Besluit van 16 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg)
- BWB-id
- BWBR0017751
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- 2014-11-15 t/m 2014-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0017751
- ELI
- /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wet-op-de-jeugdzorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wet-op-de-jeugdzorg/2014-11-15
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0017751&g=2014-11-15
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0017751&z=2026-06-06&g=2014-11-15
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0017751/2014-11-15
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wet-op-de-jeugdzorg
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanvrager: degene die de aanvraag indient voor een indicatiebesluit; artikel 10, eerste lid, onder e, van de wet advies- en meldpunt kindermishandeling: de stichting bij de uitvoering van de taak, bedoeld in; artikel 2y van de wet autorisatielijst: autorisatielijst van jeugdzorgaanbieders, bedoeld in; beroepsregister voor jeugdzorg: register waarin beoefenaren van beroepen werkzaam op het terrein van de jeugdzorg worden ingeschreven en dat tot doel heeft de kwaliteit van de beroepsbeoefening in het belang van de jeugdzorg, alsmede de handhaving van die kwaliteit te bevorderen; Wet op de jeugdzorg de wet: de; geautoriseerde: in de autorisatielijst opgenomen zorgaanbieder; gekwalificeerde gedragswetenschapper: degene die is opgenomen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen of degene die lid is van de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen en geregistreerd is als Orthopedagoog-Generalist, dan wel een gezondheidszorgpsycholoog; geregistreerde jeugdprofessional: een beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd; artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet gezinsvoogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in; artikel 5, tweede lid, van de wet indicatiebesluit: een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in; artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen inrichting: een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in; artikel 10, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet jeugdbeschermings- en reclasseringstaken: de taken, bedoeld in; artikel 3 jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in; artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet jeugdreclassering: de stichting bij de uitvoering van de taken, bedoeld in; artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet jeugdreclasseringswerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitvoering van de taak, bedoeld in. artikel 68a, eerste lid kwaliteitsregister jeugd: het door Onze Ministers op grond van, erkende register; melding: een melding van kindermishandeling of van een vermoeden daarvan; artikel 5 observatiediagnostiek: observatiediagnostiek als bedoeld in; artikel 68a, tweede lid registerstichting: de rechtspersoon bedoeld in; artikel 11 van het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg SBV-Z: sectorale berichtenvoorziening in de zorg, bedoeld in; artikel 24g toegangsmiddel: middel als bedoeld in, met inbegrip van de drager van het middel; artikel 4 verblijf: verblijf als bedoeld in; artikel 2d van de wet verwijsindex: verwijsindex als bedoeld in; artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet voogdijwerker: medewerker van de stichting die belast is met de uitoefening van de taak, bedoeld in; Vreemdelingenwet 2000 vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein jeugdzorg worden aangewezen: a. artikel 4 van de wet bureaus jeugdzorg als bedoeld in; b. artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, van de wet instanties die voor de stichting taken als bedoeld inuitoefenen; c. artikelen 254, tweede lid 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek instanties die, daartoe aanvaard door Onze Minister van Veiligheid en Justitie als rechtspersoon, bedoeld in de, en, de voogdij of de voorlopige voogdij uitoefenen met betrekking tot minderjarige vreemdelingen. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 1b — Artikel 1b#
Artikel 1b artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein jeugdgezondheidszorg worden aangewezen: a. artikel 5, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid instanties die de ingenoemde werkzaamheden in opdracht van het college van burgemeester en wethouders uitvoeren; b. artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet aanbieders van zorg als bedoeld in. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1c — Artikel 1c#
Artikel 1c 1 artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein gezondheidszorg worden aangewezen: a. artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg instanties voor verslavingszorg voor wie het op grond vanniet verboden is een tarief in rekening te brengen; b. Zorgverzekeringswet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten instanties voor gehandicaptenzorg, die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat op grond van deof de; c. instanties die integrale eerstelijns geneeskundige zorg aanbieden, zoals die door huisartsen pleegt te geschieden; d. artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen ziekenhuizen die krachtensals zodanig zijn toegelaten, voor zover het spoedeisende hulp betreft. 2 artikel 2b, tweede lid, onder a, van de wet Als categorie van functionarissen als bedoeld inin het domein gezondheidszorg worden artsen aangewezen die integrale eerstelijns geneeskundige zorg aanbieden, zoals die door huisartsen pleegt te geschieden. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1d — Artikel 1d#
Artikel 1d 1 artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein onderwijs worden aangewezen: a. artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs scholen als bedoeld in; b. artikel 1 van de Wet op de expertisecentra scholen als bedoeld in; c. artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs scholen als bedoeld in; d. artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs instellingen als bedoeld in; e. artikel 1.2, onder a of b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in; f. artikel 162b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs contactgemeenten als bedoeld in,enten behoeve van de regionale meld- en coördinatiefunctie. 2 artikel 2b, tweede lid, onder a, van de wet artikel 16 van de Leerplichtwet 1969 Als categorie van functionarissen als bedoeld inin het domein onderwijs worden ambtenaren als bedoeld inaangewezen. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1e — Artikel 1e#
Artikel 1e 1 artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet artikel 1, eerste lid, onder g, onder 2°, 3°, 6°, 7° en 9°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein maatschappelijke ondersteuning worden aangewezen de instanties voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in. 2 Een functionaris die werkzaam is voor een instantie als bedoeld in het eerste lid, kan door die instantie slechts worden aangewezen als meldingsbevoegde indien zijn beroep hoofdzakelijk bestaat uit het verlenen van hulp, zorg of bijsturing aan jeugdigen. 3 artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorie van instanties als bedoeld inin het domein maatschappelijke ondersteuning worden tevens gemeenten voor zover het betreft de coördinatie van doelgroepenbeleid voor jeugdigen aangewezen. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1f — Artikel 1f#
Artikel 1f artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein werk en inkomen worden aangewezen de gemeentelijke kredietbanken, bedoeld in. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1g — Artikel 1g#
Artikel 1g artikel 2b, eerste lid, onder a, van de wet Als categorieën van instanties als bedoeld inin het domein politie en justitie worden aangewezen: a. artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012 de politie, bedoeld in; b. artikel 48f, onder c, van de Wet Justitie-subsidies Halt-bureaus als bedoeld in; c. artikel 2 van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2006 de regionale locaties van de raad voor de kinderbescherming, bedoeld in. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 1h — Artikel 1h#
Artikel 1h artikelen 1a tot en met 1g Een instantie die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in dewijst uitsluitend functionarissen aan die beschikken over een adequate opleiding en voldoende ervaring. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1i — Artikel 1i#
Artikel 1i 1 Indien voor een melding aan de verwijsindex gebruik wordt gemaakt van een gemeentelijk signaleringssysteem, draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor een zorgvuldige en veilige aansluiting daarvan op de verwijsindex. 2 Wet bescherming persoonsgegevens Indien voor een melding aan de verwijsindex gebruik wordt gemaakt van een ander digitaal systeem dan een gemeentelijk signaleringssysteem, draagt de daarvoor verantwoordelijke in de zin van dezorg voor een zorgvuldige en veilige aansluiting daarvan op de verwijsindex. 3 Een aansluiting als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt vermoed voldoende zorgvuldig en veilig te zijn als het voldoet aan de eisen zoals deze zijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut in de NTA 8023, Maatschappelijke zorg – Informatiearchitectuur in de jeugdsector – Deel 1 : Landelijke verwijsindex risicojongeren. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1j — Artikel 1j#
Artikel 1j 1 artikelen 1a tot en met 1g artikel 1c, tweede lid 1d, tweede lid Een instantie die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in deof een functionaris die behoort tot een van de categorieën als bedoeld in, of, draagt zorg voor een veilig en zorgvuldig gebruik van de verwijsindex. 2 Een instantie of een functionaris wordt vermoed te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid als voldaan wordt aan de eisen zoals deze zijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut in de NEN 7510, Medische informatica – Informatiebeveiliging in de zorg – Algemeen. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 1k — Artikel 1k#
Artikel 1k 1i, derde lid artikel 1j, tweede lid Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport doet van wijziging van een norm als bedoeld in, of, mededeling in de Staatscourant. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 1l — Artikel 1l#
Artikel 1l 1 Indien een meldingsbevoegde een jeugdige die niet beschikt over een burgerservicenummer meldt aan de verwijsindex, biedt hij daartoe de volgende gegevens van de jeugdige aan in de verwijsindex: a. de familienaam; b. de geboortedatum; c. het geslacht. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in de verwijsindex omgezet in een verwijsindexservicenummer, dat vervolgens gebruikt wordt voor de melding in de verwijsindex. 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 2010 302 27-07-2010 13-07-2010 01-08-2010 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg (verwijsindex risicojongeren) in werking treedt.
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 wet De aanspraak op jeugdzorg ingevolge deomvat: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliënt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden. 2 Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2 Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover: a. artikel 3 de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders, b. artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 2.4 van het Besluit zorgverzekering het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, begeleiding of behandeling als bedoeld inof zorg als bedoeld inin verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen het verblijf in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld inbetreft. 3 In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4 artikel 3 Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in. 2008 533 16-12-2008 01-12-2008 2008 533 16-12-2008 01-12-2008 01-01-2009
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft voor het nemen van een indicatiebesluit. 2 artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als aannemelijk is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in. 3 Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, observatie tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan noodzakelijk is. 4 Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn van ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld over de omvang van en de voorwaarden waaronder aanspraak op jeugdhulp, verblijf of observatiediagnostiek bestaat. 2 Een regeling als bedoeld in het eerste lid, vervalt drie jaar na haar inwerkingtreding. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 wet Als categorie niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen tot wie de aanspraken ingevolge deworden uitgebreid, wordt aangemerkt de categorie vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 artikel 7 Een vreemdeling als bedoeld in, heeft, aanspraak op jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. 2 Deze vreemdeling heeft geen aanspraak op verblijf bij een pleegouder tenzij verblijf bij een pleegouder in het belang van de ontwikkeling van die vreemdeling geboden is. Indien een stichting voor een vreemdeling verblijf bij een pleegouder geboden acht, wordt in het indicatiebesluit aangegeven waarom zij verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder niet aangewezen acht. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet Als vormen van zorg als bedoeld inworden, voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige en verband houdt met een psychiatrische aandoening, aangewezen: a. artikelen 4 6 9 artikel 9a 10 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ persoonlijke verzorging, begeleiding, verblijf, kortdurend verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de,,,,en; b. artikelen 2.4 2.10 van het Besluit zorgverzekering geneeskundige zorg en verblijf als bedoeld in deen. 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 04-11-2011 01-01-2011
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Als beroepsgroep als bedoeld inwordt aangewezen de beroepsgroep huisarts. 2 artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Met een huisarts wordt gelijkgesteld de arts naar wie de huisarts een jeugdige heeft verwezen, alsmede de andere behandelaar van een jeugdige die in verband met een psychische stoornis een aanspraak heeft op grond van die wet waaraan geen indicatiebesluit ten grondslag ligt, omdattoepassing heeft gevonden. 3 artikel 47, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen artikel 261 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wet boek Met een huisarts wordt bovendien gelijkgesteld de arts, bedoeld in, voor zover het betreft jeugdigen die anders dan met toepassing vanofin een inrichting zijn geplaatst. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Als psychische stoornis als bedoeld inwordt aangewezen de psychische stoornis, beschreven op as I of as II van het classificatiesysteem Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Als ernst als bedoeld inwordt aangegeven het functioneren van een jeugdige op een psychisch niveau dat leidt tot een score van 40 of minder op de Children’s Global Assessment Scale in de Nederlandse vertaling van 1994 dan wel een score van 50 als het betreft een jeugdige waarbij sprake is van een ernstig verminderd functioneren op één van de in de schaal opgenomen terreinen, terwijl redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit verminderde functioneren samenhangt met de psychische stoornis. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 10, tweede lid Indientoepassing heeft gevonden, geeft de betrokken huisarts, arts of andere behandelaar, bedoeld in, aan de stichting, die werkzaam is in de provincie waar de betrokken jeugdige duurzaam verblijft, gemotiveerd aan welke psychische stoornis hij vermoedt aanwezig te zijn en op welk psychisch niveau de jeugdige functioneert. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 artikel 3, derde lid, van de wet artikel 5, tweede lid, onder a, van de wet Een cliënt heeft, in afwijking van, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen. 2 Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliënt is aangewezen niet tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg aanduiden, waarop de cliënt alsdan is aangewezen. Een cliënt heeft aanspraak op de vervangende zorg tot het moment waarop hij zijn aanspraak op de eerst aangewezen zorg tot gelding heeft gebracht, of de met betrekking tot de vervangende zorg genoemde termijn, bedoeld in, is verstreken. 2007 446 20-11-2007 31-10-2007 2007 446 20-11-2007 31-10-2007 21-11-2007
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Indien ten behoeve van één jeugdige meer dan één cliënt op zorg is aangewezen geven de indicatiebesluiten de samenhang met de andere besluiten aan. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikel 5, tweede lid, van de wet Bij regeling van Onze Ministers kan worden geregeld dat een indicatiebesluit inhoudende dat de cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld inwordt vastgelegd op een formulier dat overeenkomt met een bij die regeling vast te stellen model. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Indien de stichting vaststelt dat een cliënt is aangewezen op jeugdhulp, geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliënt is aangewezen op jeugdhulp: a. in de thuissituatie of in een accommodatie van een zorgaanbieder; b. individueel of in groepsverband. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf, geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2 Het indicatiebesluit vermeldt of het verblijf hele etmalen omvat of een gedeelte van een etmaal. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke vragen met de observatiediagnostiek beantwoord moeten worden. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 9 Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in, geeft zij in het indicatiebesluit aan op welke van deze vormen de jeugdige is aangewezen. 2 artikelen 4 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in deof, vermeldt het indicatiebesluit de omvang van de benodigde zorg, uitgedrukt in een minimum en een maximum aantal contacturen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en maximum bedraagt. 3 artikelen 9 9a 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in de,, onderscheidenlijk, vermeldt het indicatiebesluit de omvang van het benodigde verblijf, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen waarover de uren worden gespreid. Het aantal dagen waarover de uren worden gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en het maximum bedraagt. 4 artikel 9 9a artikel 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 13 van het Zorgindicatiebesluit Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op een vorm van zorg als bedoeld in,of, is,van overeenkomstige toepassing. 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 04-11-2011 01-01-2011
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 artikel 14, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf in een inrichting geeft zij in het indicatiebesluit aan of sprake moet zijn van verblijf in een beperkt beveiligde of normaal beveiligde inrichting als bedoeld in. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 De in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke de aanspraak geldt, bedraagt ten hoogste een jaar na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet, is aangevangen, tenzij het betreft: a. verblijf bij een pleegouder van een jeugdige die al langer dan twee jaar bij eenzelfde pleegouder verblijft en voorzien wordt dat van terugkeer naar het gezin van herkomst geen sprake kan zijn; b. artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet een aanspraak op een vorm van zorg als bedoeld inin verband met een aandoening die maakt dat een jeugdige langer dan twee jaar is aangewezen op eenzelfde vorm van zorg en voorzien wordt dat de jeugdige op deze vorm van zorg aangewezen blijft. 2 artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder i, van het Vreemdelingenbesluit 2000 De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarige vreemdelingen wier verblijf tijdelijk is als bedoeld in, ten hoogste een half jaar. 3 artikel 7 De in het eerste lid bedoelde termijn is met betrekking tot vreemdelingen, bedoeld in, in overeenstemming met de verwachte duur van het verblijf in Nederland, en ten hoogste een half jaar. 2010 307 30-07-2010 24-07-2010 2013 165 03-05-2013 24-04-2013 01-06-2013
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a 1 Indien toepassing is gegeven aan artikel 68a, eerste lid, worden de taken waarmee de zorgaanbieder bij of krachtens de wet is belast, verricht door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde jeugdprofessional. De zorgaanbieder houdt bij de toedeling van taken rekening met de specifieke kennis en vaardigheden op basis waarvan de geregistreerde jeugdprofessional is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd. 2 In afwijking van het eerste lid kan de zorgaanbieder anderen dan geregistreerde jeugdprofessionals met de uitvoering van taken belasten indien hij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de zorgverlening daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. De zorgaanbieder belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de zorgverlening. 3 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat geregistreerde jeugdprofessionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de professionele standaarden waaraan zij door de inschrijving in het kwaliteitsregister jeugd zijn gebonden. 4 artikel 18, tweede lid, van de wet Dit artikel is niet van toepassing op zorgaanbieders als bedoeld in. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 15-11-2014 Abusievelijk is voor hoofdstuk 8a een inwerkingtreding
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke gegevens en bescheiden worden verstrekt bij de aanvraag om te worden opgenomen in de autorisatielijst. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a 1 artikel 24 Onze Minister stelt, aan de hand van bij of krachtens de wet gestelde vereisten voor de hoedanigheid van de zorgaanbieder, vast of de aanvraag, bedoeld in, is gedaan door een zorgaanbieder. 2 De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien deze niet is gedaan door een zorgaanbieder. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24b — Artikel 24b#
Artikel 24b 1 In de autorisatielijst wordt per inschrijving opgenomen: a. indien de geautoriseerde een natuurlijke persoon is: 1°. geslachtsnaam; 2°. voornamen; 3°. geboortedatum; 4°. geboorteplaats; 5°. Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg titel in de zin van de; b. indien de geautoriseerde een rechtspersoon is: de naam. 2 In de autorisatielijst wordt voorts per inschrijving opgenomen: a. aard van de gegevens en bescheiden aan de hand waarvan is vastgesteld dat de geautoriseerde een zorgaanbieder is; b. datum van opname in de autorisatielijst; c. adres van vestiging; d. gegevens met betrekking tot verstrekte en ingetrokken toegangsmiddelen. 3 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de opname en verwerking van gegevens in de autorisatielijst. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24c — Artikel 24c#
Artikel 24c De geautoriseerde stelt Onze Minister onmiddellijk op de hoogte van een wijziging van de in de autorisatielijst opgenomen gegevens en van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het schorsen of doorhalen van de opname. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24d — Artikel 24d#
Artikel 24d 1 Verwijdering van de autorisatielijst vindt slechts plaats: a. op verzoek van de geautoriseerde, of b. indien de geautoriseerde geen zorgaanbieder meer is. 2 artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Zolang de inschrijving van een zorgaanbieder in het register, bedoeld in, is geschorst, is zijn opname in de autorisatielijst van jeugdzorgaanbieders geschorst. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24e — Artikel 24e#
Artikel 24e 1 Onze Minister deelt aan een ieder die daarom verzoekt mede of: a. een zorgaanbieder is opgenomen op de autorisatielijst; b. een aan een geautoriseerde verstrekt toegangsmiddel geldig is. 2 artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Indien het verzoek wordt gedaan door de voorzieningen als bedoeld in, wordt de mededeling, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk gedaan. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24f — Artikel 24f#
Artikel 24f artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Zorgaanbieders kunnen uitsluitend gebruik maken van de voorzieningen, bedoeld inuitsluitend door tussenkomst van de SBV-Z. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 24g — Artikel 24g#
Artikel 24g artikelen 18 tot en met 25 33 van het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg Onze Minister kan op aanvraag middelen verschaffen waarmee de geautoriseerde toegang kan verkrijgen tot de SBV-Z. Deenzijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag, het overleggen van gegevens en bescheiden, de verstrekking, de vergoeding, het gebruik, de intrekking, geldigheidsduur en eigendom van toegangsmiddelen, met dien verstande dat daarbij onder «geregistreerde» verstaan wordt: geautoriseerde. 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 2014 206 13-06-2014 27-05-2014 14-06-2014
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 5, eerste lid, van de wet artikel 10, eerste lid, onder f tot en met j, van de wet Medewerkers die zijn belast met de uitvoering van de taken, bedoeld in, voogdijwerkers, gezinsvoogdijwerkers, jeugdreclasseringswerkers en medewerkers die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling, alsmede medewerkers die belast zijn met de uitvoering van de taken, bedoeld in, zijn werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met de stichting of op basis van een detacheringsovereenkomst tussen hun werkgever en de stichting. 2 In afwijking van het eerste lid, kan een medewerker anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of detacheringsovereenkomst bij de stichting werkzaam zijn: a. indien hij zodanig gespecialiseerd is dat een arbeidsovereenkomst of een detacheringsovereenkomst een doelmatige werkwijze van de stichting belemmert; b. ten behoeve van een tijdelijke functievervulling. 3 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de detacheringsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 1 De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week telefonisch bereikbaar. 2 artikel 3, vijfde lid artikel 10, eerste lid, onder a tot en met f, van de wet De stichting is zeven maal vierentwintig uur per week beschikbaar voor situaties waarin onmiddellijke uitvoering van de taken, bedoeld in, of, geboden is. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 1 De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2 De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 artikel 51 van de wet artikel 8, van de wet De stichting stuurt, onverminderd, aan de huisarts van de cliënt een afschrift van het indicatiebesluit of het document waarin de zorg, bedoeld in, is vastgelegd. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, beschikt de stichting ten behoeve van een verantwoorde uitvoering van de aan haar bij de wet opgedragen taken over deskundigheid met betrekking tot: a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen; b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren; c. de herkenning van taal- en leerproblemen; d. de herkenning van somatische aandoeningen; e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps; f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling; g. de aanpak van jeugdige delinquenten; h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken. 2 De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg. 3 artikel 68a, eerste lid Indien toepassing is gegeven aan, worden de taken waarmee de stichting bij de wet is belast, verricht door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde jeugdprofessional. De stichting houdt bij de toedeling van taken rekening met de specifieke kennis en vaardigheden op basis waarvan de geregistreerde jeugdprofessional is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd. 4 In afwijking van het derde lid, kan de stichting anderen dan geregistreerde jeugdprofessionals met de uitvoering van taken belasten indien zij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de taakuitoefening daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. Zij belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uitvoering van haar taken. 5 De stichting draagt er zorg voor dat geregistreerde jeugdprofessionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de professionele standaarden waaraan zij door de inschrijving in het kwaliteitsregister jeugd zijn gebonden. 6 artikel 35 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 5, eerste lid, van de wet Ter uitvoering van de taak, bedoeld in, beziet de stichting de problemen van een cliënt en de ernst hiervan. Zij onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliënt, niet zijnde de jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en besteedt bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie. 2 De stichting betrekt in haar onderzoek tevens factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 De stichting beziet hoe de problemen met inzet van jeugdzorg of andere zorg kunnen worden opgelost, verminderd, of hoe verergering kan worden voorkomen dan wel op welke wijze de cliënt kan leren omgaan met de gevolgen van deze problemen. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 artikelen 5, eerste lid 10, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in deen, vindt een multidisciplinaire beoordeling van de problemen plaats, indien de aard van de problematiek dit vergt. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 artikelen 5, eerste lid 10, eerste lid, van de wet Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de werkwijze van de stichting bij de uitvoering van de in de, en, genoemde taken indien het niveau van de uitvoering door de bureaus jeugdzorg dit vereist. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 7, van de wet Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens instemming is vereist op grond van. 2 artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet In een geval als bedoeld inneemt de stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 artikel 29, derde lid In afwijking van, kan de stichting, alvorens het indicatiebesluit te nemen, een ontwerp daarvan ter advisering aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper voorleggen. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 1 De stichting laat op verzoek van de cliënt de, bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige interpreteren en van een advies voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet. Deze deskundige heeft geen arbeidsovereenkomst met de stichting en is niet werkzaam bij de stichting op basis van een detacheringsovereenkomst en is evenmin bij de behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliënt betrokken geweest. 2 Uiterlijk veertien dagen nadat de deskundige zijn advies schriftelijk ter kennis heeft gebracht aan de cliënt en de stichting, neemt de stichting een indicatiebesluit. 3 Indien het indicatiebesluit afwijkt van het advies van de deskundige, wordt in het besluit de reden van de afwijking vermeld. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 artikel 13, derde lid, van de wet Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken uitoefent, bevat het plan, bedoeld in, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet Onverminderdstelt de stichting bij beëindiging van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, dat een rechterlijke beslissing vereist. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 13, derde lid, van de wet De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in. 2 Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de voogdij geëvalueerd wordt. 3 In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige dan wel anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4 Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau, en b. de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige. 5 Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6 Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 1 De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. 2 In deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de voogdijwerker met de minderjarige en b. de medewerker van de stichting die de voogdijwerker bij afwezigheid vervangt. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 1 De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de minderjarige die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en diens vermogen. 2 Het contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu wordt bevorderd, tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige. 3 De stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de stichting en dat dit contact gecontinueerd wordt. 4 De stichting houdt rekening met het belang dat voor de minderjarige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang van de minderjarige dit eist, naar een pleegouder of een ander die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 1 artikel 13, derde lid, van de wet De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in. 2 Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt. 3 In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4 Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van de minderjarige. 5 Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige. 6 Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 7 Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 1 De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd. 2 In deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd, b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens afwezigheid vervangt, c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling en d. artikel 259, eerste lid artikel 260, eerste lid artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de wijze waarop een verzoek als bedoeld in,, enmoet worden gedaan. 3 De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker aanwijzen. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 artikel 268 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling regelmatig of een ontheffing van de ouders als bedoeld inoverwogen moet worden. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een ontheffing overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 1 artikel 10, eerste lid, onder c of d, van de wet artikel 13, derde lid, van de wet De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak, bedoeld inheeft gekregen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in. 2 Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd , zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zal worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geëvalueerd wordt. 3 In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de jeugdige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4 Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de jeugdige; b. de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige. 5 Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6 Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 artikel 10, eerste lid, onder c of d van de wet De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij een taak, bedoeld inheeft gekregen en zij daarvan op de hoogte is gesteld, een jeugdreclasseringswerker aan, en doet hiervan mededeling aan de jeugdige en de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. 2 In deze mededeling wordt tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de jeugdige met de jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats vindt en b. de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij afwezigheid vervangt. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende taken en bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van de rechter en het openbaar ministerie om advies omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar feit of die op grond daarvan is veroordeeld. 2 artikel 10, eerste lid, onder c en d De jeugdreclassering brengt voor zover het de uitvoering betreft van de taak, bedoeld in, geregeld verslag uit aan het openbaar ministerie dat is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar ministerie opgelegd. 3 Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar ministerie. 4 De jeugdreclassering zendt de raad voor de kinderbescherming een afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de melding, bedoeld in het derde lid. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 60, vierde lid Onverminderd, legt de stichting de wijze van samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter, het openbaar ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en de raad voor de kinderbescherming vast in een protocol. 2 In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd: a. een vermelding van welke functionaris het aanspreekpunt is van de jeugdreclassering voor vragen die casuïstiek overstijgen; b. een beschrijving van de wijze waarop taken van de jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde instanties worden uitgeoefend voor zover deze samenhangen of gelijktijdig plaatsvinden; c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties, bedoeld in het eerste lid, over individuele zaken worden geïnformeerd. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 De stichting legt de wijze waarop de herkenbaarheid en toegankelijkheid van een advies- en meldpunt kindermishandeling binnen het bureau jeugdzorg is georganiseerd, schriftelijk vast. 2 De stichting draagt er zorg voor dat het advies- en meldpunt kindermishandeling is aangesloten op het daartoe bestemde landelijke telefoonnummer. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Een bij de stichting werkzame persoon die taken uitvoert van een advies- en meldpunt kindermishandeling is niet belast met de uitvoering van andere taken van de stichting betreffende een geval van kindermishandeling waarbij deze rechtstreeks betrokken was. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Bij een advies- en meldpunt kindermishandeling is in ieder geval een arts werkzaam. Deze arts is deskundig op het gebied van kindermishandeling. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 artikel 27 artikelen 43 53 54 van de wet Onverminderd, draagt de stichting er zorg voor dat aan iedere betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding van een melding bij het eerste contact informatie wordt verschaft over de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de,en, het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden alsmede de wijze van behandeling van klachten. Als betrokkenen worden aangemerkt degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft en degene die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding wordt verzocht. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf dagen na ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek wordt genomen. 2 Een advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen dertien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft. 3 artikel 32 Onverminderdvindt besluitvorming omtrent een melding plaats door ten minste twee bij de stichting werkzame personen die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 Wet bescherming persoonsgegevens In dit artikel wordt onder persoonsgegeven verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de. 2 Een advies- en meldpunt kindermishandeling verstrekt aan degene op de persoonsgegevens betrekking hebben, inlichtingen over de herkomst van de persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding verkrijgt. 3 In afwijking van het tweede lid verstrekt het advies- en meldpunt kindermishandeling geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien: a. een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot de minderjarige of zijn gezin staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen: 1°. een bedreiging vormt of kan vormen voor de minderjarige of andere minderjarige leden van het gezin waartoe de minderjarige behoort; 2°. een bedreiging vormt of kan vormen voor die persoon of medewerkers van die persoon; 3°. leidt of kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met het gezin waartoe de minderjarige behoort; b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 55a — Artikel 55a#
Artikel 55a In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. klachtencommissie: artikel 68 van de wet artikel 29w, eerste lid, van de wet artikel 29t van de wet klachtencommissie, bedoeld in, voor zover deze klachten behandelt over een beslissing als bedoeld inof over de toepassing van; b. klacht: artikel 29w, eerste lid, van de wet klacht als bedoeld in. c. klager: artikel 29w, eerste lid van de wet degene die een klacht als bedoeld in, indient. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009
Artikel 55b — Artikel 55b#
Artikel 55b Indien de klager daarom verzoekt, wordt de klacht ter kennis gebracht van één lid van de klachtencommissie teneinde terzake te bemiddelen. 2008 374 23-09-2008 18-08-2008 2008 374 23-09-2008 18-08-2008 24-09-2008
Artikel 55c — Artikel 55c#
Artikel 55c 1 De klager kan zich doen bijstaan door een vertrouwenspersoon. 2 Indien de klager de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, draagt de voorzitter van de klachtencommissie zorg voor de bijstand van een tolk. 2008 374 23-09-2008 18-08-2008 2008 374 23-09-2008 18-08-2008 24-09-2008
Artikel 55d — Artikel 55d#
Artikel 55d Van de klachtencommissie maken in ieder geval deel uit: a. een jurist, b. artikel 68a, eerste lid een gekwalificeerde gedragswetenschapper of, indien toepassing is gegeven aan, een gedragswetenschapper die is opgenomen in het kwaliteitsregister jeugd, alsmede c. artikel 29p, derde lid, van de wet artikel 29p, derde lid, van de wet een arts, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in, niet zijnde een behandeling van een stoornis van de geestvermogens of een psychiater, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld inindien het gaat om een behandeling van een stoornis van de geestvermogens. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 Indien sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige stelt de stichting de raad voor de kinderbescherming onverwijld in kennis van haar oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 1 De raad voor de kinderbescherming neemt een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, slechts in onderzoek indien de stichting hem van een dergelijk geval in kennis heeft gesteld. 2 In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien: a. er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden. 3 Indien een ander dan de stichting de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder, door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 De raad voor de kinderbescherming doet van het in onderzoek nemen van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen wordt, onverwijld mededeling aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de minderjarige duurzaam verblijft. 2 De raad voor de kinderbescherming informeert de stichting over de resultaten van het onderzoek. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 De stichting informeert de minderjarige en de met het gezag belaste ouder uiterlijk op het moment dat zij de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van haar oordeel dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, tenzij dit kennelijk een bedreiging vormt voor de minderjarige. 2 Indien de stichting de minderjarige en de met het gezag belaste ouder niet informeert, wordt in de kennisgeving aan de raad voor de kinderbescherming hiervan de reden vermeld. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 De stichting en de raad voor de kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol. 2 artikelen 56 tot en met 59 In het protocol worden met betrekking tot dein ieder geval vastgelegd: a. artikel 56 de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval als bedoeld indoet, b. een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in onderzoek neemt, c. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de stichting kenbaar maakt, d. een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt of gelijktijdig plaatsvindt en e. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek. 3 In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in ieder geval vastgelegd: a. artikel 261, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming voornemens is een machtiging als bedoeld inte verzoeken en; b. artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen, bedoeld in, verzoekt. 4 In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in ieder geval vastgelegd: a. artikel 10, tweede lid, van de wet een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in, gebruikt en; b. artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld in. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 artikelen 254, tweede lid 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikelen 26 27 29, eerste lid, onder b en h 38 tot en met 45 Op een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de, enzijn de,,, envan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijze van uitvoering van de taken door de rechtspersoon past bij de aard van het verblijf van de minderjarige en zijn verwachte verblijfsduur. 2 De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die de voogdij uitoefent over een minderjarige zorgt dat die minderjarige wordt ondergebracht: Voorzover mogelijk is de verblijfplaats van de minderjarige dezelfde als die van zijn broers of zussen. Veranderingen in de verblijfplaats van de minderjarige worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt. a. bij meerderjarige familieleden; b. in een pleeggezin; c. in speciale centra voor minderjarigen, of d. in andere voor minderjarige geschikte tehuizen. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 artikelen 254, tweede lid 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek Voor de toepassing van dit hoofdstuk is onder stichting mede begrepen een rechtspersoon als bedoeld in de, en. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 artikel 1, eerste lid, van de wet Het verlenen door de vertrouwenspersoon van ondersteuning in aangelegenheden samenhangend met de door de stichting uitgeoefende taken onderscheidenlijk aangelegenheden samenhangend met de door de zorgaanbieder geboden jeugdzorg, bedoeld in, is met name gericht op de uitoefening door de cliënt van zijn rechten. 2012 193 08-05-2012 17-04-2012 2012 193 08-05-2012 17-04-2012 09-05-2012
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 artikel 63 De stichting onderscheidenlijk de zorgaanbieder deelt aan cliënten mee dat een vertrouwenspersoon aan hen op hun verzoek de inbedoelde ondersteuning kan verlenen, wat deze taak inhoudt, en op welke plaats en tijdstippen de vertrouwenspersoon voor cliënten bereikbaar en beschikbaar is. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen van de stichting en de gebouwen, terreinen en ruimten van de zorgaanbieder waar jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met een jeugdige te spreken. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde worden aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen verschaft en bescheiden getoond die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 Aan de vertrouwenspersoon worden door de stichting of de zorgaanbieder de faciliteiten verschaft die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. Daartoe behoren in ieder geval een eigen werkruimte met telefoon en computer en een voorziening waardoor gegevens omtrent cliënten waaraan de vertrouwenspersoon ondersteuning verleent op voor anderen niet toegankelijke wijze kunnen worden bewaard. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 De vertrouwenspersoon die ondersteuning verleent aan een cliënt, onthoudt zich van ondersteuning van anderen indien zulks een onafhankelijke taakuitoefening jegens die cliënt in gevaar kan brengen. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 68a — Artikel 68a#
Artikel 68a 1 Onze Ministers kunnen op aanvraag van de beheerder van een beroepsregister voor jeugdzorg dat register als enig kwaliteitsregister jeugd erkennen. 2 artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De beheerder van het kwaliteitsregister jeugd heeft de rechtsvorm, bedoeld in. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68b — Artikel 68b#
Artikel 68b artikel 68a, eerste lid artikelen 68d tot en met 68l De erkenning, bedoeld in, vindt slechts plaats indien het beroepsregister voor jeugdzorg onderscheidenlijk de beheerder van die stichting voldoen aan de in degestelde voorwaarden. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68c — Artikel 68c#
Artikel 68c 1 artikel 68a, eerste lid Een erkenning als bedoeld in, kan door Onze Ministers worden ingetrokken: a. indien de registerstichting niet of niet langer voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen; b. indien de registerstichting handelt in strijd met de in dit hoofdstuk neergelegde erkenningsvoorwaarden; c. indien de registerstichting niet naar behoren functioneert; d. op verzoek van de registerstichting. 2 Onze Ministers kunnen in het belang van de jeugdzorg een termijn vaststellen waarop de intrekking zal plaatsvinden. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68d — Artikel 68d#
Artikel 68d 1 De leden van het bestuur van de registerstichting worden benoemd op voordracht van beroepsverenigingen waarbij beroepsbeoefenaren zijn aangesloten die van relevant belang zijn voor de beroepsuitoefening binnen de jeugdzorg. 2 De statuten van de registerstichting regelen de mogelijkheid tot aanwijzing van andere beroepsverenigingen van relevant belang voor de beroepsuitoefening binnen de jeugdzorg, die gerechtigd zijn tot een voordracht van leden van het bestuur. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68e — Artikel 68e#
Artikel 68e De statuten van de registerstichting regelen op afdoende wijze dat de leden van het bestuur, dan wel leden van andere organen van de registerstichting geen functies vervullen die onverenigbaar, strijdig zijn of strijdig kunnen zijn met de belangen of doelstellingen van de registerstichting. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68f — Artikel 68f#
Artikel 68f 1 De statuten van de registerstichting voorzien in een raad van advies, bestaande uit leden die in ieder geval organisaties van werkgevers en cliënten vertegenwoordigen. 2 De raad van advies heeft in ieder geval het recht advies uit te brengen over: a. de voorwaarden voor registratie en herregistratie; b. artikel 68d, tweede lid een aanwijzing als bedoeld in; c. de samenstelling van de raad van advies. 3 De statuten voorzien erin dat van een door de raad van advies uitgebracht advies slechts schriftelijk en gemotiveerd kan worden afgeweken nadat over het advies een op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68g — Artikel 68g#
Artikel 68g De registerstichting: a. regelt dat het kwaliteitsregister jeugd slechts toegankelijk is voor beroepsbeoefenaren die behoren tot bij een van de voordragende beroepsverenigingen aangesloten categorieën van beroepsbeoefenaren; b. hanteert niet het vereiste van lidmaatschap van een beroepsvereniging voor opname in het kwaliteitsregister jeugd. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68h — Artikel 68h#
Artikel 68h De registerstichting stelt het register open voor de inschrijving van beroepsbeoefenaren die minimaal op het niveau van een hogere beroepsopleiding scholing hebben afgerond die is gericht op het vervullen van een beroep in de jeugdzorg. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68i — Artikel 68i#
Artikel 68i 1 De registerstichting regelt dat: a. registratie en herregistratie op zorgvuldige wijze plaatsvinden; b. de registratie een geldigheid heeft van een door de registerstichting vast te stellen, bepaalde duur; c. herregistratie plaatsvindt op voorwaarde dat de betrokkene in de periode, bedoeld onder b, heeft voldaan aan door de registerstichting te stellen eisen van werkervaring en van na- en bijscholing. 2 artikel 68d, eerste lid De registerstichting regelt voorts dat voorafgaand aan de wijziging van de eisen van registratie aan een beroepsbeoefenaar overleg wordt gevoerd met de beroepsverenigingen, bedoeld in. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68j — Artikel 68j#
Artikel 68j 1 De registerstichting waarborgt dat de in het kwaliteitsregister jeugd opgenomen beroepsbeoefenaren dienen te handelen volgens voor hen geldende professionele standaarden. 2 De statuten van de registerstichting voorzien in de binding van de geregistreerde beroepsbeoefenaren aan een adequaat systeem van normhandhaving op grond waarvan passende maatregelen kunnen worden genomen tegen beroepsbeoefenaren die niet voldoen aan professionele standaarden, bedoeld in het eerste lid. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68k — Artikel 68k#
Artikel 68k De door de registerstichting in rekening te brengen kosten voor de registratie worden zodanig vastgesteld dat de baten niet uitgaan boven de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de registerstichting. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68l — Artikel 68l#
Artikel 68l artikel 68j, tweede lid De registerstichting regelt dat het register voor een ieder kosteloos raadpleegbaar is. Zij regelt voorts dat maatregelen als bedoeld in, gedurende een door haar vast te stellen periode voor het publiek kenbaar zijn. Zij houdt daarbij rekening met de aard van de maatregelen, de verwijtbaarheid van het handelen en met het belang van degenen die daarvan kennis kunnen nemen. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68m — Artikel 68m#
Artikel 68m Na de beëindiging van de erkenning verleent de registerstichting alle medewerking die noodzakelijk is voor de overdracht van taken aan een andere, door Onze Ministers aan te wijzen organisatie. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68n — Artikel 68n#
Artikel 68n 1 artikel 68j, tweede lid De registerstichting verstrekt aan Onze Ministers kosteloos op verzoek alle in haar bezit zijnde, op de op het functioneren van de registerstichting of het kwaliteitsregister jeugd betrekking hebbende informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is om te beoordelen of de registerstichting of het kwaliteitsregister jeugd voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen, dan wel de informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is om ten minste inzicht te krijgen in de aantallen registraties, de aard van de registraties en de ontwikkelingen rond het systeem van normhandhaving, bedoeld in. 2 De registerstichting meldt voorgenomen wijzingen van haar statuten aan Onze Ministers. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68o — Artikel 68o#
Artikel 68o 1 De registerstichting stelt jaarlijks een verslag op met betrekking tot de uitvoering van de met dit besluit samenhangende werkzaamheden. 2 Het jaarverslag bevat in ieder geval een beschrijving van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, en geven inzicht in: a. de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden; b. de kwaliteit van de daarbij gevolgde procedures; c. de behandeling van personen en instellingen die met de registerstichting in aanraking komen; en d. 68j, tweede lid de werkzaamheden, samenhangend met. 3 Het jaarverslag geeft tevens cijfermatig inzicht in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, c en d. 4 artikel 68d, eerste lid De registerstichting zendt het jaarverslag voor 1 april aan Onze Ministers en de beroepsverenigingen, bedoeld in. 5 artikel 36, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties Het jaarverslag gaat vergezeld van een verklaring van een accountant die is ingeschreven in het register, bedoeld in. In de verklaring: a. wordt mededeling gedaan omtrent de getrouwheid van het jaarverslag; en b. wordt er blijk van gegeven dat de accountant heeft onderzocht of de registerstichting, onderscheidenlijk het kwaliteitsregister, heeft voldaan aan de bij dit besluit gestelde verplichtingen en wat daarvan de bevindingen zijn. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68p — Artikel 68p#
Artikel 68p artikel 68a, eerste lid artikel 68c, eerste lid Van de erkenning, bedoeld in, en de intrekking van de erkenning, bedoeld in, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 68q — Artikel 68q#
Artikel 68q artikel 47, tiende lid, van de wet De bevoegdheid van de Inspectie jeugdzorg, bedoeld in, is beperkt tot het kwaliteitsregister jeugd. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 artikelen 69 70 van de wet Als vorm van zorg waarvoor een bijdrage als bedoeld in deenis verschuldigd, wordt aangewezen een tot gelding gebrachte aanspraak op verblijf. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 De hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verblijf is: a. indien het verblijf gedurende het etmaal betreft: 1°. per 1 januari 2014: € 74,93 van een jeugdige van 0 tot en met 5 jaar: € 63,78per maand; 2°. per 1 januari 2014: € 103,03 van een jeugdige van 6 tot en met 11 jaar: € 87,70per maand; 3°. per 1 januari 2014: € 131,12 van een jeugdige van 12 tot en met 20 jaar: € 111,61per maand; b. indien het verblijf gedurende een deel van een etmaal betreft: de helft van het voor de jeugdige ingevolge in het eerste lid geldende bedrag per maand. 2013 34614 12-12-2013 03-12-2013 J-113332 2013 34614 12-12-2013 03-12-2013 J-113332 01-01-2014
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 artikel 70, onder a Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in, jaarlijks met ingang van 1 januari opnieuw vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 71a — Artikel 71a#
Artikel 71a artikel 71, eerste lid, onder e, van de wet Het bedrag per maand, bedoeld in, wordt vastgesteld op € 226,89. 2007 225 28-06-2007 11-06-2007 2007 225 28-06-2007 11-06-2007 01-07-2007 Treedt in werking op het tijdstip waarop de onderdelen D en E van de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg en Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking treden.
Artikel 71b — Artikel 71b#
Artikel 71b Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen kan de verschuldigde ouderbijdrage slechts buiten invordering stellen indien het betreft een bijdrageplichtige die: a. artikel 20, eerste lid artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangt op grond van, of; b. artikel 9, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 een verstrekking ontvangt als bedoeld inen geen ander inkomen heeft; c. artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden zak- en kleedgeld ontvangt op grond vanof; d. artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen rechtens zijn vrijheid is ontnomen en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt in een penitentiaire inrichting, in een inrichting voor de verpleging van ter beschikking gestelden, in een inrichting als bedoeld inof in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld inen geen inkomen heeft. 2011 652 29-12-2011 22-12-2011 2011 651 29-12-2011 22-12-2011 01-01-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II van de Wijzigingswet werk en bijstand, enz. (bevordering deelname aan arbeidsmarkt en vergroting eigen verantwoordelijkheid uitkeringsgerechtigden) (Stb. 2011/650) in werking treedt.
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 1 De hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van verblijf gedurende het etmaal van een jeugdige die over een inkomen beschikt of die recht kan doen gelden op een inkomen, wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het netto-maandinkomen, verminderd met eenvierde van het minimumloon dat geldt voor een vijftienjarige of indien de jeugdige zestien jaar of ouder is, het voor die leeftijd geldende minimumloon. 2 De eigen bijdrage berekend volgens het eerste lid, wordt voor een jeugdige met een netto jaarinkomen uit tegenwoordige arbeid verminderd met een vierde van deze bijdrage. Indien het inkomen uit tegenwoordige arbeid minder is dan € 635,29 op jaarbasis wordt deze bijdrage verminderd met dat inkomen. 3 Wet studiefinanciering 2000 Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een uitkering ingevolge de, wordt de bijdrage verminderd met: a. het deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en b. artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet de te betalen premie voor een door of ten behoeve van de jeugdige gesloten zorgverzekering als bedoeld in. 4 De eigen bijdrage is niet hoger dan de kosten van het verblijf. 2005 690 22-12-2005 15-12-2005 2005 690 22-12-2005 15-12-2005 01-01-2006
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 De ouderbijdrage of eigen bijdrage is verschuldigd over elke dag dat het verblijf heeft geduurd. De dag van aankomst wordt daarbij wel en de dag van vertrek wordt daarbij niet meegerekend als dag van verblijf. Wordt het verblijf beëindigd op de dag waarop deze is aangevangen, dan is over deze dag de bijdrage verschuldigd. 2 Indien de bijdrage over een gedeelte van een maand is verschuldigd, bedraagt zij het voor een maand geldende bedrag, gedeeld door dertig en vermenigvuldigd met het aantal dagen dat het verblijf heeft geduurd. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 73a — Artikel 73a#
Artikel 73a In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1. artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet uitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, bedoeld in; 2. artikel 37, eerste lid, onder b, van de wet uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73b — Artikel 73b#
Artikel 73b 1 De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende bedragen: a. een bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, op basis van het aantal minderjarigen voor wie de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt en de daartoe vastgestelde normbedragen, en b. artikel 73e artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de provinciebesturen ontvingen in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt verstrekt en het bedrag bedoeld in, vermeerderd met een door Onze Ministers vast te stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in, en de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5 van de wet. 2 De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers. 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 2011 496 03-11-2011 06-09-2011 04-11-2011 01-01-2011
Artikel 73c — Artikel 73c#
Artikel 73c 1 Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken, als volgt vast: a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de jeugdbeschermings- en reclasseringstaken heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen. 2 artikel 104, eerste lid, van de wet artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73d — Artikel 73d#
Artikel 73d 1 artikelen 73b 73c artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet De uitkering bureau jeugdzorg, kan, in afwijking van deen, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 73b, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in. 2 artikelen 73b 73c De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van deen, worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar. 3 Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de vaststelling van de behoefte beïnvloeden. 4 artikel 73b, eerste lid, onder b Het overeenkomstig, berekende bedrag van de uitkering bureau jeugdzorg voor het jaar 2013 wordt verminderd met 2,65%. 2012 637 18-12-2012 10-12-2012 2012 637 18-12-2012 10-12-2012 19-12-2012
Artikel 73e — Artikel 73e#
Artikel 73e 1 artikel 104, tweede lid, van de wet wet artikelen 43 44, eerste lid, van de wet De uitkering zorgaanbod bestaat, onverminderd, uit het bedrag dat het provinciebestuur in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt verstrekt ontving voor jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de, voor de vertrouwenspersoon voor de cliënten van zorgaanbieders, voor experimenten, voor de steunfunctie met betrekking tot die jeugdzorg, voor cliëntenorganisaties en voor het verwerken van gegevens, bedoeld in deen. 2 De uitkering zorgaanbod wordt verhoogd met een bedrag uit de in de begroting beschikbaar gestelde gelden voor extra aanbod, volgens bij circulaire van Onze Ministers vast te stellen regels over de verdeling van dit bedrag aan de hand van het aantal jeugdigen in de provincie, het aantal allochtone jeugdigen en het aantal jeugdigen dat behoort tot een eenoudergezin. 3 wet De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, en onverminderd het tweede lid, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig het eerste en tweede lid, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de. 4 De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, worden verminderd, indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door zorgaanbieders te leveren activiteiten in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar. 5 Artikel 73d, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 6 Het overeenkomstig het eerste lid berekende bedrag van de uitkering zorgaanbod voor het jaar 2013 wordt verminderd met 2,65%. 2012 637 18-12-2012 10-12-2012 2012 637 18-12-2012 10-12-2012 19-12-2012
Artikel 73f — Artikel 73f#
Artikel 73f 1 artikel 73b artikel 73d artikel 73k Een uitkering als bedoeld inenwordt verminderd, indien de omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in, zodanig is dat van het provinciebestuur redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij te verlenen subsidies ten laste brengt van die reserve. 2 artikelen 73b 73d De uitkeringen, bedoeld in deen, kunnen worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden. Met het oog hierop bepalen Onze Ministers per activiteit welk deel van de uitkeringen, dan wel welk deel van de desbetreffende normbedragen waaruit de uitkering is opgebouwd, in aanmerking zal worden genomen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil en welk deel in verband met de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden en welk deel ongevoelig is voor ontwikkeling van beide. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73g — Artikel 73g#
Artikel 73g 1 artikel 32, eerste lid, tweede volzin, van de wet Een aanvraag van de uitkering bureau jeugdzorg en van de uitkering zorgaanbod voor het eerstvolgende jaar wordt gedaan door de toezending van het ontwerp van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in. 2 Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bij de aanvraag te voegen gegevens en de wijze waarop deze worden verstrekt. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73h — Artikel 73h#
Artikel 73h artikel 32, tweede lid, onder a, van de wet artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie, bedoeld in, op de wijze, bedoeld in. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73i — Artikel 73i#
Artikel 73i 1 artikel 73b artikel 73c, tweede lid Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in, eerste lid, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat het provinciebestuur de gegevens, bedoeld in, heeft overgelegd. Het provinciebestuur overlegt de gegevens uiterlijk vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar. 2 artikel 73e Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld in, vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. 3 De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73j — Artikel 73j#
Artikel 73j artikelen 4:49 4:56 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 73k — Artikel 73k#
Artikel 73k 1 Het provinciebestuur vormt een egalisatiereserve jeugdzorg. 2 Het verschil tussen de som van vastgestelde uitkeringen en de vastgestelde subsidies in het jaar waarop de uitkeringen betrekking hebben, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. 3 De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. 4 artikel 4:41, tweede lid, onder c, d, en e, van de Algemene wet bestuursrecht In de gevallen, bedoeld in, is het provinciebestuur terzake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de uitkering aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen. 5 De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed voor een van de doeleinden waarvoor de uitkeringen zijn verstrekt. 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 2009 534 15-12-2009 01-12-2009 16-12-2009 01-01-2009
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 Wijzigt het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Wijzigt het Reglement justitiële jeugdinrichtingen. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 artikel 104, eerste lid, van de wet Wet op de jeugdzorg artikel 60, eerste lid, onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening artikel 60, eerste lid, onder b, van die wet Tot het tijdstip, bedoeld in, kan de stichting een medewerker van een instelling met een landelijk bereik, die op het moment van inwerkingtreding van deals voogdij-instelling op grond vanof als gezinsvoogdij-instelling op grond vanaanvaard was, aanwijzen als voogdij- onderscheidenlijk gezinsvoogdij- of jeugdreclasseringswerker. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 77a — Artikel 77a#
Artikel 77a artikelen 23a, eerste tot en met derde lid 29, derde tot en met vijfde lid Gedurende een periode van een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de, en, zijn die bepalingen niet van toepassing op werktoedelingen waarvan de zorgaanbieder onderscheidenlijk de stichting, aannemelijk kan maken dat die toedeling plaatsvindt aan een beroepsbeoefenaar die reeds op dat tijdstip van inwerkingtreding binnen de betreffende organisatie werkzaam was. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 77b — Artikel 77b#
Artikel 77b artikel 68h Gedurende een periode van vijf jaar en drie maanden na inwerkingtreding vankan in afwijking van dat artikel een beroepsbeoefenaar in het kwaliteitsregister jeugd zijn ingeschreven indien: a. artikel 68h die beroepsbeoefenaar op het tijdstip van inwerkingtreding vanbinnen de jeugdzorg werkzaam is in een functie waarvoor scholing is vereist op het niveau van een hogere beroepsopleiding; b. artikel 68h de aan de registratie van de beroepsbeoefenaar ten grondslag liggende aanvraag is ingediend binnen drie maanden na inwerkingtreding van; c. de beroepsbeoefenaar deelneemt aan een scholingstraject, dat erop gericht is uiterlijk bij de eerste herregistratie de scholing op het niveau van hoger beroepsonderwijs te voltooien; en d. artikel 68l in het kader van de raadpleegbaarheid, bedoeld in, voor een ieder kenbaar is dat de inschrijving van de beroepsbeoefenaar valt onder de werking van dit artikel. 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 2014 405 31-10-2014 16-09-2014 01-11-2014
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 2004 703 28-12-2004 16-12-2004 01-01-2005