Besluit van 4 juli 2007, houdende regels aangaande de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Besluit OM-afdoening)
- BWB-id
- BWBR0022233
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0022233
- ELI
- /eli/nl/amvb/2008/besluit-om-afdoening
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2008/besluit-om-afdoening/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0022233&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0022233&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0022233/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2008/besluit-om-afdoening
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. Wetboek van Strafvordering de wet: het; b. Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming; c. hoofdofficier van justitie: de officier van justitie in de rang van hoofdofficier van justitie die aan het hoofd staat van het arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centrale verwerking openbaar ministerie; d. artikel 142, eerste lid, van de wet buitengewoon opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in; e. artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar toezichthouder: toezichthouder, bedoeld in; f. artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar direct toezichthouder: direct toezichthouder, bedoeld in. 2019 506 24-12-2019 18-12-2019 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 Onze Minister draagt zorg voor de ondersteuning van degene die bevoegd is de strafbeschikking uit te vaardigen bij diens daarop betrekking hebbende taken. 2 Degene die de strafbeschikking uitvaardigt, verstrekt aan Onze Minister de gegevens die hij behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel. 3 artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 10:15 van de Algemene douanewet Dit artikel is niet van toepassing op strafbeschikkingen uitgevaardigd krachtensen. 2019 506 24-12-2019 18-12-2019 2019 507 24-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 Van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking wordt overeenkomstig dit artikel in daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers aantekening gehouden door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd. 2 In geval van uitreiking in persoon aan de verdachte, wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens: a. de datum van uitreiking; b. de plaats en het adres van uitreiking; c. de naam van de verdachte aan wie wordt uitgereikt; d. indien de verdachte een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen, of een rederij is, en het afschrift van de strafbeschikking wordt uitgereikt aan de bestuurder van de rechtspersoon, de aansprakelijke vennoot, de bestuurder van een doelvermogen, de boekhouder of het lid van een rederij, dan wel aan de persoon die gemachtigd is het afschrift in ontvangst te nemen: de naam van de desbetreffende persoon. 3 In geval van toezending wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens: a. de datum van toezending; b. de naam van de verdachte aan wie het afschrift wordt toegezonden, de naam van de benadeelde partij aan wie het afschrift wordt toegezonden en de naam van de bij de officier van justitie bekende rechtstreeks belanghebbende aan wie het afschrift wordt toegezonden; c. het adres of de adressen waarnaar het afschrift wordt toegezonden; d. of de toezending per gewone dan wel per aangetekende brief geschiedt; e. de datum van ontvangst van het afschrift. 2007 255 17-07-2007 04-07-2007 2008 4 10-01-2008 21-12-2007 01-02-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. artikel 257b van de wet strafbeschikkingsbevoegdheid: de bevoegdheid een strafbeschikking uit te vaardigen, bedoeld in; b. artikel 3.2 bevoegde ambtenaar: de opsporingsambtenaar, bedoeld in. 2 Als korpschef in de zin van dit hoofdstuk wordt aangemerkt met betrekking tot a. artikel 3.2, eerste en tweede lid artikel 27 van de Politiewet 2012 de ambtenaren, bedoeld in: de korpschef, bedoeld in; b. artikel 3.2, eerste en derde lid de ambtenaren werkzaam bij de Koninklijke marechaussee, bedoeld in: 1. artikel 3.4 voor de toepassing van: de betrokken districtscommandant; 2. voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk: de commandant van de Koninklijke marechaussee; c. artikel 3.2, vierde lid de ambtenaren, bedoeld in: het hoofd van de organisatie waarbij zij werkzaam zijn. 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 2012 615 07-12-2012 30-11-2012 01-01-2013
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 3.3, onderdeel a artikel 146a onderdelen a en b, van de wet Voor de in, aangewezen zaken wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in, alsmede aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 146a onderdeel c, van de wet, voor zover het betreft de brigadecommandanten en de afdelingscommandanten en de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters die als hun vervanger zijn aangewezen, voor zolang zij als zodanig optreden, alsmede de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters, ingedeeld bij de centrale recherche Koninklijke marechaussee en de recherchegroepen. 2 artikel 3.3, onderdeel b artikel 141, aanhef en onder b, van de wet artikel 1, eerste lid, onder s, onder 1°, van de Politiewet 2012 Voor de in, aangewezen zaken wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de ambtenaren van politie, bedoeld in, alsmede aan de ambtenaren die een politieopleiding als bedoeld involgen aan de Politieacademie, uitsluitend gedurende hun praktijkstage bij de politie. 3 artikel 3.3, onderdelen b en c artikel 141, aanhef en onder c, van de wet Voor de in, aangewezen zaken wordt strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in. 4 artikel 3.3, onderdeel b Voor de in, aangewezen zaken wordt strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover deze ambtenaren bevoegd zijn tot de opsporing van die zaken. 5 artikel 3.3, onderdeel b artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet In afwijking van het vierde lid, wordt voor de in, aangewezen zaken geen strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van de gemeente, voor zover voor die zaken in de desbetreffende gemeente krachtens een verordening als bedoeld ineen bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 2017 441 28-11-2017 12-10-2017 2017 442 28-11-2017 16-11-2017 29-11-2017 01-01-2017
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 Als zaken waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend worden aangewezen: a. bijlage I artikel 310 321 van het Wetboek van Strafrecht de zaken, aangeduid invan dit besluit en zoals nader omschreven in de richtlijnen, gesteld door het openbaar ministerie, die de ontdekking betreffen van een misdrijf, omschreven inof, voor zover het feit de toe-eigening betreft van goederen met een waarde van ten hoogste € 120 uit een winkel, voor zover de verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt; b. bijlage I bijlage I artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 de zaken welke betreffen de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel door de bevoegde ambtenaar ontdekte overtredingen, aangeduid invan dit besluit, voor zover de verdachte hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten invan dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan; c. bijlage I bijlage I artikel 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel ontdekte verkeersovertredingen, aangeduid invan dit besluit en strafbaar gesteld bijjuncto de Verkeersregeling defensie voor zover de verdachte militair is en hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten invan dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan en de overtreding is begaan op een militair terrein met een voertuig dat niet bij de krijgsmacht in gebruik is. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 De hoofdofficier van justitie kan de strafbeschikkingsbevoegdheid van een bevoegde ambtenaar tot nader bericht intrekken indien de taakvervulling van deze ambtenaar zulks naar zijn oordeel vordert. Alvorens een beschikking als bedoeld in de eerste zin te geven, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef. 2 De korpschef draagt zorg voor de uitvoering van de beschikking. 3 De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg. 4 Van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een buitengewoon opsporingsambtenaar, wordt een afschrift gezonden aan de direct toezichthouder van de ambtenaar. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaar is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder. 2007 255 17-07-2007 04-07-2007 2010 141 31-03-2010 29-03-2010 01-04-2010
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel het belang van een goede rechtsbedeling vordert dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid. 2 Alvorens een besluit als in het eerste lid bedoeld te nemen, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef. Dit horen kan achterwege blijven, indien de hoofdofficier van justitie het nodig oordeelt dat in het gehele arrondissement in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid. 3 De betrokken korpschef draagt zorg voor de uitvoering van het besluit, bedoeld in het eerste lid. 4 Indien het besluit, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op buitengewoon opsporingsambtenaren wordt een afschrift gezonden aan de betrokken direct toezichthouder. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaren is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder. 2007 255 17-07-2007 04-07-2007 2010 141 31-03-2010 29-03-2010 01-04-2010
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 Het College van procureurs-generaal vaardigt richtlijnen uit waarin ten aanzien van elk feit waarvoor de bevoegde ambtenaar een strafbeschikking kan uitvaardigen de hoogte van de daarin op te leggen geldboete wordt bepaald. Deze richtlijnen worden in de Staatscourant bekend gemaakt. 2 De bevoegde ambtenaar wordt in het bezit gesteld van een lijst met de feiten waarvoor de strafbeschikking kan worden uitgevaardigd en met de bedragen van de geldboeten die daarin kunnen worden opgelegd. Desgevraagd verleent hij aan de betrokken persoon inzage in deze lijst. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 De bevoegde ambtenaar houdt aantekening van elke zaak waarin hij van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik maakt. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. strafbeschikkingsbevoegdheid: artikel 257ba van de wet de bevoegdheid een strafbeschikking bedoeld in, inhoudende een geldboete, uit te vaardigen; b. lichaam of persoon: artikel 4.2 het lichaam of de persoon met een publieke taak belast, bedoeld in; c. omgevingsdienst: artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen een openbaar lichaam in de zin van; d. algemeen opsporingsambtenaar: artikel 141, aanhef en onder b en d, van de wet de ambtenaar, bedoeld in; e. bevoegde ambtenaar: artikel 4.3 de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van of werkzaam voor een lichaam of een persoon, voor zover hij bevoegd is tot opsporing van de zaken bedoeld inen de algemeen opsporingsambtenaar werkzaam voor een lichaam of een persoon. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 artikel 4.3 Voor zaken betreffende de inaangewezen strafbare feiten wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid toegekend aan de volgende lichamen of personen: a. bijlage II de directeuren van de omgevingsdiensten, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 vanvan dit besluit; b. bijlage II de dagelijkse besturen van de waterschappen voor feiten vermeld invan dit besluit; c. bijlage II de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor feiten vermeld invan dit besluit; d. bijlage II de inspecteur-generaal van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 vanvan dit besluit; e. bijlage II de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 vanvan dit besluit; f. bijlage II de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane voor de feiten vermeld in hoofdstuk 1 vanvan dit Besluit; g. artikel 3, eerste lid, van de Kernenergiewet bijlage II de voorzitter van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, genoemd invoor de feiten vermeld invan dit Besluit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 bijlage II artikel 4.6, eerste lid Zaken waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend, betreffen de door de bevoegde ambtenaar geconstateerde strafbare feiten, aangeduid invan dit besluit, voor zover die strafbare feiten van geringe ernst of eenvoudige aard zijn zoals nader omschreven in de richtlijnen, bedoeld inen voor zover de verdachte behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in bijlage II van dit besluit is vermeld. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 Een lichaam of een persoon maakt geen gebruik van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid indien: a. het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar; b. artikel 134 van de Grondwet het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam als bedoeld in; c. degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen; d. voor opsporing van het strafbare feit internationale rechtshulp nodig is; e. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer strafbare feiten waarvoor de strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijke boetebedrag voor deze economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon; f. het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer strafbare feiten waarvoor de strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijke boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon; g. sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van meer dan € 5.000; h. het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen danwel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt. 2012 640 18-12-2012 07-12-2012 2012 640 18-12-2012 07-12-2012 01-01-2013
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 1 De betrokken hoofdofficier van justitie kan de strafbeschikkingsbevoegdheid tot nader bericht intrekken indien de taakvervulling van een persoon of de wijze waarop een lichaam gebruik maakt van de bevoegdheid, zulks naar zijn oordeel vordert. 2 Alvorens een beschikking, bedoeld in het eerste lid, te geven, hoort de hoofdofficier van justitie het betrokken lichaam of de betrokken persoon. 3 De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 1 Het College van procureurs-generaal vaardigt richtlijnen uit waarin ten aanzien van elk feit waarvoor een lichaam of een persoon een strafbeschikking kan uitvaardigen de hoogte van de daarin op te leggen geldboete wordt bepaald. Deze richtlijnen worden in de Staatscourant bekend gemaakt. 2 De bevoegde ambtenaar wordt door het lichaam of de persoon in het bezit gesteld van een lijst met de feiten waarvoor de strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Desgevraagd verleent hij aan de verdachte inzage in deze lijst. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 Een lichaam of een persoon houdt aantekening van elke zaak waarin hij van zijn strafbeschikkingsbevoegdheid gebruik maakt. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 Wijzigt het Transactiebesluit 1994. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2013 107 26-03-2013 19-03-2013 01-04-2013
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 artikel II, onderdelen O tot en met R artikel III artikel IV artikel VI van de Wet OM-afdoening artikelen 74 74c van het Wetboek van Strafrecht artikelen 36 37 van de Wet op de economische delicten artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 85 van de Waterschapswet In strafzaken waarin voor het in werking treden van,,envoorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig deen, deen,, dan wel, blijven de artikelen die door dit besluit gewijzigd worden of vervallen, van toepassing zoals zij luidden voor het in werking treden van dit besluit. 2 artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht In strafzaken waarin voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig, blijven de artikelen die door dit besluit gewijzigd worden of vervallen van toepassing zoals zij luidden voor het in werking treden van dit besluit. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012 Voorheen art. 5.1.
Artikel 5.3* — Artikel 5.3*#
Artikel 5.3* Artikel 5.1 van dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat niet later is gelegen dan 1 april 2013. 2012 150 11-04-2012 05-04-2012 2012 177 26-04-2012 24-04-2012 01-05-2012 Voorheen art. 5.2. Abusievelijk voegt het Staatsblad een tweede artikel 5.3 toe.
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit OM-afdoening. 2007 255 17-07-2007 04-07-2007 2008 4 10-01-2008 21-12-2007 01-02-2008 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt.