Besluit van 8 december 1997, houdende regels met betrekking tot het in de bodem lozen van vloeistoffen (Lozingenbesluit bodembescherming)
- BWB-id
- BWBR0009092
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2012-07-01 t/m 2012-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0009092
- ELI
- /eli/nl/amvb/1998/lozingenbesluit-bodembescherming
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/1998/lozingenbesluit-bodembescherming/2012-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0009092&g=2012-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0009092&z=2026-06-06&g=2012-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0009092/2012-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/1998/lozingenbesluit-bodembescherming
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: wet: Wet bodembescherming de; lozing in de bodem: het definitief in de bodem brengen of doen brengen van vloeistoffen; bestaande lozing in de bodem: lozing in de bodem die voor 1 juli 1990 regelmatig plaatsvond in het kader van een op die datum reeds bestaande activiteit en waarvan het aantal lozingseenheden - indien het een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem betreft - sedert 1 juli 1990 met ten hoogste 20 procent is toegenomen; gemiddeld hoogste grondwaterstand: het gemiddeld hoogste niveau van de grondwaterstand gemeten over een tijdvak van ten minste 8 jaar; riolering: een gemeentelijk rioolstelsel; woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid; lozingseenheid: berekeningseenheid voor de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater die per dag in de bodem wordt geloosd; beperkte lozing in de bodem: lozing in de bodem van 10 lozingseenheden of minder per dag; omvangrijke lozing in de bodem: lozing in de bodem van meer dan 10 lozingseenheden per dag; huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden; koelwater: water dat uitsluitend is gebruikt voor koelingsdoeleinden, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd en de concentratie van verontreinigende stoffen in het water niet door een bewerking van het water is toegenomen; overige vloeistoffen: vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater; omgevingsvergunning: artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a Vervallen 2002 604 24-12-2002 06-12-2002 2002 603 17-12-2002 06-12-2002 01-01-2003 [Treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in
werking treedt.]
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem: a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd; d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op: 1. de vochtvoorziening van gewassen; 2. het schoonmaken van gewassen op het veld; 3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen; e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld; f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden; g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen; h. artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie voor zover sprake is van; i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan; j. vervallen; k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie. 2 Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem: a. artikel 8.40 binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond vanter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden; b. artikel 7 van de wet voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtenszijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib; c. vanuit een particulier huishouden; d. Besluit lozen buiten inrichtingen waarop hetvan toepassing is. 2011 153 31-03-2011 16-03-2011 2011 298 23-06-2011 09-06-2011 01-07-2011
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag. 2 Gedeputeerde staten van de provincie waar een lozing in de bodem plaatsvindt, zijn het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft: a. artikel 1.1, derde of vijfde lid, van de Wet milieubeheer artikel 2.4, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht binnen een inrichting die is aangewezen krachtensen waarvoor krachtens, gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag zijn; b. artikel 6.4 van de Waterwet van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een vergunning als bedoeld in; c. die plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld en ten aanzien waarvan niet ingevolge het vierde lid Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. 3 artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Onze Minister is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft binnen een inrichting die is aangewezen krachtensen waarvoor krachtens, Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is. 4 artikel 49 van de Mijnbouwwet artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer artikel 2.4, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 40 van de Mijnbouwwet Onze Minister van Economische Zaken is het bevoegd gezag indien dit besluit bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld ingeheel of gedeeltelijk van toepassing wordt verklaard op mijnbouwwerken als bedoeld in, die krachtensaangewezen inrichtingen zijn, waarvoor op grond van het bepaalde bij of krachtensOnze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is voor de verlening van een omgevingsvergunning, dan wel waarvoor een vergunning krachtensis vereist. 5 artikel 21.5 van de Wet milieubeheer Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde. 6 artikel 6.5 van de Waterwet Het bestuur van het waterschap in wiens beheergebied een lozing in de bodem plaatsvindt, is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een door dat bestuur verleende vergunning als bedoeld in. 2012 179 27-04-2012 16-04-2012 2012 179 27-04-2012 16-04-2012 01-07-2012 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Voor de berekening van het aantal lozingseenheden van een lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem wordt voor de toepassing van dit besluit uitgegaan van: a. 3 lozingseenheden voor een woonruimte; b. 1 lozingseenheid per slaapplaats voor een hotel, pension, kazerne, ziekenhuis, internaat en daarmee gelijk te stellen instellingen; c. artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b of c, van die wet 7 lozingseenheden voor zover een vrijstelling is verleend op grond vanen 4 lozingseenheden voor zover een vrijstelling is verleend op grond van; d. 3 1 lozingseenheid per 50 mwater dat jaarlijks wordt gebruikt in de overige gevallen. 2 artikel 2 Indien meer dan 20 procent van het gebruikte water niet in de bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld in, bepaalt het bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder d, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het is verboden een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te voeren. 2 artikelen 6 tot en met 9 Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt voldaan aan de. 3 Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en b. artikelen 6 tot en met 9 wordt voldaan aan de. 4 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a 1 artikel 5, eerste lid artikel 5, derde lid Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. 2 Artikel 5, vierde lid artikelen 6 tot en met 9 , en dezijn van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 5 Voorafgaand aan een lozing in de bodem als bedoeld inmoet het huishoudelijk afvalwater door een zuiveringssysteem bestaande uit een septic tank worden geleid. 2 artikel 5 Een lozing in de bodem als bedoeld inmoet worden uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed. 3 De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het tweede lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen. 4 Voorafgaande aan de lozing in de bodem moet door middel van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening zijn vastgesteld. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende leidingen moeten van een zodanige constructie zijn en van zodanige materialen zijn vervaardigd, dat zij duurzaam bestand zijn tegen vervorming en corrosie. 2 Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende leidingen moeten zodanig zijn aangelegd en uitgevoerd dat: a. zij te allen tijde bereikbaar zijn, b. alle onderdelen gemakkelijk te herstellen en te vervangen zijn en c. alle vorstgevoelige onderdelen tegen vorst zijn beschermd. 3 Een infiltratievoorziening en de afgesloten onderdelen van een zuiveringssysteem moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat een voldoende en ongehinderde afvoer van gevormde gassen kan plaatsvinden. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Een zuiveringssysteem en de daarmee verbonden leidingen moeten vloeistofdicht zijn uitgevoerd en moeten vloeistofdicht zijn verbonden met een infiltratievoorziening. 2 Een zuiveringssysteem en een infiltratievoorziening moeten in dimensionering en uitvoering op elkaar zijn afgestemd. 3 Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen moeten, zolang zij in gebruik zijn voor lozingen in de bodem, zodanig worden onderhouden, dat hun goede werking gewaarborgd is. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd, of na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 10a — Artikel 10a#
Artikel 10a 1 artikel 5, derde lid bijlage I Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens. 2 artikel 5a Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Het is verboden een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren. 2 Het verbod geldt niet indien de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter. 3 De afstand tot de dichtstbijzijnde riolering als bedoeld in het tweede en vierde lid wordt berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 4 Artikel 5, derde lid artikel 5, derde lid, onder a , is ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde verbod van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in, gestelde voor de toepassing van dit lid wordt vervangen door: de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 11a — Artikel 11a#
Artikel 11a 1 artikel 11, eerste lid artikel 11, vierde lid artikel 5, derde lid Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in, juncto, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. 2 Artikel 11, derde lid , is op het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 artikelen 6 tot en met 9 Met ingang van 1 januari 2005 zijn devoor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 6 tot en met 9 Besluit horecabedrijven milieubeheer In afwijking van het eerste lid zijn devoor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 juli 1995, indien de lozing plaatsvindt bij een horecabedrijf als bedoeld in het. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 10 Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd isvan overeenkomstige toepassing. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikel 11, vierde lid artikel 5, derde lid bijlage I Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in, juncto, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens. 2 artikel 11a artikel 11, eerste lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inbedoelde aanvraag om afwijking van het in, bedoelde verbod. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 Het is verboden een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te voeren. 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien: a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt: - tot 25 lozingseenheden 100 meter - van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter - van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter - van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter, b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden, c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening is vastgesteld en d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van het huishoudelijk afvalwater redelijkerwijs niet mogelijk is. 3 artikelen 15 tot en met 19 Aan een ontheffing worden ten minste de voorschriften verbonden, bedoeld in de. 4 artikel 15 artikel 16 Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in, en van de infiltratievoorziening, bedoeld in, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en b. artikelen 15 tot en met 19 wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de. 5 Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 14a — Artikel 14a#
Artikel 14a 1 artikel 14, eerste lid artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d artikel 14, vierde lid, onder a en b Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in, dan wel in gevallen als bedoeld in. 2 artikel 14, tweede lid artikel 14, derde en vijfde lid artikelen 15 tot en met 19 artikel 14, vierde lid artikel 14, vijfde lid Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, zijn, alsmede devan overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, is, van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 14 Het huishoudelijk afvalwater moet, alvorens een lozing in de bodem als bedoeld inplaatsvindt worden gezuiverd door middel van: a. een opgehoogd infiltratiebedsysteem, b. een opgehoogd filtratiebedsysteem, c. een zandfiltersysteem, d. een oxydatiebedsysteem of e. een biorotorsysteem. 2 Bij toepassing van een opgehoogd infiltratiebed - een opgehoogd filtratiebed - dan wel een zandfiltersysteem moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld en biologisch behandeld. 3 Bij toepassing van een oxydatiebed - dan wel een biorotorsysteem moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld, biologisch behandeld en nabehandeld. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 14 Een lozing in de bodem als bedoeld indient te worden uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed. 2 De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het eerste lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 15 artikel 16 artikelen 7 tot met 9 Met betrekking tot zuiveringssystemen bedoeld inen infiltratievoorzieningen bedoeld inzijn devan overeenkomstige toepassing. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 14 Degene die een lozing in de bodem als bedoeld inuitvoert, moet het zuiveringssysteem vóór in gebruikname en vervolgens tenminste eenmaal per twee jaar, door een deskundig bedrijf doen keuren op de goede werking ervan. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid genoemde keuring en het deskundig bedrijf. 3 De schriftelijke resultaten van een keuring als bedoeld in het eerste lid moeten door degene die de lozing in de bodem uitvoert gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 artikel 14 Indien een lozing in de bodem als bedoeld indefinitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd of, na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 artikel 14 artikel 14a artikel 14, eerste lid bijlage I Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld inen bij een inbedoelde aanvraag om afwijking van het in, bedoelde verbod worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 Het is verboden een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren. 2 Het verbod geldt niet indien: a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt: - tot 25 lozingseenheden 100 meter - van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter - van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter - van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter, b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden, c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening is vastgesteld en d. artikelen 15 tot en met 18 artikel 30 wordt voldaan aan de voorschriften, vermeld in de, en de krachtensgestelde nadere eisen. 3 artikel 15 artikel 16 Het bevoegd gezag kan op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssystemen, bedoeld in, en de infiltratievoorziening, bedoeld in, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien: a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d. 4 Artikel 20 is op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid van overeenkomstige toepassing. 5 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 21a — Artikel 21a#
Artikel 21a 1 artikel 21, eerste lid artikel 21, derde lid Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet. 2 artikelen 15 tot en met 20 Dezijn van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 21 Degene die een lozing in de bodem als bedoeld inuitvoert en die voornemens is de gebezigde lozingswijze te wijzigen, geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag. 2 bijlage II bijlage II Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de inbedoelde gegevens. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 artikel 21 artikel 19 Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem als bedoeld inisvan overeenkomstige toepassing. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren. 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 artikel 24, eerste lid Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. 2 Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 Het is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren. 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat: a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en b. bijlage III in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat. 3 artikel 3, vierde lid Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a 1 artikel 25, eerste lid artikel 25, tweede lid, onder a en b Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar. 2 Artikel 25, derde lid artikel 26 , enzijn van overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 artikelen 24 25 Aan een ontheffing als bedoeld in deenworden ten minste voorschriften verbonden met betrekking tot: a. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek moet worden verricht naar de samenstelling van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd en naar de hoedanigheden van de bodem ter plaatse, b. de samenstelling en de hoeveelheid van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd, c. de wijze waarop de lozing in de bodem plaats moet vinden en d. voor zover het geen lozing in de bodem van koelwater betreft, de wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem. 2 bijlage I Bij een aanvraag om een ontheffing worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 artikelen 14, tweede lid 14a, eerste lid artikel 14, tweede lid 21, tweede lid 24a, tweede lid 26 25a, tweede lid 26 26, eerste lid 34, eerste lid artikel 70 van de wet Degene die ingevolge de uitvoering van de,, juncto,,, junctoen, juncto,, dan wel, onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan het bevoegd gezag verzoeken de rechthebbenden een gedoogplicht op te leggen als bedoeld in. 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat: a. de vermelding van de naam en het adres van de aanvrager en de rechthebbenden; b. de vermelding van de plaats waar het onderzoek moet plaatsvinden; c. de vermelding van de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek; d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten. 3 Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken gedeelte van de bodem de in dat lid bedoelde verplichting opleggen. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 6.2 van de Waterwet artikel 66 van de wet artikelen 14 24 25 artikelen 14a 24a 25a Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de,, en, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de,, en. 2 artikel 3 Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolgeniet het bevoegd gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de onderwerpen bedoeld in het eerste lid. 2009 535 15-12-2009 02-12-2009 2009 549 18-12-2009 10-12-2009 22-12-2009
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 artikelen 14 24 25 14a 24a 25a In gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de,of, onderscheidenlijk,ofwordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, wordt desgevraagd met de betrokken lidstaat overleg gevoerd alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 de artikelen 14, derde lid 15 tot en met 19 21, tweede lid, onder d, en 23 en 26, eerste lid Het bevoegd gezag kan, ten aanzien van de voorschriften, bedoeld in,,, nadere eisen stellen. Degene tot wie een nadere eis wordt gericht, is verplicht daaraan te voldoen. 2 artikelen 14a, tweede lid 24a, tweede lid 25a, tweede lid Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van voorschriften, gesteld krachtens de,, of. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikelen 11 13 21 15 tot en met 18 22 23 De,,juncto,enzijn niet van toepassing gedurende drie jaar na 1 juli 1990. 2 artikelen 24 tot en met 26 Dezijn, voor zover deze betrekking hebben op bestaande lozingen in de bodem, niet van toepassing gedurende twee jaar na 1 juli 1990. 3 artikel 24 artikel 25 Indien binnen de in het tweede lid bedoelde periode een verzoek om ontheffing als bedoeld inofis ingediend, gelden de onderscheidenlijk in die artikelen gestelde verboden niet tot 3 maanden nadat het besluit, waarbij op dat verzoek is beslist, van kracht is geworden. 4 artikelen 25 26 Deenzijn gedurende twee jaar na 1 juli 1990 niet van toepassing met betrekking tot lozingen in de bodem tengevolge van de substraatteelt binnen inrichtingen, die tot een in het Hinderbesluit (Stb. 1980, 445) aangewezen categorie behoren. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 21, tweede lid, onder a en b Degene die een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uitvoert, die voldoet aan de vereisten vermeld in, dient binnen drie jaar na 1 juli 1990: a. een onderzoek, verricht met grondboringen, overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, te doen uitvoeren naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening en b. van deze lozing in de bodem een kennisgeving te doen aan het bevoegd gezag. 2 bijlage II bijlage II Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorendezijn aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de inbedoelde gegevens. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de krachtens het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) vastgestelde regels en andere besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten, vastgesteld met toepassing van dit besluit. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 Het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) wordt ingetrokken. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit bodembescherming. 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 1997 649 18-12-1997 08-12-1997 15-01-1998
Artikel 5#
artikelen 5
Artikel 5a#
5a
Artikel 11#
11
Artikel 11a#
11a
Artikel 14#
14
Artikel 14a#
14a
Artikel 21#
21
Artikel 21a#
21a
Artikel 24#
24
Artikel 24a#
24a
Artikel 25#
25
Artikel 25a#
25a
Artikel 5#
artikelen 5
Artikel 11#
11
Artikel 14#
14
Artikel 21#
21
Artikel 24#
24
Artikel 25#
25
Artikel 5a#
artikelen 5a
Artikel 11a#
11a
Artikel 14a#
14a
Artikel 21a#
21a
Artikel 24a#
24a
Artikel 25a#
25a
Artikel 14#
artikel 14, tweede lid
Artikel 14a#
artikel 14a, tweede lid
Artikel 5#
artikel 5, derde lid
Artikel 11#
artikel 11, vierde lid
Artikel 5a#
artikel 5a, eerste lid
Artikel 11a#
artikel 11a, eerste lid
Artikel 14#
artikel 14, vierde lid
Artikel 21#
21, derde lid
Artikel 14a#
artikel 14a, tweede lid
Artikel 21a#
artikel 21a, eerste lid
Artikel 24#
artikel 24
Artikel 24a#
artikel 24a
Artikel 25#
artikel 25
Artikel 25a#
artikel 25a
Artikel 4#
artikel 4
Artikel 4#
artikel 4
Artikel 22#
artikelen 22
Artikel 34#
34
Artikel 22#
artikelen 22
Artikel 34#
34
Artikel 4#
artikel 4
Artikel 21#
artikel 21, tweede lid, onder c
Artikel 34#
artikel 34, eerste lid, onder a
Artikel 25#
artikel 25, tweede lid, onder b