Besluit van 16 december 2004, houdende regeling van uitkeringen aan de provincies op grond van de Wet op de jeugdzorg (Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg)
- BWB-id
- BWBR0017752
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- 2008-01-01 t/m 2008-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0017752
- ELI
- /eli/nl/amvb/2005/tijdelijk-besluit-uitkeringen-jeugdzorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2005/tijdelijk-besluit-uitkeringen-jeugdzorg/2008-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0017752&g=2008-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0017752&z=2026-06-06&g=2008-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0017752/2008-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2005/tijdelijk-besluit-uitkeringen-jeugdzorg
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Wet op de jeugdzorg de wet: de; b. artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet uitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, bedoeld in; c. artikel 37, eerste lid, onder b, van de wet uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende bedragen: a. artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet een bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in, op basis van het aantal minderjarigen voor wie de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt en de daartoe vastgestelde normbedragen, en b. artikel 13 van de Wet op de jeugdhulpverlening artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet artikel 5 van de wet artikel 4 een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de provincies in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet ontvingen op grond vanen het bedrag, bedoeld in, waarbij eerstbedoeld bedrag wordt vermeerderd met een door Onze Ministers vast te stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in, en de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in, voor zover deze tot het tijdstip van inwerkingtreding van de wet werd uitgevoerd door de raad voor de kinderbescherming. 2 De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers. 3 derde lid van artikel 2a Het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden verminderd indien hetvan toepassing is. 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 01-01-2008
Artikel 2a — Artikel 2a#
Artikel 2a 1 artikel 2, eerste lid, onder a Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in, als volgt vast: a. artikel 2, eerste lid, onder a de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken, bedoeld in, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en b. artikel 2, eerste lid, onder a de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken als bedoeld in, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen. 2 artikel 104, eerste lid, van de wet artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt. 3 artikel 32, tweede lid, onder c, van de wet Indien blijkt dat bij de definitieve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal minderjarigen dat bepalend is voor de subsidie aan de stichting door de provincie, bedoeld in, lager is dan de in het eerste lid onder b genoemde aantallen, vindt de definitieve vaststelling plaats op basis van die lagere aantallen. 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 01-01-2008
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikelen 2 2a artikel 2 artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van deen, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in. 2 artikelen 2 2a De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van deen, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar. 3 Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de vaststelling van de behoefte beïnvloeden. 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 01-01-2008
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 artikel 104, tweede lid, van de wet artikel 13 van de Wet op de jeugdhulpverlening artikelen 43 44, eerste lid, van de wet De uitkering zorgaanbod bestaat, onverminderd, uit het bedrag dat de provincie in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet op grond vanontving voor jeugdzorg, waarop thans aanspraak bestaat ingevolge de wet, voor de vertrouwenspersoon voor de cliënten van zorgaanbieders, voor experimenten of de steunfunctie met betrekking tot die jeugdzorg, voor cliëntenorganisaties en voor het verwerken van gegevens, bedoeld in deen. 2 De uitkering zorgaanbod wordt verhoogd met een bedrag uit de in de begroting beschikbaar gestelde gelden voor extra aanbod, volgens bij circulaire van Onze Ministers vast te stellen regels over de verdeling van dit bedrag aan de hand van het aantal jeugdigen in de provincie, het aantal allochtone jeugdigen en het aantal jeugdigen dat behoort tot een eenoudergezin. 3 De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, en onverminderd het tweede lid, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig het eerste en tweede lid, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet. 4 De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door zorgaanbieders te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar. 5 Artikel 3, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 artikel 2 artikel 4 artikel 10 Een uitkering als bedoeld inenwordt verminderd indien de omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in, zodanig is dat van de provincie redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij te verlenen subsidies ten laste brengt van die reserve. 2 artikelen 2 4 De uitkeringen, bedoeld in deenkunnen worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden. Met het oog hierop bepalen Onze Ministers per activiteit welk deel van de uitkeringen, dan wel welk deel van de desbetreffende normbedragen waaruit de uitkering is opgebouwd, in aanmerking zal worden genomen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil en welk deel in verband met de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden en welk deel ongevoelig is voor ontwikkeling van beide. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 artikel 32, eerste lid, tweede volzin, van de wet Een aanvraag van de uitkering bureau jeugdzorg en van de uitkering zorgaanbod wordt gedaan door de toezending van het ontwerp van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in. 2 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bij de aanvraag te voegen gegevens en de wijze waarop deze worden verstrekt. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 artikel 32, tweede lid, onder a, van de wet artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001 Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie, bedoeld in, op de wijze, bedoeld in. 2007 312 11-09-2007 23-08-2007 2007 312 11-09-2007 23-08-2007 12-09-2007 Artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001, de artikelen 24, derde lid, aanhef en onderdeel c, en 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, alsmede de artikelen 3a en 5, vierde lid, van het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten werken voor het eerst ten aanzien van de jaarstukken en de controle op de jaarrekening over het begrotingsjaar 2007.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 2, eerste lid artikel 2a, tweede lid Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat de provincie de gegevens, bedoeld in, heeft overgelegd. De provincie overlegt de gegevens uiterlijk vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar. 2 artikel 4 Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld invast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. 3 De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema. 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 01-01-2008
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikelen 4:49 4:56 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 De provincie vormt een egalisatiereserve jeugdzorg. 2 Het verschil tussen de som van vastgestelde uitkeringen en de vastgestelde subsidies in het jaar waarop de uitkeringen betrekking hebben, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. 3 De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. 4 artikel 4:41, tweede lid, onder c, d, en e, van de Algemene wet bestuursrecht In de gevallen, bedoeld in, is de provincie terzake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de uitkering aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen. 5 De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed voor een van de doeleinden waarvoor de uitkeringen zijn verstrekt. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 7 De provincie draagt er zorg voor dat de accountant, bedoeld in, meewerkt aan door of namens Onze Ministers in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Onze Ministers kunnen voorschotten verlenen volgens een door hen vastgesteld schema. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 2, eerste lid, onder a artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet In afwijking van, is het bedrag voor de uitvoering van de taken bedoeld in, voor de uitkering voor het jaar 2005 gebaseerd op het aantal minderjarigen waarvoor de als voogdij- of gezinsvoogdij-instelling erkende rechtspersoon, waarvan de stichting de rechtsopvolger is, op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, een of meer van de taken, bedoeld in die onderdelen, heeft uitgevoerd. 2 artikel 2, eerste lid, onder a artikel 8 Voor het jaar 2005 wordt de vaststelling van de uitkering bureau jeugdzorg voorafgegaan door een verlening. Bij de verlening wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bepaald overeenkomstig. De uitkering wordt, in afwijking van, vastgesteld uiterlijk dertien weken nadat de provincie de gegevens, omtrent het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid aan Onze Ministers heeft overgelegd. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2009. 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 2007 515 19-12-2007 10-12-2007 01-01-2008
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg. 2004 704 28-12-2004 16-12-2004 2005 161 29-03-2005 14-03-2005 30-03-2005 01-01-2005