Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren)
- BWB-id
- BWBR0035217
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035217
- ELI
- /eli/nl/amvb/2014/besluit-houders-van-dieren
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2014/besluit-houders-van-dieren/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035217&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035217&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035217/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2014/besluit-houders-van-dieren
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijfsbehandelplan: een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij door een houder gehouden dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld; bedrijfsgezondheidsplan: een plan dat specifiek is voor een bedrijf, bestaande uit: 1°. een analyse van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren en van de toepassing van diergeneesmiddelen bij door een houder gehouden dieren; 2°. een overzicht van te treffen maatregelen ter verbetering van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren; big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen; daarmee verband houdende activiteiten: datgene dat daaronder wordt verstaan in artikel 2, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009; derde land: land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; elektrisch veedrijfmiddel: apparatuur die geschikt is om aan een dier stroomstoten af te geven; evenhoevigen: runderen, varkens, schapen, geiten of hertachtigen; gezelschapsdier: zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil; pluimvee: hoenderachtigen, eenden of ganzen; richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn 2003/99/EG Richtlijn 92/117/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking vanvan de Raad (PbEU 2003, L 325); spermawininrichting: inrichting voor levende producten waar sperma wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen; varken: varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij; verordening (EG) nr. 178/2002: verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEU 2002, L 31); verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303); verordening (EU) nr. 576/2013: verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2012, L 178); verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L84); verordening (EU) 2017/625: verordening (EU) 2017/625 Verordeningen (EG) nr. 999/2001 (EG) nr. 396/2005 (EG) nr. 1069/2009 (EG) nr. 1107/2009 (EU) nr. 1151/2012 (EU) nr. 652/2014 (EU) 2016/429 (EU) 2016/2031 Verordeningen (EG) nr. 1/2005 (EG) nr. 1099/2009 Richtlijnen 98/58/EG 1999/74/EG 2007/43/EG 2008/119/EG 2008/120/EG Verordeningen (EG) nr. 854/2004 (EG) nr. 882/2004 Richtlijnen 89/608/EEG 89/662/EEG 90/425/EEG 91/496/EEG 96/23/EG 96/93/EG 97/78/EG 92/438/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de,,,,,,envan het Europees Parlement en de Raad, deenvan de Raad en de,,,envan de Raad, en tot intrekking van deenvan het Europees Parlement en de Raad, de,,,,,envan de Raad en Besluitvan de Raad (verordening officiële controles) (PbEU L 95); verordening (EU) 2018/848: Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150); verzamelcentrum: inrichting voor het verzamelen van hoefdieren of pluimvee van waaruit dieren worden verplaatst of die dieren ontvangt; wet: Wet dieren ; zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen, kennelijk bestemd voor de fokkerij. 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 01-01-2026 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 01-01-2026
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 Wet op de dierproeven Verhouding met#
Artikel 1.2 Wet op de dierproeven Verhouding met artikelen 1.19 1.20 Wet op de dierproeven Dit besluit is met uitzondering van deenniet van toepassing op dieren waarop devan toepassing is. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.3 — Artikel 1.3 Verboden gedragingen ten aanzien van dieren#
Artikel 1.3 Verboden gedragingen ten aanzien van dieren artikel 2.1, derde lid, van de wet Als gedragingen als bedoeld inworden aangewezen: a. het zich ontdoen van een dier; b. het schoppen van een dier; c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft; d. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof; e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land; f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is; g. het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee het dier door middel van scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht; h. het gebruik van apparatuur die geschikt is om aan een hond stroomstoten af te geven, met uitzondering van: 1°. het gebruik daarvan bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen; 2°. artikel 3 artikel 4, van de Politiewet 2012 artikel 97 van de Grondwet het gebruik daarvan in de uitvoering van de taak van de politie of de politietaken van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in, onderscheidenlijk, in de uitvoering van de taken van de krijgsmacht, bedoeld in, in de uitvoering van een overheidstaak in het kader van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel of bij het trainen ten behoeve van de uitvoering van deze taken door de betrokken overheidsorganisatie, voor zover het met dat gebruik beoogde doel dit rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt; 3°. het gebruik van elektrische afrastering; i. het gebruik van een elektrisch veedrijfmiddel met het oogmerk een dier dat met het oog op de productie van dierlijke producten bedrijfsmatig wordt gehouden voort te drijven, met uitzondering van: 1° verordening (EG) nr. 1099/2009 het gebruik ervan in slachthuizen als bedoeld in; 2° verordening (EG) nr. 1/2005 het gebruik ervan bij het laden van transport dat vanuit Nederland naar een ander land gaat of bij het lossen van transport dat vanuit een ander land afkomstig is als bedoeld in; 3° het gebruik ervan door een dierenarts bij het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, voor zover dat daarvoor noodzakelijk is; 4° melkrobots die geautomatiseerd aan het dier een stroomstoot afgeven om het apparaat te verlaten als het dat niet uit zichzelf doet, mits de stroomstoot voor het dier steeds voorspelbaar en vermijdbaar is; of 5° gps-halsbanden gebruikt voor het voortdrijven van dieren die geautomatiseerd aan het dier een stroomstoot afgeven, mits de stroomstoot voor het dier steeds voorspelbaar en vermijdbaar is. 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 01-01-2026
Artikel 1.4 — Artikel 1.4 Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieën op positieflijst#
Artikel 1.4 Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieën op positieflijst 1 artikel 2.2, tweede lid, van de wet De criteria, bedoeld in, zijn: a. de mate waarin het welzijn van het dier kan worden gewaarborgd wanneer het wordt gehouden; b. de mate waarin de gezondheid van mens en dier kan worden gewaarborgd wanneer het dier wordt gehouden; en c. de mate waarin de veiligheid van mens en dier kan worden gewaarborgd wanneer het dier wordt gehouden. 2 artikel 2.2, eerste lid, van de wet Het verbod, bedoeld in, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren. 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 01-07-2024
Artikel 1.5 — Artikel 1.5 Reikwijdte#
Artikel 1.5 Reikwijdte 1 Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen. 2 Artikel 1.6, vierde lid , is tevens van toepassing op insecten. 2021 636 20-12-2021 13-12-2021 2022 50 03-02-2022 28-01-2022 01-03-2022
Artikel 1.6 — Artikel 1.6 Houden van dieren#
Artikel 1.6 Houden van dieren 1 De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. 2 Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. 3 Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. 4 De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.7 — Artikel 1.7 Verzorgen van dieren#
Artikel 1.7 Verzorgen van dieren Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier: a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden; b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is; c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd; d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden; e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier; f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen; g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.8 — Artikel 1.8 Behuizing#
Artikel 1.8 Behuizing 1 Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen. 2 Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden. 3 In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier. 4 De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.9 — Artikel 1.9 Toepassingsbereik#
Artikel 1.9 Toepassingsbereik artikel 2.10, eerste lid, van de wet Als diercategorieën als bedoeld inworden aangewezen ganzen, honden en katten. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.10 — Artikel 1.10 Gevallen waarin dieren mogen worden gedood#
Artikel 1.10 Gevallen waarin dieren mogen worden gedood artikel 2.10, eerste lid, van de wet Als gevallen als bedoeld inworden aangewezen gevallen waarin: a. een dier wordt gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier; b. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is; c. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven; d. een dier wordt gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier; e. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.11 — Artikel 1.11 Reikwijdte#
Artikel 1.11 Reikwijdte artikelen 1.12 tot en met 1.14 Dezijn van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën en vogels. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.12 — Artikel 1.12 Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden#
Artikel 1.12 Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.13 — Artikel 1.13 Methoden#
Artikel 1.13 Methoden 1 Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt. 2 In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood: a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 1.14 — Artikel 1.14 Kennis#
Artikel 1.14 Kennis 1 Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.15 — Artikel 1.15 Begripsbepalingen#
Artikel 1.15 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: voortplantingstechniek: handeling of direct met elkaar samenhangende handelingen, bestemd om geslachtsproducten te winnen, bevruchting tot stand te brengen met behulp van gewonnen geslachtsproducten, of dracht tot stand te brengen op andere dan natuurlijke wijze, alsmede handelingen die bijdragen aan het tot stand brengen van dracht; geslachtsproducten: sperma, eicellen en embryo's alsmede delen daarvan. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.16 — Artikel 1.16 Reikwijdte#
Artikel 1.16 Reikwijdte Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën en vogels. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.17 — Artikel 1.17 Voortplantingstechnieken#
Artikel 1.17 Voortplantingstechnieken 1 Voortplantingstechnieken worden toegepast op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander ongerief wordt veroorzaakt. 2 Het is verboden sperma te winnen door middel van elektrische prikkeling. 3 Het tweede lid geldt niet voor spermawinning ten behoeve van een door de European Association of Zoos and Aquaria gecoördineerd Europees fokprogramma, mits het dier onder algehele narcose is gebracht en de elektrische prikkeling geschiedt door of onder toezicht van een dierenarts. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.18 — Artikel 1.18 Verbod gebruik van levend aas#
Artikel 1.18 Verbod gebruik van levend aas artikel 1, vierde lid, onderdelen c en d, van de Visserijwet 1963 Het is verboden bij het vissen in de wateren, bedoeld in, levende vissen, amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren als aas te gebruiken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.19 — Artikel 1.19 Reikwijdte scheiden dieren van ouderdier#
Artikel 1.19 Reikwijdte scheiden dieren van ouderdier artikel 2.2, zevende lid, van de wet Als diercategorieën als bedoeld inworden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap, varkens en nertsen. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.20 — Artikel 1.20 Leeftijd scheiden van dieren#
Artikel 1.20 Leeftijd scheiden van dieren 1 artikel 2.2, zevende lid, van de wet De leeftijd, bedoeld in, is voor: a. honden: 7 weken; b. katten: 7 weken; c. konijnen: 6 weken; d. bijlage I papegaaiachtigen: de voor de desbetreffende soort papegaaiachtigen inbij dit besluit vermelde leeftijd; e. Chimpansees: 4,5 jaar; f. Rhesus-apen: 1 jaar; g. Beermakaken: 1 jaar; h. Java-apen: 1 jaar; i. Marmosets: 1 jaar; j. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar; k. Doodshoofdapen: 9 maanden; l. varkens: 28 dagen; m. nertsen: 8 weken. 2 artikel 2.2, zevende lid, van de wet In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld invoor konijnen: a. 4 weken, indien de konijnen op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt; b. 5 weken, indien de konijnen na hun geboorte worden vervoerd vanaf het geboortebedrijf naar een ander bedrijf waar zij worden gehouden tot aan het moment waarop zij worden gedood met het oog op de productie van dierlijke producten. 3 artikel 2.2, zevende lid, van de wet In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in, voor varkens 21 dagen, indien de biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die: a. volledig worden leeggemaakt en grondig zijn gereinigd en ontsmet voordat een nieuwe groep biggen is binnengebracht, en b. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen zijn gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken. 4 artikel 1b, eerste lid, van de Wet op de dierproeven artikel 2.2, zevende lid, van de wet Ingeval apen vallen onder het bepaalde in, is in afwijking van het eerste lid, de leeftijd, bedoeld in, voor: a. Chimpansees: 4 jaar; b. Rhesus-apen: 2 jaar; c. Beermakaken: 2 jaar; d. Java-apen: 2 jaar; e. Marmosets: 1 jaar; f. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar; g. Doodshoofdapen: 9 maanden. 5 artikel 2.2, zevende lid, van de wet Indien de apen, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten, is, in afwijking van het vierde lid, de leeftijd, bedoeld in, voor: a. Chimpansees: 3 jaar; b. Rhesus-apen: 1 jaar; c. Beermakaken: 1 jaar; d. Java-apen: 1 jaar; e. Marmosets: 6 maanden; f. Doeroecoeli’s: 1 jaar; g. Doodshoofdapen: 7 maanden. 6 Artikel 2.2, zevende lid, van de wet , is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 1.21 — Artikel 1.21 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 1.21 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet Als lichamelijke ingreep als bedoeld inwordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel, voor zover: a. artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 toepassing van het diergeneesmiddel niet met toepassing vanis voorbehouden aan een dierenarts; b. de lichamelijke ingreep onderdeel is van de voor dat diergeneesmiddel in de bijsluiter voorgeschreven toedieningswijze en toedieningsweg; c. de toepassing subcutaan of intramusculair plaatsvindt; en d. de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden. 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.22 — Artikel 1.22 Aanwezig hebben van diergeneesmiddelen of gemedicineerde diervoeders#
Artikel 1.22 Aanwezig hebben van diergeneesmiddelen of gemedicineerde diervoeders Een houder van een dier heeft geen diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder aanwezig in de ruimte, op het terrein waar dieren worden gehouden of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden, indien toepassing van dit diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder bij deze dieren: a. artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 is voorbehouden aan een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen op grond van; of b. niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens verordening (EU) nr. 2019/6 is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of gemedicineerd diervoeder of bij deze verpakking is gevoegd. 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.23 — Artikel 1.23 Bevoegdheid houders van dieren#
Artikel 1.23 Bevoegdheid houders van dieren Vervallen 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.24 — Artikel 1.24 Nadere aanwijzingen door de dierenarts#
Artikel 1.24 Nadere aanwijzingen door de dierenarts Vervallen 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.25 — Artikel 1.25 Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren#
Artikel 1.25 Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders. 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.26 — Artikel 1.26 Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen#
Artikel 1.26 Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen artikel 5.7, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen Het is degene die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld intoe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn. 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 1.27 — Artikel 1.27 Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register#
Artikel 1.27 Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register 1 Een houder van dieren die bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen ontvangt, doet in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in een register dat daartoe door Onze Minister is aangewezen. 2 De beheerder van een register verstrekt aan de houder van dieren, op basis van de melding, informatie over het gebruik van de betreffende diergeneesmiddelen. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt; b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan; c. de aard van de informatie die wordt verstrekt. 4 Tarieven voor een vergoeding die de beheerder van een register in rekening brengt voor het verwerken van een melding als bedoeld in het eerste lid, en het verstrekken van informatie als bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de voorwaarden voor aanwijzing van registers en de gevallen waarin een aanwijzing kan worden ingetrokken, dan wel geschorst; b. goedkeuring van tarieven en de gevallen waarin een besluit tot goedkeuring kan worden ingetrokken, dan wel geschorst. 2014 573 24-12-2014 17-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.28 — Artikel 1.28 Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan#
Artikel 1.28 Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan 1 artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen Een houder van dieren draagt er in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen zorg voor dat er overeenkomstigeen bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan worden opgesteld. 2 Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken. 3 Artikel 5.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen is van toepassing. 2014 573 24-12-2014 17-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 1.29 — Artikel 1.29 Melding ziekten verordening (EU) nr. 2016/429#
Artikel 1.29 Melding ziekten verordening (EU) nr. 2016/429 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429 bij een dier aanwezig is, meldt dat onmiddellijk bij een krachtensaangewezen ambtenaar. 2 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel e, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2016/429, bij een dier aanwezig is, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtensaangewezen ambtenaar. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een laboratorium gevallen van ziekten als bedoeld in die leden opmerkt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2022 525 21-12-2022 19-12-2022 22-12-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke
boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de
herziene Europese diergezondheidswetgeving tot wet is of wordt
verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt
(kst. 35398).
Artikel 1.30 — Artikel 1.30 Melding artikel 5.3-ziekten of andere ziekten#
Artikel 1.30 Melding artikel 5.3-ziekten of andere ziekten 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Een houder van dieren of een dierenarts die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een dier besmet is met een dierziekte of zoönose, drager is van een ziekteverwekker of een ziekteverschijnsel vertoont, meldt dat zo snel als praktisch mogelijk bij een krachtensaangewezen ambtenaar indien sprake is van: a. artikel 5.3, tweede lid, van de wet een dierziekte of zoönose als bedoeld in, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, of een ziekteverwekker; b. een bij ministeriële regeling aan te wijzen dierziekte, zoönose of ziekteverwekker. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op eenieder die in het kader van werkzaamheden in een onderzoeksinstelling gevallen van ziekten als bedoeld in het eerste lid opmerkt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2022 525 21-12-2022 19-12-2022 22-12-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke
boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de
herziene Europese diergezondheidswetgeving tot wet is of wordt
verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt
(kst. 35398).
Artikel 1.31 — Artikel 1.31 Melding ziekteverschijnselen#
Artikel 1.31 Melding ziekteverschijnselen 1 artikel 5.9, eerste lid, van de wet Een houder van dieren of een dierenarts meldt bij een krachtensaangewezen ambtenaar: a. artikel 5.3 van de wet ziekteverschijnselen als bedoeld in; b. bij ministeriële regeling aan te wijzen ziekteverschijnselen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een melding als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt of achterwege kan blijven. 3 Bij ministeriële regels kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin een houder een dierenarts consulteert en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2022 525 21-12-2022 19-12-2022 22-12-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop het bij koninklijke
boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de
herziene Europese diergezondheidswetgeving tot wet is of wordt
verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt
(kst. 35398).
Artikel 1.32 — Artikel 1.32 richtlijn 2003/99/EG Implementatie#
Artikel 1.32 richtlijn 2003/99/EG Implementatie 1 richtlijn 2003/99/EG Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van. 2 richtlijn 2003/99/EG Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de implementatie vanover de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en andere verwekkers die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, met betrekking tot: a. het doen van onderzoek; b. het bewaren van gegevens, en c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten. 3 De regels, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.33 — Artikel 1.33 Onderzoek zoönosen levensmiddelenbedrijf#
Artikel 1.33 Onderzoek zoönosen levensmiddelenbedrijf richtlijn 2003/99/EG Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, die onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, vanworden bewaakt: a. houdt de resultaten van dat onderzoek bij: b. bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten gedurende twee jaar, en c. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten op verzoek ter beschikking aan Onze Minister. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.34 — Artikel 1.34 Verzamelen op vervoermiddel#
Artikel 1.34 Verzamelen op vervoermiddel 1 Het is toegestaan om hoefdieren te verzamelen op een vervoermiddel als bedoeld in artikel 133, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op varkens, met uitzondering van varkens die kennelijk bestemd zijn voor de slacht. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.35 — Artikel 1.35 Overladen bij verzamelen op vervoermiddel#
Artikel 1.35 Overladen bij verzamelen op vervoermiddel 1 artikel 1.34 Bij het verzamelen, bedoeld in, is het toegestaan evenhoevigen ten hoogste een keer over te laden van een vervoermiddel op een bij dat vervoermiddel behorende achterwagen, indien: a. bij het overladen alle aanwezige dieren worden verplaatst naar de achterwagen; b. artikel 2.10a 2.10c het overladen van dieren plaatsvindt op een inrichting als bedoeld inofof een andere inrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.10a gestelde regels; en c. het lege vervoermiddel na het overladen wordt gereinigd en ontsmet. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef is het overladen voor runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht ten hoogste twee keer toegestaan en is het hierbij, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, toegestaan mannelijke runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht en die ouder zijn dan 12 maanden niet te verplaatsen van de voorwagen naar de achterwagen en enkel de kritische delen van het vervoermiddel te reinigen en ontsmetten. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.36 — Artikel 1.36 Melden aanvang verzamelen#
Artikel 1.36 Melden aanvang verzamelen De exploitant van een verzamelcentrum meldt de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden uiterlijk om 8:00 uur op de werkdag voor aanvang van die periode bij Onze Minister. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.37 — Artikel 1.37 Laden en lossen op verschillende adressen#
Artikel 1.37 Laden en lossen op verschillende adressen 1 Indien een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd op verschillende adressen wordt geladen, onderscheidenlijk gelost, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het laden, onderscheidenlijk lossen van het vervoermiddel vindt telkens buiten de stal plaats; en b. na het laden, onderscheidenlijk lossen worden telkens de kritische delen van het vervoermiddel gereinigd en ontsmet. 2 Bij ministeriële regeling kunnen per diercategorie regels worden gesteld over: a. het aantal adressen waarop ten hoogste wordt geladen en gelost; b. de inrichting waar wordt geladen en gelost; c. de aard van het vervoermiddel. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.38 — Artikel 1.38 Bewaartermijn gegevens vervoer#
Artikel 1.38 Bewaartermijn gegevens vervoer Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een vervoeder bijhoudt, bedoeld in artikel 104 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening, met betrekking tot: a. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bijhoudt; b. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bewaart; c. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.39 — Artikel 1.39 Grondslag regels over het verblijf van dieren na het bijeenbrengen#
Artikel 1.39 Grondslag regels over het verblijf van dieren na het bijeenbrengen 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verblijf van evenhoevigen op een inrichting nadat die dieren of andere dieren op die inrichting zijn aangevoerd. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. de aard en indeling van deinrichting; b. de minimale verblijfsduur op een inrichting; c. de soorten of categorieën dieren. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.40 — Artikel 1.40 Erkenning verzamelcentra voor Nederlandse markt#
Artikel 1.40 Erkenning verzamelcentra voor Nederlandse markt Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepasselijkheid van artikel 97, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens het tweede lid, onderdelen a, c, d en e, van dat artikel vastgestelde gedelegeerde verordening op inrichtingen voor de verzameling van hoefdieren van waaruit slechts dieren worden verplaatst naar een inrichting in Nederland en die slechts dieren ontvangen van een inrichting in Nederland. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.41 — Artikel 1.41 Grondslag regels voor verzamelen voor Nederlandse markt#
Artikel 1.41 Grondslag regels voor verzamelen voor Nederlandse markt 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepasselijkheid van de krachtens artikel 135 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening op het verzamelen van uit Nederland afkomstige dieren die worden vervoerd naar een inrichting in Nederland. 2 In aanvulling op de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot: a. het verzamelen van bepaalde diersoorten of diercategorieën; b. het aantal toegestane verzamelingen; c. de herkomst, bestemming of eindbestemming van de dieren; d. het melden van bepaalde houderijen bij Onze Minister; e. de registratie van verplaatsing van dieren; f. de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden; g. de reiniging en ontsmetting na een verzamelperiode. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.42 — Artikel 1.42 Lossen evenhoevigen en pluimvee op plaats van bestemming#
Artikel 1.42 Lossen evenhoevigen en pluimvee op plaats van bestemming Artikel 126, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op het verplaatsen van evenhoevigen en pluimvee van een inrichting in Nederland naar een andere inrichting in Nederland. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.43 — Artikel 1.43 Gegevens vervoer binnen Nederland#
Artikel 1.43 Gegevens vervoer binnen Nederland 1 In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 104 van verordening (EU) nr. 2016/429, houdt een vervoerder die hoefdieren of pluimvee telkens uitsluitend binnen Nederland vervoert, over elk vervoermiddel de volgende gegevens bij: a. het kenteken- of registratienummer; b. de data en de tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van oorsprong worden ingeladen; c. de naam, het adres en het unieke registratie- of erkenningsnummer van elke bezochte inrichting; d. de data en tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van bestemming worden uitgeladen; e. de data en plaatsen van de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van vervoermiddelen; f. de referentienummers van de documenten die de dieren vergezellen. 2 Een vervoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, drie jaar. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.44 — Artikel 1.44 Levenslang fokverbod#
Artikel 1.44 Levenslang fokverbod 1 Het is verboden schapen of geiten te insemineren of zo te houden dat bevruchting kan plaatsvinden van schapen of geiten die op een inrichting waar een besmetting met Q-koorts is vastgesteld aanwezig zijn geweest tussen het tijdstip waarop die besmetting is vastgesteld en 1 juni 2010. 2 Het eerste lid is niet van toepassing vrouwelijke dieren, geboren op of na 1 juli 2009. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.45 — Artikel 1.45 Geboorte lammeren#
Artikel 1.45 Geboorte lammeren 1 Een houder van schapen of geiten zorgt ervoor dat bezoekers niet met die dieren in contact kunnen komen ten tijde van de geboorte van hun lammeren. 2 De in het eerste lid bedoelde zorgplicht houdt in ieder geval in dat de houder zorgt dat bezoekers een stal waar lammeren worden geboren niet kunnen betreden. 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien het bezoek noodzakelijk is in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.46 — Artikel 1.46 Vaccinatie Q-koorts#
Artikel 1.46 Vaccinatie Q-koorts 1 Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen: a. de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie; b. de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren; c. de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b; d. de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 2 De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan: a. de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; b. het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; c. het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; of d. het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 3 De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden. 4 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die: a. in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of b. jonger zijn dan drie maanden. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.47 — Artikel 1.47 Administratie Q-koortsvaccinatie#
Artikel 1.47 Administratie Q-koortsvaccinatie 1 Een houder meldt Onze Minister binnen een week na elke vaccinatie tegen Q-koorts op welke datum een schaap of geit is gevaccineerd. 2 De houder administreert: a. de hoeveelheid gebruikt vaccin; b. het aantal gevaccineerde dieren; c. de vaccinatiedatum; 3 De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden voorzien van een handtekening van de houder en de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd. 4 De houder doet de melding, bedoeld in het eerste lid, via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 5 De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.48 — Artikel 1.48 Termijn wijziging gegevens#
Artikel 1.48 Termijn wijziging gegevens Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, 87, tweede lid, 90, tweede lid, 96, tweede lid, 172, tweede lid, of 180, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429, worden verstrekt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.49 — Artikel 1.49 Meststoffenwet Wet milieubeheer en#
Artikel 1.49 Meststoffenwet Wet milieubeheer en artikelen 34 37 van de Meststoffenwet artikel 12.29, aanhef en onder e en f, van de Wet milieubeheer artikel 13 van de Landbouwwet De paragraaf en de daarop berustende bepalingen berusten mede op deen,en. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.50 — Artikel 1.50 Identificatie- en registratiesysteem#
Artikel 1.50 Identificatie- en registratiesysteem De verantwoordelijkheid voor het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, berust bij Onze Minister. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.51 — Artikel 1.51 Aanvullende gegevens identificatie- en registratiesysteem#
Artikel 1.51 Aanvullende gegevens identificatie- en registratiesysteem Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een exploitant ten behoeve van het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108 verordening (EU) nr. 2016/429, aan Onze Minister verstrekt, in aanvulling op de artikelen 112 tot en met 115 van verordening (EU) nr. 2016/429, met betrekking tot: a. de door hem gehouden dieren; b. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt; c. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.52 — Artikel 1.52 Gegevens identificatie- en registratiesysteem pluimvee#
Artikel 1.52 Gegevens identificatie- en registratiesysteem pluimvee 1 Het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, verordening (EU) nr. 2016/429, bevat gegevens in verband met gehouden kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die een exploitant die verantwoordelijk is voor de in het eerste lid bedoelde dieren aan Onze Minister verstrekt met betrekking tot: a. de verplaatsing van door hem gehouden dieren als bedoeld in het eerste lid; b. de inrichting waarin de dieren, bedoeld in het eerste lid, worden gehouden; c. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt; d. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.53 — Artikel 1.53 Herstel en intrekking melding#
Artikel 1.53 Herstel en intrekking melding artikelen 1.51 1.52 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het herstel of de intrekking van een kennisgeving, bedoeld in deen, en de voorwaarden waaronder een kennisgeving kan worden hersteld, ingetrokken of alsnog kan worden gedaan. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.54 — Artikel 1.54 Bedrijfsadministratie#
Artikel 1.54 Bedrijfsadministratie Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gegevens die een exploitant bijhoudt, in aanvulling op artikel 102 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde gedelegeerde verordening met betrekking tot: a. de door hem gehouden dieren; b. de op de inrichting aanwezige identificatiemiddelen; c. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bijhoudt; d. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bewaart; e. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.55 — Artikel 1.55 Identificatie- en verplaatsingsdocument#
Artikel 1.55 Identificatie- en verplaatsingsdocument Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, en de op de artikelen 118, eerste lid, onder b, onder ii, tweede lid, onder b, c en d, en 119 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde uitvoerings- of gedelegeerde verordening met betrekking tot: a. de aanvraag en afgifte van een identificatiedocument, een duplicaat of een vervangend identificatiedocument; b. de instantie die identificatiedocumenten voor paardachtigen uitgeeft; c. de termijn waarbinnen aanvraag van een identificatiedocument wordt ingediend; d. de geldigheid van een identificatie- of verplaatsingsdocument. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.56 — Artikel 1.56 Goedkeuring identificatiemiddel#
Artikel 1.56 Goedkeuring identificatiemiddel 1 Een aanvraag voor een goedkeuring van een identificatiemiddel voor runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen, kameelachtigen of hertachtigen wordt gedaan met een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2 Het model van het identificatiemiddel waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, vergezelt de aanvraag. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of diercategorieën regels worden gesteld over de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gevallen waarin een aanvraag als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister wordt goedgekeurd of waarin een goedkeuring wordt ingetrokken. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.57 — Artikel 1.57 Verstrekking identificatiemiddel#
Artikel 1.57 Verstrekking identificatiemiddel 1 Onze Minister of de leverancier van een goedgekeurd identificatiemiddel verstrekt een identificatiemiddel uitsluitend aan een exploitant die daartoe een bestelling heeft gedaan. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a. het middel waarmee een bestelling kan worden geplaatst bij Onze Minister; b. de door de leverancier bij te houden administratie over bestelde en geleverde identificatiemiddelen; c. de door de leverancier aan te leveren informatie aan Onze Minister; d. degene aan wie een leverancier identificatiemiddelen verstrekt; e. de identificatiemiddelen die de leverancier verstrekt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.58 — Artikel 1.58 Gebruik identificatiemiddel#
Artikel 1.58 Gebruik identificatiemiddel Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a. het aanbrengen en het gebruik van een identificatiemiddel; b. de verwijdering, wijziging of vervanging van een identificatiemiddel; c. de vernietiging van een elektronisch identificatiemiddel; d. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een identificatiemiddel wordt aangebracht. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.58a — Artikel 1.58a Begripsbepalingen#
Artikel 1.58a Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 Verordening (EU) 2016/429 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314). identificatiecode: code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035; injecteerbare transponder: injecteerbare transponder als bedoeld in bijlage III, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 2019/2035 die is voorzien van een identificatiecode die begint met de Nederlandse landcode. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 1.58b — Artikel 1.58b De injecteerbare transponder#
Artikel 1.58b De injecteerbare transponder 1 Onze Minister verstrekt de identificatiecode die op een injecteerbare transponder wordt aangebracht aan een leverancier. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de technische specificaties van injecteerbare transponders; b. de gegevens die in of op een injecteerbare transponder worden vermeld of vastgelegd; c. de handel in injecteerbare transponders. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 1.58c — Artikel 1.58c Leveren van een injecteerbare transponder#
Artikel 1.58c Leveren van een injecteerbare transponder 1 De leverancier van een injecteerbare transponder beschikt over een erkenning van Onze Minister. 2 Onze Minister erkent een leverancier indien: a. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 de leverancier een onderneming heeft als bedoeld inof een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd; b. de leverancier aantoont dat hij gegevens elektronisch en tijdig kan uitwisselen met Onze Minister; en c. de leverancier aantoont te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens. 3 Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de leverancier niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het tweede lid of een ander voorschrift dat betrekking heeft op de technische specificaties van injecteerbare transponders of de handel in injecteerbare transponders. 4 artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen Een injecteerbare transponder wordt uitsluitend overgedragen aan een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in. 5 Bij de overdracht van een injecteerbare transponder registreert de persoon die de injecteerbare transponder overdraagt de leverdatum, de identificatiecode en de naam van de exploitant die de bestelling heeft gedaan bij Onze Minister. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 1.59 — Artikel 1.59 Buiten Nederland brengen van dieren#
Artikel 1.59 Buiten Nederland brengen van dieren 1 Ingeval artikel 243, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is en de regelgeving of de bevoegde autoriteit van het derde land waarvoor dieren zijn bestemd, vereist dat de dieren voldoen aan door het derde land gestelde vereisten, wordt een officieel certificaat afgegeven door Onze Minister, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan. 2 Ingeval de regelgeving of de bevoegde autoriteit van een derde land, bedoeld in het eerste lid, een bepaalde gezondheidsstatus vereist van dieren, maar geen eisen stelt aan de laboratoria waarin en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses worden uitgevoerd, vinden deze plaats in een daartoe door Onze Minister erkend laboratorium. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid ingeval er voor het onderzoek met betrekking tot een bepaalde gezondheidsstatus geen laboratorium is erkend. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.60 — Artikel 1.60 Binnen Nederland brengen van dieren#
Artikel 1.60 Binnen Nederland brengen van dieren Ingeval artikel 234, derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het binnen Nederland brengen van dieren met betrekking tot: a. de gezondheidsstatus van dieren; b. de begeleidende documenten die dieren vergezellen. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 1.61 — Artikel 1.61 Toepassen sera en entstoffen#
Artikel 1.61 Toepassen sera en entstoffen 1 Het is verboden om een levende entstof toe te passen bij dieren tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten. 2 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van een bij ministeriële regeling aangewezen levende entstof tegen een in die regeling aangewezen dierziekte. 3 Het is verboden om een niet-levende entstof of serum tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten toe te passen bij dieren. 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen het verbod, bedoeld in het derde lid, niet van toepassing is. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Aanwijzing productiedieren#
Artikel 2.1 Aanwijzing productiedieren 1 artikel 2.3, tweede lid, van de wet bijlage II Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld inworden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd inbij dit besluit. 2 Van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd: a. pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan; en b. artikel 2.2, eerste lid, van de wet soorten of categorieën van zoogdieren waarop het verbod, bedoeld invan toepassing is. 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 01-07-2024
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Reikwijdte#
Artikel 2.2 Reikwijdte artikelen 2.9 2.10 Deze paragraaf en deenzijn van toepassing op dieren die met het oog op de productie van producten, afkomstig van die dieren of voor andere landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden, met uitzondering van vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Houden van productiedieren#
Artikel 2.3 Houden van productiedieren Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, wordt het voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Verzorging van productiedieren#
Artikel 2.4 Verzorging van productiedieren 1 Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen. 2 Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd. 3 Een dier dat in een ander systeem wordt gehouden dan het systeem, bedoeld in het tweede lid, wordt zo vaak gecontroleerd dat lijden wordt voorkomen. 4 Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel. 5 artikel 1.7, aanhef en onderdeel c Wanneer de zorg, bedoeld in, geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd. 6 Een dier krijgt voedsel met ten minste de tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen. 7 Het toegediende voer en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Verlichting en ventilatie#
Artikel 2.5 Verlichting en ventilatie 1 artikel 1.8, eerste lid Onverminderd, wordt een dier niet permanent in het duister of in kunstlicht gehouden zonder dat dit voor een passende periode wordt uitgeschakeld en is, indien het beschikbare natuurlijke licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische behoeften van het dier, in de ruimte waarin het dier wordt gehouden geschikt kunstlicht aanwezig. 2 In een ruimte waarin dieren worden gehouden is voldoende verlichting aanwezig voor een grondige controle van die dieren op elk willekeurig tijdstip. 3 Het materiaal dat wordt gebruikt voor de behuizing waarin een dier wordt gehouden is niet schadelijk voor het dier en kan grondig gereinigd en ontsmet worden. 4 De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier. 5 Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. 6 Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking. 7 Voeder- of drinkinstallaties zijn zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen dieren tot een minimum worden beperkt. 8 De in dit artikel bedoelde apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd. 9 Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, of bij de krachtens het tiende lid voorgeschreven test, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen. 10 Het noodsysteem, bedoeld in het vijfde lid, en het alarmsysteem, bedoeld in het zesde lid, voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Deze eisen hebben in elk geval betrekking op: a. technische aspecten van het systeem, b. het gebruik van het systeem, en c. het testen van het systeem. 11 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het door de houder opstellen en bijhouden van een alarmplan en de daarin op te nemen zaken. 12 Door de houder kunnen ten behoeve van het alarmplan de navolgende persoonsgegevens worden verwerkt, voor zover die gegevens betrekking hebben op personen aan wie in het alarmplan de taak van alarmopvolger is toebedeeld: a. naam, b. contactgegevens. 13 De in het twaalfde lid bedoelde persoonsgegevens worden binnen twee weken nadat aan de desbetreffende persoon in het alarmplan niet langer de taak van alarmopvolger is toebedeeld door de houder vernietigd. 2023 129 28-04-2023 19-04-2023 2023 129 28-04-2023 19-04-2023 01-07-2023
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 2.6 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet artikel 2.5, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen Als handeling als bedoeld inwordt aangewezen het door de houder van het dier verrichten van de ingreep, bedoeld in. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Te verstrekken inlichtingen#
Artikel 2.7 Te verstrekken inlichtingen Vervallen 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Verbod afleveren met diergeneesmiddelen behandelde dieren#
Artikel 2.8 Verbod afleveren met diergeneesmiddelen behandelde dieren Richtlijn 2001/82/EG Het is verboden een dier te verkopen, voor de verkoop aan te bieden, in de handel te brengen of af te leveren voor de slacht als voedselproducerend dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging vanvan het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), indien het vlees van het dier een farmacologisch actieve werkzame stof bevat: a. die een maximum residulimiet overschrijdt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van deze verordening of b. waarvoor een actiedrempel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening is vastgesteld. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 Toediening van bepaalde stoffen met hormonale werking, met een thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten#
Artikel 2.9 Toediening van bepaalde stoffen met hormonale werking, met een thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten richtlijn 96/22/EG richtlijnen 81/602/EEG 88/146/EEG Onverminderd het bepaalde bij of krachtens verordening (EU) 2019/6, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, vanvan de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de,(PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 Bijhouden van gegevens#
Artikel 2.10 Bijhouden van gegevens 1 artikel 1.25 artikel 2.2, negende of tiende lid van de wet Onverminderden het overigens krachtensbepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar door de houder bewaard. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.10a — Artikel 2.10a Reinigings- en ontsmettingsplaats houder evenhoevigen#
Artikel 2.10a Reinigings- en ontsmettingsplaats houder evenhoevigen 1 Een houder van tien of meer evenhoevigen beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats op de inrichting waar die evenhoevigen worden gehouden. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien: a. op die inrichting geen evenhoevigen worden aangevoerd; of b. de inrichting is een weide, perceel of een andere plaats zonder opstal, waar geen voorzieningen aanwezig zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangelegd. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanwezige voorzieningen op een reinigings- en ontsmettingsplaats. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.10b — Artikel 2.10b Medewerking houder bij reiniging en ontsmetting#
Artikel 2.10b Medewerking houder bij reiniging en ontsmetting artikel 2.10a Een houder als bedoeld inverleent na aanvoer van evenhoevigen medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee die dieren zijn vervoerd. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.10c — Artikel 2.10c Erkenning reinigings- en ontsmettingsplaats#
Artikel 2.10c Erkenning reinigings- en ontsmettingsplaats 1 Onze Minister erkent een reinigings- en ontsmettingsplaats, indien: a. die plaats zodanig is ingericht dat deze geschikt is om vervoermiddelen voor evenhoevigen, pluimvee, broedeieren of laadkisten voor deze dieren of broedeieren deugdelijk en efficiënt te reinigen en ontsmetten, ongeacht het type vervoermiddel en onder alle klimatologische omstandigheden; b. de exploitant de wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting heeft vastgelegd in een protocol, waarin is vermeld of de plaats geschikt is voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a en waarin wordt gewaarborgd dat elk van die vervoermiddelen deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet wordt en op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt. 2 Onze Minister houdt een register bij van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.10d — Artikel 2.10d Reiniging en ontsmetting op erkende plaats#
Artikel 2.10d Reiniging en ontsmetting op erkende plaats 1 artikel 2.10c Een exploitant van een op grond vanerkende reinigings- en ontsmettingsplaats, een slachthuis, een broederij of een verzamelcentrum zorgt ervoor dat: a. artikel 2.10c, eerste lid, onderdeel b reiniging- en ontsmetting gebeurt volgens een daartoe opgesteld protocol als bedoeld in; b. de exploitant of een vertegenwoordiger van die exploitant aanwezig is bij elke reiniging- en ontsmetting. 2 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, registreert per vervoermiddel onmiddellijk: a. datum en tijdstip waarop reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden; b. het kenteken van het vervoermiddel, of, indien een kenteken ontbreekt, naam, adres en woonplaats van de vervoerder. 3 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, geeft desgevraagd een bewijs van reiniging en ontsmetting af dat is voorzien van de gegevens van: a. respectievelijk de reinigings- en ontsmettingsplaats, het slachthuis of het verzamelcentrum; b. de datum van reiniging en ontsmetting; en c. zijn handtekening. 4 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, drie jaar. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.10e — Artikel 2.10e Schorsen en intrekken erkenning#
Artikel 2.10e Schorsen en intrekken erkenning 1 artikel 2.10c 2.10d Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in deof, kan Onze Minister de erkenning schorsen of intrekken. 2 Onze Minister kan een schorsing beëindigen, als de exploitant heeft aangetoond aan de in het eerste lid bedoelde eisen te voldoen. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.10f — Artikel 2.10f Vervoermiddelen afkomstig uit het buitenland#
Artikel 2.10f Vervoermiddelen afkomstig uit het buitenland Vervallen 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 Begripsbepalingen#
Artikel 2.11 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij; gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden; gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, kennelijk bestemd voor de fokkerij; gespeend varken: gespeend varken met een leeftijd tot 10 weken; spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug; stal: ruimte bestemd voor het houden van één of meer varkens; volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder; zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 2.12 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet Als handelingen als bedoeld inworden aangewezen het door de houder van het varken: a. artikel 2.3, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, mits het dier niet ouder is dan zeven dagen; b. artikelen 2.3, onderdeel b 2.6, onderdelen a tot en met c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in deen; c. artikel 2.3, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, mits dit geschiedt met betrekking tot een bepaald dier op aanwijzing van een praktiserende dierenarts. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 Houden in groepen#
Artikel 2.13 Houden in groepen 1 Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden. 2 Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd. 3 Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens. 4 Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 Agressie#
Artikel 2.14 Agressie 1 Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens. 2 Bij tekenen van ernstige gevechten tussen varkens vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken daarvan. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 Tijdelijke afzondering#
Artikel 2.15 Tijdelijke afzondering 1 artikel 2.13, eerste lid In afwijking van, is het toegestaan: a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden; b. een gelt of zeug individueel te houden: 1° vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen; 2° vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie; c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de periode die nodig is: 1° voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken; 2° voor het drachtigheidsonderzoek of het winnen van sperma; 3° voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken; 4° voor voeropname; 5° om de stal te reinigen; d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen. 2 Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 Algemene eisen stalinrichting#
Artikel 2.16 Algemene eisen stalinrichting Stallen waarin varkens worden gehouden zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens: a. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen; b. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan; c. andere varkens kunnen zien. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 Beschikbaar oppervlak#
Artikel 2.17 Beschikbaar oppervlak 1 2 De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, bedraagt per gelt of zeug ten minste 2,25 m. 2 De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht ten minste: a. 2 tot 15 kg: 0,20 m; b. 2 van 15 tot 30 kg: 0,30 m; c. 2 van 30 tot 50 kg: 0,50 m; d. 2 van 50 tot 85 kg: 0,65 m; e. 2 van 85 tot 110 kg: 0,80 m; f. 2 van meer dan 110 kg: 1,0 m. 3 De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte a. wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden, of b. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden. 4 De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 Vloeren#
Artikel 2.18 Vloeren 1 De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton. 2 artikel 2.17, eerste lid 2 Indien de vloer van de in, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m. 3 artikel 2.17, tweede lid Indien de vloer van de in, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer per varken ten minste 40% van de ingevolge artikel 2.17 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken. 4 artikel 2.17, tweede lid Indien de vloer van de in, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer per varken met een gemiddeld gewicht ten minste: a. 2 tot 30 kg: 0,24 m; b. 2 van 30 tot 50 kg: 0,35 m; c. 2 van 50 tot 85 kg: 0,45 m; d. 2 van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m; e. 2 van meer dan 110 kg: 0,75 m. 5 artikel 2.20 Indien de vloer van de inbedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer ten minste twee derden van de totale vloeroppervlakte. 6 Een vloer of een gedeelte daarvan, die is voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien: a. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en b. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.19 — Artikel 2.19 Gelten en zeugen#
Artikel 2.19 Gelten en zeugen 1 Gelten en zeugen worden niet aangebonden gehouden. 2 De zijden van de stal waarin een groep gelten en zeugen wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter. 3 In een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden, heeft elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter. 4 Een stal bestemd voor een gelt of een zeug is zodanig ingericht dat achter de gelt of de zeug voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen. 5 Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen. 6 In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.20 — Artikel 2.20 Beren#
Artikel 2.20 Beren 1 Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien. 2 De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste: a. 2 voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m; b. 2 voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m; c. 2 voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m; d. 2 ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m. 3 De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.21 — Artikel 2.21 Roostervloeren#
Artikel 2.21 Roostervloeren 1 De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt bij stallen bestemd voor: a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm; b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren; c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren; d. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren. 2 De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor: a. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm; b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.22 — Artikel 2.22 Verrijking en vloerbedekking#
Artikel 2.22 Verrijking en vloerbedekking 1 Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en te manipuleren, zoals stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. 2 Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. 3 Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel als bedoeld in het eerste lid dan wel, voor wat betreft een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat. 4 2 Biggen beschikken over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 mper toom biggen bedraagt. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.23 — Artikel 2.23 Lichtintensiteit en geluidsniveau#
Artikel 2.23 Lichtintensiteit en geluidsniveau 1 De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag. 2 In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.24 — Artikel 2.24 Parasietbehandeling en schoonmaak#
Artikel 2.24 Parasietbehandeling en schoonmaak Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.25 — Artikel 2.25 Voedersysteem#
Artikel 2.25 Voedersysteem Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.26 — Artikel 2.26 Voederen#
Artikel 2.26 Voederen 1 Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd. 2 Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water. 3 Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.27 — Artikel 2.27 Invoer vanuit derde land#
Artikel 2.27 Invoer vanuit derde land richtlijn 2008/120/EG De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 vanvan de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47). 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.27a — Artikel 2.27a Begripsbepalingen#
Artikel 2.27a Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. A-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel a inrichting als bedoeld in; b. B-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel b inrichting als bedoeld in; c. C-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel c inrichting als bedoeld in; d. D-bedrijf: artikel 2.27b, tweede lid inrichting als bedoeld in; e. E-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel d inrichting als bedoeld in; f. F-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel e inrichting als bedoeld in; g. onderzoeksinstituut: artikel 2 van de Wet op de dierproeven onderzoeksinstituut dat beschikt over een instellingsvergunning als bedoeld in; h. RE-bedrijf: artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel f inrichting als bedoeld in. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27b — Artikel 2.27b Registratie inrichtingen met varkens#
Artikel 2.27b Registratie inrichtingen met varkens 1 Onze Minister registreert op aanvraag een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als: a. A-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; b. B-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen; c. C-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens of gebruiksvarkens worden opgefokt tot beer of gelt en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; d. E-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens, slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde A-bedrijf en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels; e. F-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens en slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde B-bedrijf; f. RE-bedrijf, indien op de inrichting op elk moment ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden. 2 Onze Minister registreert een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als D-bedrijf, indien ten aanzien van die inrichting niet is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. 3 De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d, kunnen betrekking hebben op: a. de ruimte en het terrein waar dieren worden gehouden; b. de aanwezige voorzieningen; c. de te verrichten onderzoeken bij dieren naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten of zoönosen en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te voegen informatie. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.27c — Artikel 2.27c Uitzonderingen registratieplicht#
Artikel 2.27c Uitzonderingen registratieplicht Artikel 2.27b is niet van toepassing op: a. een onderzoeksinstituut; b. een slachthuis; c. een spermawininrichting; d. een verzamelcentrum in Nederland. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27d — Artikel 2.27d Cluster C-bedrijven#
Artikel 2.27d Cluster C-bedrijven 1 Ten hoogste drie houders van varkens die zijn geregistreerd als C-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster: a. varkens afneemt van telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf, en b. varkens afvoert naar ten hoogste 30 B-bedrijven of D-bedrijven per twaalf maanden. 2 Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel: a. naam en adresgegevens van de betreffende houders; b. de verdeling van het aantal afleveradressen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3 De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afleveradressen kunnen éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27e — Artikel 2.27e Cluster F-bedrijven#
Artikel 2.27e Cluster F-bedrijven 1 Twee houders van varkens die zijn geregistreerd als F-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster: a. varkens afneemt van uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf, en b. varkens afvoert naar uitsluitend het B-bedrijf, bedoeld in onderdeel a, of naar ten hoogste: 1°. zes D-bedrijven per periode van zes weken, en 2°. twaalf D-bedrijven per periode van zestien weken. 2 Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel de naam en adresgegevens van de betreffende houders. 3 De samenstelling van een cluster kan éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27f — Artikel 2.27f Schorsen of intrekken registratie#
Artikel 2.27f Schorsen of intrekken registratie artikel 2.27b, eerste lid Onze Minister kan een registratie als bedoeld in, schorsen of intrekken, indien de houder: a. niet langer voldoet aan de registratievoorwaarden; of b. artikelen 2.27g tot en met 2.27n in strijd handelt met de vervoersbepalingen, bedoeld in de. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27g — Artikel 2.27g Vervoer van en naar geregistreerde inrichtingen#
Artikel 2.27g Vervoer van en naar geregistreerde inrichtingen 1 artikel 2.27b artikelen 2.27h tot en met 2.27n Varkens worden slechts vervoerd vanaf of naar een inrichting die is geregistreerd op grond van, indien dat vervoer is toegestaan op grond van de. 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien een houder varkens: a. afvoert naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum; b. afvoert naar een spermawininrichting; c. afvoert naar een onderzoeksinstituut; d. afvoert naar een RE-bedrijf; e. aanvoert van of afvoert naar een inrichting in het buitenland, al dan niet via een verzamelcentrum. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27h — Artikel 2.27h Vervoer A-bedrijven#
Artikel 2.27h Vervoer A-bedrijven 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een A-bedrijf, indien: a. het aanvoer betreft van: 1°. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting; of 2°. gespeende varkens vanaf een E-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat A-bedrijf afkomstig waren; b. die varkens na aanvoer worden gehouden in een stal, afgescheiden van de overige stallen, totdat onderzoek van bloedmonsters is uitgevoerd waaruit blijkt dat in die monsters geen antilichamen zijn aangetroffen tegen klassieke varkenspest en geen gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky; of c. vanaf dat bedrijf in de zes weken na de dag waarop die varkens zijn aangevoerd slechts varkens worden afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de stal waarin varkens worden gehouden en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. 3 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een A-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar: a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; b. artikel 2.27d telkens hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in; of c. telkens hetzelfde E-bedrijf. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27i — Artikel 2.27i Vervoer B-bedrijven#
Artikel 2.27i Vervoer B-bedrijven 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een B-bedrijf, indien het aanvoer betreft van: a. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting, of b. gespeende varkens of gelten vanaf een F-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat B-bedrijf afkomstig waren. 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een B-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar: a. een D-bedrijf al dan niet via hetzelfde F-bedrijf, waarbij per periode van: 1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en 2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven; b. uitsluitend hetzelfde cluster van F-bedrijven. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27j — Artikel 2.27j Vervoer C-bedrijven#
Artikel 2.27j Vervoer C-bedrijven 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een C-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf. 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een C-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar: a. een A-bedrijf; b. een B-bedrijf of D-bedrijf, waarbij: 1°. per twaalf maanden naar ten hoogste 40 bedrijven wordt afgevoerd; of 2°. artikel 2.27d voor zover het C-bedrijf onderdeel is van een cluster van C-bedrijven als bedoeld in, per twaalf maanden door de bedrijven in dat cluster gezamenlijk naar ten hoogste 30 bedrijven wordt afgevoerd. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27k — Artikel 2.27k Vervoer D-bedrijven#
Artikel 2.27k Vervoer D-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een D-bedrijf, indien die dieren afkomstig zijn van een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf, waarbij per periode van zestien weken aanvoer plaatsvindt van ten hoogste zes bedrijven. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27l — Artikel 2.27l Vervoer E-bedrijven#
Artikel 2.27l Vervoer E-bedrijven 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een E-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde A-bedrijf. 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een E-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar: a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; of b. artikel 2.27d uitsluitend hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27m — Artikel 2.27m Vervoer F-bedrijven#
Artikel 2.27m Vervoer F-bedrijven 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een F-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf. 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een F-bedrijf naar: a. het B-bedrijf waarvan die dieren oorspronkelijk afkomstig waren; of b. artikel 2.27e een D-bedrijf, waarbij voor zover het F-bedrijf onderdeel is van een cluster van F-bedrijven als bedoeld in, per periode van: 1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en 2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27n — Artikel 2.27n Vervoer RE-bedrijven#
Artikel 2.27n Vervoer RE-bedrijven Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een RE-bedrijf, indien daarmee op het bedrijf niet meer dan vier varkens en hun eventuele biggen worden gehouden. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27o — Artikel 2.27o Wissel vaste afnemer of leverancier#
Artikel 2.27o Wissel vaste afnemer of leverancier 1 artikel 2.27h, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of derde lid, onderdelen b of c artikel 2.27i, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of tweede lid Een houder van varkens als bedoeld in, of, die uitsluitend van hetzelfde bedrijf dieren ontvangt of aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijven dieren levert, registreert dat bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2 Een houder als bedoeld in het eerste lid kan éénmaal per twaalf maanden wisselen van leverancier of afnemer van varkens, nadat de houder daarvan melding heeft gedaan bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 3 De wisseling, bedoeld in het tweede lid, kan voor een A-bedrijf of B-bedrijf zowel voor gelten en zeugen plaatsvinden als voor beren. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27p — Artikel 2.27p Toestemming voor vervoer#
Artikel 2.27p Toestemming voor vervoer 1 Een houder van varkens voert geen varkens van zijn bedrijf af onderscheidenlijk op zijn bedrijf aan zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister. 2 Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zeven dagen nadat toestemming is verkregen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en de documentatie van de toestemming, bedoeld in het eerste lid. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.27q — Artikel 2.27q Monitoring varkens#
Artikel 2.27q Monitoring varkens 1 artikel 2.27b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid Een houder van varkens als bedoeld in, laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de aard en de frequentie van het onderzoek; b. het aanleveren en bewaren van gegevens; c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten; d. de gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.28 — Artikel 2.28 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 2.28 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet Als handelingen als bedoeld inworden aangewezen het door houder van het rund: a. artikel 2.1, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, bij runderen, mits het dier jonger is dan vier weken; b. artikel 2.4, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een plaatselijk praktiserende dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij runderen jonger dan twee maanden met behulp van een elektrische of heteluchtmethode dan wel bij runderen ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag; c. artikelen 2.4, onderdeel b 2.6, onderdelen b en c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in de, en; d. het intraveneus toedienen aan een rund van een vloeistof die als werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 450 ml; e. openleggen van zoolzweren bij runderen. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.29 — Artikel 2.29 Begripsbepalingen#
Artikel 2.29 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: eenlingbox: ruimte met ten minste drie wanden bestemd voor het huisvesten van één kalf; kalf: rund behorend tot de soort Bos primigenius taurus, van ten hoogste zes maanden; stal: ruimte bestemd voor het, al dan niet in eenlingboxen, houden van één of meer kalveren; vleeskalf: kalf dat kennelijk wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten hoogste acht maanden; vleesstierkalf: kalf van het mannelijk geslacht dat wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten minste acht maanden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.30 — Artikel 2.30 Toepassingsbereik#
Artikel 2.30 Toepassingsbereik artikelen 2.32 2.33 Deenzijn niet van toepassing op een kalf dat door de moeder wordt gezoogd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.31 — Artikel 2.31 Aanbinden en muilkorven#
Artikel 2.31 Aanbinden en muilkorven 1 Een kalf wordt niet aangebonden gehouden. 2 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om kalveren in groepshokken aan te binden tijdens het voederen van melk of een melkvervangend preparaat voor ten hoogste één uur. 3 Het aanbinden, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats met een verbindingsmiddel dat zodanig is ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij het kalf optreedt en het kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken. 4 Een verbindingsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt regelmatig geïnspecteerd en eventueel bijgesteld om te zorgen dat het gemakkelijk zit. 5 Een kalf wordt niet gemuilkorfd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.32 — Artikel 2.32 Huisvesting#
Artikel 2.32 Huisvesting 1 Een kalf ouder dan 8 weken wordt niet in een eenlingbox gehuisvest. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien een dierenarts heeft bepaald dat een kalf in verband met zijn gezondheid of gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld. 3 Indien een kalf anders dan in eenlingboxen wordt gehouden, heeft een kalf met een levend gewicht van: a. 2 minder dan 150 kg, de beschikking over ten minste 1,5 mvloeroppervlakte; b. 2 150 kg tot 220 kg, de beschikking over ten minste 1,7 mvloeroppervlakte; c. 2 220 kg of meer, de beschikking over ten minste 1,8 mvloeroppervlakte. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.33 — Artikel 2.33 Eenlingboxen#
Artikel 2.33 Eenlingboxen 1 Indien een kalf in een eenlingbox wordt gehouden, heeft die eenlingbox een breedte van ten minste de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het kalf rechtop staat, en een lengte van ten minste 1,1 maal de lichaamslengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii). 2 Met uitzondering van een eenlingbox die voor het isoleren van zieke dieren wordt gebruikt, zijn de wanden van een eenlingbox zodanig uitgevoerd dat naast elkaar gehouden kalveren elkaar kunnen zien en aanraken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.34 — Artikel 2.34 Inrichting stal#
Artikel 2.34 Inrichting stal 1 De stal is zodanig ingericht dat een kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken. 2 Indien kalveren in een stal met ligboxen worden gehouden, is het aantal ligboxen ten minste gelijk aan het aantal kalveren. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.35 — Artikel 2.35 Vloer#
Artikel 2.35 Vloer 1 De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.36 — Artikel 2.36 Ligruimte#
Artikel 2.36 Ligruimte 1 De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren. 2 De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel. 3 Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag. 4 2 2 De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 mbeschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 mbeschikbare ruimte per kalf. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.37 — Artikel 2.37 Verlichting#
Artikel 2.37 Verlichting 1 Kalveren beschikken over passend dag- of kunstlicht. 2 Van passend dag- of kunstlicht is in ieder geval sprake indien de oppervlakte van lichtdoorlatend materiaal in wand of dak van een stal bestemd voor vleeskalveren ten minste 2% van de vloeroppervlakte van de stal bedraagt en van een stal bestemd voor andere kalveren dan vleeskalveren ten minste 5% bedraagt van die oppervlakte, waarbij het materiaal zodanig is aangebracht dat het licht in de stal gelijkmatig is gespreid. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.38 — Artikel 2.38 Voedersysteem#
Artikel 2.38 Voedersysteem 1 Indien kalveren in groepshokken worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch voedersysteem worden gevoederd, is de breedte van het voerhek zodanig dat alle kalveren tegelijk kunnen eten. 2 De breedte van het voerhek bedraagt ten minste 0,40 m per kalf. 3 In stallen voorzien van een systeem van voorraadvoedering beschikken kalveren over ten minste één eetplaats per drie kalveren. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.39 — Artikel 2.39 Voeder- en drinkinstallaties#
Artikel 2.39 Voeder- en drinkinstallaties De installaties die voor het voederen en drenken worden gebruikt, zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en geplaatst en worden op zodanige wijze onderhouden, dat gevaar voor verontreiniging van het voor de kalveren bestemde voer en water wordt beperkt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.40 — Artikel 2.40 Apparatuur#
Artikel 2.40 Apparatuur artikel 2.5, negende lid Maatregelen als bedoeld in, bestaan in ieder geval uit het toepassen van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.41 — Artikel 2.41 Voederen#
Artikel 2.41 Voederen 1 Kalveren worden ten minste tweemaal per dag gevoederd. 2 artikelen 1.7, onderdeel e 2.4, zesde lid Onverminderd de, en, beschikken kalveren over voer dat beantwoordt aan de met hun gedrag samenhangende behoeften. 3 De voeding bevat voldoende ijzer om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4.5 mmol/l te bereiken. 4 Aan kalveren ouder dan twee weken wordt dagelijks een hoeveelheid vezelhoudend voer verstrekt, welke hoeveelheid voor kalveren van 8 tot 20 weken oud wordt verhoogd van 50 gram tot 250 gram per dag. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.42 — Artikel 2.42 Drenken#
Artikel 2.42 Drenken 1 artikel 1.7, onderdeel f In afwijking van, kunnen aan een kalf ouder dan twee weken ook andere vloeistoffen dan water worden verstrekt om in zijn behoefte aan drinken te voorzien. 2 Bij warm weer en voor zieke kalveren is permanent vers drinkwater beschikbaar. 3 Kalveren krijgen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen zes uur na hun geboorte, koebiest te drinken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.43 — Artikel 2.43 Inspectie#
Artikel 2.43 Inspectie artikel 2.4, tweede lid In afwijking van, worden op stal gehouden kalveren ten minste tweemaal per dag en in de open lucht gehouden kalveren ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.44 — Artikel 2.44 Reiniging en ontsmetting#
Artikel 2.44 Reiniging en ontsmetting 1 De stal, eenlingboxen, uitrusting en gereedschap voor kalveren worden op passende wijze gereinigd en ontsmet teneinde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen. 2 Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voer worden zo vaak mogelijk verwijderd, zodat de reuk zoveel mogelijk wordt beperkt en geen vliegen en knaagdieren worden aangetrokken. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.45 — Artikel 2.45 Zieke en gewonde dieren#
Artikel 2.45 Zieke en gewonde dieren artikel 2.4, vierde lid Het afzonderen, bedoeld in, vindt plaats in een adequate ruimte die is voorzien van droog en comfortabel strooisel en die plaats biedt aan ten minste 1% van het aantal gehouden kalveren en indien dit minder is dan één, aan ten minste één kalf. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.46 — Artikel 2.46 Invoer vanuit derde land#
Artikel 2.46 Invoer vanuit derde land richtlijn 2008/119/EG De invoer van kalveren die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de kalveren vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 vanvan de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2008, L 10). 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.46a — Artikel 2.46a Monitoring brucellose#
Artikel 2.46a Monitoring brucellose 1 Een houder van een rund, dat na een dracht van meer dan 100 dagen een of meer vruchten ter wereld heeft gebracht, laat bij dat dier binnen een week nadat die vrucht of vruchten ter wereld zijn gebracht een bloedmonster nemen en laat die monsters onderzoeken op de aanwezigheid van antilichamen tegen brucellose, indien die vrucht of vruchten spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van het desbetreffende runderras ter wereld zijn gebracht. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a. de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; en b. administratie van de bemonstering. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.47 — Artikel 2.47 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 2.47 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet Als handelingen als bedoeld inworden aangewezen het door de houder van het pluimvee: a. artikel 2.1, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld inten behoeve van het afnemen van bloed bij kippen, kalkoenen en eenden, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden. b. 2.6, onderdelen b en f, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in artikel; c. artikel 2.6, onderdeel e, van het Besluit diergeneeskundige verrichten van de ingreep, bedoeld inn, mits het dier niet ouder is dan twee dagen; d. artikel 2.6, onderdeel n, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.48 — Artikel 2.48 Begripsbepalingen#
Artikel 2.48 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bezettingsdichtheid: totale levende gewicht van vleeskuikens die tegelijkertijd in de stal per vierkante meter bruikbare oppervlakte aanwezig zijn; bruikbare oppervlakte: van strooisel voorziene oppervlakte die te allen tijde voor vleeskuikens toegankelijk is; dagelijkse mortaliteit: hoofdstuk 5 aantal vleeskuikens dat op dezelfde dag in een stal gestorven is, met inbegrip van de vleeskuikens die zijn gedood als bedoeld in, gedeeld door het aantal vleeskuikens dat op die dag in de stal aanwezig was, vermenigvuldigd met 100; gecumuleerde dagelijkse mortaliteit: som van de dagelijkse mortaliteitscijfers; koppel: groep vleeskuikens die in een stal zijn ondergebracht en gelijktijdig in die stal aanwezig zijn; pluimveebedrijf: productieplaats waar vleeskuikens worden gehouden; richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43 //EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182); stal: gebouw op een pluimveebedrijf waar een koppel vleeskuikens wordt gehouden; vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.49 — Artikel 2.49 Toepassingsbereik#
Artikel 2.49 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. pluimveebedrijven met minder dan 500 vleeskuikens; b. pluimveebedrijven met alleen vermeerderingsdieren; c. broederijen; d. vleeskuikens in extensieve scharrel- en vrije-uitloophouderijen als bedoeld in bijlage V onder b, c, d en e, bij verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2007, L 157); e. vleeskuikens gehouden overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, genoemd in onderdeel d; f. verordening (EU) 2018/848 vleeskuikens gehouden overeenkomstig. 2022 170 04-05-2022 21-04-2022 2022 170 04-05-2022 21-04-2022 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 2.50 — Artikel 2.50 Toepasselijkheid voorschriften#
Artikel 2.50 Toepasselijkheid voorschriften 1 Het is verboden vleeskuikens te houden. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien: a. 2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 33 kg/m, en b. artikelen 2.51 tot en met 2.54 wordt voldaan aan de. 3 2 In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m, indien: a. 2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 39 kg/m, en b. artikelen 2.55 tot en met 2.58 wordt voldaan aan de. 4 2 In afwijking van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 39 kg/m, indien: a. 2 de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 42 kg/m, en b. artikelen 2.55 tot en met 2.64 wordt voldaan aan het gestelde bij of krachtens de. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.51 — Artikel 2.51 Houden, huisvesten en verzorgen#
Artikel 2.51 Houden, huisvesten en verzorgen richtlijn 2007/43/EG Vleeskuikens worden gehouden, gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de punten 1 tot en met 10 van bijlage I van. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.52 — Artikel 2.52 Registratie#
Artikel 2.52 Registratie 1 De houder registreert voor elke stal de volgende gegevens: a. het aantal binnengebrachte vleeskuikens; b. de bruikbare oppervlakte; c. de kruising of het ras van de vleeskuikens, indien bekend; d. ten aanzien van iedere controle, het aantal dood aangetroffen vleeskuikens met een indicatie van de oorzaken, indien bekend, alsmede het aantal gedode vleeskuikens, met de reden, en e. het resterende aantal vleeskuikens in het koppel nadat er vleeskuikens uit zijn verwijderd voor verkoop of slacht. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaren bewaard en worden bij een inspectie of op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzamelen en verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de bezettingsdichtheid. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.53 — Artikel 2.53 Treffen welzijnsmaatregelen#
Artikel 2.53 Treffen welzijnsmaatregelen 1 artikel 8.1, eerste lid, van de wet Wanneer een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, aan de houder en een ambtenaar als bedoeld in, gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de dagelijkse mortaliteit, de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit of de resultaten van de post mortem keuring die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden, neemt de desbetreffende houder passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn. 2 Onze Minister treft, ingeval een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn, die onder meer kunnen inhouden: a. een verplichting voor de houder tot het opstellen van een plan van aanpak; b. een verbod voor de houder op het houden van vleeskuikens, tenzij de bezettingsdichtheid niet hoger is dan een bij die maatregel vast te stellen gewicht per vierkante meter, gedurende een bij die maatregel bepaalde periode. 3 Het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.54 — Artikel 2.54 Opleiding#
Artikel 2.54 Opleiding 1 De houder van vleeskuikens, voor zover deze een natuurlijke persoon is, is in het bezit van een door Onze Minister erkend certificaat waaruit blijkt dat hij passende cursussen heeft voltooid of gelijkwaardige ervaring heeft opgedaan. 2 Van gelijkwaardige ervaring als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake wanneer de ervaring is opgedaan voor 1 februari 2011. 3 De cursussen, bedoeld in het eerste lid, zijn toegespitst op welzijnsaspecten en hebben in ieder geval betrekking op: a. richtlijn 2007/43/EG artikelen 2.56 2.57 de voorschriften van bijlage I vanen deen; b. de fysiologie, met name de drink- en voederbehoeften, het diergedrag en het begrip stress; c. de praktische aspecten van de zorgzame omgang met vleeskuikens en van het vangen, laden en transporteren van vleeskuikens; d. eerste hulp voor vleeskuikens, het noodslachten en het doden van vleeskuikens; e. preventieve maatregelen op het gebied van bioveiligheid. 4 De houder verstrekt instructies en advies over de relevante voorschriften inzake dierenwelzijn, inclusief die met betrekking tot de dodingsmethoden die op de pluimveebedrijven worden toegepast, aan de personen die hij in dienst heeft of die voor hem diensten verrichten en die voor vleeskuikens zorgen of vleeskuikens vangen en laden. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.55 — Artikel 2.55 2 Hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m#
Artikel 2.55 2 Hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m 1 2 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 33 kg/m, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn. 2 artikel 2.56, tweede lid Indien Onze Minister daarom verzoekt, stuurt de houder een samenvatting van de informatie, bedoeld in, toe. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.56 — Artikel 2.56 Bijhouden gegevens productiesystemen#
Artikel 2.56 Bijhouden gegevens productiesystemen 1 De houder legt per stal een verzameling van documenten aan waarin de productiesystemen in detail zijn beschreven. 2 De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval informatie over technische details van de stal en de uitrusting van de stal, waaronder: a. een plattegrond van de stal met inbegrip van de afmetingen van de door de vleeskuikens ingenomen oppervlakten; b. het ventilatiesysteem en het koel- of verwarmingssysteem en de locatie van deze systemen; c. het ventilatieschema met de beoogde parameters over luchtkwaliteit, zoals luchtstroming, luchtsnelheid en temperatuur; d. de voeder- en watervoorziening en de locatie ervan; e. de alarm- en reservesystemen die in werking treden in geval van een storing van de automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren; f. het vloertype, en g. het normaliter gebruikte strooisel. 3 De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld. 4 Indien de documenten op grond van het derde lid aan Onze Minister ter beschikking zijn gesteld, brengt de houder Onze Minister onverwijld op de hoogte van eventuele wijzigingen in de beschreven stal, uitrusting of procedures die van invloed kunnen zijn op het welzijn van de dieren. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.57 — Artikel 2.57 Ventilatie en koelverwarmingssystemen#
Artikel 2.57 Ventilatie en koelverwarmingssystemen De houder rust elke stal van zijn pluimveebedrijf uit met een ventilatiesysteem en met koel- of verwarmingssystemen, die zo zijn ontworpen en gebouwd en die zo functioneren dat: a. de concentratie van ammoniak niet hoger is dan 20 ppm en de concentratie van kooldioxide niet hoger is dan 3.000 ppm, gemeten ter hoogte van de kop van de vleeskuikens; b. de binnentemperatuur de buitentemperatuur met niet meer dan 3°C overschrijdt wanneer het buiten in de schaduw warmer is dan 30°C, en c. de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad in de stal over een periode van 48 uur niet hoger is dan 70% bij een buitentemperatuur van minder dan 10°C. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.58 — Artikel 2.58 Documentatie#
Artikel 2.58 Documentatie 1 De houder draagt er zorg voor dat de documentatie bij een koppel vleeskuikens dat ter slachting wordt aangeboden, gegevens bevat over: a. de door de houder berekende dagelijkse mortaliteit en gecumuleerde dagelijkse mortaliteit en b. de kruising of het ras van de vleeskuikens. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt, worden onder toezicht van de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, door de exploitant van het slachthuis geregistreerd met vermelding van het pluimveebedrijf van herkomst en de stal van het desbetreffende pluimveebedrijf. De aannemelijkheid van de juistheid van de gegevens wordt door de exploitant van het slachthuis geverifieerd, rekening houdend met het aantal geslachte vleeskuikens en met het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.59 — Artikel 2.59 2 Hogere bezettingsgraad dan 39 kg/m#
Artikel 2.59 2 Hogere bezettingsgraad dan 39 kg/m 1 2 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 39 kg/m, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn. 2 Artikel 2.55, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.60 — Artikel 2.60 Geen tekortkomingen#
Artikel 2.60 Geen tekortkomingen 1 artikel 2.59, eerste lid artikel 8.1, eerste lid, van de wet In de twee jaren, voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in, zijn door ambtenaren als bedoeld inop het pluimveebedrijf geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf waargenomen. 2 Ingeval er op het pluimveebedrijf in de twee jaren, bedoeld in het eerste lid, geen toezicht op de naleving van deze paragraaf heeft plaatsgevonden, geldt in afwijking van het eerste lid, dat er alsnog toezicht plaatsvindt, en hierbij geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf worden waargenomen. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.61 — Artikel 2.61 Gidsen voor goede praktijken#
Artikel 2.61 Gidsen voor goede praktijken De houder maakt bij de bedrijfsvoering gebruik van gidsen voor goede praktijken, die aanbevelingen bevatten voor de naleving van deze paragraaf. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.62 — Artikel 2.62 Gecumuleerde dagelijkse mortaliteit#
Artikel 2.62 Gecumuleerde dagelijkse mortaliteit 1 artikel 2.59, eerste lid De gecumuleerde dagelijkse mortaliteit van ten minste zeven opeenvolgende gecontroleerde koppels van een stal bedraagt voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in, minder dan de som van: a. 1% en b. 0,06%, vermenigvuldigd met de slachtleeftijd van de dieren, uitgedrukt in dagen. 2 Ingeval de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit meer bedraagt dan de som, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister besluiten het eerste lid buiten toepassing te laten, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de hogere gecumuleerde dagelijkse mortaliteit heeft verstrekt en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.63 — Artikel 2.63 Nadere regels ter voorkoming van aandoeningen#
Artikel 2.63 Nadere regels ter voorkoming van aandoeningen 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voorkomen van de aandoening voetzoollaesies bij vleeskuikens. 2 De houder voldoet aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften. 3 Indien de houder niet kan voldoen aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften, kan Onze Minister ontheffing verlenen van het tweede lid, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de overschrijding van de norm, heeft verstrekt, en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.64 — Artikel 2.64 Nieuw pluimveebedrijf#
Artikel 2.64 Nieuw pluimveebedrijf 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een nieuw pluimveebedrijf: een pluimveebedrijf waar vleeskuikens worden gehouden en dat van start gaat na de inwerkingtreding van deze paragraaf. 2 artikelen 2.60 tot en met 2.62 Dezijn niet van toepassing op een pluimveebedrijf waar voorafgaand aan 1 februari 2011 vleeskuikens worden gehouden tot het tijdstip waarop door een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet toezicht is uitgeoefend op de naleving van deze paragraaf. 3 2 De houder van een pluimveebedrijf als bedoeld in het tweede lid stelt Onze Minister binnen 15 dagen na inwerkingtreding van deze paragraaf in kennis van zijn voornemen om een zodanig aantal vleeskuikens te houden dat de bezettingsdichtheid na de inwerkingtreding van deze paragraaf hoger zal zijn dan 39 kg/m. 4 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op: a. een nieuw pluimveebedrijf; b. artikel 2.49, eerste lid een pluimveebedrijf waar voorheen vleeskuikens werden gehouden op een wijze als bedoeld in, en dat overstapt op het houden van vleeskuikens op een wijze waarop deze paragraaf van toepassing is. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.65 — Artikel 2.65 2 Lagere bezettingsgraad dan 33 of 39 kg/m#
Artikel 2.65 2 Lagere bezettingsgraad dan 33 of 39 kg/m 1 2 De houder die voornemens is wijziging aan te brengen in het door hem te houden aantal vleeskuikens, waardoor de bezettingsdichtheid lager wordt dan 33 of 39 kg/m, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen. 2 artikel 2.64, derde lid Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in, en in het eerste lid, plaatsvindt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.65a — Artikel 2.65a Begripsbepalingen#
Artikel 2.65a Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: koppel: verordening (EU) nr. 2019/2035 koppel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 37, van; legnest: afgescheiden ruimte voor een individueel ouderdier of een groep ouderdieren die geschikt is voor het leggen van eieren; ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren; plateau: horizontaal aangebrachte verhoging van hout of kunststof waardoor geen mest kan vallen; strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand, zaagsel of ander materiaal met een losse structuur dat de dieren in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen; verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 Verordening (EU) 2016/429 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314); vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees; zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout of kunststof waar het dier op kan zitten of rusten. 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.65b — Artikel 2.65b Toepassingsbereik#
Artikel 2.65b Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden ouderdieren van vleeskuikens en dieren van tien weken of ouder die worden opgefokt tot ouderdier van vleeskuikens. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.65c — Artikel 2.65c Registratie#
Artikel 2.65c Registratie 1 De houder van ouderdieren registreert dagelijks, voor zover van toepassing, voor elke stal de volgende gegevens: a. het aantal binnengebrachte ouderdieren, onderscheiden naar geslacht; b. het aantal ouderdieren dat niet-levend wordt afgevoerd; c. het resterend aantal ouderdieren in het koppel dat levend wordt afgevoerd, onderscheiden naar geslacht. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.65d — Artikel 2.65d Huisvesting en voeding ouderdieren#
Artikel 2.65d Huisvesting en voeding ouderdieren 1 Een ouderdier beschikt ten minste over: a. 2 2 1.300 cmvloeroppervlakte per ouderdier, waaronder het legnest, waarbij de oppervlakte van in de stal aangebrachte plateaus die zich ten minste 35 cm boven de vloeroppervlakte bevinden mogen worden meegerekend en waarvan ten minste 300 cmper ouderdier is bedekt met strooisel; b. een hoogte van 70 cm boven de vloeroppervlakte; c. een zitstok met een lengte van ten minste 7 cm per ouderdier, met een vrije ruimte van ten minste 10 cm onder de zitstok en ten minste 35 cm daarboven; d. een voerbak waarvan de lengte van de voor ouderdieren toegankelijke kant per ouderdier ten minste 12,5 cm bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, een per ouderdier toegankelijke plek van ten minste 5 cm. 2 2 Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, beschikken ouderdieren die in een kooi worden gehouden over een totale vloeroppervlakte van ten minste 2.850 cm. 3 De oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, is horizontaal en is dicht of bestaat uit roosters van hout of kunststof, niet zijnde draadroosters. 4 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een ouderdier van een koppel waarvan de hennen een eindgewicht van ten hoogste 2,4 kg bereiken over ten minste 1.200 cmbruikbare oppervlakte per ouderdier. 5 artikelen 1.7, onderdeel e 2.4, zesde lid Onverminderd de, enbeschikt een ouderdier als bedoeld in het vierde lid permanent over luzerne, snijmaissilage of daarmee vergelijkbaar ruwvoer. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.65e — Artikel 2.65e Huisvesting ouderdieren tijdens opfok#
Artikel 2.65e Huisvesting ouderdieren tijdens opfok 2 Een dier dat wordt opgefokt om te worden gehouden als ouderdier beschikt over een vloeroppervlakte van ten minste 666 cmper dier. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.65f — Artikel 2.65f Controles#
Artikel 2.65f Controles 1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van, worden ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid In afwijking van, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 3 De houder van ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.66 — Artikel 2.66 Begripsbepalingen#
Artikel 2.66 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren; huisvestingssysteem: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden; kooi: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen; bruikbare oppervlakte: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend; nest: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas; strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand of ander materiaal met een losse structuur dat legkippen in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen; zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout, metaal of kunststof zonder scherpe randen waar de legkip op kan zitten of rusten, in ieder geval niet bestaande uit draadgaas. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.67 — Artikel 2.67 Toepassingsbereik#
Artikel 2.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.68 — Artikel 2.68 Toepasselijkheid voorschriften#
Artikel 2.68 Toepasselijkheid voorschriften 1 artikelen 2.70 2.73 2.74, eerste en tweede lid 2.75 2.76 Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de,,,en. 2 artikel 2.71 2.73 tot en met 2.76 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld inte houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.71 en. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.69 — Artikel 2.69 Registratie houders#
Artikel 2.69 Registratie houders 1 richtlijn 1999/74/EG Onze Minister registreert houders van legkippen overeenkomstig artikel 7 vanvan de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203) of overeenkomstig de op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Hij verstrekt daartoe aan houders van legkippen een nummer dat geschikt is om de voor de menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren te kunnen traceren. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid. 3 Het is verboden legkippen te houden zonder te beschikken over een nummer als bedoeld in het eerste lid. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.70 — Artikel 2.70 Houden en huisvesten in alternatieve huisvestingssystemen#
Artikel 2.70 Houden en huisvesten in alternatieve huisvestingssystemen 1 Legkippen beschikken ten minste over: a. 2 1.111 cmbruikbare oppervlakte per legkip; b. 2 één nest per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 mper 120 legkippen; c. 2 een met strooisel bedekte oppervlakte van 250 cmper legkip waarbij in ieder geval een derde deel van het grondoppervlak met strooisel is bedekt; d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip die niet is aangebracht boven het strooisel. De horizontale afstand tussen de zitstokken bedraagt ten minste 30 cm en tussen de zitstokken en de wand ten minste 20 cm; e. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat; f. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, ten minste 4 cm per legkip, en g. een bereikbare watervoorziening bestaande uit: 1° een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 2,5 cm per legkip bedraagt; 2° een ronde drinkbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 1 cm per legkip bedraagt, of 3° één drinknippel of één waterbakje per 10 legkippen. Bij watervoorziening via nippels of drinkwaterbakjes zijn per legkip ten minste twee nippels of drinkwaterbakjes bereikbaar. 2 In een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen: a. is het aantal niveaus op enig punt boven de vloer beperkt tot vier; b. bedraagt de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm; c. zijn de voeder- en watervoorzieningen zo over de ruimte verdeeld dat alle legkippen er gelijke toegang toe hebben, en d. komen de uitwerpselen van de legkippen die zich op de hogere niveaus bevinden niet op de voor de legkippen toegankelijke lagere niveaus terecht. 3 In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten: a. geven over de hele lengte van het gebouw verdeelde uitgangen rechtstreeks toegang tot de ruimte buiten; b. zijn de uitgangen ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed; c. hebben de beschikbare uitgangen een gezamenlijke breedte van ten minste 2 m per 1.000 legkippen; d. heeft de ruimte buiten om verontreiniging te voorkomen een grondoppervlakte die is afgestemd op de bezettingsgraad en het bodemtype, en e. is de ruimte buiten voorzien van beschutting tegen slecht weer en roofdieren, en indien nodig van passende drinkvoorzieningen. 4 Een overdekte ruimte mag tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte worden gerekend indien de ruimte in ieder geval vanaf 6 uur na het begin van de lichtperiode in de stal onbeperkt toegankelijk is voor de legkippen, gedurende ten minste 10 uren, en de toegangen tot de ruimte ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed zijn en een gezamenlijke breedte hebben van ten minste 2 m per 1.000 legkippen. 5 De oppervlakken die tot de bruikbare oppervlakte wordt gerekend bieden steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.71 — Artikel 2.71 Houden en huisvesten in aangepaste kooien: koloniehuisvesting#
Artikel 2.71 Houden en huisvesten in aangepaste kooien: koloniehuisvesting 1 artikel 2.68, tweede lid Een kooi als bedoeld in, heeft: a. een hoogte van ten minste 60 cm aan de zijde van de kooi waar de voerbak zich bevindt; b. een hoogte van ten minste 50 cm boven de bruikbare oppervlakte; c. 2 een oppervlakte van ten minste 25.000 cm, en d. ten minste twee zitstokken. 2 artikel 2.68, tweede lid Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in, hebben ten minste de beschikking over: a. 2 2 800 cmbruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en 900 cmbruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram; b. een nest; c. een met strooisel bedekte ruimte waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken; d. een zitstok met een lengte van ten minste 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van ten minste 20 cm; e. een voerbak met een lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant van ten minste 12 cm per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en van ten minste 14,5 cm per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram; f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn. 3 De zitstokken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden op verschillende hoogtes in de kooi geplaatst. 4 Het nest, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is minder verlicht dan andere gedeelten van de kooi en heeft een oppervlak van ten minste: a. 2 2.700 cm, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of b. 2 90 cmper legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden. 5 De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft een oppervlak van ten minste: a. 2 2.700 cm, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of b. 2 90 cmper legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden. 6 artikel 2.68, tweede lid Indien een kooi als bedoeld in, wordt gebruikt voor het houden en huisvesten van ten minste vijf en ten hoogste acht legkippen voor het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij zijn tot 1 januari 2035 niet van toepassing: a. het eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat de hoogte van de kooi aan de zijde waar de voerbak zich bevindt en boven de bruikbare oppervlakte ten minste 45 cm bedraagt; b. het eerste lid, onderdeel c; c. 2 het vereiste inzake de oppervlakte van het nest, bedoeld in het vierde lid, met dien verstande dat het nest een oppervlakte heeft van ten minste 90 cmper legkip; en d. 2 het vijfde lid, met dien verstande dat de met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, een oppervlakte heeft van ten minste 90 cmper legkip. 7 Er is sprake van het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij, bedoeld in het zesde lid, indien: a. de legkippen nakomelingen zijn uit kruisingen van raszuivere dieren; b. het testen ten minste inhoudt dat frequent metingen en waarnemingen worden verricht ten aanzien van het aantal gelegde eieren, de sterfte en het gedrag, en c. de bij het testen verkregen gegevens ter beschikking zijn van het fokbedrijf. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.72 — Artikel 2.72 Houden en huisvesten in aangepaste kooien: verrijkte kooien#
Artikel 2.72 Houden en huisvesten in aangepaste kooien: verrijkte kooien Vervallen 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.73 — Artikel 2.73 Algemene eisen huisvesting#
Artikel 2.73 Algemene eisen huisvesting 1 Het geluidsniveau wordt zo laag mogelijk gehouden. Aanhoudend of plotseling lawaai wordt vermeden. Constructie, opstelling, onderhoud en werking van ventilatietoestellen, voedermachines of andere apparaten veroorzaken zo weinig mogelijk lawaai. 2 Het huisvestingssysteem is zodanig opgezet dat een legkip niet kan ontsnappen. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.74 — Artikel 2.74 Algemene eisen verzorging#
Artikel 2.74 Algemene eisen verzorging 1 De legkippen worden ten minste eenmaal per dag door de houder geïnspecteerd. 2 De inrichting van het huisvestingssysteem is zodanig dat alle lagen en kooien rechtstreeks en moeiteloos kunnen worden geïnspecteerd en de legkippen gemakkelijk kunnen worden verwijderd. 3 Rijen kooien zijn van elkaar gescheiden door gangen van ten minste 90 cm breed. 4 De bodem van de onderste kooi is ten minste 35 cm boven de vloer van het gebouw geplaatst. 5 De vorm en de grootte van de kooiopening zijn zodanig dat een volwassen legkip uit de kooi kan worden gehaald zonder dat dit lijden of verwondingen veroorzaakt. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.75 — Artikel 2.75 Verlichting#
Artikel 2.75 Verlichting 1 Er is voldoende goed werkende verlichtingsapparatuur aanwezig voor een grondige inspectie van iedere legkip op elk willekeurig tijdstip. 2 Een stal waarin legkippen zijn ondergebracht is gedurende de lichtperiode zodanig verlicht dat de legkippen elkaar duidelijk kunnen zien, dat zij hun omgeving visueel kunnen verkennen en dat zij hun gebruikelijke activiteiten kunnen ontplooien. In geval van verlichting met daglicht zijn de lichtopeningen zodanig gepositioneerd dat het licht gelijkmatig over de stal en de kooien wordt verdeeld. 3 Per 24 uur is er een ononderbroken duisternisperiode van 8 uur waarin de legkippen kunnen rusten. Bij de vermindering van kunstlicht wordt een periode van halfduister in acht genomen om de legkippen de gelegenheid te geven zonder verwondingen op stok te gaan. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.76 — Artikel 2.76 Reiniging#
Artikel 2.76 Reiniging 1 De uitwerpselen van legkippen worden regelmatig verwijderd. Dode legkippen worden dagelijks verwijderd. 2 Lokalen, uitrusting en gereedschappen waarmee de legkippen in aanraking komen, worden regelmatig grondig gereinigd en ontsmet, in elk geval telkens wanneer de kooien om sanitaire redenen worden leeggemaakt, en ook voordat een nieuwe partij legkippen wordt binnengebracht. Zolang de stal of de kooien bezet zijn, worden alle oppervlakken en alle installaties goed schoon gehouden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.76a — Artikel 2.76a Begripsbepalingen#
Artikel 2.76a Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bezettingsdichtheid: totale levend gewicht van de dieren die tegelijkertijd in de stal aanwezig zijn per vierkante meter oppervlakte die voor hen beschikbaar is; koppel: verordening (EU) nr. 2019/2035 koppel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 37, van; ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren; uitvalpercentage: het aantal dieren van een koppel dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven, gedeeld door het totaal aantal dieren waaruit het koppel aan het begin van het productieproces bestond, vermenigvuldigd met 100; verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3); verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 Verordening (EU) 2016/429 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling vanvan het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314); vleeskalkoen: dier van de soort Meleagris gallopavo dat wordt gehouden voor de productie van vlees. 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76b — Artikel 2.76b Toepassingsbereik#
Artikel 2.76b Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76c — Artikel 2.76c Registratie#
Artikel 2.76c Registratie 1 De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel onderscheiden naar geslacht de volgende gegevens: a. het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren; b. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag; c. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering. 2 De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan: a. 5% bij een koppel vrouwelijke dieren; b. 9% bij een koppel mannelijke dieren. 3 De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard. 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76d — Artikel 2.76d Bezettingsdichtheid#
Artikel 2.76d Bezettingsdichtheid 1 Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan: a. 2 58 kg/mvoor mannelijke dieren; b. 2 48 kg/mvoor vrouwelijke dieren. 2 Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan: a. 2 56 kg/mvoor mannelijke dieren; b. 2 49 kg/mvoor vrouwelijke dieren. 3 Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan: a. 2 46 kg/mvoor mannelijke dieren; b. 2 29 kg/mvoor vrouwelijke dieren. 4 Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid: a. 2 59 kg/mvoor mannelijke dieren; b. 2 49 kg/mvoor vrouwelijke dieren. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76e — Artikel 2.76e Strooisel#
Artikel 2.76e Strooisel 1 De houder van vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen voorziet de stalvloer die niet is gelegen onder de voedsel- of watervoorziening van strooisel. 2 Het strooisel: a. bestaat uit stro of houtkrullen en is niet verontreinigd; b. is droog en rul, en heeft een droge stofgehalte van ten minste 80% op het moment dat het in de stal wordt gebracht; c. is aangebracht in een laag die dik genoeg is om dieren de mogelijkheid te bieden om een stofbad te nemen, uitwerpselen te absorberen en de stalvloer te isoleren. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76f — Artikel 2.76f Stalklimaat#
Artikel 2.76f Stalklimaat 1 3 Indien vleeskalkoenen en ouderdieren worden gehouden in een ruimte die mechanisch wordt geventileerd bedraagt de luchtverversingscapaciteit ten minste 4 mper kg levend gewicht per uur. 2 Een koppel vleeskalkoenen of dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden de eerste vijf dagen na aankomst op het bedrijf waar ze worden gehouden als vleeskalkoen of worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier in een ruimte gehouden waar de temperatuur op dierhoogte 35 tot 39° Celsius bedraagt. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76g — Artikel 2.76g Verlichting#
Artikel 2.76g Verlichting 1 artikel 2.5, eerste en tweede lid Onverminderd, worden vleeskalkoenen en ouderdieren gehouden in een ruimte waar een aaneengesloten rustperiode wordt gehanteerd van ten minste acht uur per etmaal, waarin die ruimte niet of nauwelijks kunstmatig wordt verlicht. 2 De lichtintensiteit in een ruimte bestemd voor vleeskalkoenen of ouderdieren bedraagt op dierhoogte ten minste 20 Lux, tenzij een lagere lichtsterkte tijdelijk noodzakelijk is om letsel als gevolg van pikkerij te voorkomen. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76h — Artikel 2.76h Vervoer#
Artikel 2.76h Vervoer Tijdens vervoer dat op Nederlands grondgebied begint en eindigt, worden vleeskalkoenen die zwaarder zijn dan 7 kg vervoerd in containers als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening (EG) nr. 1/2005. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76i — Artikel 2.76i Controles#
Artikel 2.76i Controles 1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van, worden vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid In afwijking van, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 3 De houder van vleeskalkoenen en ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76ia — Artikel 2.76ia Begripsbepalingen#
Artikel 2.76ia Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: verordening (EG) nr. 2160/2003: Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325). 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76ib — Artikel 2.76ib Monitoring aviaire influenza#
Artikel 2.76ib Monitoring aviaire influenza 1 Een houder van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van aviaire influenza. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de momenten en de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt; b. de dieren waarbij het onderzoek plaatsvindt; c. de administratie van de bemonstering. 3 Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts naar een andere in Nederland gelegen inrichting indien die dieren zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is. 4 Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76ic — Artikel 2.76ic Monitoring salmonella-serotypen en mycoplasma spp#
Artikel 2.76ic Monitoring salmonella-serotypen en mycoplasma spp 1 In aanvulling op artikel 97, eerste lid, aanhef, onderdeel a, aanhef en onder ii, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens artikel 97, tweede lid, onderdeel b, van die verordening vastgestelde gedelegeerde verordening met voorschriften over de ziektebewaking ten aanzien van salmonella-serotypen die relevant zijn voor de diergezondheid en mycoplasma spp. stelt Onze Minister nadere regels over: a. de degene die monsters neemt; b. het aanleveren van gegevens; c. de administratie van uitslag van het onderzoek. 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften van de gedelegeerde verordening en de krachtens het eerste lid gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op houders van per ziekte bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) 2016/429 die geen dieren verplaatsen naar een andere lidstaat, met dien verstande dat bij ministeriële regeling van de genoemde verordening afwijkende regels worden gesteld over de frequentie van de monstername en het onderzoek naar mycoplasma spp, 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76id — Artikel 2.76id Vaccinatie Newcastle disease#
Artikel 2.76id Vaccinatie Newcastle disease 1 Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 2016/429 van een inrichting waar bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van die verordening of van in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening worden gehouden, zorgt ervoor dat die dieren gevaccineerd zijn tegen Newcastle disease. 2 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld over: a. de momenten waarop de vaccinatie plaatsvindt; b. administratie van de vaccinatie; c. onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen en naar aanleiding daarvan te treffen maatregelen. 3 Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts indien ten aanzien van die dieren is voldaan aan de verplichting tot vaccinatie tegen Newcastle disease. 4 Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn gevaccineerd overeenkomstig de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76ie — Artikel 2.76ie Monitoring zoönotische Salmonella#
Artikel 2.76ie Monitoring zoönotische Salmonella 1 verordening (EG) nr. 2160/2003 Ter uitvoering vanworden bij ministeriële regeling regels gesteld over monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429. 2 verordening (EG) nr. 2160/2003 In aanvulling op de krachtensvastgestelde EU-verordeningen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen andere dan de in het eerste lid genoemde diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429. 3 De regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen betrekking hebben op: a. de momenten en de wijze waarop monsters worden genomen; b. degene die de monsters neemt; c. het onderzoek van monsters; d. administratie en rapportage van de onderzoeksresultaten. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76if — Artikel 2.76if Aanvoer pluimvee op Salmonella enteritidis-positief bedrijf#
Artikel 2.76if Aanvoer pluimvee op Salmonella enteritidis-positief bedrijf 1 Het is verboden om dieren van bij ministeriële regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder «pluimvee» als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella enteritidis is vastgesteld. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien die dieren zijn gevaccineerd tegen Salmonella enteritidis. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76ig — Artikel 2.76ig Tankmelkonderzoek#
Artikel 2.76ig Tankmelkonderzoek 1 Een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk laat maandelijks, of zo veel vaker als Onze Minister verzoekt, een monster onderzoeken van melk, die wordt bewaard in een melkkoeltank en die geen behandeling heeft ondergaan, op de aanwezigheid van Coxiella burnettii. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 2.76ih — Artikel 2.76ih Mestvoorschriften#
Artikel 2.76ih Mestvoorschriften 1 Het is een houder die meer dan 50 schapen of geiten houdt ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk verboden om mest van schapen of geiten uit te rijden of af te voeren, tenzij de mest: a. direct na verwijdering uit de stal 30 dagen luchtdoorlatend afgedekt is opgeslagen, of b. rechtstreeks en afgedekt naar een erkende composteerinrichting of erkend composteerbedrijf wordt vervoerd. 2 Een houder als bedoeld in het eerste lid administreert: a. de datum waarop mest uit een stal is verwijderd; b. de begin- en einddatum van de composteringsperiode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; c. de datum waarop mest op het bedrijf is uitgereden; d. de hoeveelheid mest, uitgedrukt in kubieke meters, die is verwijderd, opgeslagen of uitgereden. 3 Een houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar. 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 2023 327 06-10-2023 15-09-2023 07-10-2023
Artikel 2.76j — Artikel 2.76j Begripsbepalingen#
Artikel 2.76j Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: fokram: mannelijk konijn dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen; gespeend konijn: konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht of om te worden geselecteerd als opfokkonijn; konijn: dier van de soort Oryctolagus cuniculus; koppel: een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend; opfokkonijn: konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram; spenen: scheiden van een jong van een voedster; voedster: vrouwelijk konijn vanaf drie dagen voor het berekende tijdstip van haar eerste worp; vrije hoogte: ruimte die niet wordt belemmerd door obstakels. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76k — Artikel 2.76k Toepassingsbereik#
Artikel 2.76k Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden: a. gespeende konijnen; b. opfokkonijnen; c. voedsters en fokrammen die worden gehouden voor de productie van konijnen die worden gehouden om te worden geslacht of om te worden gebruikt als opfokkonijn. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76l — Artikel 2.76l Registratie algemeen#
Artikel 2.76l Registratie algemeen 1 De houder van konijnen registreert zich bij Onze Minister. 2 De in het eerste lid bedoelde registratie vindt plaats met als doel het bevorderen van een effectief systeem van toezicht en handhaving van de op de houder van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn. 3 Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de houder de volgende gegevens: a. naam, adres en woonplaats van de houder; b. voor zover de houder een natuurlijk persoon is, de geboortedatum en het geslacht van de houder; c. voor zover de houder een rechtspersoon betreft, de datum van oprichting en het inschrijfnummer van de houder bij de kamer van Koophandel; d. adres en locatie van het bedrijf waar de dieren worden gehouden; e. de gehouden diersoort. 4 Wijziging van de gegevens, bedoeld in het derde lid, wordt binnen twee weken na het ontstaan van de wijziging door de houder doorgegeven aan de hand van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 2021 636 20-12-2021 13-12-2021 2022 50 03-02-2022 28-01-2022 01-03-2022
Artikel 2.76m — Artikel 2.76m Registratie diergegevens#
Artikel 2.76m Registratie diergegevens 1 De houder van gespeende konijnen, voedsters, fokrammen of opfokkonijnen registreert maandelijks de volgende gegevens: a. het aantal levend geboren konijnen; b. het aantal konijnen dat gespeend is; c. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die op het bedrijf zijn aangevoerd; d. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die levend worden afgevoerd; e. artikel 2.76n, eerste lid de uitvalpercentages, bedoeld in; f. artikel 2.76n, tweede lid de uitkomst van de consultatie, bedoeld in, de maatregelen, bedoeld in artikel 2.76n, derde lid, en de uitkomst van de evaluatie, bedoeld in artikel 2.76n, vierde lid. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard. 2021 636 20-12-2021 13-12-2021 2022 50 03-02-2022 28-01-2022 01-03-2022
Artikel 2.76n — Artikel 2.76n Uitval#
Artikel 2.76n Uitval 1 De houder van konijnen berekent maandelijks het uitvalpercentage voor gespeende konijnen, voedsters en opfokkonijnen, op de volgende wijze: a. voor gespeende konijnen: het aantal dieren van een koppel dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door de som van het aantal dieren waaruit het koppel na het spenen bestond en het aantal dieren dat aan de groep is toegevoegd, vermenigvuldigd met 100; b. voor voedsters en opfokkonijnen: het aantal voedsters of opfokkonijnen dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door het aantal voedsters of opfokkonijnen dat die maand gemiddeld op het bedrijf aanwezig was, vermenigvuldigd met 100. 2 Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen hoger is dan 10%, consulteert de houder een dierenarts met als doel dat percentage te verlagen. 3 Naar aanleiding van de consultatie, bedoeld in het tweede lid, neemt de houder maatregelen om het uitvalpercentage te verlagen. 4 Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen gedurende een jaar hoger is dan 10%, evalueert de houder in samenwerking met een dierenarts de werking van de maatregelen, bedoeld in het derde lid en past de houder die maatregelen aan, indien nodig. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76o — Artikel 2.76o Huisvesting en afleidingsmateriaal#
Artikel 2.76o Huisvesting en afleidingsmateriaal 1 Een voedster beschikt over een kooi met ten minste: a. 2 een vloeroppervlakte van 4.500 cmper voedster, waaronder: 1°. 2 een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cmdie verbonden is met de kooi, en 2°. 2 een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cmen een breedte van ten minste 20 cm; b. 2 een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm; c. een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm. 2 Een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram beschikt over een kooi met ten minste: a. 2 een vloeroppervlakte van 2.000 cmper dier; b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte. 3 Een fokram beschikt over een kooi met ten minste: a. 2 een vloeroppervlakte van 4.000 cmper dier; b. een hoogte van 60 cm. 4 Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste: a. een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van: 1°. 2 700 cmper dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren; 2°. 2 600 cmper dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren; b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht. 5 Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm. 6 Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat: a. heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm; b. bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm; c. 2 plaatst de houder in een kooi als bedoeld in het eerste en derde lid een mat van ten minste 900 cmvan plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic. 7 Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76p — Artikel 2.76p Minimum dekleeftijd#
Artikel 2.76p Minimum dekleeftijd Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat het 15 weken oud is. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76q — Artikel 2.76q Verlichting#
Artikel 2.76q Verlichting 1 artikel 2.5, eerste en tweede lid Onverminderd, worden konijnen gehouden in een ruimte waar een dag- en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten. 2 In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen: a. wordt na een periode van licht alsmede na een periode van donkerte als bedoeld in het eerste lid een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur; b. bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 2.76r — Artikel 2.76r Controles#
Artikel 2.76r Controles 1 artikel 2.4, tweede lid In afwijking van, worden konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2 artikel 2.5, achtste lid In afwijking van, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de voer- en watervoorzieningen van konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.76s — Artikel 2.76s Begripsbepalingen#
Artikel 2.76s Begripsbepalingen Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76t — Artikel 2.76t Toepassingsbereik#
Artikel 2.76t Toepassingsbereik Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76u — Artikel 2.76u Registratie#
Artikel 2.76u Registratie Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76v — Artikel 2.76v Controles#
Artikel 2.76v Controles Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76w — Artikel 2.76w Actieplan#
Artikel 2.76w Actieplan Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76x — Artikel 2.76x Verrijking van de leefomgeving#
Artikel 2.76x Verrijking van de leefomgeving Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76y — Artikel 2.76y Controles#
Artikel 2.76y Controles Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.76z — Artikel 2.76z Actieplan#
Artikel 2.76z Actieplan Vervallen 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 2.77 — Artikel 2.77 Verrichten van ingrepen door de houder#
Artikel 2.77 Verrichten van ingrepen door de houder artikel 2.9, derde lid, van de wet Als handelingen als bedoeld inworden aangewezen het door de houder van een op een landbouwbedrijf gehouden dier: a. artikel 2.5, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, bij geiten die worden gehouden met het oog op de melkproduktie, mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij geiten jonger dan één maand met behulp van een electrische of heteluchtmethode dan wel bij geiten ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag; b. artikel 2.6, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, bij schapen, geiten, vissen en paarden; c. artikel 2.6, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, bij schapen en geiten; d. artikel 2.6, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van de ingreep, bedoeld in, bij schapen en geiten; e. artikel 2.6, onderdelen j en k, van het Besluit diergeneeskundigen verrichten van ingrepen als bedoeld in; f. openleggen van zoolzweren bij schapen en geiten. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 2.78 — Artikel 2.78#
Artikel 2.78 verordening (EU) 2018/848 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het houden van aquacultuur ten behoeve van de biologische productie, bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van, van aquacultuur. 2022 170 04-05-2022 21-04-2022 2022 170 04-05-2022 21-04-2022 05-05-2022 01-01-2022
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Verbod op vastleggen of in een ren houden van een hond#
Artikel 3.1 Verbod op vastleggen of in een ren houden van een hond 1 Het is de eigenaren of gebruikers van erven, landerijen of andere terreinen verboden daarop een hond te houden, die: a. artikel 3.2 aan een ketting of op andere wijze is vastgelegd, indien niet is voldaan aan; b. artikel 3.3 is ingesloten in een ren, indien niet is voldaan aan, of c. is ingesloten in een ren en daarin aan een ketting of op een andere wijze is vastgelegd. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de hond incidenteel is vastgelegd of in een ren wordt gehouden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Vastleggen van een hond#
Artikel 3.2 Vastleggen van een hond 1 Het bevestigingsmiddel, waarmee de hond is vastgelegd, en de halsband, waaraan dat middel is bevestigd, zijn zodanig ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij de hond optreedt. 2 Het bevestigingsmiddel heeft een zodanige lengte dat het dier voldoende bewegingsruimte wordt gelaten. 3 De hond wordt niet door obstakels belemmerd in de bewegingsvrijheid die hem door het bevestigingsmiddel, bedoeld in het eerste lid, wordt gelaten. 4 De hond heeft toegang tot een hok dat: a. voldoende ruimte biedt aan die hond; b. de hond bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden en kou; c. eenvoudig kan worden gereinigd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Houden van een hond in een ren#
Artikel 3.3 Houden van een hond in een ren 1 artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b De ren, bedoeld in; a. is uitsluitend bestemd voor het verblijf van één hond of meerdere honden; b. is aan één zijde open; c. heeft voldoende oppervlak en hoogte voor de hond of honden die erin wordt gehouden. 2 De bodem van de ren wordt zodanig onderhouden dat deze schoon blijft en niet drassig wordt. 3 Artikel 3.2, vierde lid , is van toepassing. 4 In de ren bevinden zich geen voorwerpen waaraan de hond zich kan verwonden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.3a — Artikel 3.3a Overeenkomstige toepassing artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429#
Artikel 3.3a Overeenkomstige toepassing artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 Artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op degene die zich niet-beroepsmatig met dieren bezighoudt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Fokken met gezelschapsdieren#
Artikel 3.4 Fokken met gezelschapsdieren 1 Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. 2 In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat: a. ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen; b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren; c. ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen; d. voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt; e. het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt. 3 Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest. 4 Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden. 5 Op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Begripsbepalingen#
Artikel 3.5 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: – beheerder: artikel 3.6, eerste lid degene die dagelijks leiding geeft aan in, bedoelde activiteiten; – inrichting: artikel 3.6 aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor de inbedoelde activiteiten. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen#
Artikel 3.6 Verbod en uitzondering voor niet-bedrijfsmatig handelen 1 Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Verrichten bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt#
Artikel 3.7 Verrichten bedrijfsmatige activiteiten in inrichting of onder voorwaarden op tentoonstelling, beurs of markt 1 artikel 3.6, eerste lid artikel 3.8 De activiteiten, bedoeld in, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstigis aangemeld. 2 artikelen 3.8, vijfde lid 3.11, vierde lid 3.12, tweede lid 3.14, zesde lid 3.17 tot en met 3.20 In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de,,,, en. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt#
Artikel 3.8 Aanmelding inrichting en tentoonstelling, beurs of markt 1 artikel 3.6, eerste lid De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in, bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend. 2 Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens: a. artikel 3.6 de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de inbedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister; b. het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt; c. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder; d. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht; e. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht; f. artikel 3.11, eerste lid een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in, van de op de inrichting werkzame beheerder; g. de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt. 3 Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld. 4 artikel 3.6 Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de inbedoelde activiteiten. 5 artikel 3.7, tweede lid Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in, organiseert, doet uiterlijk twee weken voor het tijdstip waarop de tentoonstelling, beurs of markt aanvang neemt, een melding van het houden van de tentoonstelling, beurs of markt bij Onze Minister en doet daarbij opgave van de volgende gegevens: a. de naam, adres, woonplaats en het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister; b. het adres en plaats waar de tentoonstelling, beurs of markt plaatsvindt; c. de datum of data waarop de tentoonstelling, beurs of markt wordt georganiseerd; d. de diergroep of diergroepen die aanwezig zullen zijn op de tentoonstelling, beurs of markt; e. artikel 3.11, vierde lid een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de persoon die aanwezig is op de beurs of tentoonstelling, beurs of markt, bedoeld in. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Wijziging gegevens#
Artikel 3.9 Wijziging gegevens 1 artikel 3.8, tweede lid artikel 3.6 Bij wijziging van één of meer van de gegevens, bedoeld in, wordt binnen vier weken na het intreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt van de wijziging door degene die ten tijde van het intreden van die wijziging op de inrichting verantwoordelijk is voor de inbedoelde activiteiten. 2 artikel 3.8, derde lid Op de melding, bedoeld in het eerste lid, is, van overeenkomstige toepassing. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Administratie#
Artikel 3.10 Administratie 1 In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens: a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn; b. bewijs van inenting van honden en katten. 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is. 3 Van het bewijs van inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gedurende een periode van twee jaar schriftelijk of digitaal een kopie in de administratie van de inrichting bewaard. 4 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn. 5 artikel 3.6, eerste lid hoofdstuk 3, paragraaf 4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstiggeregistreerd zijn. 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Vakbekwaamheid#
Artikel 3.11 Vakbekwaamheid 1 In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht. 2 Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld. 3 artikel 3.6 Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de inbedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen. 4 artikel 3.7, tweede lid Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in, organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2015
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging#
Artikel 3.12 Huisvesting en verzorging 1 artikelen 1.5 tot en met 1.8 Onverminderd dewordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat: a. het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt; b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier; c. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s; d. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte; e. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart; f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt. 2 artikel 3.7, tweede lid artikelen 1.5 tot en met 1.8 en het eerste lid Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in, organiseert, draagt zorg voor geschikte huisvesting van dieren gedurende de tentoonstelling, beurs of markt, die voldoet aan de, met dien verstande dat dieren als bedoeld in onderdeel d niet worden toegelaten. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren#
Artikel 3.13 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren 1 Een inrichting beschikt over ten minste drie afzonderlijke ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren in afzondering van andere dieren, dan wel over de mogelijkheid deze ruimtes in te richten zodra dit nodig is. 2 De in het eerste lid bedoelde ruimtes zijn: a. een quarantaineruimte voor gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in de inrichting de gezondheidstatus onbekend is of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is; b. een isolatieruimte voor gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte; c. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of niet verdacht worden van het dragen van een besmettelijke ziekte. 3 Gezelschapsdieren geplaatst in de in het tweede lid bedoelde ruimtes, worden solitair gehuisvest, tenzij dat vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk is. 4 De ruimtes, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, vormen een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting. 5 De ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan bestaan uit een gedeelte van het binnenverblijf dat kan worden afgescheiden van overige binnenverblijven en dieren. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Gezondheid#
Artikel 3.14 Gezondheid 1 In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd. 2 Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd. 3 Gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in een inrichting de gezondheid- of vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, worden onmiddellijk in quarantaine geplaatst. 4 Gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte worden na binnenkomst in de inrichting onmiddellijk in een isolatieruimte geplaatst. 5 artikel 3.15, onderdeel a Een hond of kat mag de quarantaineruimte van de inrichting niet verlaten gedurende ten minste 7 dagen nadat de in, bedoelde inentingen hebben plaatsgevonden, tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft. 6 artikel 3.7, tweede lid Degene die een tentoonstelling, beurs of markt, als bedoeld in, organiseert, draagt zorg voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt en laat geen dieren toe verdacht van een besmettelijke ziekte of dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 Vaccinatie honden en katten#
Artikel 3.15 Vaccinatie honden en katten Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot: a. vaccinaties voor honden en katten die in de inrichting verblijven; b. het bewijs van vaccinatie van honden en katten; c. vaccinaties die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd. 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 2022 107 10-03-2022 25-02-2022 11-03-2022
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 Huisvesting honden#
Artikel 3.16 Huisvesting honden Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelijks in de gelegenheid gesteld tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt, indien de gezondheidstoestand van de hond zich daar niet tegen verzet. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering#
Artikel 3.17 Informatieverstrekking bij verkoop of aflevering 1 Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke, of indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt daarmee instemt, digitale informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is. 3 De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op de verzorging, de huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier. 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 2023 451 11-12-2023 23-11-2023 12-12-2023
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 Informatieverstrekking over gezondheidsstatus#
Artikel 3.18 Informatieverstrekking over gezondheidsstatus artikel 3.15, onderdeel b Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt alle relevante informatie verstrekt met betrekking tot de gezondheidsstatus van het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier, waaronder ten minste het bewijs van inenting, bedoeld in. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar#
Artikel 3.19 Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar Een gezelschapsdier wordt niet verkocht aan een persoon jonger dan zestien jaar. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.20 — Artikel 3.20 Verpakking#
Artikel 3.20 Verpakking Indien een gezelschapsdier bij verkoop of aflevering wordt verpakt, vindt dit op zodanige wijze plaats dat het welzijn of de gezondheid van het gezelschapsdier niet onnodig worden benadeeld. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.21 — Artikel 3.21 Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte#
Artikel 3.21 Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte Gezelschapsdieren worden niet in een etalageruimte van een inrichting gehuisvest of tentoongesteld. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.22 — Artikel 3.22 Socialisatie#
Artikel 3.22 Socialisatie Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier: a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.23 — Artikel 3.23 Huisvesting honden en katten buiten inrichting#
Artikel 3.23 Huisvesting honden en katten buiten inrichting artikel 3.7, eerste lid artikel 3.14, derde tot en met vijfde lid Honden en katten die tijdelijk gehouden worden ten behoeve van opvang omdat daarvan afstand is gedaan, of omdat de eigenaar op het moment van opvang onbekend is, kunnen in afwijking van, en, tijdelijk buiten de inrichting gehuisvest worden ten behoeve van socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte, mits de locatie en verblijfsduur uit de administratie van de inrichting blijken. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 3.24 — Artikel 3.24 Niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten#
Artikel 3.24 Niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten 1 Onze Minister wijst een punt van binnenkomst voor reizigers aan als bedoeld in artikel 3, onderdeel k, van verordening (EU) nr. 576/2013. 2 Onze Minister kan een ander punt van binnenkomst voor het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden aanwijzen als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013. 3 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het andere personen dan dierenartsen is toegestaan transponders als bedoeld in verordening (EU) nr. 576/2013 te implanteren. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de minimumkwalificaties van die andere personen. 4 Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op verordening (EU) nr. 576/2013 regels worden gesteld over het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten met betrekking tot: a. de uitgifte, het verstrekken of het voorhanden hebben van blanco identificatiedocumenten als bedoeld in die verordening; b. een verplichting tot vermelding van aanvullende gegevens op of in het identificatiedocument; c. de termijn waarin een gemachtigde dierenarts als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening (EU) nr. 576/2013 de gegevens, bedoeld in artikel 22, derde lid, van die verordening, en onderdeel b, bewaart; d. de voorwaarden waaronder het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden als bedoeld in artikel 10, derde lid, van verordening (EU) nr. 576/2013 plaatsvindt. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 3.25 — Artikel 3.25 Begripsbepaling#
Artikel 3.25 Begripsbepaling In deze paragraaf wordt verstaan onder: identificatiedocument: identificatiedocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, van verordening (EU) nr. 576/2013. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.26 — Artikel 3.26 Reikwijdte#
Artikel 3.26 Reikwijdte 1 artikelen 3.27, eerste lid 3.28, eerste lid 3.29, eerste lid 3.30, eerste lid De,,, en, zijn niet van toepassing op: a. artikel 13 van het Dierproevenbesluit 2014 een hond die wordt gehouden overeenkomstig; en b. een hond, geboren in Nederland voor 1 april 2013, tenzij de hond wordt overgedragen of wordt voorzien van een identificatiedocument. 2 Artikel 3.28, eerste lid , is niet van toepassing op een houder die voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel de hond reeds hield, tenzij de hond wordt overgedragen. 3 artikelen 3.29, eerste lid 3.30, eerste lid De, en, zijn niet van toepassing op uit het buitenland afkomstige houders die korter dan drie maanden met hun hond in Nederland verblijven, tenzij de hond wordt overgedragen. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.27 — Artikel 3.27 Identificatieplicht#
Artikel 3.27 Identificatieplicht 1 Artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 is van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 70, aanhef en onderdeel a, van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is. 2 artikel 2.9, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen artikel 4.3, eerste lid, van de wet De houder, bedoeld in het eerste lid, of de exploitant, bedoeld in artikel 70 van verordening (EU) nr. 2019/2035 laat de identificatie uitvoeren door een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld inof in het register, bedoeld in. 3 In afwijking van het tweede lid laat een houder of exploitant de identificatie uitvoeren door een dierenarts indien de houder of de exploitant een hond overgedragen heeft gekregen zonder injecteerbare transponder. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.28 — Artikel 3.28 Identificatiedocument#
Artikel 3.28 Identificatiedocument 1 verordening (EU) nr. 2019/2035 Artikel 71 vanis van overeenkomstige toepassing op een houder met een hond op wie artikel 71 van verordening (EU) nr. 2019/2035 niet van toepassing is. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de afgifte van identificatiedocumenten; b. de termijn waarbinnen over een identificatiedocument moet worden beschikt; en c. de overdracht van identificatiedocumenten. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.29 — Artikel 3.29 Registraties van houders van honden bij Onze Minister#
Artikel 3.29 Registraties van houders van honden bij Onze Minister 1 Een houder registreert zich bij Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling bepaalde termijn, indien: a. de hond van de houder een nakomeling heeft voortgebracht; b. de houder een hond voor het eerst in Nederland brengt; c. artikel 3.30, eerste lid artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen de houder een hond heeft verkregen die niet is voorzien van een injecteerbare transponder of die niet is geregistreerd overeenkomstigof. 2 De registratie wordt slechts gedaan indien de houder nog niet bij Onze Minister geregistreerd is. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.30 — Artikel 3.30 Registratie van honden en houders via een portaal#
Artikel 3.30 Registratie van honden en houders via een portaal 1 artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen Een houder draagt er zorg voor dat de registratie van zijn hond, bedoeld inplaatsvindt en vult deze registratie aan. 2 In afwijking van het eerste lid draagt de houder er zorg voor dat de dierenarts de volledige registratie van de hond doet, indien: a. de hond is verkregen zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie als bedoeld in het eerste lid; of b. de hond voor het eerst in Nederland is gebracht. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de registraties, bedoeld in het eerste en tweede lid en over het wijzigen van de registratie bij overdracht, vermissing of overlijden van een hond. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.31 — Artikel 3.31 Verbod op verkrijgen hond zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie#
Artikel 3.31 Verbod op verkrijgen hond zonder injecteerbare transponder, identificatiedocument of registratie Een persoon verkrijgt geen hond van een houder indien de hond: a. artikel 3.27 niet is voorzien van een injecteerbare transponder overeenkomstig; b. artikel 3.28 niet is voorzien van een identificatiedocument overeenkomstig; c. artikelen 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen artikel 3.30, eerste lid niet is geregistreerd overeenkomstig deen; of d. artikel 3.30, tweede lid niet is geregistreerd overeenkomstig. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.32 — Artikel 3.32 Aanwijzing van portalen#
Artikel 3.32 Aanwijzing van portalen 1 Onze Minister wijst de beheerder van een elektronisch portaal aan voor de registratie van honden en houders indien: a. artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 de beheerder van het portaal een onderneming heeft als bedoeld inof een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd; b. het portaal schriftelijk en digitaal voldoende bereikbaar is voor houders; c. de beheerder van het portaal aantoont dat hij gegevens elektronisch, tijdig en correct kan registeren bij Onze Minister; en d. de beheerder handelt overeenkomstig de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens. 2 De beheerder van het portaal: a. artikel 3.30 artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen registreert de gegevens, bedoeld inendirect bij Onze Minister; en b. wijzigt op verzoek van Onze Minister de wijze waarop gegevens bij Onze Minister worden geregistreerd. 3 Onze Minister kan de aanwijzing schorsen dan wel intrekken indien de beheerder niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4 artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanisniet van toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. 5 artikel 10 van het Besluit identificatie en registratie van dieren Aanwijzingen van databanken, verleend op grond van, gelden na de inwerkingtreding van dit artikel als aanwijzingen als bedoeld in het eerste lid. 2021 426 15-09-2021 27-08-2021 2021 477 18-10-2021 13-10-2021 01-11-2021
Artikel 3.33 — Artikel 3.33 Houdverbod katten met vouworen en naaktkatten#
Artikel 3.33 Houdverbod katten met vouworen en naaktkatten 1 Felis silvestris catus Het is verboden om huiskatten () te houden die: a. TRPV4 homo- of heterozygoot zijn voor de p.V342F substitutie (c.1024G>T) in, of b. permanent geen functionele vacht of geen snor- en tastharen hebben. 2 Een huiskat wordt vermoed homo- of heterozygoot te zijn voor de p.V342F substitutie (c.1024G>T) in TRPV4 als deze voorwaarts neerhangende oren heeft. 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 01-01-2026
Artikel 3.34 — Artikel 3.34 Uitzonderingen op houdverbod katten met vouworen en naaktkatten#
Artikel 3.34 Uitzonderingen op houdverbod katten met vouworen en naaktkatten 1 artikel 3.33, eerste lid Het verbod in, is niet van toepassing op het houden van in dat lid bedoelde katten: a. artikel 3.7, eerste lid in een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren als bedoeld in, mits de opvang van zulke katten door de inrichting incidenteel plaatsvindt, b. als zij afkomstig zijn van een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren en dit blijkt uit een op schrift gestelde verklaring van de desbetreffende inrichting, c. door diergeneeskundigen in de uitoefening van hun praktijk voor het verrichten van diergeneeskundige handelingen bij dat dier, d. verordening (EU) 2017/625 door degene die ze onder zich houdt vanwege vervoer daarvan vanuit een ander land via een Nederlandse zee- of luchthaven naar een ander land, voor de duur van ten hoogste vier werkdagen, of zoveel langer indien dat met het oog op de uitreiking van een officieel certificaat onder toepassing van artikel 87 vannoodzakelijk is, of e. door degene die ze onder zich houdt, wanneer deze opzettelijk katten die zich in een noodsituatie bevinden vangt en onder zich houdt met het oog op het onverwijld vervoeren van die dieren naar de eigenaar, een inrichting voor de opvang van gezelschapsdieren of een diergeneeskundige. 2 artikel 3.35 Een op schrift gestelde verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet vereist wanneer het een kat betreft waaropvan toepassing is. 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 01-01-2026
Artikel 3.35 — Artikel 3.35 Overgangsrecht houdverbod katten met vouworen en naaktkatten#
Artikel 3.35 Overgangsrecht houdverbod katten met vouworen en naaktkatten artikel 3.33, eerste lid In afwijking van, mag een kat als bedoeld in dat artikellid gehouden worden, als de kat al voor 1 januari 2026 werd gehouden en dit door de houder aangetoond kan worden op basis van een schriftelijk bewijs van de datum waarop de microchip van de kat is geplaatst of geregistreerd. 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 01-01-2026
Artikel 3.36 — Artikel 3.36 Wedstrijden en vertoningen met katten die onder de uitzonderingen of het overgangsrecht vallen#
Artikel 3.36 Wedstrijden en vertoningen met katten die onder de uitzonderingen of het overgangsrecht vallen artikel 3.34 3.35 Het is verboden om een kat die op grond vanofgehouden mag worden deel te laten nemen aan wedstrijden of vertoningen. 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 2025 288 31-10-2025 09-10-2025 01-01-2026
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Begripsbepalingen#
Artikel 4.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: dierentuin: permanente inrichting waar levende wilde dieren worden gehouden om gedurende ten minste zeven dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek, met uitzondering van circussen en dierenwinkels; dierenverblijf: ruimte waar dieren worden gehouden; diergroep: dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn; wilde dieren: artikel 2.1 dieren behorende tot diersoorten of diercategorieën waarvan de daartoe behorende dieren van nature in het wild leven met uitzondering van de diersoorten of diercategorieën, aangewezen op grond van, en honden en katten. 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 01-07-2024
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Exploitatie dierentuin#
Artikel 4.2 Exploitatie dierentuin 1 Het is verboden een dierentuin te exploiteren zonder een daartoe door Onze Minister verstrekte vergunning. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bijlage IIa inrichtingen waar wilde dieren worden gehouden van ten hoogste tien diersoorten, niet zijnde diersoorten genoemd in; b. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften: 1° bijlage II naast wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten worden in hoofdzaak dieren behorend tot de diersoorten of diercategorieën, genoemd inbij dit besluit, gehouden; 2° de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen; c. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften: 1° er worden wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten gehouden; 2° de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen; 3° het tentoonstellen van de dieren aan het publiek is van ondergeschikt belang voor de inrichting; of d. inrichtingen waar dieren gedurende ten hoogste twaalf maanden voor verzorging of verpleging worden opgevangen en waar de dieren na het verstrijken van die periode weer in vrijheid worden gesteld of elders worden ondergebracht. 3 De vergunning, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens voor beperkte wijzigingen en uitbreidingen van een dierentuin, indien: a. wordt voldaan aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften; b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan Onze Minister is gemeld; en c. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Aanvraag#
Artikel 4.3 Aanvraag 1 artikel 4.2, eerste lid Een vergunning als bedoeld in, wordt op aanvraag verstrekt. 2 De vergunningaanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. het aantal en de soorten te houden wilde dieren; b. het aantal dagen per jaar dat de diersoorten worden tentoongesteld aan het publiek; c. informatie over het aantal personeelsleden en hun kwalificatie; d. een plattegrond met een weergave van: 1° de locatie van de quarantainevoorziening en de behandelruimte; 2° de afmeting en inrichting van de dierenverblijven en de daarin verblijvende aantallen dieren, per diersoort; e. artikel 4.12 een afschrift van het beleidsprotocol, bedoeld in. 3 artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht Met toepassing vanisniet van toepassing op de aanvraag voor een vergunning, bedoeld in het eerste lid. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Toetsing#
Artikel 4.4 Toetsing 1 artikel 4.2, eerste lid Alvorens op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in, wordt beslist, wordt een dierentuin door Onze Minister geïnspecteerd. 2 Een vergunning wordt verstrekt indien aan de navolgende eisen wordt voldaan: a. bij de inrichting van de dierenverblijven rekening is gehouden met: 1° het soorteigen bewegingsgedrag, door het verblijf te voorzien van zoveel mogelijk elementen lijkend op de natuurlijke leefomgeving; 2° het klimaat waarin het dier van nature leeft en het soorteigen bioritme, door het verblijf te voorzien van adequate beschutting en bescherming tegen voor de desbetreffende diersoort extreme weersomstandigheden en een adequate klimaatbeheersing en verlichting; 3° het soorteigen sociale gedrag, door het verblijf te voorzien bij solitaire huisvesting van een voor de diersoort geschikte rust- en schuilplaats en bij groepshuisvesting van een rust- en schuilplaats die een dier de mogelijkheid biedt zich af te zonderen van de andere dieren; 4° het soorteigen paringsgedrag, door de dieren op adequate wijze van elkaar te scheiden of door in het verblijf waarin de dieren gedurende de paringstijd worden gehouden voorzieningen aan te brengen waardoor het soorteigen paringsgedrag mogelijk wordt gemaakt; 5° het soorteigen uitscheidingsgedrag, door het verblijf indien nodig te voorzien van een voor de diersoort geschikte mestplaats; 6° de ruimte die nodig is om het aantal dieren te houden dat blijkens de aanvraag in het verblijf zal worden gehouden; b. de dierenverblijven zijn voorzien van een adequate afscheiding die het uitbreken van de dieren voorkomt en die een veilige barrière tussen de dieren en het publiek vormt; c. artikel 4.12 het beleidsprotocol, bedoeld in, voldoet aan de in dat artikel gestelde eisen; d. er is voorzien in een adequate quarantainevoorziening en een behandelruimte; e. artikelen 1.6 1.7 1.8 4.7 4.8 er kan worden voldaan aan de,,,en. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Registratie vergunningen#
Artikel 4.5 Registratie vergunningen artikel 4.2, eerste lid Onze Minister registreert de vergunningen, bedoeld in, in een openbaar register. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 Nadere voorschriften en beperkingen#
Artikel 4.6 Nadere voorschriften en beperkingen artikel 7.5, eerste lid, van de wet artikelen 4.7 tot en met 4.12 De voorschriften en beperkingen die op grond vanaan een vergunning kunnen worden verbonden, strekken tot nadere uitwerking van de. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 Houden#
Artikel 4.7 Houden 1 De vergunninghouder houdt de dieren op zodanige wijze dat: a. het soorteigen gedrag van de dieren wordt gerespecteerd en zoveel mogelijk in stand wordt gehouden; b. de sociale levenswijze van de dieren in het wild zo veel mogelijk tot uitdrukking komt, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier; c. rekening wordt gehouden met de behoeften van het individuele dier; d. zieke of gewonde dieren indien nodig worden afgezonderd in een passend onderkomen; e. artikel 4.3, tweede lid, onderdeel d het in een dierenverblijf verblijvende aantal dieren, bedoeld in, niet wordt overschreden. 2 artikel 1.6, eerste lid Van de voorschriften, bedoeld in, en in het eerste lid van dit artikel, onderdelen a, b en e, kan tijdelijk worden afgeweken indien er opvang wordt geboden aan een dier of diergroep waarvoor voldoende deskundigheid aanwezig is, maar waardoor de capaciteit van de dierentuin wordt overschreden en mits de opvang niet elders op betere wijze kan plaatsvinden. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 Verzorgen#
Artikel 4.8 Verzorgen 1 De vergunninghouder verzorgt de dieren op zodanige wijze dat: a. het toedienen van het voer is afgestemd op de fysiologische behoeften van de diersoort en de natuurlijke wijze van voedselvergaring stimuleert; b. de verzorging is afgestemd op de behoeften van het dier; c. de conditie en de gezondheid van het dier dagelijks worden gecontroleerd; d. in voorkomend geval op passende wijze wordt gezorgd voor gewonde en zieke dieren, indien nodig door een dierenarts. 2 Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen. 3 De dierenverblijven worden zo vaak als nodig grondig gereinigd en ontsmet. 4 Zwemwater, stro of ander bodembedekkend materiaal wordt naar behoefte van de diersoort vervangen. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 Register#
Artikel 4.9 Register 1 De vergunninghouder voert een inzichtelijk register van elk dier of elke diergroep, waaruit de mutaties van de dieren en de ziektegeschiedenis blijken, en waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn opgenomen: a. de wetenschappelijke soortnaam en het aantal dieren dat van die soort in de dierentuin wordt gehouden; b. het geslacht, indien mogelijk en relevant; c. de datum van verkrijging of de geboortedatum; d. bij overdracht of verkrijging: de bestemming en de herkomst van de dieren en in voorkomend geval de nummers van de in- en uitvoerdocumenten en certificaten; e. de identificatie van het dier of de diergroep door het ringnummer, het tatoeagenummer, het microchipnummer of, indien een registratienummer ontbreekt, een omschrijving aan de hand van bijzondere uiterlijke kenmerken; f. bij vertrek van een dier of diergroep: de datum en de reden van vertrek en de naam en het adres van de eindbestemming; g. bij bezoek van de dierenarts: de datum van dit bezoek, alsmede de gezondheidstoestand van het dier; h. in geval van sterfte: de datum en de oorzaak van de sterfte. 2 Het register, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maal per maand bijgewerkt. 3 Bij vertrek gaat het dier of de diergroep vergezeld van een afschrift van alle op basis van het eerste lid bijgehouden relevante gegevens en documenten. 4 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar na de dood of het vertrek van het dier of de diergroep bewaard en worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten overgelegd. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 Instandhouding diersoorten en educatief programma#
Artikel 4.10 Instandhouding diersoorten en educatief programma 1 De vergunninghouder bevordert de instandhouding van de diersoorten, waartoe de door hem gehouden dieren behoren, door het uitvoeren van ten minste een van de volgende activiteiten: a. de deelname aan onderzoek dat gunstige gevolgen heeft voor het behoud van de diersoorten, de opleiding van het personeel in voor het onderzoek relevante vaardigheden en de uitwisseling van de verkregen informatie met andere dierentuinen; b. zoveel mogelijk deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving; c. het opvangen van dieren uit opvangcentra en in beslag genomen dieren. 2 In de dierentuin wordt, in het kader van een informatief en educatief programma met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten, onder meer informatie verstrekt over de tentoongestelde soorten en hun natuurlijke habitat. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.11 — Artikel 4.11 Overige voorschriften#
Artikel 4.11 Overige voorschriften De vergunninghouder verzekert zich er bij een overdracht van dieren van dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften in deze paragraaf. 2015 328 10-09-2015 28-08-2015 2015 328 10-09-2015 28-08-2015 15-09-2015
Artikel 4.12 — Artikel 4.12 Beleidsprotocol#
Artikel 4.12 Beleidsprotocol De vergunninghouder beschikt over een beleidsprotocol met daarin opgenomen: en handelt dienovereenkomstig. a. een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren; b. het beleid met betrekking tot de voeding en de preventieve en curatieve diergeneeskundige verzorging van de dieren dat is opgesteld onder begeleiding van een dierenarts; c. artikel 4.10, eerste lid het doel van de activiteiten, bedoeld in, en van het programma, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid; d. artikel 4.10 een eenduidig beleid met betrekking tot de ingenoemde onderwerpen, 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 4.13 — Artikel 4.13 Sluiting, aanpassing en intrekking#
Artikel 4.13 Sluiting, aanpassing en intrekking 1 artikelen 1.6 1.7 1.8 Indien de vergunninghouder niet voldoet aan de,ofof aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften kan de dierentuin op last van Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden gesloten voor het publiek. 2 Onze Minister kan in het geval, bedoeld in het eerste lid, de exploitant verplichten tot het aanpassen, verwijderen of aanbrengen van specifieke voorzieningen binnen de daarbij vermelde termijn, die ten hoogste twee jaar bedraagt. 3 Indien een exploitant niet binnen de gestelde termijn voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, wordt de vergunning door Onze Minister ingetrokken of gewijzigd en wordt de dierentuin geheel of gedeeltelijk gesloten. 2015 328 10-09-2015 28-08-2015 2015 328 10-09-2015 28-08-2015 15-09-2015
Artikel 4.14 — Artikel 4.14 Verbod op optreden met andere dan aangewezen zoogdieren en op vervoer van die dieren ten behoeve van een optreden#
Artikel 4.14 Verbod op optreden met andere dan aangewezen zoogdieren en op vervoer van die dieren ten behoeve van een optreden 1 Het is verboden op te treden met zoogdieren die niet behoren tot door Onze Minister aangewezen soorten of categorieën. 2 Het is verboden zoogdieren van soorten die niet krachtens het eerste lid zijn aangewezen te vervoeren ten behoeve van een optreden. 3 artikel 4.1 De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op optredens in dierentuinen als bedoeld in. 4 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan indien een diersoort of diercategorie gedomesticeerd is. 5 hoofdstukken 6 7 8 van de Algemene wet bestuursrecht De,enzijn van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 2024 117 01-05-2024 25-04-2024 01-07-2024
Artikel 4.15 — Artikel 4.15 Tentoonstellen en keuren evenhoevigen#
Artikel 4.15 Tentoonstellen en keuren evenhoevigen 1 Het is verboden om evenhoevigen bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten. 3 Een organisator van een tentoonstelling of keuring met runderen, schapen of geiten doet daarvan ten minste 30 dagen voorafgaand aan de dag waarop die tentoonstelling of keuring plaatsvindt melding bij Onze Minister. 4 Een houder van runderen, schapen of geiten die worden tentoongesteld of gekeurd laat die dieren in de vijf dagen voorafgaand aan de tentoonstelling of keuring klinisch onderzoeken door een dierenarts. 5 In afwijking van het vierde lid kan het klinische onderzoek van geiten of schapen plaatsvinden op de inrichting waar de tentoonstelling of keuring wordt gehouden. 6 Een houder en een dierenarts als bedoeld in het vierde lid leggen de resultaten van het onderzoek vast met behulp van een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel. 7 Een organisator als bedoeld in het derde lid laat slechts dieren toe tot de tentoonstelling of keuring, indien uit het onderzoek, bedoeld in het vierde of vijfde lid, blijkt dat de dieren niet besmet zijn met een dierziekte of zoönose of drager zijn van een ziekteverwekker of ziekteverschijnselen vertonen. 8 Runderen, schapen of geiten worden na afloop van een tentoonstelling of keuring zo spoedig mogelijk vervoerd naar: a. de inrichting van herkomst; of b. een slachthuis. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 4.16 — Artikel 4.16 Nadere regels tentoonstellen en keuren van runderen, schapen of geiten#
Artikel 4.16 Nadere regels tentoonstellen en keuren van runderen, schapen of geiten Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: a. artikel 4.15, derde lid de gegevens die een organisator als bedoeld inoverlegt; b. het vervoermiddel waarmee runderen, schapen of geiten worden aangevoerd naar of afgevoerd van een tentoonstelling of keuring; c. reiniging en ontsmetting met betrekking tot de aanvoer en afvoer van dieren en het betreden van een tentoonstelling of keuring; d. administratie van aangevoerde en afgevoerde dieren en de gebruikte vervoermiddelen. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 4.17 — Artikel 4.17 Houden en bijeenbrengen schapen en geiten#
Artikel 4.17 Houden en bijeenbrengen schapen en geiten 1 artikel 1.46 Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstigte houden op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren, tenzij die schapen of geiten: a. in hun eerste levensjaar worden geslacht en geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of b. jonger zijn dan drie maanden. 2 artikel 1.46 Het is verboden schapen of geiten die niet zijn gevaccineerd overeenkomstigbijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op lammeren, jonger dan drie maanden, die samen met het moederdier bijeen worden gebracht. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 4.18 — Artikel 4.18 Evenementen met vogels#
Artikel 4.18 Evenementen met vogels 1 Het is verboden om pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 of in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening bijeen te brengen op een tentoonstelling, keuring of ander evenement waar enkel uit Nederland afkomstige dieren aanwezig zijn. 2 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om: a. in gevangenschap levende vogels bijeen te brengen voor een keuring of tentoonstelling; b. postduiven bijeen te brengen voor een wedvlucht. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over keuringen, tentoonstellingen en wedvluchten als bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot: a. vaccinatie tegen besmettelijke dierziekten; b. onderzoek naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten; c. melding van het bijeenbrengen bij Onze Minister; d. bij te houden en over te leggen gegevens. 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 2021 169 06-04-2021 24-03-2021 21-04-2021
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Doden van productiedieren#
Artikel 5.1 Doden van productiedieren Paragraaf 3 van hoofdstuk 1 is niet van toepassing op het doden van dieren en op met het doden verband houdende activiteiten, waarop verordening (EG) nr. 1099/2009 van toepassing is. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 verordening (EG) nr. 1099/2009 Uitvoering#
Artikel 5.2 verordening (EG) nr. 1099/2009 Uitvoering 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van verordening (EG) nr. 1099/2009. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op: a. het aanwijzen van een bevoegde autoriteit; b. het verstrekken, schorsen en intrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid; c. het goedkeuren van opleidingsprogramma’s en de inhoud en uitvoeringsbepalingen van examens; d. het uitvoeren van controles en inspecties die relevant zijn voor de bescherming van dieren bij het doden en met het doden verband houdende activiteiten; e. gidsen voor goede praktijken; f. het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren buiten een slachthuis. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Slachten voor particulier huishoudelijk verbruik#
Artikel 5.3 Slachten voor particulier huishoudelijk verbruik 1 Het is verboden buiten het slachthuis rundvee, eenhoevigen of loopvogels te slachten of te doden voor particulier huishoudelijk verbruik. 2 Varkens, geiten en schapen worden buiten het slachthuis uitsluitend gedood na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Doden van dieren zonder voorgaande bedwelming#
Artikel 5.4 Doden van dieren zonder voorgaande bedwelming artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikelen 5.5 tot en met 5.9a artikel 5.2 Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in, wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deen aan de terzake krachtensgestelde regels. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Registratie#
Artikel 5.5 Registratie artikel 5.4 Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in, geschiedt slechts in een inrichting die daartoe over een registratie beschikt. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5a — Artikel 5.5a Voorwaarde voor aanvraag registratie#
Artikel 5.5a Voorwaarde voor aanvraag registratie artikel 5.5 Een aanvraag tot registratie als bedoeld inkan slechts worden gedaan door een inrichting die op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) door Onze Minister is erkend. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5b — Artikel 5.5b Eisen voor verlenen registratie#
Artikel 5.5b Eisen voor verlenen registratie 1 Onze Minister besluit tot het verlenen van een registratie indien de inrichting voldoet aan: a. het bepaalde in verordening (EG) nr. 1099/2009, en b. het bepaalde in deze paragraaf. 2 Het besluit tot het verlenen van een registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen op voordracht van: a. de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische ritus; b. de Commissie Islamitisch Slachten van het Contactorgaan Moslims en Overheid voor zover het betreft doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische ritus; c. een andere organisatie die de israëlitische of islamitische geloofsgemeenschap vertegenwoordigen, voor zover het betreft het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de israëlitische onderscheidenlijk islamitische ritus. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5c — Artikel 5.5c Register#
Artikel 5.5c Register artikel 5.5b Van de verleende registratie, bedoeld in, wordt voor de betreffende inrichting aantekening gemaakt in het register waarin de erkenning van de inrichtingen op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) is geregistreerd. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5d — Artikel 5.5d Vervallen registratie#
Artikel 5.5d Vervallen registratie artikel 5.5a artikel 6.5 Indien een erkenning op grond van artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) als bedoeld inwordt ingetrokken, vervalt de registratie, bedoeld in, van rechtswege. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5e — Artikel 5.5e Schorsing en intrekking van de registratie#
Artikel 5.5e Schorsing en intrekking van de registratie artikel 5.5 artikel 5.5b De registratie, bedoeld in, kan worden geschorst dan wel ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.5f — Artikel 5.5f Permanent toezicht#
Artikel 5.5f Permanent toezicht 1 artikel 8.1 van de wet Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming geschiedt te allen tijde in aanwezigheid van een op grond vanaangewezen ambtenaar. 2 Onze Minister kan besluiten tot afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de permanente aanwezigheid van een ambtenaar bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, indien in het betrokken slachthuis voldoende is gewaarborgd dat het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt nageleefd. Van voldoende waarborgen kan sprake zijn in geval het slachthuis deelneemt aan een kwaliteitssysteem waarmee naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf wordt geborgd. 3 Indien naar het oordeel van Onze Minister naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf niet gewaarborgd is, kan Onze Minister het besluit, bedoeld in het tweede lid, intrekken. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikel 5.5b, tweede lid artikel 5.5f, eerste lid Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in, geschiedt slechts door personen die door een organisatie als bedoeld inzijn voorgedragen om het slachtproces overeenkomstig de betrokken religieuze ritus uit te voeren, en die van die voordracht een bewijs overleggen aan de ambtenaar, bedoeld in. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 Volgen aanwijzingen#
Artikel 5.7 Volgen aanwijzingen 1 artikel 2.10, vierde lid, van de wet artikel 8.1, eerste lid, van de wet Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in, geschiedt overeenkomstig de door de op grond vanaangewezen ambtenaren in het belang van de bescherming van het te doden dier gegeven aanwijzingen. 2 De in het eerste lid, bedoelde aanwijzingen kunnen betrekking hebben op: a. de gang van zaken rond het slachtproces, daaronder mede verstaan de wijze waarop en de volgorde waarin dieren worden aangeboden voor de doding; b. het aantal personen dat betrokken dient te zijn bij het fixeren, doden en verbloeden van het dier; c. het staken van het dodingsproces indien onvoldoende is gegarandeerd dat daarbij wordt voldaan aan de eisen van de verordening (EG) nr. 1099/2009 en van deze paragraaf. 3 Onverminderd het tweede lid mag, naast de bij de dodingshandelingen betrokken personen en de personen die tijdens de dodingshandelingen de israëlitische of islamitische ritus verrichten, ten hoogste één persoon bij het doden aanwezig zijn. 4 Onverminderd het eerste en tweede lid, hebben de aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking op de godsdienstige gebruiken volgens de israëlitische en islamitische ritus bij het proces van het doden zonder voorafgaande bedwelming. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 Geschiktheid dier#
Artikel 5.8 Geschiktheid dier De persoon die belast is met het doden zonder voorafgaande bedwelming van een dier, beoordeelt voor elk dier of dit dier qua type, omvang, gewicht en mentale toestand geschikt is om zonder voorafgaande bedwelming te worden gedood en gaat niet over tot het doden van dat dier zonder voorafgaande bedwelming in geval dat dier daartoe ongeschikt is bevonden. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.8a — Artikel 5.8a Fixatievoorzieningen#
Artikel 5.8a Fixatievoorzieningen De fixatievoorzieningen en de fixatie-uitrusting voldoen in elk geval aan de volgende eisen: a. verkeren in een goede staat; b. bevatten geen scherpe uitsteeksels; c. bestaan uit soepel bewegende delen, zonder dat schokkende bewegingen agitatie bij het dier kunnen veroorzaken; d. veroorzaken geen geluiden die stress veroorzaken bij het dier; e. zijn geschikt voor de omvang van het te slachten dier en het diersoort; f. houden het dier voor en tijdens de fixatie in een comfortabele positie, waarbij de fixatie-uitrusting of voorzieningen voldoende druk uitoefenen om het dier gefixeerd te houden, zonder daarbij onnodige stress te veroorzaken, en g. beschikken over een vloer die antislip is, waardoor dieren op geen enkele wijze net voor en tijdens de fixatie kunnen uitglijden. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.8b — Artikel 5.8b Voorwaarden fixatie#
Artikel 5.8b Voorwaarden fixatie 1 Het te doden dier gaat het fixatieapparaat niet eerder binnen dan nadat de slachter gereed staat met het mes om het dier te doden. 2 artikel 5.9a, eerste of tweede lid De fixatie van het te slachten dier wordt niet eerder opgeheven dan nadat overeenkomstig het gestelde in, zeker is gesteld dat het dier het bewustzijn heeft verloren. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 Halssnede#
Artikel 5.9 Halssnede 1 Het toebrengen van de halssnede geschiedt met een mes dat te allen tijde zeer scherp en gaaf is. 2 Het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, wordt na iedere snede gereinigd. 3 De lengte van het mes dat voor het toebrengen van de halssnede wordt gebruikt, is minimaal anderhalf tot twee keer de breedte van de hals. 4 De halssnede wordt met een ononderbroken, vloeiende beweging uitgevoerd, met als doel het dier zo snel mogelijk te verbloeden. 5 Ingeval een dier een te dikke vacht heeft waardoor de halssnede minder gemakkelijk kan worden uitgevoerd, wordt de hals van het dier ter plaatse van de halssnede geschoren dan wel op een andere wijze geschikt gemaakt voor het uitvoeren van de halssnede. 6 In afwijking van het derde lid, mag de halssnede worden toegebracht met een kleiner mes, mits voorkomen wordt dat de punt van het mes in de wondrand prikt. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.9a — Artikel 5.9a Periode bewustzijn#
Artikel 5.9a Periode bewustzijn 1 Binnen een periode van 40 seconden vanaf het moment van het aanbrengen van de halssnede wordt het dier bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1099/2009. 2 Een bedwelming als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van 40 seconden door de slachter ten minste één van de volgende bewustzijnsindicatoren als negatief wordt beoordeeld: a. de geïnduceerde ooglidreflex, of b. de corneareflex. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 Toepassingsbereik#
Artikel 5.10 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het doden van aal met het oog op de productie van dierlijke producten, tenzij dit doden plaatsvindt voor particulier huishoudelijk verbruik. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 Bedwelming aal voorafgaand aan het doden#
Artikel 5.11 Bedwelming aal voorafgaand aan het doden 1 Alen worden voorafgaand aan het doden bedwelmd. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de methode waarmee de aal wordt bedwelmd. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Overgangsrecht vleeskalkoenen#
Artikel 6.1 Overgangsrecht vleeskalkoenen artikel 2.76f, eerste lid 3 In afwijking van, bedraagt de in dat lid bedoelde luchtverversingscapaciteit in stallen die voor 1 juni 2003 zijn gebouwd en sindsdien niet zijn verbouwd ten minste 3 mper kg levend gewicht per uur. 2014 508 17-12-2014 08-12-2014 2014 576 24-12-2014 17-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Overgangsrecht konijnen#
Artikel 6.2 Overgangsrecht konijnen 1 artikel 2.76j artikel 2.76o, tweede lid Tot en met 22 april 2016 is het toegestaan om een voedster als bedoeld inbuiten de periode van drie dagen voor het berekende tijdstip van werpen tot en met 18 dagen na het werpen te huisvesten in een kooi als bedoeld in. 2 artikelen 2.76o, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, onderdelen b en c, tweede lid en het vierde tot en met zesde lid, onderdelen a en b bijlage III Tot en met 22 april 2016 is het degene die konijnen houdt in een huisvestingssysteem dat op 23 april 2006 reeds in gebruik was toegestaan om af te wijken van de, op voorwaarde dat de houder ten minste 50 punten behaalt volgens de tabel inbij dit besluit. 3 artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 Onze Minister kan tot en met 22 april 2016 ontheffing verlenen van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, aan een konijnenhouder als bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit lid. 4 Een ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt verleend voor een periode van een jaar. 5 artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 Ontheffingen, verleend op grond vanworden aangemerkt als ontheffingen als bedoeld in het derde lid. 6 Het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het derde of vijfde lid, en die is ingetrokken. 2021 636 20-12-2021 13-12-2021 2022 50 03-02-2022 28-01-2022 01-03-2022
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Overgangsrecht huisvesting gelten en zeugen#
Artikel 6.3 Overgangsrecht huisvesting gelten en zeugen 1 Artikel 2.18, vierde lid , is gedurende 10 jaar na het in dat lid bedoelde tijdstip niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat: a. artikel 2.18, vierde lid de stal vóór het in, bedoelde tijdstip in gebruik is genomen, en b. artikel 2.18, vierde lid de stal of de vloer van de stal na het in, bedoelde tijdstip niet is verbouwd of herbouwd. 2 artikel 2.11 In afwijking vanwordt in dit artikel verstaan onder stal: de kleinste eenheid waarin varkens kunnen worden gehuisvest. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 1 artikel 5.5 5.5b Aan inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan op grond vanzoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 envan dit besluit. 2 artikelen 5.5 5.5b Aan inrichtingen waarop artikel 6.4, eerste lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding dit artikel, van toepassing is, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van deenvan dit besluit. 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht. 2017 326 05-09-2017 19-08-2017 2017 362 06-10-2017 26-09-2017 01-01-2018
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten voor gezelschapsdieren#
Artikel 6.5 Eisen aan tentoonstellingen, beurzen en markten voor gezelschapsdieren 1 artikelen 3.8, vijfde lid 3.12, tweede lid 3.14, zesde lid De,, en, zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing. 2 Artikel 3.11, vierde lid , is ten aanzien van: a. honden en katten gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing; b. andere gezelschapsdieren dan honden en katten gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren#
Artikel 6.6 Vakbekwaamheid bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren 1 Artikel 3.11, eerste lid , is gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing: a. artikel 3.6 artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999 indien degene die verantwoordelijk is voor de inbedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat de inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit; b. artikel 3.6 artikel 3, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999 ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten, indien degene die verantwoordelijk is voor de inbedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat het een inrichting betreft waarvoor een aanmeldingsplicht bestond op basis van, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, waar ook andere gezelschapsdieren werden gehouden dan honden en katten. 2 Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 3.11 Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in, voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Aanmelding inrichting#
Artikel 6.7 Aanmelding inrichting 1 artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 3.8, eerste lid Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in, voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld. 2 Artikel 3.8, vierde lid artikel 3.6 , is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de inbedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht: a. artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999 desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van, en b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren#
Artikel 6.8 Huisvesting zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren 1 Artikel 3.13, eerste lid artikel 3.14, derde en vierde lid , en, zijn gedurende een periode van drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing. 2 artikelen 9 10 van het Honden- en kattenbesluit 1999 artikelen 3.13 3.14 Deen, zoals dat gold onmiddellijk voor intrekking van dat besluit, blijven van toepassing, gedurende drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deen. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Honden- en kattenbesluit 1999 Wet op de dierproeven Intrekkingen uitgestelde werking Honden- en kattenbesluit in verband met wijziging#
Artikel 6.9 Honden- en kattenbesluit 1999 Wet op de dierproeven Intrekkingen uitgestelde werking Honden- en kattenbesluit in verband met wijziging 1 Honden- en Kattenbesluit 1999 Hetwordt ingetrokken. 2 Honden- en kattenbesluit 1999 artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999 In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van hetvan toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van, tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden. 2014 232 27-06-2014 17-06-2014 2014 233 27-06-2014 17-06-2014 01-07-2014
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Overgangsrecht betonroostervloeren#
Artikel 6.10 Overgangsrecht betonroostervloeren Artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d , is niet van toepassing op betonroostervloeren indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat: a. de betreffende betonroostervloer voor 1 juli 2018 in gebruik is genomen; b. artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d de betreffende betonroostervloer ten tijde van de inwerkingtreding van dat onderdeel voldeed aan, van het Besluit houders van dieren zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dat onderdeel en nadien is blijven voldoen aan die bepaling; en c. de vloer van de stal niet is verbouwd of vervangen na de inwerkingtreding van dat onderdeel. 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 2018 146 25-05-2018 26-04-2018 01-07-2018
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Wederzijdse erkenning#
Artikel 6.11 Wederzijdse erkenning artikel 1.3, onderdeel i, onder 4° Met een melkrobot als bedoeld in, en een gps-halsband als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel i, onder 5°, worden gelijkgesteld melkrobots en gps-halsbanden die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd. 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 2025 434 15-12-2025 10-12-2025 01-01-2026
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Intrekking#
Artikel 7.1 Intrekking De volgende besluiten worden ingetrokken: a. Besluit verbod gebruik van levend aas het; b. Besluit welzijn productiedieren het; c. Varkensbesluit het; d. Kalverenbesluit het; e. Vleeskuikenbesluit 2010 het; f. Dierentuinenbesluit het; g. Besluit ritueel slachten het; h. Besluit doden van dieren het. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Wijziging besluiten#
Artikel 7.2 Wijziging besluiten 1 Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen. 2 Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. 3 Wijzigt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 Inwerkingtreding#
Artikel 7.3 Inwerkingtreding De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 Citeertitel#
Artikel 7.4 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houders van dieren. 2014 210 19-06-2014 05-06-2014 2014 211 19-06-2014 05-06-2014 01-07-2014
Artikel 1.20#
artikel 1.20
Artikel 2.1#
artikel 2.1
Artikel 4.2#
artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a
Artikel 6.2#
artikel 6.2, tweede lid
Artikel 2.76o#
Artikel 2.76o
Artikel 4.14#
artikel 4.14