Besluit van 28 augustus 2012, houdende regels over de rechtspositie van de leden van het College voor de rechten van de mens en de tot het bureau behorende ambtenaren (Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens)
- BWB-id
- BWBR0031966
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2020-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0031966
- ELI
- /eli/nl/amvb/2012/besluit-rechtspositie-college-voor-de-rechten-van-de-mens
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2012/besluit-rechtspositie-college-voor-de-rechten-van-de-mens/2020-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0031966&g=2020-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0031966&z=2026-06-06&g=2020-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0031966/2020-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2012/besluit-rechtspositie-college-voor-de-rechten-van-de-mens
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. rijksambtenaren: degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn; b. College: artikel 1 van de wet College voor de rechten van de mens, genoemd in; c. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; d. wet: Wet College voor de rechten van de mens . 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Een lid of een plaatsvervangend lid van het College legt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. 2 De voorzitter van het College legt de eed of belofte af ten overstaan van Onze Minister. De andere leden en de plaatsvervangende leden van het College leggen de eed of belofte af ten overstaan van de voorzitter van het College. 3 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door het lid of plaatsvervangend lid van het College en degene te wiens overstaan de eed of belofte is afgelegd. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 Onze Minister verstrekt aan een lid of plaatsvervangend lid van het College afschrift van het koninklijk besluit waarbij hij is benoemd tot voorzitter, ondervoorzitter of lid onderscheidenlijk plaatsvervangend lid. Voorts doet Onze Minister aan een lid van het College schriftelijk mededeling van de standplaats, het salaris en de arbeidsduur waarvoor hij wordt aangesteld. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Een lid van het College wordt door Onze Minister aangesteld voor een arbeidsduur van ten hoogste gemiddeld 36 uren per week. 2 Op eigen verzoek kan de arbeidsduur waarvoor een lid van het College is aangesteld, door Onze Minister worden gewijzigd. 3 Onze Minister neemt een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid niet dan nadat hij hierover het advies heeft ingewonnen van de voorzitter van het College. 4 Het derde lid is niet van toepassing voorzover het de aanstelling van de voorzitter van het College betreft. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 De voorzitter van het College verdeelt de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van het College. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De leden van het College hebben aanspraak op vakantie en verlof overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De bevoegdheden die op grond van de eerste volzin van toepassing zijn, worden uitgeoefend door de voorzitter van het College. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 Een lid van het College kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen in of nabij de gemeente die hem als standplaats is aangewezen, indien dit naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn ambt. 2 Het lid aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, voldoet daaraan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 Indien de voorzitter van het College wegens ziekte of om andere redenen verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan Onze Minister. Indien een ander lid verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de voorzitter. 2 Ten aanzien van de leden van het College is hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren, is bepaald met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding alsmede rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van overeenkomstige toepassing. De bevoegdheden die op grond van de eerste volzin van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door de voorzitter van het College. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Aan een lid of een plaatsvervangend lid van het College wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren Werkloosheidswet Ten aanzien van de leden van het College is hetvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «betrokkene» wordt verstaan: het lid van het College dat ten gevolge van ontslag, niet zijnde ontslag op eigen verzoek, of ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het College wordt door Onze Minister een overlijdensuitkering uitbetaald overeenkomstig hetgeen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren is overeengekomen. 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 Vervallen 2019 313 10-10-2019 30-09-2019 2019 385 06-11-2019 24-10-2019 01-01-2020
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie College voor de rechten van de mens. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 hoofdstuk 3 van de wet Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waaropin werking treedt. 2012 389 06-09-2012 28-08-2012 2012 414 20-09-2012 06-09-2012 01-10-2012 Treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 3 van de Wet College voor de rechten van de mens in werking treedt.
Artikel 2#
artikel 2, eerste lid