Besluit van 20 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot het gebruik van biobrandstoffen in het wegverkeer (Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007)
- BWB-id
- BWBR0020446
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2011-04-01 t/m 2011-05-03
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020446
- ELI
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-biobrandstoffen-wegverkeer-2007
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-biobrandstoffen-wegverkeer-2007/2011-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020446&g=2011-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020446&z=2026-06-06&g=2011-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020446/2011-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2007/besluit-biobrandstoffen-wegverkeer-2007
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. artikel 1a, eerste lid, onder d, van de Wet op de accijns accijnsgoederenplaats: accijnsgoederenplaats als bedoeld in; b. richtlijn 2003/30/EG richtlijn 2003/30/EG biobrandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van, waaronder in elk geval de biobrandstoffen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van, worden verstaan; c. richtlijn 2003/30/EG energie-inhoud: energie-inhoud als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van; d. artikel 26, vierde lid, van de Wet op de accijns artikel 27, derde lid, van die wet d.. gasolie: gasolie als bedoeld in, niet zijnde gasolie die wordt belast naar het tarief van; e. artikel 26, tweede lid, van de Wet op de accijns ongelode lichte olie: ongelode lichte olie als bedoeld in; f. richtlijn 2003/30/EG richtlijn nr. 2003/30/EG :van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PbEU L 123), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld; g. artikel 2, eerste lid, van de Wet op de accijns uitslag: hetgeen ingevolgeonder dit begrip wordt verstaan; h. vergunninghouder: persoon op wiens naam de vergunning is gesteld van een of meer accijnsgoederenplaatsen van waaruit uitslag plaatsvindt van ongelode lichte olie of gasolie voor het wegverkeer. 2009 606 29-12-2009 14-12-2009 2009 606 29-12-2009 14-12-2009 30-12-2009
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Iedere vergunninghouder levert per kalenderjaar ten minste 4,00% van de door hem uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie aan als biobrandstof, waarbij zowel bij de ongelode lichte olie als bij de gasolie ten minste 3,5% bestaat uit biobrandstoffen. Bij de berekening van het percentage kan op bij ministeriële regeling aan te wijzen biobrandstoffen een bij die regeling vast te stellen wegingsfactor worden toegepast. Bij die regeling kan worden bepaald dat de vergunninghouder in bepaalde gevallen aantoont dat een biobrandstof voldoet aan het in die regeling gestelde en op welke wijze dit aangetoond kan worden. 2 Biobrandstoffen die in aanmerking komen voor een accijnsverlaging of accijnsvrijstelling blijven buiten beschouwing bij de vaststelling van het percentage, bedoeld in het eerste lid. 3 De biobrandstof die ingevolge het eerste lid wordt geleverd in verband met de uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie bestaat uit een of meer van de volgende producten: a. bio-ethanol; b. biomethanol; c. bioETBE; d. bioMTBE; e. synthetische biobenzine; f. biowaterstof; g. richtlijn 2003/30/EG andere producten die als toegestane componenten zijn gewaarmerkt in EN 228 en in overeenstemming zijn met artikel 2, eerste lid, onder a, van. 4 De biobrandstof die ingevolge het eerste lid wordt geleverd in verband met de uitgeslagen hoeveelheid gasolie bestaat uit een of meer van de volgende producten: a. biodiesel; b. biodimethylether; c. biogas; d. onvermengde plantaardige olie; e. synthetische biodiesel; f. richtlijn 2003/30/EG andere producten die als toegestane componenten zijn gewaarmerkt in EN 590 en in overeenstemming zijn met artikel 2, eerste lid, onder a, van. 5 Het in het eerste lid genoemde percentage wordt als volgt berekend: energiepercentage biobrandstof = hoeveelheid biobrandstof x onderste verbrandingswaarde biobrandstof / (de totale in een kalenderjaar uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie respectievelijk gasolie x de onderste verbrandingswaarde ongelode lichte olie respectievelijk gasolie). Indien zich in ongelode lichte olie of gasolie biobrandstoffen bevinden, dan wordt de onderste verbrandingswaarde hiervoor gecorrigeerd. 6 De biobrandstoffen die niet specifiek dienen ter vervanging van ongelode lichte olie en gasolie als bedoeld in de laatste zinsnede van de eerste volzin van het eerste lid, kunnen andere zijn dan die, genoemd in het derde en vierde lid. 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 01-01-2010 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 2009 211 19-05-2009 06-05-2009 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 01-01-2010
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 2, eerste lid De berekening, bedoeld in, wordt gebaseerd op de biobrandstoffenbalans per accijnsgoederenplaats. De hoeveelheden biobrandstoffen worden bijgehouden in liters bij een temperatuur van 15°C. 2 artikel 2, derde, vierde en zesde lid In de biobrandstoffenbalans is opgenomen de hoeveelheid van iedere biobrandstof als bedoeld in, die: a. in de accijnsgoederenplaats is geproduceerd; b. in de accijnsgoederenplaats is ingeslagen; c. is toegevoegd aan de hoeveelheid ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie, die in de accijnsgoederenplaats is ingeslagen; d. uit de accijnsgoederenplaats is uitgeslagen; e. is toegevoegd aan de hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie die uit de accijnsgoederenplaats is uitgeslagen; f. artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns is toegevoegd aan ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie die overeenkomstig het bepaalde in, is overgebracht naar een andere accijnsgoederenplaats, of g. buiten Nederland is gebracht en die al dan niet is toegevoegd aan ongelode lichte olie onderscheidenlijk gasolie. 3 Bij de administratie dient een schriftelijke, ondertekende en gedateerde verklaring aanwezig te zijn van de leverancier van de biobrandstoffen, waarin hij verklaart welke hoeveelheid hij van iedere biobrandstof als bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft geleverd. 4 Degene die biobrandstoffen niet door middel van een accijnsgoederenplaats op de markt brengt, dient in zijn administratie aan te tonen dat de betreffende hoeveelheden biobrandstof als brandstof voor het wegverkeer zijn gebruikt. 5 artikel 2, eerste lid Vergunninghouders mogen aan hun verplichting, bedoeld in, voldoen door hoeveelheden biobrandstoffen als bedoeld in artikel 2, derde, vierde en zesde lid, administratief te verhandelen met andere vergunninghouders of met een ieder, die biobrandstoffen niet door middel van een accijnsgoederenplaats op de markt brengt. Bij de administratie dient een bewijsmiddel te zijn gevoegd. 6 artikel 2, eerste lid De vergunninghouder zendt ieder kalenderjaar vóór 1 april van het daarop volgende kalenderjaar een overzicht over het eerst bedoelde kalenderjaar naar Onze Minister met betrekking tot de geleverde hoeveelheden en soorten biobrandstoffen en de geleverde hoeveelheden ongelode lichte olie en gasolie. Uit dit overzicht moet blijken dat is voldaan aan het in, genoemde percentage. 7 De administratie, met inbegrip van de biobrandstoffenbalans, dient ten minste 7 jaar bewaard te blijven. 2009 606 29-12-2009 14-12-2009 2009 606 29-12-2009 14-12-2009 30-12-2009
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 richtlijn 2003/30/EG Artikel 2, eerste lid, derde volzin Bij ministeriële regeling kunnen met verwijzing naar artikel 3, vierde lid, van, minimumeisen van duurzaamheid worden vastgesteld., is van overeenkomstige toepassing. 2 richtlijn 2003/30/EG artikel 2, eerste lid Bij ministeriële regeling kunnen ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van, categorieën van biobrandstoffen, waarvan het voldoen aan de minimumeisen van duurzaamheid, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden aangetoond, worden aangewezen die buiten beschouwing worden gelaten bij de toepassing van. 3 artikel 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de administratie, bedoeld in. 4 De regelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid treden niet eerder in werking dan zes maanden na publicatie in de Staatscourant en met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar. 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 21-10-2009
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 2, eerste lid Met ingang van 1 januari 2010 komt, te luiden: 1. Iedere vergunninghouder levert per kalenderjaar ten minste 4,00% van de door hem uitgeslagen hoeveelheid ongelode lichte olie en gasolie aan als biobrandstof, waarbij zowel bij de ongelode lichte olie als bij de gasolie ten minste 3,5% bestaat uit biobrandstoffen. Bij de berekening van het percentage kan op bij ministeriële regeling aan te wijzen biobrandstoffen een bij die regeling vast te stellen wegingsfactor worden toegepast. Bij die regeling kan worden bepaald dat de vergunninghouder in bepaalde gevallen aantoont dat een biobrandstof voldoet aan het in die regeling gestelde en op welke wijze dit aangetoond kan worden. 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 2009 416 20-10-2009 08-10-2009 21-10-2009
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer Dit besluit berust mede op. 2008 160 15-05-2008 29-04-2008 2008 160 15-05-2008 29-04-2008 01-06-2008
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 01-01-2007
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007. 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 2006 542 14-11-2006 20-10-2006 01-01-2007