Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak)
- BWB-id
- BWBR0013131
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-10-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013131
- ELI
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-rechtspositie-leden-gerechtsbesturen-en-raad-voor-de
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-rechtspositie-leden-gerechtsbesturen-en-raad-voor-de/2020-10-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013131&g=2020-10-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013131&z=2026-06-06&g=2020-10-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013131/2020-10-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2002/besluit-rechtspositie-leden-gerechtsbesturen-en-raad-voor-de
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk rechterlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld. 2 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 3 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 4 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het derde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51. 5 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een gerechtshof, de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 5 zijn ingedeeld. 6 artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het vijfde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die inin categorie 6 zijn ingedeeld. 7 artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis vanis vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, wordt het salaris behorende bij een in het eerste tot en met zesde lid bedoelde functie vermenigvuldigd met de voor hem als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of lid met rechtspraak belast geldende arbeidsduurfactor. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikel 5 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 5 6 8e van datzelfde besluit artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie artikel 86, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren Voor de toepasselijkheid van het krachtens debepaalde, uitgezonderdonderscheidenlijk de,en, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak gedurende zijn benoemingsduur als rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak onder «salaris» respectievelijk «bezoldiging» verstaan: het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtensonderscheidenlijkontvangt, respectievelijk het salaris in laatstvermelde zin, vermeerderd met de toelagen die bij of krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen waarop hij aanspraak heeft. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak wordt inin plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» gelezen: op grond van artikel 8d. 2 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 7 13 14 15 17, eerste en zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 5 6 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikel 16, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens debepaalde, uitgezonderd de,,,enen de,en, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die na het verstrijken van een benoeming als voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur een toelage als bedoeld inontvangt, onder «salaris» en «bezoldiging» mede die toelage verstaan, met dien verstande dat inin plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» wordt gelezen: op grond van artikel 8d. 2020 361 30-09-2020 25-09-2020 2020 361 30-09-2020 25-09-2020 01-10-2020
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 hoofdstuk 3 artikelen 6e, tweede lid 33c 33h van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren Voor de toepasselijkheid vanen de,enwordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd als lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, onder «rechterlijk ambtenaar» verstaan: rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak. 2 artikel 6 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren Voor de toepasselijkheid vanwordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd als lid van een gerechtsbestuur, onder «rechterlijk ambtenaar» tevens verstaan: rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur. 3 hoofdstuk 3 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren Voor de toepasselijkheid vanwordt ten aanzien van de gewezen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die op de dag voorafgaand aan zijn ontslag als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast tevens als lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak was benoemd, onder «gewezen rechterlijk ambtenaar» verstaan: gewezen rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak. 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Het bestuur van een gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van het niet-rechterlijk lid voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, een afschrift van de vervolgens gedane toekenning aan de Raad voor de rechtspraak. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren artikelen 2i 3 3b 6 6a 6b 6f 7 8b 8d 8e 33i 37b 38 hoofdstuk 4A van dat besluit Ten aanzien van de rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de in hetaan het gerechtsbestuur toegekende bevoegdheden, met uitzondering van die in de,,,,,,,,,,,,enalsmede, uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken rechterlijk lid. 2010 210 15-06-2010 01-06-2010 2010 225 22-06-2010 14-06-2010 01-07-2010
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Vervallen 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak besteedt een keer per jaar aandacht aan het functioneren van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak alsmede aan het functioneren van de afzonderlijke leden daarvan. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast belast is met de vervanging van de voorzitter van het gerechtsbestuur of het andere rechterlijk lid van het gerechtsbestuur wordt, wanneer de vervanging ten minste dertig dagen heeft geduurd, voor de duur van de vervanging door het bestuur van het betrokken gerecht een toelage toegekend. 2 Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan tevens als voorzitter of ander rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 7 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 4.907 per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 2.829 per 23 augustus 2016 en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016: € 1.887 Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat tevens is benoemd als voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, voorzitter van het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht wordt, in plaats van de onkostenvergoeding overeenkomstig, een onkostenvergoeding van € 4702,–, € 2711,–onderscheidenlijk € 1807,–per jaar toegekend. 2 Toekenning van een onkostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid geschiedt door de Raad voor de rechtspraak, uitgezonderd het betrokken lid, onderscheidenlijk, indien het een lid van een gerechtsbestuur betreft, het gerechtsbestuur, uitgezonderd het betrokken lid. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 9a — Artikel 9a#
Artikel 9a 1 artikel 9, eerste lid De persoon, bedoeld in, heeft, wanneer hij voor meer dan 50% van een volledige arbeidsduur ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, maar niet volledig arbeidsongeschikt is, in afwijking van artikel 9, eerste lid, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de ongeschiktheid is aangevangen en het kalenderjaar daaropvolgend, aanspraak op een onkostenvergoeding die een met zijn arbeidsduur overeenkomend deel bedraagt van de vergoeding die hij zou hebben ontvangen indien hij in het geheel niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zou zijn. 2 artikel 9, eerste lid In afwijking van, heeft de persoon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, in geval van volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, na ommekomst van het kalenderjaar volgend op dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, geen aanspraak op een onkostenvergoeding. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 9aa — Artikel 9aa#
Artikel 9aa 1 artikel 9, eerste lid De persoon, bedoeld in, heeft, wanneer aan hem voor zijn volledige arbeidsduur buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof geen aanspraak op een onkostenvergoeding. 2 artikel 9, eerste lid De persoon, bedoeld in, heeft, wanneer aan hem voor 50% of meer van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof, aanspraak op de onkostenvergoeding naar rato van het aantal uren dat hij geen buitengewoon verlof geniet. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 9b — Artikel 9b#
Artikel 9b artikelen 9 tot en met 9aa Bij regeling van Onze Minister kunnen de in degenoemde vergoedingen worden aangepast door middel van toepassing van het geldende prijsindexcijfer, waarbij de bedragen worden afgerond naar de eerstvolgende euro. 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 9ba — Artikel 9ba#
Artikel 9ba artikel 16, eerste lid, vierde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie Voor de toepasselijkheid vanwordt onder de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur verstaan: de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van het gerecht die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaand aan de datum waarop hij zijn werkzaamheden als voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht beëindigt. 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 2012 600 30-11-2012 27-11-2012 01-01-2013
Artikel 9c — Artikel 9c#
Artikel 9c Vervallen 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2001 618 20-12-2001 10-12-2001 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. 2001 618 20-12-2001 10-12-2001 2001 621 20-12-2001 10-12-2001 01-01-2002