Besluit van 18 oktober 2001, houdende regels voor voorzieningen en installaties (Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer)
- BWB-id
- BWBR0012897
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2007-10-17 t/m 2007-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0012897
- ELI
- /eli/nl/amvb/2001/besluit-voorzieningen-en-installaties-milieubeheer
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2001/besluit-voorzieningen-en-installaties-milieubeheer/2007-10-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0012897&g=2007-10-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0012897&z=2026-06-06&g=2007-10-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0012897/2007-10-17
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2001/besluit-voorzieningen-en-installaties-milieubeheer
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 1 van de Wet geluidhinder andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in; b. artikel 2 bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in; c. artikel 8.1 van de Wet milieubeheer vergunning: vergunning die is verleend krachtens; d. bijlage 1 bijlage 1 : de bij dit besluit behorende; e. bijlage 2 bijlage 2 : de bij dit besluit behorende; f. bijlage 3 bijlage 3 : de bij dit besluit behorende; g. artikel 2 inrichting type A: inrichting als bedoeld in, niet zijnde een inrichting type B of een inrichting type C; h. artikel 2 artikel 8.40 van de Wet milieubeheer inrichting type B: onderdeel van een inrichting als bedoeld in, voor welke inrichting een andere algemene maatregel van bestuur als bedoeld ingeldt; i. artikel 2 artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer inrichting type C: onderdeel van een inrichting als bedoeld in, voor welke inrichting het ingestelde verbod blijft gelden; j. brandbare vloeistof: vloeistof of een verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55 °C of hoger (K3-vloeistof); k. Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens hetis ingedeeld in een categorie als bedoeld in; l. propaan: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voorzover de dampspanning bij 343 K (70 °C) ten hoogste 3 100 kPa (31 bar) bedraagt; m. artikelen 26 28 van de Wet op de accijns vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in deen; n. Besluit inzamelen afvalstoffen afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het; o. gasfles: cilindrische drukhouder, voorzien van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter, die bedoeld is voor meermalig gebruik en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter; p. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning: 1°. artikel 2 behorende bij een inrichting als bedoeld in, of 2°. die op een bedrijventerrein is gelegen met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare; q. artikel 1 van de Wet geluidhinder geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in; r. warmtekrachtinstallatie: installatie toegerust voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend; s. piekniveau (LAmax): maximaal geluidniveau gemeten in de meterstand« F» of «fast»; t. Vuurwerkbesluit vuurwerk: vuurwerk in de zin van het. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Dit besluit is van toepassing op een inrichting of een onderdeel daarvan, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: a. het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voorzover: 1°. 0 0 3 3 de ontwerpcapaciteit meer dan 10 Nm/h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van meer dan 20 kPa en een maximale inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 1 600 kPa, of de ontwerpcapaciteit meer dan 650 Nm/h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 20 kPa, of de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt, 2°. geen odorisatie-apparatuur aanwezig is, 3°. geen antivries-injectie-apparatuur aanwezig is, 4°. geen expansieturbine aanwezig is, 5°. 0 3 3 het geen ondergronds of gedeeltelijk ondergronds station betreft waarvan de nominale ontwerpcapaciteit meer dan 6 000 Nm/h bedraagt, de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt of de inhoud van de behuizing meer dan 15mbedraagt; b. het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, voorzover: 1°. de installatie geen groter nominaal elektrisch vermogen heeft dan 10 MW, 2°. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt; c. het verstoken van brandstoffen voor verwarmingsdoeleinden, voorzover: 1°. de stookinstallatie voor verwarming geen groter thermisch vermogen heeft dan 7 500 kW per toestel, 2°. ten behoeve van de stookinstallatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie wordt gebruikt, 3°. het verstoken van brandstoffen niet geschiedt in een inrichting type B of C; d. het tot stand brengen en in bedrijf houden van verbindingen ten behoeve van het transport van spraak, data en beeld door middel van telecommunicatie-apparatuur, voorzover niet van installaties voor de omzetting van die elektrische energie in stralingsenergie gebruik wordt gemaakt; e. het omzetten van windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines, voorzover: 1°. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast, 2°. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor, 3°. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en 4°. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW; f. het doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van rioolwater, hemelwater of oppervlaktewater of water ten behoeve van verwarmings- of koelingsdoeleinden, alsmede het onttrekken, zuiveren, doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van grondwater of oppervlaktewater voor drinkwaterdoeleinden; g. het reinigen van binnen de inrichting vrijgekomen grond of grondwater, voorzover: 1°. geen afvalwater wordt gebracht in het oppervlaktewater, in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam, onderscheidenlijk, 2°. artikel 4 van het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering afvalwater wordt gebracht in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam en waaropvan toepassing is, of h. het bewaren van propaan, voorzover: 1°. 3 het bewaren van propaan geschiedt in bovengrondse reservoirs elk met een inhoud van ten hoogste 13 m, 2°. niet meer dan twee reservoirs binnen de inrichting aanwezig zijn, en 3°. propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van een reservoir, uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken. 2 Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h. 2006 586 30-11-2006 20-10-2006 2006 661 19-12-2006 07-12-2006 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting type A, indien: a. in de inrichting of een onderdeel daarvan één of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn, die kunnen worden gebruikt voor het verstoken van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie; b. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan; c. afvalstoffen worden op- of overgeslagen, die van buiten de inrichting afkomstig zijn, voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit: 1°. 3 van meer dan 35 mvoor de opslag van afvalstoffen, 2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of 3°. 3 van meer dan 1000 mper jaar voor de overslag van afvalstoffen; d. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van: 1°. Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 opslaan in ondergrondse tanks waarop hetvan toepassing is, 2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, of 3°. bijlage 2 bijlage 2 opslaan van stoffen, genoemd in voorschrift 2.1.5 van, voorzover niet meer dan in totaal 10 000 kg van de in voorschrift 2.1.5 vanbedoelde stoffen aanwezig is; e. voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afleveren aan voertuigen die niet in hoofdzaak voor eigen gebruik zijn, van autogas of andere brandstoffen; f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk. 2 artikel 2 artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in, ten aanzien waarvan gedeputeerde staten ingevolgehet bevoegd gezag zijn. 2004 26 29-01-2004 16-01-2004 2004 71 24-02-2004 23-02-2004 25-02-2004
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 bijlage 1 De voorschriften die zijn opgenomen inen 2 gelden voor een ieder die een inrichting type A drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd. 2 bijlage 1 De voorschriften die zijn opgenomen ingelden voor een ieder die een inrichting type B of C drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd. 3 bijlage 1 hoofdstukken 1 8 bijlage 2 hoofdstukken 1 3 artikel 6, elfde lid Indien een voorschrift dat is opgenomen in,tot en met, of,tot en met, inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere middelen wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de in, bedoelde gegevens. Het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot: a. bijlage 1 bijlage 1 de inopgenomen voorschriften ten aanzien van de veiligheid van toestellen en installaties voor warmtekracht, waterwinning, waterbeheer en watertransport, onderzoek naar hinder door slagschaduw of lichtschittering, metingen van emissies naar de lucht of riolering, voorzover dat inis aangegeven, b. bijlage 2 hoofdstuk 4 bijlage 2 de inopgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, lucht, verlichting en opslag, voorzover dat invanis aangegeven, of c. hoofdstuk 4 bijlage 2 bijlage 2 de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van grondstoffen, onderzoek naar bodemverontreiniging, voorzover dat invanis aangegeven, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.7.1 vanbetrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu. 2 De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd. 3 Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Degene die een inrichting type A, B of C opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting type A, B of C en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens. 3 Bij de melding wordt vermeld: a. het adres van de inrichting, b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien degene die de inrichting drijft of zal drijven, een andere persoon is, de naam en het adres van die persoon, c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting, d. de indeling en uitvoering van de inrichting, en e. het tijdstip waarop de inrichting in werking zal zijn, de verandering daarvan gereed zal zijn, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn. 4 artikel 2, eerste lid, onder b of onder e Bij de melding wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in. 5 bijlage 2 Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen of aan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van, kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden. 6 Voorzover het een melding betreft als bedoeld in het tweede lid, is het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek alleen vereist, indien een beoogde uitbreiding of verandering van de inrichting of het veranderen van de werking daarvan naar verwachting van nadelige invloed kan zijn op de geluidbelasting die door de inrichting wordt veroorzaakt. 7 bijlage 2 artikel 2, eerste lid, onder e Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek niet is vereist, indien het aannemelijk is dat het geluidniveau en het piekniveau veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van. Voor een inrichting als bedoeld onder, is een akoestisch onderzoek niet vereist, indien de afstand van een windturbine tot de dichtstbijzijnde woning meer bedraagt dan 100 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 20 meter en tot 30 meter; 200 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 30 meter en tot 50 meter, en 300 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 50 meter. 8 artikel 2, eerste lid, onder g Bij de melding wordt tevens een rapport met betrekking tot emissies naar de lucht en het water gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in. Uit dit rapport moet blijken welke emissies naar de lucht en het water optreden en welke voorzieningen zijn getroffen om deze emissies te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. 9 De in het derde tot en met vijfde lid en achtste lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, indien het bevoegd gezag over die gegevens beschikt. 10 Degene die de melding doet, geeft bij de melding aan welke van de ingevolge dit artikel over te leggen gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft. 11 artikel 4, derde lid Bij de melding overeenkomstig, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de volgens die melding toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 8.1 van de Wet milieubeheer Een voor een inrichting waarvan een inrichting type C onderdeel uitmaakt, krachtensverleende vergunning, geldt ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voorzover dit oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking betrekking heeft op het drijven van die inrichting type C. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 5 artikel 5, eerste lid, onder a of b Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in. 2 artikel 5 artikel 5, eerste lid, onder a of b De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft. 2 Artikel 6, derde tot en met tiende lid De melding geschiedt binnen twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt., is van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 6 Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting is ingediend en waarop dit besluit op de inrichting van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Wijzigt het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Wijzigt het Besluit tankstations milieubeheer. . 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Wijzigt het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. . 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Wijzigt het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Wijzigt het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 Het Besluit opslag propaan milieubeheer , het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer , het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer worden ingetrokken. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2001. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 2001 487 30-10-2001 18-10-2001 01-12-2001