Besluit van 18 december 2006, houdende regels met betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen)
- BWB-id
- BWBR0020871
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0020871
- ELI
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-financieel-toetsingskader-pensioenfondsen
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2007/besluit-financieel-toetsingskader-pensioenfondsen/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0020871&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0020871&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0020871/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2007/besluit-financieel-toetsingskader-pensioenfondsen
Artikel 1 — Artikel 1 Definities#
Artikel 1 Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; b. fonds: 1°. artikel 1 van de Pensioenwet pensioenfonds als bedoeld in; 2°. artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling beroepspensioenfonds als bedoeld in. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 1a — Artikel 1a Risicohouding#
Artikel 1a Risicohouding Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 1b — Artikel 1b Overgang naar afgescheiden vermogen#
Artikel 1b Overgang naar afgescheiden vermogen Voor zover het vermogen van een fonds een afgescheiden vermogen bij een algemeen pensioenfonds wordt, is ten aanzien van dit afgescheiden vermogen sprake van voortzetting van de toepassing van het financieel toetsingskader zoals dit bij het fonds werd toegepast. 2018 466 14-12-2018 06-12-2018 2018 466 14-12-2018 06-12-2018 01-01-2019
Artikel 2 — Artikel 2 Hoogte technische voorzieningen#
Artikel 2 Hoogte technische voorzieningen 1 Het bestuur van een fonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen. 2 De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. 3 Een fonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 3 — Artikel 3 Inzenden berekening technische voorzieningen#
Artikel 3 Inzenden berekening technische voorzieningen 1 Een fonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in bij De Nederlandsche Bank. 2 Onverminderd het eerste lid, dient een fonds desgevraagd een berekening van de technische voorzieningen in bij De Nederlandsche Bank indien De Nederlandsche Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het fonds in gevaar kunnen brengen. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 4 — Artikel 4 Kostendekkende premie en premiestabilisatie#
Artikel 4 Kostendekkende premie en premiestabilisatie Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 5 — Artikel 5 Samenstelling eigen vermogen#
Artikel 5 Samenstelling eigen vermogen 1 Het eigen vermogen van een fonds wordt met name gevormd door de volgende vermogensbestanddelen: a. het gestorte aandelenkapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met de ledenrekeningen; b. de reserves; c. het onverdeelde positieve of negatieve resultaat; d. het cumulatief preferent aandelenkapitaal; e. de achtergestelde leningen; f. de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten; en g. de helft van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen verdeeld waarborgkapitaal. 2 Het eigen vermogen van een fonds wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door het fonds worden gehouden en met het bedrag van de immateriële activa. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 6 — Artikel 6 Vorming van eigen vermogen ten behoeve van toekomstige pensioenaanspraken#
Artikel 6 Vorming van eigen vermogen ten behoeve van toekomstige pensioenaanspraken artikel 116 van de Pensioenwet De vorming van eigen vermogen ten behoeve van toezeggingen die in de toekomst leiden tot een wijziging van de pensioenovereenkomst en als gevolg daarvan tot een toename van de pensioenverplichtingen, is een activiteit die verband houdt met pensioen en kan overeenkomstigdoor een pensioenfonds worden verricht. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 7 — Artikel 7 Ledenrekeningen#
Artikel 7 Ledenrekeningen 1 artikel 5, eerste lid, onder a De ledenrekeningen, bedoeld in, worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer de statuten bepalen dat: a. artikel 11 vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden plaatsvinden als daardoor het eigen vermogen niet daalt beneden het vereiste niveau, bedoeld in, dan wel bij liquidatie van het fonds, als alle andere schulden zijn voldaan; b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na melding daarvan aan De Nederlandsche Bank; en c. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een voorgenomen betaling niet mag plaatsvinden. 2 De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 8 — Artikel 8 Cumulatief preferent aandelenkapitaal en achtergestelde leningen#
Artikel 8 Cumulatief preferent aandelenkapitaal en achtergestelde leningen 1 artikel 5, eerste lid, onder d en e Het cumulatief preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen, bedoeld in, worden meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het minimaal vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het cumulatief preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van liquidatie van het fonds, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn voldaan. 2 Achtergestelde leningen als bedoeld in het eerste lid mogen meetellen tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist eigen vermogen. 3 De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen zijn gestort. 4 Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing. 5 Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of De Nederlandsche Bank aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de aflossing ontvangt De Nederlandsche Bank ten minste zes maanden voor de beoogde aflossingsdatum. 6 De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie van het fonds, wordt afgelost. 7 In afwijking van het zesde lid kan De Nederlandsche Bank toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van het fonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste niveau daalt. 8 De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen. 2007 572 28-12-2007 20-12-2007 2007 572 28-12-2007 20-12-2007 29-12-2007
Artikel 9 — Artikel 9 Effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten#
Artikel 9 Effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten 1 artikel 5, eerste lid, onder f artikel 8, eerste lid De effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten, bedoeld in, worden voor het totaal van deze effecten en van de achtergestelde leningen, bedoeld in, meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het totaal van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naar gelang welk bedrag het laagst is, voor zover: a. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat het fonds de rentebetaling uit kan stellen; b. de vorderingen op het fonds uit hoofde van de genoemde effecten zijn achtergesteld ten opzichte van overige vorderingen; c. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat verliezen kunnen worden gecompenseerd met het bedrag van de lening en nog te betalen rente; en d. bedragen zijn gestort. 2 De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 10 — Artikel 10 Obligo#
Artikel 10 Obligo Van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen verdeelde waarborgkapitaal wordt de helft meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen vermogen, naargelang welk bedrag het laagst is, mits van het geplaatste kapitaal minimaal vijfentwintig procent is gestort. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 11 — Artikel 11 Minimaal vereist eigen vermogen#
Artikel 11 Minimaal vereist eigen vermogen 1 Het minimaal vereist eigen vermogen bedraagt het totaal van de in dit artikel beschreven berekeningen. 2 Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds beleggingsrisico wordt gelopen, wordt vier procent van het bedrag van de bruto technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en de bruto technische voorzieningen aan het eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijfentachtig procent. 3 Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd, wordt één procent van de technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend, overeenkomstig het tweede lid. 4 Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode van vijf jaar of minder zijn vastgelegd, wordt vijfentwintig procent van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in het afgelopen boekjaar gerekend. 5 Voor pensioenregelingen met risicokapitaal bij overlijden, wordt 0,3 procent van het aanwezige risicokapitaal vermenigvuldigd met de verhouding tussen het risicokapitaal dat ten laste van het fonds blijft na aftrek van de overdrachten uit hoofde van verzekering en het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent. 6 Voor zover het fonds arbeidsongeschiktheidspensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid uitvoert, wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend: a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies en kosten niet meer bedragen dan € 50 miljoen, vermeerderd met zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer bedragen dan € 50 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van het fonds na overdracht uit hoofde van verzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent; b. zesentwintig procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en toevoeging niet meer bedragen dan € 35 miljoen, vermeerderd met drieëntwintig procent van deze schaden en toevoeging, voor zover deze meer bedragen dan € 35 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen rekening komen van het fonds na overdracht uit hoofde van verzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent. 7 Indien de hoogste uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het zesde lid, lager is dan in het afgelopen boekjaar, is de uitkomst ten minste gelijk aan de uitkomst van het afgelopen boekjaar vermenigvuldigd met de verhouding tussen de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit verzekering aan het einde van het afgelopen boekjaar en de technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit verzekering aan het begin van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten hoogste honderd procent. 8 De Nederlandsche Bank kan tegen de op verzekering gebaseerde verlaging van het minimaal vereist eigen vermogen overeenkomstig het tweede, vijfde, zesde en zevende lid, bedenkingen naar voren brengen indien: a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van verzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van verzekering. 2018 194 28-06-2018 20-06-2018 2018 194 28-06-2018 20-06-2018 01-07-2018
Artikel 11a — Artikel 11a Beschikking over minimaal vereist eigen vermogen#
Artikel 11a Beschikking over minimaal vereist eigen vermogen 1 Een fonds dat pensioenregelingen uitvoert waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen, beoordeelt op 31 december van ieder jaar of voldaan wordt aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen. 2 Indien het fonds, bedoeld in het eerste lid, op 31 december van het lopende boekjaar niet voldoet aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen, beoordeelt het fonds of het op 31 december van het voorafgaande boekjaar voldeed aan deze vereisten. 3 artikel 11 Indien het fonds, bedoeld in het eerste lid, zowel op 31 december van het lopende boekjaar als op 31 december van het voorafgaande boekjaar niet voldeed aan de ingestelde vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen, neemt het fonds direct maatregelen zodat het op 31 december van het lopende boekjaar voldoet aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen. 2025 439 19-12-2025 16-12-2025 2025 439 19-12-2025 16-12-2025 20-12-2025
Artikel 12 — Artikel 12 Vereist eigen vermogen#
Artikel 12 Vereist eigen vermogen 1 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen hanteert het fonds een standaardmodel waarin door middel van risicofactoren voor de gehele balans van activa en passiva rekening wordt gehouden met: a. het renterisico; b. het aandelen- en vastgoedrisico; c. het valutarisico; d. het grondstoffenrisico; e. het kredietrisico; f. het verzekeringtechnisch risico; g. het liquiditeitsrisico; h. het concentratierisico; i. het operationeel risico; en j. het actief beheer. 2 In aanvulling op het standaardmodel, bedoeld in het eerste lid, hanteert een fonds, na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank, een of meer partiële modellen, indien het risicoprofiel van het fonds niet voldoende aansluit op de uitgangspunten van het standaardmodel. 3 In afwijking van het eerste lid kan een fonds, na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank, voor de berekening van het vereist eigen vermogen een intern model hanteren. 4 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen kan een fonds dat zijn risico’s heeft verzekerd bij een verzekeraar, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, en het tweede en derde lid, voor het verzekerde deel het kredietrisico buiten beschouwing laten. 5 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen inzake de scenariomethode indien innovatieve beleggingsinstrumenten daartoe aanleiding geven. 6 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het standaardmodel en de omvang, de inhoud en de samenhang van de risicofactoren, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde situaties. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 12a — Artikel 12a Beleidsdekkingsgraad#
Artikel 12a Beleidsdekkingsgraad 1 De vaststelling van de beleidsdekkingsgraad vindt plaats per het einde van een kalendermaand. 2 De berekening van de beleidsdekkingsgraad wordt gebaseerd op de dekkingsgraden per het einde van elk van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan het moment van vaststelling. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 13 — Artikel 13 Eisen ten aanzien van beleggingen#
Artikel 13 Eisen ten aanzien van beleggingen 1 De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd. 2 Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. 3 De waarden worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt. 4 Beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Het fonds vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen. 5 De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. 6 artikel 135, eerste lid, onder c, van de Pensioenwet artikel 130, eerste lid, onder b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 12, vierde lid Onder waardering op marktwaarde als bedoeld inenwordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn. Bij de waardering van een vordering van een fonds op een verzekeraar uit hoofde van een verzekering als bedoeld in, kan het kredietrisico op die verzekeraar buiten beschouwing worden gelaten. 7 Onder een gereglementeerde markt als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: een multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten – binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem – samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van die markt tot de handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en overeenkomstig de geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende toezicht werkt. 8 artikel 23a, vijfde lid Onder blootstelling aan beleggingsrisico wordt verstaan; de effectieve blootstelling aan zakelijke waardenrisico. Zakelijke waarden zijn alle beleggingen die niet onder kredietrisicovrije vastrentende waarden vallen, waarbij voor vastrentende waarden met kredietrisico een systematiek van mapping toegepast wordt op basis van de tabel, bedoeld in. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 13a — Artikel 13a Beleggingsbeleid#
Artikel 13a Beleggingsbeleid 1 Een fonds stelt voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds en is gebaseerd op gedegen onderzoek. 2 Het strategisch beleggingsbeleid bevat in ieder geval een beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de beoogde beleggingsportefeuille en de mate waarin van de beoogde beleggingsportefeuille kan worden afgeweken. 3 Het fonds vertaalt het strategisch beleggingsbeleid naar een beleggingsplan. In het beleggingsplan neemt het fonds concrete en gedetailleerde richtniveaus en bandbreedtes per beleggingscategorie op. Het fonds stelt daarbij beleid op voor de beheersing van de relevante risico’s. 4 Het fonds onderbouwt dat het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan passen binnen de prudent person regel. 5 Een fonds stelt een beleggingscyclus vast op grond waarvan het strategisch beleggingsbeleid, het beleggingsplan en de uitvoering periodiek worden geëvalueerd en herbeoordeeld. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 14 — Artikel 14 Leningen#
Artikel 14 Leningen 1 artikel 136 van de Pensioenwet artikel 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Leningen als bedoeld inen, zijn tijdelijk indien deze worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar. 2 artikel 136 van de Pensioenwet artikel 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Van een liquiditeitsdoelstelling, als bedoeld inen, is sprake als het fonds tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van het fonds. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 15 — Artikel 15 Voorwaardelijke toeslagverlening#
Artikel 15 Voorwaardelijke toeslagverlening 1 Een fonds stelt beleid vast met betrekking tot voorwaardelijke toeslagverlening waarin is vastgelegd of en zo ja, in welke mate, toeslagverlening wordt beoogd. Indien sprake is van toeslagverlening op basis van een maatstaf als lonen, prijzen of een vast percentage van de pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt deze maatstaf weergegeven. Verder wordt een beschrijving opgenomen van de methodiek die wordt gehanteerd bij incidentele toeslagverlening om in het verleden niet toegekende toeslag of in het verleden doorgevoerde vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten te compenseren. 2 artikel 137, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet artikel 132, tweede lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De beleidsdekkingsgraad waaronder geen toeslag wordt verleend, bedoeld indan wel, is 110%. 3 artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 23a, eerste lid, onderdeel b Voor de toepassing vandan welwordt de volgende rekenregel toegepast. Eerst wordt de omvang van het voor toeslagverlening beschikbare vermogen boven de beleidsdekkingsgraad van 110%, bedoeld in het tweede lid, bepaald. Vervolgens wordt de hoogte van de toeslag zodanig bepaald dat wanneer deze jaarlijks wordt toegekend de contante waarde van alle toeslagen maximaal gelijk is aan de hoogte van dit vermogen. De hierbij gehanteerde discontovoet is maximaal gelijk aan het verwachte bruto rendement op aandelen, bedoeld in, verminderd met de uniforme kostenafslag voor beleggingskosten, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b. 4 artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid Een fonds dat een op de minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het prijs- of loonindexcijfer, bedoeld in, gebaseerde maatstaf hanteert voor voorwaardelijke toeslagverlening stelt de op grond van de rekenregel in het derde lid berekende toeslag vast als percentage van de maatstaf en past voor de bepaling van de hoogte van de toeslagverlening dit percentage toe op de voor het betreffende jaar relevante gerealiseerde waarde van de maatstaf voor toeslagverlening. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. 2017 451 28-11-2017 16-11-2017 2017 451 28-11-2017 16-11-2017 29-11-2017
Artikel 15a — Artikel 15a Toeslagendepots#
Artikel 15a Toeslagendepots 1 artikel 15b Voor de toepassing van dit artikel enwordt onder een toeslagendepot verstaan: een bestemmingsreserve die geen onderdeel uitmaakt van de dekkingsgraad van het fonds en als enige doel heeft het gedurende een bepaalde tijd financieren van toeslagverlening. 2 Artikel 137, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 132, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling dan welis gedurende een periode van maximaal tien jaar niet van toepassing ten aanzien van een toeslagendepot dat vanaf 1 januari 2015 is ingesteld om een deel van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden van een fonds door toeslagverlening te compenseren vanwege: a. artikel 84 van de Pensioenwet artikel 92 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling een fusie van fondsen met een verschillende dekkingsgraad of een collectieve waardeoverdracht bij liquidatie van een fonds als bedoeld indan welwaarbij het overdragende fonds en het ontvangende fonds een verschillende dekkingsgraad hebben; b. een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten of een wijziging van de beroepspensioenregeling die inhoudt dat onvoorwaardelijke toeslagverlening is gewijzigd in voorwaardelijke toeslagverlening; of c. een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten die inhoudt dat: 1°. bij een uitkeringsovereenkomst wordt overgegaan op een premie die voor meerdere jaren wordt vastgesteld; of 2°. wordt overgegaan op een premieovereenkomst, waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt aangewend voor een aanspraak op uitkering. 3 Artikel 137, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 132, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling dan welis tot uiterlijk 1 januari 2025 niet van toepassing ten aanzien van een toeslagendepot dat voor 1 januari 2015 is ingesteld. 4 Artikel 15b, eerste lid Indien een nieuw fonds is opgericht vanwege een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, en uitsluitend het deel van de belanghebbenden van het oude fonds waarvoor het perspectief op toeslagverlening is verslechterd door deze omstandigheid, belanghebbende wordt bij het nieuwe fonds kan, in afwijking van het tweede lid, het toeslagendepot zijn ingesteld om alle belanghebbenden bij het nieuwe fonds te compenseren., is van overeenkomstige toepassing. 5 artikel 131 van de Pensioenwet artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Er wordt geen toeslag verleend uit een toeslagendepot als bedoeld in het tweede en derde lid, indien het fonds gezien de beleidsdekkingsgraad niet voldoet aan de bij of krachtensdan welgestelde eisen ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen. 2016 393 01-11-2016 13-10-2016 2016 393 01-11-2016 13-10-2016 02-11-2016
Artikel 15b — Artikel 15b Verdere voorwaarden toeslagendepots#
Artikel 15b Verdere voorwaarden toeslagendepots 1 artikel 15a, tweede lid Uit een toeslagendepot als bedoeld in, kan toeslag worden verleend aan het deel van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden van het fonds waarvoor wordt aangetoond dat de omstandigheden, bedoeld in artikel 15a, tweede lid, hebben geleid tot een verslechtering van het perspectief op toeslagverlening. Bij de omstandigheden, bedoeld in artikel 15a, tweede lid, onderdeel c, toont het fonds dit aan door middel van een scenarioanalyse. 2 artikel 15a, tweede lid De periode van maximaal tien jaar, bedoeld in, wordt berekend vanaf het moment dat de fusie van de fondsen of de collectieve waardeoverdracht, bedoeld in artikel 15a, tweede lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden of de collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten dan wel de wijziging van de beroepspensioenregeling, bedoeld in artikel 15a, tweede lid, onderdeel b of c, is ingegaan. 3 Een toeslagendepot wordt als volgt gefinancierd: a. artikel 15a, tweede lid, onderdeel a een toeslagendepot als bedoeld in, rechtstreeks uit de middelen van het bij de fusie of collectieve waardeoverdracht betrokken fonds met de hoogste dekkingsgraad, waarbij de omvang van een dergelijk toeslagendepot niet groter is dan het vermogen dat correspondeert met het verschil in dekkingsgraad van de bij de fusie of collectieve waardeoverdracht betrokken fondsen direct voorafgaand aan de fusie of collectieve waardeoverdracht; b. artikel 15a, tweede lid, onderdeel b een toeslagendepot als bedoeld in, door een daarvoor bestemde premie of door een eenmalige storting van de werkgever; c. artikel 15a, tweede lid, onderdeel c een toeslagendepot als bedoeld in, door een eenmalige storting van de werkgever; of d. artikel 15a, derde lid een toeslagendepot als bedoeld in, door een daarvoor bestemde premie mits de afspraken daartoe voor 1 januari 2015 zijn vastgelegd. 4 artikel 15a, tweede lid De regeling met betrekking tot een toeslagendepot als bedoeld in, wordt vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement. Daarbij wordt in ieder geval vastgelegd: a. de reden voor de instelling van het toeslagendepot; b. de financiering van het toeslagendepot; c. een omschrijving van de groep deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden die toeslag krijgen uit het toeslagendepot; en d. onder welke voorwaarden toeslag wordt verleend uit het toeslagendepot. 2016 393 01-11-2016 13-10-2016 2016 393 01-11-2016 13-10-2016 02-11-2016
Artikel 15c — Artikel 15c Toeslag vanwege dynamiseren indiening implementatieplan#
Artikel 15c Toeslag vanwege dynamiseren indiening implementatieplan Vervallen 2025 154 11-06-2025 05-06-2025 2025 423 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026 Treedt volgens Stb. 2025/439 in werking op het tijdstip waarop de
Wet van 4 december 2025 tot wijziging van de Pensioenwet, de Wet op
de loonbelasting 1964 en enige andere wetten in verband met de
verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel
(Stb. 2025/422) in werking treedt.
Artikel 16 — Artikel 16 Herstelplan#
Artikel 16 Herstelplan 1 artikel 138 van de Pensioenwet artikel 133 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Het herstelplan, bedoeld inof, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. artikel 132 van de Pensioenwet artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de oorzaak van het, gezien de beleidsdekkingsgraad, niet meer voldoen aan de bij of krachtensofgestelde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen; b. de voorziene ontwikkeling van de technische voorzieningen en de waarden; c. de concrete maatregelen waardoor, gezien de beleidsdekkingsgraad, het eigen vermogen binnen de looptijd van het herstelplan op het vereiste niveau komt, waarbij rekening wordt gehouden met de naar verwachting toe te kennen toeslagverlening en de overige verplichtingen van het fonds. 2 Het herstelplan is ten aanzien van het eerste lid, onderdelen b en c, gebaseerd op een deterministische analyse op basis van een dekkingsgraadsjabloon. 3 Bij het indienen van het herstelplan onderbouwt het fonds waarom vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden een bepaalde looptijd van het herstelplan is gekozen. 4 artikel 132 van de Pensioenwet artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De in het eerste lid, onder c, bedoelde maatregelen mogen er niet toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onder a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen, doelbewust wordt vergroot ten opzichte van de situatie waarin wel werd voldaan aan de inofopgenomen vereisten. 5 Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing in de periode tussen het moment dat het fonds vaststelt dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen en de ingangsdatum van het herstelplan. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 17 — Artikel 17 Kortetermijnherstelplan#
Artikel 17 Kortetermijnherstelplan Vervallen 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 18 — Artikel 18 Beheerste bedrijfsvoering#
Artikel 18 Beheerste bedrijfsvoering 1 Een fonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt in het kader van het risicobeheer schriftelijk beleid vast ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan. Het risicobeheer is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen. 2 Het fonds stelt onder meer strategieën, processen en rapportageprocedures schriftelijk vast om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan het fonds en de door het fonds uitgevoerde pensioenregelingen zijn of kunnen worden blootgesteld regelmatig te onderkennen, meten, bewaken en beheren en hierover te rapporteren. Hierbij worden ook de onderlinge afhankelijkheden en relaties tussen de in de vorige zin genoemde risico’s beschreven. 3 Onder risico’s als bedoeld in het eerste en tweede lid worden in ieder geval de risico’s verstaan die zich, voor zover van toepassing, bij het fonds of derden waaraan de werkzaamheden zijn uitbesteed op de volgende terreinen kunnen voordoen: a. aangaan van pensioenverplichtingen en reservevorming; b. afgestemd beheer van activa en passiva; c. beleggingen, met name derivaten, securitisaties en vergelijkbare verbintenissen; d. beheer van het liquiditeits- en concentratierisico; e. beheer van het operationele risico; f. verzekering en andere risicobeperkingstechnieken; g. milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen met betrekking tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan; en h. Verordening (EU) 2022/2554 Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 909/2014 (EU) 2016/1011 netwerk- en informatiesystemen als bedoeld invan het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van de,,,en(PbEU 2022, L 333). 4 Verordening (EU) 2022/2554 Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 (EU) nr. 648/2012 (EU) nr. 600/2014 (EU) nr. 909/2014 (EU) 2016/1011 Een fonds waarborgt dat de beheerste bedrijfsvoering geschiedt met in achtneming vanvan het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van de,,,en(PbEU 2022, L 333). 5 Een fonds neemt bij de uitvoering van een premieovereenkomst of premieregeling in de opbouwfase of een variabele uitkering de beleggingsrisico’s die deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden lopen vanuit hun oogpunt in aanmerking bij het opstellen en uitvoeren van het beleid ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s. 6 artikel 143a, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 138a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De risicobeheerfunctie, bedoeld indan welwordt zodanig opgezet dat zij bevorderlijk is voor het risicobeheer. 7 Een algemeen pensioenfonds draagt er zorg voor dat de administratieve en boekhoudkundige procedures, bedoeld in het eerste lid, de scheiding waarborgen tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden. 2024 379 03-12-2024 25-11-2024 2024 379 03-12-2024 25-11-2024 17-01-2025
Artikel 18a — Artikel 18a Organisatiestructuur beleggingsbeleid#
Artikel 18a Organisatiestructuur beleggingsbeleid 1 Een fonds legt schriftelijk een duidelijke organisatiestructuur vast met betrekking tot het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid. Bij deze organisatiestructuur wordt in ieder geval het risicobeheer vorm gegeven en waarborgt het fonds een zorgvuldig en transparant besluitvormingsproces. Het risicobeheer is adequaat en onafhankelijk. 2 Een fonds draagt er zorg voor dat er een balans is tussen omvang, aard en complexiteit van de beleggingsportefeuille enerzijds en de aanwezige kennis en ervaring en het risicobeheer anderzijds. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 18b — Artikel 18b Eigenrisicobeoordeling#
Artikel 18b Eigenrisicobeoordeling 1 Een fonds voert in het kader van het risicobeheer ten minste driejaarlijks een eigenrisicobeoordeling uit en legt de resultaten hiervan schriftelijk vast. In geval van een significante wijziging in het risicoprofiel van het fonds of door het fonds uitgevoerde pensioenregelingen vindt zo spoedig mogelijk een eigenrisicobeoordeling plaats, met dien verstande dat bij een significante wijziging in het risicoprofiel van een specifieke pensioenregeling de eigenrisicobeoordeling beperkt mag blijven tot die pensioenregeling. 2 De eigenrisicobeoordeling en de vastlegging van de resultaten hiervan omvat in ieder geval: a. een beschrijving van de wijze waarop de eigenrisicobeoordeling in het managementproces en de besluitvormingsprocessen van het fonds is geïntegreerd; b. indien het fonds de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie uitbesteedt aan de bijdragende onderneming, een beschrijving van de wijze waarop belangenconflicten met de bijdragende onderneming worden voorkomen of beheerst; c. een beoordeling van de doelmatigheid van het risicobeheer; d. een beoordeling van de totale financieringsbehoeften van het fonds met, indien van toepassing, een beschrijving van het herstelplan; e. een beoordeling van de risico’s voor de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden met betrekking tot hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en de effectiviteit van eventuele corrigerende maatregelen, in voorkomend geval rekening houdend met: 1°. de mogelijkheden tot toeslagverlening; 2°. de mogelijkheden tot vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten, waaronder de mate waarin de pensioenaanspraken en pensioenrechten kunnen worden verminderd, onder welke voorwaarden en door wie; f. Richtlijn 2009/138/EG een kwalitatieve beoordeling van de mechanismen ter bescherming van de pensioenuitkeringen, waaronder in voorkomend geval garanties, convenanten of een andere soort financiële steun van de bijdragende onderneming, verzekering of herverzekering door een onderneming die valt ondervan het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2009, L 335); g. een kwalitatieve beoordeling van de operationele risico's; en h. voor zover van toepassing, een beoordeling van nieuwe of opkomende risico’s, met inbegrip van risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving. 3 Het fonds beschikt voor de toepassing van het tweede lid over methoden om de risico's te detecteren en te beoordelen waaraan het fonds op korte en op lange termijn is of kan worden blootgesteld en die gevolgen kunnen hebben voor de mogelijkheid van het fonds om aan haar verplichtingen te voldoen. De gebruikte methoden worden beschreven in de vastlegging van de resultaten van de eigenrisicobeoordeling. 4 Het fonds neemt de eigenrisicobeoordeling in aanmerking bij het nemen van strategische beslissingen. 5 Het fonds zendt een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de resultaten van de eigenrisicobeoordeling of de wijzigingen in de resultaten van de eigenrisicobeoordeling binnen twee weken na de totstandkoming daarvan aan de toezichthouder. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 19 — Artikel 19 Integriteitrisico#
Artikel 19 Integriteitrisico Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 19a — Artikel 19a Incidenten#
Artikel 19a Incidenten 1 Een fonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten. 2 Onder een incident als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: een gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een fonds. 3 Een fonds neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling. 4 Een fonds informeert de Nederlandsche Bank onverwijld omtrent incidenten. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 20 — Artikel 20 Belangenverstrengeling#
Artikel 20 Belangenverstrengeling 1 Een fonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het fonds van personen die het beleid van het fonds bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van het fonds en andere werknemers of andere personen die in opdracht van het fonds op structurele basis werkzaamheden voor het fonds verrichten. 2 Een fonds voorkomt dat sprake is van personele unies op het niveau van beleidsbepalers of medebeleidsbepalers tussen het fonds en derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed, tenzij sprake is van uitbesteding van werkzaamheden aan de werkgever. 3 Een fonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het fonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het fonds aanwezige informatie of zaken. 4 De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de gedragscode, bedoeld in het derde lid. 2014 198 11-06-2014 02-06-2014 2014 198 11-06-2014 02-06-2014 01-07-2014
Artikel 21 — Artikel 21 Soliditeit van het fonds#
Artikel 21 Soliditeit van het fonds Een fonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 21a — Artikel 21a Beheerst beloningsbeleid#
Artikel 21a Beheerst beloningsbeleid 1 artikel 21 Het beleid, bedoeld in, houdt mede in dat het fonds een beleid inzake beloningen voert dat niet aanmoedigt tot het nemen van meer risico’s dan voor het fonds aanvaardbaar is. 2 Het fonds legt het beleid inzake beloningen schriftelijk vast en draagt er zorg voor dit beleid te implementeren en in stand te houden. Het beleid is afgestemd op de omvang en organisatie van het fonds en op de aard, omvang en complexiteit van zijn bedrijf, is in overeenstemming met de werkzaamheden, het risicoprofiel, de doelstellingen, het langetermijnbelang, de financiële stabiliteit en de prestaties van het fonds als geheel, en draagt bij aan een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van het fonds. 3 Het beleid inzake beloningen omschrijft de beloningscomponenten en beloningsstructuren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat het fonds meer risico’s neemt dan voor hem aanvaardbaar is, alsmede de te volgen procedures en maatregelen die dergelijke beloningscomponenten en beloningsstructuren voorkomen en beheersen. 4 Het fonds maakt zijn beleid inzake beloningen openbaar. 5 Het fonds evalueert en actualiseert het beleid inzake beloningen ten minste driejaarlijks. 6 De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot: a. de wijze waarop het beleid inzake beloningen wordt opgesteld en vastgesteld of goedgekeurd, uitgevoerd, geëvalueerd en aangepast; b. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan beloningscomponenten en beloningsstructuren en de wijze waarop de risico’s die uit het beleid en de uitvoering daarvan voortvloeien, worden beheerst; en c. de inhoud en wijze van openbaarmaking van het beleid inzake beloningen. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 21b — Artikel 21b Ratings#
Artikel 21b Ratings Een fonds draagt er zorg voor dat voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau. 2014 414 04-11-2014 16-10-2014 2014 414 04-11-2014 16-10-2014 21-12-2014
Artikel 22 — Artikel 22 Haalbaarheidstoets#
Artikel 22 Haalbaarheidstoets 1 Een fonds voert periodiek een haalbaarheidstoets uit die op basis van een stochastische analyse inzicht geeft in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s die daarbij gelden. Er is een aanvangshaalbaarheidstoets en een jaarlijkse haalbaarheidstoets. 2 Een fonds voert een aanvangshaalbaarheidstoets uit bij uitvoering van een nieuwe pensioenregeling en bij significante wijzigingen. 3 De aanvangshaalbaarheidstoets laat zien: a. dat het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau boven de door het fonds te kiezen ondergrens voor dit pensioenresultaat blijft; b. dat het premiebeleid over de gehele berekeningshorizon voldoende realistisch en haalbaar is; c. indien van toepassing dat het fonds voldoende herstelcapaciteit heeft om naar verwachting vanuit de situatie dat aan de vereisten voor het minimaal vereist eigen vermogen wordt voldaan, binnen de looptijd van het herstelplan aan de vereisten voor het vereist eigen vermogen te voldoen; en d. dat het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario niet teveel afwijkt van het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau, waarbij het fonds hiervoor de maximale afwijking vaststelt. 4 De toetsing van het derde lid, onderdelen a, b, en d, wordt gedaan vanuit de feitelijke financiële positie van het fonds. De toetsing van het derde lid, onderdelen a en b wordt ook gedaan vanuit een dekkingsgraad waarbij aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan. 5 Bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets wordt vanuit de feitelijke financiële positie van een fonds beoordeeld in hoeverre wordt voldaan aan het derde lid, onderdelen a en d, op basis van de bij de laatste aanvangshaalbaarheidstoets door het fonds gekozen normering bij deze onderdelen. 6 artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 109a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Indien bij de jaarlijkse haalbaarheidstoets blijkt dat niet wordt voldaan aan het derde lid, onderdeel a of d, treedt het fonds in overleg met de vertegenwoordigers, bedoeld indan wel, om te bezien of maatregelen genomen moeten worden. 7 artikel 23b De haalbaarheidstoets omvat een aantal prognosejaren, gerekend vanaf de rapportagedatum en werkt met de scenariosets, bedoeld in. 8 Bij ministeriele regeling kunnen regels worden gesteld over de haalbaarheidstoets en over de voorwaarden waaronder in het kader van de transitie kan worden bepaald dat de haalbaarheidstoets, in afwijking van het eerste lid, niet jaarlijks behoeft te worden uitgevoerd. 2024 182 24-06-2024 19-06-2024 2024 182 24-06-2024 19-06-2024 25-06-2024 01-01-2024
Artikel 22a — Artikel 22a Interne audit#
Artikel 22a Interne audit 1 Een fonds legt schriftelijk beleid vast met betrekking tot de interne audit en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan. 2 artikel 143a, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 138a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De interne auditfunctie, bedoeld indan welis belast met de interne audit. In het kader van de interne auditfunctie wordt onder meer geëvalueerd of de interne controlemechanismen en andere procedures en maatregelen ter waarborging van de beheerste en integere bedrijfsvoering, in voorkomend geval met inbegrip van de uitbestede werkzaamheden, adequaat en doeltreffend zijn. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 22b — Artikel 22b Actuariële activiteiten#
Artikel 22b Actuariële activiteiten 1 Een fonds legt schriftelijk beleid vast met betrekking tot de actuariële activiteiten en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan. 2 artikel 143a, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 138a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De actuariële functie, bedoeld indan welis belast met de volgende actuariële activiteiten: a. het houden van toezicht op de berekening van de technische voorzieningen; b. het beoordelen van de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van de technische voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1°. het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn; 2°. het beoordelen of er voldoende gegevens worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens; en 3°. het toetsen van de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de praktijk; c. het beoordelen van de algehele gedragslijn voor het aangaan van pensioenverplichtingen; d. het beoordelen van de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval het fonds dergelijke verzekeringsregelingen heeft; en e. het ertoe bijdragen dat het risicobeheer doeltreffend wordt toegepast. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 22c — Artikel 22c Uitgangspunten sleutelfuncties#
Artikel 22c Uitgangspunten sleutelfuncties 1 Een fonds stelt de houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie in staat deze functies op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier te vervullen. 2 artikel 147, vierde lid, van de Pensioenwet artikel 142, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De risicobeheerfunctie en actuariële functie kunnen door dezelfde persoon worden uitgeoefend, met uitzondering van de situatie waarin de actuariële functie wordt vervuld door de actuaris, bedoeld inen. 3 De risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie kunnen worden uitgeoefend door personen die een soortgelijke functie tevens bij de werkgever uitoefenen, mits het fonds adequate maatregelen vastlegt die waarborgen dat eventuele belangenconflicten met de werkgever worden voorkomen of beheerst. 4 artikel 143a, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 138a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De rapportage door de houders van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie en actuariële functie op grond vandan welgebeurt periodiek schriftelijk. Hierbij wordt tevens vermeld welke personen betrokken waren bij het uitoefenen van de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie of actuariële functie en, indien van toepassing, aan welke derden werkzaamheden in het kader van de functie zijn uitbesteed. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 23 — Artikel 23 Commissie parameters#
Artikel 23 Commissie parameters Vervallen 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 23a — Artikel 23a Parameters vanaf 1 juli 2023#
Artikel 23a Parameters vanaf 1 juli 2023 1 artikel 144, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b en c, van de Pensioenwet artikel 139, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b en c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Bij toepassing van de regels, bedoeld indan welgaat een fonds uit van: a. minimale verwachtingswaarden voor de prijs- en looninflatie van 2% respectievelijk 2,4% per jaar; b. een verwacht bruto meetkundig rendement op beursgenoteerde aandelen van maximaal 5,4% met daarbij een kostenafslag voor beleggingskosten van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%; c. een verwacht bruto meetkundig rendement op overige zakelijke waarden van maximaal 7% met daarbij een kostenafslag van 180 basispunten en een standaarddeviatie van 25%; d. een verwacht bruto meetkundig rendement op grondstoffen van maximaal 3,5% met daarbij een kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%; e. een verwacht bruto meetkundig rendement op niet-beursgenoteerd vastgoed van maximaal 4,4% met daarbij een kostenafslag van 60 basispunten en een standaarddeviatie van 15%; f. een maximaal verwacht bruto meetkundig rendement op risicovrije vastrentende waarden conform de toekomstige rentetermijnstructuur met daarbij een kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 8% daarbij rekening houdend met de looptijd van de vastrentende waarden; en g. een maximaal verwacht meetkundig rendement voor vastrentende waarden met kredietrisico als een combinatie van het rendement op risicovrije vastrentende waarden en het rendement op beursgenoteerde aandelen op basis van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, met daarbij een kostenafslag en een standaarddeviatie eveneens gebaseerd op deze tabel. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de minimale verwachtingswaarden voor de prijs- en looninflatie voor de hele looptijd van de ramingen de door het Centraal Planbureau meest recente vastgestelde ramingen van de prijs- en looninflatie. 3 Een fonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, indien de specifieke omstandigheden van het fonds dat noodzakelijk maken. 4 artikel 2, tweede lid De toekomstige rentetermijnstructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur, bedoeld in, waarbij het fonds vanaf jaar t+5 van die toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De Nederlandsche Bank kan afwijken. 5 De tabel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, luidt als volgt: Vastrentende waarden zonder rating hebben geen aparte gewichten. Deze waarden worden verdeeld over twee andere categorieën: de kortlopende vorderingen en liquide middelen worden toegekend aan de categorie AAA en de overige vastrentende waarden zonder rating aan de categorie High Yield. Rating Gewicht vastrentende waarden Gewicht aandelen AAA 100% 0% AA 90% 10% A 85% 15% BBB 80% 20% High Yield 40% 60% 6 2 Voor het omrekenen van rendementen naar het portefeuillerendement wordt gebruik gemaakt van onderstaande correlatietabel. Voor de omrekening van het meetkundig naar het rekenkundig gemiddelde geldt de formule: rekenkundig gemiddelde = meetkundig gemiddelde + ½ σ: Categorie 1 2 3 4 5 1 Vastrentende waarden 1 0 0 ½ 0 2 Beursgenoteerde aandelen 0 1 ¾ ½ ½ 3 Overige zakelijke waarden 0 ¾ 1 ½ ½ 4 Niet-beursgenoteerd vastgoed ½ ½ ½ 1 ½ 5 Grondstoffen 0 ½ ½ ½ 1 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 23b — Artikel 23b Scenariosets#
Artikel 23b Scenariosets Fondsen gebruiken voor uitvoering van een scenario-analyse een uniforme set met 10.000 economische scenario’s die door De Nederlandsche Bank beschikbaar wordt gesteld. 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 23c — Artikel 23c Overgangsbepaling wijziging parameters en herstelplannen#
Artikel 23c Overgangsbepaling wijziging parameters en herstelplannen Vervallen 2014 570 24-12-2014 17-12-2014 2014 570 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 24 — Artikel 24 Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota#
Artikel 24 Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota artikel 145 van de Pensioenwet artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld inof, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. artikel 143 van de Pensioenwet artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 18, eerste lid de hoofdlijnen van het interne beheersingssysteem, zoals voorgeschreven bij of krachtensof, en van de opzet van de administratieve organisatie en interne controle, bedoeld in; b. voor zover van toepassing procedures en criteria voor de aansluiting van werkgevers bij het betreffende fonds en voor het verkrijgen van het deelnemerschap van hun werknemers; c. de hoofdlijnen van de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement; d. de hoofdlijnen van de reeds verworven en nog te verwerven pensioenaanspraken en -rechten die voor de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden voortvloeien uit het pensioenreglement; e. de uit het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement voortvloeiende risico’s die in eigen beheer zijn gehouden dan wel zijn verzekerd of overgedragen; f. de risicohouding; g. de kwantitatieve normen die gehanteerd worden ten behoeve van de haalbaarheidstoets; h. de financiële opzet; i. de financiële sturingsmiddelen; en j. artikel 144 van de Pensioenwet artikel 139 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de systematiek van de vaststelling van de parameters, zoals die op grond vanenworden vastgesteld. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 25 — Artikel 25 De financiële opzet#
Artikel 25 De financiële opzet 1 artikel 24, onderdeel h De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van: a. artikelen 126 131 132 van de Pensioenwet artikelen 121 126 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen, bedoeld in de,enof de,en; b. het premiebeleid; c. artikelen 135 136 van de Pensioenwet artikelen 130 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling het beleggingsbeleid en het aangaan van leningen, bedoeld in deenof deen; d. artikel 137 van de Pensioenwet artikel 132 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling het beleid inzake voorwaardelijke toeslagverlening, bedoeld indan wel; e. het beleid inzake de toedelingsregels rondom beschermingsrendementen en de overrendementen; f. het beleid aangaande de uitgangspunten, regels en procedures welke gelden ten aanzien van een solidariteitsreserve of een risicodelingsreserve; g. artikel 150f van de Pensioenwet artikel 145e van de Wet verplichte beroepspensioenregeling het beleid aangaande de uitgangspunten, regels en procedures welke gelden ten aanzien van een compensatiedepot als bedoeld inof; en h. artikel 63a van de Pensioenwet artikel 75a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling het beleid waarin invulling wordt gegeven aan het projectierendement of de vaste daling, bedoeld inof. 2 Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de overige verplichtingen van het fonds. 3 artikel 18, tweede lid De beschrijving van de financiële opzet bevat tevens een beschrijving van de organisatiestructuur met betrekking tot het bepalen en uitvoeren van het beleggingsbeleid, bedoeld in. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 26 — Artikel 26 De financiële sturingsmiddelen#
Artikel 26 De financiële sturingsmiddelen artikel 24, onderdeel i De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van de inzetbaarheid van de sturingsmogelijkheden van het fonds ten aanzien van het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid met betrekking tot de aanpassingen van de aanspraken en inzake voorwaardelijke toeslagverlening. Daarbij wordt aangegeven welke effecten met de genoemde sturingsmiddelen worden bereikt. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 27 — Artikel 27 Het beleggingsbeleid#
Artikel 27 Het beleggingsbeleid artikel 25, eerste lid, onderdeel c De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan; b. de cyclus voor het beleggingsbeleid; c. de opzet van de uitvoering van de vermogensbeheeractiviteiten; d. de wijze van risicometing en -beheersing, met name van marktrisico’s en kredietrisico’s; en e. de opzet van de resultaatsevaluatie met betrekking tot de onderwerpen genoemd onder a, c en d. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 28 — Artikel 28 Afwijking in geval van overdracht of verzekering van risico’s#
Artikel 28 Afwijking in geval van overdracht of verzekering van risico’s artikelen 25 27 Voor zover risico’s zijn overgedragen of verzekerd kunnen de beschrijvingen, bedoeld in deen, beperkt blijven tot een verwijzing naar hetgeen in de ten behoeve van de overdracht of verzekering afgesloten overeenkomsten is opgenomen. 2013 329 06-08-2013 30-07-2013 2013 330 06-08-2013 30-07-2013 07-08-2013
Artikel 29 — Artikel 29 Uitgangspunten oordeelsvorming De Nederlandsche Bank#
Artikel 29 Uitgangspunten oordeelsvorming De Nederlandsche Bank artikelen 24 tot en met 28 artikel 25 artikel 35 Pensioenwet Wet verplichte beroepspensioenregeling De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van dezijn zodanig dat De Nederlandsche Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aanen de financieel normerende artikelen binnen deofen de financieel normerende artikelen van de. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 29a — Artikel 29a Verklaring inzake beleggingsbeginselen#
Artikel 29a Verklaring inzake beleggingsbeginselen artikel 145, eerste lid, van de Pensioenwet artikel 140, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De verklaring inzake beleggingsbeginselen, bedoeld indan wel, omvat in ieder geval onderwerpen als de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen, de toegepaste wegingmethoden voor beleggingsrisico’s, de risicohouding, het gevoerde risicoprofiel, de risicobeheerprocedures en de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen. 2018 516 28-12-2018 19-12-2018 2018 517 28-12-2018 19-12-2018 13-01-2019
Artikel 29b — Artikel 29b Financieel crisisplan#
Artikel 29b Financieel crisisplan artikel 145, tweede lid, van de Pensioenwet artikel 140, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Een financieel crisisplan als bedoeld indan welomvat in ieder geval: a. een beschrijving van een of meer financiële situaties waarin het fonds niet aan de vereisten van het vereist eigen vermogen voldoet en gevaar loopt niet aan de vereisten van het minimaal vereist vermogen te gaan voldoen; b. een beschrijving van een of meer risico’s die naar het oordeel van het fonds kunnen leiden tot situaties die als financiële crisissituatie kunnen worden aangemerkt; c. artikel 145, tweede lid, onderdeel a, van de Pensioenwet artikel 140, tweede lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling een beschrijving van de maatregelen die het fonds ter beschikking staan ter bestrijding van situaties als bedoeld in onderdeel a endan wel, waarbij wordt beschreven hoe het fonds deze maatregelen verwacht in te zetten; d. een indicatie van het financiële effect van de inzet van de ter beschikking staande maatregelen; e. de berekening van het niveau van de beleidsdekkingsgraad vanaf welke naar verwachting vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig zijn om te voldoen aan de vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen; en f. een beschrijving van de wijze waarop bij het inzetten van maatregelen op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de belanghebbenden van het fonds, waarbij wordt opgenomen hoe een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten zal worden verdeeld en of, en zo ja hoe, deze zal worden gespreid. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 30 — Artikel 30 Staten en informatieverstrekking door fondsen#
Artikel 30 Staten en informatieverstrekking door fondsen 1 artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet artikel 197, derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De staten en de door een fonds op grond vandan welte verstrekken gegevens hebben betrekking op: a. het fonds en zijn organisatie met betrekking tot: 1°. het aantal medewerkers; 2°. uitbesteding; 3°. de medebeleidsbepalers; 4°. deskundigheidsbevordering van het bestuur; 5°. artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet artikel 142, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 147, vierde lid, van de Pensioenwet artikel 142, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de persoongegevens van de accountant, bedoeld inen, de actuaris bedoeld inenen de adviserende actuaris; 6°. de accountantsverklaring; 7°. het verantwoordingsorgaan; 8°. het interne toezicht; 9°. het belanghebbendenorgaan; en 10°. het bestuursmodel; b. een bestuursverslag; c. de balans, bestaande uit een enkelvoudige balans en, indien van toepassing, een geconsolideerde balans, een toelichting op de balans alsmede: 1°. een specificatie van de activa met betrekking tot immateriële activa, onroerende zaken, niet geconsolideerde en geconsolideerde deelnemingen, indien van toepassing, verzekeringsdeel technische voorzieningen, overige activa en beleggingen voor risico deelnemers; 2°. een specificatie van de passiva met betrekking tot gespecificeerde reserves, het aandeel van derden in geval van een geconsolideerde balans, andere voorzieningen en overige verplichtingen; 3°. informatie over ontvangen en gestelde zekerheden en garanties; 4°. informatie over grote posten binnen de beleggingen; en 5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risicoklassen, derivatenposities, beleggingsrendementen, ESG-kenmerken en indien sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, de z-score; d. de financiële relaties en transacties van het fonds met: 1°. bijdragende ondernemingen; 2°. ondernemingen uit dezelfde groep als de bijdragende onderneming; 3°. personen die een relatie hebben of hebben gehad met het fonds wanneer sprake is van een bijzondere lening; en 4°. anderen dan de onder 1° en 2° genoemden inzake achtergestelde leningen aan het fonds; e. een rekening van baten en lasten met specificatie van de posten; f. de dekkingsgraad, de beleidsdekkingsgraad en de reële dekkingsgraad; g. toetsing van het eigen vermogen: 1°. aanwezig eigen vermogen; 2°. de dekkingspositie; 3°. bij gebruik van het standaard model; en 4°. bij gebruik van een intern model; h. actuariële staten: 1°. technische voorzieningen voor risico fonds; 2°. premiespecificatie garantiecontract; 3°. actuarieel verslag; en 4°. een analyse van het saldo van baten en lasten; i. het deelnemersbestand inzake: 1°. de leeftijdsopbouw en de technische voorzieningen; en 2°. de geografische spreiding van deelnemers en premies; j. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling met betrekking tot: 1°. de kenmerken van de pensioenregeling; en 2°. het aantal deelnemers; k. specificatie van premiegegevens, tenzij sprake is van een gesloten fonds; l. verzekering, met betrekking tot: 1°. garantiecontracten; 2°. risicoverzekering; en 3°. kapitaalcontracten. m. verplichtingen van het fonds voor risico van de deelnemers; n. informatie over een herstelplan of overbruggingsplan; o. informatie over de haalbaarheidstoets; p. informatie over toeslagverlening; q. informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en pensioenvermogens of kapitalen; r. Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 uitvoering van een inkoopregeling als bedoeld in het; s. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de pensioenregeling; t. informatie over de risicohouding; u. informatie over het projectierendement of de vaste daling voor de vaststelling van de hoogte van het pensioen in de uitkeringsfase en de spreidingstermijn; v. informatie over beschermings- en overrendement; w. informatie over de solidariteits- of risicodelingsreserve; x. informatie over het compensatiedepot en andere voorzieningen; y. informatie over de risicobereidheid van het fonds ten aanzien van onderscheidenlijke risicocategorieën alsmede over opgetreden overschrijdingen daarvan; z. artikel 19a informatie over opgetreden incidenten als bedoeld in, alsmede over de analyse en afhandeling daarvan; aa. informatie over bedreigingen van de beheerste en integere bedrijfsvoering, alsmede over geplande en uitgevoerde risico- en dreigingsanalyses; ab. artikel 22a informatie over geplande evaluaties en over uitgevoerde evaluaties door de interne auditfunctie zoals bedoeld in. 2 Het fonds verstrekt in geval van wijzigingen tevens informatie over: a. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling of pensioenregelingen; b. de gevolgen van deze wijziging voor de toeslagverlening; en c. de kenmerken van de pensioenregeling. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 31 — Artikel 31 Informatieverstrekking door verzekeraars en premiepensioeninstellingen aan De Nederlandsche Bank#
Artikel 31 Informatieverstrekking door verzekeraars en premiepensioeninstellingen aan De Nederlandsche Bank artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet artikel 197, derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 30, eerste lid, onderdeel i en j en tweede lid, onderdeel b en c De door een verzekeraar of een premiepensioeninstelling op grond vanofte verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op. 2010 888 30-12-2010 23-12-2010 2010 889 30-12-2010 23-12-2010 01-01-2011
Artikel 32 — Artikel 32 Uitwerking informatieverstrekking door fondsen#
Artikel 32 Uitwerking informatieverstrekking door fondsen hoofdstuk 7 van de Pensioenwet hoofdstuk 6 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verordening (EG) Nr. 1606/2002 artikel 30 De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming vanenalsmede met inachtneming vanen de internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 vanvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243), regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in. Deze omvatten uitsluitend: a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt; b. artikel 30 de reikwijdte en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de ingeduide gegevens; c. de waardering van de posten; d. de te hanteren valuta en rekeneenheid; e. de afronding; f. Pensioenwet Wet verplichte beroepspensioenregeling de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van deen de; en g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze bedraagt minimaal één maal en maximaal twaalf maal per jaar. 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 33 — Artikel 33 Verstrekking langs elektronische weg#
Artikel 33 Verstrekking langs elektronische weg 1 artikelen 30 31 Het fonds, de verzekeraar en de premiepensioeninstelling verstrekken de gegevens, bedoeld in deen, langs elektronische weg aan De Nederlandsche Bank. 2 Het bestuur van het fonds zendt langs elektronische weg de volgende controleverklaringen aan De Nederlandsche Bank: a. artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet artikel 142, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de verklaring van de accountant inhoudende dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gelijk zijn aan de gegevens waaromtrent de accountant een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld inofheeft afgegeven en ten bewijze waarvan de staten door hem zijn gewaarmerkt; en b. artikel 147, derde lid, onderdeel h, en vierde lid, van de Pensioenwet artikel 142, derde lid, onderdeel h, en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling de verklaring van de actuaris inhoudende dat de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gelijk zijn aan de door hem gewaarmerkte actuariële staten, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van de actuaris als bedoeld inof. 3 De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de controleverklaringen, bedoeld in het tweede lid. 2018 466 14-12-2018 06-12-2018 2018 466 14-12-2018 06-12-2018 01-01-2019
Artikel 34 — Artikel 34 Verstrekking gegevens aan derden#
Artikel 34 Verstrekking gegevens aan derden 1 artikel 203 van de Pensioenwet artikel 197 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De Nederlandsche Bank verstrekt de inofbedoelde gegevens op verzoek aan: a. de Sociaal Economische Raad; b. de Stichting van de Arbeid; en c. het Centraal Planbureau. 2 artikel 203 van de Pensioenwet artikel 197 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling De Nederlandsche Bank kan de inofbedoelde gegevens verstrekken aan: voor zover het gegevens betreft van de bij de betreffende organisatie aangesloten pensioenuitvoerders en die pensioenuitvoerders daarmee hebben ingestemd. a. de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen; b. de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen; c. het Verbond van Verzekeraars; en d. de Unie van Beroepspensioenfondsen; 3 De Nederlandsche Bank kan de in het eerste lid bedoelde gegevens verstrekken aan derden. 4 Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 35 — Artikel 35 Overgangsrecht beleidsdekkingsgraad#
Artikel 35 Overgangsrecht beleidsdekkingsgraad Vervallen 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 2014 569 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2016
Artikel 36 — Artikel 36 Eenmalige aanpassing beleggingsbeleid#
Artikel 36 Eenmalige aanpassing beleggingsbeleid 1 artikel I, onderdeel P artikel II, onderdeel N, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader artikel 16, vierde en vijfde lid Een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van, engezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, kan eenmalig het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van, mits ten tijde van de aanpassing gezien de beleidsdekkingsgraad ten minste wordt beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen. 2 Wet toekomst pensioenen artikel 150i van de Pensioenwet artikel 145h van de Wet verplichte beroepspensioenregeling artikel 16, vierde en vijfde lid Onverminderd het eerste lid kan een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van degezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, eenmalig, na dit in het implementatieplan, bedoeld indan welte hebben onderbouwd, het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van, mits dit past bij de risicohoudingen per cohort die voor het implementatieplan zijn vastgesteld. 3 artikel 47, vijfde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Voor de toepassing van het tweede lid wordt een aanpassing van het strategisch beleggingsbeleid op grond vanaangemerkt als aanpassing op grond van het tweede lid. 2023 217 30-06-2023 22-06-2023 2023 218 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 36a — Artikel 36a Overgangsrecht#
Artikel 36a Overgangsrecht Besluit toekomst pensioenen artikel II, onderdelen E, G, K en L van het Besluit toekomst pensioenen artikelen 15c 23 artikelen 23a 23b 36 36a 36b Het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van hetof het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Stb. 2023, 219), blijft van toepassing tot het tijdstip dat de pensioenuitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling, maar uiterlijk tot en met 31 december 2027. In afwijking van de vorige zin zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding vanof het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen van toepassing: het verval van deen, en de,,,en. 2025 423 10-12-2025 04-12-2025 2025 423 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 36b — Artikel 36b Overgangsrecht in verband met wijziging parameters#
Artikel 36b Overgangsrecht in verband met wijziging parameters artikel 23a, eerste lid, onderdelen f en g artikel 4, derde lid, onderdeel b Besluit toekomst pensioenen Een fonds dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Stb. 2023, 219) het rendement op vastrentende waarden, bedoeld in, heeft vastgezet voor een periode van vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode kan eenmalig, in afwijking van, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het, voor de premievaststelling vanaf het jaar 2024 het rendement op vastrentende waarden opnieuw vastzetten voor een periode van vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode. 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 2023 219 30-06-2023 22-06-2023 01-07-2023
Artikel 37 — Artikel 37 Inwerkingtreding#
Artikel 37 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007
Artikel 38 — Artikel 38 Citeertitel#
Artikel 38 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 2006 710 28-12-2006 18-12-2006 01-01-2007