Besluit van 15 oktober 2014, houdende regels ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning als bedoeld in artikel 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet (Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW)
- BWB-id
- BWBR0035661
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2024-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035661
- ELI
- /eli/nl/amvb/2014/besluit-regels-hoofdverblijf-in-dezelfde-woning-aow
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2014/besluit-regels-hoofdverblijf-in-dezelfde-woning-aow/2024-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035661&g=2024-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035661&z=2026-06-06&g=2024-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035661/2024-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2014/besluit-regels-hoofdverblijf-in-dezelfde-woning-aow
Artikel 1 — Artikel 1 Begripsbepalingen#
Artikel 1 Begripsbepalingen 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. woning: een gebouwde onroerende zaak, alsmede de onroerende aanhorigheden, die 1°. een zelfstandige woonruimte is; 2°. een onvrije etage is; of 3°. artikel 11, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag een onzelfstandige woonruimte is, die deel uitmaakt van een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van en aan de huurder verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is, als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die op grond vandoor de Dienst Toeslagen is aangewezen; b. woonruimte: een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; c. zelfstandige woonruimte: een woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; d. onvrije etage: een zelfstandige woonruimte op een etage waarbij de voordeur, het trappenhuis of de lift met andere bewoners wordt gedeeld; e. woonwagen: artikel 4.3 van de Omgevingswet een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats, dat voldoet aan de eisen, daaraan gesteld krachtens de op grond vangestelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst; f. standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten of een regionaal woonwagencentrum dat tot stand is gekomen voor 1 oktober 1970; g. woonschip: een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd wordt of bestemd is voor vaste bewoning en dat is gelegen op een ligplaats; h. ligplaats: een plaats in het water, bestemd of aangewezen om door een woonschip bij verblijf te worden ingenomen; i. binnenschip: artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Binnenvaartwet hetgeen daaronder wordt verstaan in; j. maandelijkse servicekosten: 1°. kosten voor het in bedrijf zijn van lift-, ventilatie-, hydrofoor- en alarminstallaties, en van verlichting van door de huurder met anderen gemeenschappelijk gebruikte ruimten; 2°. schoonmaakkosten van de lift en andere gemeenschappelijke ruimten; 3°. kosten voor de diensten van een huismeester; en 4°. kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten. 2 In dit besluit wordt onder woning mede verstaan: a. een woonwagen zonder eigen aandrijving; b. een woonschip; of c. een tot bewoning bestemd verblijf van een binnenschip. 3 In dit besluit wordt onder woning niet verstaan: a. een door krakers bezet gebouw; of b. een woning waarvan het gebruik naar zijn aard slechts van korte duur is, waaronder in ieder geval wordt gerekend een voor het doorbrengen van vakantie maar niet voor permanente bewoning geschikte of bestemde vakantie- of recreatiewoning. 2023 295 15-09-2023 30-08-2023 2023 295 15-09-2023 30-08-2023 01-01-2024 2023 471 18-12-2023 12-12-2023 2023 471 18-12-2023 12-12-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2 — Artikel 2 Geen hoofdverblijf in dezelfde woning voor het voeren van een gezamenlijke huishouding#
Artikel 2 Geen hoofdverblijf in dezelfde woning voor het voeren van een gezamenlijke huishouding 1 artikel 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet Een pensioengerechtigde die met een andere pensioengerechtigde of met een andere ongehuwde meerderjarige persoon, anders dan een bloedverwant in de eerste graad, zijn hoofdverblijf heeft in een woning wordt voor de toepassing vanin ieder geval geacht niet met die pensioengerechtigde of die persoon zijn hoofdverblijf in die woning te hebben als ieder van hen: a. een op zijn naam staande woning in eigendom heeft, een op zijn naam staande woning huurt of een op zijn naam staande woning heeft op basis van een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik of een recht van bewoning; b. de woning, bedoeld in onderdeel a, vrij ter beschikking heeft; c. volledig de kosten en lasten van de woning draagt; en d. staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee vergelijkbare administratie in het buitenland op het adres van de op zijn naam staande woning, bedoeld in onderdeel a. 2 Onder vrij ter beschikking hebben als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan dat de woning niet: a. wordt bewoond, noch dat daarin feitelijk verblijf wordt gehouden, door een ander dan de pensioengerechtigde of de persoon, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de minderjarige eigen, aangehuwde en pleegkinderen van die pensioengerechtigde of persoon, noch dat op het adres van de woning in de basisregistratie personen of een daarmee vergelijkbare administratie in het buitenland, met uitzondering van de minderjarige eigen, aangehuwde en pleegkinderen van die pensioengerechtigde of persoon, andere personen staan ingeschreven; b. geheel of gedeeltelijk is verhuurd of onderverhuurd; c. is belast met een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik; en d. is afgesloten van een of meer nutsvoorzieningen. 3 Onder de kosten en lasten van de woning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan: a. in geval van eigendom de maandelijkse rente en aflossing van een hypotheek of lening, verminderd met de teruggave inkomstenbelasting als gevolg van de fiscale aftrek van hypotheekrente en kosten; b. artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag in geval van huur de kale huurprijs per maand, bedoeld in, na aftrek van de huurtoeslag, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag; c. in geval van huur van een woonwagen of woonschip de kale huurprijs van de woonwagen of het woonschip plus het bedrag dat verschuldigd is voor het gebruik van de standplaats of de ligplaats. d. de maandelijkse servicekosten; e. de door appartementseigenaars periodiek aan de vereniging van eigenaars verschuldigde bijdragen; f. de door gemeenten geheven onroerende-zaakbelastingen en g. de kosten per maand van de nutsvoorzieningen. 2023 471 18-12-2023 12-12-2023 2023 471 18-12-2023 12-12-2023 01-01-2024
Artikel 3 — Artikel 3 Overgangsbepalingen#
Artikel 3 Overgangsbepalingen 1 Artikel 2, eerste lid artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , is niet van toepassing op de ongehuwde pensioengerechtigde die op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een toeslag als bedoeld inen van wie dat recht als gevolg van de toepassing van artikel 2, eerste lid, zou eindigen, voor zolang dat recht op toeslag duurt. 2 artikel 2, eerste lid De ongehuwde pensioengerechtigde, bedoeld in het eerste lid, en zijn echtgenoot kunnen de Sociale verzekeringsbank gezamenlijk verzoeken, om in afwijking van het eerste lid,, toe te passen, welk verzoek door de Sociale verzekeringsbank wordt ingewilligd. 3 artikel 2, eerste lid De ongehuwde pensioengerechtigde en zijn echtgenoot ten aanzien van wie, op grond van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het eerste lid,, wordt toegepast, kunnen de Sociale verzekeringsbank gezamenlijk verzoeken, om het eerste lid toe te passen, welk verzoek door de Sociale verzekeringsbank wordt ingewilligd. 4 artikel 8, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet artikel 2, eerste lid De ongehuwde pensioengerechtigde die recht zou hebben op een toeslag als bedoeld inen voor wie dat recht als gevolg van de toepassing van, niet ontstaat, en zijn echtgenoot kunnen de Sociale verzekeringsbank gezamenlijk verzoeken, om artikel 2, eerste lid, niet toe te passen, welk verzoek door de Sociale verzekeringsbank wordt ingewilligd. 5 artikel 2, eerste lid De ongehuwde pensioengerechtigde en zijn echtgenoot ten aanzien van wie, op grond van een verzoek als bedoeld in het vierde lid,, niet wordt toegepast, kunnen de Sociale verzekeringsbank gezamenlijk verzoeken om artikel 2, eerste lid, toe te passen, welk verzoek door de Sociale verzekeringsbank wordt ingewilligd. 2014 385 23-10-2014 15-10-2014 2014 451 27-11-2014 18-11-2015 28-11-2014 01-02-2014
Artikel 4 — Artikel 4 Inwerkingtreding#
Artikel 4 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en kan terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip. 2014 385 23-10-2014 15-10-2014 2014 451 27-11-2014 18-11-2015 28-11-2014 01-02-2014