Besluit van 23 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WWIK)
- BWB-id
- BWBR0017838
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- 2010-01-01 t/m 2011-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0017838
- ELI
- /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wwik
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wwik/2010-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0017838&g=2010-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0017838&z=2026-06-06&g=2010-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0017838/2010-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2005/uitvoeringsbesluit-wwik
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: a. Wet inkomensvoorziening kunstenaars WIK:, zoals deze luidde op 31 december 2004; b. Wet werk en inkomen kunstenaars WWIK:; c. WWIK uitkering: uitkering op grond van de. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 2 — Artikel 2 Periodiciteit beroepsmatigheidstoets#
Artikel 2 Periodiciteit beroepsmatigheidstoets artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de WWIK artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WWIK artikel 11 van de WWIK De beoordeling of de kunstenaar gedurende de periode, bedoeld indan welals kunstenaar werkzaam is geweest, betreft de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd, dan wel waarin het onderzoek plaatsvindt, bedoeld in. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 3 — Artikel 3 Entree-eis#
Artikel 3 Entree-eis 1 WIK WWIK artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de WWIK artikel 17 van de WWIK Voor kunstenaars aan wie nog niet eerder uitkering op grond van deof deis verleend, bedraagt het bruto-inkomen, bedoeld in, na vermindering met de in aanmerking te nemen beroepskosten, bedoeld in, € 1.200,–. 2 artikel 17 van de WWIK Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder de in aanmerking te nemen beroepskosten, bedoeld in, verstaan de directe kosten die uitsluitend kunnen worden toegerekend aan het met werkzaamheden als kunstenaar verworven inkomen in de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd. 2005 315 28-06-2005 13-06-2005 2005 315 28-06-2005 13-06-2005 29-06-2005 01-01-2005
Artikel 4 — Artikel 4 Progressie-eis#
Artikel 4 Progressie-eis 1 artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK De ingenoemde bedragen worden naar evenredigheid verlaagd, indien de kunstenaar geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht gedurende een gedeelte van de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan respectievelijk de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand wegens ziekte of deelname aan door de adviserende instelling of het college aangeboden beroepskwalificerende scholing van tenminste een aaneengesloten periode van vier weken. 2 Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 3 artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK WWIK Het college kan de kunstenaar die, als gevolg van op de ontwikkeling van de beroepspraktijk gerichte activiteiten die het verwerven van inkomen hebben belemmerd, niet kan voldoen aan de eis, bedoeld in, gedurende de totale looptijd van deeenmalig op zijn verzoek ontheffing van die eis verlenen. De kunstenaar doet hiertoe zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed verzoek aan het college. 4 artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de WWIK De ontheffing, bedoeld in het derde lid, wordt niet verleend, indien het niet hebben voldaan aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld in, het gevolg is van het naar het oordeel van het college onverantwoord handelen of nalaten van de kunstenaar. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 5 — Artikel 5 artikel 11, eerste lid, van de WWIK Progressie-eis na eerdere beëindiging van de uitkering op grond van#
Artikel 5 artikel 11, eerste lid, van de WWIK Progressie-eis na eerdere beëindiging van de uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK artikel 10, vijfde lid, van de WWIK artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK De kunstenaar wiens uitkering op grond vanis beëindigd en die uitkering aanvraagt, heeft na afloop van de periode, bedoel in, recht op uitkering als wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld inover de twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 6 — Artikel 6 Vaststellen inkomen over de beoordelingsperiode van de progressie-eis#
Artikel 6 Vaststellen inkomen over de beoordelingsperiode van de progressie-eis 1 artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK Voor de toepassing van, wordt op de omzet en het bruto-inkomen verworven over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de 13e, 25e of 37e uitkeringsmaand de volgende beroepskosten in mindering gebracht: a. de vaste kosten, afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst; b. de variabele kosten, afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst, naar het percentage dat zij uitmaken van de in die jaarrekening opgenomen omzet. 2 Indien de kunstenaar geen jaarrekening kan overleggen over het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst, dan wel aantoont dat de toepassing van het eerste lid geen recht doet aan de werkelijke kosten over de van toepassing zijnde periode, bedoeld in het eerste lid, wordt de opgave van de kunstenaar in aanmerking genomen, voorzover deze naar het oordeel van het college aannemelijk is. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 7 — Artikel 7 Beroepskosten#
Artikel 7 Beroepskosten 1 artikelen 15 16 van de WWIK Voor de toepassing van deenwordt over de omzet of bruto-inkomsten van de kunstenaar een bedrag van € 3.408,– als beroepskosten in aanmerking genomen. 2 Indien bij de toepassing van het eerste lid het bruto-inkomen van de kunstenaar uitkomt op een negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld. 3 Indien in de situatie, bedoeld in het tweede lid, de kunstenaar aantoont dat de werkelijke beroepskosten de omzet en het bruto-inkomen overstijgen, worden in afwijking van het tweede lid, de resterende meerkosten in mindering gebracht op het bruto-inkomen van zijn echtgenoot. 4 Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het in het eerste lid genoemde bedrag worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen bij de omzet of het bruto-inkomen van de kunstenaar en het bruto-inkomen van zijn echtgenoot. 5 artikel 16, derde lid, van de WWIK artikel 16, derde lid, van de WWIK Bij de toepassing van, worden het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en de werkelijke beroepskosten, bedoeld in het derde en vierde lid, verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te nemen periode, bedoeld in. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 8 — Artikel 8 Maatregelen#
Artikel 8 Maatregelen Vervallen 2009 594 30-12-2009 17-12-2009 2009 593 30-12-2009 27-12-2009 01-01-2010
Artikel 9 — Artikel 9 Vaststelling vermogenswaarde#
Artikel 9 Vaststelling vermogenswaarde 1 artikel 7, vijfde lid, van de WWIK artikel 10 Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt, wordt voor de toepassing van, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning met het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf isvan toepassing. 2 Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, die tevens voor de uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt 50% van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden aangemerkt als vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 10 — Artikel 10 Taxateur#
Artikel 10 Taxateur 1 artikel 13, vijfde lid, van de WWIK Wet waardering onroerende zaken Voor de toekenning van de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld in, wordt uitgegaan van de waarde die is toegekend op grond van de. 2 artikel 13, vijfde lid, van de WWIK In afwijking van het eerste lid kan de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld in, worden vastgesteld door een taxateur die door het college in overeenstemming met de kunstenaar wordt aangewezen. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 11 — Artikel 11 Voorwaarden geldlening#
Artikel 11 Voorwaarden geldlening artikelen 12 13 artikel 13, eerste lid, van de WWIK De voorwaarden, bedoeld in deen, worden in elk geval verbonden aan de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding, bedoeld in, en opgenomen in de hypotheekakte of de akte tot verpanding. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 12 — Artikel 12 Aflossing geldlening#
Artikel 12 Aflossing geldlening 1 artikel 19, tweede lid, van de WWIK artikel 19, eerste lid, van de WWIK De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in, is verstreken. 2 De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 3 paragraaf 3.4 van de Wet werk en bijstand Het college stelt het maandbedrag van de aflossing vast aan de hand van het inkomen, bedoeld in, en de noodzakelijke, voor rekening van de kunstenaar en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wijzigt het college het maandbedrag van de aflossing. 4 paragrafen 3.2 3.3 van de Wet werk en bijstand Bij een inkomen van de kunstenaar en zijn gezin als bedoeld in het derde lid dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in deen, wordt geen aflossing gevergd. 5 Indien de kunstenaar en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 13 — Artikel 13 Rente over niet afgeloste lening#
Artikel 13 Rente over niet afgeloste lening 1 artikel 12, derde of vierde lid Indien door toepassing van, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 2 De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. 3 Indien de kunstenaar naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 4 Indien de kunstenaar naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. 5 Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 14 — Artikel 14 Verkoop of vererving#
Artikel 14 Verkoop of vererving 1 artikel 13, vierde lid Bij verkoop van de woning dan wel bij vererving van de woning na het overlijden van de kunstenaar of, indien het een echtpaar betreft, na het overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van, bijgeschreven rente, terstond afgelost. 2 Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 15 — Artikel 15 Opgave lening en rente#
Artikel 15 Opgave lening en rente artikel 14, eerste lid Aan de kunstenaar of langstlevende echtgenoot, bedoeld in, wordt, telkens na afloop van een kalenderjaar, een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 16 — Artikel 16 Centrumgemeenten#
Artikel 16 Centrumgemeenten WWIK Recht op uitkering op grond van debestaat, indien de kunstenaar woonplaats heeft in: a. de provincie Groningen: jegens het college van de gemeente Groningen; b. de provincie Friesland: jegens het college van de gemeente Leeuwarden; c. de provincie Drenthe: jegens het college van de gemeente Assen; d. de provincie Gelderland: jegens het college van de gemeente Arnhem; e. de provincie Flevoland: jegens het college van de gemeente Lelystad; f. de provincie Utrecht: jegens het college van de gemeente Utrecht; g. de provincie Zeeland: jegens het college van de gemeente Middelburg; h. de provincie Limburg: jegens het college van de gemeente Maastricht; i. de gemeenten Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle: jegens het college van de gemeente Zwolle; j. de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden: jegens het college van de gemeente Enschede; k. de gemeenten Alkmaar, Andijk, Anna Paulowna, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Edam-Volendam, Enkhuizen, Graft-De Rijp, Harenkarspel, Heerhugowaard, Heiloo, Hoorn, Koggenland, Landsmeer, Langedijk, Medemblik, Niedorp, Oostzaan, Opmeer, Purmerend, Schagen, Schermer, Stede Broec, Texel, Waterland, Wervershoof, Wieringen, Wieringermeer, Wormerland, Zaanstad, Zeevang, Zijpe: jegens het college van de gemeente Alkmaar; l. de gemeenten Aalsmeer, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Uithoorn, Velsen, Zandvoort: jegens het college van de gemeente Haarlem; m. de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel: jegens het college van de gemeente Amsterdam; n. de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren: jegens het college van de gemeente Hilversum; o. de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven, Boskoop, Delft, Den Haag, Gouda, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Reeuwijk, Rijnwoude, Rijswijk, Teylingen, Vlist, Voorschoten, Waddinxveen, Wassenaar, Westland, Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens het college van de gemeente Den Haag; p. de gemeenten Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergambacht, Bernisse, Binnenmaas, Brielle, Capelle aan den IJssel, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Giessenlanden, Goedereede, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Leerdam, Liesveld, Maassluis, Middelharnis, Moordrecht, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Nieuwerkerk aan den IJssel, Oostflakkee, Oud-Beijerland, Ouderkerk, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse, Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zederik, Zevenhuizen-Moerkapelle, Zwijndrecht: jegens het college van de gemeente Rotterdam; q. de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout,Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert: jegens het college van de gemeente Breda; r. de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk: jegens het college van de gemeente Tilburg; s. de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught: jegens het college van de gemeente 's-Hertogenbosch; t. de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens het college van de gemeente Eindhoven. 2008 519 16-12-2008 01-12-2008 2008 519 16-12-2008 01-12-2008 01-01-2009
Artikel 17 — Artikel 17 Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 Het#
Artikel 17 Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 Het Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 18 — Artikel 18 Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw#
Artikel 18 Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw Wijzigt het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 19 — Artikel 19 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004#
Artikel 19 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Wijzigt het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 20 — Artikel 20 Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid#
Artikel 20 Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid Wijzigt het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 21 — Artikel 21 Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK#
Artikel 21 Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK Wijzigt het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, Ioaw, Ioaz, Wvg en WIK. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 22 — Artikel 22 Besluit Inlichtingenbureau gemeenten#
Artikel 22 Besluit Inlichtingenbureau gemeenten Wijzigt het Besluit Inlichtingenbureau gemeenten. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-04-2005
Artikel 23 — Artikel 23 Besluit SUWI#
Artikel 23 Besluit SUWI Wijzigt het Besluit SUWI. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 24 — Artikel 24 Boetebesluit socialezekerheidswetten#
Artikel 24 Boetebesluit socialezekerheidswetten Wijzigt het Boetebesluit socialezekerheidswetten. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 25 — Artikel 25 Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen#
Artikel 25 Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen Wijzigt het Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 26 — Artikel 26 Besluit WWB#
Artikel 26 Besluit WWB Wijzigt het Besluit WWB. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 27 — Artikel 27 Overgangsbepaling progressie-eis#
Artikel 27 Overgangsbepaling progressie-eis 1 WIK WWIK De kunstenaar die in of voor het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de, heeft in het jaar 2005 recht op uitkering op grond van de, indien hij in het jaar 2004 een omzet of bruto-inkomen uit kunst van € 1.089,– heeft verworven. 2 WWIK WIK artikel 11, eerste lid, van de WWIK voornoemd artikel Voor de kunstenaar aan wie op grond van het eerste lid uitkering is verleend en de kunstenaar die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deuitkering op grond van deis verleend, geldt dat de beoordeling van het recht op uitkering in het daaropvolgende jaar plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in, zijnde niet meer dan ingenoemd bedrag van € 2.800,–. 3 artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK voornoemd artikel Voor de kunstenaar die na de beoordeling van het bruto-inkomen, bedoeld in het eerste en tweede lid, recht op uitkering heeft, geldt voor de volgende beoordelingsperiode van twaalf kalendermaanden, bedoeld inde naast hogere inkomenseis, bedoeld in. 4 Voor de kunstenaar, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het in het eerste lid genoemde bedrag naar evenredigheid wordt verlaagd indien de kunstenaar gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een aaneengesloten periode van vier weken, wegens ziekte of deelname aan beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht. 5 Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 6 artikel 8, aanhef en onderdeel c, van de WWIK WIK In afwijking van het eerste lid wordt voor de kunstenaar, bedoeld in, het bedrag bedoeld in het eerste lid op nihil gesteld, indien het jaar 2004 het eerste kalenderjaar is waarin uitkering werd verleend op grond van de. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2006 245 23-05-2006 27-04-2006 24-05-2006 01-01-2005
Artikel 28 — Artikel 28 Inwerkingtredingsbepaling#
Artikel 28 Inwerkingtredingsbepaling artikelen 22 27 Artikel 22 Artikel 27 Dit besluit treedt met uitzondering van deenin werking met ingang van 1 januari 2005.treedt in werking met ingang van 1 april 2005.treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005
Artikel 29 — Artikel 29 Citeertitel#
Artikel 29 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WWIK. 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 2004 719 29-12-2004 23-12-2004 01-01-2005