Besluit van 14 februari 1998, houdende nadere regels inzake de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen, aan boord van vaartuigen en voor loodsen (Arbeidstijdenbesluit vervoer)
- BWB-id
- BWBR0009386
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2025-09-16
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009386
- ELI
- /eli/nl/amvb/1998/arbeidstijdenbesluit-vervoer
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1998/arbeidstijdenbesluit-vervoer/2025-09-16
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009386&g=2025-09-16
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009386&z=2026-06-06&g=2025-09-16
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009386/2025-09-16
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1998/arbeidstijdenbesluit-vervoer
Artikel 1:1 — Artikel 1:1#
Artikel 1:1 Arbeidstijdenwet In dit besluit wordt verstaan onder wet: de. 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 01-04-1998
Artikel 2.1:1 — Artikel 2.1:1#
Artikel 2.1:1 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: a. Onze Ministers: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. verordening (EG) nr. 561/2006: verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PbEU L 102); c. verordening (EU) nr. 165/2014: verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60); d. vrachtauto: artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen artikel 1.1 van de Regeling voertuigen vrachtauto als bedoeld in, alsmede een trekker als bedoeld in; e. bus: artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 motorrijtuig als bedoeld in; f. taxi: artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 artikel 76, eerste lid, van voornoemde wet auto, als bedoeld inwaarmee vervoer wordt verricht waarvoor een vergunning, als bedoeld in, vereist is; g. bijrijder: persoon die als functie heeft in een vrachtauto mee te rijden om de bestuurder daarvan behulpzaam te zijn en in voorkomende gevallen direct met het vervoer samenhangende werkzaamheden te verrichten; h. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in verordening (EU) nr. 165/2014; i. richtlijn 2002/15/EG: richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PbEG L 80); j. AETR-verdrag: de op 1 juli 1970 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het Internationale vervoer over de weg (Trb. 1994, 123); k. Handels- en Samenwerkingsovereenkomst: Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PbEU 2021, L 149). 2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «bestuurder» en «week» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 4, onderdelen c en i, van verordening (EG) nr. 561/2006. 3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «tachograafkaart», «bestuurderskaart», «controlekaart», «bedrijfskaart» en «werkplaatskaart» verstaan hetgeen onder deze begrippen wordt verstaan in artikel 2, onderdelen d, f en i tot en met k van verordening (EU) nr. 165/2014. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.2:1 — Artikel 2.2:1#
Artikel 2.2:1 Artikel 11:3, eerste lid, van de wet artikel 2.3:1 is niet van toepassing op overtredingen die zijn geconstateerd na staandehoudingen langs de voor openbaar gebruik toegankelijke wegen van een vrachtauto, bus of taxi in lege of beladen toestand als bedoeld in. 2007 169 15-05-2007 26-04-2007 2007 169 15-05-2007 26-04-2007 16-05-2007
Artikel 2.2:2 — Artikel 2.2:2#
Artikel 2.2:2 Paragraaf 5.1 paragrafen 5.2 tot en met 5.5 artikel 11:1 van de wet en – voorzover aangeduid als overtredingen – deen de daarop berustende bepalingen enzijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurder die geen werkgever of werknemer is in de zin van de wet. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 2.3:1 — Artikel 2.3:1#
Artikel 2.3:1 Arbeidstijdenbesluit Met uitsluiting van hetzijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen van toepassing op iedere verplaatsing, die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaats vindt in lege of beladen toestand, alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, van: a. Een vrachtauto, alsmede een losse trekker: 1° waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt; of 2° Verordening (EG) nr. 561/2006 waarmee wegvervoer van goederen wordt verricht waaropvan toepassing is; b. een bus; c. een taxi, niet zijnde een ambulance. 2023 519 29-12-2023 20-12-2023 2023 519 29-12-2023 20-12-2023 30-12-2023
Artikel 2.3:2 — Artikel 2.3:2#
Artikel 2.3:2 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vervoer met voertuigen als bedoeld in artikel 3, onder a bis tot en met i, van verordening (EG) nr. 561/2006, en artikel 1, vierde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 2 artikel 2.7:4 Dit hoofdstuk is, behoudens, niet van toepassing op arbeid, verricht door een jeugdige werknemer. 3 artikelen 2.4:1, derde lid 2.4:13, tweede tot en met vierde lid 2.5:1 2.5:3 2.5:6 De,,,enzijn niet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, b, c, d, g, h, j, k, l, m, n en p, van verordening (EG) nr. 561/2006, en artikel 8, derde lid, onder a, b, c, d, g, h, i, j, k, l, en n, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 4 artikelen 2.4:1, derde lid 2.5:1 2.5:3 2.5:6 De,,enzijn niet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel o, van verordening (EG) nr. 561/2006, en artikel 8, derde lid, onderdeel m, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst, voor zover het betreft voertuigen binnen hubfaciliteiten voor zover dit vervoer binnen een straal van 5 kilometer plaatsvindt. 5 artikel 15, achtste lid, onderdelen a tot en met c, van het Reglement rijbewijzen verordening (EG) nr. 561/2006 artikelen 2.4:1, derde lid 2.4:13, tweede tot en met vierde lid 2.5:1 2.5:3 2.5:6 Indien een voertuig en de bestuurder voldoen aan het gestelde in, en dit voertuig elektrisch aangedreven is, zijn de,,,enniet van toepassing op vervoer als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder f, van. 2025 160 18-06-2025 06-06-2025 2025 160 18-06-2025 06-06-2025 01-07-2025
Artikel 2.3:3 — Artikel 2.3:3#
Artikel 2.3:3 Vervallen 2019 211 13-06-2019 17-05-2019 2019 211 13-06-2019 17-05-2019 01-01-2023
Artikel 2.4:1 — Artikel 2.4:1#
Artikel 2.4:1 1 artikel 2:7, eerste lid, van de wet artikel 4:3 van de wet Met uitzondering van de gegevens en bescheiden, bedoeld in verordening (EU) nr. 165/2014, en deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst bewaren de werkgever en de persoon, bedoeld in, de gegevens en bescheiden met betrekking tot de inneergelegde registratieverplichting ten minste 104 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens en bescheiden betrekking hebben. 2 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De werkgever en de persoon, bedoeld in, handelen in overeenstemming met artikel 33, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 165/2014, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 15, eerste en tweede lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 3 De bestuurder handelt in overeenstemming met artikel 6, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 4, vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 4 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De werkgever en de persoon, bedoeld in, handelen in overeenstemming met artikel 10, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 7, vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 5 artikel 4:3 van de wet artikel 2.3:1 De werknemer bewaart de gegevens en bescheiden met betrekking tot de inneergelegde registratieverplichting die tijdens zijn werkzaamheden, bedoeld inzijn geregistreerd tot het tijdstip van deugdelijke overdracht aan de werkgever. 6 artikel 2:7, eerste lid, van de wet Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld over de wijze van bewaren van de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens en bescheiden, en het overbrengen van de in het controleapparaat en op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens naar de vestiging van de werkgever of de persoon, bedoeld in. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.4:2 — Artikel 2.4:2 Registratiemiddel#
Artikel 2.4:2 Registratiemiddel 1 artikel 2:7, eerste lid, van de wet artikel 78a van het Besluit personenvervoer 2000 Bij taxivervoer wordt door de werkgever, de bestuurder en de persoon inten behoeve van een deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden, gebruik gemaakt van een boordcomputer dan wel van de centrale database taxivervoer als bepaald in, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens voornoemd besluit. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld over de registratieverplichtingen die op de vervoerder en de bestuurder rusten indien de boordcomputer of het registratiemiddel buiten gebruik is en de gegevens die in dat geval aanwezig zijn in de taxi. 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 01-07-2025
Artikel 2.4:3 — Artikel 2.4:3#
Artikel 2.4:3 1 artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 artikel 89, onderdelen e en f, van het Besluit personenvervoer 2000 Bij openbaar vervoer als bedoeld indat wordt verricht met een bus, alsmede bij geregeld vervoer als bedoeld in, stelt de werkgever een dienstrooster op als bedoeld in artikel 16 van verordening (EG) nr. 561/2006. 2 artikelen 2.4:1 2.4:13 artikel 2.4:4 Het eerste lid is niet van toepassing indien wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deenen het verbod vanwordt nageleefd. 3 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inhoud, de invulling, de bekendmaking en de bewaring van het dienstrooster. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.4:4 — Artikel 2.4:4#
Artikel 2.4:4 1 artikel 2:7, eerste lid, van de wet Het is de werkgever, de werknemer en de persoon, bedoeld in, verboden: a. in of op controlemiddelen onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen te stellen, te doen stellen, of toe te laten dat zij daarin of daarop gesteld worden; b. in of op controlemiddelen wijziging aan te brengen, te doen aanbrengen of toe te laten dat wijziging wordt aangebracht in vroeger daarin of daarop gestelde gegevens of aantekeningen, deze onleesbaar te maken, te doen maken of toe te laten dat zij onleesbaar gemaakt worden; c. controlemiddelen geheel of ten dele zoek te maken of te doen zoekmaken, ondeugdelijk te maken of te doen maken, te vernietigen of te doen vernietigen, verborgen te houden of te doen verborgen houden, dan wel toe te laten dat deze zoekgemaakt, ondeugdelijk gemaakt, vernietigd of verborgen gehouden worden; d. gebruik te maken van een controlemiddel waarop of waarin onjuiste aantekeningen zijn gesteld, waarop of waarin in de aantekeningen wijzigingen zijn aangebracht dan wel waarop of waarin aantekeningen onleesbaar zijn gemaakt; e. een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart te gebruiken, met uitzondering van een bedrijfskaart van een werkgever die wordt gebruikt door zijn werknemer; f. in het voertuig een voorziening aanwezig te hebben die voor misbruik als bedoeld in de onderdelen a tot en met e kan worden aangewend. 2 artikel 2.4:2, eerste lid Dit artikel is niet van toepassing op de boordcomputer, bedoeld in. 2009 472 20-11-2009 16-10-2009 2011 422 30-09-2011 12-09-2011 01-10-2011
Artikel 2.4:5 — Artikel 2.4:5#
Artikel 2.4:5 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd inzake de artikelen 16, vierde lid, en 26 van verordening (EU) nr. 165/2014. 2 De Dienst Wegverkeer is bevoegd inzake de artikelen 12 en 24 van verordening (EU) nr. 165/2014. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.4:6 — Artikel 2.4:6#
Artikel 2.4:6 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat besluit ten aanzien van de aanvraag, verlening, weigering, intrekking of schorsing van een tachograafkaart met inachtneming van: a. de artikelen 25, derde lid, en 26, zevende lid, van verordening (EU) nr. 165/2014; of b. artikel 9, vijfde lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.4:7 — Artikel 2.4:7#
Artikel 2.4:7 1 Een bestuurderskaart en een bedrijfskaart hebben een geldigheidsduur van 5 jaar. 2 Een werkplaatskaart heeft een geldigheidsduur van 1 jaar. 2005 209 28-04-2005 01-04-2005 2005 359 19-07-2005 01-07-2005 20-07-2005 Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 6 juli 2004
tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994 in
verband met de invoering van het digitale controleapparaat (Stb.
2004, 347) in werking treedt.
Artikel 2.4:8 — Artikel 2.4:8#
Artikel 2.4:8 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De werkgever, de werknemer en de persoon, bedoeld in, die als bestuurder rijden op een vrachtauto of bus, die is voorzien van een controleapparaat, handelen overeenkomstig: a. de artikelen 27, onderscheidenlijk 29, vijfde lid, van verordening (EU) nr. 165/2014; of b. de artikelen 4, onderscheidenlijk 8, vijfde lid, van deel b, afdeling 4, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.4:9 — Artikel 2.4:9#
Artikel 2.4:9 De houder van een werkplaatskaart handelt overeenkomstig de artikelen 22, tweede lid, derde lid, eerste volzin, vierde en vijfde lid, en 23 van verordening (EU) nr. 165/2014. 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 02-03-2016
Artikel 2.4:10 — Artikel 2.4:10#
Artikel 2.4:10 artikel 2:7, eerste lid, van de wet artikel 4:3, eerste lid, van de wet De werkgever en de persoon bedoeld ingebruikt een bedrijfskaart om de registratie van gegevens met betrekking tot de inneergelegde verplichting in het controleapparaat in te stellen en de in het controleapparaat geregistreerde gegevens te kunnen onttrekken. 2005 209 28-04-2005 01-04-2005 2005 359 19-07-2005 01-07-2005 20-07-2005 Treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 6 juli 2004
tot wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Wegenverkeerswet 1994 in
verband met de invoering van het digitale controleapparaat (Stb.
2004, 347) in werking treedt.
Artikel 2.4:11 — Artikel 2.4:11#
Artikel 2.4:11 1 Een bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart verliest zijn geldigheid in ieder geval door intrekking of schorsing en door het verstrijken van de geldigheidsduur. 2 Een binnen de geldigheidsduur verloren, gestolen, defect geraakte of beschadigde bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart wordt vervangen door een vervangende kaart voor de resterende termijn van geldigheid. 3 De houder meldt verlies of diefstal van zijn bestuurderskaart, werkplaatskaart of bedrijfskaart aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.4:12 — Artikel 2.4:12#
Artikel 2.4:12 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld over: a. de gronden voor goedkeuring, weigering, intrekking of schorsing van een model tachograafkaart; b. het voor goedkeuring van een model tachograafkaart benodigde certificaat; c. de geldigheid en de gronden van verlening, weigering, intrekking of schorsing van tachograafkaarten; d. de aanvraag van tachograafkaarten en model tachograafkaarten, de beslistermijn op de aanvraag en de aan de behandeling van een aanvraag verbonden kosten alsmede over de afgifte van tachograafkaarten; e. de wijze van melden en inleveren in geval van verloren, gestolen, defecte of beschadigde tachograafkaarten; f. de wijze waarop een tachograafkaart of een controleapparaat wordt gebruikt; g. de wijze van verwerking van de op een tachograafkaart of in een controleapparaat opgeslagen gegevens. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.4:13 — Artikel 2.4:13#
Artikel 2.4:13 1 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen nadere regels worden gesteld, welke voor de uitvoering van verordening (EU) nr. 165/2014 noodzakelijk zijn. 2 Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, eerste lid, tweede alinea, 3, eerste lid, 22, eerste, vierde en vijfde lid, 23, eerste lid, 26, lid 7 bis, 27, 29, tweede lid, 32, eerste tot en met vierde lid, 33, eerste en tweede lid, 34, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 35, 36, eerste en tweede lid, 37, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van verordening (EU) nr. 165/2014. 3 Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, leeft de bestuurder het voorschrift van artikel 12, tweede volzin van verordening (EG) nr. 561/2006 na. 4 Voor zover het AETR-verdrag van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 10 van het AETR-verdrag. 5 Voor zover van toepassing, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen: a. 3, 6, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 7, 8, tweede lid, 9, 10, eerste en tweede lid, en 11, van deel b, afdeling 4, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst; en b. 3, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste en tweede lid, en 16, eerste en tweede lid, van deel c, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 6 Voor zover van toepassing, leeft de bestuurder het voorschrift van artikel 8, tweede lid, derde volzin, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst na. 2023 519 29-12-2023 20-12-2023 2023 519 29-12-2023 20-12-2023 30-12-2023
Artikel 2.4:14 — Artikel 2.4:14#
Artikel 2.4:14 Vervallen 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 02-03-2016
Artikel 2.4:15 — Artikel 2.4:15#
Artikel 2.4:15 Vervallen 2010 14 19-01-2010 16-12-2009 2010 14 19-01-2010 16-12-2009 23-03-2010
Artikel 2.5:1 — Artikel 2.5:1#
Artikel 2.5:1 1 artikelen 5:3, tweede en derde lid 5:5, tweede en derde lid, van de wet In plaats van de, enwordt dit artikel toegepast. 2 De bestuurder die vervoer anders dan taxivervoer verricht, en de bijrijder handelen in overeenstemming met: a. verordening (EG) nr. 561/2006 voor zover van toepassing, de artikelen 8 en 9 van; b. voor zover van toepassing, in overeenstemming met artikel 8 van het AETR-verdrag; of c. voor zover van toepassing, artikel 6 van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 3 verordening (EG) nr. 561/2006 De werkgever handelt in overeenstemming met artikel 8, lid 8 bis, van. 4 De werknemer die taxivervoer verricht, heeft: a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren; en b. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren. 5 Van het vierde lid kan, met inachtneming van het zesde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het vierde lid is nietig. 6 De werkgever organiseert de werkzaamheden zodanig, dat de werknemer die taxivervoer verricht: a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren heeft, welke rusttijd tweemaal in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren; en b. in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren een rusttijd van 72 uren heeft, welke mag worden gesplitst in perioden van ten minste 24 uren. 7 De in het vierde en zesde lid bedoelde periode begint op het eerste tijdstip van de dag waarop de arbeid van de werknemer aanvangt. 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 01-07-2025
Artikel 2.5:2 — Artikel 2.5:2#
Artikel 2.5:2 artikel 5:6 van de wet Voor taxivervoer wordt voor de toepassing vande zondag aangemerkt als de periode gelegen tussen zondag 06.00 uur en 24.00 uur. 2007 88 15-03-2007 26-02-2007 2007 88 15-03-2007 26-02-2007 01-04-2007
Artikel 2.5:3 — Artikel 2.5:3#
Artikel 2.5:3 De bestuurder die vervoer anders dan taxivervoer verricht, handelt in overeenstemming met: a. voor zover van toepassing, artikel 6, eerste tot en met derde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006; b. voor zover van toepassing, artikel 6 van het AETR-verdrag; of c. voor zover van toepassing, artikel 4, eerste tot en met derde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.5:4 — Artikel 2.5:4#
Artikel 2.5:4 1 artikel 5:8 van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 2 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer die vervoer anders dan taxivervoer verricht: a. ten hoogste 43 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst verricht, of b. ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid verricht tussen 00.00 en 06.00 uur. 3 De werknemer die taxivervoer verricht, verricht: a. ten hoogste 52 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken en 140 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst; of b. ten hoogste 38 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid tussen 00.00 en 06.00 uur. 4 Van het derde lid kan slechts bij collectieve regeling en nadat de werknemer daarmee heeft ingestemd, worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig. 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.5:4a — Artikel 2.5:4a#
Artikel 2.5:4a 1 artikelen 2.2:2 2.3:1 In afwijking van deenis dit artikel uitsluitend van toepassing voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst van toepassing is. 2 artikel 5:8 van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 3 Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht die geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode tussen 01.00 en 05.00 uur, geldt dat zijn totale arbeidstijd niet meer bedraagt dan 10 uur in de periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van zijn arbeid. 4 Van het derde lid kan, met inachtneming van het vijfde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig. 5 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een dagelijkse arbeidstijd heeft die niet meer bedraagt dan 12 uur in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van zijn arbeid. 6 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De persoon, bedoeld in, neemt een maximale dagelijkse arbeidstijd in acht overeenkomstig het vijfde lid. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.5:5 — Artikel 2.5:5#
Artikel 2.5:5 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op arbeid verricht in het kader van: a. vervoer van brood- en banketbakkerijproducten; b. vervoer van goederen van en naar distributiecentra, terminals of luchthavens; c. grensoverschrijdend vervoer van bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten, groente en fruit; d. vervoer ten behoeve van het onderhoud en de aanleg van wegen en railverbindingen. 2 artikel 2.5:4, tweede lid In afwijking van, kan dit artikel worden toegepast indien de aard van het vervoer met zich brengt dat dit vervoer hoofdzakelijk gedurende de nacht plaatsvindt en dit door het op een andere wijze organiseren van het vervoer redelijkerwijs niet is te voorkomen. 3 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer: a. ten hoogste 52 maal in elke periode van 16 achtereenvolgende weken en 140 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken arbeid in nachtdienst verricht, of b. ten hoogste 38 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken arbeid verricht tussen 00.00 en 06.00 uur. 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.5:6 — Artikel 2.5:6#
Artikel 2.5:6 1 artikel 5:4, tweede en derde lid, van de wet De bestuurder op wie verordening (EG) nr. 561/2006, het AETR-verdrag, en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst niet van toepassing zijn, handelt overeenkomstig. 2 De bestuurder op wie het eerste lid niet van toepassing is, handelt in overeenstemming met: a. voor zover van toepassing, artikel 7 van verordening (EG) nr. 561/2006; b. voor zover van toepassing, artikel 7 van het AETR-verdrag; of c. voor zover van toepassing, artikel 5 van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 3 artikel 2.5:3 Behoudens het eerste en tweede lid en, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat indien deze andere werkzaamheden dan rijden omvat dan wel mede omvat, de werknemer, voor zover hij vervoer verricht waarop verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingswerkingsovereenkomst van toepassing is: a. geen arbeidstijd langer dan zes uren achtereen zonder pauze heeft; b. ingeval de arbeidstijd zes uren of langer, doch niet meer dan negen uren bedraagt, een pauze van ten minste 30 minuten heeft, dan wel twee pauzes van elk ten minste 15 minuten; c. ingeval de arbeidstijd meer dan negen uren bedraagt, een pauze van ten minste 45 minuten heeft, dan wel verschillende pauzes van elk ten minste 15 minuten. 4 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De persoon, bedoeld in, neemt pauzes in acht overeenkomstig het derde lid. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.5:7 — Artikel 2.5:7#
Artikel 2.5:7 1 artikelen 2.2:2 2.3:1 In afwijking van deenis dit artikel uitsluitend van toepassing op de werknemer die vervoer verricht waarop verordening (EEG) nr. 561/2006 niet van toepassing is. 2 artikel 5:7, tweede tot en met vierde lid, van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 3 De werknemer die vervoer anders dan taxivervoer verricht, verricht in elke periode van 16 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid. 4 De werknemer die taxivervoer verricht, verricht ten hoogste: a. 60 uren arbeid per week; b. 12 uren arbeid per dienst; en c. gemiddeld 48 uren arbeid per week in elke periode van 16 aaneengesloten weken. 5 Van het derde en vierde lid kan met inachtneming van het zesde lid slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig. 6 De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat de werknemer in elke periode van 26 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht. 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.5:8 — Artikel 2.5:8#
Artikel 2.5:8 1 artikelen 2.2:2 2.3:1 In afwijking van deenis dit artikel uitsluitend van toepassing voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 of de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst van toepassing is. 2 artikel 5:7, tweede tot en met vierde lid, van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 3 De werknemer verricht ten hoogste 60 uren per week arbeid, met dien verstande dat hij gedurende een periode van 16 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht. 4 Van het derde lid kan met inachtneming van het vijfde lid slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig. 5 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer gedurende een periode van een week ten hoogste 60 uren arbeid verricht, met dien verstande dat hij gedurende een periode van 26 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht. 6 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De persoon, bedoeld in, neemt een maximale wekelijkse arbeidstijd in acht overeenkomstig het vijfde lid. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.5:9 — Artikel 2.5:9#
Artikel 2.5:9 1 artikelen 2.5:4a, derde en vijfde lid 2.5:6, derde lid 2.5:8, derde en vijfde lid Voor de toepassing van de,, en, wordt niet als arbeidstijd aangemerkt: a. ten aanzien van de bestuurder de perioden waarin deze een voertuig begeleidt dat wordt vervoerd; b. wachttijden ten gevolge van rijverboden; c. ten aanzien van de bijrijder of een tweede bestuurder: de perioden die deze gedurende de rit naast de bestuurder of in een slaapcabine doorbrengt; en d. artikel 2:7, eerste lid, van de wet ten aanzien van de persoon, bedoeld in, de perioden waarin deze niet ter beschikking van de klant staat en algemeen administratief werk verricht dat niet direct verband houdt met het ten behoeve van de klant verrichte vervoer. 2 artikelen 2.5:4a, derde en vijfde lid 2.5:6, derde lid 2.5:8, derde en vijfde lid Voor zover de verwachte duur voor de bestuurder van tevoren bekend is, dan wel bij regeling van Onze Ministers is vastgelegd, wordt voor de toepassing van de,, en, voor de bestuurder tevens niet als arbeidstijd aangemerkt de periode waarin deze voor eventuele oproepen beschikbaar moet zijn om een rit aan te vatten of te hervatten dan wel andere werkzaamheden moet uitvoeren. 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.6:1 — Artikel 2.6:1#
Artikel 2.6:1 1 Onze Ministers kunnen, indien daartoe gegronde redenen aanwezig zijn, vrijstelling verlenen van: a. artikel 2.5:4, tweede lid ; b. de verplichting tot het installeren van een controlemiddel, voorzover dit niet in strijd is met verordening (EG) nr. 561/2006. 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt niet verleend dan nadat de belanghebbende werkgevers of werkgeversorganisaties met volledige rechtsbevoegdheid en werknemersorganisaties met volledige rechtsbevoegdheid in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. 3 artikel 2:7, eerste lid, van de wet De werkgever en de persoon, bedoeld in, leven de aan de vrijstelling verbonden voorschriften na. 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 10-09-2009
Artikel 2.7:1 — Artikel 2.7:1#
Artikel 2.7:1 1 Het is de werkgever verboden te handelen in strijd met artikel 10, eerste lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 7, eerste lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 2 De werkgever handelt in overeenstemming met artikel 10, tweede en vijfde lid, van verordening (EG) nr. 561/2006, dan wel, voor zover van toepassing, artikel 7, tweede en vijfde lid, van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst. 3 De bestuurder handelt in overeenstemming met artikel 20 van verordening (EG) nr. 561/2006. 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 2021 486 22-10-2021 05-10-2021 23-10-2021
Artikel 2.7:2 — Artikel 2.7:2#
Artikel 2.7:2 Vervallen 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 10-09-2009
Artikel 2.7:3 — Artikel 2.7:3#
Artikel 2.7:3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen als de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 19, tweede lid, en 22, tweede lid, van verordening (EG) nr. 561/2006. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.7:4 — Artikel 2.7:4#
Artikel 2.7:4 1 De werkgever kan een jeugdige werknemer als bijrijder arbeid doen verrichten indien wordt voldaan aan de eisen, genoemd in artikel 5, tweede lid, van verordening (EG) nr. 561/2006. 2 artikel 156q, derde lid, van het Reglement rijbewijzen Een jeugdige werknemer voldoet aan artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 561/2006 indien hij een opleiding volgt als bedoeld in. 3 artikel 156q, derde lid, van het Reglement rijbewijzen De werkgever ziet toe op het bezit van de inbedoelde verklaring en het in dat lid bedoelde bewijs van inschrijving. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.7:5 — Artikel 2.7:5 Overgangsregeling chauffeursvakbekwaamheid#
Artikel 2.7:5 Overgangsregeling chauffeursvakbekwaamheid Vervallen 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 10-09-2009
Artikel 2.7:6 — Artikel 2.7:6 Wijzigingen chauffeursvakbekwaamheid met ingang van 10 september 2009#
Artikel 2.7:6 Wijzigingen chauffeursvakbekwaamheid met ingang van 10 september 2009 Wijzigt dit besluit. 2008 255 08-07-2008 17-06-2008 2008 352 04-09-2008 25-08-2008 10-09-2008
Artikel 3.1:1 — Artikel 3.1:1#
Artikel 3.1:1 Arbeidstijdenbesluit Spoorwegwet Met uitsluiting van hetis dit hoofdstuk van toepassing op de werknemer van 18 jaar of ouder, die voor een spoorwegonderneming als bedoeld in de, in of op een spoorvoertuig een dienst verricht waarbij hij gedurende meer dan een uur wordt ingezet op een traject waarvan het begin- of eindpunt meer dan 15 kilometer over de grens is gelegen. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 3.2:1 — Artikel 3.2:1#
Artikel 3.2:1 artikel 4:3 van de wet De werkgever bewaart de gegevens en bescheiden met betrekking tot de inneergelegde registratieverplichting ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens en bescheiden betrekking hebben. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 3.3:1 — Artikel 3.3:1#
Artikel 3.3:1 1 artikelen 5:3, tweede en derde lid 5:8, vierde lid, van de wet In plaats van de, enwordt dit artikel toegepast. 2 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een dagelijkse onafgebroken rusttijd heeft van: a. ten minste 12 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren indien de rusttijd in de normale woonplaats kan worden doorgebracht; b. ten minste 8 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren indien de rusttijd niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht. 3 De rusttijd, bedoeld in het tweede lid, onder a, mag gedurende een periode van 7 maal 24 uren eenmaal worden ingekort tot ten minste 9 uren, mits de tijd waarmee deze rusttijd is ingekort, wordt toegevoegd aan de eerstvolgende rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht. 4 De rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht, wordt niet aanzienlijk ingekort indien deze wordt voorafgegaan en wordt gevolgd door een rusttijd die niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht. 5 De werknemer heeft na een dagelijkse onafgebroken rusttijd die niet in de normale woonplaats kan worden doorgebracht een dagelijkse onafgebroken rusttijd die in de normale woonplaats kan worden doorgebracht. 6 Bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het zevende lid, van het vijfde lid worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze wordt afgeweken van het vijfde lid, is nietig. 7 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer ten hoogste 2 achtereenvolgende dagelijkse onafgebroken rusttijden heeft die niet in de normale woonplaats kunnen worden doorgebracht. 8 artikel 3.1:1 De in het tweede lid bedoelde periode vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer een dienst als bedoeld inverricht. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 3.3:2 — Artikel 3.3:2#
Artikel 3.3:2 1 artikel 5:5, tweede en derde lid, van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 2 artikel 3.1:1 De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren, waarin hij ten minste één dienst verricht als bedoeld in, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren. 3 artikel 3.1:1 De in het tweede lid bedoelde periode vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer een dienst als bedoeld inverricht. 4 artikel 3.1:1 In elke periode van 52 aaneengesloten weken waarin een werknemer ten minste 52 diensten als bedoeld inverricht, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer 104 perioden heeft van ten minste 24 uren onafgebroken rusttijd. 5 De in het vierde lid bedoelde 104 perioden omvatten ten minste 24 aaneengesloten perioden van ten minste 60 uren, van welke 24 perioden ten minste 12 perioden de gehele zaterdag en de gehele zondag omvatten. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 3.3:3 — Artikel 3.3:3#
Artikel 3.3:3 1 artikel 5:4, tweede en derde lid, van de wet In plaats vanwordt dit artikel toegepast. 2 De werkgever organiseert de arbeid van de machinist zodanig, dat indien hij: a. meer dan 6 uur arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten; b. meer dan 8 uur arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten; c. een gedeelte van de pauze, bedoeld onder a en b, wordt genoten tussen het derde en het zesde uur waarin arbeid wordt verricht. 3 Het tweede lid, onderdeel b en c, is niet van toepassing ingeval van aanwezigheid van twee dienstdoende machinisten in het spoorvoertuig. 4 De werkgever organiseert de arbeid van het overige personeel in of op het spoorvoertuig zodanig dat indien meer dan 6 uur per dienst arbeid wordt verricht, deze arbeid wordt onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 3.3:4 — Artikel 3.3:4#
Artikel 3.3:4 1 De werkgever organiseert de arbeid van de machinist zodanig, dat zijn rijtijd: a. ten hoogste 9 uren per dienst bedraagt, dan wel ten hoogste 8 uren indien er 3 of meer uren arbeid wordt verricht in de periode tussen 00.00 en 07.00 uur; b. artikel 3.1:1 ten hoogste 80 uur bedraagt in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, waarin hij ten minste twee diensten verricht als bedoeld in. 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt als rijtijd aangemerkt: a. de duur van de ingeroosterde activiteit waarbij de machinist verantwoordelijk is voor het besturen van een locomotief, en b. ingeroosterde onderbrekingen waarin de machinist verantwoordelijk blijft voor de locomotief. 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt niet als rijtijd aangemerkt de tijd die is voorzien voor het in- en uitschakelen van de locomotief. 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 2008 268 15-07-2008 11-06-2008 27-07-2008
Artikel 4.1:1 — Artikel 4.1:1#
Artikel 4.1:1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. lid van het cockpitpersoneel: de werknemer van 18 jaar of ouder die aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden heeft te verrichten die van direct belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig tijdens de vlucht; b. lid van het cabinepersoneel: de werknemer van 18 jaar of ouder die, niet zijnde lid van het cockpitpersoneel, aan boord van een luchtvaartuig enige werkzaamheden heeft te verrichten ten behoeve van de inzittenden dan wel als dierenbegeleider werkzaam is tijdens de vlucht; c. lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en cabinepersoneel. 2004 400 19-08-2004 09-07-2004 2004 400 19-08-2004 09-07-2004 20-08-2004
Artikel 4.1:2 — Artikel 4.1:2#
Artikel 4.1:2 § 4.5 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van, wordt verstaan onder: a. vliegwerktijd: de periode van het ogenblik af, waarop een lid van het boordpersoneel zich dient te melden voor de uitoefening van zijn functie tot het einde van zijn werkzaamheden; b. werktijd: de som van de vliegwerktijd en de luchthavenreservetijd; c. reservetijd: een periode waarin een lid van het boordpersoneel niet voor een vlucht is ingedeeld en niet verplicht is op de luchthaven aanwezig te zijn, maar wel beschikbaar dient te zijn voor het ontvangen van een opdracht tot het uitvoeren van enige verkeersvlucht; d. luchthavenreservetijd: een periode waarin een lid van het boordpersoneel niet voor een vlucht is ingedeeld, maar wel verplicht is op de luchthaven aanwezig te zijn voor het ontvangen van een opdracht tot het uitvoeren van enige verkeersvlucht; e. rusttijd: elke periode buiten de vliegwerktijd gedurende welke een lid van het boordpersoneel is ontheven van alle taken en opdrachten, en daarin de gelegenheid heeft om rust te genieten in een passende accommodatie; f. grondtijd: elke periode van de vliegwerktijd die geen deel uitmaakt van een vlucht; g. rustgelegenheid: de deugdelijke accommodatie aan boord van het luchtvaartuig, die het mogelijk maakt voor een lid van het boordpersoneel horizontale rust te genieten in een van de passagiers en hinderlijke vracht afgescheiden ruimte. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.1:3 — Artikel 4.1:3#
Artikel 4.1:3 § 4.5 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van, wordt verstaan onder: a. vliegtijd: de periode van het ogenblik af dat de helikopter zich op eigen kracht voortbeweegt tot het ogenblik waarop de hefschroef of hefschroeven tot stilstand komt of komen; b. verkeersvlucht: een vlucht die vervoer door een luchtvaartmaatschappij ten doel heeft; c. rondvlucht: een verkeersvlucht welke aanvangt en eindigt op hetzelfde terrein en welke een tijdsduur heeft van ten hoogste 60 minuten; d. luchtarbeid: werkzaamheden uitgevoerd door een lid van het boordpersoneel tijdens de vlucht, niet zijnde een verkeersvlucht. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.1:4 — Artikel 4.1:4#
Artikel 4.1:4 Tenzij anders is bepaald, wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: a. luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding; b. luchtvaartuig: Wet luchtvaart een luchtvaartuig als bedoeld in de; c. dag: een periode van 00.00 uur tot 24.00 uur Universal Time Coordinated voor vliegtuigen en van 00.00 uur tot 24.00 uur lokale tijd voor helikopters; d. luchthaven: een terrein, dat is ingericht voor het opstijgen en het landen alsmede de daarmede verband houdende beweging op dat terrein van luchtvaartuigen. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.1:5 — Artikel 4.1:5#
Artikel 4.1:5 § 4.5 Inwordt verstaan onder: a. EG-verordening 3922/91: verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (PbEG L 373); b. vliegdienstperiode: een vliegdienstperiode (FDP) als bedoeld in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1095, onder 1.6; c. Onze Ministers: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 4.2:1 — Artikel 4.2:1#
Artikel 4.2:1 Artikel 4.3 hoofdstuk 5 van de wet enen de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op: a. arbeid, verricht door een lid van het boordpersoneel van 18 jaar of ouder dat vluchten, niet zijnde verkeersvluchten maakt ten behoeve van het eigen bedrijf, of van de overheid; b. luchtarbeid, verricht door een lid van het boordpersoneel van 18 jaar of ouder; c. arbeid, verricht door een lid van het cabinepersoneel van 18 jaar of ouder van helikopters dat verkeersvluchten maakt; d. arbeid, verricht door personen van 18 jaar of ouder aan boord van luchtvaartuigen, niet zijnde boordpersoneel. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.2:2 — Artikel 4.2:2#
Artikel 4.2:2 Paragraaf 5.1 paragrafen 5.2 tot en met 5.5 van de wet en – voorzover aangeduid als overtredingen – deen de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een lid van het boordpersoneel dat geen werkgever of werknemer is in de zin van de wet. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 4.3:1 — Artikel 4.3:1#
Artikel 4.3:1 Arbeidstijdenbesluit Met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op arbeid, verricht aan boord van luchtvaartuigen. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.4:1 — Artikel 4.4:1#
Artikel 4.4:1 1 Elk lid van het boordpersoneel op verkeersvluchten met helikopters met uitzondering van rondvluchten, houdt van zijn arbeids- en rusttijden een deugdelijke registratie bij of doet die bijhouden. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld omtrent de wijze van registratie. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 4.4:2 — Artikel 4.4:2#
Artikel 4.4:2 artikel 4.2:2 artikel 4.4:1, eerste lid artikel 4.4:1, eerste en tweede lid artikel 4.3 van de wet De werkgever, de persoon, bedoeld in, en het lid van het boordpersoneel, bedoeld in, bewaren de gegevens en bescheiden met betrekking tot, en de inneergelegde registratieverplichting ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben. 2004 249 10-06-2004 13-05-2004 2004 249 10-06-2004 13-05-2004 11-06-2004
Artikel 4.5:1 — Artikel 4.5:1 Toepasselijkheid van de paragraaf#
Artikel 4.5:1 Toepasselijkheid van de paragraaf § 5.2 van de wet In plaats vanis deze paragraaf en EG-verordening 3922/91 van toepassing op bemanningsleden op vluchten die vallen onder EG-verordening 3922/91. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.5:2 — Artikel 4.5:2 Maximale werktijd#
Artikel 4.5:2 Maximale werktijd De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat voor een lid van het boordpersoneel de werktijd niet meer dan 2000 uur per jaar bedraagt en zo gelijk mogelijk over het kalenderjaar wordt verspreid. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.5:3 — Artikel 4.5:3 Verlengde vliegdienstperiode bij gesplitste dienst#
Artikel 4.5:3 Verlengde vliegdienstperiode bij gesplitste dienst Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald op welke wijze de vliegdienstperiode kan worden verlengd bij gesplitste dienst. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.5:4 — Artikel 4.5:4 Rust#
Artikel 4.5:4 Rust 1 Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald op welke wijze de effecten van tijdzoneverschillen op bemanningsleden met extra rust worden gecompenseerd. 2 Bij regeling van Onze Ministers kan, met inachtneming van het bepaalde in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1110, onder 1.1 en 1.2, worden bepaald onder welke voorwaarden de rustregeling kan worden verkort. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.5:5 — Artikel 4.5:5 Verlenging van de vliegdienstperiode#
Artikel 4.5:5 Verlenging van de vliegdienstperiode 1 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het verlengen van de vliegdienstperiode, met overschrijding van de limieten vermeld in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1105, voor zover sprake is van uitbreiding van de basiscockpitbemanning. Hierbij wordt ten minste rekening gehouden met het aantal uren genoten rust en de rustgelegenheid aan boord. 2 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld aan het verlengen van de vliegdienstperiode van cabinepersoneel, met overschrijding van de limieten vermeld in EG-verordening 3922/91, bijlage III, onderdeel 1.1105. Hierbij wordt ten minste rekening gehouden met het aantal uren genoten rust en de rustgelegenheid aan boord. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.5:6 — Artikel 4.5:6 Paraatheid#
Artikel 4.5:6 Paraatheid Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van: a. de relatie tussen luchthavenparaatheid en de onmiddellijk daarop volgende vliegdienst; b. de minimumrustperiode volgend op luchthavenparaatheid die niet wordt gevolgd door een vliegdienst; c. de overige vormen van paraatheid. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.6:1 — Artikel 4.6:1#
Artikel 4.6:1 Vervallen 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.6:2 — Artikel 4.6:2#
Artikel 4.6:2 Vervallen 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.6:3 — Artikel 4.6:3#
Artikel 4.6:3 Vervallen 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.6:4 — Artikel 4.6:4#
Artikel 4.6:4 Vervallen 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.6:5 — Artikel 4.6:5#
Artikel 4.6:5 Vervallen 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.7:1 — Artikel 4.7:1#
Artikel 4.7:1 paragraaf 5.2 van de wet In plaats vanis deze paragraaf van toepassing op het lid van het boordpersoneel op rondvluchten met helikopters. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.7:2 — Artikel 4.7:2#
Artikel 4.7:2 1 De werkgever ontwerpt regels ten aanzien van de arbeids- en rusttijden voor elk lid van het boordpersoneel op rondvluchten. Deze regels zijn zodanig dat de veiligheid van de vlucht niet in gevaar wordt gebracht door vermoeidheid, optredende, hetzij tijdens een vlucht, hetzij tijdens een serie vluchten, hetzij tijdens een bepaalde periode. 2 Deze regels worden ter instemming aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en aan Onze Minister voorgelegd. 3 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met de regels waarvoor Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister instemming hebben gegeven. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 4.8:1 — Artikel 4.8:1#
Artikel 4.8:1 paragraaf 5.2 van de wet In plaats vanis deze paragraaf van toepassing op het lid van het cockpitpersoneel op verkeersvluchten van helikopters, met uitzondering van rondvluchten. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.8:2 — Artikel 4.8:2#
Artikel 4.8:2 In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder «landing» verstaan: een nadering, gevolgd door het tot stilstand op een landingsplaats hetzij in een hovervlucht brengen van een helikopter met: 1°. het doel: voorzover de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, plaatsvinden met draaiende motoren(en), of a. het embarkeren of debarkeren van passagier(s) dan wel bemanningslid(leden) al dan niet door middel van een hijsinstallatie; b. het in- of uitladen van vracht; c. het aan- of afhaken van een uitwendige lading; d. het innemen van brandstof, 2°. het doel de vlucht te beëindigen door de rotor(en) tot stilstand te brengen of de motor(en) te stoppen. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.8:3 — Artikel 4.8:3#
Artikel 4.8:3 1 De vliegwerktijd wordt geacht te duren tot ten minste 15 minuten na het beëindigen van de laatste vlucht in de periode, waarin het lid van het cockpitpersoneel als zodanig optreedt. 2 Als vliegwerktijd wordt tevens aangemerkt de tijdsduur van een door de werkgever gegeven opdracht, anders dan tot het als lid van het cockpitpersoneel maken van een vlucht. 3 Indien een opdracht als bedoeld in het tweede lid het maken van één of meer opeenvolgende vluchten als passagier of als niet-werkend bemanningslid inhoudt: a. geldt als tijdsduur van deze opdracht de tijd vanaf het tijdstip van aanmelding voor de eerste vlucht tot 15 minuten na het beëindigen van de laatste vlucht, b. artikel 4.8:6, eerste en tweede lid bijlage G zijn de normen bedoeld in, en de correcties, bedoeld in de inbehorende bij dit besluit onder VII bedoelde verzwarende omstandigheden niet van toepassing, c. artikel 4.8:10 artikel 4.8:9 is het toegestaan, meerdere malen achtereen een bekorte rust, als bedoeld in, toe te passen, mits na afloop een rusttijd in acht wordt genomen, gelijk aan de normale minimum rust volgens, vermeerderd met het totaal van de bekortingen van de voorafgaande rusten ten opzichte van de normale minimum rust. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.8:4 — Artikel 4.8:4#
Artikel 4.8:4 1 bijlage G Inbehorend bij dit besluit wordt de wijze van berekening vastgesteld van de maximum vliegwerktijd alsmede de tabel volgens welke de maximum vliegwerktijd wordt bepaald over de korte en lange termijn en de wijze waarop de gecorrigeerde vliegwerktijd van de vliegwerktijd wordt afgeleid door middel van de volgende correcties: a. verzwarende omstandigheden, b. grondtijd zonder werkzaamheden, en c. opdrachten anders dan opdrachten tot het als lid van het cockpitpersoneel maken van vluchten anders dan verkeersvluchten. 2 bijlage G artikel 4.8:3, tweede lid De inbehorende bij dit besluit in tabel G genoemde maxima zijn slechts van toepassing indien de uitvoering van de in, bedoelde opdracht wordt gevolgd door een vliegwerktijd, waarin daadwerkelijk werkzaamheden als lid van het cockpitpersoneel ten behoeve van de uitvoering van een vlucht worden verricht, zonder dat deze zijn gescheiden door ten minste één rusttijd. 3 artikel 4.8:10, derde lid Ingevolge, wordt de tabel vastgesteld volgens welke het maximum van de vliegwerktijd wordt bepaald na een bekorte rust met inachtneming van de aan de bekorte rust voorafgegane vliegwerktijd. 4 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met derde lid. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.8:5 — Artikel 4.8:5#
Artikel 4.8:5 1 De som van de vliegtijden binnen de vliegwerktijd bedraagt ten hoogste 9 uren of zoveel uren als bepaald overeenkomstig het tweede lid. 2 bijlage H Inbehorend bij dit besluit wordt de reductie op de vliegtijd vastgesteld in verband met het aantal landingen binnen de vliegwerktijd, waarbij een landing tussen zonsondergang en zonsopgang wordt geteld als twee landingen. 3 Een aaneengesloten vliegtijd bedraagt ten hoogste 4 uren. 4 In afwijking van het derde lid wordt indien de geplande vliegtijd 4 tot 5 uur bedraagt, deze onderbroken door een pauze van ten minste 30 minuten. 5 Indien, in afwijking van het derde lid, de geplande vliegtijd meer dan 5 uren bedraagt, wordt deze onderbroken door een pauze van ten minste 45 minuten of door twee pauzes van elk ten minste 30 minuten. De pauzes worden zo veel mogelijk gelijkmatig over de vliegwerktijd verdeeld. 6 De maximum vliegtijd voor een lid van het cockpitpersoneel is: a. 33 uren per aaneengesloten periode van 7 dagen; b. 110 uren per maand; c. 900 uren per jaar. 7 De werktijd bedraagt niet meer dan 2000 uur per jaar en wordt zo gelijk mogelijk over het kalenderjaar verspreid. 8 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met het zevende lid. 2004 249 10-06-2004 13-05-2004 2004 249 10-06-2004 13-05-2004 11-06-2004
Artikel 4.8:6 — Artikel 4.8:6#
Artikel 4.8:6 1 Binnen één vliegwerktijd worden maximaal 25 landingen tussen zonsondergang en zonsopgang gemaakt. 2 bijlage I Inbehorend bij dit besluit wordt de tabel vastgesteld voor het maximum aantal landingen binnen één vliegwerktijd indien deze zowel landingen tussen zonsopgang en zonsondergang alsmede tussen zonsondergang en zonsopgang omvat. 3 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste en tweede lid. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.8:7 — Artikel 4.8:7#
Artikel 4.8:7 1 De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat bij de planning van de vliegwerktijd een verantwoorde marge in acht wordt genomen ten opzichte van de maximum vliegwerktijd en de vliegtijd. 2 Artikel 4.5:9a artikel 4.5:11 enzijn van overeenkomstige toepassing op het cockpitpersoneel van helikopters. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.8:8 — Artikel 4.8:8#
Artikel 4.8:8 1 De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat een reservetijd maximaal 12 uren bedraagt. 2 Indien de tijd gelegen tussen de oproep tot aanmelding en het aanmeldingstijdstip minder bedraagt dan 8 uren wordt de tijd gelegen tussen de aanvang van de reservetijd en het aanmeldingstijdstip als reservetijd beschouwd. 3 Indien de tijd gelegen tussen de oproep tot aanmelding en het aanmeldingstijdstip meer bedraagt dan 8 uren en het desbetreffende personeelslid wordt ontheven van de reserveverplichting dan wordt de tijd gelegen tussen de aanvang van de reservetijd en het tijdstip van oproep als reservetijd beschouwd. 4 Tussen verschillende reservetijden zit ten minste een periode van 8 uren. 5 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het tweede tot en met vierde lid. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.8:9 — Artikel 4.8:9#
Artikel 4.8:9 1 De normale minimum rusttijd, voorafgaande aan een vliegwerktijd, bedraagt 12 uren. 2 Een lid van het cockpitpersoneel van helikopters heeft in elke aaneengesloten periode van 7 dagen een aaneengesloten rusttijd van ten minste 36 uren dan wel in elke aaneengesloten periode van 10 dagen een aaneengesloten rusttijd van ten minste 48 uren. 3 Indien in een aaneengesloten periode van 3 dagen de som van de vliegwerktijden meer dan 32 uren bedraagt, wordt één der tussenliggende normale minimum rusttijden genoten tussen 20.00 uur en 12.00 uur lokale tijd. 4 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met derde lid. 2008 293 18-07-2008 12-07-2008 2008 292 18-07-2008 12-07-2008 19-07-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit vluchtuitvoering in werking treedt.
Artikel 4.8:10 — Artikel 4.8:10#
Artikel 4.8:10 1 Een normale minimum rusttijd kan worden bekort tot niet minder dan 8 uren met dien verstande dat een bekorting met meer dan een uur ten hoogste eenmaal per aaneengesloten periode van 7 dagen plaats vindt. 2 Na een bekorte rust is de rusttijd na de vliegwerktijd, volgend op de bekorte rust, ten minste gelijk aan de normale minimum rusttijd, vermeerderd met de tijd waarmee de normale minimum rusttijd is bekort. 3 bijlage J Inbehorend bij dit besluit wordt de tabel vastgesteld volgens welke het maximum van de vliegwerktijd wordt bepaald na een bekorte rust met inachtneming van de aan de bekorte rust voorafgegane vliegwerktijd. 4 Een rusttijd van minder dan 8 uren geldt als grondtijd. 5 De werkgever organiseert de arbeid in overeenstemming met het eerste tot en met vierde lid. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 4.9:1 — Artikel 4.9:1#
Artikel 4.9:1 1 paragraaf 4.8 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan ontheffing verlenen vanvoor arbeid verricht door een lid van het boordpersoneel van helikopters, die gebruikt worden ten behoeve van het vervoeren van: a. traumateams voor spoedeisende medische hulpverlening, of b. artikel 1, onder o, van de Mijnbouwwet passagiers of vracht van of naar helikopterplatforms op mijnbouwinstallaties als bedoeld in, of op schepen, gebruikt in het kader van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte. 2 De werkgever leeft de aan een ontheffing verbonden voorschriften na. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 4.10:1 — Artikel 4.10:1#
Artikel 4.10:1 1 § 4.5 De gezagvoerder van een luchtvaartuig, bij vluchten die niet vallen onder, kan afwijken en kan een lid van het boordpersoneel opdragen af te wijken van de arbeids- en rusttijden om arbeid te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van de personen aan boord en het luchtvaartuig. Van deze afwijking wordt aantekening gehouden en wordt melding gemaakt bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 2 Zodra de situatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de werkgever ervoor dat de werknemer die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 5.1:1 — Artikel 5.1:1#
Artikel 5.1:1 bemanningslid: in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet hetgeen daaronder wordt verstaanalsmede boordpersoneel als bedoeld in clausule 2, onderdeel k, van de overeenkomst; exploitatiewijze A1, exploitatiewijze A2 en exploitatiewijze B: artikel 18.01 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn hetgeen daaronder wordt verstaan in; jeugdig bemanningslid: een bemanningslid van 16 of 17 jaar; overeenkomst: Europese Overeenkomst betreffende de regeling van een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart, bedoeld in de bijlage bij Richtlijn 2014/112/EU van de Raad van 19 december 2014 tot uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart die op 15 februari 2012 is gesloten door de Europese Binnenvaartunie (EBU), de Europese Schippersorganisatie (ESO) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) (PbEU 2014, L 367); rusttijd: artikel 18.02 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn hetgeen daaronder wordt verstaan in. 2025 232 15-09-2025 30-08-2025 2025 232 15-09-2025 30-08-2025 16-09-2025
Artikel 5.1:2 — Artikel 5.1:2#
Artikel 5.1:2 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt de periode waarop de arbeid van het bemanningslid zich beperkt tot de aanwezigheid op het schip, zonder dat hij zijn taken uitoefent, eveneens als rusttijd. 2 In afwijking van het eerste lid worden niet als rusttijd aangemerkt de perioden waarin het bemanningslid niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en zich gereed houdt tot een onmiddellijke aanvang der werkzaamheden, en waarbij het tijdstip van de aanvang en de duur van deze perioden niet vooraf bekend is. 2007 169 15-05-2007 26-04-2007 2007 169 15-05-2007 26-04-2007 16-05-2007
Artikel 5.2:1 — Artikel 5.2:1#
Artikel 5.2:1 Artikel 4:3 hoofdstuk 5 van de wet artikel 12, tweede lid, onderdelen a, b en c, van het Binnenvaartbesluit enen de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht op schepen als bedoeld in. 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009
Artikel 5.2:2 — Artikel 5.2:2#
Artikel 5.2:2 Paragraaf 5.1 paragrafen 5.2 tot en met 5.5 en – voorzover aangeduid als overtredingen of strafbare feiten – deen de daarop berustende bepalingen van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op bemanningsleden die geen werkgever of werknemer zijn in de zin van de wet. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 5.3:1 — Artikel 5.3:1#
Artikel 5.3:1 1 Arbeidstijdenbesluit Binnenvaartwet Met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op arbeid, verricht door een bemanningslid aan boord van schepen waarop devan toepassing is. 2 Arbeidstijdenbesluit paragraaf 6.6 artikel 6.1:1, onderdeel b In afwijking van het eerste lid en met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald, isvan overeenkomstige toepassing op arbeid, verricht door bemanningsleden aan boord van de in dat lid bedoelde schepen gedurende de tijd dat dit schip dienst doet in havensleepdienst als bedoeld in. 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009
Artikel 5.4:1 — Artikel 5.4:1 Registratie rusttijden#
Artikel 5.4:1 Registratie rusttijden 1 De rusttijden van een bemanningslid worden als volgt geregistreerd: a. artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet artikel 31 van het Binnenvaartbesluit voor een bemanningslid als bedoeld in, in het vaartijdenboek, overeenkomstig het bepaalde krachtens; b. voor het boordpersoneel bedoeld in clausule 2, onderdeel k, van de overeenkomst, op een door de werkgever te bepalen wijze. 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing aan boord van veerboten en veerponten. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.4:2 — Artikel 5.4:2 Registratie arbeidstijden#
Artikel 5.4:2 Registratie arbeidstijden artikel 5.4:1, eerste lid Onverminderd, wordt van een bemanningslid dat werknemer is de dagelijkse arbeidstijd geregistreerd op een door de werkgever te bepalen wijze. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.4:3 — Artikel 5.4:3 Bekrachtiging en bewaartermijn van geregistreerde arbeids- en rusttijden#
Artikel 5.4:3 Bekrachtiging en bewaartermijn van geregistreerde arbeids- en rusttijden 1 artikelen 5.4:1 5.4:2 De gezagvoerend schipper en de werkgever bewaren de in deenbedoelde registratie van arbeids- en rusttijden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben, aan boord. 2 De registratie van de arbeidstijden en rusttijden van een bemanningslid dat werknemer is wordt uiterlijk aan het einde van de volgende maand gezamenlijk door de werkgever of zijn vertegenwoordiger en de werknemer gecontroleerd en bekrachtigd. 3 Het bemanningslid dat werknemer is ontvangt een kopie van de registratie van zijn arbeids- en rusttijden en bewaart deze ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de gegevens betrekking hebben. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:1 — Artikel 5.5:1#
Artikel 5.5:1 paragraaf 5.2 In plaats vanvan de wet wordt deze paragraaf toegepast. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 5.5:2 — Artikel 5.5:2#
Artikel 5.5:2 de artikelen 5.5:3 tot en met 5.5:5 Voor de toepassing vanhouden de werkgever en de gezagvoerend schipper rekening met de arbeids-, rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uren, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren is binnengevaren. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:7 — Artikel 5.5:7#
Artikel 5.5:7 1 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid: a. bij exploitatiewijzen A1 en A2 in elke periode van 24 uren een rusttijd geniet, die inclusief de in het vierde lid bedoelde pauze ten minste 16 uren bedraagt, waarvan ten minste 12 uren ononderbroken; b. bij exploitatiewijze B in elke periode van 24 uren een rusttijd geniet, die inclusief de in het vierde lid bedoelde pauze ten minste 16 uren bedraagt, waarvan ten minste tweemaal 6 uren ononderbroken. 2 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid: a. hetzij een wekelijkse rusttijd heeft van ten minste 2 dagen, waarin de zondag is begrepen; b. hetzij een wekelijkse ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren, waarin de zondag is begrepen; c. hetzij, ingeval van een reis van meer dan 5 dagen, in elke periode van 10 weken een ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 16 dagen. 3 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid tussen 22.00 uur en 06.00 uur, dan wel tussen 23.00 en 07.00 uur slechts arbeid verricht indien dit in het kader van de opleiding noodzakelijk is. 4 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat het jeugdige bemanningslid een pauze van ten minste 30 minuten heeft ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan vier en een half uur. 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 31-12-2004
Artikel 5.5:3 — Artikel 5.5:3 Rusttijd#
Artikel 5.5:3 Rusttijd 1 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is en arbeid verricht bij exploitatiewijze A1 of A2, een rusttijd heeft van ten minste 10 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren. 2 De in het eerste lid bedoelde rusttijd is: a. bij exploitatiewijze A1 ten minste 8 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren, en b. bij exploitatiewijze A2 ten minste 6 uren ononderbroken en wordt berekend vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 6 uren. 3 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is en arbeid verricht bij exploitatiewijze B, een rusttijd heeft van ten minste 10 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, waarvan ten minste 6 uren ononderbroken, en 24 uren in een aaneengesloten periode van 48 uren, te rekenen vanaf het begin van een rusttijd van ten minste 6 uren. 4 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is een rusttijd heeft van ten minste 84 uren in elke periode van 7 dagen. 5 artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet artikelen 18.02 18.03 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid als bedoeld in, dat geen werknemer is, rusttijden in acht neemt overeenkomstig deonderscheidenlijk. 2025 232 15-09-2025 30-08-2025 2025 232 15-09-2025 30-08-2025 16-09-2025
Artikel 5.5:4 — Artikel 5.5:4 Nachtarbeid#
Artikel 5.5:4 Nachtarbeid De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat werknemer is in elke periode van 7 dagen ten hoogste 42 uren arbeid verricht tussen 23:00 uur en 06:00 uur. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:5 — Artikel 5.5:5 Arbeidstijd#
Artikel 5.5:5 Arbeidstijd 1 De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid zodanig dat een bemanningslid dat werknemer is ten hoogste arbeid verricht gedurende: a. 14 uren in elke periode van 24 uur, b. 84 uren in elke periode van zeven dagen, en c. gemiddeld 48 uren per week in elke periode van 52 weken, of, indien de contractperiode korter is dan 52 weken, gemiddeld 48 uren per week in de contractperiode. 2 Onverminderd onderdeel c, van het eerste lid verricht een bemanningslid dat werknemer is, wanneer er volgens het dienstrooster meer arbeidsdagen dan rustdagen zijn, ten hoogste arbeid gedurende gemiddeld 72 uren per week in elke periode van 16 weken. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:5a — Artikel 5.5:5a Arbeids- en rustdagen#
Artikel 5.5:5a Arbeids- en rustdagen De werkgever en de gezagvoerend schipper nemen bij de vaststelling van het aantal arbeids- en rustdagen van een bemanningslid dat werknemer is, clausule 5 van de overeenkomst in acht. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:5b — Artikel 5.5:5b Arbeids- en rustdagen bij seizoensarbeid passagiersvaart#
Artikel 5.5:5b Arbeids- en rustdagen bij seizoensarbeid passagiersvaart 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een bemanningslid dat werknemer is en seizoensarbeid in de passagiersvaart verricht. 2 De werkgever en de gezagvoerend schipper nemen bij de vaststelling van het aantal arbeids- en rustdagen van een bemanningslid dat werknemer is clausule 6 van de overeenkomst in acht. 3 Toepassing van dit artikel is slechts mogelijk bij collectieve regeling. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de vorige zin is nietig. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:5c — Artikel 5.5:5c Pauze#
Artikel 5.5:5c Pauze De werkgever en de gezagvoerend schipper organiseren de arbeid van een bemanningslid dat werknemer is zodanig, dat indien hij meer dan 6 uren arbeid per dienst verricht, zijn arbeid wordt onderbroken door een pauze. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 5.5:6 — Artikel 5.5:6 Noodsituaties#
Artikel 5.5:6 Noodsituaties 1 De gezagvoerend schipper kan afwijken van de arbeids- en rusttijden om arbeid te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord, de lading of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood. 2 Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de gezagvoerend schipper er voor dat het bemanningslid dat werknemer is en dat arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 6.1:1 — Artikel 6.1:1#
Artikel 6.1:1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. zeeschip: 1º. artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek derde lid van dat artikel artikel 2 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen hetgeen daaronder wordt verstaan in, uitgezonderd de zeeschepen, bedoeld in het, en in, alsmede 2º. de havensleepboot gedurende de tijd dat er in havensleepdienst dienst wordt gedaan. b. havensleepdienst: het geheel van werkzaamheden en activiteiten ten behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing, inkomend van of uitgaand naar zee. c. pleziervaartuig: een schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt. 2025 131 15-05-2025 06-05-2025 2025 133 15-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet nationaliteit
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 6.1:2 — Artikel 6.1:2#
Artikel 6.1:2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: jeugdige zeevarende: zeevarende van 16 of 17 jaar; kapitein: zeevarende die het gezag over een zeeschip voert; scheepsbeheerder: Wet bemanning zeeschepen scheepsbeheerder als bedoeld in de; zeevarende: artikel 2, zevende lid, van die wet zeevarende als bedoeld in de Wet bemanning zeeschepen, met dien verstande dat personen die op grond vanzijn uitgezonderd, niet als zeevarende worden aangemerkt. 2025 94 11-04-2025 13-03-2025 2025 145 28-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 6.1:3 — Artikel 6.1:3#
Artikel 6.1:3 rusttijd In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan ondereen periode van ten minste 1 uur waarin geen arbeid wordt verricht. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 6.2:1 — Artikel 6.2:1#
Artikel 6.2:1 1 paragrafen 4.1 4.4 hoofdstuk 5 van de wet Deenenen de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht door een zeevarende van 18 jaar of ouder, aan boord van: a. reddingsvaartuigen gedurende de tijd dat daarmee reddingswerkzaamheden worden verricht; b. pleziervaartuigen die uitsluitend als zodanig worden gebezigd voor zover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren. 2 paragrafen 4.1 4.4 hoofdstuk 5 van de wet Deenenen de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht door een scheepsarts. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.2:2 — Artikel 6.2:2#
Artikel 6.2:2 Paragraaf 5.1 van de wet paragrafen 5.2 tot en met 5.5. van de wet en – voorzover aangeduid als overtredingen – deen de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de kapitein die zonder werknemer te zijn in de zin van de wet arbeid verricht aan boord van zeeschepen. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 6.3:1 — Artikel 6.3:1#
Artikel 6.3:1 1 Arbeidstijdenbesluit afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek artikel 6, tweede lid, van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen Met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen uitsluitend van toepassing op arbeid, verricht door zeevarenden aan boord van zeeschepen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld inof die zijn ingeschreven in rompbevrachting, bedoeld in. 2 artikel 1, onderdeel c, van de Mijnbouwwet In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van toepassing op duikwerkzaamheden op het continentaal plat, bedoeld in. 2025 131 15-05-2025 06-05-2025 2025 133 15-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet nationaliteit
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 6.3:2 — Artikel 6.3:2#
Artikel 6.3:2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op arbeid, verricht aan boord van installaties, opgericht op of boven de bodem van de zee. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 6.4:1 — Artikel 6.4:1#
Artikel 6.4:1 1 De kapitein zorgt ervoor dat aan boord van een zeeschip op een voor alle zeevarenden toegankelijke plaats een werkrooster aanwezig is, waarin het arbeidstijdpatroon van de zeevarenden is vastgesteld en waarin de wettelijk voorgeschreven arbeidstijden en rusttijden worden vermeld. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt een model voor een werkrooster vastgesteld. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van het werkrooster. 3 Het werkrooster bevat ten minste de gegevens opgenomen in het model bedoeld in het tweede lid, en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6.4:2 — Artikel 6.4:2#
Artikel 6.4:2 1 De kapitein zorgt ervoor dat de daadwerkelijke arbeidstijden en rusttijden van elke zeevarende uiterlijk na een week op een werklijst zijn geregistreerd. De volledig ingevulde werklijst wordt door de desbetreffende zeevarende en door of namens de kapitein geaccordeerd. De kapitein zorgt ervoor dat elke zeevarende een afschrift ontvangt van zijn werklijst. 2 De kapitein zorgt ervoor dat de werklijsten uiterlijk 8 weken na de vaststelling ervan ter beschikking van de scheepsbeheerder worden gesteld. 3 De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de werklijsten zorgvuldig worden bijgehouden. 4 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt een model vastgesteld voor een werklijst voor de registratie van arbeidstijden en rusttijden. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van de werklijst. 5 De werklijst bevat ten minste de gegevens opgenomen in het in het tweede lid bedoelde model en is gesteld in de werktaal of in de werktalen van het schip en in de Engelse taal. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6.4:3 — Artikel 6.4:3#
Artikel 6.4:3 De scheepsbeheerder bewaart de werklijsten ten minste 3 jaren, gerekend vanaf het einde van de periode waarop de werklijsten betrekking hebben. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 6.5:1 — Artikel 6.5:1#
Artikel 6.5:1 paragraaf 5.2 van de wet artikel 6.1:1, onderdeel a, onder 1° In plaats vanwordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een zeeschip als bedoeld in, met uitzondering van de tijd waarin dit zeeschip in havensleepdienst dienst doet. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003
Artikel 6.5:2 — Artikel 6.5:2#
Artikel 6.5:2 1 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder; ten minste 10 uren bedraagt in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van de rusttijd. 2 De rusttijd kan worden verdeeld in niet meer dan twee perioden, waarvan één periode een onafgebroken rusttijd van ten minste 6 uren omvat. In dat geval wordt de periode van 24 uren, bedoeld in het eerste lid, berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen. 3 De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de rusttijd van de zeevarenden van 18 jaar en ouder; ten minste 77 uren bedraagt in elke periode van 7 dagen. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.5:3 — Artikel 6.5:3#
Artikel 6.5:3 1 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de jeugdige zeevarende: a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht; b. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd heeft van ten minste 12 uren, waarvan ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen 00.00 en 5.00 uur is begrepen; c. per week ten hoogste 40 uren arbeid verricht; d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren; e. op zondag in beginsel geen arbeid verricht. 2 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de jeugdige zeevarende een pauze krijgt van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan 4,5 uur. 3 In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de jeugdige zeevarende: a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren gedurende ten hoogste 12 uren arbeid verrichten indien hij uit hoofde van de wachtindeling gedurende die uren feitelijk wacht loopt; b. arbeid verrichten tussen 00.00 en 05.00 uur indien dit in verband met zijn opleiding noodzakelijk is. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.5:4 — Artikel 6.5:4#
Artikel 6.5:4 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van de zeevarende telkens na ten hoogste 7 uur wordt afgewisseld door een pauze. 2017 278 27-06-2017 09-06-2017 2017 278 27-06-2017 09-06-2017 01-07-2017
Artikel 6.5:5 — Artikel 6.5:5#
Artikel 6.5:5 1 artikelen 6.5:2, eerste en tweede lid 6.5:3, eerste lid Indien de zeevarende tijdens consignatie arbeid moet verrichten krijgt hij, met inachtneming van de, en, voldoende rusttijd of pauze ter compensatie. 2 artikelen 6.5:2 6.5:3, uitgezonderd het eerste lid, onder a, b en c 6.5:4 De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van de,, enbuiten beschouwing gelaten. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.5:6 — Artikel 6.5:6#
Artikel 6.5:6 De kapitein organiseert de wettelijk voorgeschreven oefeningen en appèls zodanig dat zij zo min mogelijk inbreuk maken op de rusttijden en geen oververmoeidheid veroorzaken. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 6.5:7 — Artikel 6.5:7#
Artikel 6.5:7 1 De kapitein kan afwijken en doen afwijken van de arbeids- en rusttijden om arbeid te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord, de lading of het milieu, of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood. 2 Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de kapitein er voor dat de zeevarende die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.6:1 — Artikel 6.6:1#
Artikel 6.6:1 paragraaf 5.2 van de wet artikel 1 van het Binnenvaartbesluit artikel 6.1:1, onderdeel a, onder 1° artikel 6.3:1, eerste lid In plaats vanwordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een zeeschip als bedoeld in, gedurende de tijd waarin dit zeeschip in havensleepdienst dienst doet, alsmede, in aanvulling op, op arbeid, verricht aan boord van een sleepboot als bedoeld in, gedurende de tijd waarin deze havensleepboot in havensleepdienst dienst doet. 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 2009 164 07-04-2009 18-03-2009 01-07-2009
Artikel 6.6:2 — Artikel 6.6:2#
Artikel 6.6:2 1 De zeevarenden van 18 jaar of ouder hebben een ononderbroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 72 uren in elke aaneengesloten periode van 10 maal 24 uren. 2 Uitsluitend bij collectieve regeling kan van het eerste lid worden afgeweken. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het eerste lid, is nietig. 3 De in het eerste lid bedoelde perioden vangen aan op het eerste tijdstip van de dag waarop de zeevarenden arbeid verrichten. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 6.6:3 — Artikel 6.6:3#
Artikel 6.6:3 1 De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd hebben van ten minste 10 uren. 2 De zeevarenden van 18 jaar of ouder hebben in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een onafgebroken rusttijd van 8 uren. 3 Uitsluitend bij collectieve regeling kan, met inachtneming van het vierde lid, worden afgeweken van het tweede lid. Elk beding waarin op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het tweede lid, is nietig. 4 De kapitein organiseert de arbeid zodanig, dat de onafgebroken rusttijd van 8 uren, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste 3 maal per week wordt ingekort tot ten minste 6 uren onafgebroken rusttijd. 5 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar en ouder in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een totale rusttijd hebben van ten minste 77 uren. 6 De in het eerste, tweede en vijfde lid, bedoelde periode van 24 uren wordt berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust mag niet meer dan 14 uren bedragen. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.6:4 — Artikel 6.6:4#
Artikel 6.6:4 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld ten hoogste 48 uren per week arbeid verrichten. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.6:5 — Artikel 6.6:5#
Artikel 6.6:5 1 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat een jeugdige zeevarende: a. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren, waarin de zondag is begrepen; b. in elke periode van 24 uren een rusttijd heeft van ten minste 12 uren, waarvan ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen hetzij 22.00 en 06.00 uur hetzij tussen 23.00 en 07.00 begrepen is. 2 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat een jeugdige zeevarende: a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht; b. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren ten hoogste 40 uren arbeid verricht. 3 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van een jeugdige zeevarende indien hij meer dan 4,5 uur arbeid verricht wordt afgewisseld door een pauze van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten. 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, mag een jeugdige zeevarende tussen 22.00 uur en 06.00 uur dan wel tussen 23.00 uur en 07.00 uur arbeid verrichten indien dit in het kader van de opleiding noodzakelijk is. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.6:6 — Artikel 6.6:6#
Artikel 6.6:6 1 artikel 6.6:3, eerste en vijfde lid Indien een zeevarende van 18 jaar of ouder tijdens consignatie arbeid moet verrichten krijgt hij, met inachtneming van, voldoende rusttijd of pauze ter compensatie. Deze compensatie is ten minste gelijk aan de resterende rusttijd onderscheidenlijk pauze op het ogenblik van de oproep, en wordt toegevoegd aan de eerstvolgende periode van rust onderscheidenlijk pauze. 2 artikelen 6.6:2, eerste lid 6.6:3, tweede en vierde lid De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in het eerste lid wordt voor de toepassing van deen, buiten beschouwing gelaten. 3 De kapitein organiseert de arbeid zodanig dat hij en de overige zeevarenden van 18 jaar of ouder in elke periode van 4 achtereenvolgende weken: a. ten minste 14 maal gedurende een periode van 24 achtereenvolgende uren geen consignatie worden opgelegd en b. ten minste 2 maal gedurende een aaneengesloten periode van 48 uren geen arbeid verrichten noch consignatie worden opgelegd. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.6:7 — Artikel 6.6:7#
Artikel 6.6:7 6.4:1, eerste lid 6.4:2, eerste tot en met derde lid 6.4:3 6.5:4 6.5:6 6.5:7 De artikelen,,voor zover het betreft de bewaartermijn,,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 2003 338 28-08-2003 17-07-2003 01-09-2003
Artikel 6.7:1 — Artikel 6.7:1#
Artikel 6.7:1 1 De scheepsbeheerder zorgt er voor dat de zeevarenden aan boord van het zeeschip geen arbeid verrichten in strijd met dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen. 2 De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen en gegevens die deze nodig heeft om aan de hem in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen te voldoen. 3 De scheepsbeheerder zorgt er voor dat aan boord de tekst van de wet en van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen en van de van toepassing zijnde collectieve regeling beschikbaar zijn. 2012 357 27-07-2012 05-07-2012 2013 287 12-07-2013 01-07-2013 20-08-2013
Artikel 6.7:2 — Artikel 6.7:2#
Artikel 6.7:2 1 artikel 6.5:2, eerste en tweede lid artikel 6.5:3, eerste lid, onderdelen a en b Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan ontheffing verlenen van, en. 2 De scheepsbeheerder en de kapitein leven de aan de ontheffing verbonden voorschriften na. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan regels stellen omtrent de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing moet worden ingediend en de gegevens die door de aanvrager moeten worden verstrekt. 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 2018 135 17-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6A.1:1 — Artikel 6A.1:1#
Artikel 6A.1:1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. vissersvaartuig: artikel 2, derde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek een zeevissersschip als bedoeld in; b. scheepsbeheerder: de natuurlijke of rechtspersoon die vanuit een vestiging in Nederland van een visserijonderneming de dagelijkse leiding heeft over het beheer van een vissersvaartuig; c. schipper: de gezagvoerder van een vissersvaartuig; d. visser: artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen een zeevarende als bedoeld in; e. jeugdige visser: de visser van 16 of 17 jaar; f. rusttijd: een periode van ten minste een uur waarin geen arbeid wordt verricht. 2025 94 11-04-2025 13-03-2025 2025 145 28-05-2025 06-05-2025 01-07-2025 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning
zeeschepen in werking treedt.
Artikel 6A.1:2 — Artikel 6A.1:2#
Artikel 6A.1:2 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt de periode waarin door de visser, die werknemer is, of de visser die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn, samen met werknemers op hetzelfde vissersvaartuig arbeid verricht, door omstandigheden inherent aan de visserij, geen arbeid kan worden verricht hoewel hij volgens zijn werkrooster arbeid zou moeten verrichten, als rusttijd. 2 In afwijking van het eerste lid worden niet als rusttijd aangemerkt de perioden waarin de visser, bedoeld in het eerste lid, niet vrijelijk over zijn tijd kan beschikken en zich gereed houdt tot een onmiddellijke aanvang der werkzaamheden, en waarbij het tijdstip van de aanvang en de duur van deze perioden niet vooraf bekend is. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.1:3 — Artikel 6A.1:3#
Artikel 6A.1:3 Arbeidstijdenbesluit Met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald zijn dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen uitsluitend van toepassing op arbeid, verricht door schippers en vissers aan boord van vissersvaartuigen. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.1:4 — Artikel 6A.1:4#
Artikel 6A.1:4 1 De schipper die vissers aan boord heeft die werknemer zijn, zorgt ervoor dat aan boord van het vissersvaartuig op een voor alle vissers toegankelijke plaats een werkrooster is opgehangen, waarin zijn arbeidspatroon en dat van alle aan boord zijnde vissers alsmede de wettelijk voorgeschreven arbeids- en rusttijden worden vermeld. 2 Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een model worden vastgesteld voor een werkrooster. Bij die regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de invulling van het werkrooster. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:1 — Artikel 6A.2:1#
Artikel 6A.2:1 paragraaf 5.2 van de wet In plaats vanwordt deze paragraaf toegepast op arbeid, verricht aan boord van een vissersvaartuig. 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 31-12-2004
Artikel 6a.2:1a — Artikel 6a.2:1a#
Artikel 6a.2:1a 1 artikelen 6A.2:2, tweede lid 6A.2:3 6A.2:4, met uitzondering van het eerste lid, onder b en het derde lid, onder b 6A.2:5 6A.2:7 De,,,en, zijn uitsluitend van toepassing op de visser die werknemer is, of, de visser die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn, samen met werknemers op hetzelfde vissersvaartuig arbeid verricht. 2 Artikel 6A.2:2, eerste en derde lid , is van overeenkomstige toepassing op de visser van 16 jaar en ouder die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van een vissersvaartuig dat langer dan drie dagen op zee blijft. 3 Artikel 6A.2:4, eerste lid, onder b en derde lid, onder b , is van overeenkomstige toepassing op de jeugdige visser die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van een vissersvaartuig. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:2 — Artikel 6A.2:2#
Artikel 6A.2:2 1 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat zijn rusttijd en die van de vissers van 18 jaar of ouder ten minste 10 uren bedraagt in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, te rekenen vanaf het begin van de rusttijd. 2 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de rusttijd van de vissers wordt verdeeld in niet meer dan twee perioden, waarvan één periode een onafgebroken rusttijd van ten minste 6 uren omvat. In dat geval wordt de periode van 24 uren, bedoeld in het eerste lid, berekend vanaf het begin van de langste genoten rusttijd. De tijd tussen twee op elkaar volgende perioden van rust bedraagt niet meer dan 14 uren. 3 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat zijn rusttijd en die van de vissers van 18 jaar of ouder tenminste 77 uren bedraagt in elke periode van 7 dagen. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:3 — Artikel 6A.2:3#
Artikel 6A.2:3 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat zijn gemiddelde wekelijkse arbeidstijd en die van de vissers van 18 jaar of ouder ten hoogste 48 uren bedraagt, gerekend over een periode van 52 achtereenvolgende weken. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:4 — Artikel 6A.2:4#
Artikel 6A.2:4 1 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat een jeugdige visser: a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 8 uren arbeid verricht; b. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren een rusttijd heeft van ten minste 9 uren aaneengesloten en waarin de periode tussen 00.00 en 5.00 uur is begrepen; c. per week ten hoogste 40 uren arbeid verricht; d. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdsruimte van 7 maal 24 uren; e. op zondag in beginsel geen arbeid verricht. 2 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de jeugdige visser een pauze krijgt van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, 30 minuten ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan 4,5 uur. 3 In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de jeugdige visser: a. in elke periode van 24 achtereenvolgende uren ten hoogste 12 uren arbeid verrichten indien hij uit hoofde van de wachtindeling gedurende die uren feitelijk wacht loopt; b. arbeid verrichten tussen 00.00 en 5.00 uur indien dit in verband met zijn opleiding noodzakelijk is. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:5 — Artikel 6A.2:5#
Artikel 6A.2:5 De schipper organiseert de arbeid zodanig dat de arbeid van een visser telkens na ten hoogste 6 uren wordt afgewisseld door een pauze. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.2:6 — Artikel 6A.2:6#
Artikel 6A.2:6 De schipper organiseert de wettelijk voorgeschreven oefeningen en appèls zodanig dat zij zo min mogelijk inbreuk maken op de rusttijden en geen oververmoeidheid veroorzaken. 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 2004 735 30-12-2004 15-12-2004 31-12-2004
Artikel 6A.2:7 — Artikel 6A.2:7#
Artikel 6A.2:7 1 De schipper kan afwijken en kan een visser verplichten af te wijken van de arbeids- en rusttijden om arbeid te verrichten indien dit noodzakelijk is in verband met de onmiddellijke veiligheid van het vissersvaartuig, de personen aan boord, de lading of het milieu, of bij het geven van hulp aan andere schepen of personen in nood. 2 Zodra de noodsituatie, bedoeld in het eerste lid, voorbij is, zorgt de schipper ervoor dat de visser die arbeid heeft verricht in een rustperiode, voldoende rusttijd ter compensatie krijgt. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.3:1 — Artikel 6A.3:1#
Artikel 6A.3:1 1 De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat de schipper en de vissers aan boord van het vissersvaartuig: a. regelmatig voldoende lange rustperioden krijgen om hun veiligheid en gezondheid te waarborgen; en b. geen arbeid verrichten in strijd met dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen. 2 De scheepsbeheerder verschaft de schipper de nodige middelen en gegevens die deze nodig heeft om aan de hem in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen te voldoen. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 6A.3:2 — Artikel 6A.3:2#
Artikel 6A.3:2 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan: a. artikel 6A.2:2 vrijstelling verlenen van, onder voorwaarden die zoveel mogelijk een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, onder andere door het toekennen van compenserende rusttijden; b. artikel 6A.2:4, eerste lid, onderdelen a en b ontheffing verlenen van. 2 De scheepsbeheerder en de schipper leven de aan de ontheffing verbonden voorschriften na. 3 artikel 6A.2:3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vrijstelling verlenen van. 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 2020 13 24-01-2020 06-12-2019 25-01-2020
Artikel 7.1:1 — Artikel 7.1:1#
Artikel 7.1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. registerloods: artikel 1, eerste lid, van de Loodsenwet hetgeen daaronder wordt verstaan in; b. loodsen op afstand: artikel 2, tweede lid, van de Loodsenwet de functie-uitoefening, bedoeld in; c. week: een periode van 7 dagen, die ingaat op maandag 00.00 uur. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7.2:1 — Artikel 7.2:1#
Artikel 7.2:1 Arbeidstijdenbesluit Met uitsluiting van hetgeen in hetis bepaald is dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing op arbeid, verricht door registerloodsen. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7.2:2 — Artikel 7.2:2#
Artikel 7.2:2 Paragraaf 5.1 van de wet paragrafen 5.2 tot en met 5.5 van de wet en – voorzover aangewezen als overtredingen – deen de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de registerloods die zonder werkgever of werknemer in de zin van de wet te zijn arbeid verricht aan boord van zeeschepen. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 7.3:1 — Artikel 7.3:1#
Artikel 7.3:1 paragraaf 5.2 In plaats vanvan de wet wordt deze paragraaf toegepast. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7.3:2 — Artikel 7.3:2#
Artikel 7.3:2 1 De registerloods organiseert zijn arbeid zodanig dat hij gedurende ten hoogste 100 uren per week arbeid verricht als registerloods. 2 Indien de registerloods zijn arbeid verricht gedurende een periode van aaneengesloten dagen die meer of minder dan een week omvat, wordt het aantal uren gedurende welke hij in die periode ten hoogste arbeid mag verrichten naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7.3:3 — Artikel 7.3:3#
Artikel 7.3:3 1 De registerloods organiseert zijn arbeid zodanig dat hij in elke periode van 24 aaneengesloten uren een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren dan wel twee rusttijden van elk ten minste 5 aaneengesloten uren. 2 Indien bijzondere omstandigheden met betrekking tot een loodsreis hiertoe noodzaken, mag de in het eerste lid bedoelde rusttijd naar evenredigheid over 2 dagen worden gehouden. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 7.3:4 — Artikel 7.3:4#
Artikel 7.3:4 De registerloods mag na 4 aaneengesloten uren loodsen op afstand vanaf de wal pas weer op deze wijze dienst verrichten na ten minste 8 aaneengesloten uren rust. 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 1998 645 26-11-1998 17-11-1998 01-12-1998
Artikel 8:1 — Artikel 8:1#
Artikel 8:1 1 artikelen 2.4:1, eerste tot en met vijfde lid 2.4:2, eerste lid 2.4:3, eerste lid 2.4:4 2.4:8 tot en met 2.4:10 2.4:11, derde lid 2.4:13, tweede tot en met zesde lid 2.5:1, tweede, derde en zesde lid 2.5:3 2.5:4, tweede lid 2.5:4a, vijfde en zesde lid 2.5:5, derde lid 2.5:6, eerste tot en met vierde lid 2.5:7, zesde lid 2.5:8, vijfde en zesde lid 2.6:1, derde lid 2.7:1 2.7:4, eerste en derde lid artikelen 2.4:1, zesde lid 2.4:2, tweede lid 2.4:3, derde lid 2.4:12, onderdelen e, f en g 2.4:13, eerste lid Het niet naleven van de,,,,,,,,,,,,,,,,en, alsmede het bepaalde krachtens de,,,, of, levert een overtreding op. 2 artikelen 2.4:4 2.4:13, tweede tot en met zesde lid Behoudens deen, wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd. 3 Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren. 4 artikel 79, vierde lid artikelen 80, vierde lid 83b, tweede lid, aanhef, en onderdeel c, in combinatie met het derde en vierde lid 83, achtste lid, onderdeel b, van het Besluit personenvervoer 2000 Het niet naleven van, alsmede het bepaalde krachtens de,, en, levert een overtreding op. 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 2025 161 18-06-2025 25-04-2025 01-07-2025
Artikel 8:2 — Artikel 8:2#
Artikel 8:2 artikelen 3.2:1 3.3:1, tweede, derde en zevende lid 3.3:2, tweede, vierde en vijfde lid 3.3:3, tweede lid, onder a en b, en vierde lid 3.3:4, eerste lid Het niet naleven van de,,,, en, levert een overtreding op. 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 2014 586 29-12-2014 08-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Overtredingen luchtvaart#
Artikel 8.3 Overtredingen luchtvaart artikelen 4.4:1 4.4:2 4.5:2 4.5:3 4.5:4 4.5:5 4.5:6 4.8:3, derde lid 4.8:4, vierde lid 4.8:5, achtste lid 4.8:6, derde lid 4.8:7 4.8:8, eerste en vijfde lid 4.8:9, vierde lid 4.8:10, vijfde lid 4.9:1, tweede lid 4.10:1, eerste lid, laatste volzin en tweede lid artikel 4.1:5 Het niet naleven van het bepaalde bij of krachtens de,,,,,,,,,,,,,,,,, alsmede van de EG-verordening, genoemd in, bijlage III, onderdelen 1.1090 onder 1 en 2, 1.1100, 1.1105, 1.1110 onder 1.3 en 1.4.2, 1.1115, 1.1125 en 1.1135 levert een overtreding op. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 8:4 — Artikel 8:4#
Artikel 8:4 1 artikelen 6.4:1, eerste lid 6.4:2, eerste, tweede en derde lid 6.4:3 6.5:2 6.5:3 6.5:4 6.5:5, eerste lid 6.5:6 6.5:7, tweede lid 6.6:3, eerste, vierde en vijfde lid 6.6:4 6.6:5, eerste tot en met derde lid 6.6:6, eerste en derde lid 6.7:1 6.7:2, tweede lid artikelen 6.4:1, tweede lid 6.4:2, vierde lid Het niet naleven van de,,,,,,,,,,,,,,, alsmede het bepaalde krachtens de, en, levert een overtreding op. 2 6A.1:4 6A.2:2 6A.2:3 6A.2:4 6A.2:5 6A.2:6 6A.2:7, tweede lid 6A.3:1 6A.3:2, tweede lid Het niet naleven van de artikelen,,.,,,,en, levert een overtreding op. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 8:5 — Artikel 8:5#
Artikel 8:5 artikelen 7.3:2 7.3:3 7.3:4 Het niet-naleven van de,enlevert een overtreding op. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 8:6 — Artikel 8:6#
Artikel 8:6 De gevallen waarin een toezichthouder bevoegd is afgifte van een bestuurderskaart te vorderen zijn die genoemd in artikel 26, zevende lid, van verordening (EU) nr. 165/2014. 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 2015 303 17-07-2015 19-06-2015 02-03-2016
Artikel 8:3A — Artikel 8:3A Overtredingen binnenvaart#
Artikel 8:3A Overtredingen binnenvaart artikelen 5.4:1 5.4:2 5.5:2 tot en met 5.5:5a 5.5:5b, tweede lid 5.5:6 5.5:7 Het niet naleven van de,,,,enis een overtreding. 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 2016 515 20-12-2016 01-12-2016 31-12-2016
Artikel 9:1 — Artikel 9:1#
Artikel 9:1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1998. 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 01-04-1998
Artikel 9:2 — Artikel 9:2#
Artikel 9:2 Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidstijdenbesluit vervoer. 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 1998 125 10-03-1998 14-02-1998 01-04-1998
Artikel 4.8:5#
artikel 4.8:5, eerste lid