Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen met betrekking tot enkele definities uit artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit definitiebepalingen Wft)
- BWB-id
- BWBR0020412
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Financiën
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2012-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020412
- ELI
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-definitiebepalingen-wft
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-definitiebepalingen-wft/2012-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020412&g=2012-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020412&z=2026-06-06&g=2012-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020412/2012-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2007/besluit-definitiebepalingen-wft
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Wet op het financieel toezicht wet:; b. richtlijn nr. 2004/39/EG richtlijnen 85/611/EEG 93/6/EEG richtlijn 2000/12/EG richtlijn 93/22/EEG afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico: financiële instrumenten als bedoeld in Bijlage I, Deel C, onderdeel 8 vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten tot wijziging van deenvan de Raad en vanvan het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking vanvan de Raad (PbEU L 145). 2006 505 31-10-2006 12-10-2006 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 artikel 1:1 van de wet artikel 1:1 van de wet Als beleggingsobject in de zin van onderdeel b van de definitie van beleggingsobject inwordt aangewezen een deelneming in een personenvennootschap door middel waarvan wordt geïnvesteerd in een speelfilm, niet zijnde een financieel product als bedoeld in de onderdelen b tot en met h van de definitie van financieel product in, bij welke verkrijging aan de houder van de deelneming een rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van de speelfilm in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij de personenvennootschap hoofdzakelijk wordt gedreven door een ander dan de houder van de deelneming. 2006 505 31-10-2006 12-10-2006 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 artikel 1:1 van de wet Als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij inworden aangewezen: a. rechtspersonen of vennootschappen waarvan het balanstotaal voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden € 500.000.000 of meer bedraagt; b. personen of vennootschappen met een netto eigen vermogen dat voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden € 10.000.000 of meer bedraagt en die ten minste gedurende twee aaneengesloten jaren voorafgaand aan het ter beschikking stellen van de opvorderbare gelden, gemiddeld twee keer per maand actief zijn geweest op de financiële markten; c. rechtspersonen of vennootschappen die een waardering hebben van een naar het oordeel van de Nederlandsche Bank deskundige kredietbeoordelaar of die effecten uitgeven dan wel opvorderbare gelden aantrekken op grond van overeenkomsten van geldlening die zijn voorzien van een waardering van een naar het oordeel van de Nederlandsche Bank deskundige kredietbeoordelaar; d. rechtspersonen of vennootschappen die speciaal zijn opgericht: 1°. voor het verrichten van transacties ter verkrijging van vorderingen die strekken tot zekerheid van aangeboden of aan te bieden effecten; 2°. voor het verrichten van transacties ter belegging in subparticipaties of afgeleide instrumenten voor de overdracht van kredietrisico die kunnen worden afgewikkeld door de vorderingen aan hen over te dragen, waarbij de rechten die voor hen voortvloeien uit de subparticipaties of uit de afgeleide instrumenten strekken tot zekerheid van aangeboden of aan te bieden effecten; of 3°. artikel 1:1, onderdeel a of b, van de wet om kredietuitzettingen te verrichten ten behoeve van uitsluitend een of meer professionele marktpartijen als bedoeld in. 2 artikel 1:1 van de wet Personen of vennootschappen van wie opvorderbare gelden worden aangetrokken, ter beschikking worden verkregen of ter beschikking worden gehouden, worden in hun rechtsverhouding tot degene die de opvorderbare gelden aantrekt, ter beschikking verkrijgt onderscheidenlijk ter beschikking heeft, aangewezen als professionele marktpartij in de zin van onderdeel c van de definitie van professionele marktpartij in, indien: a. de nominale waarde van de eerste vordering dan wel van de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding ten minste € 100.000 bedraagt en dit bedrag ineens wordt verstrekt; of b. de eerste vordering dan wel de eerste gezamenlijk verworven vorderingen tezamen, binnen deze rechtsverhouding slechts kunnen worden dan wel zijn verworven voor een bedrag van ten minste € 100.000 ineens. 3 artikel III, onderdeel A, van het Wijzigingsbesluit financiële markten 2012 Op overeenkomsten betreffende het aantrekken, het ter beschikking verkrijgen of het ter beschikking hebben van opvorderbare gelden die zijn aangegaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van, blijft het tweede lid, zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip luidde, van toepassing. 2011 515 10-11-2011 27-10-2011 2011 638 23-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Vervallen 2011 515 10-11-2011 27-10-2011 2011 638 23-12-2011 12-12-2011 01-01-2012
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2006 505 31-10-2006 12-10-2006 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit definitiebepalingen Wft. 2006 505 31-10-2006 12-10-2006 2006 664 20-12-2006 11-12-2006 01-01-2007