Besluit van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Besluit omgevingsrecht)
- BWB-id
- BWBR0027464
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- 2023-07-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0027464
- ELI
- /eli/nl/amvb/2010/besluit-omgevingsrecht
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2010/besluit-omgevingsrecht/2023-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0027464&g=2023-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0027464&z=2026-06-06&g=2023-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0027464/2023-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2010/besluit-omgevingsrecht
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Definities#
Artikel 1.1 Definities 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanvraag: aanvraag om een omgevingsvergunning; adviseur: artikel 2.26 van de wet bij of krachtensaangewezen bestuursorgaan of andere instantie; BBT-conclusies: document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde lid en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies; bijlage: bijlage bij dit besluit behorende; de betrokken wetten: wet artikel 5.1 van de wet artikelen 5.3 tot en met 5.9 van de wet de, de ingenoemde wetten voor zover in die wetten devan toepassing zijn verklaard, alsmede de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de EG-verordening PRTR; EU-richtlijn industriële emissies: Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334); gesloten bodemenergiesysteem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig; landelijke voorziening: artikel 7.6, eerste lid, van de wet landelijke voorziening, bedoeld in; open bodemenergiesysteem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening; Seveso III-richtlijn: Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PbEU 2012, L 197); wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht . 2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, behoudens voor zover daarin gesproken wordt van strafrechtelijke handhaving, onder «handhaving» verstaan bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde. 3 artikel 1.1 van de Wet milieubeheer In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder onderscheidenlijk afvalstoffen, afvalwater, doelmatig beheer van afvalstoffen, EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, EG-verordening PRTR, EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, emissie, emissiegrenswaarde, hergebruik, inspecteur, kaderrichtlijn water, nuttige toepassing, preparaten, recycling, stoffen en verwijdering, hetgeen daaronder wordt verstaan in. 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 08-07-2015
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Inrichting#
Artikel 2.1 Inrichting 1 artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bijlage I Als categorieën inrichtingen als bedoeld inworden aangewezen de categorieën inrichtingen in, onderdeel B, en onderdeel C. 2 bijlage I Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in, onderdeel B, en onderdeel C. 3 artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder bijlage I Als categorieën inrichtingen als bedoeld in, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën inrichtingen in, onderdeel D. 4 bijlage I In afwijking van het eerste lid heeft de aanwijzing geen betrekking op inrichtingen voor de uitoefening van detailhandel, voor zover die aanwijzing uitsluitend zou gelden omdat in de inrichting stoffen, preparaten of andere producten worden op- of overgeslagen, die zijn genoemd in, onderdeel C, onder de categorieën 4.1, onder b tot en met f, 6.1, 8.1, 9.1, 11.1, met uitzondering van asbest en asbesthoudende producten, 12.1, 15 of 16.1. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Brandveilig gebruiken van een bouwwerk#
Artikel 2.2 Brandveilig gebruiken van een bouwwerk 1 artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet Als categorieën gevallen als bedoeld inworden aangewezen: a. artikel 8 van de Woningwet het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in, bepaalde aantal personen; b. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaft aan: 1°. meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of 2°. meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder bouwwerk mede verstaan delen van een bouwwerk die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 2.2a — Artikel 2.2a Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (milieu)#
Artikel 2.2a Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (milieu) 1 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer Als categorieën activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld inworden aangewezen: a. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 18.4, 22.2, 32.1, 32.2, 32.3, 32.5, 32.7, 32.8, 35, 36, 37.1, 37.2, 38.1, 38.2, 38.3 en 41.1 van onderdeel D van de, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; b. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 18.8 van onderdeel D van de, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; c. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 100 paarden of pony’s, behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 12°, van categorie 14, worden gehouden, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan drie jaar niet wordt meegeteld, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; d. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 2.000 schapen of geiten, behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 11°, van categorie14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; e. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 2.500 en ten hoogste 40.000 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 1°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; f. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 2000 mestvarkens behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 2°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; g. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 750 zeugen behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 3°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; h. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D, van de, in de gevallen waarin ten minste 500 en ten hoogste 3.750 gespeende biggen behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 4°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is; i. bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage artikel 7.18 van de Wet milieubeheer de activiteit, bedoeld in categorie 14, van onderdeel D van de, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 10°, van categorie 14, worden gehouden, met dien verstande dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarinvan toepassing is. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer Als categorieën activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld inworden tevens aangewezen: a. titel 10.4 van de Wet milieubeheer titel 10.4 van de Wet milieubeheer artikel 10.54a, eerste lid, van die wet het opslaan, verdichten, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aanen voor zover deze activiteiten zijn gericht op de verwijdering van afvalstoffen alsmede het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met andere categorieën afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aanen waaropvan toepassing is; b. het opslaan van de volgende afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens en dier en afkomstig van buiten de inrichting: 1°. infectueuze afvalstoffen, 2°. lichaamsdelen en organen, en 3°. afvalstoffen van cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen; c. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde banden van voertuigen; d. artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 4.84, derde lid, van dat besluit het demonteren van autowrakken als bedoeld in, anders dan de activiteiten met autowrakken, bedoeld in; e. het opslaan en opbulken van ten hoogste 10.000 ton kunststofafval, ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, voor zover er geen sprake is van: 1°. kunststof die binnen de inrichting geschikt wordt gemaakt voor materiaalhergebruik, en 2°. titel 10.4 van de Wet milieubeheer activiteiten waarmee uitvoering wordt gegeven aan; f. bijlage I het mengen van afvalstoffen voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren binnen een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onder b, van onderdeel C van; g. artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 4.84, derde lid, van dat besluit het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen, bedoeld in, anders dan de activiteiten met wrakken van tweewielige motorvoertuigen als bedoeld in; h. het opslaan van ten hoogste 50 ton verwijderd asbest en verwijderde asbesthoudende producten, ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bijlage I Als categorie activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in, wordt tevens aangewezen het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van. 4 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de wet Als categorieën activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting als bedoeld in, wordt tevens aangewezen: a. artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij het oprichten of wijzigen van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren of het uitbreiden van het aantal landbouwhuisdieren in een of meer diercategorieën als bedoeld in de regeling op grond vanvoor zover sprake is van het houden van: 1°. ten minste 500 en ten hoogste 1.200 vleesrunderen behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7; 2°. ten minste 3.000 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1; 3°. ten minste 900 varkens behorend tot de diercategorieën D1 tot en met D3, of 4°. artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij ten minste 1.500 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1, 500 gespeende biggen behorend tot de diercategorie D.1.1, of 500 landbouwhuisdieren anders dan pluimvee en gespeende biggen indien binnen de inrichting landbouwhuisdieren van meer dan een hoofdcategorie als bedoeld in de regeling op grond vanworden gehouden; b. het aanvangen met of het veranderen van het vervaardigen van betonmortel, het vervaardigen en bewerken van betonproducten en daarbij de op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof en het breken van restproducten ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel. 5 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer Als categorie activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in, wordt tevens aangewezen: a. het aanvangen met de verwerking van polyesterhars, b. verhogen van de capaciteit voor de verwerking van polyesterhars, of c. veranderen van de manier van verwerking van polyesterhars. 6 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 2.2b Als categorie activiteiten als bedoeld inwordt tevens aangewezen het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, dan wel een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW dat is gelegen binnen een interferentiegebied dat is aangewezen krachtens. 7 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer Als categorieën activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in, die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, worden tevens aangewezen: a. het oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen; b. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening; c. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van deze klasse aanwezig is; d. het veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen. 8 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer Als categorie activiteiten als bedoeld in, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in, wordt tevens aangewezen het oprichten van een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar, alsmede het uitbreiden van de capaciteit van de installatie, het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vergistinggas of het wijzigen of uitbreiden van de bewerking van vergistinggas bij een dergelijke installatie. 9 Het eerste tot en met het achtste lid zijn niet van toepassing indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 2.2aa — Artikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten)#
Artikel 2.2aa Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten) artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet Als categorie activiteiten als bedoeld in, worden tevens aangewezen: a. artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming artikelen 2.9, eerste en tweede lid 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h artikel 2.2 van de wet artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet artikel 2.2a het realiseren van een project als bedoeld in, behoudens de gevallen, bedoeld in de, of,of, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld inof in, of bedoeld inin samenhang metvan toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend; b. artikelen 3.1 3.5 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming artikelen 3.3, tweede of zevende lid 3.8, tweede of zevende lid 3.10, tweede of derde lid 3.31, eerste lid artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h artikel 2.2 van de wet artikel 2.2a het verrichten van een handeling als bedoeld in de,of, behoudens de gevallen, bedoeld in de,,, of, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld inof in, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang metvan toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend. 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.2b — Artikel 2.2b#
Artikel 2.2b 1 artikel 2.2a, zesde lid Ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie, kan bij gemeentelijke verordening een interferentiegebied als bedoeld in, worden aangewezen. 2 In afwijking van het eerste lid kan een interferentiegebied bij provinciale verordening worden aangewezen indien zulks bijzonder aangewezen is uit een oogpunt van provinciaal beleid met betrekking tot doelmatig gebruik van bodemenergie. 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 2013 205 14-06-2013 07-06-2013 01-07-2013 2013 112 29-03-2013 25-03-2013 2013 112 29-03-2013 25-03-2013 01-07-2013
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Bouwen en planologische gebruiksactiviteiten#
Artikel 2.3 Bouwen en planologische gebruiksactiviteiten 1 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet bijlage II In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van. 2 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of c, van de wet bijlage II In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Veranderen van een inrichting#
Artikel 2.4 Veranderen van een inrichting 1 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften. 2 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover die veranderingen betrekking hebben op een activiteit die geen deel uitmaakt van een IPPC-installatie en op die activiteitvan toepassing is, tenzij het betreft veranderingen: a. paragraaf 3.5.8 van dat besluit waaropvan toepassing is, of b. bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a van een activiteit, aangewezen in. 2014 20 21-01-2014 06-01-2014 2014 82 20-02-2014 29-01-2014 01-03-2014
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Mijnbouwwerken#
Artikel 2.5 Mijnbouwwerken artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet artikel 4, eerste lid, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot mijnbouwwerken als bedoeld in, met uitzondering van installaties: a. waarmee een boorgat wordt aangelegd, gewijzigd of uitgebreid of b. die zijn geplaatst bij of verbonden met een voor winning bestemd mijnbouwwerk. 2017 114 27-03-2017 06-03-2017 2017 114 27-03-2017 06-03-2017 01-05-2017
Artikel 2.5a — Artikel 2.5a Monumenten#
Artikel 2.5a Monumenten artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de wet bijlage II In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3a van. 2011 339 05-07-2011 17-06-2011 2011 339 05-07-2011 17-06-2011 01-01-2012 Artikel IV van Stb. 2011/339 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Slopen#
Artikel 2.6 Slopen artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g en h, van de wet In afwijking vanis geen omgevingsvergunning vereist voor het slopen van: a. artikel 2.3 bouwwerken waarvoor ingevolgegeen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist; b. seizoensgebonden bouwwerken. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Planologische gebruiksactiviteiten#
Artikel 2.7 Planologische gebruiksactiviteiten artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet bijlage II Als categorieën gevallen als bedoeld inworden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Luchtkwaliteit#
Artikel 2.8 Luchtkwaliteit artikel 5.16, tweede lid, onder g, van de Wet milieubeheer artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet bijlage II Als categorieën gevallen als bedoeld inwaarbij bij het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing vaneen beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist, worden aangewezen de categorieën gevallen, bedoeld in artikel 4, onderdelen 9 en 11, van. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Strijdige planologische gebruiksactiviteiten bij bouw bijbehorend bouwwerk#
Artikel 2.9 Strijdige planologische gebruiksactiviteiten bij bouw bijbehorend bouwwerk bijlage II Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, vanin achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Ruimtelijke ordening#
Artikel 3.1 Ruimtelijke ordening Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag indien het project bestaat uit activiteiten als bedoeld in: a. artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van de wet artikel 3.26, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening in gevallen waarin toepassing is gegeven aan; b. artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, en onder 3°, van de wet en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een project van provinciaal belang, met toepassing van, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. 2015 323 08-09-2015 14-08-2015 2015 323 08-09-2015 14-08-2015 09-09-2015
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Ruimtelijke ordening#
Artikel 3.2 Ruimtelijke ordening Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister, is bevoegd te beslissen op een aanvraag indien het project bestaat uit activiteiten als bedoeld in: a. artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van de wet artikel 3.28, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening in gevallen waarin toepassing is gegeven aan; b. artikel 2.1, eerste lid, onder c artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, en onder 3°, van de wet , en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een project van nationaal belang, met toepassing van, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. 2015 323 08-09-2015 14-08-2015 2015 323 08-09-2015 14-08-2015 09-09-2015
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Inrichting en mijnbouwwerk#
Artikel 3.3 Inrichting en mijnbouwwerk 1 Gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op: a. Besluit risico’s zware ongevallen 2015 elke aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting waarop hetvan toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit als bedoeld in bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334), b. bijlage I overige aanvragen die betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot inrichtingen die behoren tot een categorie ten aanzien waarvan dat in, onderdeel C, is bepaald, voor zover het betreft activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. 2 Onze Minister is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op: a. bijlage I activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.3 van, onderdeel C; b. artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet bijlage I activiteiten als bedoeld in, met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.1 van, onderdeel C; c. artikel 2.2a, zevende lid een categorie activiteiten als bedoeld in. 3 bijlage I Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie die in, onderdeel C, is aangewezen en die geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie, tenzij het vierde lid van toepassing is. 4 Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op: a. een inrichting die in hoofdzaak een mijnbouwwerk is, en b. mijnbouwwerken, niet zijnde inrichtingen. 2016 425 11-11-2016 27-10-2016 2016 539 28-12-2016 13-12-2016 01-01-2017
Artikel 3.3a — Artikel 3.3a#
Artikel 3.3a Vervallen 2010 781 23-11-2010 15-11-2010 2013 521 12-12-2013 29-11-2013 01-01-2014
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Gesloten stortplaats#
Artikel 3.4 Gesloten stortplaats artikel 8.49 van de Wet milieubeheer Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit in, op, onder of over een plaats waar de inbedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Gevallen waarin het bevoegd gezag wijzigt#
Artikel 3.5 Gevallen waarin het bevoegd gezag wijzigt Indien de bevoegdheid te beslissen op een aanvraag overgaat naar een ander bestuursorgaan, zendt het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag wordt, hiervan een kennisgeving aan de aanvrager of de vergunninghouder. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Aanvraag#
Artikel 4.1 Aanvraag 1 Een aanvraag kan langs elektronische weg worden ingediend op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Schriftelijke aanvraag#
Artikel 4.2 Schriftelijke aanvraag 1 Indien een aanvraag niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een door Onze Minister vastgesteld formulier. Het bevoegd gezag stelt op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking. 2 Het bevoegd gezag bepaalt het aantal exemplaren dat van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden wordt ingediend, met een maximum van vier. 3 hoofdstuk 6 In gevallen waarin ingevolgemeer dan twee adviezen of verklaringen van geen bedenkingen zijn voorgeschreven, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag even zoveel extra exemplaren van de aanvraag en de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Elektronische aanvraag#
Artikel 4.3 Elektronische aanvraag 1 artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht In afwijking van, neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst. 2 Indien een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend, worden de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden eveneens langs elektronische weg verstrekt. De aanvrager kan de gegevens en bescheiden op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend alsmede met betrekking tot het beheer van de in de landelijke voorziening opgenomen gegevens en bescheiden. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Algemeen#
Artikel 4.4 Algemeen 1 artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderden voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag reeds over die gegevens of bescheiden beschikt. 3 De gegevens en bescheiden worden door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Gefaseerde aanvraag#
Artikel 4.5 Gefaseerde aanvraag 1 Indien de aanvrager het bevoegd gezag heeft verzocht de omgevingsvergunning in twee fasen te verlenen, kan hij bij de aanvraag om een beschikking voor de eerste onderscheidenlijk tweede fase volstaan met het verstrekken van de gegevens en bescheiden die betrekking hebben op de activiteiten waarop de betrokken aanvraag ziet. 2 Bij de aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste fase vermeldt de aanvrager uit welke activiteiten het gehele project zal bestaan. 3 hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer Indien ten behoeve van een omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden opgesteld als bedoeld in, wordt dit milieueffectrapport ingediend bij de aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste fase. 2011 102 28-02-2011 21-02-2011 2011 102 28-02-2011 21-02-2011 01-04-2011
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Inrichtingen waarop BRZO van toepassing is#
Artikel 4.6 Inrichtingen waarop BRZO van toepassing is artikel 1, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Indien de aanvraag betrekking heeft op een lagedrempelinrichting als bedoeld in, kan Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels stellen met betrekking tot de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag worden verstrekt. 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 08-07-2015
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Uitgestelde gegevensverstrekking#
Artikel 4.7 Uitgestelde gegevensverstrekking 1 Aan de omgevingsvergunning voor een bij ministeriële regeling aangewezen activiteit kunnen, indien gegevens en bescheiden niet nodig waren met het oog op het nemen van de beslissing op de aanvraag, voorschriften worden verbonden met betrekking tot het alsnog verstrekken van die gegevens en bescheiden binnen een bij die regeling aangegeven termijn. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Melding#
Artikel 4.8 Melding artikel 2.25, tweede lid, van de wet Bij een melding als bedoeld in, vermeldt de aanvrager onderscheidenlijk de vergunninghouder: a. zijn naam en adres; b. de omgevingsvergunning of omgevingsvergunningen krachtens welke de activiteiten worden verricht; c. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; d. een contactpersoon van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; e. het beoogde tijdstip dat de omgevingsvergunning zal gaan gelden voor de onder c bedoelde persoon. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Rechten#
Artikel 4.9 Rechten artikel 2.9 van de wet Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het heffen van rechten als bedoeld in, in gevallen waarin een Onzer ministers bevoegd gezag is. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet (vrijstelling heffing rechten voor aanvraag omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in)#
Artikel 4.10 artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet (vrijstelling heffing rechten voor aanvraag omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in) artikel 2.9a, eerste lid, van de wet artikel 2.2a Als categorieën gevallen als bedoeld inworden aangewezen de activiteiten, bedoeld in. 2012 424 25-09-2012 11-08-2012 2012 424 25-09-2012 11-08-2012 26-09-2012
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Bouwen#
Artikel 5.1 Bouwen Voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een seizoensgebonden bouwwerk, wordt aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift verbonden, inhoudende een verplichting het bouwwerk binnen daarbij aan te geven tijdvakken onderscheidenlijk op te richten, te gebruiken en te slopen. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Archeologische monumentenzorg#
Artikel 5.2 Archeologische monumentenzorg 1 artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, kunnen, indien dit bij het bestemmingsplan is bepaald, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden, inhoudende een verplichting: a. tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden, b. artikel 1.1 van de Erfgoedwet tot het verrichten van een opgraving als bedoeld in, of c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder b of c, van de wet Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden, inhoudende een verplichting: a. tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden, b. artikel 1.1 van de Erfgoedwet tot het verrichten van een opgraving als bedoeld in, of c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de wet Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden met betrekking tot de wijze van slopen. 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 01-07-2016
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Begripsbepaling#
Artikel 5.3 Begripsbepaling 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Deze subparagraaf heeft betrekking op een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in. 2 artikel 6.2 van de Waterwet In deze paragraaf wordt onder bevoegd gezag verstaan: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtensis aangevraagd, bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Bepalen van de beste beschikbare technieken#
Artikel 5.4 Bepalen van de beste beschikbare technieken 1 Het bevoegd gezag houdt bij de bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken. 2 Indien op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting, waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten als bedoeld in het eerste lid van toepassing zijn, of indien de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, stelt het bevoegd gezag de beste beschikbare technieken vast. 3 Bij het vaststellen van de beste beschikbare technieken houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; b. de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; h. de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. 4 Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop aan dit artikel uitvoering wordt gegeven. 2014 20 21-01-2014 06-01-2014 2014 82 20-02-2014 29-01-2014 01-03-2014
Artikel 5.4a — Artikel 5.4a Geologische opslag van kooldioxide#
Artikel 5.4a Geologische opslag van kooldioxide 1 Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, beoordeelt het bevoegd gezag of het afvangen en comprimeren van kooldioxide en het transporteren daarvan naar een geschikte opslaglocatie in technisch en economisch opzicht haalbaar is. Bij de beoordeling worden de belangen van de bescherming van het milieu en de volksgezondheid in acht genomen. 2 Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het afvangen, comprimeren en transporteren van kooldioxide haalbaar is, verbindt het aan de vergunning het voorschrift dat binnen de inrichting geschikte ruimte wordt vrijgemaakt of vrijgehouden om kooldioxide af te vangen, te comprimeren en te transporteren. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Doelvoorschriften#
Artikel 5.5 Doelvoorschriften 1 De voorschriften die aan een omgevingsvergunning worden verbonden, geven de doeleinden aan die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu dient te verwezenlijken op een door hem te bepalen wijze. 2 Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor de stoffen, genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn industriële emissies, en voor andere stoffen die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen milieucompartimenten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. 3 Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke voorafgaande verdunning. Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. 4 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, en voor zover die vergunning betrekking heeft op een IPPC-installatie worden daaraan in ieder geval voorschriften verbonden, inhoudende dat: a. door monitoring of op een andere wijze wordt bepaald of aan de vergunningvoorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan, waarbij: 1°. de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens, en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordeling; 2°. monitoringseisen worden gebaseerd op voor die IPPC-installatie relevante BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken; b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag regelmatig en ten minste jaarlijks moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag. 5 titel 12.3 van de Wet milieubeheer In afwijking van het vierde lid, onder b, worden geen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden met betrekking tot het ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in dat onderdeel, voor zover die gegevens krachtensmoeten worden opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die titel. 6 De ingevolge het tweede of derde lid vastgestelde emissiegrenswaarden waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in BBT-conclusies. 7 In afwijking van het zesde lid kan het bevoegd gezag in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vaststellen, indien het halen van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van: a. de geografische ligging van de betrokken inrichting, b. de lokale milieuomstandigheden, of c. de technische kenmerken van de betrokken installatie. 8 Voor de toepassing van het zesde en zevende lid wordt onder met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus verstaan: bandbreedte van emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 Technische maatregelen#
Artikel 5.6 Technische maatregelen 1 Het bevoegd gezag verbindt op basis van de aanvraag aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen of de naleving van gelijkwaardige parameters. Voor zover die voorschriften betrekking hebben op een IPPC-installatie, wordt daarbij niet het gebruik van bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven. 2 artikel 5.5, eerste en tweede lid Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid aan de omgevingsvergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als bedoeld in, leiden de technische maatregelen of gelijkwaardige parameters tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu. 3 Voor zover aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat: a. over de uitvoering van technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag; b. daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften zijn bedoeld. 4 artikel 5.5, vierde lid, aanhef en onder b Voor zover aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het derde lid, is, van overeenkomstige toepassing. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Overige voorschriften#
Artikel 5.7 Overige voorschriften 1 Aan de omgevingsvergunning worden in ieder geval de in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot: a. een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; b. de bescherming van bodem en grondwater, alsmede het regelmatig bijhouden en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater, gebaseerd op een systematische evaluatie van het risico op nadelige gevolgen voor het milieu; c. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer alsmede de monitoring van afvalstoffen en afvalwater; d. het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting; e. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen; f. het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden; g. het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen; h. het treffen van maatregelen om bij definitieve beëindiging van de inrichting of de IPPC-installatie de nadelige gevolgen die de inrichting onderscheidenlijk de IPPC-installatie heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie; i. voorwaarden voor het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden of een verwijzing naar de elders omschreven toepasselijke eisen. 2 Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval inhouden: a. artikelen 5.5 5.6 dat daarbij aangegeven metingen, berekeningen of tellingen – andere dan bedoeld in deen– moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt; b. dat in een mate als bij het voorschrift aangegeven, onderzoek moet worden verricht naar mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voorzien; c. dat de uitkomsten van daarbij aangegeven metingen, berekeningen, tellingen of onderzoeken moeten worden geregistreerd en bewaard dan wel moeten worden gemeld of ter beschikking gesteld van bij het voorschrift aangewezen bestuursorganen; d. dat moet worden voldaan aan daarbij aangegeven eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van in de inrichting werkzame personen; e. artikel 8.40 van de Wet milieubeheer dat aan de in de inrichting werkzame personen schriftelijk instructies worden gegeven om handelen in strijd met de omgevingsvergunning, de daaraan verbonden voorschriften of bij of krachtensgestelde regels tegen te gaan, en dat toezicht wordt gehouden op het naleven van die instructies; f. dat met betrekking tot in het voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld; g. dat van daarbij aangegeven veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan, binnen een in het voorschrift te bepalen termijn schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het bevoegd gezag of een door hem aangewezen instantie; h. dat met het oog op het kunnen voldoen aan de andere aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voor de betrokken activiteiten omtrent de inrichting, daarbij aangegeven organisatorische en administratieve maatregelen moeten worden getroffen; i. dat met betrekking tot een bij het voorschrift aangegeven onderwerp waarover geen andere voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, voldoende zorg in acht moet worden genomen. 3 Indien vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, kunnen aan de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu voorschriften worden verbonden omtrent: a. de doelmatige werking van het zuiveringstechnisch werk, of b. hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer de krachtensgestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. 4 titel 12.3 van de Wet milieubeheer In afwijking van het tweede lid, onder c, worden geen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden met betrekking tot het melden of ter beschikking stellen van uitkomsten als bedoeld in dat onderdeel, indien die uitkomsten als gegevens krachtensmoeten worden opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan moet worden opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij of krachtens die titel. 5 Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het tweede lid, onder f, kan worden aangegeven hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven. 6 Indien maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, zijn getroffen, stelt het bevoegd gezag voor het publiek relevante informatie over die maatregelen voor eenieder elektronisch beschikbaar. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013 Abusievelijk is voor het eerste lid, aanhef, een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 Nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen#
Artikel 5.8 Nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen 1 Indien een omgevingsvergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, bevat de omgevingsvergunning ten minste de verplichtingen: a. tot het registreren van: 1°. daarbij aangewezen afvalstoffen die in de inrichting nuttig worden toegepast of worden verwijderd: naar hoeveelheid, aard en oorsprong; 2°. stoffen die bij de nuttige toepassing of verwijdering van die afvalstoffen worden gebruikt of verbruikt: naar aard en hoeveelheid; 3°. stoffen, preparaten en andere producten, hieronder mede begrepen afvalstoffen, die bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan: naar aard en hoeveelheid; 4°. de wijze waarop de onder 3° bedoelde afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd; 5°. stoffen, preparaten en andere producten die de inrichting verlaten, voor zover deze bij de nuttige toepassing of verwijdering zijn ontstaan: naar aard en hoeveelheid, en b. tot het bewaren van de geregistreerde gegevens gedurende ten minste vijf jaren. 2 Onze Minister kan regels stellen omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt. 2012 552 13-11-2012 13-10-2012 2012 642 18-12-2012 05-12-2012 01-01-2013
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 Afwijkende geldingsduur voorschriften#
Artikel 5.9 Afwijkende geldingsduur voorschriften 1 In een omgevingsvergunning kan worden bepaald dat daarbij aangewezen voorschriften niet gelden gedurende een termijn van ten hoogste negen maanden voor het testen of gebruiken van technieken in opkomst. 2 Onder techniek in opkomst wordt verstaan: nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu, en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de desbetreffende activiteit bestaande beste beschikbare technieken. 2015 229 19-06-2015 09-06-2015 2015 229 19-06-2015 09-06-2015 20-06-2015
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 Actualisatieplicht#
Artikel 5.10 Actualisatieplicht 1 Binnen vier jaar na de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van, voor de hoofdactiviteit van de betreffende IPPC-installatie, relevante BBT-conclusies: a. toetst het bevoegd gezag of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies, aan overige relevante BBT-conclusies en aan bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die sinds het verlenen van de vergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien, b. actualiseert het bevoegd gezag, indien noodzakelijk, de vergunningvoorschriften, en c. controleert het bevoegd gezag dat de inrichting na actualisatie van de vergunningvoorschriften aan die voorschriften voldoet. 2 artikel 10.3 van de Wet milieubeheer Binnen een jaar nadat het afvalbeheerplan, bedoeld inis gaan gelden: a. toetst het bevoegd gezag of de vergunning voldoet aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan, en b. actualiseert het bevoegd gezag, indien noodzakelijk, de vergunningvoorschriften. 3 artikel 2.30, eerste lid artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet Het bevoegd gezag geeft voorts in ieder geval toepassing aan het bepaalde in, enindien: a. de door de inrichting of onderdelen daarvan veroorzaakte verontreiniging van dien aard is dat de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de aan de vergunning verbonden voorschriften, gewijzigd moeten worden of daarin nieuwe emissiegrenswaarden vastgesteld moeten worden; b. geen BBT-conclusies van toepassing zijn, maar belangrijke veranderingen in de beste beschikbare technieken een aanmerkelijke beperking van de emissies mogelijk maken; c. de noodzaak om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken de toepassing van andere technieken vereist; d. artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 2°, van de wet aan een nieuwe of herziene grenswaarde als bedoeld inmoet worden voldaan. 2017 423 10-11-2017 24-10-2017 2017 423 10-11-2017 24-10-2017 01-01-2020
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 Relatie BRZO – bedrijven – natuurgebieden#
Artikel 5.11 Relatie BRZO – bedrijven – natuurgebieden artikel 2.14, tweede lid, van de wet Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Als categorie inrichtingen als bedoeld in, worden aangewezen de inrichtingen waarop hetvan toepassing is. 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 08-07-2015
Artikel 5.12 — Artikel 5.12 Broeikasgasemissies#
Artikel 5.12 Broeikasgasemissies 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet artikel 16.5 van de Wet milieubeheer Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, worden, indien het een inrichting betreft waarop tevens de invervatte verboden betrekking hebben, geen voorschriften verbonden inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt. 2 Voor zover aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften. 2023 111 05-04-2023 03-04-2023 2023 194 13-06-2023 07-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.12a — Artikel 5.12a 2 Co-emissies#
Artikel 5.12a 2 Co-emissies 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet artikel 15.51 van de Wet milieubeheer 2 Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, worden, indien het een inrichting betreft als bedoeld in, geen voorschriften verbonden inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van CO, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt. 2 Voor zover aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften. 2023 111 05-04-2023 03-04-2023 2023 194 13-06-2023 07-06-2023 01-07-2023
Artikel 5.13 — Artikel 5.13 Overbrenging van afval naar of uit de provincie#
Artikel 5.13 Overbrenging van afval naar of uit de provincie artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, worden geen voorschriften verbonden, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5.13a — Artikel 5.13a#
Artikel 5.13a artikel 2.2a Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit die is aangewezen inworden geen voorschriften verbonden. 2010 749 11-11-2010 14-10-2010 2010 879 29-12-2010 22-12-2010 01-01-2011 Door Stb. 2010/781 vernummerd tot art. 5.13b. 2010 781 23-11-2010 15-11-2010 2010 879 29-12-2010 22-12-2010 01-01-2011 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor invoeging in paragraaf 5.5.2 in plaats van paragraaf 5.2.2.
Artikel 5.13b — Artikel 5.13b artikel 2.2a Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in#
Artikel 5.13b artikel 2.2a Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in 1 artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van, heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2 artikel 2.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met h Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, kan worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen. 3 artikel 2.2a, derde lid artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 2° en 3°, van de wet Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan de grenswaarden voor geluid, bedoeld in. 4 artikel 2.2a, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder c tot en met f artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het de wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. 5 artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur artikel 9 van die wet Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in, om een advies als bedoeld inworden gevraagd. 6 artikel 2.2a, vierde lid, onder a bijlage 2, voorschrift 4.1, van de Wet milieubeheer artikel 5.16 van die wet Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaardenvoor zwevende deeltjes (PM10), bedoeld in, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd bij of krachtens. 7 artikel 2.2a, vierde lid, onder b bijlage 2 van de Wet milieubeheer artikel 5.16 van die wet Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaarden, bedoeld in, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd bij of krachtens. 8 artikel 2.2a, vijfde lid Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot een niet aanvaardbaar niveau van geurhinder. 9 artikel 2.2a, zesde lid artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd indien het bodemenergiesysteem zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem, met inbegrip van een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning krachtensis vereist, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad dan wel anderszins sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. 10 artikel 2.2a, zevende lid artikel 2.6.5, tweede lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening -5 Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd indien de activiteit leidt tot het ontstaan of het vergroten van een of meer veiligheidszones ten opzichte van de krachtensaangewezen veiligheidszones waardoor een nieuwe inbreuk op een veiligheidszone ontstaat of het plaatsgebonden risico bij een bestaande inbreuk op een veiligheidszone groter wordt dan 10. 11 artikel 2.2a, achtste lid Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar risico voor de leefomgeving, waarbij in ieder geval wordt betrokken: a. de ligging van de risicocontour; b. de invloed van risicovolle activiteiten in de omgeving op de installatie, en c. de kans op gevolgen van incidenten bij de installatie en de mogelijke gevolgen daarvan voor de leefomgeving. 2016 425 11-11-2016 27-10-2016 2016 539 28-12-2016 13-12-2016 01-01-2017
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen voor daarbij aangewezen categorieën activiteiten of gevallen regels worden gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in, mits die regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. 2 Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 artikel 1.2, eerste lid, van die wet Indien de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zijn de bepalingen die ten aanzien van het verbinden van voorschriften aan een ontheffing voor die activiteit zijn opgenomen in de provinciale milieuverordening, bedoeld in, van overeenkomstige toepassing. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5.16 — Artikel 5.16 Bouwen#
Artikel 5.16 Bouwen 1 artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 In een omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in, van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in, wordt bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij de omgevingsvergunning aangegeven termijn van ten hoogste vijftien jaar verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld te hebben. 2 Indien de in de omgevingsvergunning aangegeven termijn korter is dan vijftien jaar, kan die termijn worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 5.17 — Artikel 5.17 Werken#
Artikel 5.17 Werken Vervallen 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 5.18 — Artikel 5.18 Planologische gebruiksactiviteiten#
Artikel 5.18 Planologische gebruiksactiviteiten artikel 2.25, derde lid, van de wet artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet bijlage II Als geval als bedoeld inwaarin de omgevingsvergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend, wordt aangewezen de omgevingsvergunning voor het bewonen van een recreatiewoning die met toepassing vanin samenhang met artikel 4, onderdeel 10, vanis verleend. In een omgevingsvergunning als bedoeld in de eerste volzin wordt bepaald dat zij slechts geldt voor de termijn gedurende welke degene aan wie de vergunning is verleend de desbetreffende recreatiewoning onafgebroken bewoont. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 5.19 — Artikel 5.19 Relatie met Grondwaterrichtlijn#
Artikel 5.19 Relatie met Grondwaterrichtlijn Vervallen 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 5.20 — Artikel 5.20 Inhoud en ruimtelijke onderbouwing#
Artikel 5.20 Inhoud en ruimtelijke onderbouwing artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet artikelen 3.1.2 3.1.6 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing vanzijn de,envan overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 5.21 — Artikel 5.21 Regels voor de beoordeling van een aanvraag#
Artikel 5.21 Regels voor de beoordeling van een aanvraag 1 artikel 2.2aa, onderdeel a artikelen 2.8 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming artikel 2.9, vierde lid, van die wet artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in deen, het bepaalde krachtensen. 2 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, en het betreft een handeling als bedoeld inkan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in. 3 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, en het betreft een handeling als bedoeld inkan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in. 4 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming artikel 3.8, vijfde lid Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, en het betreft een handeling als bedoeld inkan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 5.22 — Artikel 5.22 Regels met betrekking tot aan een vergunning te verbinden voorschriften#
Artikel 5.22 Regels met betrekking tot aan een vergunning te verbinden voorschriften 1 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 5.21, eerste lid artikel 6.10a, tweede lid artikel 2.8, vierde lid, van de Wet natuurbescherming Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, wordt, ingeval toepassing wordt gegeven aanin samenhang met, het voorschrift verbonden dat compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, onder c, van die wet worden getroffen. Behoudens gevallen waarin, van toepassing is, melden gedeputeerde staten de compenserende maatregelen aan Onze Minister van Economische Zaken, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. 2 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming artikel 3.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in, voor zover het betreft een handeling als bedoeld in, worden voorschriften verbonden als bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.23 — Artikel 5.23 artikel 2.31 van de wet Regels over de wijziging van de voorschriften van een vergunning, bedoeld in#
Artikel 5.23 artikel 2.31 van de wet Regels over de wijziging van de voorschriften van een vergunning, bedoeld in 1 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in, op de grond die is aangegeven in. 2 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in. 3 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 5.4, eerste, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.24 — Artikel 5.24 artikel 2.33 van de wet Regels over de intrekking van een vergunning, bedoeld in#
Artikel 5.24 artikel 2.33 van de wet Regels over de intrekking van een vergunning, bedoeld in 1 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, geheel of gedeeltelijk in op de grond die is aangegeven in. 2 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in. 3 artikel 2.2aa, onderdeel b artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5a.1 — Artikel 5a.1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Aanvullende aanwijzing van categorieën gevallen waarinvan toepassing is#
Artikel 5a.1 afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht Aanvullende aanwijzing van categorieën gevallen waarinvan toepassing is artikel 3.10, eerste lid, onderdeel f, van de wet artikel 6.10a, derde lid Als categorie als bedoeld inworden aangewezen gevallen als bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 B&W of GS#
Artikel 6.1 B&W of GS 1 Met betrekking tot een aanvraag worden als adviseur aangewezen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project geheel of gedeeltelijk zal worden of wordt uitgevoerd. 2 artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld inworden als adviseur aangewezen gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of gedeeltelijk zal worden of wordt uitgevoerd, alsmede de bestuursorganen en instanties die ingevolge de provinciale milieuverordening zijn aangewezen om advies uit te brengen omtrent een ontheffing voor die activiteit. 3 Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een mijnbouwwerk, indien die aanvraag betrekking heeft op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een boorgat of het winnen van delfstoffen of aardwarmte waarvoor Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is, wordt als adviseur aangewezen gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of gedeeltelijk zal worden of wordt uitgevoerd. 2017 114 27-03-2017 06-03-2017 2017 114 27-03-2017 06-03-2017 01-05-2017
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Welstand#
Artikel 6.2 Welstand 1 artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld invragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in, advies aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester. 2 artikel 2.26, derde of vierde lid, van de wet In gevallen waarin burgemeester en wethouders niet het bevoegd gezag zijn, betrekken zij, indien zij toepassing hebben gegeven aan het eerste lid, het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester bij het advies dat zij ingevolgeuitbrengen aan het bevoegd gezag. 2013 75 28-02-2013 11-02-2013 2013 75 28-02-2013 11-02-2013 01-03-2013
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Inrichting of mijnbouwwerk#
Artikel 6.3 Inrichting of mijnbouwwerk 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, in gevallen waarin burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, worden als adviseur aangewezen: a. bijlage I het bestuur van de veiligheidsregio binnen wiens gebied de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in, onderdeel C, onder 3.1 of 17; b. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting of een onderdeel daarvan is gelegen in een gebied, waarvoor bij provinciale milieuverordening regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; c. hoofdstuk V van de Wet geluidhinder artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting is gelegen op een industrieterrein waaromheen ingevolgeeen zone is vastgesteld en waarvan is bepaald dat het van regionaal belang als bedoeld inis. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet bijlage III Met betrekking tot het ontwerp van een beschikking op een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld inwordt de inspecteur als adviseur aangewezen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een van de inaangewezen categorieën. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet bijlage I Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, in gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, wordt als adviseur aangewezen het bestuur van de veiligheidsregio binnen wiens gebied de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in, onderdeel C, onder 3.5. 4 artikel 3.3, vierde lid Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, wordt als adviseur aangewezen de inspecteur-generaal der mijnen. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2013 521 12-12-2013 29-11-2013 01-01-2014
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Monumenten#
Artikel 6.4 Monumenten 1 artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in, worden als adviseurs aangewezen: a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op: 1°. het slopen van een rijksmonument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende aard, 2°. het ingrijpend wijzigen van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het rijksmonument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1°, 3°. het reconstrueren van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of 4°. het geven van een nieuwe bestemming aan een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan; b. Wegenverkeerswet 1994 gedeputeerde staten, indien het rijksmonument buiten de krachtens devastgestelde bebouwde kom ligt en het een activiteit betreft als bedoeld in onderdeel a, onder 1° tot en met 4°. 2 artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht Indien de adviseurs, bedoeld in het eerste lid, advies uitbrengen, geschiedt dit schriftelijk binnen acht weken nadat het bevoegd gezag de gegevens, bedoeld in, ter beschikking heeft gesteld. 3 artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in, worden gedeputeerde staten als adviseur aangewezen, indien het een monument betreft dat krachtens een provinciale verordening is aangewezen dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is. 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 01-07-2016
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening#
Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening 1 artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening artikel 3.2, aanhef en onder b Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing vanwordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij, van dit besluit ofvan toepassing is. 2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. 3 De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. 4 artikel 3.1, aanhef en onder b artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening In gevallen waarin, van dit besluit ofvan toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen. 2012 424 25-09-2012 11-08-2012 2012 424 25-09-2012 11-08-2012 26-09-2012
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 artikel 4.1, derde lid 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening Afwijken van regels gesteld krachtens, of#
Artikel 6.6 artikel 4.1, derde lid 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening Afwijken van regels gesteld krachtens, of 1 artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de wet artikel 4.1, derde lid 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing vanwordt afgeweken van regels gesteld krachtens, of, niet verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben, onderscheidenlijk Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in overeenstemming met Onze Minister, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. 2 De verklaring kan slechts worden verleend indien de betrokken activiteiten niet in strijd komen met de regels inzake afwijking die zijn opgenomen in de betrokken provinciale verordening of algemene maatregel van bestuur. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Voormalige provinciale inrichtingen#
Artikel 6.7 Voormalige provinciale inrichtingen Vervallen 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2013 521 12-12-2013 29-11-2013 01-01-2014
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Opslaan afvalstoffen of gevaarlijke stoffen#
Artikel 6.8 Opslaan afvalstoffen of gevaarlijke stoffen 1 artikel 3.3, vierde lid, onder a Voor zover een aanvraag als bedoeld in, waarvoor Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, betrekking heeft op het ondergronds opslaan van afvalstoffen die van buiten het betrokken mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke stoffen, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben. 2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Inrichting tevens mijnbouwwerk#
Artikel 6.9 Inrichting tevens mijnbouwwerk 1 artikel 3.3, vierde lid, onder a Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een inrichting die tevens een mijnbouwwerk is en waarop, niet van toepassing is, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen, voor zover het de mijnbouwactiviteiten betreft, geen bedenkingen heeft. 2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. 3 artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de wet In gevallen als bedoeld in het eerste lid heeft Onze Minister van Economische Zaken mede tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, bedoeld in. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.10 — Artikel 6.10#
Artikel 6.10 artikelen 6.8 6.9 3.10, derde lid, van de wet Deenzijn niet van toepassing in gevallen als bedoeld in. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2013 521 12-12-2013 29-11-2013 01-01-2014
Artikel 6.10a — Artikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten#
Artikel 6.10a Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten 1 artikel 2.2aa, onderdeel a of b artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld inhebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben. 2 artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Indien de activiteit betrekking heeft op een project of handeling behorend tot een inaangewezen categorie van projecten en handelingen, wordt in het eerste lid in plaats van «gedeputeerde staten als bedoeld inhebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben» gelezen «Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft». 3 Het eerste lid, al dan niet in samenhang met het tweede lid, is niet van toepassing indien gedeputeerde staten als bedoeld in het eerste lid tevens het bevoegd gezag zijn, onderscheidenlijk indien Onze Minister van Economische Zaken tevens het bevoegd gezag is, om te beslissen op de desbetreffende aanvraag om een omgevingsvergunning. 4 Een verklaring kan slechts worden gegeven: a. artikel 2.aa, onderdeel a artikel 2.8 artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming artikel 2.9, vierde lid, van die wet artikel 2.14 van het Besluit natuurbescherming voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in: op de gronden, die zijn aangegeven inen, het bepaalde krachtensen. b. artikel 2.2aa, onderdeel b voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in: 1°. artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming voor zover het betreft een handeling als bedoeld in: op de gronden, aangegeven in; 2°. artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming voor zover het betreft een handeling als bedoeld in: op de gronden, aangegeven in; 3°. artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming artikel 3.8, vijfde lid 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor zover het betreft een handeling als bedoeld in: op de gronden, aangegeven in, of. 5 artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit natuurbescherming Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, wordt in voorkomend geval in de verklaring opgenomen hoeveel ontwikkelingsruimte overeenkomstigwordt toegedeeld aan het project. 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 6.10b — Artikel 6.10b Verplicht verzoek vvgb-orgaan tot intrekking of wijziging omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten#
Artikel 6.10b Verplicht verzoek vvgb-orgaan tot intrekking of wijziging omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten artikel 2.2aa, onderdeel a artikel 6.10a, eerste of tweede lid artikel 2.29, eerste lid, van de wet artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in, geeft een bestuursorgaan als bedoeld in, toepassing aanin het geval, bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Aanvraag#
Artikel 6.11 Aanvraag 1 Indien een inrichting belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van een inrichting kan ondervinden, daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden aan die lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden in Nederland ter inzage wordt gelegd. 2 In gevallen als bedoeld in het derde lid verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden aan Onze Minister van Defensie op het tijdstip waarop: a. kennis wordt gegeven van de aanvraag, of b. de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden ter inzage wordt gelegd. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet Het tweede lid is van toepassing op een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in: a. bijlage II die plaatsvindt in een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen obstakelbeheergebied rondom een militaire luchthaven en betrekking heeft op een antenne-installatie als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van; b. die plaatsvindt in een A- of B-veiligheidszone rondom een munitieopslag en betrekking heeft op: 1°. bijlage II een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die bijlage; 2°. bijlage II het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van, voor zover het betreft een buiten de bebouwde kom gelegen logiesfunctie voor werknemers; 3°. bijlage II ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van, voor zover dat gebruik strekt tot het mogelijk maken van het verblijf van personen. 2014 333 24-09-2014 04-09-2014 2014 358 16-10-2014 03-10-2014 01-11-2014 Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 2.2.1,
onderdelen F tot en met J, 2.2.2, 2.2.3, onderdeel A, 2.2.4, 2.2.5,
onderdelen D en E, 3.1, derde lid, en 3.2 van de Wijzigingswet
Crisis- en herstelwet, enz. (Stb. 2013/144) in werking treden.
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Toezenden ontwerpbesluit#
Artikel 6.12 Toezenden ontwerpbesluit 1 artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of onder c, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, waarbij toepassing wordt gegeven aan, zendt het bevoegd gezag het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, toe aan gedeputeerde staten en de inspecteur. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, die op het grondgebied van twee of meer provincies plaatsvinden, in gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, zenden zij het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, toe aan gedeputeerde staten van de provincies waarin de betrokken inrichting gedeeltelijk zal zijn of is gelegen. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in, in gevallen waarin Onze Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is, zendt deze het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, toe aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen. 4 artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in, zendt het bevoegd gezag het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, toe aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 Toezenden afschrift beschikking#
Artikel 6.13 Toezenden afschrift beschikking 1 artikelen 6.1 6.3 6.4 6.12 Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de beschikking op de aanvraag toe aan de personen of bestuursorganen, bedoeld in de,,en. 2 artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de wet Monumentenwet 1988 Erfgoedwet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in, welke betrekking heeft op een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de, zendt het bevoegd gezag gelijktijdig met de toezending aan de aanvrager een afschrift van de beschikking toe aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3 artikel 2.1, eerste lid, onder f of h, van de wet Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in, zendt het bevoegd gezag gelijktijdig met de toezending aan de aanvrager een afschrift van de beschikking toe aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 4 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet bijlage I Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld inmet betrekking tot een inrichting als bedoeld in, onderdeel C, onder 3.6, onder a of b, zendt het bevoegd gezag langs elektronische weg gelijktijdig met de toezending aan de aanvrager een afschrift van de beschikking toe aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het afschrift wordt verzonden. 5 Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op ambtshalve gegeven beschikkingen tot wijziging van een omgevingsvergunning of voorschriften van een omgevingsvergunning of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning, met dien verstande dat in het tweede tot en met vierde lid in plaats van «aanvrager» wordt gelezen «degenen tot wie de beschikking is gericht». 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 2016 155 26-04-2016 08-04-2016 01-07-2016
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 Kennisgeving besluit verlening omgevingsvergunning#
Artikel 6.14 Kennisgeving besluit verlening omgevingsvergunning 1 artikelen 3:12 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening Een kennisgeving als bedoeld in deenwordt, voor zover het betreft een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij sprake is van een geval als bedoeld in, aan eenieder beschikbaar gesteld op de landelijke voorziening, bedoeld in. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan of beschikbaar wordt gesteld. 2021 175 09-04-2021 01-04-2021 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 6.15 — Artikel 6.15 BRZO-inrichting#
Artikel 6.15 BRZO-inrichting 1 artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet artikel 1, eerste lid, Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Voor zover een aanvraag betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in, binnen een hogedrempelinrichting als bedoeld in, zendt het bevoegd gezag uiterlijk twee weken na ontvangst van de aanvraag, een afschrift daarvan en van de daarbij behorende gegevens en bescheiden, aan: a. Onze Minister; b. artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in; c. de burgemeester van de gemeente waar de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; d. het bestuur van de veiligheidsregio binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; e. artikel 6.2 van de Waterwet artikel 3.16 van de wet voor zover de onderdelen van het veiligheidsrapport betrekking hebben op de risico’s voor een oppervlaktewaterlichaam: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verlenen van de vergunning krachtens, behoudens in een geval als bedoeld in. 2 In gevallen als bedoeld in het eerste lid zendt het bevoegd gezag uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de omgevingsvergunning een afschrift daarvan aan: a. Onze Minister; b. artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in; c. de Nederlandse Arbeidsinspectie; d. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen; e. het bestuur van de veiligheidsregio. 3 artikel 1, eerste lid, Besluit risico’s zware ongevallen 2015 Het bevoegd gezag zendt, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport, bedoeld in, is ontvangen, deze aanvulling uiterlijk twee weken na ontvangst aan de in het eerste lid genoemde bestuursorganen en aan de daar bedoelde toezichthouder. 4 Het bevoegd gezag stelt het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van een zuiveringstechnisch werk waarop, of van een oppervlaktewaterlichaam waarin als gevolg van een zwaar ongeval, al dan niet door middel van een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of een ander werk, kan worden geloosd, in de gelegenheid advies uit te brengen over die onderdelen van het veiligheidsrapport, die betrekking hebben op de risico’s voor dat zuiveringstechnisch werk of dat oppervlaktewaterlichaam. 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 01-01-2022
Artikel 6.16 — Artikel 6.16 Samenvatting van de risicoanalyse#
Artikel 6.16 Samenvatting van de risicoanalyse bijlage I Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in, categorie 21, 28.4, onder g, of 29.1, onder k, met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen een exemplaar van de schriftelijke samenvatting van de risicoanalyse aan: a. de burgemeester van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen; b. de commissaris van de Koningin in de provincie waar een gemeente als bedoeld onder a is gelegen; c. het bestuur van de veiligheidsregio waar een gemeente als bedoeld onder a is gelegen. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010 2010 256 01-07-2010 24-06-2010 2010 252 01-07-2010 24-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.17 — Artikel 6.17 Veiligheidsrapport#
Artikel 6.17 Veiligheidsrapport 1 artikel 6.15 Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld inmet het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen de daarin bedoelde onderdelen van het veiligheidsrapport en, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling aan: a. de burgemeester van de gemeente die kan worden getroffen door een zwaar ongeval bij een inrichting waarop het veiligheidsrapport betrekking heeft; b. de commissaris van de Koningin in de provincie waar een gemeente is gelegen waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen; c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a is gelegen; d. het bestuur van de veiligheidsregio binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder a of c is gelegen. 2 Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan de aangrenzende staat, indien een zwaar ongeval bij de inrichting waarop het veiligheidsrapport betrekking heeft de aangrenzende staat kan treffen. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie. 3 artikel 19.3 van de Wet milieubeheer In afwijking van het tweede lid zendt het bevoegd gezag, indien krachtenseen tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat. 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 2015 272 07-07-2015 25-06-2015 08-07-2015
Artikel 6.18 — Artikel 6.18 Overlegverplichting planologische gebruiksactiviteiten#
Artikel 6.18 Overlegverplichting planologische gebruiksactiviteiten artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing vanisvan overeenkomstige toepassing. 2010 144 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 6.19 — Artikel 6.19#
Artikel 6.19 artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de wet artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, tweede lid, onder a, b en h, vierde en vijfde lid Als categorie van gevallen als bedoeld inwordt aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in. 2016 425 11-11-2016 27-10-2016 2016 539 28-12-2016 13-12-2016 01-01-2017
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Taken van de omgevingsdienst#
Artikel 7.1 Taken van de omgevingsdienst 1 bijlage IV Gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat in ieder geval de volgende taken voor de inaangewezen omgevingsvergunningen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag zijn door een omgevingsdienst worden uitgevoerd: a. bijlage IV het voorbereiden van beschikkingen tot het verlenen, wijzigen, intrekken of weigeren van omgevingsvergunningen die zijn aangewezen in de categorieën 1 tot en met 4 vanvoor de projecten en activiteiten die zijn aangewezen in die categorieën; b. artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 8.40a, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer bijlage IV het beoordelen van meldingen als bedoeld in, het voorbereiden van beschikkingen als bedoeld inen het stellen van voorschriften als bedoeld inten aanzien van activiteiten die zijn aangewezen in categorie 6 vanalsmede het beoordelen van meldingen ten aanzien van activiteiten die zijn aangewezen in categorie 9 van bijlage IV; c. het toezicht op de naleving van: 1°. bijlage IV artikelen 2.1 2.2 2.3 2.3a van de wet de omgevingsvergunningen en de daaraan verbonden voorschriften die zijn aangewezen in de categorieën 1 tot en met 4 vanvoor de projecten en activiteiten die zijn aangewezen in die categorieën alsmede de verboden, bedoeld in de,,envoor die projecten en activiteiten; 2°. Activiteitenbesluit milieubeheer bijlage IV de voorschriften gesteld bij of krachtens hetdie gelden voor de activiteiten die zijn aangewezen in de categorieën 6 en 12 van; 3°. wet Wet milieubeheer Wet bodembescherming bijlage IV de voorschriften gesteld bij of krachtens de, deen de, die van toepassing zijn op de projecten en activiteiten die zijn aangewezen in de categorieën 1 tot en met 10 vanen op het ketentoezicht op de activiteiten die zijn aangewezen in categorie 11 van bijlage IV; d. het voorbereiden van beschikkingen tot handhaving van de voorschriften en omgevingsvergunningen en de daarin opgenomen voorschriften, alsmede van de verboden, bedoeld in de onderdelen a tot en met c. 2 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Onder het voorbereiden van beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, valt niet de toepassing van de. 3 bijlage IV bijlage V artikel 5.3, vierde lid, van de wet De taken voor de inaangewezen omgevingsvergunningen en activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden voor de categorieën van inrichtingen, bedoeld in, uitsluitend door de inaangewezen omgevingsdiensten uitgevoerd. 4 bijlage V Een naamswijziging van een inaangewezen omgevingsdienst gaat, totdat een overeenkomstige wijziging van die bijlage in werking treedt, voor dit besluit gelden nadat een door Onze Minister daarover genomen besluit bekend is gemaakt in de Staatscourant. 2023 111 05-04-2023 03-04-2023 2023 194 13-06-2023 07-06-2023 01-07-2023
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Uitvoerings- en handhavingsbeleid#
Artikel 7.2 Uitvoerings- en handhavingsbeleid 1 De bestuursorganen die bevoegd gezag zijn en belast zijn met de bestuursrechtelijke uitvoering en handhaving van het bepaalde bij de wet en bij of krachtens de betrokken wetten en met het toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame toezichthouders, stellen ieder voor zich voor de taken, niet zijnde de taken, bedoeld in het tweede lid, het uitvoerings- en handhavingsbeleid vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen zij zichzelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten zij daartoe zullen uitvoeren. Voordat een document wordt vastgesteld wordt, indien nodig, onderling afgestemd. Het handhavingsbeleid wordt ook afgestemd met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. 2 artikel 7.1, eerste lid De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, die deelnemen in een omgevingsdienst dragen er gezamenlijk zorg voor dat een uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid voor de taken, bedoeld in, wordt vastgesteld in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen de omgevingsdienst moet behalen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten daartoe door de omgevingsdienst worden uitgevoerd en stemmen dit, indien nodig, gezamenlijk af met andere bestuursorganen en met de organen die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving. Het handhavingsbeleid wordt vastgesteld in overeenstemming met het Openbaar Ministerie. 3 Het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in het eerste en tweede lid, dient mede ter uitvoering van het bovenregionale handhavingsbeleid. 4 Het uitvoeringsbeleid is gebaseerd op toepasselijke algemeen verbindende voorschriften, beleidskaders en een analyse van inzichten, technieken en werkwijzen die gebruikt kunnen worden voor de uitvoering. 5 Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens de wet en de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de zorg voor de handhaving daarvan aan hen is opgedragen. 6 Het uitvoerings- en handhavingsbeleid geeft ten minste inzicht in: a. de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de krachtens het eerste en tweede lid voorgenomen activiteiten; b. de methodiek die de bestuursorganen gebruiken om te bepalen of de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen worden bereikt; c. de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, en d. de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. 7 Het handhavingsbeleid geeft voorts inzicht in: a. de afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden; b. de wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen te bereiken; c. de rapportage van de bevindingen van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan die bevindingen wordt gegeven, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; d. de wijze waarop bestuurlijke sancties alsmede de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; e. de wijze waarop de bestuursorganen handelen na overtredingen die zijn begaan door of in naam van die bestuursorganen of van andere organen behorende tot de overheid. 8 artikel 7.7, tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bezien regelmatig maar in ieder geval naar aanleiding van de evaluatie, bedoeld in, het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde beleid en passen dit in ieder geval bij gebleken noodzaak zo spoedig mogelijk aan. 9 Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap geven kennis van het uitvoerings- en handhavingsbeleid aan de gemeenteraad en provinciale staten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Uitvoeringsprogramma#
Artikel 7.3 Uitvoeringsprogramma 1 artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in, werken jaarlijks het uitvoerings- en handhavingsbeleid uit in een uitvoeringsprogramma voor de desbetreffende rechtspersoon waarin wordt aangegeven welke van de vastgestelde activiteiten zij het komende jaar zullen uitvoeren. Daarbij houden ze rekening met de krachtens die leden gestelde doelen en de krachtens artikel 7.2, zesde lid, onder a, gestelde prioriteiten. 2 De bestuursorganen stemmen het uitvoeringsprogramma af met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. 3 artikel 7.2, tweede lid artikel 7.1, eerste lid De bestuursorganen, bedoeld in, dragen zorg voor een uniform uitvoeringsprogramma voor de taken, bedoeld in, op het niveau van de met die taken belaste omgevingsdienst. 4 Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap maken het uitvoeringsprogramma bekend aan de gemeenteraad, provinciale staten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Uitvoeringsorganisatie#
Artikel 7.4 Uitvoeringsorganisatie 1 artikel 7.2, eerste en tweede lid artikel 7.3 De bestuursorganen, bedoeld in, richten hun organisaties zodanig in dat een goede uitvoering van het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 7.2, en de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in, gewaarborgd is. 2 De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat: a. de personeelsformatie ten behoeve van de uitvoering en de handhaving en de bij de onderscheiden functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd; b. artikel 2.1, eerste lid, onder e artikel 2.2a, van de wet artikel 8.40a, eerste lid, van de Wet milieubeheer artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer de personen die zijn belast met de voorbereiding van besluiten ten aanzien van aanvragen om een omgevingsvergunning voor zover deze betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in, en categorieën activiteiten als bedoeld inof met de voorbereiding van beschikkingen als bedoeld inof het stellen van voorschriften als bedoeld inniet worden belast met: 1°. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde met betrekking tot een inrichting, en 2°. het voorbereiden of uitvoeren van bestuurlijke sancties met betrekking tot een inrichting; c. artikelen 5.10 5.11 van de wet een krachtens deofaangewezen ambtenaar niet voortdurend feitelijk wordt belast met het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde met betrekking tot dezelfde inrichting; d. de organisatie van de bestuursorganen en van de omgevingsdienst ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar en beschikbaar is. 3 artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in, dragen er tevens zorg voor dat: a. een beschrijving van de werkprocessen, de procedures en de bijbehorende informatievoorziening inzake de uitvoerings- en handhavingstaken van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde en het voorbereiden, geven en uitvoeren van bestuurlijke sancties wordt vastgesteld; b. de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden overeenkomstig deze beschrijving. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 Borging van middelen#
Artikel 7.5 Borging van middelen artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in, dragen er zorg voor dat: a. de voor het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen en de voor het uitvoeren van de daarin bedoelde activiteiten benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting van de desbetreffende rechtspersonen en van de omgevingsdienst worden gewaarborgd; b. de wijze van berekening van de benodigde financiële en personele middelen, bedoeld onder a, inzichtelijk wordt gemaakt; c. artikel 7.3, eerste en derde lid voor de uitvoering van de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in, voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn en dat deze middelen zo nodig worden aangevuld of de uitvoeringsprogramma’s zo nodig worden aangepast. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 Monitoring#
Artikel 7.6 Monitoring 1 artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in, bewaken de resultaten en de voortgang van: a. het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen; b. artikel 7.3, eerste en derde lid de uitvoering van de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in. 2 De bestuursorganen dragen zorg voor de registratie van gegevens die zijn verkregen in het kader van de uitvoering en handhaving. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.7 — Artikel 7.7 Rapportage#
Artikel 7.7 Rapportage 1 artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen, bedoeld in, rapporteren periodiek over: a. het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen; b. artikel 7.2, zesde lid, onder a de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, bedoeld in die leden, in verhouding tot de prioriteitenstelling, bedoeld in; c. artikel 7.2, zevende lid, onder a de uitvoering van de afspraken, bedoeld in. 2 artikel 7.3, eerste en derde lid artikel 7.2, eerste en tweede lid De bestuursorganen evalueren jaarlijks of de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in, zijn uitgevoerd en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de krachtens, gestelde doelen. 3 Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap delen de rapportage, bedoeld in het eerste lid, en het verslag van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid, mee aan de gemeenteraad, provinciale staten, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.8 — Artikel 7.8 Verplichte aansluiting#
Artikel 7.8 Verplichte aansluiting artikel 5.8, eerste lid, van de wet artikel 7.1, eerste lid Aan de verplichting, bedoeld inis in ieder geval voldaan, indien Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met de uitvoering van de taken, bedoeld in, via het beveiligd digitaal systeem voor informatie-uitwisseling, voor de toepassing van dit besluit Inspectieview Milieu geheten, raadpleegbaar maken. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.9 — Artikel 7.9 Aanwijzing andere bestuursorganen#
Artikel 7.9 Aanwijzing andere bestuursorganen artikel 5.8, tweede lid, van de wet Als andere bestuursorganen als bedoeld in, worden aangewezen: a. Onze Minister van Economische Zaken, b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, c. artikel 27 van de Politiewet 2012 de korpschef, bedoeld in, en d. het Openbaar Ministerie. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 7.10 — Artikel 7.10 Verplichtingen voor aangeslotenen#
Artikel 7.10 Verplichtingen voor aangeslotenen 1 artikelen 7.8 7.9 De bestuursorganen, bedoeld in deen, maken gegevens in een gestandaardiseerde set toegankelijk. 2 wet Ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de, wordt bij het verstrekken van persoonsgegevens gebruik gemaakt van het burgerservicenummer. 3 artikelen 32 33 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht Onverminderd de Algemene verordening gegevensbescherming, deenen, treffen de bestuursorganen, ten behoeve van de verwerking van de gegevens die zij via Inspectieview Milieu toegankelijk maken dan wel raadplegen, maatregelen met betrekking tot het autoriseren van personen die onder hun verantwoordelijkheid werkzaam zijn. 2018 249 27-07-2018 11-07-2018 2018 250 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 7.11 — Artikel 7.11 Verwerkingsverantwoordelijke#
Artikel 7.11 Verwerkingsverantwoordelijke 1 Onze Minister is de voor Inspectieview Milieu verwerkingsverantwoordelijke. 2 Inspectieview Milieu voldoet aan de principes van de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur. 3 artikelen 32 33 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming Onverminderd de Algemene verordening gegevensbescherming en deenricht de verwerkingsverantwoordelijke Inspectieview Milieu zowel procedureel als technisch zodanig in dat: a. artikel 7.10, eerste lid zoveel mogelijk vooraf door middel van een gestandaardiseerde set van gegevens als bedoeld in, is bepaald welke gegevens nodig zijn om het doel waarvoor de gegevens toegankelijk worden gemaakt te bereiken en deze gegevens toereikend, relevant en niet bovenmatig zijn; b. het doel waarvoor de gegevens die toegankelijk worden gemaakt door een bestuursorgaan verenigbaar is met het doel waarvoor deze gegevens door dat bestuursorgaan zijn verkregen; c. gegevens die verplicht gedeeld worden uitsluitend door middel van Inspectieview Milieu toegankelijk worden gemaakt indien geen wettelijke bepaling daaraan in de weg staat; d. er geen gegevens toegankelijk worden gemaakt door een bestuursorgaan of strafrechtelijke instantie waarvoor dat bestuursorgaan een geheimhoudingsplicht heeft; e. er geen gegevens op een centrale plaats worden opgeslagen en bewaard; f. artikelen 7.8 7.9 alleen geautoriseerde personen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de bestuursorganen, bedoeld in deenof organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving of met de opsporing van economische delicten die gegevens opvragen, toegang tot die gegevens hebben; g. artikelen 7.8 7.9 de toegang tot gegevens voor specifiek vooraf aangewezen en getoetste doeleinden voorbehouden is aan de daartoe geautoriseerde personen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de bestuursorganen, bedoeld in deen, of organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving of met de opsporing van economische delicten die gegevens opvragen; h. het informatiebeveiligingsniveau «departementaal vertrouwelijk» is en voor gegevens verkregen uit processen-verbaal dan wel een opsporingsonderzoek «staatsgeheim confidentieel». 2018 249 27-07-2018 11-07-2018 2018 250 27-07-2018 11-07-2018 28-07-2018 25-05-2018
Artikel 7.12 — Artikel 7.12 Kostenverdeling#
Artikel 7.12 Kostenverdeling 1 De jaarlijkse beheerkosten van Inspectieview Milieu komen voor rekening van Onze Minister. 2 artikelen 7.8 7.9 De bestuursorganen, bedoeld in deen, en organen die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving die op Inspectieview Milieu zijn aangesloten, betalen jaarlijks een bedrag voor het technisch- en applicatie beheer aan Onze Minister. 2017 193 17-05-2017 21-04-2017 2017 264 21-06-2017 07-06-2017 01-07-2017
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Tijdstip inwerkingtreding#
Artikel 8.1 Tijdstip inwerkingtreding 1 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de diverse artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2 Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de diverse artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld vervalt: a. artikel 2.1, eerste lid in, «onderdeel B, onder 2, en», b. artikel 3.3a , c. artikel 6.3, eerste lid, onder d , d. artikel 6.7 , e. artikel 6.10 in«6.7, eerste, tweede en vierde lid,», f. bijlage I in, onderdeel B, onderdeel 2, en de aanduiding «1.» voor onderdeel 1. 3 artikel 6.3, eerste lid, onder c Op het moment, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b en c wordt in, de komma aan het slot vervangen door een punt. 4 Artikel 5.10, vierde lid , vervalt met ingang van de eerste dag waarop twee jaar zijn verstreken na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. 2017 423 10-11-2017 24-10-2017 2017 501 22-12-2017 15-12-2017 01-01-2018
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Citeertitel#
Artikel 8.2 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit omgevingsrecht. 2010 143 01-04-2010 25-03-2010 2010 231 22-06-2010 10-06-2010 01-10-2010
Artikel 2.1#
artikelen 2.1
Artikel 3.3#
3.3
Artikel 6.3#
6.3
Artikel 6.16#
6.16
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 3.3#
artikel 3.3, derde en vierde lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.1#
artikel 2.1, tweede lid
Artikel 2.3#
artikelen 2.3
Artikel 2.5a#
2.5a
Artikel 2.7#
2.7
Artikel 6.3#
artikel 6.3, tweede lid
Artikel 7.1#
artikel 7.1, eerste lid
Artikel 7.1#
artikel 7.1, eerste lid
Artikel 2.2a#
artikel 2.2a
Artikel 7.1#
artikel 7.1, derde lid
Artikel 7.1#
artikel 7.1, derde lid