Besluit van 10 oktober 2003 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004)
- BWB-id
- BWBR0015711
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0015711
- ELI
- /eli/nl/amvb/2004/besluit-bijstandverlening-zelfstandigen-2004
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2004/besluit-bijstandverlening-zelfstandigen-2004/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0015711&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0015711&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0015711/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2004/besluit-bijstandverlening-zelfstandigen-2004
Artikel 1 — Artikel 1 Definitiebepalingen#
Artikel 1 Definitiebepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Participatiewet wet:; b. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zelfstandige: de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld indie voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die: 1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan; 2°. artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voldoet aan het urencriterium, bedoeld in, en 3°. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico's daarvan draagt; c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan; d. boekjaar: de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd; e. hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet artikel 6, tweede lid netto inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in, met toepassing van; f. hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de wet artikel 31, derde lid, van de wet artikel 6, tweede lid bruto inkomen: het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in, zonder toepassing vanen; g. hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 3.3 van de wet artikel 46 van de Zorgverzekeringswet jaarnorm: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld inen, verhoogd met de vergoeding, bedoeld inen de verleende bijzondere bijstand; h. artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 34, tweede lid, onderdelen a en e, van de wet totaal vermogen: het vermogen, bedoeld in, zonder aftrek van de aanwezige schulden en zonder de in, bedoelde bezittingen in aanmerking te nemen; i. eigen vermogen: het verschil tussen het totaal vermogen en de aanwezige schulden; j. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht bank: bank als bedoeld in; k. ondernemer in de binnenvaart: de zelfstandige die arbeid verricht door: 1°. het vervoeren of opslaan van goederen met behulp van een schip dat bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen op de Nederlandse binnenwateren, stromen en riviermonden, alsmede op de Dollard, de Waddenzee en het IJsselmeer; 2°. het slepen of duwen van de in onder 1 bedoelde schepen met een boot die blijkens zijn bouw daarvoor is bestemd en niet tevens is ingericht voor het vervoer van goederen. 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 01-01-2015
Artikel 2 — Artikel 2 Kring van rechthebbenden#
Artikel 2 Kring van rechthebbenden 1 Algemene bijstand kan worden verleend aan: a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is; b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is; c. de zelfstandige geboren voor 1 januari 1960, wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen. 2 Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid. 3 Bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking kan gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden worden voortgezet. In een zodanig geval: a. artikelen 9 10 van de wet zijn de, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, enniet van toepassing; b. is de belanghebbende verplicht mee te werken aan door het college aangewezen begeleiding. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 3 — Artikel 3 Bedrag om niet#
Artikel 3 Bedrag om niet 1 artikelen 12 19 21 22 Bijstand in de vorm van een bedrag om niet, waaronder kwijtschelding van rente, als bedoeld in de,,en: a. wordt niet verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 251.233,00; b. wordt, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 59.782, doch minder dan € 251.233,00 slechts verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30 procent van het totaal vermogen. 2 artikel 2, eerste lid, onderdeel c artikelen 12 26 In afwijking van het eerste lid wordt aan de zelfstandige als bedoeld in, bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in deenniet verleend, indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 175.864,00. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 4 — Artikel 4 Forfaitair bedrag#
Artikel 4 Forfaitair bedrag artikel 12 Wet op de loonbelasting 1964 De bijstand die wordt verleend in de vorm van een bedrag om niet met toepassing vanwordt verhoogd met een forfaitair bedrag dat overeenkomt met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent krachtens deinhoudingspichtige is. 2012 677 27-12-2012 20-12-2012 2012 677 27-12-2012 20-12-2012 01-01-2013
Artikel 5 — Artikel 5 Boekjaar#
Artikel 5 Boekjaar De algemene bijstand wordt per boekjaar vastgesteld. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 6 — Artikel 6 Het inkomen#
Artikel 6 Het inkomen 1 artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de wet In afwijking vanwordt bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar. Een teruggave van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als inkomen aangemerkt. 2 per 1 januari 2025: 19 procent Bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige worden de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over inkomen waarover geen loonbelasting is geheven gesteld op 20 procentvan dat inkomen. 2024 42068 23-12-2024 16-12-2024 2024-0000915892 2024 42068 23-12-2024 16-12-2024 2024-0000915892 01-01-2025
Artikel 7 — Artikel 7 Het vermogen#
Artikel 7 Het vermogen Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen, waaronder mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 8 — Artikel 8 Vermogensvaststelling#
Artikel 8 Vermogensvaststelling 1 De voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer. 2 In afwijking van het eerste lid worden de volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd: a. onderhanden werken, halffabrikaten, eindproducten en te velde staande gewassen worden gewaardeerd op basis van de gemaakte kosten, arbeidskosten daaronder begrepen; b. handelsvoorraden en grondstoffen worden gewaardeerd op basis van de aanschaffingswaarde, voor zover nodig gecorrigeerd met een aftrek wegens incourantheid; c. immateriële activa, zoals goodwill en melkquotum worden gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijving; d. levensverzekeringen, die zijn aangegaan voor de financiering van onroerende zaken, worden opgenomen tegen de contante waarde; e. aandelen in coöperaties en inkoopverenigingen alsmede andere vormen van ledenkapitaal worden gewaardeerd op basis van de fiscale boekwaarde; f. land en tuinbouwgrond wordt gewaardeerd op de waarde in verpachte staat. 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is sprake in het geval dat er in meer dan twee opeenvolgende jaren lage opbrengstprijzen zijn verkregen al dan niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden. 4 Onder schulden wordt mede verstaan: a. uit de jaarrekening blijkende schulden wegens niet uitbetaald loon aan kinderen; b. reserveringen in verband met belastingclaims, die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van de bezittingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. 5 Het college laat, indien daartoe aanleiding bestaat, de onroerende zaken taxeren door een taxateur. 6 Het college laat de waarde van de bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 9 — Artikel 9 Het vermogen tezamen met anderen#
Artikel 9 Het vermogen tezamen met anderen Bij de verlening van bijstand aan een zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep tezamen met een of meer anderen uitoefent, wordt onder vermogen mede verstaan het vermogen van die anderen. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 10 — Artikel 10 Vormen van bijstand#
Artikel 10 Vormen van bijstand Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 11 — Artikel 11 Uitbetaling van lening#
Artikel 11 Uitbetaling van lening 1 Algemene bijstand heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. 2 artikel 3 Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige de van toepassing zijnde grens vanniet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 12 — Artikel 12 Definitieve vaststelling netto inkomen#
Artikel 12 Definitieve vaststelling netto inkomen 1 artikel 11, eerste lid Het college neemt een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in, nadat het college het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief heeft vastgesteld. 2 Indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen: a. minder is dan de jaarnorm, wordt ambtshalve voor het verschil bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend, waarbij de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet; b. gelijk is aan de jaarnorm, wordt de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet; c. meer is dan de jaarnorm, kan de bijstand ter grootte van het verschil worden teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 13 — Artikel 13 Handhaving van renteloze lening#
Artikel 13 Handhaving van renteloze lening artikel 12 artikel 3 In afwijking vanwordt, voor zover het eigen vermogen de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd inoverschrijdt, de renteloze geldlening gehandhaafd na afloop van het tijdvak waarin bijstand is verleend. Met ingang van het jaar volgend op het laatste jaar van de bijstandsverlening wordt hierop een jaarlijkse aflossing van ten minste 10 procent voldaan. 2009 267 30-06-2009 25-06-2009 2009 266 30-06-2009 25-06-2009 01-07-2009 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht
in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14 Vormen van bijstandsverlening aan zelfstandigen#
Artikel 14 Vormen van bijstandsverlening aan zelfstandigen 1 Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet. 2 artikel 52, van de wet Een voorschot als bedoeld in, kan geen betrekking hebben op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. 3 artikel 34a, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan personen als bedoeld inmet een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking die arbeid als zelfstandige verrichten of gaan verrichten. 2009 591 30-12-2009 17-12-2009 2009 590 30-12-2009 17-12-2009 01-01-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet tot uitbreiding van de mogelijkheid voorzieningen te verstrekken bij arbeid als zelfstandige (Stb. 2009/589) in werking treedt. 2009 594 30-12-2009 17-12-2009 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bundeling van uitkeringen
inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 2009/593) in werking treedt.
Artikel 15 — Artikel 15 Rentedragende geldlening#
Artikel 15 Rentedragende geldlening Bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het volgende: a. per 1 juli 2009: 8 procent de rente van de geldlening bedraagt 5 procentper jaar gedurende de gehele looptijd van de geldlening; b. de looptijd van de geldlening is ten hoogste tien jaar. 2009 117 29-06-2009 22-06-2009 IVV/FB/2009/12487 2009 117 29-06-2009 22-06-2009 IVV/FB/2009/12487 01-07-2009
Artikel 16 — Artikel 16 Borgtocht#
Artikel 16 Borgtocht Bijstand in de vorm van borgtocht ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend met inachtneming van het volgende: a. de borgtocht heeft geen betrekking op de rente en kosten van die geldlening waarvoor borgtocht wordt aangegaan; b. de looptijd van de geldlening waarvoor borgtocht wordt aangegaan is ten hoogste tien jaar; c. de borgtocht kan alleen worden aangegaan met een bank of een daartoe door het college erkende rechtspersoon, die zonder winstoogmerk kredieten verstrekt aan ondernemers; d. artikelen 40 tot en met 43 het bedrag dat de zelfstandige na uitwinning verschuldigd is, wordt aangemerkt als een lening, waarop devan toepassing zijn; e. uitwinning door de bank kan slechts plaatsvinden na toestemming van het college. 2012 457 12-10-2012 28-09-2012 2012 478 19-10-2012 09-10-2012 01-01-2013
Artikel 17 — Artikel 17 Aflossing schuld#
Artikel 17 Aflossing schuld artikel 2, tweede lid Het college kan bijstand verlenen aan de zelfstandige ter gedeeltelijke of volledige betaling van een bedrijfsschuld, mits de bijstand wordt verleend op grond van. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 17a — Artikel 17a#
Artikel 17a artikel 83, tweede lid, van de wet In afwijking van, duurt een experiment ten hoogste drie jaar. 2025 220 05-09-2025 30-08-2025 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2027
Artikel 18 — Artikel 18 Duur algemene bijstand gevestigde zelfstandigen#
Artikel 18 Duur algemene bijstand gevestigde zelfstandigen artikel 2, eerste lid, onderdeel a Aan een zelfstandige als bedoeld in, wordt gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 19 — Artikel 19 Verlening van bedrag om niet#
Artikel 19 Verlening van bedrag om niet artikel 11 artikel 2, eerste lid, onderdeel a In afwijking vanwordt aan een zelfstandige als bedoeld in, algemene bijstand verleend als een bedrag om niet indien: a. de uitkeringsduur ten hoogste zes maanden is; b. hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 3.3, van de wet de inkomensvorming in het betreffende bedrijf of zelfstandig beroep regelmatig over het jaar verloopt en het inkomen duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld inen, en de verleende bijzondere bijstand; en c. artikel 3, eerste lid het vermogen van de zelfstandige, het bedrag, bedoeld in, niet te boven gaat. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 20 — Artikel 20 Bedrijfskapitaal gevestigde zelfstandige#
Artikel 20 Bedrijfskapitaal gevestigde zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel a Aan een zelfstandige als bedoeld in, kan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht worden verleend tot een bedrag van ten hoogste € 261.048,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 21 — Artikel 21 Kwijtschelding van rente bij geldlening en borgtocht#
Artikel 21 Kwijtschelding van rente bij geldlening en borgtocht 1 artikelen 15 20 artikel 10 De op grond van deenverschuldigde rente wordt ambtshalve kwijtgescholden en reeds betaalde rente terugbetaald, indien het netto inkomen in een of beide boekjaren volgend op het boekjaar van de aanvraag, lager is dan de jaarnorm, tenzij in een boekjaar aan de zelfstandige ook algemene bijstand, bedoeld in, is verleend. Het bedrag is ten hoogste de voor dat boekjaar geldende renteverplichting op grond van artikel 15, doch niet meer dan het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen in het boekjaar. 2 artikelen 16 20 Indien de bijstand is verleend in de vorm van borgtocht op grond van deen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de door de bank verstrekte lening. Het aldus berekende bedrag wordt verstrekt als een bedrag om niet. Aan deze bijstand wordt de voorwaarde verbonden dat deze wordt aangewend ter aflossing of tot rentebetaling op de door de bank verstrekte lening. 3 hoofdstuk II, paragraaf 4 Het bedrag van de op grond van het eerste lid kwijtgescholden of terugbetaalde rente, of het op grond van het tweede lid berekende bedrag om niet, kan tezamen met de over hetzelfde boekjaar verleende bijstand ingevolge, niet meer bedragen dan de jaarnorm. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 22 — Artikel 22 Bedrijfskapitaal om niet gevestigde zelfstandige#
Artikel 22 Bedrijfskapitaal om niet gevestigde zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel a artikel 3, eerste lid artikel 20 hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 3.3, van de wet Bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan aan een zelfstandige als bedoeld in, worden verleend in de vorm van een bedrag om niet tot ten hoogste € 13.052,00, indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld inen, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen de grens genoemd in, niet te boven gaat. Deze bijstand gaat niet samen met bijstand als bedoeld in. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 23 — Artikel 23 Duur algemene bijstand beginnende zelfstandige#
Artikel 23 Duur algemene bijstand beginnende zelfstandige 1 artikel 2, eerste lid, onderdeel b Aan de persoon, bedoeld in, wordt na de beëindiging van de uitkering uit hoofde van werkloosheid gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep. 2 Toekenning van algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt beëindigd zodra het bedrijf of zelfstandig beroep niet meer levensvatbaar is. 3 Het college is bevoegd te onderzoeken of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is, indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 24 — Artikel 24 Bedrijfskapitaal beginnende zelfstandige#
Artikel 24 Bedrijfskapitaal beginnende zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel b Aan een zelfstandige als bedoeld in, kan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal uitsluitend bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of borgtocht worden verleend tot een bedrag van ten hoogste € 48.060,00. Dit bedrag geldt per bedrijf of zelfstandig beroep. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 25 — Artikel 25 Duur algemene bijstand en inkomenseis oudere zelfstandige#
Artikel 25 Duur algemene bijstand en inkomenseis oudere zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel c Aan een zelfstandige als bedoeld in, wordt algemene bijstand verleend voor de duur dat hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep naar verwachting een bruto inkomen zal behalen dat gemiddeld minstens € 10.368,00 per boekjaar bedraagt. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 26 — Artikel 26 Bedrijfskapitaal oudere zelfstandige#
Artikel 26 Bedrijfskapitaal oudere zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel c artikel 3, tweede lid Artikel 13 Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt aan de zelfstandige, bedoeld in, slechts verleend tot ten hoogste € 13.052,00. Deze bijstand wordt verstrekt in de vorm van een bedrag om niet of, voor zover het eigen vermogen meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in, in de vorm van een renteloze lening.is van overeenkomstige toepassing. 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 2025 43553 18-12-2025 10-12-2025 2025-0000238547 01-01-2026
Artikel 27 — Artikel 27 Duur algemene bijstand beëindigende zelfstandige#
Artikel 27 Duur algemene bijstand beëindigende zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel d Aan een zelfstandige als bedoeld in, wordt algemene bijstand verleend gedurende ten hoogste 12 maanden. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 12 maanden is op verzoek van de zelfstandige mogelijk voor zover de beëindiging naar het oordeel van het college een langere termijn noodzakelijk maakt. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 27a — Artikel 27a Bijstand met terugwerkende kracht beëindigende zelfstandige#
Artikel 27a Bijstand met terugwerkende kracht beëindigende zelfstandige artikel 2, eerste lid, onderdeel d artikel 44, vijfde lid, van de wet Aan een zelfstandige als bedoeld in, kan bijstand alleen met terugwerkende kracht worden verleend op grond van, als het bedrijf op het moment van aanvraag nog niet is beëindigd. 2025 220 05-09-2025 30-08-2025 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2027
Artikel 28 — Artikel 28 Duur algemene bijstand arbeidsongeschikte zelfstandige#
Artikel 28 Duur algemene bijstand arbeidsongeschikte zelfstandige Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 29 — Artikel 29 Voorbereidingskosten#
Artikel 29 Voorbereidingskosten 1 artikel 2, derde lid Bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten, bedoeld in, kan worden verleend aan een persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid. 2 Deze bijstand heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. 3 Indien de belanghebbende in aansluiting op de voorbereidingsperiode: a. artikel 17 van de wet geen bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een bedrag om niet, tenzij de belanghebbende niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in, of een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan; b. een bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een rentedragende geldlening. 2011 652 29-12-2011 22-12-2011 2011 651 29-12-2011 22-12-2011 01-01-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II van de Wijzigingswet werk en bijstand, enz. (bevordering deelname aan arbeidsmarkt en vergroting eigen verantwoordelijkheid uitkeringsgerechtigden) (Stb. 2011/650) in werking treedt.
Artikel 30 — Artikel 30 Zelfstandigen in samenwerkingsverband#
Artikel 30 Zelfstandigen in samenwerkingsverband 1 Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, wordt slechts verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de bijstandsverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard door: a. alle vennoten of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep wordt uitgeoefend; b. de besloten vennootschap en de coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid. 2 De eis van aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid geldt niet voor de commanditaire vennoot wiens inbreng uitsluitend uit kapitaal bestaat. 3 Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend aan de vennoot in een maatschap die daar alleen arbeid inbrengt. Deze vennoot behoeft geen hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de aan de andere vennoten verleende bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 31 — Artikel 31 Vennoten en leden#
Artikel 31 Vennoten en leden artikel 30 artikel 21 artikel 2, eerste lid, onderdeel a Op de bijstandsverlening, bedoeld in, isop ieder van de vennoten of leden van overeenkomstige toepassing, mits de zelfstandige is aan te merken als een persoon als bedoeld in. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 32 — Artikel 32 Vermogensgrenzen bij samenwerkingsverbanden#
Artikel 32 Vermogensgrenzen bij samenwerkingsverbanden artikel 3 Indien bijstand wordt verleend aan een zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in een samenwerkingsverband of in de vorm van een rechtspersoon, gelden de bedragen van de vermogensgrenzen, bedoeld in, voor ieder van de vennoten of leden afzonderlijk. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 33 — Artikel 33 Besloten vennootschap of coöperatieve vereniging#
Artikel 33 Besloten vennootschap of coöperatieve vereniging artikel 1, onderdeel e Ten aanzien van de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, wordt onder netto inkomen als bedoeld in, mede verstaan de naar evenredigheid van het aantal zelfstandigen in een boekjaar omgerekende winst van deze rechtspersoon verminderd met de hierover verschuldigde vennootschapsbelasting. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 34 — Artikel 34 Zelfstandigen in het buitenland#
Artikel 34 Zelfstandigen in het buitenland artikel 37 artikel 11, tweede lid De bijstand die met toepassing vanwordt verleend heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Het bepaalde bij en krachtens, is op deze geldlening van overeenkomstige toepassing. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 35 — Artikel 35 De aanvraag#
Artikel 35 De aanvraag 1 De aanvraag wordt ingediend bij het college. 2 Indien het een aanvraag betreft om als zelfstandige bijstand te ontvangen stelt het college binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op bijstand bestaat. 3 Het college kan de termijn bedoeld in het tweede lid verlengen met ten hoogste dertien weken, indien het college niet in staat is tijdig een besluit te nemen. Van de verlenging doet het college mededeling aan de zelfstandige, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor het nemen van een besluit zal verstrijken. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 36 — Artikel 36 Aanvraag bijstand door ondernemers in de binnenvaart zonder woonplaats#
Artikel 36 Aanvraag bijstand door ondernemers in de binnenvaart zonder woonplaats artikel 40, eerste lid, van de wet Indien de ondernemer in de binnenvaart geen woonplaats heeft als bedoeld in, bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de ondernemer in de binnenvaart op het moment van zijn aanvraag zijn feitelijke ligplaats heeft. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 37 — Artikel 37 Aanvraag bijstand door zelfstandigen in het buitenland#
Artikel 37 Aanvraag bijstand door zelfstandigen in het buitenland 1 Bij zeer dringende redenen van tijdelijke aard kan aan de zelfstandige, die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven en die zich uit hoofde van zijn bedrijf of beroep tijdelijk in het buitenland bevindt, door Onze Minister bijstand worden verleend volgens door hem te stellen regels. 2 Hoofdstuk 6, paragraaf 6.5, van de wet hoofdstuk VI , enzijn van toepassing op terugvordering en verhaal van kosten van bijstand die door Onze Minister is verleend, met dien verstande dat het Rijk in plaats van de gemeente treedt. 2013 495 09-12-2013 28-11-2013 2013 494 09-12-2013 28-11-2013 06-01-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisregistratie
personen in werking treedt.
Artikel 38 — Artikel 38 Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en leveren jaarcijfers#
Artikel 38 Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en leveren jaarcijfers 1 Het college legt bij de bijstandsverlening verplichtingen op die het college nodig acht voor een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. 2 De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een administratie te voeren. De zelfstandige legt deze binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar op de volgende wijze over aan het college: a. hoofdstuk II, § 4 artikel 21 uit eigener beweging over ieder boekjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in, of aanspraak kan worden gemaakt op bijstand als bedoeld in; of b. op verzoek van het college. 3 artikelen 9 10 van de wet Ten aanzien van de zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep gedurende ten minste een half jaar niet of nagenoeg niet uitoefent, zijn deenvan toepassing. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 39 — Artikel 39 Verplichtingen verbonden aan de geldlening en borgtocht#
Artikel 39 Verplichtingen verbonden aan de geldlening en borgtocht 1 Het college legt in de beschikking waarin de bijstand wordt toegekend in elk geval vast: a. artikelen 20 24 indien de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een rentedragende geldlening op grond van deof: 1°. de bestemming van de geldlening; 2°. de verplichtingen tot betaling van rente en aflossing alsmede de betalingstermijnen; 3°. artikel 21, eerste lid artikel 41 dat het bedrag van de lening, behoudens in de gevallen waarin, van toepassing is en met inachtneming van, terstond opeisbaar is bij het niet nakomen van de verplichtingen tot betaling van rente en aflossing; b. artikel 16 indien de bijstand wordt verstrekt in de vorm van borgtocht op grond van, dat aan de verplichtingen opgenomen in de leningsovereenkomst met de bank dient te worden voldaan. 2 In de beschikking tot toekenning van de bijstand wordt voorts opgenomen dat het bedrag van de lening terstond opeisbaar is: a. indien zij niet overeenkomstig de bestemming is besteed; b. op het moment dat de zelfstandige het bedrijf of zelfstandig beroep overdraagt of beëindigt; c. ingeval van surséance van betaling of faillissement van de zelfstandige, van één van de vennoten of leden waarmee het bedrijf of zelfstandig beroep in een samenwerkingsverband wordt uitgeoefend, of van de rechtspersoon. 3 Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 40 — Artikel 40 Rente- en aflossingsverplichtingen/aanmaning#
Artikel 40 Rente- en aflossingsverplichtingen/aanmaning Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 41 — Artikel 41 Uitstel van betaling#
Artikel 41 Uitstel van betaling 1 De zelfstandige die geheel of gedeeltelijk niet in staat is aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen, kan een met redenen omkleed verzoek om uitstel van betaling bij het college indienen. 2 Uitstel van aflossing en betaling van rente wordt ten hoogste voor een periode van een jaar verleend. Het college kan zonodig deze periode tweemaal met ten hoogste een jaar verlengen. Over de gehele looptijd van de lening kan maximaal gedurende een aaneengesloten of onderbroken periode van drie jaar uitstel worden verleend. 3 Het uitstel heeft bij voorrang betrekking op de aflossing. De vordering wegens uitstel van betaling van rente is niet rentedragend. 4 Indien blijkt dat de zelfstandige duurzaam niet aan de verplichtingen kan voldoen of, indien de periode van drie jaar bedoeld in het tweede lid is verstreken, zijn de lening en de eventuele achterstallige rente terstond opeisbaar en kunnen deze worden teruggevorderd. 5 Indien blijkt dat de financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd. 6 In de gevallen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, blijft het resterende deel van de lening vanaf het moment van de opeisbaarheid van de lening rentedragend. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 42 — Artikel 42 Schuldregeling#
Artikel 42 Schuldregeling Indien op grond van dit besluit een lening is verstrekt werkt het college mee aan een schuldregeling of aan een akkoord voor zover dit noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep, of dit bij de beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep tot stand kan komen. Deze medewerking wordt slechts verleend indien: a. het gedeelte van de lening dat door gestelde zekerheden wordt gedekt, buiten het akkoord blijft, en b. alle concurrente schuldeisers evenredige medewerking verlenen. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 43 — Artikel 43 Beëindiging bedrijf of zelfstandig beroep#
Artikel 43 Beëindiging bedrijf of zelfstandig beroep 1 artikel 42 Bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep wordt de lening, behoudens in het gevaltoepassing vindt, volledig terugbetaald. Gestelde zekerheden worden volledig uitgewonnen. In afwijking daarvan blijft, op verzoek van de betrokkene en voor zover mogelijk, een lening onder hypothecair verband, verbonden aan de eigen woning met bijbehorend erf, gehandhaafd of wordt deze tot de onbelaste waarde van deze woning gevestigd. 2 hoofdstuk 3, paragrafen 3.2 3.3, van de wet Indien na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep een deel van de lening resteert en deze niet met toepassing van het vorige lid onder hypothecair verband is verleend, kan in het geval van niet verwijtbaarheid het resterende deel van de lening vanaf de beëindiging renteloos worden gemaakt. In het geval van een renteloos gemaakte lening dient gedurende de periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50 procent van het netto inkomen boven de bijstandsnorm, bedoeld inen, besteed te worden voor aflossing van deze lening. 3 artikel 58, tweede lid, onderdeel b, van de wet De lening, die de zelfstandige bij de beëindiging op grond van het eerste lid gehouden is terug te betalen, is een lening als bedoeld in. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 43a — Artikel 43a#
Artikel 43a 1 Bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep vangt de aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening. 2 De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 3 paragraaf 3.4 van de wet Het college stelt het maandbedrag van de aflossing vast aan de hand van het inkomen, bedoeld in, en de noodzakelijke, voor rekening van de zelfstandige en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wijzigt het college het maandbedrag van de aflossing. 4 paragrafen 3.2 3.3 van de wet Bij een inkomen van de zelfstandige en zijn gezin als bedoeld in het derde lid dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in deen, wordt geen aflossing gevergd. 5 Indien de zelfstandige en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 01-01-2015
Artikel 43b — Artikel 43b#
Artikel 43b 1 artikel 43a, derde of vierde lid Indien door toepassing van, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 2 De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. 3 Indien de zelfstandige naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 4 Indien de zelfstandige naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 5 Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. 2011 646 29-12-2011 22-12-2011 2011 645 29-12-2011 22-12-2011 32701 01-01-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Intrekkingswet Wet werk en inkomen kunstenaars in werking treedt.
Artikel 43c — Artikel 43c#
Artikel 43c 1 artikel 43b, vierde lid Bij verkoop van de woning dan wel bij vererving van de woning na het overlijden van de zelfstandige of, indien het een echtpaar betreft, na het overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van, bijgeschreven rente, terstond afgelost. 2 Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. 2011 646 29-12-2011 22-12-2011 2011 645 29-12-2011 22-12-2011 32701 01-01-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Intrekkingswet Wet werk en inkomen kunstenaars in werking treedt.
Artikel 43d — Artikel 43d#
Artikel 43d artikel 43c, eerste lid Aan de zelfstandige of langstlevende echtgenoot, bedoeld in, wordt, telkens na afloop van een kalenderjaar, een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. 2011 646 29-12-2011 22-12-2011 2011 645 29-12-2011 22-12-2011 32701 01-01-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Intrekkingswet Wet werk en inkomen kunstenaars in werking treedt.
Artikel 44 — Artikel 44 Terugvordering#
Artikel 44 Terugvordering Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 45 — Artikel 45 Ten onrechte verleende bijstand#
Artikel 45 Ten onrechte verleende bijstand Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 46 — Artikel 46 Naderhand terugvordering van bijstand#
Artikel 46 Naderhand terugvordering van bijstand Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 47 — Artikel 47 Terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening#
Artikel 47 Terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 48 — Artikel 48 Uitkering verlening algemene bijstand#
Artikel 48 Uitkering verlening algemene bijstand artikel 69, eerste lid, van de wet artikel 2, eerste lid Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering als onderdeel van de uitkering, bedoeld in, voor de kosten van algemene bijstand aan zelfstandigen, bedoeld in. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 49 — Artikel 49 Bekostiging verlening bijstand bedrijfskapitaal#
Artikel 49 Bekostiging verlening bijstand bedrijfskapitaal 1 Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een bedrag van 100% van de lasten van de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, met dien verstande dat Onze Minister in de daaropvolgende vijf jaar in totaal 75% van dit verstrekte bedrag terugvordert van het college, in jaarlijkse stappen van achtereenvolgens 20%, 20%, 15%, 10% en 10%. 2 Onze Minister vordert jaarlijks 75% van de baten van vóór 1 januari 2020 door het college verstrekte bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal terug van het college. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 50 — Artikel 50 Vaststelling lasten en baten van bijstand bedrijfskapitaal#
Artikel 50 Vaststelling lasten en baten van bijstand bedrijfskapitaal 1 artikel 49, eerste lid artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet Onze Minister stelt de lasten van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bedoeld in, en de baten van vóór 1 januari 2020 verstrekt bedrijfskapitaal, bedoeld in artikel 49, tweede lid, vast binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in. 2 artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet De lasten van de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden bij de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, buiten aanmerking gelaten indien deze lasten blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in, als fout of onzeker worden aangemerkt. 3 Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden de lasten en baten van bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ambtshalve door Onze Minister vastgesteld. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 51 — Artikel 51 Reikwijdte paragraaf#
Artikel 51 Reikwijdte paragraaf artikelen 48 tot en met 50 artikel 36 Deze paragraaf is in afwijking van devan toepassing op de vergoeding van de kosten van bijstandsverlening aan ondernemers in de binnenvaart waarvan de bijstand, op grond vanzoals dat luidde op 31 december 2019, wordt verstrekt door het college van de gemeenten Groningen, Zwolle, Nijmegen, Nieuwegein, Amsterdam, Rotterdam, Terneuzen, Geertruidenberg of Maasgouw. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 52 — Artikel 52 Vergoeding#
Artikel 52 Vergoeding 1 Onze Minister vergoedt ten laste van ‘s Rijks kas aan het college: a. 100% van de kosten van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal; b. de kosten van aan derden opgedragen onderzoek inzake verlening van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, voor zover deze kosten een bij ministeriële regeling te bepalen maximumbedrag per onderzoek niet overschrijden. 2 Onder onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan, een bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen taxatie van vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke rapportage, voor zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van dit besluit. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2021
Artikel 53 — Artikel 53 Vaststelling vergoeding#
Artikel 53 Vaststelling vergoeding 1 artikel 52 artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in, vast binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in. 2 artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet De kosten van algemene bijstand, de kosten van de bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, de uitvoeringskosten en de kosten voor onderzoek worden bij de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, buiten aanmerking gelaten indien deze kosten blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in, als fout of onzeker worden aangemerkt. 3 Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt de vergoeding ambtshalve door Onze Minister vastgesteld. 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 54 — Artikel 54 Reikwijdte#
Artikel 54 Reikwijdte Vervallen 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 01-07-2022
Artikel 55 — Artikel 55 Buitentoepassingverklaring van enige bepalingen#
Artikel 55 Buitentoepassingverklaring van enige bepalingen Vervallen 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 01-07-2022
Artikel 56 — Artikel 56 Aanvraag#
Artikel 56 Aanvraag Vervallen 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 01-07-2022
Artikel 57 — Artikel 57 Vermogen#
Artikel 57 Vermogen Vervallen 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 01-07-2022
Artikel 58 — Artikel 58 Vorm van de algemene bijstand#
Artikel 58 Vorm van de algemene bijstand Vervallen 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 01-07-2022
Artikel 59 — Artikel 59 Niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten van onderzoek#
Artikel 59 Niet voor vergoeding in aanmerking komende kosten van onderzoek Vervallen 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 2019 306 30-09-2019 18-09-2019 01-01-2020
Artikel 60 — Artikel 60 Indexering bedragen en herziening percentages#
Artikel 60 Indexering bedragen en herziening percentages 1 artikelen 3 20 22 24 25 26 De bedragen, genoemd in de,,,,en, worden met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar gewijzigd met het percentage waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand oktober daaraan voorafgaand afwijkt van het prijsindexcijfer waarop de laatste vaststelling van de bedragen is gebaseerd. De gewijzigde bedragen worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant. 2 artikel 15 Onze Minister herziet het rentepercentage, genoemd in, voor zover de rente die banken in rekening brengen bij het verstrekken van leningen aan bedrijven, daartoe aanleiding geeft. 3 artikel 6, tweede lid artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet Onze Minister stelt het in, genoemde percentage zodanig vast dat dit gelijk is aan het gemiddeld bedrag dat voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in, nog niet hebben bereikt over de algemene bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene bijstand verhoogd met deze loonbelasting en premies. 2018 404 13-11-2018 18-10-2018 2018 404 13-11-2018 18-10-2018 14-11-2018
Artikel 60a — Artikel 60a Overgangsbepalingen in verband met wijzigingen per 1 januari 2020#
Artikel 60a Overgangsbepalingen in verband met wijzigingen per 1 januari 2020 1 Artikel 2, eerste lid, onderdeel c , zoals dat luidde op 31 december 2019, blijft van toepassing op de zelfstandige die zijn aanvraag uiterlijk 31 december 2019 heeft ingediend. 2 artikelen 20, tweede lid 21, eerste tot en met vierde lid artikel 2, eerste lid, onderdeel a De, en, zoals die luidden op 31 december 2019, blijven van toepassing op de zelfstandige, bedoeld in, die zijn aanvraag om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, uiterlijk 31 december 2019 heeft ingediend. 3 Hoofdstuk VII artikelen 54 58 zoals dat luidde op 31 december 2019, blijft van toepassing op de vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, de vergoeding en de aanvullende uitkering, bedoeld in deen, voor kosten die betrekking hebben op de kalenderjaren gelegen voor het jaar 2020. 2021 438 28-09-2021 22-09-2021 2021 438 28-09-2021 22-09-2021 01-10-2021
Artikel 60aa — Artikel 60aa Overgangsbepaling in verband met tijdelijke afwijkende regels voor instroom tijdens vierde kwartaal 2021#
Artikel 60aa Overgangsbepaling in verband met tijdelijke afwijkende regels voor instroom tijdens vierde kwartaal 2021 hoofdstuk VIIa Indien in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 op grond van, zoals dat luidde tot en met 31 december (Stb. 2021, 438), algemene bijstand is toegekend en met ingang van het tijdstip waarop dit hoofdstuk vervalt, op of na dat tijdstip algemene bijstand op grond van dit besluit is benodigd, wordt hiertoe een nieuwe aanvraag om algemene bijstand ingediend. 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 2022 82 22-02-2022 18-02-2022 23-02-2022 01-01-2022
Artikel 60ab — Artikel 60ab Overgangsbepaling in verband met tijdelijke afwijkende regels voor instroom tijdens eerste kwartaal 2022#
Artikel 60ab Overgangsbepaling in verband met tijdelijke afwijkende regels voor instroom tijdens eerste kwartaal 2022 hoofdstuk VIIa Indien in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 op grond van, zoals ingevoegd bij Besluit van 18 februari 2022 tot wijziging van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 in verband met het verlengen van de tijdelijke regels voor bijstandverlening aan zelfstandigen als gevolg van de verhoogde instroom door de crisis in verband met COVID-19 tot en met maart 2022 (Stb. 2022, 82), algemene bijstand is toegekend en op of na 1 april 2022 algemene bijstand op grond van dit besluit is benodigd: a. wordt hiertoe een nieuwe aanvraag om algemene bijstand ingediend; en b. hoofdstuk VIIa artikelen 11 12 wordt, indien nadien in hetzelfde boekjaar algemene bijstand op grond van dit besluit wordt verleend, de algemene bijstand die op grond van ditis verleend en die betrekking heeft op de kalendermaanden januari, februari of maart 2022 bij de toepassing van deentot het inkomen gerekend. 2022 509 16-12-2022 09-12-2022 2022 509 16-12-2022 09-12-2022 01-01-2023
Artikel 60b — Artikel 60b Grondslag#
Artikel 60b Grondslag artikel 78f van de Participatiewet Dit besluit berust op. 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 2014 348 14-10-2014 06-10-2014 01-01-2015
Artikel 60ba — Artikel 60ba Artikelen Participatiewet niet van toepassing#
Artikel 60ba Artikelen Participatiewet niet van toepassing artikelen 10a tot en met 10h 32, tweede en vijfde lid 34, tweede lid, onderdelen b en d, derde lid 34a 34b 43a 45, eerste en derde lid, van de wet De,,,,,,zijn niet van toepassing bij verlening van bijstand op grond van dit besluit. 2025 220 05-09-2025 30-08-2025 2025 313 29-10-2025 27-10-2025 01-01-2027
Artikel 61 — Artikel 61 Inwerkingtreding#
Artikel 61 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004
Artikel 62 — Artikel 62 Citeertitel#
Artikel 62 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 2003 390 14-10-2003 10-10-2003 01-01-2004