling ter controle. 3 De in het tweede lid bedoelde instelling kan het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of van andere relevante bescheiden verlangen. Zij mag slechts die reizen van een afstempeling voorzien die niet ouder zijn dan 15 maanden. 4 a artikel 18, eerste lid, onder b Een bemanningslid laat het dienstboekje, bedoeld in het eerste lid, onderdeel, telkens binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten minste éénmaal afstempelen door de in het tweede lid bedoelde instelling. Een bemanningslid dat voldoet aan de ingestelde eisen is van de verplichting tot afstempeling vrijgesteld. 5 Een bemanningslid overhandigt het dienstboekje bij de aanvang van het dienstverband aan de gezagvoerend schipper. 6 De gezagvoerend schipper is verantwoordelijk voor de invulling van het dienstboekje overeenkomstig de daarin gestelde instructies. Gegevens betreffende een eerder afgelegde reis worden vóór het begin van de volgende reis ingevuld. 7 De gezagvoerend schipper bewaart het dienstboekje van een bemanningslid tot de beëindiging van zijn dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling, in het stuurhuis. Op verzoek van het betreffende bemanningslid geeft de gezagvoerend schipper het dienstboekje te allen tijde en onverwijld aan hem terug. 8 De in het eerste lid neergelegde verplichting geldt niet voor: a. artikel 18, eerste lid, onderdeel a het bemanningslid dat in het bezit is van een van de documenten, bedoeld in; b. artikelen 18 tot en met 21 het bemanningslid van een veerboot en veerpont dat in het bezit is van een document waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen, gesteld in de. 9 Ten aanzien van de kosten en de procedures voor de afgifte van dienstboekjes en vervangende exemplaren van dienstboekjes kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 De gezagvoerend schipper is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord van het schip de volgende documenten aanwezig zijn: a. artikel 23.08 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn een vaartijdenboek als bedoeld in; b. artikel 13, eerste lid, aanhef artikel 13, eerste lid in geval van toepassing van, een verklaring als bedoeld in, dan wel de beschikking tot weigering van afgifte van deze verklaring, of een afschrift daarvan; c. artikel 26, derde lid een verklaring als bedoeld in; d. artikel 7, derde lid bijlage K van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 in geval van toepassing van, een verklaring als bedoeld in, of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar- respectievelijk rusttijden uit het in onderdeel a genoemde vaartijdenboek, dat behoort bij het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 Het vaartijdenboek is afgegeven door een instelling, aangewezen door Onze Minister dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland. 2 Op het eerste vaartijdenboek worden de volgende gegevens vermeld: a. het nummer 1; b. de naam van het schip; c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer. 3 Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek wordt een verklaring uitgereikt die de naam van het schip, het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte vermeldt. 4 De volgende vaartijdenboeken worden bij afgifte voorzien van een volgnummer. Deze afgifte wordt aangetekend op de verklaring, bedoeld in het derde lid. 5 Een volgend vaartijdenboek wordt slechts afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. 6 Het voorgaande vaartijdenboek wordt, nadat daarop de onuitwisbare aantekening "ongeldig" is aangebracht, teruggegeven. 7 In afwijking van het vijfde lid kan het overhandigen van het nieuwe vaartijdenboek geschieden op vertoon van het document, bedoeld in het derde lid. De exploitant van het schip draagt er in dat geval zorg voor dat het voorgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek, die op het document , bedoeld in het vierde lid, door de bevoegde autoriteit is geregistreerd, door dezelfde bevoegde autoriteit onuitwisbaar ongeldig wordt verklaard. De exploitant van het schip draagt er zorg voordat daarna het vaartijdenboek weer aan boord wordt gebracht. 8 Ten aanzien van de kosten en procedures voor de afgifte van vaartijdenboeken en vervangende exemplaren van vaartijdenboeken kan Onze Minister nadere regels stellen. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 Het vaartijdenboek wordt door de gezagvoerend schipper bijgehouden overeenkomstig de daarin gestelde aanwijzingen. De aantekeningen worden naar waarheid ingevuld en zijn onuitwisbaar en duidelijk leesbaar aangebracht. 2 Indien op een dag twee of meer vaarten worden gemaakt en de samenstelling van de bemanning ongewijzigd blijft, kan worden volstaan met de vermelding van het tijdstip van aanvang van de eerste vaart in plaats van het tijdstip van aanvang van elke vaart op die dag en kan worden volstaan met het invullen van het tijdstip van het einde van de laatste vaart in plaats van het tijdstip van einde van elke vaart op die dag. 3 De in het vaartijdenboek vermelde bepaling, dat per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, is slechts van toepassing bij exploitatiewijze B. Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 worden het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag gedurende de reis aangetekend. 4 De na een wisseling van exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen worden op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek aangebracht. 5 Tijdens de vaart is het vaartijdenboek in de stuurhut aanwezig. 6 artikel 26, zesde lid De gezagvoerend schipper bewaart het overeenkomstig, ongeldig verklaarde vaartijdenboek gedurende 6 maanden nadat daarin de laatste aantekening is gesteld aan boord. 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 “tot,” moet zijn “tot” Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot,veerboten en veerponten. 2 De gezagvoerend schipper van een veerboot en een veerpont is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld: a. de naam van het schip; b. het begin en einde van de veerdienst van het schip; c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer; d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert. 1998 131 10-03-1998 24-02-1998 1998 131 10-03-1998 24-02-1998 11-03-1998
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 de hoofdstukken II III artikel 13 de bijlage Trb. Het bij of krachtens,, met uitzondering van, enbepaalde, is niet van toepassing op zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A.890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met Bijlage, (1981, 144 en 1992, 109), mits: artikel 12 het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de aantallen, opgenomen onder de exploitatiewijze B in; artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3° er zich tijdens de vaart een persoon aan boord bevindt die voldoet aan. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003 De wijzigingsopdracht is niet geheel juist.
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 artikel 29 In geval van toepassing vangelden de volgende voorschriften: a. artikel 29, onderdeel a bijlage IV de aanhef van artikel 29 de bemanningsleden, bedoeld in, zijn in het bezit van een verklaring als opgenomen in de bij dit besluit behorende, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid, bedoeld in de inbedoelde regelingen; b. b artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3° de in artikel 29, onderdeel, bedoelde persoon wordt na elke wacht van ten hoogste 14 uur vervangen door een persoon die voldoet aan; c. de gezagvoerend schipper is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord van het zeeschip een logboek aanwezig is en, voor zover het logboek daarin niet voorziet, een ander document waarin het aantal bemanningsleden wordt bijgehouden; d. onderdeel c in het logboek of andere document, bedoeld in, worden de volgende aantekeningen gemaakt: 1°. artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3° de namen van de personen die voldoen aan, alsmede het begin en het einde van hun wacht; 2°. het begin, de onderbreking, de voortzetting en het einde van de vaart van het zeeschip, met telkens daarbij de vermelding van datum, tijdstip en plaats, alsmede, voor zover het zeeschip zich op de Rijn, de Lek of de Waal bevindt, van de kilometerraai. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Vervallen 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Vervallen 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Vervallen 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 Vervallen 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 2002 474 24-09-2002 05-09-2002 25-09-2002 01-07-2002
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart Dit besluit en detreden in werking op 1 januari 1995. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart. 1994 897 15-12-1994 1994 897 15-12-1994 01-01-1995