Besluit van 9 maart 2006, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de Commissie gelijke behandeling (Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling)
- BWB-id
- BWBR0019636
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- 2010-03-26 t/m 2012-09-30
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0019636
- ELI
- /eli/nl/amvb/2006/besluit-rechtspositie-leden-commissie-gelijke-behandeling
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2006/besluit-rechtspositie-leden-commissie-gelijke-behandeling/2010-03-26
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0019636&g=2010-03-26
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0019636&z=2026-06-06&g=2010-03-26
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0019636/2010-03-26
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2006/besluit-rechtspositie-leden-commissie-gelijke-behandeling
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. artikel 11, eerste lid, van de wet Commissie: Commissie gelijke behandeling, genoemd in; b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; c. Algemene wet gelijke behandeling wet:; d. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 In geval van het bij de Commissie openvallen van een plaats van voorzitter onderscheidenlijk ondervoorzitter, ander lid of plaatsvervangend lid, stelt de Commissie onderscheidenlijk de voorzitter, na overleg met de overige leden van de Commissie, een lijst van aanbeveling op van ten hoogste drie kandidaten. De Commissie onderscheidenlijk de voorzitter zendt de lijst van aanbeveling aan Onze Minister. 2 Indien Onze Minister voornemens is een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie na het verstrijken van diens benoemingstermijn niet te herbenoemen, doet hij hiervan aan het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, schriftelijk mededeling. 3 Indien een lid of een plaatsvervangend lid na het verstrijken van zijn benoemingstermijn niet voor herbenoeming in aanmerking wenst te komen, geeft hij hiervan zo tijdig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van die termijn, kennis aan Onze Minister. 4 Aan een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 bijlage Een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in debij dit besluit. 2 De voorzitter van de Commissie legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van de Commissie. 3 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of plaatsvervangend lid van de Commissie en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie afschrift van het besluit waarbij hij tot voorzitter, ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid is benoemd. Voorts doet Onze Minister aan een lid van de Commissie schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Een lid van de Commissie wordt door Onze Minister aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week. 2 Op zijn eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van de Commissie is aangesteld door Onze Minister worden gewijzigd. 3 Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van de Commissie. 4 Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van de Commissie betreft. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Het salaris van de voorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 van. 2 bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Het salaris van een ondervoorzitter van de Commissie, die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 van. 3 bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Het salaris van een ander lid van de Commissie, dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 van. 4 Een lid van de Commissie, dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van de Commissie vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 De leden van de Commissie hebben, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, aanspraak op een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een ziektekostenvergoeding, een waarnemingstoelage, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een representatiekostenvergoeding en een vergoeding van verplaatsingskosten. 2 Voorts ontvangen de leden van de Commissie een gratificatie ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor burgerlijke rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht. 3 artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 Aan een lid of leden van de Commissie kan overeenkomstigeen eenmalige of periodieke toeslag worden toegekend. 4 Indien aan de burgerlijke rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van de Commissie deze op gelijke voet van Onze Minister. 5 De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door Onze Minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk aan een bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden door die minister onderscheidenlijk dat gezag worden uitgeoefend. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De plaatsvervangende leden van de Commissie ontvangen van Onze Minister zittingsgeld als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen die voor rechters-plaatsvervangers gelden met betrekking tot de vergoeding voor een zitting. 2 Artikel 7, vijfde lid De plaatsvervangende leden van de Commissie genieten een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren., is van overeenkomstige toepassing. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 De voorzitter van de Commissie verdeelt de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Artikel 7, vijfde lid De leden van de Commissie hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig de bepalingen die terzake gelden voor burgerlijke rijksambtenaren., is van overeenkomstige toepassing. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 1 Een lid van de Commissie kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn ambt. 2 Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 De voorzitter van de Commissie die onderscheidenlijk een ander lid van de Commissie dat wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is om werkzaamheden te verrichten, geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister onderscheidenlijk de voorzitter van de Commissie. 2 Artikel 7, vijfde lid Ten aanzien van de leden van de Commissie is hetgeen voor burgerlijke rijksambtenaren overigens is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing., is van overeenkomstige toepassing. 2010 128 25-03-2010 17-03-2010 2010 128 25-03-2010 17-03-2010 26-03-2010
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 Aan een lid of een plaatsvervangend lid wordt ontslag op eigen verzoek verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het ontslagverzoek door Onze Minister is ontvangen. 2 Van het bepaalde in het eerste lid kan op verzoek van het betrokken lid of plaatsvervangend lid van de Commissie door Onze Minister worden afgeweken. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De bezoldiging van een lid van de Commissie wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van zijn overlijden. 2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van de Commissie wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald overeenkomstig de bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor rechterlijke ambtenaren Werkloosheidswet Ten aanzien van de leden van de Commissie is hetvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van de Commissie, dat ten gevolge van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 Rechtspositiebesluit Commissie gelijke behandeling Hetwordt ingetrokken. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden Commissie gelijke behandeling. 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 2006 140 21-03-2006 09-03-2006 22-03-2006
Artikel 3#
artikel 3, eerste lid