Besluit van 20 december 2000, houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
- BWB-id
- BWBR0012066
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0012066
- ELI
- /eli/nl/amvb/2001/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2001/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0012066&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0012066&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0012066/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2001/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001
Artikel 1 — Artikel 1 Reikwijdte en definitie#
Artikel 1 Reikwijdte en definitie 1 artikelen 1.7 2.6 3.11 3.18 3.20 3.54 3.83 3.126 3.126a 3.127 4.14b 4.21 4.25 5.7 5.20 5.22 5.23 6.1 6.16 6.25 7.6 7.8 10.8 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Dit besluit geeft uitvoering aan de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,enen aan. 2 Wet inkomstenbelasting 2001 Dit besluit verstaat onder wet: de. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 1a — Artikel 1a Pensioenregeling; vrijwillige voortzetting#
Artikel 1a Pensioenregeling; vrijwillige voortzetting 1 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet Een regeling als bedoeld in, die vrijwillig wordt voortgezet nadat de arbeidsverhouding op grond waarvan deelneming aan die pensioenregeling was verplicht is geëindigd, wordt, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, als een zodanige pensioenregeling aangemerkt, ingeval: a. de regeling ten hoogste tien jaar vrijwillig wordt voortgezet; b. artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet gedurende de vrijwillige voorzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in, in de vijf aan het eerste dienstjaar van vrijwillige voortzetting voorafgaande kalenderjaren, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan de pensioenregeling; c. artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet onverminderd onderdeel b vanaf het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting als pensioengevend inkomen geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gezamenlijke bedrag van het pensioengevend inkomen, bedoeld in, vermeerderd met het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige in het derde kalenderjaar voorafgaande aan het betreffende dienstjaar. 2 Ingeval de arbeidsverhouding, bedoeld in het eerste lid, is geëindigd als gevolg van arbeidsongeschiktheid, is het eerste lid, onderdelen a en c, niet van toepassing zolang een inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen. 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 01-01-2015
Artikel 2 — Artikel 2 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige#
Artikel 2 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 3 — Artikel 3 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit werk en woning#
Artikel 3 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit werk en woning Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 4 — Artikel 4 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit werk en woning#
Artikel 4 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit werk en woning Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 5 — Artikel 5 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling#
Artikel 5 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 6 — Artikel 6 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling#
Artikel 6 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 7 — Artikel 7 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 7 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 8 — Artikel 8 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit aanmerkelijk belang#
Artikel 8 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit aanmerkelijk belang Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 9 — Artikel 9 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen#
Artikel 9 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 10 — Artikel 10 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij voordeel uit sparen en beleggen#
Artikel 10 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij voordeel uit sparen en beleggen Vervallen 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 2014 579 29-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 11 — Artikel 11 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen#
Artikel 11 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen 1 hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 artikel 10e, tweede lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 hoofdstukken 4 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdstuk 7 van die wet Partieel buitenlandse belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld inkunnen gedurende de looptijd, bedoeld in, kiezen voor toepassing van de regels van deenzoals die volgensgelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht geldt voor het gehele kalenderjaar, maar ten hoogste tot het einde van de looptijd, bedoeld in de eerste zin. 2 De in het eerste lid genoemde keuze kan worden gemaakt en herzien zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat. 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 2018 514 28-12-2018 19-12-2018 01-01-2019
Artikel 11bis — Artikel 11bis artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet Toerekeningsregels; meldingsplicht bij#
Artikel 11bis artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet Toerekeningsregels; meldingsplicht bij 1 artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet Indien de belastingplichtige een vermogensbestanddeel dat ingevolgetevens in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, niet als zodanig in de aangifte heeft vermeld, is hij gehouden daarvan schriftelijk mededeling aan de inspecteur te doen voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden. 2 Het niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig doen van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als een overtreding. 3 artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, van de wet De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de peildatum, bedoeld in, is gelegen. Indien het vermogensbestanddeel, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twaalf jaren na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin. 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 01-01-2017
Artikel 11a — Artikel 11a Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf#
Artikel 11a Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf 1 artikel 3.11, eerste lid, van de wet Op verzoek van de belastingplichtige blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan op hem de vrijstelling vanvan toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet met ingang van een jaar van toepassing wordt. 2 De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar vatbare beschikking vast. 3 artikel 3.11, eerste lid, van de wet De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande datop die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking. 4 artikel 3.63, vierde of vijfde lid, van de wet Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld inmits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige. 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 01-01-2015 Voorheen art. 12.
Artikel 11b — Artikel 11b In aanmerking te nemen kosten en AOW-bedragen#
Artikel 11b In aanmerking te nemen kosten en AOW-bedragen artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet artikel 18a, eerste lid en derde lid, vijfde zin, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 10 10aa van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in, vanzijn deenvan overeenkomstige toepassing. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 11c — Artikel 11c Deeltijd#
Artikel 11c Deeltijd 1 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel a, van de wet artikelen 18a, derde lid 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 Ingeval een belastingplichtige op jaarbasis minder dan 1.750 uren besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij verplicht deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in, wordt voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in, van de, enhet aldaar bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de deeltijdfactor. 2 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder deeltijdfactor verstaan: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren dat de belastingplichtige op jaarbasis besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld inen de noemer door 1.750, waarbij de uitkomst ten hoogste 1 bedraagt. 3 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet Ingeval een belastingplichtige in een kalenderjaar dat is gelegen in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum ten opzichte van het laatste kalenderjaar van de periode die direct voorafgaat aan de eerstgenoemde periode ten hoogste 50% minder uren per jaar besteedt aan werkzaamheden op grond waarvan hij deelneemt aan een pensioenregeling als bedoeld in, mag als pensioengevend inkomen worden aangemerkt: het pensioengevend inkomen, bedoeld in, vermenigvuldigd met de verhouding tussen de deeltijdfactor van het laatstgenoemde kalenderjaar en de deeltijdfactor van het eerstgenoemde kalenderjaar. Ingeval de vorige volzin toepassing vindt, wordt voor de toepassing van het eerste lid als deeltijdfactor in aanmerking genomen: de deeltijdfactor van het in de eerste volzin als tweede genoemde kalenderjaar. 4 Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn onderbroken vanwege zwangerschap of bevalling van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren, bedoeld in het tweede lid, geacht niet te zijn onderbroken. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 11d — Artikel 11d Ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap en bevalling#
Artikel 11d Ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap en bevalling 1 artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet Ingeval het pensioengevend inkomen, bedoeld in, is verlaagd als gevolg van ziekte, arbeidsongeschiktheid of een periode van zwangerschap of bevalling overeenkomstig de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voor vrouwelijke werknemers wordt met het pensioengevend inkomen gelijkgesteld: het gemiddelde pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet, van de belastingplichtige in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan die ziekte, arbeidsongeschiktheid of periode van afwezigheid wegens zwangerschap of bevalling, voor zover de belastingplichtige in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld in. 2 Het ingevolge het eerste lid vastgestelde pensioengevend inkomen mag gedurende de periode van ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschapsverlof of bevallingsverlof worden geïndexeerd met de loonindex in de bedrijfstak waarin de werknemer werkzaam is, dan wel met de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 11e — Artikel 11e Starters#
Artikel 11e Starters 1 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Wet op het notarisambt Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet Gedurende ten hoogste de eerste drie jaar waarin de belastingplichtige anders dan als werknemer deelneemt aan een pensioenregeling op grond van de, deof dewordt met pensioengevend inkomen als bedoeld ingelijkgesteld: een schatting van de belastingplichtige van zijn pensioengevend inkomen in het betreffende jaar van deelname. 2 artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet Artikel 3.95, eerste lid, tweede volzin, van de wet Ingeval de belastingplichtige ter zake van de schatting, bedoeld in het eerste lid, te kwader trouw is, is het eerste lid niet van toepassing en wordt het pensioengevend inkomen gesteld op de in het dienstjaar genoten winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek en vermeerderd met de ten laste van de winst gebrachte premies uit hoofde van een pensioenregeling als bedoeld in, waarbij het pensioengevend inkomen ten minste wordt gesteld op nihil.is van overeenkomstige toepassing. 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 01-01-2015
Artikel 11f — Artikel 11f Laatstgenoten pensioengevend loon#
Artikel 11f Laatstgenoten pensioengevend loon 1 artikel 3.18 van de wet artikelen 18b 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing vanwordt met laatstgenoten pensioengevend loon als bedoeld in deengelijkgesteld: laatstgenoten pensioengevend inkomen. 2 artikel 3.18, vierde lid, onderdeel d, van de wet artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de we Onder laatstgenoten pensioengevend inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het gemiddelde van het pensioengevend inkomen, bedoeld in, van de deelnemer of gewezen deelnemer in de ten hoogste vijf kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar van zijn overlijden, voor zover de deelnemer of gewezen deelnemer in die jaren heeft deelgenomen aan een pensioenregeling als bedoeld int. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 11g — Artikel 11g Buitenlandse aanbieder#
Artikel 11g Buitenlandse aanbieder artikel 3.18, vijfde lid, onderdeel f, van de wet artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19b artikel 3.83, eerste of tweede lid artikel 3.136, derde, vierde of vijfde lid artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikelen 3.135 Voor de overeenkomstige toepassing, bedoeld in, vanwordt voor «de belasting die is verschuldigd door toepassing van, ofwel,, of» gelezen: de belasting die is verschuldigd door toepassing van de, 3.136, eerste tot en met vijfde lid, of 7.2, tweede lid, van de wet. 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 2017 117 27-03-2017 16-03-2017 01-04-2017
Artikel 12bis — Artikel 12bis Belastbare winst uit onderneming; privégebruik auto#
Artikel 12bis Belastbare winst uit onderneming; privégebruik auto 1 artikel 3.20, zesde lid, van de wet Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, bedoeld in, geschiedt door het duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur. 2 De belastingplichtige is gehouden voordat met de bestelauto waarop de verklaring, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft voor privédoeleinden wordt gereden, mede te delen dat hij de verklaring intrekt. 3 De mededeling, bedoeld in het tweede lid, geschiedt door het toezenden van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier aan de inspecteur. 4 Het niet of niet tijdig doen van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, en het niet doen van die mededeling op de in het derde lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding. 5 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen, bedoeld in het vierde lid, vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het doen van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, is ontstaan. 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 01-01-2017
Artikel 12a — Artikel 12a Belastbare winst uit onderneming; aangewezen herstructureringsregelgeving#
Artikel 12a Belastbare winst uit onderneming; aangewezen herstructureringsregelgeving artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de wet Als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak als bedoeld inwordt aangewezen: a. Wet verbod pelsdierhouderij de; b. Subsidieregeling sanering varkenshouderijen de; c. Tijdelijke subsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij, titel 2.1 Ondersteuning voor de sanering van vissersvaartuigen de; d. de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie; e. de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting; f. de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting; g. de Subsidieregeling permanente reductie rechten op de inzet van staand net en zegen in het IJsselmeergebied; h. de provinciale subsidie-instrumenten die uitvoering geven en voldoen aan de voorwaarden van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties; i. Verordening (EU) 2022/2472 de volgende provinciale regelingen die in overeenstemming zijn metvan de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327): 1°. wat betreft de provincie Utrecht: de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht, hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven, artikel 8.1 Subsidiecriteria; 2°. wat betreft de provincie Gelderland: de Regels Subsidieverlening Gelderland 2023, paragraaf 2.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk en paragraaf 2.28 Verplaatsing veehouderij; 3°. wat betreft de provincie Overijssel: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022, paragraaf 4.9 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen; 4°. wat betreft de provincie Fryslân: Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Fryslân 2023; 5°. wat betreft de provincie Groningen: Subsidieregeling agrarische bedrijfsverplaatsing Groningen 2016 (provinciaal blad 2016, nr. 4210). 2025 425 11-12-2025 04-12-2025 2025 425 11-12-2025 04-12-2025 12-12-2025 27-11-2024
Artikel 13 — Artikel 13 Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende situaties#
Artikel 13 Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende situaties artikel 3.83 van de wet De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld inwordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 14 — Artikel 14 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenteverzekering; toegelaten aanbieders#
Artikel 14 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenteverzekering; toegelaten aanbieders 1 artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet Wet op het financieel toezicht Als een lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld inkan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van debevoegd is diensten naar Nederland te verrichten. 2 artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet Als een pensioenfonds als bedoeld inkan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit. 3 artikel 3.124 van de wet artikelen 3.133 3.135 3.136 van de wet Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de,of. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting. 4 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding. 5 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt. 6 artikel 3.126, eerste lid, van de wet Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden bij de verzekeringnemers van de bij deze verzekeraar of dit pensioenfonds gesloten lijfrenteovereenkomsten, dan wel indien een verzekeringnemer is overleden, bij de gerechtigden tot de lijfrenten, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen indien de lijfrenten onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een toegelaten aanbieder als bedoeld in. 7 Onze Minister maakt het aanwijzen als een lichaam als bedoeld in het eerste lid, dan wel het aanwijzen als een pensioenfonds als bedoeld in het tweede lid, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. 2009 615 29-12-2009 23-12-2009 2009 615 29-12-2009 23-12-2009 01-01-2010
Artikel 14a — Artikel 14a Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht; toegelaten aanbieders#
Artikel 14a Uitgaven voor inkomensvoorzieningen via een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht; toegelaten aanbieders 1 artikel 3.126a, tweede lid, onderdeel d, van de wet Wet op het financieel toezicht Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of beleggingsonderneming of als beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten optreedt als bedoeld inkan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van debevoegd is diensten naar Nederland te verrichten. 2 artikel 3.126a van de wet artikelen 3.133 3.135 3.136 van de wet Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden lijfrenterekeningen, onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde lijfrentebeleggingsrechten, bedoeld in, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de overeenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de,of. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting. 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken op het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk van de aanspraken op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht aan de ontvanger, mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding. 4 Artikel 14, vijfde, zesde en zevende lid , is van overeenkomstige toepassing. 2019 516 27-12-2019 18-12-2019 2019 516 27-12-2019 18-12-2019 01-01-2020 01-01-2014
Artikel 15 — Artikel 15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten; waardeaangroei#
Artikel 15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten; waardeaangroei 1 artikel 3.127, eerste en vierde lid, van de wet artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 38s van de Wet op de loonbelasting 1964 Voor de toepassing van, verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld inaan de belastingplichtige een opgave van het bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in de pensioenregeling van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum als bedoeld invoor zover dit bedrag het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar en exclusief de premie voor een compensatie als bedoeld in. 2 artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet artikel 38r van de Wet op de loonbelasting 1964 artikelen 18a, eerste lid 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10a.25, tweede lid, van de wet artikel 5.17, tweede lid, van de wet In afwijking van het eerste lid verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld inaan de belastingplichtige die met toepassing vanpensioen opbouwt een opgave van het bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in de pensioenregeling van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum als bedoeld in de, envoor zover dit bedrag het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat voorafgaande kalenderjaar waarbij de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen premies worden bepaald overeenkomstig, exclusief de premies voor een nettopensioen als bedoeld in. 3 artikelen 3.127, eerste en vierde lid 10a.25, eerste en tweede lid, van de wet artikel 5.17, tweede lid, onderdeel c, van de wet Voor de toepassing van de, enverstrekt de verzekeraar van een nettopensioen, bedoeld in, aan de belastingplichtige een opgave van het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen als bedoeld in artikel 5.17, tweede lid, van de wet betaalde of verrekende premies. 4 De opgave, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt door de verzekeraar binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de ingelegde premies betrekking hebben, aan de belastingplichtige verstrekt. 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025 01-07-2023
Artikel 15bis — Artikel 15bis Vaststelling gezamenlijk maximumbedrag bij aanvang partnerschap#
Artikel 15bis Vaststelling gezamenlijk maximumbedrag bij aanvang partnerschap artikel 4.14a, derde lid, tweede zin, van de wet artikel 15ter Indien het partnerschap in de loop van het kalenderjaar is aangevangen, wordt het gezamenlijke maximumbedrag, bedoeld in, gesteld op het bedrag genoemd in artikel 4.14a, tweede lid, van de wet, vermeerderd met de bedragen die bij de belastingplichtige of zijn partner over een eerdere periode in aanmerking zijn genomen als fictief regulier voordeel als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, van de wet. Indien de belastingplichtige of zijn partner in het kalenderjaar waarin het partnerschap aanvangt eerder een partnerschap heeft gehad, is voor de toepassing van de eerste zinvan overeenkomstige toepassing. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 15ter — Artikel 15ter Vaststelling individueel maximumbedrag bij einde partnerschap#
Artikel 15ter Vaststelling individueel maximumbedrag bij einde partnerschap 1 artikel 4.14a, derde lid, tweede zin, van de wet afdeling 4.3 van de wet Indien het partnerschap in het kalenderjaar is geëindigd, wordt met ingang van dat kalenderjaar het gedeelte van het gezamenlijke maximumbedrag, bedoeld in, dat meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 4.14a, tweede lid, van de wet in het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het partnerschap is geëindigd, gelijkelijk verdeeld tussen de belastingplichtige en zijn gewezen partner. De eerste zin is niet van toepassing indien, de belastingplichtige dan wel de gewezen partner direct na beëindiging van het partnerschap geen aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in. In dat geval wordt bedoeld gedeelte van het maximumbedrag toebedeeld aan degene die na beëindiging van het partnerschap wel een aanmerkelijk belang heeft. 2 artikel 2.17, zevende lid, van de wet In afwijking van het eerste lid kan een andere onderlinge verdeling worden gekozen, indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner of de belastingplichtige en de erfgenamen van zijn gewezen partner bij het doen van aangifte van de belastingplichtige en van de gewezen partner over het kalenderjaar waarin het partnerschap eindigt kiezen voor partnerschap als bedoeld in. 3 artikel 2.17, zevende lid, van de wet artikel 4.14a van de wet Indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner kiezen voor partnerschap als bedoeld in, worden de belastingplichtige en zijn gewezen partner ook voor de toepassing van, geacht het gehele kalenderjaar elkaars partner te zijn geweest. 4 Indien het partnerschap eindigt door emigratie van de belastingplichtige of van zijn partner kan in afwijking van het eerste en tweede lid, indien de belastingplichtige en zijn gewezen partner daar schriftelijk om verzoeken, een andere onderlinge verdeling worden gekozen. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 15a — Artikel 15a artikel 4.21, vijfde lid, van de wet Verkrijgingsprijs bij ingenoemde situaties; verminderen van de conserverende belastingaanslag#
Artikel 15a artikel 4.21, vijfde lid, van de wet Verkrijgingsprijs bij ingenoemde situaties; verminderen van de conserverende belastingaanslag 1 Indien een belastingplichtige krachtens een in het derde lid omschreven titel aandelen of winstbewijzen verkrijgt van een niet in Nederland wonend natuurlijk persoon en eerder ter zake van die aandelen of winstbewijzen een conserverende belastingaanslag is opgelegd waarvoor nog uitstel van betaling loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen gesteld op de overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is uitgegaan voor die conserverende belastingaanslag, verminderd met: a. artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtensnog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; b. artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtenshet uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; c. artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtensde kwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor de kwijtschelding is verleend niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor de kwijtschelding is verleend meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en d. artikel 4.12a van de wet de reguliere voordelen die ingevolgeniet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en vermeerderd met: e. afdeling 7.3 van de wet de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld ingenoot, voor zover blijkt dat die persoon hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en f. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel e, en verminderd met: g. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonend natuurlijk persoon in de periode dat die persoon ter zake van de aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan. 2 Ingeval aan de in het eerste lid bedoelde verkrijging meerdere gebeurtenissen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van het eerste lid als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste gebeurtenis. Ter bepaling van de verkrijgingsprijs wordt deze overdrachtsprijs, verminderd met: a. artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtensnog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslagen voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; b. artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtenshet uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; c. artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtenskwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover de kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en d. artikel 4.12a van de wet de reguliere voordelen die ingevolgeniet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, en vermeerderd met: e. afdeling 7.3 van de wet de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld inhebben genoten, voor zover blijkt dat die personen hierover een naar het inkomen geheven belasting hebben betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en f. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig waren, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel e, en verminderd met: g. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de niet in Nederland wonende natuurlijke personen in de periode dat die personen ter zake van het aanmerkelijk belang niet in Nederland belastingplichtig waren, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan. 3 Een in het eerste lid bedoelde titel betreft: a. een overgang onder algemene titel; b. een overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel; c. een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, of d. een overdracht krachtens schenking. 4 artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Ingeval het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt de in dat lid bedoelde conserverende belastingaanslag door de inspecteur verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor krachtenster zake van de aldaar bedoelde aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering isniet van toepassing. Ingeval het eerste lid in verbinding met het tweede lid toepassing heeft gevonden, vindt de eerste en tweede volzin toepassing met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde conserverende belastingaanslagen. 5 artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 Ingeval het uitstel van betaling op grond vanwordt voortgezet in situaties waarin aandelen of winstbewijzen die aan het verleende uitstel ten grondslag liggen zijn vervangen door andere aandelen of winstbewijzen, worden die andere aandelen of winstbewijzen geacht aan de conserverende belastingaanslag ten grondslag te liggen en wordt de overdrachtsprijs van die andere aandelen of winstbewijzen gelijk te zijn aan de overdrachtsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn vervangen. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 16 — Artikel 16 Vervreemdingsvoordelen; verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht; vaststelling verkrijgingsprijs en verminderen van de belastingaanslag#
Artikel 16 Vervreemdingsvoordelen; verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht; vaststelling verkrijgingsprijs en verminderen van de belastingaanslag 1 artikel 4.21 van de wet Indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest, wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de volgende leden is aangegeven. 2 artikel 4.21 van de wet De verkrijgingsprijs volgenswordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover blijkt dat de belastingplichtige in verband met het gaan wonen in Nederland in het buitenland hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. 3 artikel 4.21 van de wet De verkrijgingsprijs volgenswordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover deze aangroei blijkt te zijn ontstaan in een periode dat de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen in Nederland niet belastingplichtig was en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge het tweede lid. 4 artikel 4.21 van de wet De verkrijgingsprijs volgenswordt verminderd met de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen beneden die verkrijgingsprijs voorzover deze waardedaling is ontstaan in een periode waarin de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was. 5 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h 7.5, zevende lid, van de wet artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Indien, onderscheidenlijk artikeleerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest, wordt de belastingaanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest, verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de belasting waarvoor krachtensnog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering isniet van toepassing. 6 artikel 4.21 van de wet artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h artikel 7.5, zevende lid, van de wet De verkrijgingsprijs volgensvan de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen wordt vermeerderd met de aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid als bedoeld in, tenzij de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens, onderscheidenlijktot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend. 7 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h 7.5, zevende lid, van de wet artikel 4.21 van de wet Indien, onderscheidenlijk artikeleerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de belastingaanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgensvan de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen, vermenigvuldigd met: artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h artikel 7.5, zevende lid, van de wet artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens, onderscheidenlijktot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend. De eerste volzin is mede niet van toepassing voor zover de betalingen zijn gedaan in verband met het beëindigen van het uitstel van betaling op grond van. a. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van die betalingen meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 8 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h 7.5, zevende lid, van de wet 4.21 van de wet Indien, onderscheidenlijk artikeleerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en daarbij sprake was van een negatief vervreemdingsvoordeel, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikelvan de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen verminderd met het aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen negatieve vervreemdingsvoordeel. 9 artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet artikel 4.18 van de wet Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap heeft enten aanzien van dat belang krachtensniet is toegepast toen hij Nederland verliet, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen in afwijking van de voorgaande leden gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de belastingplichtige weer in Nederland is gaan wonen. 10 Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en daartoe aandelen of winstbewijzen behoren die hij krachtens huwelijksvermogensrecht, erfrecht, de verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap, of gift heeft verkregen in een periode dat hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie hij de aandelen of winstbewijzen heeft verkregen ter zake van deze overgang een conserverende belastingaanslag is opgelegd waarvoor op het tijdstip dat de belastingplichtige in Nederland gaat wonen nog uitstel van betaling loopt, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen gesteld op de overdrachtsprijs van die aandelen of winstbewijzen waarvan is uitgegaan voor die conserverende belastingaanslag, verminderd met: artikel 15a, tweede lid Ingeval aan de in de eerste volzin lid bedoelde verkrijging meerdere vervreemdingen vooraf zijn gegaan ter zake waarvan conserverende belastingaanslagen zijn opgelegd waarvan het uitstel van betaling nog loopt, wordt voor de toepassing van de eerste volzin als uitgangspunt genomen de overdrachtsprijs waarvan is uitgegaan voor de laatste vervreemding en worden vervolgens met overeenkomstige toepassing van, de verminderingen en vermeerderingen van de eerste volzin toegepast. Artikel 15a, vierde en vijfde lid , is van overeenkomstige toepassing. a. artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtensnog uitstel van betaling loopt voor bedoelde conserverende belastingaanslag voor zover dit uitstel toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; b. artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtenshet uitstel van betaling is beëindigd voor bedoelde conserverende belastingaanslag, voor zover de beëindiging toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; c. artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 het bedrag waarvoor krachtenskwijtschelding van belasting is verleend op bedoelde conserverende belastingaanslagen, voor zover deze kwijtschelding toerekenbaar is aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige verkrijgt, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en d. artikel 4.12a van de wet de reguliere voordelen die ingevolgeniet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend voor zover deze voordelen toerekenbaar zijn aan de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtige heeft, en vermeerderd met: e. afdeling 7.3 van de wet de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen in de periode dat de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld ingenoot, voor zover blijkt dat de belastingplichtige hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, en f. de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de aangroei in die periode is ontstaan en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge dit lid, onderdeel e, en verminderd met: g. de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen bij de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland belastingplichtig was, voor zover blijkt dat de waardedaling in die periode is ontstaan. 11 artikel 4.21 van de wet Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgensvan het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag, waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 17 — Artikel 17 Vrijstellingen; vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen#
Artikel 17 Vrijstellingen; vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen artikel 5.7 van de wet Onder natuurterreinen als bedoeld inworden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 17bis — Artikel 17bis Vrijstellingen; begrenzing premie nettolijfrente#
Artikel 17bis Vrijstellingen; begrenzing premie nettolijfrente Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 17a — Artikel 17a Waardering woningen; correctie op WOZ-waarde#
Artikel 17a Waardering woningen; correctie op WOZ-waarde 1 artikel 5.20, derde lid, van de wet De waarde, bedoeld in, wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste en tweede lid, van de wet, in aanmerking te nemen waarde (WOZ-waarde) vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. 2 Bij een voor het enkele gebruik van de woning verschuldigde jaarlijkse huur of pacht als percentage van de WOZ-waarde van: meer dan maar niet meer dan bedraagt de leegwaarde ratio 0% 1% 73% 1% 2% 79% 2% 3% 84% 3% 4% 90% 4% 5% 95% 5% – 100% 3 De jaarlijkse huur of pacht, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op twaalf maal de maandelijkse huur, onderscheidenlijk pacht, zoals die geldt aan het begin van het kalenderjaar. 4 artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in, en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid de WOZ-waarde van die woning verlaagd met een bedrag van € 20 000. 5 Indien van een woning een gedeelte verhuurd is, wordt slechts de WOZ-waarde van dat deel vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. Indien de WOZ-waarde van dat deel niet is vastgesteld, wordt deze bepaald door de totale WOZ-waarde van de woning te vermenigvuldigen met de verhuurde vierkante meters en te delen door de totale oppervlakte van de woning. 6 artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken artikel 5.20, derde lid, van de wet Indien de waarde, bedoeld in het eerste lid, ten minste 10% hoger is dan de waarde in het economische verkeer van de woning in verhuurde of verpachte staat op de waardepeildatum, bedoeld in, wordt, in afwijking van het eerste lid, voor de toepassing vanuitgegaan van die waarde in het economische verkeer. 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 01-01-2026 03-04-2015
Artikel 17b — Artikel 17b Waardering woningen; correctie voor erfpachtcanon#
Artikel 17b Waardering woningen; correctie voor erfpachtcanon artikel 5.20, vierde lid, van de wet artikel 17a, vierde lid De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld inwordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in, gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft. 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 2010 885 30-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 18 — Artikel 18 Waardering; waardering genotsrechten#
Artikel 18 Waardering; waardering genotsrechten 1 artikel 5.22, derde lid, van de wet artikel 19 De waarde van een genotsrecht als bedoeld inwordt gesteld op het overeenkomstigtot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid. 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de waardering van het genotsrecht plaatsvindt. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 19 — Artikel 19 Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen#
Artikel 19 Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen 1 De waarde van een levenslange, ingegane periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met: 22, wanneer degene jonger dan 20 jaar is, 22, gedurende wiens 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is, 21, leven de uitkering 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is, 20, moet plaatshebben: 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is, 19, 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is, 18, 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is, 16, 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is, 15, 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is, 13, 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is, 11, 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is, 9, 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is, 8, 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is, 6, 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is, 4, 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is, 3, 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is, 2, 90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is, 1, 95 jaar of ouder is. 2 De waarde van een ingegane periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, en vervolgens voor ieder vijftal jaren of, zo dat minder is, het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, vermenigvuldigd met vijf onderscheidenlijk het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, en vermenigvuldigd met de in de volgende tabel opgenomen factor: De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering levenslang zou zijn. Leeftijdsklasse van genoemde persoon met daaronder de factoren 0–19 20–24 25–29 30–34 35–39 40–44 45–49 50–54 55–59 60–64 65–69 70–74 75–79 80–84 85–89 90–94 95–100 100– het eerste vijftal jaren 0,91 0,91 0,91 0,91 0,90 0,90 0,90 0,89 0,88 0,87 0,84 0,80 0,74 0,65 0,54 0,40 0,27 0,18 het tweede vijftal jaren 0,74 0,74 0,74 0,74 0,74 0,73 0,72 0,70 0,67 0,62 0,54 0,45 0,33 0,20 0,08 0,02 het derde vijftal jaren 0,61 0,61 0,61 0,60 0,59 0,58 0,56 0,53 0,48 0,40 0,30 0,20 0,10 0,03 het vierde vijftal jaren 0,50 0,50 0,49 0,49 0,48 0,46 0,43 0,38 0,31 0,22 0,14 0,06 0,02 het vijfde vijftal jaren 0,41 0,40 0,40 0,39 0,37 0,35 0,30 0,24 0,17 0,10 0,04 0,01 het zesde vijftal jaren 0,33 0,33 0,32 0,30 0,28 0,25 0,20 0,14 0,08 0,03 0,01 het zevende vijftal jaren 0,27 0,26 0,25 0,23 0,20 0,16 0,11 0,06 0,02 het achtste vijftal jaren 0,21 0,20 0,19 0,16 0,13 0,09 0,05 0,02 het negende vijftal jaren 0,17 0,15 0,13 0,11 0,07 0,04 0,01 het tiende vijftal jaren 0,13 0,11 0,09 0,06 0,03 0,01 het elfde vijftal jaren 0,09 0,07 0,05 0,03 0,01 het twaalfde vijftal jaren 0,06 0,04 0,02 0,01 de volgende jaren 0,03 0,02 0,01 3 De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn. 4 De waarde van een periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan, die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn. 5 De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag. 6 De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren: De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag. factor het eerste vijftal jaren 0,91 het tweede vijftal jaren 0,75 het derde vijftal jaren 0,61 het vierde vijftal jaren 0,50 het vijfde vijftal jaren 0,41 het zesde vijftal jaren 0,34 het zevende vijftal jaren 0,28 het achtste vijftal jaren 0,23 het negende vijftal jaren 0,19 het tiende vijftal jaren 0,16 het elfde vijftal jaren 0,13 het twaalfde vijftal jaren 0,11 de volgende jaren 0,09. 7 Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon. 8 Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden: a. van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen; b. van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen. 9 Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag. 10 afdeling 5.4 van de wet Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstiggeschatte waarde van de goederen. 11 De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht. 2005 686 27-12-2005 15-12-2005 2005 686 27-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 19a — Artikel 19a Aangewezen drukkende uitgaven#
Artikel 19a Aangewezen drukkende uitgaven Bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan uitgaven voor specifieke zorgkosten drukt blijven buiten beschouwing: a. artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bijzondere bijstand in de zin vandie, ondanks een aanspraak op deze bijzondere bijstand, niet is genoten en niet wordt genoten; b. artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen artikel 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering artikel 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen artikel 3:75 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten artikel XXXIIID van het Belastingplan 2014 tegemoetkomingen als bedoeld in,,,en. 2015 544 30-12-2015 23-12-2015 2015 544 30-12-2015 23-12-2015 01-01-2016 Artikel XVII van Stb. 2015/544 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 20 — Artikel 20 Definities ernstig gehandicapt en zorgafhankelijk#
Artikel 20 Definities ernstig gehandicapt en zorgafhankelijk 1 artikelen 6.16 6.25 van de wet Wet langdurige zorg Voor de toepassing van deenwordt iemand als ernstig gehandicapt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens degeregelde intramurale inrichting. 2 artikel 6.16 van de wet Voor de toepassing vanwordt iemand als zorgafhankelijk beschouwd indien hij, zo hij niet bij de belastingplichtige zou inwonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp of verzorging in een verzorgingsinrichting of verpleeginrichting. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 20a — Artikel 20a Hulpmiddelen#
Artikel 20a Hulpmiddelen Vervallen 2008 607 30-12-2008 29-12-2008 2008 608 30-12-2008 29-12-2008 01-01-2009
Artikel 21 — Artikel 21 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang; aanpassing verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang#
Artikel 21 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang; aanpassing verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang 1 artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien op grond vanaan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van hem de inbedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen. 2 artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien op grond vanaan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor de bepaling van dat geconserveerd inkomen, wordt ten aanzien van hem de inbedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting, vermenigvuldigd met: a. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 3 artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien op grond vanbij een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen het uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van hem de inbedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd, vermenigvuldigd met: a. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 4 artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtenskwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien door de belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de inbedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen. 5 artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtenskwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen door de belastingplichtige tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor die conserverende belastingaanslag, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de inbedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting, vermenigvuldigd met: a. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zal worden kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 6 artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtenshet uitstel van betaling voor de verschuldigde belasting is beëindigd, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de inbedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd, vermenigvuldigd met: a. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en b. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag waarvoor het uitstel van betaling is beëindigd meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. 7 artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 Het vierde tot en met zesde lid is ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een conserverende belastingaanslag of een beëindiging van het uitstel van betaling van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtensis voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 21bis — Artikel 21bis Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen#
Artikel 21bis Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen 1 artikel 7.8 van de wet Als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld inwordt mede aangemerkt een buitenlandse belastingplichtige die: a. pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet: b. artikel 7.8, zesde lid, van de wet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van; en c. aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd. 2 artikel 7.8, zesde lid, van de wet Een buitenlandse belastingplichtige die in een kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a of onderdeel b en het slot van de eerste volzin van, en die gedurende een deel van dat kalenderjaar als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden in de belastingheffing van die staat of op de BES eilanden wordt betrokken, wordt voor dat deel van het kalenderjaar aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3 artikel 7.8, zesde lid, van de wet Voor de inkomensverklaring, bedoeld in, wordt gebruikgemaakt van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring. 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 2025 451 23-12-2025 19-12-2025 01-01-2026
Artikel 21a — Artikel 21a Als voorheffing aangewezen bronbelasting#
Artikel 21a Als voorheffing aangewezen bronbelasting Vervallen 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 2016 549 29-12-2016 21-12-2016 01-01-2017 01-01-2016
Artikel 22 — Artikel 22 Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen#
Artikel 22 Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen 1 artikel 10.8, eerste lid, van de wet Wet op het financieel toezicht artikel 1 van de Pensioenwet artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 113a van de Wet op het notarisambt Als administratieplichtigen als bedoeld inworden aangewezen: banken, beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners, elektronischgeldinstellingen, financiële instellingen, instellingen voor collectieve belegging in effecten, levensverzekeraars, natura-uitvaartverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van dealsmede pensioenuitvoerders in de zin van, pensioenuitvoerders in de zin vanen de Stichting Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in. 2 artikel 10.8, eerste lid, van de wet Als gegevens en inlichtingen als bedoeld inworden aangewezen: a. met betrekking tot betaalproducten, spaarproducten en beleggingsproducten: 1°. de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar; 2°. de in het kalenderjaar genoten rente; 3°. artikel 3, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de in het kalenderjaar genoten opbrengst, bedoeld in; 4°. de obligatierente die in het kalenderjaar is genoten, alsmede de obligatierente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden; 5°. de in het kalenderjaar ten laste van de belastingplichtige geheven dividendbelasting en ingehouden buitenlandse bronbelasting; b. artikel 3.119a van de wet met betrekking tot schulden als bedoeld in: 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar; 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden; 3°. de datum van aangaan van de schuld; 4°. het startbedrag van de schuld; 5°. de maandelijkse rentevoet aan het einde van het kalenderjaar; 6°. de resterende maximale looptijd in maanden aan het einde van het kalenderjaar; c. artikel 10bis.1 van de wet artikel 5.3 van de wet met betrekking tot schulden als bedoeld inen schulden als bedoeld in: 1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar; 2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden; d. artikel 10bis.2 van de wet met betrekking tot een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in: 1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; 2°. artikel 10bis.4, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de wet indien de verzekering op grond vanin het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop die verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen; 3°. indien over het kalenderjaar gegevens en inlichtingen worden aangeleverd als bedoeld in de subonderdelen 1° of 2°: de in totaal betaalde premies voor de verzekering en het bedrag van een in een eerder kalenderjaar genoten uitkering of, indien in eerdere kalenderjaren meer uitkeringen zijn ontvangen, het gezamenlijke bedrag van de in die eerdere kalenderjaren genoten uitkeringen; e. artikel 10bis.2 met betrekking tot een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning als bedoeld invan de wet: 1°. het in het kalenderjaar gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in het kalenderjaar gedeblokkeerde waarde; 2°. artikel 10bis.5, vierde lid, onderdelen a, b, d, e of f, van de wet indien de spaarrekening of het beleggingsrecht op grond vanin het kalenderjaar wordt geacht te zijn gedeblokkeerd: het tegoed op de spaarrekening onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het beleggingsrecht op het tijdstip waarop die spaarrekening of dat beleggingsrecht wordt geacht te zijn gedeblokkeerd; 3°. indien over het kalenderjaar gegevens en inlichtingen worden aangeleverd als bedoeld in de subonderdelen 1° of 2°: de in totaal overgemaakte bedragen naar de spaarrekening eigen woning of het beleggingsrecht eigen woning en het in een eerder kalenderjaar gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in een eerder kalenderjaar gedeblokkeerde waarde, of, indien in eerdere kalenderjaren meer tegoeden, onderscheidenlijk waarden, zijn gedeblokkeerd, het gezamenlijke bedrag van de in die eerdere kalenderjaren gedeblokkeerde tegoeden, onderscheidenlijk waarden; f. artikelen 3.124 3.125 van de wet met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in deen: 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies; 2°. artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet artikel 3.137 van de wet indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld inof zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van; 3°. artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet de restituties in het kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van; g. artikel 3.126a van de wet met betrekking tot een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in: 1°. de in het kalenderjaar overgemaakte bedragen; 2°. artikel 3.133, achtste lid, van de wet artikel 3.137 van de wet indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld inin samenhang met artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet of zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van; h. artikel 5.10, onderdeel a, van de wet met betrekking tot een recht als bedoeld in: waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; i. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering: 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; 2°. hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voor zover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van, verloren doet gaan; 3°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; 4°. indien over het kalenderjaar gegevens en inlichtingen worden aangeleverd als bedoeld in subonderdeel 3°: de totaal betaalde premies voor de levensverzekering en het bedrag van een in een eerder kalenderjaar genoten uitkering of, indien in eerdere kalenderjaren meer uitkeringen zijn ontvangen, het gezamenlijke bedrag van de in die eerdere kalenderjaren genoten uitkeringen; j. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in onderdeel i: 1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; 2°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; k. artikel 5.10, onderdeel b, van de wet met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering of prestatie uit levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in de onderdelen d, h, i en j en niet zijnde een recht als bedoeld in: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; l. artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de wet met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in: 1°. artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g of i, laatstgenoemd onderdeel in samenhang met het vijfde lid, van de wet artikel 3.137 van de wet indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van; 2°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies; 3°. artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet de restituties in het kalenderjaar van in een of meer eerdere kalenderjaren betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van; m. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, niet zijnde een aanspraak als bedoeld in de onderdelen f, g en l: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; n. artikel 3.18 van de wet met betrekking tot premies als bedoeld in: 1°. het inkomen waarop de over het kalenderjaar verschuldigde pensioenpremie is gebaseerd; 2°. de in rekening gebrachte pensioenpremie over het kalenderjaar; 3°. artikel 11c, tweede lid de deeltijdfactor, bedoeld in; 4°. artikel 11c, derde lid de omstandigheid dat het pensioengevend inkomen van de belastingplichtige is bepaald met toepassing van; 5°. artikel 3.135, eerste lid, van de wet artikel 3.137 van de wet indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de met toepassing vanbepaalde waarde in het economische verkeer van de aanspraak; o. artikel 5.16, tweede lid, van de wet artikel 5.17, tweede lid, van de wet met betrekking tot een nettolijfrente of een nettopensioen als bedoeld in, onderscheidenlijk: 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies; 2°. artikel 5.16c, eerste lid, van de wet artikel 5.17e, eerste lid, van de wet indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in, onderscheidenlijk: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak aan het begin van het kalenderjaar; p. hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in: de omstandigheid, bedoeld in de subonderdelen 1°, 2°, 3° of 4°, die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op lijfrente op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop die omstandigheid zich heeft voorgedaan, indien: 1°. artikel 3.133, derde lid, van de wet zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in; 2°. een uitkering bij leven of overlijden toekomt aan een ander dan een natuurlijk persoon; 3°. de aanspraak op lijfrente wordt beleend of overgedragen tot zekerheid; of 4°. de aanspraak op lijfrente niet langer als zodanig wordt aangemerkt. 3 artikel 10.8, eerste lid, van de wet Als gegevens en inlichtingen als bedoeld inworden mede aangewezen de naam, het adres en de geboortedatum van de belastingplichtige op wie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, betrekking hebben. 4 Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en c, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom. 5 Een administratieplichtige is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze en met een door de inspecteur voorgeschreven frequentie. De gegevens en inlichtingen dienen uiterlijk te worden verstrekt: a. indien de inspecteur maandelijkse aanlevering voorschrijft: de laatste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben; b. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 30 april van dat kalenderjaar; c. indien de inspecteur jaarlijkse aanlevering na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben voorschrijft: 31 januari volgend op dat kalenderjaar. 6 Een administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen achterwege laten indien: a. naar het oordeel van de inspecteur het belang van ontvangst van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning tot verstrekking daarvan door de administratieplichtige; b. naar het oordeel van de inspecteur de administratieplichtige tijdelijk niet in staat is de gegevens en inlichtingen te verstrekken of niet in de gelegenheid is tijdig de gegevens en inlichtingen te verstrekken en de administratieplichtige met de inspecteur een tijdstip is overeengekomen waarop hij geacht wordt daartoe wel weer in staat onderscheidenlijk in de gelegenheid te zijn; c. artikel 5.10, onderdeel a, van de wet de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdelen h en i, onder 1°, lager is dan het bedrag, genoemd in, of d. de gegevens of inlichtingen door de inspecteur zijn aangewezen als van verstrekking vrijgestelde gegevens en inlichtingen en aan de voor die vrijstelling verbonden voorwaarden is voldaan. 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 22a — Artikel 22a Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen; betalingen voor werkzaamheden en diensten#
Artikel 22a Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen; betalingen voor werkzaamheden en diensten 1 artikel 10.8, eerste lid, van de wet Als administratieplichtigen als bedoeld inworden mede aangewezen: a. Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10a, zevende lid, van die wet inhoudingsplichtigen als bedoeld in dedie een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon inzake voor de inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld inverrichte werkzaamheden en diensten; b. artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten collectieve beheersorganisaties als bedoeld indie een of meer betalingen doen aan een natuurlijk persoon als rechthebbende in de zin van artikel 1, onderdeel h, van die wet. 2 Onder een betaling als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een betaling aan een natuurlijk persoon die: a. Wet op de loonbelasting 1964 artikel 5a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel b, van die wet artikel 5b, eerste lid, aanhef en onder 2°, van die wet de werkzaamheden en diensten heeft verricht als werknemer, artiest of beroepssporter als bedoeld in de, als persoon als bedoeld in, als lid van een buitenlands gezelschap als bedoeld in die wet of als persoon als bedoeld in; b. artikel 2, zesde lid, tweede zin, van de Wet op de loonbelasting 1964 de werkzaamheden heeft verricht als vrijwilliger als bedoeld inen de van de administratieplichtige, bedoeld in het eerste lid, ontvangen vergoedingen en verstrekkingen gezamenlijk niet hoger zijn dan de maximumbedragen, bedoeld in artikel 2, zesde lid, eerste zin, van de Wet op de loonbelasting 1964; c. artikel 34c, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 35a, eerste lid, onderdeel j, van die wet ter zake van de werkzaamheden een factuur heeft uitgereikt als bedoeld inmet daarop de vermelding van de omzetbelasting, bedoeld in; of d. een betaling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft ontvangen als erfgerechtigde tot de inkomsten uit een auteursrecht of naburig recht als bedoeld in dat onderdeel. 3 artikel 10.8, eerste lid, van de wet Als gegevens en inlichtingen als bedoeld inworden met betrekking tot de betalingen, bedoeld in het eerste lid, aangewezen: a. de naam, het adres en de geboortedatum van de ontvanger van de betaling; b. de in het kalenderjaar betaalde bedragen, daaronder begrepen kostenvergoedingen. 4 Een administratieplichtige als bedoeld in het eerste lid is gehouden de gegevens en inlichtingen te verstrekken op de door de inspecteur voorgeschreven wijze. De gegevens en inlichtingen dienen jaarlijks na afloop van het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te worden verstrekt op uiterlijk 31 januari volgend op dat kalenderjaar. 5 De inspecteur kan de administratieplichtige de mogelijkheid bieden de gegevens en inlichtingen in afwijking van het vierde lid gedurende het kalenderjaar waarop de gegevens en inlichtingen betrekking hebben te verstrekken. 6 Artikel 22, zesde lid, aanhef en onderdelen a, b en d , is van overeenkomstige toepassing. 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 2024 441 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025 01-01-2022
Artikel 23 — Artikel 23 Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen#
Artikel 23 Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen 1 artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928 De werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet vanals landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders, indien: a. artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928 de werkzaamheden van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als landgoederen in de zin van; b. alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn; c. het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt. 2 Ingeval niet langer aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling van die voorwaarden een einde heeft genomen. 3 Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijkgesteld. 4 De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Artikel 11a, vierde lid hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 , is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waaropvan toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel. 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 2013 569 30-12-2013 18-12-2013 01-01-2015
Artikel 25 — Artikel 25 Overgangsrecht inzake aanmerkelijk belang#
Artikel 25 Overgangsrecht inzake aanmerkelijk belang 1 artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 artikel 7.6 van de wet Indien op grond van, zoals dat op 14 september 2015 luidde, aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, of indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende belastingaanslag is opgelegd en met betrekking tot die belastingaanslag krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat op 14 september 2015 luidde, kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn, bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de inbedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met: a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan die aandelen of winstbewijzen, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van de kwijtschelding meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag. b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden, vermenigvuldigd met: 1°. artikel 2.12 van de wet het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van de inopgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en 2°. het quotiënt van 100% en het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen. 2 artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een kwijtschelding van belasting ter zake van een conserverende belastingaanslag waarvan het uitstel van betaling krachtensis voortgezet bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige. 3 Voor de toepassing van dit besluit worden: a. artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet metgelijkgesteld: artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000; b. artikel 4.18 van de wet metgelijkgesteld: artikel 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000; c. artikel 7.5, zevende lid, van de wet metgelijkgesteld: artikel 49, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000; d. artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 metgelijkgesteld: artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat artikelonderdeel luidde op 31 december 2000; e. artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 metgelijkgesteld: artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990, zoals dat luidde op 10 maart 2004 en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dat luidde op 31 december 2000. 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 2023 511 27-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 25a — Artikel 25a Experimenteerbepaling zelfstandigen#
Artikel 25a Experimenteerbepaling zelfstandigen 1 Artikel 1a, eerste lid artikel 150a van de Pensioenwet , is van overeenkomstige toepassing op de beëindiging van deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in. 2 Artikel 11e artikel 150a van de Pensioenwet is van overeenkomstige toepassing op de deelname aan een pensioenregeling als bedoeld in, met dien verstande dat dit alleen geldt voor het eerste jaar van deelname. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 25b — Artikel 25b Overgangsrecht vrijwillige voortzetting#
Artikel 25b Overgangsrecht vrijwillige voortzetting artikel 1a, eerste lid, onderdeel a artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet artikel 3.8 van de wet In afwijking van, geldt voor de toepassing van artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, een termijn van vijftien jaar indien de arbeidsverhouding op grond waarvan de deelneming aan een pensioenregeling als bedoeld in, was verplicht, is geëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen en voor zover gedurende de periode van vrijwillige voortzetting winst uit onderneming wordt genoten als bedoeld in. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 26 — Artikel 26 Inwerkingtreding#
Artikel 26 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001
Artikel 27 — Artikel 27 Citeertitel#
Artikel 27 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 2000 641 28-12-2000 20-12-2000 01-01-2001