Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015)
- BWB-id
- BWBR0035733
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035733
- ELI
- /eli/nl/amvb/2014/uitvoeringsbesluit-wmo-2015
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2014/uitvoeringsbesluit-wmo-2015/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035733&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035733&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035733/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2014/uitvoeringsbesluit-wmo-2015
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – belasting: 1°. artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in; 2°. artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in; – bijdrage: bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget; grondslag sparen en beleggen: artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 grondslag sparen en beleggen, bedoeld in; – inkomen: 1°. artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in; 2°. artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in; – peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld; – pensioengerechtigde leeftijd: artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in; – rendementsgrondslag : artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 rendementsgrondslag, bedoeld in; – standaardpremie: artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag het bedrag als bedoeld in; – vermogen: artikel 3.2 vermogen als bedoeld in; – vermogensinkomensbijtelling: artikel 3.2a bijtelling van het vermogen als bedoeld in; – wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ; – zak- en kleedgeld: artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet bedrag als bedoeld in; – zorgtoeslag: artikel 1 van de Wet op de zorgtoeslag tegemoetkoming als bedoeld in; – zorgverzekering: artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet verzekering als bedoeld in. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 1 Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die: a. artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad in de zin vanen voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning; b. artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen de termijn, genoemd in, of, buiten die termijn, in gevaltoepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad; of c. artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, omdat de vreemdeling zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van huiselijk geweld of slachtoffer is of dreigt te worden van eergerelateerd geweld en op grond daarvan rechtmatig verblijf heeft in de zin van. 2 De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra: a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; b. Vreemdelingenwet 2000 de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge deof op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven; of c. artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 het rechtmatig verblijf, onverminderd de onderdelen a en b, op grond vanis geëindigd. 2019 418 26-11-2019 07-11-2019 2019 439 02-12-2019 20-11-2019 03-12-2019
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 1 artikelen 2.1.4, derde lid 2.1.4a, eerste lid 2.1.5 8.4, tweede lid, van de wet Dit hoofdstuk is van toepassing op bijdragen als bedoeld in de,,, en. 2 Paragraaf 2 paragraaf 3 4 artikel 2.1.4, derde lid van de wet is, tenzijofvan toepassing is, van toepassing op bijdragen voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten. 3 Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen: 1°. voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen; en 2°. artikel 8.4, tweede lid, van de wet krachtens. 4 Paragraaf 4 is van toepassing op bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor opvang. 5 artikelen 2.1.4, vierde lid 2.1.4a, derde, vierde, vijfde en zevende lid 2.1.4b, derde lid, van de wet Dit hoofdstuk berust mede op de,, en. 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 01-01-2023
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan op aanvraag van de persoon wordt afgetrokken het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtenszijn aangewezen, met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt. 2 artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in. 3 artikel 3.14, tweede lid artikel 3.16 artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval, ofvan toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in. 4 Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast. 5 Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.2a — Artikel 3.2a#
Artikel 3.2a De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 De cliënt betaalt: Het CAK kan een afwijkende termijn vaststellen. a. artikel 3.1, tweede lid artikel 3.6 de bijdrage, bedoeld in, uiterlijk in de maand volgend op de maand waarover de bijdrage verschuldigd is, tenzij de verschuldigdheid van een bijdrage betrekking heeft op een maand die voorafgaand is aan de maand waarin het besluit, waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in, aan de cliënt is verzonden; b. artikel 3.1, tweede lid artikel 3.6 ingeval de verschuldigdheid de bijdrage, bedoeld in, betrekking heeft op een maand die voorafgaand is aan de maand waarin het besluit, waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in artikel 3.6, aan de cliënt is verzonden, uiterlijk in de maand volgend op de maand waarin het besluit waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in, aan de cliënt is verzonden; c. artikel 3.1, derde en vierde lid artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet de bijdrage, bedoeld in, binnen dertig dagen nadat het CAK of de instantie als bedoeld in, het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de cliënt een bijdrage verschuldigd is. 2 Wet langdurige zorg Wet maatschappelijke ondersteuning Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de cliënt met vorderingen van of op de cliënt krachtens de, deen de. 3 artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet Wet maatschappelijke ondersteuning Participatiewet Het gemeentebestuur of een andere instantie als bedoeld inis bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op een cliënt met vorderingen van of op deze cliënt krachtens deof de. De eerste volzin is niet van toepassing op de bijdrage voor opvang voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. 4 artikel 3.1, vierde lid artikel 3.8 3.9, tweede en vierde lid 3.14, tweede of vierde lid Het CAK of een andere bij verordening aangewezen instantie, ingeval het de bijdrage, bedoeld in, betreft, maakt, indien van toepassing, voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, voor zover,, of, is toegepast, en de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, derde en vierde lid, gebruik van: a. artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het inkomensgegeven, bedoeld inen van andere door de inspecteur, bedoeld in, verstrekte gegevens; b. artikel 2.1.4a, derde lid gegevens van het college over de verstrekte aangewezen algemene voorziening, bedoeld in, de maatwerkvoorziening of het verleende persoonsgebonden budget. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 1 artikel 3.18 Een wijziging in de burgerlijke staat van de cliënt en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de cliënt of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herberekening, bedoeld in, een cliënt als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herberekening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. 2 Een omstandigheid aangaande de cliënt of zijn echtgenoot die voor de toepassing van dit besluit van belang is wordt in aanmerking genomen met ingang van de maand na het ingangstijdstip dat het CAK in kennis is gesteld van deze omstandigheid of, indien dat tijdstip op de eerste dag van de maand valt, met ingang van de maand waarin het ingangstijdstip valt dat het CAK in kennis is gesteld van deze omstandigheid. 3 De cliënt meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in het eerste of tweede lid. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 1 artikel 3.1, tweede lid artikel 3.3, vierde lid, onderdelen a of b artikel 2.1.4, derde lid De bijdrage, bedoeld in, wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld door het CAK nadat de gegevens, bedoeld in, voor zover het inkomensgegevens of een kennisgeving betreft met de dag dat een bij verordening aangewezen algemene voorziening, bedoeld in, of een maatwerkvoorziening is verstrekt of een persoonsgebonden budget is verleend, door het CAK zijn ontvangen. 2 artikel 3.1, derde lid artikel 3.3, vierde lid, onderdelen a en b De bijdrage, bedoeld in, wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in, voor zover het de inkomensgegevens en een kennisgeving met de dag dat een maatwerkvoorziening is verstrekt of een persoonsgebonden budget is verleend betreft, door het CAK zijn ontvangen. 3 artikel 3.1, vierde lid artikel 3.3, vierde lid, onderdelen a en b artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet De bijdrage, bedoeld in, wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in, voor zover het de inkomensgegevens en een kennisgeving met de dag dat een maatwerkvoorziening is verstrekt of een persoonsgebonden budget is verleend betreft, door de instantie, bedoeld in, zijn ontvangen. 4 De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is verschuldigd met ingang van de maand na het ingangstijdstip dat het CAK van het college bij kennisgeving heeft ontvangen of, indien dat tijdstip op de eerste dag van de maand valt, met ingang van de maand waarin het ingangstijdstip valt dat het CAK van het college bij kennisgeving heeft ontvangen, doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden. 5 De bijdrage, bedoeld in het tweede lid, is verschuldigd met ingang van de maand waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt of waarin het persoonsgebonden budget is verleend doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden. 6 artikel 2.1.4b, tweede lid, van de we De bijdrage, bedoeld in het derde lid, is verschuldigd met ingang van de maand dat de instantie, bedoeld int van het college heeft ontvangen waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt of waarin het persoonsgebonden budget is verleend doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden. 7 Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de cliënt kan, in afwijking van het vierde en vijfde lid, de termijn waarover de bijdrage is verschuldigd worden ingekort tot maximaal een maand of worden besloten dat de bijdrage niet verschuldigd is, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage op te leggen: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het vaststellen van de bijdrage; b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de cliënt te wijten is; en c. zich bijzondere of verzwarende omstandigheden voordoen voor de cliënt. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Artikel III van Stb. 2019/319 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet De bijdrage wordt zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK of een andere instantie als bedoeld inin kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging. 2 De bijdrage is verschuldigd of wordt gerestitueerd over ten hoogste 36 maanden voor de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is herzien, aan de cliënt is verzonden. 3 De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage. 4 De termijn van 36 maanden als bedoeld in het tweede lid, waarover een eigen bijdrage verschuldigd is, kan worden verkort naar 12 maanden indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien voorafgaand aan de laatstgenoemde termijn: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de cliënt te wijten is. 5 Uit eigen beweging of op aanvraag van de cliënt kan, bij het voordoen van de situatie, bedoeld in het vierde lid, het CAK de termijn inkorten tot maximaal een maand of besluiten dat de bijdrage niet verschuldigd is in bijzondere of voor de cliënt verzwarende omstandigheden. 6 In afwijking van het tweede lid, kan het CAK uit eigen beweging of op aanvraag van de cliënt, een eigen bijdrage herzien en restitueren over meer dan 36 maanden, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de vaststelling van de gegevens, de gegevensuitwisseling of de verwerking daarvan die noodzakelijk zijn voor het herzien van de bijdrage; en b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is. 7 De aanvraag, bedoeld in het zesde lid, wordt gedaan uiterlijk 5 jaar na het bekend worden bij de cliënt van een omstandigheid die aanleiding geeft tot herziening van de bijdrage. 8 Onverminderd het zesde lid, wordt voor zover de bevoegdheid tot herziening van de bijdrage over een maand is vervallen op grond van het tweede, vierde of vijfde lid, de over die periode eerder vastgestelde bijdrage van rechtswege definitief. 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 01-01-2023
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 1 3.9, tweede en vierde lid 3.11, tweede lid 3.12, derde lid artikel 3.14, tweede en vierde lid Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de,,, en, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten. 2 artikelen 3.9, tweede en vierde lid 3.13, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid 3.14, tweede en vierde lid 3.16 Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, worden de bedragen voor de toepassing van de,,, enafzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 1 Artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is niet van toepassing op een voorziening voor vervoer voor zover de gemeente bij verordening de hoogte van de bijdrage vaststelt. 2 artikel 2.1.4, vierde lid, onderdeel b artikel 2.1.4a, vijfde lid, onderdeel b, van de wet Bij de verordening, bedoeld in, en, kan voor onderscheidenlijk de categorieën de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de bijdrage op nihil worden gesteld indien het bijdrageplichtig inkomen van de ongehuwde cliënt of een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen van de gehuwde cliënt en zijn echtgenoot, lager is dan het per categorie vastgesteld bijdrageplichtig inkomen. 3 De bijdrage is niet verschuldigd: a. artikel 3.11 3.12 artikelen 3.3.2.1 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg indien de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage als bedoeld inofdan wel een bijdrage ingevolge deofverschuldigd is; b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; c. artikel 1.1 van de Jeugdwet indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in; d. voor een rolstoel; e. artikel 2.1.5 van de wet voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond vaneen ander de bijdrage verschuldigd is; f. door de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; g. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt; h. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente; i. voor de maanden april en mei van het kalenderjaar 2020, tenzij het betreft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen of opvang. 4 Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het derde lid, onderdelen c, g en h, bij het CAK aan over hoeveel maanden geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de maand waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen meer dan zesendertig maanden voorafgaand aan de dag waarop het oordeel van het college aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste maand waarover geen bijdrage is verschuldigd. 5 artikel 3.5, zevende lid 3.6, vierde en vijfde lid, wordt het derde lid, onderdeel a Indien een cliënt een bijdrage niet verschuldigd is op grond vanof, toegepast alsof de cliënt wel die bijdrage verschuldigd is. 6 artikel 2.1.5 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die op grond vande bijdrage verschuldigd zijn voor een woningaanpassing voor minderjarige cliënten. 7 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de betalingscapaciteit, bedoeld in het derde lid, onderdeel g, door het college wordt beoordeeld. 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 01-01-2023
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 artikel 3.8, tweede lid Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld inbedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. 2 artikel 3.8, tweede lid, onderdeel a Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK voor de berekening van de verlaagde bijdrage, bedoeld in, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.293,60 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid. 3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. 4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 3.293,60 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid. 5 Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.9a — Artikel 3.9a#
Artikel 3.9a Vervallen 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 1 artikel 2.1.4, derde lid 2.1.4a, vierde lid, van de wet artikel 3.8, tweede lid Indien ten aanzien van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot geen voor de vaststelling van de bijdrage benodigde gegevens inzake het inkomen en de rendementsgrondslag beschikbaar zijn, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag, bedoeld in, of, of, indien een verordening als bedoeld in, geldt, wordt de bijdrage op nihil gesteld. 2 Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op onjuist bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.10a — Artikel 3.10a#
Artikel 3.10a artikel 3.1, tweede lid artikel 3.8 artikel 2.1.4, derde lid 2.1.4a, vierde lid, van de wet Over een gedeelte van de maand is de bijdrage, bedoeld in, gelijk aan het volledige bedrag, bedoeld in, ofof een lager bedrag dat de gemeente op grond vanheeft vastgesteld. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 01-01-2019
Artikel 3.10b — Artikel 3.10b#
Artikel 3.10b 1 artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet Het college ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs van een hulpmiddel of woningaanpassing, bedoeld in, aan de hand van de totale kostprijs. 2 Indien het college het CAK in kennis stelt van de totale kostprijs, bedoeld in het eerste lid, ziet het CAK voor het college toe op het niet overschrijden van die kostprijs. 3 artikel 3.8, tweede en vierde lid artikel 2.1.4 derde lid 2.1.4a, vierde lid van de wet Bij het bepalen of de kostprijs niet wordt overschreden, wordt door het CAK, in afwijking van, het bedrag, bedoeld in, of, elke maand in mindering gebracht op de kostprijs. 4 Het CAK gaat bij een samenloop van meerdere voorzieningen voor een cliënt uit van de kostprijs van één door het college aangewezen voorziening. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in het eerste lid. 5 Indien de totale kostprijs wordt bereikt geeft het CAK daarvan onmiddellijk kennis aan het college. 6 Het CAK staakt de inning van de bijdrage nadat het college om staking van de inning heeft verzocht. Als de resterende totale kostprijs lager is dan de verschuldigde bijdrage per maand wordt die bijdrage niet geïnd. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 01-01-2019
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 1 artikel 3.1, derde lid artikel 3.13 De bijdrage, bedoeld in, bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens, voor: a. de ongehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend; b. de gehuwde cliënten tezamen die beiden in een instelling voor beschermd wonen verblijven dan wel dat daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend; c. artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg de gehuwde cliënt wiens echtgenoot een bijdrage ingevolgeverschuldigd is. 2 De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 3.061,80 per maand. 3 In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de cliënt en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 1 artikel 3.11 artikel 3.14 In afwijking vanbedraagt een bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens, voor: a. de ongehuwde cliënt gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling voor beschermd wonen of waarover een persoonsgebonden budget is verleend voor beschermd wonen; b. de gehuwde cliënten tezamen, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van vier maanden als bedoeld in onderdeel a, is verstreken, tezamen; c. Algemene Kinderbijslagwet Wet studiefinanciering 2000 de ongehuwde cliënt die moet of gehuwde cliënten tezamen die moeten voorzien in de kosten van onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van derecht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de; d. de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen indien het college het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor beschermd wonen of waarover een persoonsgebonden budget is verleend voor beschermd wonen voor de ongehuwde cliënt, voor beide of voor een van beide gehuwde cliënten binnen vier maanden kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd. 2 artikel 3.14 De bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens, voor: a. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend en wiens echtgenoot geen maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ontvangt; b. de gehuwde cliënten tezamen van wie één in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend en wiens echtgenoot een persoonsgebonden budget of een andere maatwerkvoorziening ontvangt; c. artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend en wiens echtgenoot zorg ontvangt als bedoeld in, voor zover het zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget betreft, met dien verstande dat de cliënt en zijn echtgenoot tezamen de bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn. 3 De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 212,60 en niet meer dan € 1.115,80 per maand. 4 De onderdelen a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien: a. het een cliënt betreft van wie het recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg in verband met een psychische stoornis krachtens zijn zorgverzekering is geëindigd omdat de krachtens de Zorgverzekeringswet geldende maximumduur voor die zorg is bereikt, of b. artikel 3.11 het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling voor beschermd wonen of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld inverschuldigd was of waren, of c. artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg het verblijf aanvangt of het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt verleend binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld inverschuldigd was of waren. 5 Voor de berekening van de periode van vier maanden, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van verblijf op grond van de Wet langdurige zorg, instellingen voor beschermd wonen of perioden waarover een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend, samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan zestig dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op cliënten die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling voor beschermd wonen verblijven of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend. 6 Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de cliënt is de bijdrage niet verschuldigd indien de cliënt die in een instelling verblijft of een persoonsgebonden budget ontvangt voor beschermd wonen: a. artikel 23, eerste en tweede lid, van de Participatiewet een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan de in, genoemde normbedragen, die gelden voor de cliënt of diens echtgenoot in de daarbij genoemde burgerlijke staat, waarbij die normbedragen opgehoogd worden met de voor de cliënt op grond van het derde lid vastgestelde minimale eigen bijdrage; of b. artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet op grond vangeen uitkering ontvangt. 7 De aanvraag, bedoeld in het zesde lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen wordt vastgesteld. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 1 artikel 3.11, eerste lid Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in, wordt als volgt berekend: a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt onderscheidenlijk de gehuwde cliënten tezamen wordt verminderd met de door die cliënt onderscheidenlijk die cliënten verschuldigde of ingehouden belasting; b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht: 1°. Ziektewet 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van dedan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet; 2°. het in het peiljaar geldende zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een cliënt die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels; 3°. artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 op aanvraag van de cliënt, de in het peiljaar geldende uitkering op grond vanof op grond van; c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. 2 Zorgverzekeringswet artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, de vermogensinkomensbijtelling over het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie, bedoeld in, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf. 3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. 4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens de definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het tweede lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van het eerste lid. 5 Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 Artikel III van Stb. 2025/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging in samenhang met artikel III van Stcrt. 2025/35082.
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 1 artikel 3.12, eerste en tweede lid Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. 2 Participatiewet Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.293,60 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van deontvangt. 3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. 4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 3.293,60 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid. 5 Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.14a — Artikel 3.14a#
Artikel 3.14a Vervallen 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 Artikel III van Stb. 2025/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging in samenhang met artikel III van Stcrt. 2025/35082.
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 Vervallen 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 artikel 3.13, tweede lid Indien, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, twaalf maal het in het lopende kalenderjaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de algemene korting voor wie de pensioensgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt onderscheidenlijk de algemene korting voor wie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, in mindering gebracht. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 1 Indien ten aanzien van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot geen voor de vaststelling van de bijdrage benodigde gegevens inzake het inkomen en de rendementsgrondslag beschikbaar zijn, wordt: a. artikel 3.11, eerste lid de bijdrage, bedoeld in, vastgesteld op € 0 per maand; b. artikel 3.12, eerste en tweede lid de bijdrage, bedoeld in, vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in artikel 3.12, derde lid. 2 Indien na de vaststelling van de bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag, of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 1 De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december. 2 artikel 3.17, eerste lid In afwijking van, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herziening nog moet worden vastgesteld, als bijdrage, de bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 1 Bij de berekening van de bijdrage wordt afwezigheid uit de instelling voor beschermd wonen, anders dan in verband met beëindiging van de levering of het beëindigen van het persoonsgebonden budget, buiten beschouwing gelaten. 2 Over een gedeelte van een maand is de bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365. 3 Van de voor gehuwde cliënten gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het inkomen. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 1 artikel 3.1, vierde lid artikel 3.9, eerste lid artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag De hoogte van de bijdrage, bedoeld in, is zodanig dat de cliënt na afdracht van de bijdrage, van zijn bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in, omgerekend naar een maand, een bedrag overhoudt dat overeenkomt met het zak- en kleedgeld, vermeerderd met de standaardpremie, bedoeld inen gecorrigeerd met de zorgtoeslag. 2 De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is niet verschuldigd indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten een maand in een instelling voor beschermd wonen verblijft. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1#
Artikel 4.1.1 1 Het college draagt er zorg voor dat Veilig Thuis herkenbaar en toegankelijk is. 2 Ter uitvoering van het eerste lid draagt het college er in ieder geval zorg voor dat: a. artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet Veilig Thuis te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken als bedoeld in, geboden is; en b. aangesloten is op een landelijk telefoonnummer dat kosteloos bereikbaar is. 3 artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet Veilig Thuis legt de wijze waarop het de taken, bedoeld in, uitvoert, schriftelijk vast. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven op welke wijze: a. paragraaf 3.1 paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld inonderscheidenlijk, die door Veilig Thuis worden verwerkt, slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor deze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien, en b. artikel 4.1.2 uitvoering wordt gegeven aan. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.2 — Artikel 4.1.2#
Artikel 4.1.2 1 Het college draagt er zorg voor dat ten behoeve van Veilig Thuis voldoende deskundigheid beschikbaar is op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiervoor is in ieder geval een arts met deskundigheid op het gebied van kindermishandeling beschikbaar. 2 artikel 4.1.1, tweede lid, onderdeel b, van de wet Het college waarborgt de onafhankelijke uitvoering van de taak van Veilig Thuis, bedoeld in. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.3 — Artikel 4.1.3#
Artikel 4.1.3 1 artikel 5.2.1, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet artikel 1.1. van het Besluit Jeugdwet Indien toepassing is gegeven aandraagt Veilig Thuis er zorg voor dat de taken, bedoeld in, worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional als bedoeld in. Veilig Thuis deelt de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professional. 2 artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de wet In afwijking van het eerste lid kan Veilig Thuis anderen dan geregistreerde professionals met de uitvoering van een of meer taken, bedoeld in, belasten indien het aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. Veilig Thuis belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uit te voeren taak. 3 Veilig Thuis draagt er zorg voor dat geregistreerde professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.4 — Artikel 4.1.4#
Artikel 4.1.4 artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet artikel 4.1.3 Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd, bedoeld in, wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, bedoeld in het eerdergenoemde artikel, blijftgedurende een termijn van een jaar buiten toepassing op werktoedelingen waarvan het college voor zover het betreft de toeleiding naar, de advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening, Veilig Thuis aannemelijk kan maken dat die toedeling plaatsvindt aan een niet tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar, indien die beroepsbeoefenaar reeds bij de aanvang van die periode binnen de betreffende organisatie werkzaam was. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.5 — Artikel 4.1.5#
Artikel 4.1.5 artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet artikel 5.4.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit Jeugdwet Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd, bedoeld in, wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, bedoeld in het eerdergenoemde artikel, kan gedurende een termijn van vijf jaar en drie maanden vanaf het tijdstip van aanvang van die termijn in afwijking vaneen tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar in het kwaliteitsregister jeugd zijn ingeschreven indien: a. die beroepsbeoefenaar op het tijdstip waarop de termijn aanvangt werkzaam is voor Veilig Thuis in een functie waarvoor scholing is vereist op het niveau van een hogere beroepsopleiding; b. de aan de registratie van de beroepsbeoefenaar ten grondslag liggende aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het tijdstip waarop de termijn is aangevangen; c. de beroepsbeoefenaar deelneemt aan een scholingstraject dat erop gericht is uiterlijk bij de eerste herregistratie de scholing op het niveau van hoger beroepsonderwijs te voltooien, en d. artikel 5.4.4 Besluit Jeugdwet de registerstichting bij de uitvoering vanervoor zorg draagt dat voor een ieder kenbaar is dat de registratie van de beroepsbeoefenaar valt onder de werking van dit artikel. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.6 — Artikel 4.1.6#
Artikel 4.1.6 1 artikelen 4.1.4 4.1.5 De aanvang van de termijnen, bedoeld in deen, wordt bij besluit van Onze Ministers vastgesteld. 2 artikelen 4.1.4 4.1.5 De termijnen, bedoeld in deen, kunnen bij besluit van Onze Ministers worden gewijzigd, indien het in het belang van de continuïteit van de werktoedeling noodzakelijk is. 3 De besluiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bekend gemaakt in de Staatscourant. 2014 441 21-11-2014 05-11-2014 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 4.1.7 — Artikel 4.1.7#
Artikel 4.1.7 1 Veilig Thuis start binnen vijf dagen na ontvangst van een melding, nadat is vastgesteld dat onderzoek moet plaatsvinden, het onderzoek naar kindermishandeling of huiselijk geweld. 2 Veilig Thuis oordeelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of, en zo ja, tot welke stappen een onderzoek aanleiding geeft. 3 Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van besluitvorming door Veilig Thuis. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.1.8 — Artikel 4.1.8#
Artikel 4.1.8 1 In dit artikel wordt onder betrokkene verstaan degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft of degene aan wie om informatie wordt verzocht in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding. 2 Veilig Thuis verschaft aan iedere betrokkene bij het eerste contact informatie over: a. de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek; b. artikelen 4.2.12 5.1.6 5.3.1 van de wet met inachtneming van de,en: 1°. de verwerking van persoonsgegevens; en 2°. het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden; en c. de wijze van behandeling van klachten. 3 Veilig Thuis verstrekt geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien: a. een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer of zijn huiselijke kring staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen: 1°. een bedreiging vormt of kan vormen voor het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer of zijn huiselijke kring; 2°. een bedreiging vormt of kan vormen voor de persoon, bedoeld onder a, of medewerkers van die persoon, of 3°. leidt of kan leiden tot een ernstige verstoring van de vertrouwensrelatie met de huiselijke kring waartoe het slachtoffer of het vermoedelijke slachtoffer behoort; b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1#
Artikel 4.2.1 In deze paragraaf wordt onder «personen die bij een melding aan Veilig Thuis betrokken zijn» verstaan jeugdigen, ouders of pleegouders die een melding doen, op wie een melding betrekking heeft of aan wie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding informatie wordt gevraagd. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2#
Artikel 4.2.2 De informatie die Veilig Thuis aan personen die bij een melding aan Veilig Thuis betrokken zijn, verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon, bestaat in ieder geval uit informatie over: a. de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; b. de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; c. de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; d. het feit dat de ondersteuning kosteloos is, en e. de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.3 — Artikel 4.2.3#
Artikel 4.2.3 De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met personen die bij een melding aan Veilig Thuis betrokken zijn, te spreken. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.4 — Artikel 4.2.4#
Artikel 4.2.4 Veilig Thuis verschaft aan de vertrouwenspersoon de faciliteiten die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.5 — Artikel 4.2.5#
Artikel 4.2.5 De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen waar Veilig Thuis zijn werkzaamheden uitoefent, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.6 — Artikel 4.2.6#
Artikel 4.2.6 Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde verschaft Veilig Thuis aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen en toont hem alle bescheiden die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft. 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 4.2.7 — Artikel 4.2.7#
Artikel 4.2.7 Vervallen 2019 272 26-07-2019 18-07-2019 2019 272 26-07-2019 18-07-2019 01-08-2019
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1#
Artikel 4.3.1 1 artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet De structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in, vindt plaats op elektronische wijze aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. 2 artikel 4.2.12, eerste lid van de wet Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en het college vragen geen gegevens uit ten behoeve van de doelen, bedoeld in, indien zij of het Centraal Bureau voor de Statistiek reeds over deze gegevens beschikken en deze gegevens gebruikt kunnen worden ten behoeve van deze doelen. 2014 441 21-11-2014 05-11-2014 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 4.3.2 — Artikel 4.3.2#
Artikel 4.3.2 1 De structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet , betreft: a. het aantal gegeven adviezen, uitgesplitst naar kindermishandeling en de aard van het huiselijk geweld; b. het aantal ontvangen meldingen uitgesplitst naar huiselijk geweld enerzijds en kindermishandeling anderzijds, inclusief het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van degene over wie een melding is gedaan; c. het aantal verrichte onderzoeken uitgesplitst naar huiselijk geweld enerzijds en kindermishandeling anderzijds, inclusief de burgerservicenummers van degenen over wie een melding is gedaan; d. de hoedanigheid van de persoon die contact opnam met het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; e. de datum van de melding; f. de datum van de start van het onderzoek; g. de datum van afronding van het onderzoek; h. de uitkomst van de verrichte onderzoeken met inbegrip van, indien van toepassing, de aard van het geweld of de mishandeling; en i. het vervolgtraject na afronding van het onderzoek. 2 artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet Een incidentele verstrekking van gegevens uit hoofde vanbetreft geen persoonsgegevens. 2014 441 21-11-2014 05-11-2014 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 4.3.3 — Artikel 4.3.3#
Artikel 4.3.3 1 artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt voor het verstrekken van de gegevens, bedoeld in, bepaald: a. welke gegevens worden verstrekt alsmede, voor zover nodig, een nadere omschrijving van deze gegevens; b. de wijze waarop de gegevens worden verstrekt; c. de tijdvakken waarop de gegevens die worden verstrekt betrekking hebben; d. de termijnen waarbinnen of de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt. 2 Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, wordt een informatieprotocol vastgesteld. 2014 441 21-11-2014 05-11-2014 2014 443 21-11-2014 14-11-2014 01-01-2015
Artikel 4a.1.1 — Artikel 4a.1.1#
Artikel 4a.1.1 1 artikel 3a.1.1, eerste lid, van de wet Een ingezetene als bedoeld in, heeft, na aanvraag bij het UWV, recht op vergoeding van een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal uren aan tolkdiensten over bij ministeriële regeling vast te stellen perioden. 2 In afwijking van het ten hoogste beschikbare aantal uren, bedoeld in het eerste lid, kunnen meer uren door het UWV worden toegekend voor tolkdiensten bij activiteiten die in het belang zijn voor de deelname aan het maatschappelijke verkeer, indien: a. de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, een onderbouwde aanvraag indient bij het UWV voor ondersteuning; en b. naar het oordeel van het UWV het aangevraagde aantal aanvullende uren in redelijke verhouding staat tot de bijdrage aan de mogelijkheden van de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, tot deelname aan het maatschappelijk verkeer. 3 artikel 73a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet overige OCW-subsidies Participatiewet De vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt toegekend indien de ingezetene een verklaring heeft van de huisarts of behandeld medisch specialist, waaruit blijkt dat deze ingezetene op deze tolkdiensten is aangewezen. Deze verklaring wordt eenmalig gevraagd, tenzij het UWV op grond vandeze al heeft verkregen voor de uitvoering van aan het UWV opgedragen taken. Bij de uitvoering van dit artikel is het UWV bevoegd de verklaring te gebruiken, die het UWV heeft verkregen voor de uitvoering van aanspraken op tolkvoorzieningen op grond van de, de, deen de. 4 Het aantal toegekende uren, bedoeld in het eerste lid, kan verschillen per tolkvoorziening, waaronder tolkdiensten met behulp van telecommunicatiemiddelen, of per te onderscheiden doelgroep, waarbij in ieder geval wordt onderscheiden diegenen die zowel een auditieve als een visuele beperking hebben. 5 De op grond van het tweede lid toegekende uren worden verrekend met de resterende uren waarop de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, reeds recht heeft op grond van dat lid. 6 Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over: a. de gegevens die bij een aanvraag moeten worden ingediend; b. de declaratie van een vergoeding voor tolkvoorzieningen per tolkvoorziening. 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 01-07-2019
Artikel 4a.1.2 — Artikel 4a.1.2#
Artikel 4a.1.2 Het UWV kan tolkdiensten toekennen aan instellingen voor activiteiten die zich mede richten op auditief beperkte personen, indien: a. die instelling geen winstoogmerk heeft; b. de instelling gemotiveerd aantoont één of meerdere activiteiten te organiseren waarbij personen met een auditieve beperking ook tot de doelgroep behoren; en c. artikel 4a.1.1, eerste of tweede lid de tolkdiensten passender door middel van een toekenning aan een instelling kunnen worden vergoed dan per ingezetene op grond van. 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 01-07-2019
Artikel 4a.1.3 — Artikel 4a.1.3#
Artikel 4a.1.3 1 artikelen 4a.1.1 4a.1.2 Het UWV kan, in afwijking van deen, zonder aanvraag ambtshalve noodzakelijke tolkdiensten toekennen aan: a. artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet instellingen als bedoeld in; of b. artikel 3a.1.1, tweede lid, van de wet een persoon, bedoeld in: 1°. in spoedeisende gevallen; 2°. artikel 4a.1.1 indien de onverkorte toepassing vanleidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 2 artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 De ambtshalve toekenning bedoeld in het eerste lid kan ook betrekking hebben op vreemdelingen als bedoeld in. 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 01-07-2019
Artikel 4a.2.1 — Artikel 4a.2.1#
Artikel 4a.2.1 artikel 3a.1.1 van de wet Tolkendiensten van tolken komen alleen voor vergoeding in aanmerking op grond van, als de tolken ingeschreven staan in het openbaar register van de Stichting Register Tolken Gebarentaal en Schrijftolken. 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 2019 225 26-06-2019 14-06-2019 01-07-2019
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 1 Het college neemt in een overeenkomst met betrekking tot het leveren van maatwerkvoorzieningen op, dat de aanbieder in overleg treedt met de aanbieder of aanbieders die in opdracht van het college laatstelijk voor hem dan wel na hem die maatwerkvoorzieningen hebben verleend dan wel gaan verlenen, over de overname van de betrokken hulpverleners. 2 Het college verleent een opdracht voor het leveren van maatwerkvoorzieningen ten minste drie maanden voor de ingangsdatum van die opdracht. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 13-12-2014
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 1 artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet Teneinde te komen tot de afspraken, bedoeld in, nodigt het college, zo veel als mogelijk in samenwerking met andere colleges in de regio, de in die regio werkzame zorgverzekeraars periodiek uit voor overleg. 2 artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet Indien het college en de zorgverzekeraars gezamenlijk oordelen dat dit met het oog op het maken van goede afspraken wenselijk is, nodigt het college ook andere in de regio op de ingenoemde terreinen werkzame organisaties en instanties uit voor overleg. Artikel 5.4.1, eerste, tweede en vierde lid, van de wet is op deze organisaties en instanties van overeenkomstige toepassing. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 13-12-2014
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de taak, bedoeld indoor de Sociale verzekeringsbank, genoemd in. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 1 artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet Bij verordening als bedoeld inwordt aandacht besteed aan de wijze waarop tariefdifferentiatie wordt bevorderd en wordt geregeld dat de prijs voor een dienst ten minste is gebaseerd op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexering van de prijs voor het leveren van een dienst; en f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de indexering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 3 Het eerste lid geldt voor een subsidie slechts voor zover zij wordt verstrekt voor het daadwerkelijk verrichten van diensten voor cliënten en met de subsidie wordt beoogd de te subsidiëren diensten volledig te bekostigen. 2024 69 27-03-2024 11-03-2024 2024 70 27-03-2024 11-03-2024 01-07-2024 Artikel IV van Stb. 2024/69 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.3 — Artikel 6.3#
Artikel 6.3 Wijzigt het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.4 — Artikel 6.4#
Artikel 6.4 Wijzigt het Besluit bijzondere militaire pensioenen. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.5 — Artikel 6.5#
Artikel 6.5 Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.6 — Artikel 6.6#
Artikel 6.6 Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.7 — Artikel 6.7#
Artikel 6.7 Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.8 — Artikel 6.8#
Artikel 6.8 Wijzigt het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 29-12-2014
Artikel 6.9 — Artikel 6.9#
Artikel 6.9 Wijzigt het Besluit tijdelijke verruiming toepassingsbereik concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.10 — Artikel 6.10#
Artikel 6.10 Wijzigt het Besluit Wfsv. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.11 — Artikel 6.11#
Artikel 6.11 Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.12 — Artikel 6.12#
Artikel 6.12 Wijzigt het Besluit van 11 december 1996, houdende uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en wijziging van enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.13 — Artikel 6.13#
Artikel 6.13 Wijzigt het Bijdragebesluit zorg. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015 Onderdelen A, B en C.
Artikel 6.14 — Artikel 6.14#
Artikel 6.14 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.15 — Artikel 6.15#
Artikel 6.15 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.16 — Artikel 6.16#
Artikel 6.16 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 548 23-12-2014 15-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.17 — Artikel 6.17#
Artikel 6.17 Wijzigt het Veteranenbesluit. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 6.18 — Artikel 6.18#
Artikel 6.18 Wijzigt het Zorgindicatiebesluit. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 wet Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 artikel 1.1.2, vijfde lid, van de wet Na inwerkingtreding van deberust hetop. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 7.2 — Artikel 7.2#
Artikel 7.2 wet Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling artikel 3.3, derde lid, van de wet Na inwerkingtreding van deberust hetop. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 7.3 — Artikel 7.3#
Artikel 7.3 Vervallen 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 2020 321 09-09-2020 31-08-2020 01-10-2020
Artikel 7.4 — Artikel 7.4#
Artikel 7.4 Vervallen 2016 527 21-12-2016 12-12-2016 2016 527 21-12-2016 12-12-2016 01-01-2018
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015
Artikel 8.2 — Artikel 8.2#
Artikel 8.2 Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2014 420 07-11-2014 27-10-2014 2014 486 12-12-2014 27-11-2014 01-01-2015