Besluit van 22 januari 2002, houdende vaststelling van regels omtrent de toepassing van enige maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek)
- BWB-id
- BWBR0013362
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-07-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0013362
- ELI
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-toepassing-maatregelen-in-het-belang-van-het-onderzo
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2002/besluit-toepassing-maatregelen-in-het-belang-van-het-onderzo/2024-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0013362&g=2024-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0013362&z=2026-06-06&g=2024-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0013362/2024-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2002/besluit-toepassing-maatregelen-in-het-belang-van-het-onderzo
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; b. confrontatie: een onderzoek waarbij het uiterlijk van een verdachte door een getuige wordt geobserveerd om vast te stellen of de verdachte door deze persoon wordt herkend als betrokkene bij een strafbaar feit; c. meervoudige confrontatie: een confrontatie waarbij de verdachte en minimaal vijf andere personen die uiterlijk gelijkenis vertonen met de verdachte, worden getoond; d. geuridentificatieproef: een onderzoek waarbij door een daarvoor gecertificeerde politiespeurhond onder leiding van zijn vaste geleider een geurvergelijking wordt uitgevoerd; e. observatiecel: een cel waarin de ingeslotene permanent kan worden geobserveerd; f. permanente observatie: het stelselmatig waarnemen, al dan niet via technische hulpmiddelen, van het gedrag van een ingeslotene; g. artikel 482a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering artikel 37 37a 37b 38 38m 77s van het Wetboek van Strafrecht gewezen verdachte: een persoon die bij onherroepelijke einduitspraak is vrijgesproken van een misdrijf als bedoeld in, waarbij opzettelijk de dood van een ander is veroorzaakt, dan wel daarvoor is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder dat daarbij een maatregel als bedoeld in,junctoof,ofis opgelegd. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Degene die een bevel geeft tot het maken van een of meer foto’s of video-opnamen kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel. 2010 268 13-07-2010 01-07-2010 2010 268 13-07-2010 01-07-2010 01-10-2010
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Vervallen 2010 268 13-07-2010 01-07-2010 2010 268 13-07-2010 01-07-2010 01-10-2010
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Het maken van een of meer foto’s of video-opnamen geschiedt door daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige personen. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 4a — Artikel 4a#
Artikel 4a 1 Laboratoriumonderzoek op het terrein van handpalmafdrukken, waaronder alle activiteiten vallen die worden uitgevoerd bij het lokaliseren en veiligstellen van handpalmsporen op voorwerpen, alsmede het ontwikkelen, analyseren en interpreteren daarvan, wordt in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande handpalmafdrukken met lidstaten van de Europese Unie slechts uitgevoerd door: a. een in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde aanbieder van laboratoriumactiviteiten op het terrein van onderzoek naar handpalmafdrukken, die daarvoor door de Raad voor Accreditatie of de instantie die in een andere lidstaat op grond van de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 (PbEU 2008, L 218) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 gemachtigd is accreditaties te verlenen, is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025:2015, en deskundig is op het terrein van forensisch onderzoek, of b. een buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde aanbieder van laboratoriumactiviteiten op het terrein van onderzoek naar handpalmafdrukken, die daarvoor door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025:2015, en deskundig is op het terrein van forensisch onderzoek. 2 artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing van, isniet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het eerste lid, onder a. 3 Indien de accreditatie van een aanbieder van laboratoriumactiviteiten als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, is geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, wordt in dit laboratorium niet langer in het kader van de uitwisseling van informatie aangaande handpalmafdrukken met lidstaten van de Europese Unie onderzoek naar handpalmafdrukken verricht. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4b — Artikel 4b#
Artikel 4b 1 Er is een databank met handpalmafdrukken die tot doel heeft het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van lijken te bevorderen. Deze databank bevat slechts de handpalmafdrukken van: a. verdachten, b. veroordeelden, c. gewezen verdachten, d. overleden slachtoffers van misdrijven en e. onbekende verdachten. 2 Onze Minister is verantwoordelijk voor de databank, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 Een landelijke eenheid als bedoeld invoert het beheer over de databank. 4 De handpalmafdrukken die in de databank zijn vastgelegd, kunnen onderling worden vergeleken. 5 In afwijking van het vierde lid worden de in de databank vastgelegde handpalmafdrukken van gewezen verdachten of van onbekende verdachten die in de strafzaak waarin de gewezen verdachte is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, met die handpalmafdrukken overeenkwamen, uitsluitend onderling of met andere met die strafzaak in verband staande handpalmafdrukken van onbekende verdachten vergeleken, indien: a. artikel 482a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering de vergelijking plaatsvindt met het oog op de herziening ten nadele op de inbedoelde grond, en b. de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, opdracht tot de vergelijking heeft gegeven. 6 In geval van toepassing van het vijfde lid geeft de rechter-commissaris die de opdracht tot de vergelijking heeft gegeven de gewezen verdachte, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4c — Artikel 4c#
Artikel 4c 1 Zodra zich een omstandigheid voordoet die meebrengt dat degene wiens handpalmafdrukken zijn verwerkt, niet langer als een verdachte van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, worden zijn handpalmafdrukken vernietigd. 2 artikel 37 37a 37b 38 38m 77s van het Wetboek van Strafrecht Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geëindigd is, een onherroepelijke vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als bedoeld in,junctoof,ofis opgelegd. 3 In afwijking van het eerste lid wordt van het vernietigen van de in deze leden bedoelde handpalmafdrukken afgezien indien degene wiens handpalmafdrukken het betreft, in een andere zaak als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt of in een andere zaak is veroordeeld. 4 Titel VIII van het Derde Boek van de wet artikel 482a, eerste lid, onder a, van de wet In afwijking van het eerste lid wordt van het vernietigen van de handpalmafdrukken afgezien indien degene wiens handpalmafdrukken het betreft, een gewezen verdachte is die niet eerder voor hetzelfde feit in een herzieningsprocedure als bedoeld inis vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De handpalmafdrukken kunnen in dat geval uitsluitend worden geraadpleegd met het oog op een herziening ten nadele op de inbedoelde grond en na toestemming van de rechter-commissaris. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4d — Artikel 4d#
Artikel 4d 1 De handpalmafdrukken van verdachten en veroordeelden worden vernietigd: a. artikelen 351 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering twintig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in deenis gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, b. artikelen 351 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dertig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in deenis gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene, of c. na het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring. 2 artikelen 351 352, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering De termijn van twintig en dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als bedoeld in deenin verband met een ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een ander misdrijf is uitgevaardigd. In dat geval worden de gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat de einduitspraak in verband met dat andere misdrijf is gedaan of de strafbeschikking in verband met dat andere misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan zes jaar dan wel zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld. De eerste twee volzinnen zijn niet van toepassing in het geval op dat andere misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, terwijl op het eerdere misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer was gesteld en van de termijn van dertig jaar nog niet meer dan tien jaar is verstreken. 3 De termijn van dertig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt met twintig jaar verlengd indien de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel langer is dan twintig jaar. Indien de gevangenisstraf levenslang is of de vrijheidsbenemende maatregel de duur van veertig jaar overstijgt, worden de gegevens na tachtig jaar vernietigd. 4 artikelen 241 243 245 tot en met 253 van het Wetboek van Strafrecht In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven als bedoeld in de,enna tachtig jaar vernietigd. 2024 60 27-03-2024 25-03-2024 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet seksuele
misdrijven in werking treedt.
Artikel 4e — Artikel 4e#
Artikel 4e 1 De handpalmafdrukken van gewezen verdachten worden vernietigd: a. artikel 1, onder g twaalf jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in, is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de handpalmafdrukken zijn verwerkt, b. artikel 1, onder g twintig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in, is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de handpalmafdrukken zijn verwerkt, c. artikel 1, onder g artikel 70, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht tachtig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in, is gedaan in verband met een misdrijf dat op grond vanniet aan verjaring onderhevig is, en in het kader van het misdrijf de handpalmafdrukken zijn verwerkt, d. artikel 482a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering wanneer naar het oordeel van de officier van justitie vaststaat dat herziening ten nadele op grond vanuitgesloten is, dan wel e. terstond na het overlijden van betrokkene. 2 De in het eerste lid, onder a, b en c, genoemde termijnen belopen zes, tien, respectievelijk twintig jaar indien de gewezen verdachte ten tijde van het begaan van het feit waarop de rechterlijke uitspraak betrekking heeft de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4f — Artikel 4f#
Artikel 4f 1 De handpalmafdrukken van een overleden slachtoffer worden vernietigd: a. twaalf jaar na verwerking bij een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld; b. twintig jaar na verwerking bij een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, dan wel c. artikel 70, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht tachtig jaar na verwerking bij een misdrijf dat op grond vanniet aan verjaring onderhevig is. 2 De handpalmafdrukken van een onbekende verdachte worden overeenkomstig de termijnen, genoemd in het eerste lid, vernietigd. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4g — Artikel 4g#
Artikel 4g artikel 4c tot en met 4f Met de handpalmafdrukken, bedoeld in, worden tevens de daarbij behorende identificerende persoonsgegevens vernietigd. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 4h — Artikel 4h#
Artikel 4h artikel 8 van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 artikelen 4c 4d 4e, eerste lid, onder a tot en met c en e, en tweede lid 4f De Justitiële Informatiedienst verstrekt de informatie die deze dienst ingevolgevan het openbaar ministerie heeft verkregen, aan een landelijke eenheid als bedoeld in, voor zover die informatie nodig is om te kunnen voldoen aan de,en. Het openbaar ministerie verstrekt aan een landelijke eenheid als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, van de Politiewet 2012 de informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan de artikelen 4e, eerste lid, onder d, en. 2016 171 24-05-2016 04-05-2016 2016 172 24-05-2016 17-05-2016 01-06-2016 Artikel III van Stb. 2016/171 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Degene die een bevel tot een confrontatie geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 2 van de Politiewet 2012 De confrontatie wordt geleid door een daartoe door de korpschef onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige ambtenaar van politie als bedoeld inof een daartoe aangewezen terzake deskundige militair van de Koninklijke marechaussee. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Bij een meervoudige confrontatie in persoon wordt de getoonde selectie fotografisch of op video vastgelegd. 2 De foto's of video-opnamen, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover deze niet bij de processtukken worden gevoegd, bewaard zolang de strafzaak niet onherroepelijk is geëindigd en ter beschikking gehouden voor het onderzoek. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De leider van de confrontatie beschrijft de voorbereiding, gevolgde werkwijze en de procedure. De beschrijving wordt vastgelegd in een proces-verbaal of een rapport en gevoegd bij het in het derde lid bedoelde proces-verbaal. 2 Het feitelijk tonen van de te observeren selectie geschiedt door een opsporingsambtenaar die niet weet wie van de getoonde personen de verdachte is. 3 De in het tweede lid bedoelde opsporingsambtenaar maakt een proces-verbaal op waarin in elk geval melding wordt gemaakt van: a. de tijdsduur tot het moment van wel of niet herkenning; b. de verbale en non-verbale reacties van de getuige; c. de woordelijke verklaring van de getuige omtrent het wel of niet herkennen van een persoon als betrokkene bij het strafbare feit; d. het antwoord van de getuige op de vraag of hij iemand uit de getoonde selectie heeft herkend vanuit een andere situatie. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 8, eerste lid De officier van justitie en de raadsman van de verdachte worden in de gelegenheid gesteld de uitvoering van een meervoudige confrontatie te volgen en worden in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, een en ander zonder dat de meervoudige confrontatie daardoor mag worden opgehouden. De gemaakte opmerkingen worden opgenomen in het in, bedoelde proces-verbaal of rapport. 2017 29 09-02-2017 26-01-2017 2017 66 27-02-2017 20-02-2017 01-03-2017
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Indien ten behoeve van een confrontatie een bevel is gegeven tot het afscheren of afknippen van snor, baard of hoofdhaar wordt het daarbij verwijderde haar vernietigd. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Degene die een bevel tot een geuridentificatieproef geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 24, derde lid, van het Besluit bewapening en uitrusting politie De geuridentificatieproef wordt uitgevoerd door een combinatie van een geleider en een politiespeurhond die in het bezit is van een krachtensverstrekt certificaat voor de geuridentificatie. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 9 van de Regeling politiespeurhonden 1997 Als helper bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef kunnen optreden opsporingsambtenaren die in het bezit zijn van een getuigschrift helper geuridentificatieproeven of politiespeurhondengeleiders die in het bezit zijn van een krachtensverstrekt certificaat inzake de geuridentificatie. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 artikel 13 artikel 12 De helper, bedoeld in, en de geleider, bedoeld in, maken van de geuridentificatieproef een proces-verbaal op, waarin in elk geval wordt opgenomen: a. een verslag van de helper omtrent de gevolgde procedure; b. de naam van de verdachte; c. de naam en de hoedanigheid van de helper, de begeleider en de speurhond; d. een beschrijving van het voorwerp; e. een beschrijving van het gedrag en de werkwijze van de speurhond alsmede het eindresultaat van de proef. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 1 artikel 61a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering De maatregel tot plaatsing in een observatiecel, bedoeld inwordt alleen toegepast in de gevallen waarin en voor zolang noodzakelijk het gevaar aanwezig is dat de verdachte mogelijk aanwezige sporen onbruikbaar maakt of verwijdert dan wel op andere wijze het onderzoek naar sporen belemmert of bemoeilijkt. 2 Degene die het bevel geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel. 2002 640 24-12-2002 16-12-2002 2002 640 24-12-2002 16-12-2002 25-12-2002
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Van het bevel wordt mededeling gedaan aan de verdachte. Degene die de mededeling doet maakt hiervan proces-verbaal op. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Dit besluit is niet van toepassing op bevelen tot toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek die zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Wetboek van Strafvordering Indien de wet van 1 november 2001 tot wijziging van heten enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Stb. 532) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. 2002 46 07-02-2002 22-01-2002 2002 66 14-02-2002 31-01-2002 26983 01-03-2002 Treedt in werking op het tijdstip waarop Stb. 2001/532 in
werking treedt.