Besluit van 23 november 1995, houdende regels met betrekking tot het op of in de bodem of in het oppervlaktewater gebruiken van bouwstoffen
- BWB-id
- BWBR0007667
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2007-05-23 t/m 2008-06-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0007667
- ELI
- /eli/nl/amvb/1996/bouwstoffenbesluit-bodem-en-oppervlaktewaterenbescherming
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1996/bouwstoffenbesluit-bodem-en-oppervlaktewaterenbescherming/2007-05-23
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0007667&g=2007-05-23
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0007667&z=2026-06-06&g=2007-05-23
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0007667/2007-05-23
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1996/bouwstoffenbesluit-bodem-en-oppervlaktewaterenbescherming
Artikel 17#
de artikelen 17 tot en met 27
Artikel 29#
artikel 29
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; b. bouwstof: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10% (m/m) van dat materiaal bedragen; c. gebruik of gebruiken van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen; d. degene die een bouwstof gebruikt: 1°. wanneer een bouwstof in een werk wordt aangebracht: degene die zelf, op eigen kosten, een bouwstof in een werk aanbrengt of degene die opdracht geeft om op zijn kosten een bouwstof in een werk aan te brengen, en 2°. wanneer een bouwstof in een werk is aangebracht en in dat werk wordt gehouden: de eigenaar van die bouwstof; e. vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft; f. niet-vormgegeven bouwstof: bouwstof, niet zijnde een vormgegeven bouwstof; g. grond: niet-vormgegeven bouwstof met een vaste structuur, die van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken; h. bijlage 1 schone grond: grond die geen van de samenstellingswaarden voor anorganische en organische stoffen, zoals aangegeven in, overschrijdt; i. isolatiemaatregelen: maatregelen waardoor bij gebruik van een bouwstof nagenoeg geen contact van die bouwstof met hemelwater of grondwater en in geval van gebruik in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater tevens nagenoeg geen contact met oppervlaktewater plaats vindt; j. categorie 1-bouwstof: bouwstof die: 1°. bijlage 2 geen van de samenstellingswaarden voor organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens geen van de samenstellingswaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, overschrijdt, en 2°. bijlage 2 op zodanige wijze wordt gebruikt dat, ook indien geen isolatiemaatregelen worden genomen, geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, wordt overschreden; k. categorie 2-bouwstof: bouwstof die: 1°. bijlage 2 geen van de samenstellingswaarden voor organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens geen van de samenwetllingswaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, overschrijdt, en 2°. bijlage 2 op zodanige wijze wordt gebruikt dat, slechts indien isolatiemaatregelen worden genomen, geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, wordt overschreden; l. bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat: bouwstof die geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit granulaat, verkregen door het breken of frezen van teerhoudend asfalt, en die: 1°. bijlage 2 van de samenstellingswaarden voor organische stoffen, zoals aangegeven in, uitsluitend één of meer van de waarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen overschrijdt, en 2°. bijlage 2 op zodanige wijze wordt gebruikt dat geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, wordt overschreden; m. artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer avi-bodemas: de bodemas die resteert na verbranding in een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld inin een roosteroven of wervelbedoven;. n. gemiddeld hoogste grondwaterstand: rekenkundig gemiddelde over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar; o. hydrologisch jaar: periode van 1 april tot en met 31 maart; p. artikel 3 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat op grond vanbevoegd is tot vergunningverlening; q. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; r. Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; s. NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm; t. kwaliteitsverklaring: schriftelijk bewijs, voorzien van een door Onze Ministers aangewezen merkteken, afgegeven door een door Onze Ministers aangewezen, deskundig, onafhankelijk instituut, op grond waarvan een bouwstof, indien die bouwstof wordt gebruikt op de in de verklaring aangegeven wijze, wordt geacht te voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot samenstelling en immissie; u. deskundig bedrijf: bedrijf dat of dienst die voldoet aan de eisen ter zake van het verrichten van een bij of krachtens dit besluit voorgeschreven werkzaamheid zoals die zijn gesteld door een door de Stichting Raad voor de Certificatie erkende certificatie-instelling op grond waarvan het bedrijf of de dienst is gemachtigd het voor die werkzaamheid door Onze Ministers aangewezen merkteken te voeren; v. richtlijn nr. 89/106/EEG richtlijn nr. 93/68/EEG PbEG PbEG Europese richtlijn bouwprodukten:van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lid-staten inzake de voor de bouw bestemde produkten (1989, L 40), zoals gewijzigd bijvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (1993, L 220); w. CE-markering: CE-markering als bedoeld in artikel 4 van de Europese richtlijn bouwprodukten; x. a b bijlagen 1 2 3 4a 4b bijlagen 1, 2, 3, 4en 4: de bij dit besluit behorende,,,en; y. werkdagen: dagen die niet vallen op zaterdag, zondag, algemeen erkende feestdagen of Goede Vrijdag; z. artikel 3 van de Algemene termijnenwet algemeen erkende feestdagen: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei, alsmede de dagen die op grond van het derde lid vangelijk worden gesteld aan algemeen erkende feestdagen; aa. CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt»: door het Kennisplatform voor infrastructuur,verkeer, vervoer en openbare ruimte uitgegeven richtlijn inzake het omgaan met vrijkomend asfalt, Voorpublicatie 210, augustus 2004; bb. E-vliegas: fijn poeder, hoofdzakelijk bestaand uit bolvormige glasachtige deeltjes, dat vrijkomt bij filtering van de rookgasstroom in poederkoolgestookte elektriciteitscentrales; cc. artikel 10.47 van de Wet milieubeheer Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer IPO-interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen»: vooruitlopend op dit besluit door het Inter Provinciaal Overlegorgaan ter uitwerking vanen hetvastgesteld beleid inzake het toepassen van secundaire grondstoffen van december 1994, zoals gewijzigd in juni 1997; dd. project: een combinatie van werken die worden uitgevoerd als samenhangend en in tijd en plaats afgebakend geheel. 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het houden van een bouwstof in een werk geacht niet onderbroken te zijn, wanneer die bouwstof tijdelijk wordt verplaatst of uit het werk wordt weggenomen en die bouwstof na de verplaatsing of het wegnemen, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk wordt aangebracht. 3 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het terugbrengen van grond op of in de bodem, daaronder begrepen de bodem onder oppervlaktewater, op of nabij de plaats waar deze is ontgraven, niet beschouwd als het gebruiken van een bouwstof, tenzij die grond sinds dat ontgraven is bewerkt. 2007 143 24-04-2007 13-03-2007 2007 143 24-04-2007 13-03-2007 23-05-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het bepalen van de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal dat is bestemd om in een werk te worden gebruikt, ter bepaling of dat materiaal als bouwstof kan worden aangemerkt. 2 Bij regeling van Onze Ministers worden voorts regels gesteld met betrekking tot: a. het bepalen van het volume van de kleinste eenheid van een bouwstof, en b. het bepalen of een bouwstof een duurzame vormvastheid heeft, ter bepaling of een bouwstof als vormgegeven bouwstof kan worden aangemerkt. 3 Bij regeling van Onze Ministers kunnen bouwstoffen worden aangewezen, die, indien die bouwstoffen worden gebruikt op een bij die regeling aangegeven wijze, geacht worden onder normale omstandigheden niet duurzaam vormvast te zijn. 4 bijlage 2 Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kunnen grote oppervlaktewateren als bedoeld inworden aangewezen. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Behoudens het tweede, derde en vierde lid, zijn voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de bouwstoffen worden gebruikt, het bevoegd gezag. 2 Behoudens het derde en vierde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag, indien: a. a artikel 1, onder, van de Woningwet de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in, en b. artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtensen waarvoor gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet het bevoegd gezag zijn. 3 Behoudens het vierde lid, is Onze Minister het bevoegd gezag, indien: a. a artikel 1, onder, van de Woningwet de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in, en b. artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtensen waarvoor Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is. 4 De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag indien bouwstoffen worden gebruikt in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels wordt onder "bodem" niet mede de bodem onder oppervlaktewater verstaan. 2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het gebruiken van: a. c artikel 1, onder, van de Woningwet bouwstoffen binnen een gebouw als bedoeld in; b. vlakglas, en c. metallisch aluminium. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Tot één jaar na het tijdstip waarop schone grond in een werk is aangebracht, verstrekt degene die die grond op of in de bodem gebruikt op verzoek van het bevoegd gezag gegevens met betrekking tot de samenstelling van die grond. 2 Indien het bevoegd gezag daarom verzoekt, dienen de gegevens die ingevolge het eerste lid worden verstrekt, te zijn verkregen door bepaling van de samenstelling van de grond door een door Onze Ministers aangewezen instantie overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers ter zake gestelde regels of overeenkomstig een wijze die gelijkwaardig is aan de wijze zoals in die regels wordt voorgeschreven. 3 Bij regeling van Onze Ministers: a. kunnen gevallen worden aangewezen, waarin de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt, en b. kan een formulier worden vastgesteld, dat bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt. 4 Degene die grond gebruikt, waarvoor een door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, waaruit blijkt dat die grond is aan te merken als schone grond, kan ter voldoening aan het bepaalde in het eerste en tweede lid aan het bevoegd gezag die kwaliteitsverklaring verstrekken. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Deze paragraaf is niet van toepassing op het op of in de bodem gebruiken van schone grond. 2 artikel 5, tweede lid Bij het gebruiken van niet-schone grond op of in de bodem zijn ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding van één of meer van de samenstellingswaarden voor anorganische of organische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 1, in die grond de regels met betrekking tot de bepaling van de samenstelling van schone grond, gesteld bij of krachtens, van toepassing voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Het op of in de bodem gebruiken van een bouwstof, is verboden, indien: a. bijlage 2 die bouwstof één of meer van de samenstellingswaarden voor organische stoffen of, in geval het grond betreft, één of meer van de samenstellingswaarden voor organische of anorganische stoffen, zoals aangegeven in, overschrijdt, of b. bijlage 2 die bouwstof op zodanige wijze wordt gebruikt dat één of meer van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in, worden overschreden. 2 a artikel 9, tweede, derde, zesde of zevende lid Ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding als bedoeld in het eerste lid, onder, zijn de regels met betrekking tot de bepaling van de samenstelling van de bouwstof, gesteld bij of krachtens, van toepassing, voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld. 3 b artikel 9, vijfde, zesde of zevende lid Ten aanzien van de vaststelling van een overschrijding als bedoeld in het eerste lid, onder, zijn de regels met betrekking tot de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit de bouwstof, gesteld bij of krachtens, van toepassing, voor zover dat bij regeling van Onze Ministers is bepaald. Bij die regeling kunnen ten aanzien van de vaststelling, bedoeld in de eerste volzin, nadere regels worden gesteld. 4 Voor een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat ten aanzien van de in die bouwstof aanwezige polycyclische aromatische koolwaterstoffen het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is gedurende een daarbij aan te geven periode. 5 Voor avi-bodemas die behoort tot de bijzondere, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen categorie, kan bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat gedurende een daarbij aan te geven periode het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn. 6 artikel 14, vierde lid Voor E-vliegas zijn ten aanzien van de in die bouwstof aanwezige stoffen molybdeen en seleen het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing, indien de krachtens, voor avi-bodemas bepaalde isolatie-, beheers- en controlemaatregelen zijn getroffen. 7 artikel 14, zesde lid Voor het op of in de bodem gebruiken van E-vliegas in niet-standaard toepassingen is het daarvoor krachtens, voor avi-bodemas bepaalde van overeenkomstige toepassing. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Het is verboden op of in de bodem een bouwstof te gebruiken, indien daarbij niet wordt voldaan aan de regels die bij of krachtens deze paragraaf met betrekking tot het gebruiken van die bouwstof zijn gesteld. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Een bouwstof wordt op of in de bodem slechts gebruikt, indien voor de in bijlage 2 vermelde organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens voor de in die bijlage vermelde anorganische stoffen de samenstelling van die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald. 2 De bepaling van de samenstelling van een bouwstof vindt plaats overeenkomstig de volgende methoden: a. de monsterneming vindt plaats overeenkomstig NEN 7300; b. de monsters worden voorbereid overeenkomstig NEN 7310, en c. de analyse van de organische stoffen in de monsters vindt plaats overeenkomstig NEN 7330. 3 Voor grond vindt, in afwijking van het tweede lid, de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde regels. 4 Een bouwstof wordt op of in de bodem slechts gebruikt, indien voor de in bijlage 2 vermelde anorganische stoffen de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald. 5 De bepaling van de immissie in de bodem, bedoeld in het vierde lid, vindt, rekening houdend met de wijze waarop een bouwstof wordt gebruikt, en - indien van toepassing - rekening houdend met de isolatiemaatregelen die worden genomen, plaats overeenkomstig de volgende methoden: a. de monsterneming vindt plaats overeenkomstig NEN 7300; b. de monsters worden voorbereid overeenkomstig NEN 7310; c. de bepaling van de uitloging van de monsters van de bouwstof in het laboratorium vindt plaats overeenkomstig NEN 7340; d. de analyse van de anorganische stoffen in het eluaat uit de monsters vindt plaats overeenkomstig NEN 7320; e. de berekening van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit de bouwstof vindt plaats: 1°. gem(L/S=10) voor de anorganische stoffen in een vormgegeven bouwstof, waarvan de uitloging niet diffusie-bepaald is, en voor de anorganische stoffen in een niet-vormgegeven bouwstof volgens een functie waarin Ib uitgedrukt wordt in E, a, h en fext.n, waarbij: b 2 I= berekende immissie van de bouwstof in de bodem als gevolg van het gebruik van een bouwstof [mg/m] gem(L/S=10) E= uitloging van een bouwstof in het laboratorium [mg/kg] a = correctie voor de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en de uitloging in de praktijk [mg/kg] h = de grootste hoogte waarin een bouwstof in een werk wordt aangebracht[m], met een voor de berekening te hanteren minimum van 0,2 m ext.n f= factor voor de extrapolatie van de uitloging van de bouwstof bij de kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar, voor toepassingen met isolatiemaatregelen en toepassingen zonder isolatiemaatregelen; 2°. gem (64d) ext.v bev temp iso voor de anorganische stoffen in een vormgegeven bouwstof, waarvan de uitloging diffusie-bepaald is, volgens een functie waarin Ib wordt uitgedrukt in E, f, f, fen f, waarbij: b 2 I= berekende immissie van de bouwstof in de bodem als gevolg van het gebruik van een bouwstof [mg/m] gem(64d) 2 E= uitloging van een bouwstof in het laboratorium [mg/m] ext.v f= factor voor de extrapolatie van de uitloging van de bouwstof bij de kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar bev f= factor voor de bevochtigingsperiode temp f= factor voor het verschil in temperatuur bij bepaling van de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en bij het gebruik van die bouwstof iso f= factor voor de isolatiemaatregelen, onder 1° of volgens de functie, beschreven. 6 Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld met betrekking tot: a. de bepaling van de samenstelling van een bouwstof, uitgezonderd grond, bedoeld in het eerste lid, en b. de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit een bouwstof, bedoeld in het vierde lid. Tot die regels behoren in ieder geval: 1°. regels met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald of de uitloging van een anorganische stof in een vormgegeven bouwstof diffusie-bepaald is; 2°. regels met betrekking tot de toepassing van de in het tweede en vijfde lid genoemde NEN, daaronder begrepen de aanwijzing van door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven ontwerp- of voornormen die in plaats van die NEN gelden zolang die NEN nog niet zijn vastgesteld, en 3°. e regels ter uitwerking van de in het vijfde lid, onder, beschreven functies. 7 De bepaling van de samenstelling van een bouwstof of de bepaling van de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit een bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk vierde lid, kan op een andere wijze plaatsvinden dan die welke is voorgeschreven in de bij of krachtens het tweede, derde, vijfde of zesde lid gestelde regels, indien die andere wijze ten minste gelijkwaardig is aan bedoelde, voorgeschreven wijze. 8 Degene die beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring, voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het zevende lid gestelde regels. 9 Tot vijf jaar na het tijdstip waarop een categorie 1-bouwstof niet zijnde grond, in een werk is aangebracht, verstrekt degene die de bouwstof gebruikt, op verzoek van het bevoegd gezag: onder a Onze Ministers kunnen een model van een formulier vaststellen, dat bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld, wordt gebruikt. a. gegevens met betrekking tot de samenstelling van die bouwstof en de immissie in de bodem als gevolg van emissie uit die bouwstof, verkregen door bepaling van die samenstelling en immissie overeenkomstig de bij of krachtens het tweede, vijfde, zesde of zevende lid gestelde regels, dan wel b. een voor die bouwstof afgegeven kwaliteitsverklaring als bedoeld in het achtste lid. 10 artikel 7, vijfde lid Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van avi-bodemas die behoort tot de bijzondere, krachtens, aangewezen categorie gedurende een krachtens dat artikel aangegeven periode. 11 Het vierde lid is niet van toepassing op het op of in de bodem gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag overeenkomstig NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2. Tot vijf jaar na het tijdstip waarop een niet-vormgegeven bouwstof niet zijnde grond in een werk is aangebracht worden op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens van deze uitloogproef verstrekt. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 bijlage 2 artikel 9 Tenzij het gaat om bouwstoffen waarvan op grond van kennis of organoleptische waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die bouwstoffen voldoen aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in, isniet van toepassing op: a. het op of in de bodem gebruiken van gezaagde natuursteenproducten of metselmortel; b. het zonder bewerking opnieuw op of in de bodem gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen, alsmede bakstenen; c. het opnieuw warm in situ op of in de bodem gebruiken van asfalt in wegverhardingen, indien overeenkomstig de CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is; d. bijlage 2 het binnen een project op of in de bodem zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven inop grond van: 1°. algemene informatie of 2°. eerste tot en met achtste lid van artikel 9 gegevens omtrent samenstelling en immissie die bij of krachtens hetof vooruitlopend daarop onder de vigeur van het IPO- interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen» zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk. 2 Tot vijf jaar na het tijdstip waarop opnieuw asfalt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c of opnieuw binnen een project een categorie1-bouwstof niet zijnde grond als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d in een werk is aangebracht, worden op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk onderdeel d, onder 1° en 2° verstrekt. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Degene die een bouwstof gebruikt op of in de bodem, draagt er zorg voor dat die bouwstof: a. niet met de bodem wordt vermengd; b. kan worden verwijderd en c. wordt verwijderd in geval het deel van het werk waarvan de bouwstof deel uitmaakt, wordt verwijderd. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt een categorie 1-bouwstof niet verwijderd, indien het verwijderen van die bouwstof tot een grotere aantasting van de bodem ter plaatse van die bouwstof leidt dan het niet verwijderen van die bouwstof. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Degene die voornemens is een bouwstof op of in de bodem te gebruiken, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag. 2 Een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan gelijktijdig met het voor of in verband met dat werk: a. artikel 40, eerste lid, van de Woningwet indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld inof, indien deze vergunning niet is vereist; b. artikel 42, eerste lid, onder a, van de Woningwet doen van een melding als bedoeld inof, indien noch deze melding noch een vergunning als bedoeld onder a, is vereist; c. artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld inof, indien noch deze vergunning noch een vergunning als bedoeld onder a, noch een melding als bedoeld onder b, is vereist; d. artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer doen van een melding als bedoeld inof, indien noch deze melding, noch een melding als bedoeld onder b, noch een vergunning als bedoeld onder a of onder c, is vereist; e. artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening artikel 3 indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in, indien het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning als bedoeld onder a, c of e, te verlenen of het bestuursorgaan tot wie een melding als bedoeld onder b of d, moet worden gericht tevens voor het betreffende gebruiken van bouwstoffen krachtenshet bevoegd gezag is. 3 Indien enig voor een melding benodigd gegeven nog niet bekend is op het tijdstip waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend of een melding wordt gedaan als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, dan wordt dat gegeven aan het bevoegd gezag verstrekt: a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van bij een melding verstrekte gegevens. 5 Indien zich niet één van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet, wordt een melding als bedoeld in het eerste lid, gedaan: a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof. 6 bijlage 3 Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof, niet zijnde grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, de in, onder punt 4, genoemde gegevens nog niet bekend zijn op het tijdstip waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, dient te worden gedaan, worden deze gegevens, zo nodig in afwijking van het tweede, derde of vijfde lid, uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag verstrekt. 7 bijlage 3 e Bij een melding als bedoeld in het eerste lid, worden de ingenoemde gegevens verstrekt. Voor zover deze gegevens reeds in het kader van een aanvraag voor een vergunning of in het kader van een melding als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met, worden verstrekt, behoeven deze niet meer bij de melding te worden verstrekt. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. 8 Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de bij de melding te verstrekken gegevens. 9 Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van een categorie 1-bouwstof, niet zijnde grond. 10 bijlage 3, onder punt 4 Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het derde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt. 11 artikel 9, elfde lid bijlage 3, onder punt 4 artikel 9, elfde lid In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof zijnde grond als bedoeld in, in plaats van de in, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in de bodem, de gegevens als bedoeld in, verstrekt. 12 artikel 9a, eerste lid, onderdeel d bijlage 3, onder punt 4 artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2° In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen zijnde grond als bedoeld in, in plaats van de in, genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld inverstrekt. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikel 10 3 Grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, wordt op of in de bodem slechts gebruikt in een zodanige hoeveelheid dat is gewaarborgd dat de gebruiker van die grond kan voldoen aan. Die hoeveelheid is ten minste 50 maaneensluitend in een werk. 2 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen ten aanzien van de minimumhoeveelheid, waarin de in het eerste lid bedoelde grond in een werk moet worden gebruikt; deze hoeveelheid mag echter niet kleiner zijn dan de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde hoeveelheid. Degene tot wie een nadere eis als bedoeld in de eerste volzin, wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, wordt op of in de bodem slechts gebruikt in hoeveelheden van ten minste 10 000 ton aaneensluitend in een werk. 2 In afwijking van het eerste lid is het gebruiken van een categorie 2-bouwstof in funderingen van een wegenbouwkundig werk toegestaan in hoeveelheden van ten minste 1 000 ton aaneensluitend. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, op of in de bodem gebruikt, treft de volgende isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen: a. voordat de bouwstof op of in de bodem wordt gebracht, wordt door een deskundig bedrijf de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof en de te verwachten afstand tussen die grondwaterstand en de aan te brengen bouwstof bepaald; b. de bouwstof wordt zodanig gebruikt dat deze zich, na zetting van de bodem, ten minste 0,5 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt; c. gedurende het houden van de bouwstof wordt periodiek de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de aangebrachte bouwstof en de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand door een deskundig bedrijf bepaald en worden de daarbij verkregen gegevens op verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd; d. aan de bovenzijde van de bouwstof wordt een zodanige isolerende afdichting aangebracht dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met hemelwater plaatsvindt, en e. de afdichting wordt zodanig onderhouden en gecontroleerd dat haar isolerende werking is gewaarborgd. 2 a c c onderdeel Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand en van de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid, onderen, en het verstrekken van gegevens als bedoeld invan dat lid. Tot die regels behoren in ieder geval regels met betrekking tot het onderzoek dat ten behoeve van die bepalingen moet worden verricht en de frequentie waarmee die bepalingen dienen plaats te vinden. 3 d e Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanbrengen, het onderhoud en de controle van de isolerende bovenafdichting, bedoeld in het eerste lid, onderen. Tot de in de eerste volzin bedoelde regels kan de eis behoren, dat de afdichting bij het aanbrengen en vervolgens periodiek door een deskundig bedrijf op haar isolerende werking wordt gekeurd. Bij de in de eerste volzin bedoelde regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent het verstrekken aan het bevoegd gezag van gegevens, verkregen bij controles of keuringen van de afdichting. 4 d e Bij regeling van Onze Minister kunnen voor bouwstoffen, niet zijnde categorie 1-bouwstoffen, die op een bij die regeling aangewezen wijze worden gebruikt, de naar zijn oordeel geschikte maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting als bedoeld in het eerste lid, onderen, worden aangewezen. 5 d e Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, gebruikt op de bij de regeling, bedoeld in het vierde lid, aangewezen wijze, en de voor die bouwstof bij die regeling aangewezen maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting treft, voldoet aan de regels, gesteld bij of krachtens het eerste lid, onderen, en derde lid. 6 artikel 11, eerste lid d e Degene die voornemens is een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, te gebruiken, overlegt, in geval op hem het vijfde lid niet van toepassing zal zijn, bij de melding, bedoeld in, gegevens over de te verwachten isolerende werking van de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen die hij ingevolge de bij of krachtens het eerste lid, onderen, en derde lid, gestelde regels dient te treffen. De gegevens, bedoeld in de eerste volzin, worden opgesteld door een deskundig bedrijf. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 14, vijfde lid d e artikel 14, eerste lid, onderen Behoudens in een geval als bedoeld in, kan het bevoegd gezag ten aanzien van het aanbrengen, het onderhoud en de controle van een isolerende bovenafdichting als bedoeld in, nadere eisen stellen. Degene tot wie een nadere eis wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 14 artikel 71, eerste lid, van de Wet bodembescherming Degene die ingevolge de bij of krachtensgestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan het bevoegd gezag verzoeken de rechthebbenden een verplichting op te leggen als bedoeld in. 2 Degene die een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens: a. de naam en het adres van de aanvrager en de rechthebbenden; b. de plaats waar het onderzoek moet plaatsvinden; c. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en d. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten. 3 artikel 71, eerste lid van de Wet bodembescherming Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken gedeelte van de bodem de inbedoelde verplichting opleggen. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels wordt onder "oppervlaktewater" mede de bodem onder oppervlaktewater verstaan en wordt onder "het gebruiken van bouwstoffen in oppervlaktewater" mede verstaan het gebruiken van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater. 2 Dit hoofdstuk b c artikel 4, tweede lid, onderen is niet van toepassing op het gebruiken van de in, genoemde bouwstoffen. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De bij of krachtensgestelde verboden gelden niet voor het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond. 2 Degene die voornemens is schone grond te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken. 3 bijlage 4a Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de ingenoemde gegevens verstrekt. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikel 5 Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond zijn de regels, gesteld bij of krachtensvan overeenkomstige toepassing. 2 bijlage 1 Tenzij op grond van kennis of visuele waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die grond voldoet aan de samenstellingswaarden, zoals aangegeven in, is het eerste lid niet van toepassing op het bij de uitvoering van zandsuppleties op het strand of de onderwaterbodem van de Noordzee, de Waddenzee, of de Westerschelde gebruiken van grond afkomstig uit die wateren. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 Deze paragraaf is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van schone grond. 2 artikel 6, tweede lid Ten aanzien van het gebruiken van niet-schone grond in oppervlaktewater is, van overeenkomstige toepassing. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De bij of krachtensgestelde verboden gelden niet voor het in oppervlaktewater gebruiken van categorie 1-bouwstoffen. 2 Degene die voornemens is een categorie 1-bouwstof te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken. 3 bijlage 4b Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de ingenoemde gegevens verstrekt. 4 bijlage 4b, onder punt 3 Indien bij een voorgenomen gebruik van een categorie1-bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het tweede lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt. 5 artikel 22, zevende lid bijlage 4b, onder punt 3 artikel 22, zevende lid In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het gebruiken van een niet-vormgegeven bouwstof als bedoeld in, in plaats van de in, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in oppervlaktewater, de gegevens als bedoeld in, verstrekt. 6 artikel 22a, eerste lid, onder c artikel 22a, eerste lid, onder deel d bijlage 4b, onder punt 3 artikel 22a, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, onder 1° en 2° In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het opnieuw asfalt gebruiken als bedoeld inof het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen als bedoeld in, in plaats van de ingenoemde gegevens, de gegevens als bedoeld inverstrekt. 7 artikel 7, tweede en derde lid Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van een categorie 1-bouwstof zijn de regels, gesteld bij of krachtens, van overeenkomstige toepassing. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 bijlage 2 Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de invermelde organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens voor de in die bijlage vermelde anorganische stoffen de samenstelling van die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald. 2 artikel 9, tweede en zesde lid, of zevende lid De bepaling van de samenstelling van de bouwstof, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens. 3 artikel 9, derde of zevende lid In afwijking van het tweede lid vindt voor grond de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens. 4 bijlage 2 Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de invermelde anorganische stoffen de immissie in het oppervlaktewater als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald. 5 artikel 9, vijfde en zesde lid, of zevende lid De bepaling van de immissie in het oppervlaktewater, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens. 6 Degene die een categorie 1-bouwstof gebruikt en beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het vijfde lid gestelde regels. 7 Het vierde lid is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag conform NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 22a — Artikel 22a#
Artikel 22a bijlage 2 artikel 22 Tenzij het gaat om bouwstoffen waarvan op grond van kennis of organoleptische waarneming niet kan of redelijkerwijs niet zou kunnen worden aangenomen dat die bouwstoffen voldoen aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven in, isniet van toepassing op: a. het in oppervlaktewater gebruiken van gezaagde natuursteenproducten of metselmortel; b. het zonder bewerking opnieuw in oppervlaktewater gebruiken van vormgegeven bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen, alsmede bakstenen; c. het opnieuw warm in situ in oppervlaktewater gebruiken van asfalt in wegverhardingen, indien overeenkomstig de CROW-rapport 04-08, «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is; d. bijlage 2 het binnen een project in oppervlaktewater zonder bewerking en onder dezelfde condities opnieuw gebruiken van categorie 1-bouwstoffen, mits wordt aangetoond dat de bouwstof voldoet aan de samenstellings- en immissiewaarden, zoals aangegeven inop grond van: 1°. algemene informatie of 2°. eerste tot en met zesde lid van artikel 22 gegevens omtrent samenstelling en immissie die bij of krachtens hetof vooruitlopend daarop onder de vigeur van het IPO- interimbeleid «Werken met secundaire grondstoffen» zijn bepaald in het kader van het eerdere gebruiken in een werk. 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 2005 610 06-12-2005 24-11-2005 04-01-2006 01-01-2006
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 10 a het eerste lid, onder, en in het tweede lid Ten aanzien van degene die een bouwstof gebruikt in oppervlaktewater, isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat invan dat artikel in plaats van "de bodem" wordt gelezen: de bodem onder oppervlaktewater. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 3 Grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt in een hoeveelheid van ten minste 50 maaneensluitend in een werk. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 13 Met betrekking tot het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, isvan overeenkomstige toepassing. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De waterkwaliteitsbeheerder verbindt aan een vergunning als bedoeld in, die betrekking heeft op het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, voorschriften, inhoudende de verplichting dat isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen worden getroffen. 2 In de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt ten minste bepaald dat degene die de bouwstof gebruikt: a. een zodanige isolerende afdichting aanbrengt dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met het oppervlaktewater, met hemelwater of met het grondwater plaatsvindt; b. de afdichting zodanig onderhoudt en controleert dat haar goede werking is gewaarborgd, en c. de gegevens, verkregen bij de controles van de afdichting, op verzoek aan het bevoegd gezag verstrekt. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren De waterkwaliteitsbeheerder brengt aan een vergunning als bedoeld in, die betrekking heeft op het gebruiken van een bouwstof in oppervlaktewater, een beperking aan in de zin van het voorschrijven van de maximumhoeveelheid te gebruiken bouwstoffen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een categorie 1-bouwstof. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 Onze Ministers dragen zorg voor opstelling en bekendmaking van een overzicht, alsmede van wijziging van dat overzicht, van bouwstoffen waarvoor een door hen erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven. 2 Het in het eerste lid bedoelde overzicht omvat tevens een overzicht van bouwstoffen die overeenkomstig de Europese richtlijn bouwprodukten moeten zijn voorzien van de CE-markering en die bovendien, bij een bepaalde wijze van gebruik, in overeenstemming zijn met de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot samenstelling en immissie. 3 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent opstelling en bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde overzicht en van wijziging van dat overzicht. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1997 686 23-12-1997 10-12-1997 01-01-1999
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 artikelen 1.4 1.9 1.10 van het Bouwbesluit 2003 De,en, alsmede de krachtens die artikelen gegeven voorschriften zijn van toepassing. 2 artikelen 1.7 1.8 van het Bouwbesluit 2003 Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2002 203 07-05-2002 17-04-2002 2002 516 24-10-2002 16-10-2002 2002 582 05-12-2002 28-11-2002 01-01-2003
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 dit artikel u artikel 1, eerste lid, onder, onder Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waaropvervalt, wordt in afwijking van"deskundig bedrijf" verstaan: een bedrijf dat of een dienst die aantoonbare ervaring en deskundigheid heeft met het verrichten van een bij of krachtens dit besluit voorgeschreven werkzaamheid. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 Een artikel artikel 32 van dit besluit of onderdeel daarvan is niet van toepassing op het gebruiken van een bouwstof in een werk, indien die bouwstof in dat werk is aangebracht uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop dat artikel of artikelonderdeel ingevolgein werking treedt. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 614 21-12-1995 12-12-1995 01-01-1996
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998 danwel met ingang van een ander, bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip kan voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor verschillende, bij het koninklijk besluit aan te wijzen bouwstoffen of categorieën van bouwstoffen, die op een bij het koninklijk besluit aan te geven wijze worden gebruikt, verschillend worden gesteld. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 01-01-1998 1997 525 20-11-1997 04-11-1997 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 01-01-1998 Treedt in werking als artikel 32 van de wet in werking treedt.
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 Dit besluit wordt aangehaald als: Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 1995 567 30-11-1995 23-11-1995 01-01-1998
Artikel 1#
1, eerste lid, onder h
Artikel 6#
6, tweede lid
Artikel 19#
19, tweede lid
Artikel 1#
1, eerste lid onder j, k, l en x
Artikel 2#
2, vierde lid
Artikel 7#
7
Artikel 9#
9
Artikel 9a#
9a
Artikel 22#
22
Artikel 22a#
22a
Artikel 2#
artikel 2, vierde lid
Artikel 7#
artikel 7, zesde en zevende lid
Artikel 7#
artikel 7, zesde lid
Artikel 11#
artikel 11, eerste lid
Artikel 14#
artikel 14, eerste lid
Artikel 9#
artikel 9, tweede, derde, vijfde, zesde of zevende lid
Artikel 18#
artikel 18, tweede lid
Artikel 21#
artikel 21, derde lid
Artikel 21#
artikel 21, tweede lid
Artikel 21#
artikel 21, tweede lid
Artikel 9#
artikel 9, derde, vijfde, zesde of zevende lid