Besluit van 2 april 2002 tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, alsmede tot aanwijzing van omstandigheden en maatregelen als bedoeld in dat artikellid
- BWB-id
- BWBR0013564
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Algemene Zaken
- Geldigheid
- 2002-10-14 t/m 2005-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013564
- ELI
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-locatiespecifieke-omstandigheden-bodemsanering
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-locatiespecifieke-omstandigheden-bodemsanering/2002-10-14
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013564&g=2002-10-14
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013564&z=2026-06-06&g=2002-10-14
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013564/2002-10-14
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2002/besluit-locatiespecifieke-omstandigheden-bodemsanering
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Indien de kosten van de sanering, in verhouding tot de effecten ervan, niet rechtvaardigen dat de sanering zodanig wordt uitgevoerd dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, kan degene die de bodem saneert volstaan met het treffen van maatregelen die leiden tot het isoleren en beheersen van de verontreiniging, alsmede tot het controleren van de effecten van het isoleren en beheersen. 2 De in het eerste lid bedoelde maatregelen leiden er in ieder geval toe: a. indien de verontreiniging zich verspreidt of dreigt te verspreiden: 1°. Dat de verontreiniging zoveel mogelijk wordt verwijderd; 2°. artikel 39 van de Wet bodembescherming voorzover de verontreiniging niet wordt verwijderd: dat zij zich binnen een zo kort mogelijke termijn, doch in ieder geval binnen ten hoogste dertig jaar nadat is begonnen met de uitvoering van het saneringsplan, bedoeld in, niet meer verspreidt of dreigt te verspreiden; b. indien de verontreiniging zich noch verspreidt, noch dreigt te verspreiden: dat de bodem geschikt wordt gemaakt voor het beoogde gebruik. 2002 192 23-04-2002 02-04-2002 2002 500 10-10-2002 01-10-2002 14-10-2002
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Artikel 1 is niet van toepassing op een sanering van: a. de bodem onder oppervlaktewater; b. de kust en oever van oppervlaktewater, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verontreiniging geen gevolgen heeft voor de bodem onder dat water. 2 Indien in geval van een sanering als bedoeld in het eerste lid de milieuhygiënische, technische of financiële omstandigheden niet rechtvaardigen dat de sanering zodanig wordt uitgevoerd dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, kan degene die de bodem saneert volstaan met het treffen van maatregelen die leiden tot het isoleren en beheersen van de verontreiniging, alsmede tot het controleren van de effecten van het isoleren en beheersen. 2002 192 23-04-2002 02-04-2002 2002 500 10-10-2002 01-10-2002 14-10-2002
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2002 192 23-04-2002 02-04-2002 2002 500 10-10-2002 01-10-2002 14-10-2002
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. 2002 192 23-04-2002 02-04-2002 2002 500 10-10-2002 01-10-2002 14-10-2002
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering. 2002 192 23-04-2002 02-04-2002 2002 500 10-10-2002 01-10-2002 14-10-2002