Besluit van 9 december 2014, houdende regels inzake de langdurige zorg (Besluit langdurige zorg)
- BWB-id
- BWBR0035948
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0035948
- ELI
- /eli/nl/amvb/2015/besluit-langdurige-zorg
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2015/besluit-langdurige-zorg/2026-04-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0035948&g=2026-04-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0035948&z=2026-06-06&g=2026-04-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0035948/2026-04-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2015/besluit-langdurige-zorg
Artikel 1.1.1 — Artikel 1.1.1#
Artikel 1.1.1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ADL-assistentie: artikel 1.1.1 van de wet gedurende het gehele etmaal direct oproepbare assistentie bij algemene dagelijkse levensverrichtingen in en om de ADL-woning, bedoeld in, waaronder alarmopvolging bij een noodoproep; belasting: 1°. artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in; 2°. artikel 20 van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen in de overige gevallen: in dat jaar ingehouden loonbelasting, bedoeld in, vermeerderd met de in dat jaar ingehouden premie voor de volksverzekeringen bedoeld in; beschermd wonen: artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 beschermd wonen als bedoeld in; budgetplan: overzicht van de door de verzekerde of diens wettelijk vertegenwoordiger voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget; dag: kalenderdag; deeltijdverblijf: verblijf in een instelling zonder behandeling van gemiddeld zeven etmalen gedurende een periode van veertien aaneengesloten etmalen overeenkomstig van tevoren vastgestelde tijdsperioden; eigen bijdrage: bijdrage van de verzekerde in de kosten van zorg; gebruikelijke zorg: normale, dagelijkse zorg die ouders geacht worden te bieden aan inwonende kinderen; grondslag sparen en beleggen: artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 grondslag sparen en beleggen, bedoeld in; inkomen: 1°. artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: inkomensgegeven, bedoeld in; 2°. artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in de overige gevallen: inkomensgegeven, bedoeld in; modulair pakket thuis: artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet modulair pakket thuis als bedoeld in; palliatief terminale zorg: zorg die betrekking heeft op de levensfase waarin de levensverwachting van de verzekerde naar het oordeel van de behandelend arts korter is dan drie maanden; peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn recht op zorg tot gelding brengt; pensioengerechtigde leeftijd: artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in; preventieve maatregel: artikel 4.2.4, zesde lid, van de wet maatregel als bedoeld in; rendementsgrondslag: artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 rendementsgrondslag, bedoeld in; standaardpremie: artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag bedrag, bedoeld in; vermogen: artikel 3.3.1.2 vermogen, bedoeld in; vermogensinkomensbijtelling: artikel 3.3.1.2a bijtelling van het vermogen als bedoeld in; volledig pakket thuis: artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet integraal en volledig pakket thuis als bedoeld in; wet: Wet langdurige zorg ; zak- en kleedgeld: artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet bedrag, vermeld in; zorgprofiel: een algemene typering van vergelijkbare zorgbehoeften of beperkingen op dezelfde terreinen, waarbij de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard, inhoud en globale omvang overeenkomen; zorgtoeslag: artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag tegemoetkoming als bedoeld in; 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 01-04-2026
Artikel 2.1.1 — Artikel 2.1.1#
Artikel 2.1.1 1 artikel 2.2.1, tweede lid, van de wet De aanmelding, bedoeld in, geschiedt door inlevering van een volledig ingevuld en door of namens de verzekerde ondertekend formulier. 2 Het Zorginstituut kan een of meer model-aanmeldingsformulieren vaststellen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.2 — Artikel 2.1.2#
Artikel 2.1.2 1 Terstond nadat de verzekerde is ingeschreven verstrekt de Wlz-uitvoerder hem een bewijs van inschrijving, dat de verzekerde, desverlangd, bij het tot gelding brengen van zijn recht op zorg kan overleggen. 2 Het Zorginstituut kan een model vaststellen voor het bewijs van inschrijving, bedoeld in het eerste lid. Het Zorginstituut kan technische specificaties vaststellen waaraan een inschrijvingsbewijs moet voldoen als gebruik wordt gemaakt van een magneetstripkaart of een chipkaart. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.3 — Artikel 2.1.3#
Artikel 2.1.3 artikel 35, derde lid, van de Zorgverzekeringswet artikel 2.2.1, eerste lid, van de wet Indien het Zorginstituut met toepassing vanzorgverzekeraars op de hoogte heeft gesteld van zijn constatering dat een verzekerde bij twee of meer zorgverzekeraars verzekerd is, is, slechts van toepassing op de oudste inschrijving bij een zorgverzekeraar. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.4 — Artikel 2.1.4#
Artikel 2.1.4 1 artikel 2.2.1, tweede en vierde lid, van de wet De inschrijving bij een Wlz-uitvoerder, bedoeld in, geldt gedurende één kalenderjaar. Indien een inschrijving later dan per 1 januari van een jaar tot stand is gekomen, geldt de inschrijving tot en met 31 december van het volgende kalenderjaar. 2 De inschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt na afloop van de daar bedoelde termijn, telkens met één kalenderjaar verlengd, tenzij de verzekerde vóór de dag waarop deze termijn is verstreken, schriftelijk aan de Wlz-uitvoerder heeft meegedeeld na afloop van die termijn de inschrijving niet te willen verlengen. 3 De Wlz-uitvoerder kan schriftelijk een termijn van ten hoogste twee maanden vaststellen die de verzekerde in acht moet nemen bij het doen van een mededeling als bedoeld in het tweede lid. 4 artikel 2.2.1, eerste lid, van de wet In afwijking van het eerste en tweede lid, beëindigt een Wlz-uitvoerder de inschrijving van een verzekerde met ingang van de dag waaropten aanzien van de verzekerde is toegepast of indien inschrijving bij die Wlz-uitvoerder bij of krachtens de wet niet of niet langer is toegestaan. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 2.1.5 — Artikel 2.1.5#
Artikel 2.1.5 artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet Als regio als bedoeld inwordt aangewezen Utrecht. 2023 468 15-12-2023 13-12-2023 2023 468 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024
Artikel 3.1.1 — Artikel 3.1.1#
Artikel 3.1.1 1 De verzekerde die is aangewezen op zorg, heeft recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld. 2 De verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft, voor zover meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg. 3 De aard, inhoud en de omvang van de zorg worden mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten. 4 Het recht op zorg kan nader worden geregeld bij ministeriële regeling. Aan het recht op zorg, met inbegrip van het recht op meer zorg, bedoeld in het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling voorwaarden worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Deze beperkingen kunnen mede betrekking hebben op gebruikelijke zorg en algemeen gebruikelijke voorzieningen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.1.2 — Artikel 3.1.2#
Artikel 3.1.2 1 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel e, van de wet Het individuele gebruik van mobiliteitshulpmiddelen, bedoeld in, omvat het gebruik van bij ministeriële regeling aangewezen hulpmiddelen voor het zich verplaatsen of laten verplaatsen: a. in en rondom de instelling of woning ten behoeve van het behoud of het verbeteren van de zelfredzaamheid, en b. in de lokale omgeving ten behoeve van het aangaan of onderhouden van sociale contacten. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het gebruik van hulpmiddelen, met inbegrip van regels omtrent het vereist zijn en het verkrijgen van voorafgaande toestemming van de Wlz-uitvoerder. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.1.3 — Artikel 3.1.3#
Artikel 3.1.3 1 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel g, van de wet Logeeropvang als bedoeld inomvat het gedurende maximaal 156 etmalen per kalenderjaar door verzekerde die zorg in natura of een persoonsgebonden budget ontvangt logeren in een voor hem beschermende woonomgeving, geboden door een zorgaanbieder die daarbij tevens voorziet in samenhangende zorg. 2 In afwijking van het eerste lid kan een verzekerde met een zeer complexe zorgbehoefte die een persoonsgebonden budget ontvangt, voor de logeeropvang vanuit het persoonsgebonden budget zelf: a. artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet voorzien in een passende zorglocatie in een voor hem beschermende woonomgeving met inbegrip van voorzieningen als bedoeld in, en b. de gedurende het logeren benodigde zorg inkopen. 3 Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven wanneer sprake is van een verzekerde als bedoeld in het tweede lid, aanhef, en een passende zorglocatie als bedoeld in het tweede lid, onder a. 4 Indien een indicatiebesluit gedurende een deel van een kalenderjaar geldig is, wordt het maximum aantal etmalen, bedoeld in het eerste lid, berekend door het aantal weken in dat kalenderjaar gedurende welke het indicatiebesluit geldig is, te vermenigvuldigen met drie. 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 01-07-2025
Artikel 3.1.4 — Artikel 3.1.4#
Artikel 3.1.4 1 artikel 3.1.3 van de wet De vergoeding van een woningaanpassing, bedoeld in, betreft kosten voor het verrichten van aard- en nagelvaste aanpassingen aan de woning die noodzakelijk zijn in verband met het opheffen van ergonomische belemmeringen bij het verlenen van zorg in en direct rond de woning, met uitzondering van de kosten van achterstallig onderhoud. 2 artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel a, van de wet Als een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in, wordt aangemerkt een woonsituatie waarbij: a. wet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Jeugdwet Zorgverzekeringswet minimaal drie en maximaal zesentwintig bewoners een persoonsgebonden budget als bedoeld in de, de, deof deontvangen voor zorg en hiervoor door bundeling van persoonsgebonden budgetten gezamenlijk de zorg inkopen, en b. artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen de bewoners verblijven op één woonadres als bedoeld in, of op verschillende woonadressen binnen een straal van honderd meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is die geschikt is voor het ontplooien van gezamenlijke activiteiten. 3 artikel 1.1 van de Jeugdwet Een verzekerde die inwoont bij een ouder, pleegouder of pleegoudervoogd als bedoeld inwordt niet aangemerkt als bewoner van een kleinschalig wooninitiatief. 4 Bij ministeriële regeling kan het recht op woningaanpassingen nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden. 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.1.5 — Artikel 3.1.5#
Artikel 3.1.5 De verzekerde heeft geen recht op zorg ingevolge de wet indien hij: a. artikel 2.10 artikel 2.12, van het Besluit zorgverzekering krachtens zijn zorgverzekering recht heeft op verpleging en verzorging als bedoeld inof, die noodzakelijk is in verband met palliatief terminale zorg, tenzij die zorg wordt verleend als voortzetting van zorg ingevolge de wet; b. artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering minderjarig is en voornamelijk in verband met complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap is aangewezen op verpleging en verzorging als bedoeld in; c. minderjarig is en in verband met een verstandelijke beperking is aangewezen op zorg en ondersteuning in een veilige en vertrouwde leef- en woonomgeving, gericht op opvoeding en het waar mogelijk deelnemen aan het maatschappelijk leven zoals bedoeld in het zorgprofiel voor wonen met begeleiding en verzorging. 2017 349 29-09-2017 14-09-2017 2017 349 29-09-2017 14-09-2017 01-01-2018
Artikel 3.2.1 — Artikel 3.2.1#
Artikel 3.2.1 1 De aanvraag van een indicatiebesluit kan zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan. 2 artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht Van een mondeling ingediende aanvraag maakt het CIZ een verslag waarin ten minste de inbedoelde ondertekening door de verzekerde en gegevens zijn opgenomen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.2.2 — Artikel 3.2.2#
Artikel 3.2.2 1 De voorbereiding van een indicatiebesluit omvat in ieder geval een onderzoek van de verzekerde in persoon. 2 Bij de beoordeling van de mate waarin een verzekerde is aangewezen op zorg betrekt het CIZ de gebruikelijke zorg en algemeen gebruikelijke voorzieningen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorbereiding van een indicatiebesluit en het onderzoek. In deze regels kan ook bepaald worden in welke gevallen het in het eerste lid bedoelde onderzoek niet hoeft plaats te vinden. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.2.3 — Artikel 3.2.3#
Artikel 3.2.3 Indien de verzekerde is aangewezen op zorg, vermeldt het indicatiebesluit: a. artikel 3.2.2, eerste lid de resultaten van het voorbereidend onderzoek, bedoeld in; b. aandoeningen, beperkingen, stoornissen of handicaps als gevolg waarvan hij op de zorg is aangewezen; c. het zorgprofiel waarop hij is aangewezen; d. artikel 3.1.1, tweede lid bij ministeriële regeling te bepalen kenmerken van de verzekerde of van zijn zorgbehoefte die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van meer zorg als bedoeld in; e. voorwaarden en beperkingen die aan het geïndiceerde recht op zorg verbonden zijn; f. de datum met ingang waarvan hij recht heeft op zorg; en g. de geldigheidsduur van het indicatiebesluit. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2016
Artikel 3.2.4 — Artikel 3.2.4#
Artikel 3.2.4 1 Het CIZ neemt zo snel mogelijk, doch binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op de aanvraag. 2 Indien een verzekerde wegens bijzondere omstandigheden reeds in een instelling verblijft, wordt een indicatiebesluit uiterlijk binnen twee weken genomen. Indien de verzekerde ingevolge het indicatiebesluit is aangewezen op in de wet geregeld zorg, werkt het indicatiebesluit terug tot en met de dag waarop het verblijf is aangevangen met een maximale periode van twee weken. 2021 341 14-07-2021 07-07-2021 2021 342 14-07-2021 12-07-2021 01-09-2021
Artikel 3.2.5 — Artikel 3.2.5#
Artikel 3.2.5 Een indicatiebesluit geldt voor onbepaalde tijd, tenzij het indicatiebesluit behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie indicatiebesluiten waarvoor de geldigheidsduur wordt vastgesteld door het CIZ binnen de door deze regeling gestelde maximumduur. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.3.1.1 — Artikel 3.3.1.1#
Artikel 3.3.1.1 1 De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg. 2 De eigen bijdrage is mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.3.1.2 — Artikel 3.3.1.2#
Artikel 3.3.1.2 1 artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan op aanvraag van de verzekerde wordt afgetrokken het bedrag ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtenszijn aangewezen, met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt. 2 artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in. 3 artikel 3.3.2.3, tweede lid artikel 3.3.2.4, tweede lid artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval, of, van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in. 4 Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast. 5 Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.1.2a — Artikel 3.3.1.2a#
Artikel 3.3.1.2a De vermogensinkomensbijtelling bedraagt 4% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, dan wel de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.1.3 — Artikel 3.3.1.3#
Artikel 3.3.1.3 1 De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK. 2 De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat het CAK het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de verzekerde een eigen bijdrage verschuldigd is, tenzij dat besluit een later tijdstip vermeldt. 3 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten Wet maatschappelijke ondersteuning Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens de wet, de, deof de. 4 Het CAK maakt voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van: a. artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het inkomensgegeven, bedoeld in, en van andere door de inspecteur, bedoeld in, verstrekte gegevens; b. gegevens van het zorgkantoor over het verstrekken van zorg als bedoeld bij of krachtens de wet aan een verzekerde waaronder, indien van toepassing, de ingangsdatum van de periode waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.3.1.4 — Artikel 3.3.1.4#
Artikel 3.3.1.4 1 artikel 3.3.2.8, eerste lid Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herberekening, bedoeld in, een verzekerde als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herberekening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. 2 De verzekerde meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in het eerste lid. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.3.1.5 — Artikel 3.3.1.5#
Artikel 3.3.1.5 1 artikel 3.3.1.3, vierde lid, onderdelen a en b De eigen bijdrage wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in, door het CAK zijn ontvangen. 2 De eigen bijdrage is verschuldigd met ingang van de maand waarin de verzekerde zorg is verleend of, indien het een persoonsgebonden budget betreft, met ingang van de eerste maand waarover dat is verleend, doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de eigen bijdrage is vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden. 3 Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de verzekerde kan, in afwijking van het tweede lid, de termijn waarover de bijdrage is verschuldigd worden verkort tot ten hoogste een maand of worden besloten dat de bijdrage niet verschuldigd is, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage op te leggen: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het vaststellen van de bijdrage; b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is; en c. zich bijzondere of verzwarende omstandigheden voordoen voor de verzekerde. 2019 319 17-10-2019 04-10-2019 2019 452 05-12-2019 25-11-2019 01-01-2020 Artikel III van Stb. 2019/319 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.3.1.6 — Artikel 3.3.1.6#
Artikel 3.3.1.6 1 De eigen bijdrage wordt zo spoedig mogelijk herzien na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging. 2 De eigen bijdrage is verschuldigd of wordt gerestitueerd over ten hoogste 36 maanden voor de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is herzien, aan de verzekerde is verzonden. 3 De herziene eigen bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage. 4 Onverminderd het zevende lid, wordt voor zover de bevoegdheid tot herziening van de bijdrage over een maand is vervallen op grond van het tweede tot en met zesde lid, de over die periode eerder vastgestelde bijdrage van rechtswege definitief. 5 De termijn van 36 maanden als bedoeld in het tweede lid, waarover een eigen bijdrage verschuldigd is, kan worden verkort naar 12 maanden indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien voorafgaand aan de laatstgenoemde termijn: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is. 6 Uit eigen beweging of op aanvraag van de verzekerde kan, bij het voordoen van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, het CAK de termijn verkorten tot ten hoogste een maand of besluiten dat de herziene bijdrage niet verschuldigd is in bijzondere of voor de verzekerde verzwarende omstandigheden. 7 In afwijking van het tweede lid kan het CAK uit eigen beweging of op aanvraag van de verzekerde een eigen bijdrage herzien en restitueren over meer dan 36 maanden, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien: a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en b. de tekortkoming of vertraging, niet aan de verzekerde te wijten is. 8 De aanvraag, bedoeld in het zevende lid, wordt gedaan uiterlijk vijf jaar na het bekend worden bij de verzekerde van een omstandigheid die aanleiding geeft tot herziening van de bijdrage. 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 2022 346 07-09-2022 22-08-2022 01-01-2023
Artikel 3.3.1.7 — Artikel 3.3.1.7#
Artikel 3.3.1.7 1 artikelen 3.3.2.1, tweede lid 3.3.2.2, derde en vierde lid 3.3.2.4, eerste, tweede en vierde lid Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de,en, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van de eerste zin wordt de afronding buiten beschouwing gelaten. 2 artikelen 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid 3.3.2.4, tweede en vierde lid 3.3.2.6 Bij ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden de bedragen voor de toepassing van de,, enafzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.2.1 — Artikel 3.3.2.1#
Artikel 3.3.2.1 1 artikel 3.3.2.3 De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens, voor: a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft, b. de gehuwde verzekerden tezamen die beiden in een instelling verblijven, c. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend. 2 De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 3.061,80 per maand. 3 In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de eigen bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.3.2.2 — Artikel 3.3.2.2#
Artikel 3.3.2.2 1 artikel 3.3.2.1 artikel 3.3.2.4 In afwijking vanbedraagt een eigen bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgensvoor: a. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste vier maanden van verblijf in een instelling; b. de gehuwde verzekerden tezamen, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van vier maanden is verstreken; c. Algemene Kinderbijslagwet Wet studiefinanciering 2000 de ongehuwde verzekerde die moet of gehuwde verzekerden tezamen die moeten voorzien in de kosten van onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van derecht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de; d. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen indien de Wlz-uitvoerder het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor de ongehuwde verzekerde, voor beide of voor een van beide gehuwde verzekerden binnen vier maanden kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd; e. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen indien de Wlz-uitvoerder aan elk van hen deeltijdverblijf in een instelling heeft toegekend. 2 artikel 3.3.2.4 De eigen bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde deel van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgensvoor: a. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt, en wiens echtgenoot geen zorg in natura of persoonsgebonden budget ontvangt; b. de gehuwde verzekerden tezamen van wie één in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt, en de ander een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt; c. de ongehuwde verzekerde die een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt; d. de gehuwde verzekerde die een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt dan wel deeltijd in een instelling verblijft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen dan wel daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend, met dien verstande dat de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen de eigen bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn. 3 De eigen bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 212,60 en niet meer dan € 1.115,80 per maand. 4 De eigen bijdrage wordt verminderd met € 182,20 per maand voor: a. de ongehuwde verzekerde die een persoonsgebonden budget of een modulair pakket thuis ontvangt; b. de gehuwde verzekerden tezamen die beiden een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangen of van wie één een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt; c. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de ongehuwde verzekerde en de gehuwde verzekerde die een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt indien hij of zijn echtgenoot een maatwerkvoorziening, anders dan voor beschermd wonen, dan wel een persoonsgebonden budget, anders dan voor beschermd wonen, op grond van deontvangt. 5 In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt de eigen bijdrage voorlopig vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in het derde lid, en verminderd met het kortingsbedrag, genoemd in de aanhef van het vierde lid, indien de verzekerde per maand twintig uur of minder aan zorg in natura via een modulair pakket thuis ontvangt, indien: a. de ongehuwde verzekerde niet tevens een persoonsgebonden budget ontvangt; b. de gehuwde verzekerden tezamen beiden een modulair pakket thuis ontvangen of van wie één een modulair pakket thuis ontvangt, maar één of beiden geen persoonsgebonden budget of anderszins zorg in natura ontvangen; c. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerde die niet tevens een persoonsgebonden budget ontvangt, indien hij of zijn echtgenoot een maatwerkvoorziening, anders dan voor beschermd wonen, dan wel een persoonsgebonden budget, anders dan voor beschermd wonen, op grond van deontvangt; d. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerde niet tevens deeltijd in een instelling verblijft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 6 Indien het vijfde lid is toegepast, vindt uiterlijk zes maanden na de voorlopige vaststelling, bedoeld in het vijfde lid, de definitieve vaststelling plaats. Indien uit de definitieve gegevens over de ontvangen zorg blijkt dat de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden ieder meer dan twintig uur aan zorg in natura via een modulair pakket thuis heeft of hebben ontvangen, vindt definitieve vaststelling plaats op grond van dit besluit zonder toepassing van het vijfde lid. 7 De onderdelen a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien: a. Zorgverzekeringswet het een verzekerde betreft van wie het recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg in verband met een psychische stoornis krachtens zijn zorgverzekering is geëindigd omdat de krachtens degeldende maximumduur voor die zorg is bereikt, of b. artikel 3.3.2.1 het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een eigen bijdrage als bedoeld inverschuldigd was of waren, of c. artikel 3.11 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 het verblijf aanvangt binnen vier maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling voor beschermd wonen waarvoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen een bijdrage als bedoeld inverschuldigd was of waren. 8 Voor de berekening van de periode van vier maanden, bedoeld in het zevende lid, worden perioden van verblijf in instellingen of waarover een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt verleend samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan zestig dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op verzekerden die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling verblijven dan wel aan die verzekerden gedurende die perioden een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend. 9 Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de verzekerde is de eigen bijdrage niet verschuldigd indien de verzekerde die in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt: a. artikel 23, eerste en tweede lid, van de Participatiewet een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan de in, genoemde normbedragen, die gelden voor de verzekerden in de daarbij genoemde burgerlijke staat, waarbij die normbedragen opgehoogd worden met de voor de verzekerde op grond van het derde, vierde of vijfde lid, vastgestelde minimale eigen bijdrage; of b. artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet op grond vangeen uitkering ontvangt. 10 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de verschillende tijdsaanduidingen die per zorgvorm worden gehanteerd en de wijze waarop die meetellen voor de berekening van de urengrens, bedoeld in het vijfde en zesde lid. 11 De aanvraag, bedoeld in het negende lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen wordt vastgesteld. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.3.2.2a — Artikel 3.3.2.2a#
Artikel 3.3.2.2a 1 artikelen 3.3.2.1 3.3.2.2 In geval aan een verzekerde of gehuwde verzekerden tezamen meerdere leveringsvormen zijn toegekend, wordt met het oog op de samenloop van bijdragen bij de toepassing van deende volgende rangorde in acht genomen bij de verschuldigdheid van bijdragen door de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen: 1°. verblijf in een instelling; 2°. een volledig pakket thuis; 3°. een persoonsgebonden budget; of 4°. een modulair pakket thuis. 2 Indien de verzekerde meerdere leveringsvormen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen 1° tot en met 4°, ontvangt, is telkens enkel de bijdrage voor de bovenstaande leveringsvorm in de rangorde, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd. 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 2019 451 05-12-2019 22-11-2019 01-01-2020
Artikel 3.3.2.3 — Artikel 3.3.2.3#
Artikel 3.3.2.3 1 artikel 3.3.2.1, eerste lid Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in, wordt als volgt berekend: a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting; b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht: 1°. Ziektewet 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge dedan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet; 2°. het in het peiljaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels; 3°. artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 op aanvraag van de verzekerde, de in het peiljaar geldende uitkering op grond vanof op grond van; c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar. 2 Zorgverzekeringswet artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie, bedoeld in, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf. 3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld. 4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens de definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het tweede lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van het eerste lid. 5 Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht. 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 Artikel III van Stb. 2025/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging in samenhang met artikel VI van Stcrt. 2025/35082.
Artikel 3.3.2.4 — Artikel 3.3.2.4#
Artikel 3.3.2.4 1 artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid Voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. Dit bijdrageplichtig inkomen wordt verminderd met € 7.727,60, indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt. 2 Participatiewet Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.293,60 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van deontvangt. 3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. 4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 3.293,60 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid. 5 Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht. 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 2025 35082 17-10-2025 09-10-2025 4191088-1086937-Z 01-01-2026
Artikel 3.3.2.4a — Artikel 3.3.2.4a#
Artikel 3.3.2.4a Vervallen 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 2025 255 03-10-2025 24-09-2025 01-01-2026 Artikel III van Stb. 2025/255 bevat overgangsrecht m.b.t. deze
wijziging in samenhang met artikel VI van Stcrt. 2025/35082.
Artikel 3.3.2.5 — Artikel 3.3.2.5#
Artikel 3.3.2.5 Vervallen 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.2.6 — Artikel 3.3.2.6#
Artikel 3.3.2.6 artikel 3.3.2.3, tweede lid Indien, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalf maal het in het lopende kalenderjaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de algemene korting voor wie de pensioensgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt onderscheidenlijk de algemene korting voor wie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, in mindering gebracht. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.2.7 — Artikel 3.3.2.7#
Artikel 3.3.2.7 1 Indien ten aanzien van de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerde en diens echtgenoot geen voor de vaststelling van de eigen bijdrage benodigde gegevens inzake het inkomen en de rendementsgrondslag beschikbaar zijn: a. artikel 3.3.2.1, eerste lid wordt de eigen bijdrage, bedoeld in, vastgesteld op € 0 per maand; b. artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid wordt de eigen bijdrage, bedoeld in, vastgesteld op het minimumbedrag, genoemd in het derde lid van dat artikel, en is het vierde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing. 2 Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit alsnog beschikbaar gekomen gegevens inzake het inkomen of de rendementsgrondslag of uit een wijziging van deze gegevens, blijkt dat de eigen bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van de beschikbaar gekomen gegevens dan wel van die wijziging. 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 2025 251 02-10-2025 24-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.3.2.8 — Artikel 3.3.2.8#
Artikel 3.3.2.8 1 De hoogte van de eigen bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december. 2 artikel 3.3.2.7, eerste lid In afwijking van, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herberekening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage, de eigen bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.3.2.9 — Artikel 3.3.2.9#
Artikel 3.3.2.9 1 Bij de berekening van de eigen bijdrage wordt afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de zorgverlening, buiten beschouwing gelaten. 2 Over een gedeelte van een maand is de eigen bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365. 3 Van de voor gehuwde verzekerden gezamenlijk berekende eigen bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het inkomen. 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 01-01-2016
Artikel 3.3.3.1 — Artikel 3.3.3.1#
Artikel 3.3.3.1 Vervallen 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 04-01-2016
Artikel 3.3.3.2 — Artikel 3.3.3.2#
Artikel 3.3.3.2 Vervallen 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 04-01-2016
Artikel 3.3.3.3 — Artikel 3.3.3.3#
Artikel 3.3.3.3 Vervallen 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 04-01-2016
Artikel 3.3.3.4 — Artikel 3.3.3.4#
Artikel 3.3.3.4 Vervallen 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 2015 520 21-12-2015 10-12-2015 04-01-2016
Artikel 3.4.1 — Artikel 3.4.1#
Artikel 3.4.1 Degene die, komend van buiten Nederland, in Nederland is gaan wonen en als gevolg daarvan verzekerd is geworden in de zin van de wet, heeft gedurende de eerste twaalf maanden na het tijdstip waarop hij zich in Nederland heeft gevestigd, geen recht op zorg indien hij op dat tijdstip reeds op de desbetreffende zorg is aangewezen, dan wel indien de gezondheidstoestand van betrokkene kennelijk moest doen verwachten, dat hij binnen een half jaar op de desbetreffende zorg zou zijn aangewezen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.4.2 — Artikel 3.4.2#
Artikel 3.4.2 1 artikel 3.4.1 Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten In afwijking vanbedraagt voor de daar bedoelde verzekerde die in Nederland is gaan wonen binnen twaalf jaar nadat zijn verzekering ingevolge de wet of delaatstelijk is geëindigd of, indien het een minderjarige betreft, de verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van zijn wettelijk vertegenwoordiger laatstelijk is geëindigd, de periode gedurende welke hij geen recht op de in artikel 3.4.1 bedoelde zorg heeft, een aantal maanden overeenkomend met het aantal volle jaren liggende tussen het tijdstip van vestiging in Nederland en het einde van het laatste tijdvak van verzekering ingevolge de wet dan wel de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. 2 Indien de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, in die periode van twaalf jaar ten laste van Nederland recht heeft gehad op verstrekkingen met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese gemeenschappen of van een verdrag inzake sociale zekerheid waarbij Nederland partij is, wordt het aantal volle jaren gedurende welke hij dat recht ten laste van Nederland had, in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.4.3 — Artikel 3.4.3#
Artikel 3.4.3 artikelen 3.4.1 3.4.2 Deenzijn niet van toepassing op: a. artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in; b. personen die hier te lande terugkeren na werkzaam te zijn geweest in het kader van ontwikkelingssamenwerking, in een naar het oordeel van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking als ontwikkelingsgebied te beschouwen gebied, alsmede de vorenbedoelde personen vergezellende echtgenoten, eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen; c. Algemene wet Bijzondere Ziektekosten artikel 3.1.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet personen die tot de dag voorafgaand aan het tijdstip waarop zij verzekerd zijn geworden in de zin van de wet dan wel de, vergoeding ter zake van de kosten van zorg ontvingen op grond vanof. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.5.1 — Artikel 3.5.1#
Artikel 3.5.1 In een besluit tot het verlenen van een modulair pakket thuis, drukt de Wlz-uitvoerder het recht op zorg van de verzekerde uit in modules, die bij ministeriële regeling per zorgprofiel worden vastgesteld. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.5.2 — Artikel 3.5.2#
Artikel 3.5.2 artikel 3.3.2, vierde lid, onderdeel b, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de berekening van de maximumkosten van een modulair pakket thuis, bedoeld inen over de bestanddelen van de kosten die daarbij buiten beschouwing dienen te blijven. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.5.3 — Artikel 3.5.3#
Artikel 3.5.3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag, de verlening of de weigering van een modulair pakket thuis of een volledig pakket thuis. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.6.1 — Artikel 3.6.1#
Artikel 3.6.1 Een persoonsgebonden budget wordt per kalenderjaar verstrekt. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 3.6.2 — Artikel 3.6.2#
Artikel 3.6.2 1 Het zorgkantoor verleent geen persoonsgebonden budget indien: a. de verzekerde krachtens een indicatiebesluit is aangewezen op een bij ministeriële regeling genoemd zorgprofiel; b. de verzekerde weigert om het budgetplan met het zorgkantoor te bespreken of, na daartoe door het zorgkantoor te zijn opgeroepen, niet verschijnt; c. de verzekerde het door het zorgkantoor vastgestelde aanvraagformulier niet volledig en juist heeft ingevuld; d. de verzekerde, gelet op de door hem verstrekte gegevens of bescheiden, voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de Wlz-uitvoerder. 2 artikel 3.1.4, tweede lid Het zorgkantoor kan besluiten de verleningsbeschikking niet in te trekken indien de verzekerde het persoonsgebonden budget geheel besteedt aan de inkoop van zorg bij een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in, dat nadat het kleinschalig wooninitiatief aan betreffende verzekerde zorg heeft verleend ten laste van een persoonsgebonden budget op grond van deze wet, inmiddels gecontracteerd is door de Wlz-uitvoerder. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verlening of weigering van een persoonsgebonden budget. 2021 341 14-07-2021 07-07-2021 2021 342 14-07-2021 12-07-2021 15-07-2021
Artikel 3.6.3 — Artikel 3.6.3#
Artikel 3.6.3 Een persoonsgebonden budget bedraagt ten hoogste een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag. Bij deze regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de: a. vermindering van het bedrag voor de bestanddelen behandeling, kapitaallasten, kosten voor verblijf of andere bestanddelen, b. artikel 3.1.3, tweede lid vermeerdering van het bedrag voor verzekerden die wonen in een kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in, c. de hoogte van het bedrag indien de verzekerde naast het persoonsgebonden budget ook een modulair pakket thuis ontvangt of wenst te ontvangen. 2015 448 01-12-2015 17-11-2015 2015 448 01-12-2015 17-11-2015 01-01-2016 01-01-2015
Artikel 3.6.4 — Artikel 3.6.4#
Artikel 3.6.4 1 De verzekerde sluit een schriftelijke overeenkomst met iedere zorgaanbieder of mantelzorger die hij ten laste van zijn persoonsgebonden budget zorg wenst te laten verlenen. 2 De verzekerde laat de betalingen verrichten door de Sociale verzekeringsbank. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de verzekerde zelf betalingen verrichten ten laste van zijn persoonsgebonden budget indien het gaat om kosten verbonden aan vervoer als bedoeld inwaarvoor de verzekerde geen schriftelijke overeenkomst heeft gesloten. 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 2018 161 12-06-2018 29-05-2018 18-06-2018
Artikel 3.6.5 — Artikel 3.6.5#
Artikel 3.6.5 1 Bij ministeriële regeling worden maximumtarieven vastgesteld voor de verlening van zorg die vanuit het persoonsgebonden budget kan worden bekostigd. 2 De in het eerste lid bedoelde tarieven worden vastgesteld voor zorg die geleverd wordt door: a. een zorgaanbieder, voor zover deze voldoet aan in ieder geval één van de in het derde lid gestelde eisen, of b. een andere zorgaanbieder dan een zorgaanbieder als bedoeld in onderdeel a of een mantelzorger. 3 Van het tweede lid, onder a, is sprake indien de zorg is verleend door: 1°. artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007 artikel 2 van die wet een onderneming als bedoeld inwaarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg; 2°. artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 artikel 2 van die wet een onderneming als bedoeld inwaarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel; 3°. artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van zorg. 4 Indien onderdeel a en onderdeel b, van het tweede lid, gelijktijdig van toepassing zijn op een mantelzorger, dan geldt het tarief voor mantelzorgers bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.6.6 — Artikel 3.6.6#
Artikel 3.6.6 1 De Sociale verzekeringsbank voert het budgetbeheer uit: a. artikel 3.3.3, eerste lid, van de wet overeenkomstig de beschikking tot verlening van het persoonsgebonden budget, bedoeld in; b. artikel 3.6.4, derde lid overeenkomstig de door de verzekerde met de zorgaanbieder of mantelzorger gesloten, geldige overeenkomst die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde regels en voorwaarden als bedoeld in; c. Zorgverzekeringswet tot afdracht van eventuele loonheffing, premies voor de sociale verzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen op grond van de; d. ter verkrijging door de verzekerde van gelden voor het verrichten van betalingen vanuit een bij ministeriële regeling te bepalen verantwoordingsvrij bedrag. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het staken van betaling door de Sociale verzekeringsbank. Deze regels zullen in ieder geval betrekking hebben op betalingen in strijd met wettelijke voorschriften, in strijd met beschikkingen omtrent het persoonsgebonden budget of in strijd met overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid. 2017 481 15-12-2017 06-12-2017 2018 161 12-06-2018 29-05-2018 18-06-2018
Artikel 3.6.7 — Artikel 3.6.7#
Artikel 3.6.7 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van het persoonsgebonden budget. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op: a. de hulp van een vertegenwoordiger en beperkingen aan de kring van vertegenwoordigers; b. de inhoud, intrekking en wijziging van de beschikking tot verlening en van de beschikking tot vaststelling van het persoonsgebonden budget; c. de verantwoording en de controle; d. het budgetplan; e. de uitvoering door de Sociale verzekeringsbank van het budgetbeheer, de werkgeverstaken daaronder begrepen; f. artikel 3.1.1, eerste lid, van de wet de betaling van bijkomende zorgkosten voor zorg als bedoeld in; g. de situaties waarin of de voorwaarden waaronder een persoonsgebonden budget kan worden besteed aan kosten van vervoer. 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 01-07-2025
Artikel 3.7.1 — Artikel 3.7.1#
Artikel 3.7.1 1 artikel 3.3.1, eerste of tweede lid, van de wet Aan een verzekerde wordt een vergoeding verstrekt voor kosten van zorg, indien die zorg buiten Nederland is verleend en anders dan op de inomschreven wijze is verkregen als gevolg van de navolgende omstandigheden: a. voortzetting van reeds in Nederland aangevangen zorg bij verblijf buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland: een verzekerde aan wie zorg wordt verleend, behoudt dit recht buiten een van de staten van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gedurende ten hoogste dertien weken per kalenderjaar; b. voortzetting van palliatief terminale zorg: in afwijking van onderdeel a geldt bij voortzetting van palliatief terminale zorg een periode van in totaal ten hoogste één jaar; c. onvoldoende binnenlands zorgaanbod: een verzekerde kan met voorafgaande toestemming van de Wlz-uitvoerder gedurende een periode van ten hoogste één jaar zorg buiten Nederland inroepen, indien, gezien de gezondheidstoestand van betrokkene en het te verwachten verloop daarvan, de noodzakelijke zorg binnen Nederland niet of niet tijdig kan worden verkregen, in welk geval de in rekening gebrachte kosten vergoed, met dien verstande dat voor zover deze kosten die welke in de Nederlandse marktomstandigheden passend zijn te achten overschrijden, wordt het meerdere vergoed voor zover dit naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder in redelijkheid in rekening is gebracht; d. verblijf buiten Nederland wegens uitoefening van bedrijf of beroep of uitsluitend wegens studieredenen: een verzekerde die in verband met de uitoefening van bedrijf of beroep al dan niet in dienstbetrekking of uitsluitend wegens studieredenen buiten Nederland verblijft, kan zolang deze omstandigheid voortduurt en de betrokkene ingevolge de wet verzekerd blijft, buiten Nederland zorg inroepen; e. gezinsleden: onderdeel d is van overeenkomstige toepassing op een verzekerde die met de verzekerde, bedoeld in dat onderdeel, deel uitmaakt van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de wet; f. spoedeisende zorg bij tijdelijk verblijf: een verzekerde die gedurende een tijdelijk verblijf buiten Nederland onvoorzien en onmiddellijk noodzakelijke zorg moet inroepen die gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene en het te verwachten verloop daarvan, niet kan worden uitgesteld tot de verzekerde is teruggekeerd in Nederland, kan deze zorg gedurende ten hoogste dertien weken ontvangen, welke termijn door de Wlz-uitvoerder kan worden verlengd indien de verzekerde om medische redenen niet gerepatrieerd kan worden. 2 De in rekening gebrachte kosten worden vergoed tot ten hoogste de kosten die in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend zijn te achten, met dien verstande dat de vergoeding in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hoger kan zijn. 3 artikel 3.2.5 van de wet Indien de verzekerde krachtens, voor de verleende zorg een bijdrage in de kosten is verschuldigd, wordt deze bijdrage door de Wlz-uitvoerder vastgesteld zoveel mogelijk overeenkomstig dit besluit, en in mindering gebracht op de in het eerste of tweede lid bedoelde vergoeding. 4 Het eerste lid is slechts van toepassing indien door een onafhankelijke arts is vastgesteld dat en in welke omvang de verzekerde op de desbetreffende zorg is aangewezen. 5 artikel 1.1.1, onderdeel 1°, van de wet De verzekerde heeft gedurende het reizen of het tijdelijk verblijven buiten Nederland geen recht op zorg of op een vergoeding van de kosten daarvan, indien de zorg aan de verzekerde wordt verleend door een instelling als bedoeld indie tevens zorg verleent in het Europese deel van Nederland. 2021 158 31-03-2021 17-03-2021 2021 344 14-07-2021 07-07-2021 01-01-2022
Artikel 3.7.2 — Artikel 3.7.2#
Artikel 3.7.2 1 De verzekerde kan een aan hem verleend persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar tijdens verblijf buiten een van de staten van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland gebruiken voor betaling van zorg, indien die zorg is verkregen als voortzetting van reeds binnen Nederland aangevangen zorg. 2 In afwijking van het eerste lid kan de verzekerde voor ten hoogste een jaar tijdens verblijf buiten een van de staten van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte of Zwitserland een persoonsgebonden budget gebruiken voor betaling van voortzetting van palliatief terminale zorg. 3 Indien de verzekerde langer dan zes weken aaneengesloten buiten Nederland verblijft en daar zorgverleners contracteert die niet vallen onder de Nederlandse fiscale en sociale zekerheidswetgeving, wordt het persoonsgebonden budget berekend overeenkomstig de volgende formule: waarbij wordt verstaan onder: A: het aantal weken dat de verzekerde binnen Nederland verblijft; B: het getal 52; C: het aan de verzekerde verleende persoonsgebonden budget; D: het aantal weken dat de verzekerde buiten Nederland verblijft; E: het voor het desbetreffende land bij ministeriële regeling vastgestelde aanvaardbaarheidspercentage. 2021 341 14-07-2021 07-07-2021 2021 342 14-07-2021 12-07-2021 15-07-2021
Artikel 4.1.1 — Artikel 4.1.1#
Artikel 4.1.1 1 artikel 4.1.1, vierde lid, van de wet Ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in, gaat de zorgautoriteit ten minste na of de rechtspersoon die de wet wenst te gaan uitvoeren voldoet aan de volgende eisen: a. artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de rechtspersoon behoort tot een groep als bedoeld inwaarvan ten minste één zorgverzekeraar deel uitmaakt; b. artikel 4.1.2 van de wet de statuten van de rechtspersoon voldoen aan het bij en krachtensgestelde; c. de rechtspersoon heeft een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur; d. de rechtspersoon heeft een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; e. de rechten en verplichtingen binnen de rechtspersoon zijn adequaat vastgelegd; f. de rechtspersoon beschikt over adequate rapportagelijnen en over een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie; g. de bedrijfsvoering van de rechtspersoon is op een inzichtelijke wijze vastgelegd en is afgestemd op de werkzaamheden die de rechtspersoon als Wlz-uitvoerder zal uitvoeren of laten uitvoeren; h. gegeven de verwachte beheerskosten die de rechtspersoon als Wlz-uitvoerder zal maken, zal kunnen worden voorzien in een recht- en doelmatige uitvoering van de wet. 2 Ter beoordeling van de vragen, bedoeld in het eerste lid, laat de zorgautoriteit zich door de rechtspersoon zijn statuten alsmede een programma van werkzaamheden overleggen. 3 Het programma van werkzaamheden omvat ten minste een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere kosten van beheer. 4 De zorgautoriteit is bevoegd nadere regels te stellen omtrent de inhoud van het programma van werkzaamheden. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 4.1.2 — Artikel 4.1.2#
Artikel 4.1.2 1 artikel 4.1.1, vijfde lid, van de wet De zorgautoriteit stelt vast of de Wlz-uitvoerder er zorg voor heeft gedragen dat de geschiktheid en de betrouwbaarheid van personen als bedoeld inbuiten twijfel staat, op basis van de voornemens, handelingen en antecedenten van deze personen. 2 artikel 4.1.1, vijfde lid, van de wet De Wlz-uitvoerder neemt voor de beoordeling van de geschiktheid van een persoon als bedoeld inin ieder geval in aanmerking de opleiding, werkervaring en competenties van deze persoon, alsmede zijn kennis van de financiële sector in het algemeen en van de maatschappelijke functies van de Wlz-uitvoerder en de risico’s die daarbij gelopen worden in het bijzonder, aan de hand van ten minste: a. het curriculum vitae van deze persoon; b. de relevante geldige diploma’s van deze persoon. 3 artikel 4.1.1, vijfde lid, van de wet De Wlz-uitvoerder neemt voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld inin ieder geval in aanmerking: a. strafrechtelijke antecedenten; b. financiële antecedenten; c. toezichtantecedenten; d. fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en e. artikel 6 van het Besluit prudentiële regels Wft overige antecedenten als bedoeld in. 4 De Wlz-uitvoerder verkrijgt inzicht in de in het eerste lid bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van: a. de door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen; b. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties; c. artikel 28 en volgende van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in; d. gegevens uit openbare bronnen; e. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; f. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn, of g. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen, waarbij de in het eerste lid bedoelde persoon betrokken is geweest. 5 Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het vierde lid, de Wlz-uitvoerder aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Wlz-uitvoerder ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Wlz-uitvoerder stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van: a. de reden van het nadere onderzoek; b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen. 6 De Wlz-uitvoerder neemt bij de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking: a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval; b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en c. de overige belangen van de Wlz-uitvoerder en de betrokkene. 7 De zorgautoriteit maakt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onverminderd haar bevoegdheid tot eigen onderzoek, zoveel mogelijk gebruik van de resultaten van door anderen verrichte controles. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 4.2.1 — Artikel 4.2.1#
Artikel 4.2.1 1 artikel 4.2.4, tweede lid, van de wet De regio’s, bedoeld inzijn: – Groningen – Friesland – Drenthe – Zwolle – Twente – Apeldoorn, Zutphen, en omstreken – Arnhem – Nijmegen – Utrecht – Flevoland – ’t Gooi – Noord-Holland Noord – Kennemerland – Zaanstreek/Waterland – Amsterdam – Amstelland en de Meerlanden – Zuid-Holland Noord – Haaglanden – Westland Schieland Delfland – Midden-Holland – Rotterdam – Zuid-Hollandse Eilanden – Waardenland – Zeeland – West-Brabant – Midden-Brabant – Noordoost Brabant – Zuidoost Brabant – Noord- en Midden-Limburg – Zuid-Limburg – Midden IJssel. 2 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gemeenten tot welke regio behoren. 2015 448 01-12-2015 17-11-2015 2015 448 01-12-2015 17-11-2015 01-01-2016 Abusievelijk is voor het eerste lid, negentiende
opsommingsstreepje, een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 4.2.2 — Artikel 4.2.2#
Artikel 4.2.2 1 artikel 4.2.4 van de wet De administratieve werkzaamheden die een op grond vanaangewezen Wlz-uitvoerder verricht, betreffen: a. het verzorgen van de administratie ten aanzien van de zorg, verleend aan de verzekerden die wonen in de regio waarvoor de Wlz-uitvoerder is aangewezen; b. het bevorderen van het administratieve contact tussen de zorgaanbieders in die regio enerzijds en het CAK anderzijds. 2 Ten behoeve van het verrichten van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden beschikt de aangewezen Wlz-uitvoerder over een adequate cliëntvolgende bedrijfsadministratie, waarin een verband kan worden gelegd tussen de indicatiebesluiten van de Wlz-verzekerden, de in opdracht van Wlz-uitvoerders geleverde zorg en de betalingen van zorgaanbieders die deze zorg geleverd hebben. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 4.3.1 — Artikel 4.3.1#
Artikel 4.3.1 artikel 4.2.1, eerste lid, onderdelen a, en b, onder 2° en 3°, van de wet Een Wlz-uitvoerder besteedt de uitvoering van, middellijk noch onmiddellijk uit aan een zorgaanbieder. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 5.1.1 — Artikel 5.1.1#
Artikel 5.1.1 1 artikel 9.1.6 van de wet Het Zorginstituut voert ten behoeve van de gezamenlijke zorg voor de instandhouding van het elektronisch gegevensverkeer, bedoeld in, de volgende beheertaken uit: a. de vaststelling van standaarden die in het elektronisch gegevensverkeer worden gebruikt, en b. het beheer van de standaarden, bedoeld in onderdeel a. 2 Het Zorginstituut bevordert de samenwerking tussen de Wlz-uitvoerders, zorgaanbieders, het CAK en het CIZ op het terrein van het elektronisch gegevensverkeer. 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de functionele beveiligingseisen voor het bewerken en vaststellen van gegevens en over de werkzaamheden van het Zorginstituut voor de instandhouding van het elektronische gegevensverkeer. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 5.2.1 — Artikel 5.2.1#
Artikel 5.2.1 1 artikel 10.1.4, van de wet Het CIZ beoordeelt of een verzekerde op grond van, in aanmerking komt voor ADL-assistentie. 2 Het CIZ stelt de aanspraak op zorg vast voor in het buitenland wonende personen die verzekerd zijn of met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels dan wel toepassing daarvan krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid tijdens een verblijf in Nederland recht hebben op verstrekkingen overeenkomst de Nederlandse wetgeving. 3 Het besluit, bedoeld in het tweede lid, houdt rekening met de verwachte verblijfsduur van de zorgvrager in Nederland en heeft een maximale geldigheidsduur van zes maanden, welke eenmalig kan worden verlengd met maximaal zes maanden. 4 Indien daartoe aanleiding bestaat, verzoekt het CIZ de zorgvrager, bedoeld in het tweede lid, zich te behoeve van het onderzoek in persoon te melden. De daaraan verbonden reis- en verblijfskosten zijn voor rekening van de zorgvrager. 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 2025 81 28-03-2025 21-03-2025 01-07-2025
Artikel 5.2.2 — Artikel 5.2.2#
Artikel 5.2.2 Vervallen 2019 198 05-06-2019 16-05-2019 2019 437 29-11-2019 21-11-2019 01-01-2020
Artikel 5.2.3 — Artikel 5.2.3#
Artikel 5.2.3 artikel 7.1.2, vierde lid, van de wet Het verbod op mandaatverlening, bedoeld in, geldt niet voor door Onze Minister aangewezen organisaties die voor 1 januari 2015 experimenten uitvoerden met regelarme indicatiestelling. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 6.1.1 — Artikel 6.1.1#
Artikel 6.1.1 artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet Bij de bespreking, bedoeld in, tussen de zorgaanbieder en de verzekerde die zijn zorg geleverd wenst te krijgen in natura over de wijze waarop de verzekerde zijn leven wenst in te richten en de ondersteuning die de verzekerde daarbij van de zorgaanbieder zal ontvangen, wordt in ieder geval aandacht besteed aan: a. zeggenschap van de verzekerde over de inrichting van zijn leven, waaronder de betrokkenheid van mantelzorgers en vrijwilligers; b. de mogelijkheid om dagelijks te douchen, tijdige hulp bij toiletgang en het tijdig verwisselen van incontinentiemateriaal; c. voldoende en gezonde voeding en drinken; d. een schone en verzorgde leefruimte; e. een respectvolle bejegening, passend bij de eigenheid van de verzekerde, en een veilige en aangename leefsfeer; f. mogelijkheden voor de verzekerde tot het beleven van en leven overeenkomstig zijn godsdienst of levensovertuiging; g. een zinvolle daginvulling en beweging; h. de mogelijkheid om dagelijks in de buitenlucht te verkeren; en i. ontwikkeling en ontplooiing van de verzekerde waaronder, in geval van deelname aan onderwijs, afstemming met de school waar verzekerde is aangemeld of toegelaten. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.1.1 — Artikel 7.1.1#
Artikel 7.1.1 1 Het Zorginstituut verstrekt aan organisaties subsidies voor het verlenen van ADL-assistentie voor zover die organisaties de ADL-assistentie verlenen aan verzekerden die woonachtig zijn in ADL-woningen. 2 artikel 5.2.1, eerste lid De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verlenen ADL-assistentie aan verzekerden volgens een door het CIZ genomen besluit als bedoeld in. 3 In de ADL-woningen wordt zorg geleverd aan verzekerden: a. met een lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking; b. die zijn aangewezen op een rolstoeldoorgankelijke woning; c. die zijn aangewezen op ten minste vijf uur oproepbare ADL-assistentie per week, en d. die voldoende sociaal zelfredzaam zijn om zelfstandig te wonen en om zelfstandig zorg op te roepen en aanwijzingen te geven. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de subsidieverlening voor ADL-assistentie, met inbegrip van de uitvoering daarvan, van wat onder ADL-woningen kan worden verstaan en de controle. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 7.1.2 — Artikel 7.1.2#
Artikel 7.1.2 Een zorgkantoor zorgt voorafgaand aan het deelnemen aan een project voor preventieve maatregelen voor een projectplan waarin worden opgenomen: a. de wijze waarop het project naar verwachting bijdraagt aan de voorkoming, vermindering of uitstel van de behoefte van zorg op grond van de wet en daarbij de kwaliteit van leven van verzekerden verbetert; b. de bij het opstellen van dat plan betrokken vertegenwoordigers of mantelzorgers van verzekerden en de wijze waarop die betrokkenheid heeft plaatsgevonden; c. de geraamde kosten van het project die niet het op grond van de wet verzekerde pakket betreffen; d. artikel 11 van de Zorgverzekeringswet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Wet forensische zorg de op aannemelijke en navolgbare wijze onderbouwde verwachte besparing van kosten voor het op grond van de wet verzekerde pakket, en voor zover die aanwezig is, de verwachte besparing van kosten voor prestaties als bedoeld inen voor de uitvoering van deen de; e. de financiële bijdrage van het zorgkantoor en van elk van de andere betrokken partijen bij het project; f. wet een aannemelijke en navolgbare onderbouwing dat het bedrag van de verwachte besparing van kosten voor het op grond van deverzekerde pakket ten minste overeenkomt met de financiële bijdrage van het zorgkantoor. 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 01-04-2026
Artikel 7.1.3 — Artikel 7.1.3#
Artikel 7.1.3 wet De financiële bijdrage van het zorgkantoor aan het project voor preventieve maatregelen bedraagt niet meer dan de in het projectplan aannemelijk en navolgbaar onderbouwde verwachte besparing van kosten van het op grond van deverzekerde pakket. 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 01-04-2026
Artikel 7.1.4 — Artikel 7.1.4#
Artikel 7.1.4 1 Het zorgkantoor zorgt jaarlijks voor 1 juli voor de monitoring van het project over het voorafgaande kalenderjaar. 2 In de monitoring worden opgenomen: a. wet de gerealiseerde bijdrage van het project aan de voorkoming, vermindering of uitstel van de behoefte van zorg op grond van deen aan de verbetering van de kwaliteit van leven van verzekerden; b. de wijze waarop vertegenwoordigers of mantelzorgers van de deelnemende verzekerden zijn betrokken; c. de gerealiseerde financiële bijdrage van het zorgkantoor en van elk van de andere betrokken andere partijen bij het project; d. het aantal verzekerden dat heeft deelgenomen aan dat project; e. wet artikel 11 van de Zorgverzekeringswet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Wet forensische zorg de op aannemelijke en navolgbare wijze onderbouwde gerealiseerde besparing van kosten voor het op grond van deverzekerde pakket, en voor zover die aanwezig is, de gerealiseerde besparing van kosten voor prestaties als bedoeld inen voor de uitvoering van deen de; f. wet een aannemelijke en navolgbare onderbouwing van eventuele negatieve verschillen tussen de gerealiseerde bijdrage van het zorgkantoor en gerealiseerde besparing van kosten voor het op grond van deverzekerde pakket; g. het uitvoering geven aan de conclusies van de monitoring door het zorgkantoor. 3 Het zorgkantoor verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen uit de jaarlijkse monitoring. 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 01-04-2026
Artikel 8.1.1 — Artikel 8.1.1#
Artikel 8.1.1 Wijzigt het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.2 — Artikel 8.1.2#
Artikel 8.1.2 Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.3 — Artikel 8.1.3#
Artikel 8.1.3 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2015 188 29-05-2015 15-05-2015 30-05-2015 01-01-2015
Artikel 8.1.4 — Artikel 8.1.4#
Artikel 8.1.4 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, tweede lid, Kwaliteitswet zorginstellingen, enz. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.5 — Artikel 8.1.5#
Artikel 8.1.5 Wijzigt het Besluit zorgverzekering. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015 Onderdeel B.
Artikel 8.1.6 — Artikel 8.1.6#
Artikel 8.1.6 Wijzigt het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.7 — Artikel 8.1.7#
Artikel 8.1.7 Wijzigt het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.8 — Artikel 8.1.8#
Artikel 8.1.8 Wijzigt het Besluit Jeugdwet. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.1.9 — Artikel 8.1.9#
Artikel 8.1.9 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.2.2 — Artikel 8.2.2#
Artikel 8.2.2 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.1 — Artikel 8.3.1#
Artikel 8.3.1 Wijzigt het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.2 — Artikel 8.3.2#
Artikel 8.3.2 Wijzigt het Besluit Wfsv. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.3 — Artikel 8.3.3#
Artikel 8.3.3 Wijzigt het Besluit SUWI. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.4 — Artikel 8.3.4#
Artikel 8.3.4 Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.5 — Artikel 8.3.5#
Artikel 8.3.5 Wijzigt het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.3.6 — Artikel 8.3.6#
Artikel 8.3.6 Wijzigt het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.4.1 — Artikel 8.4.1#
Artikel 8.4.1 Wijzigt het Interimbesluit forensische zorg. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.4.2 — Artikel 8.4.2#
Artikel 8.4.2 Wijzigt het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.4.3 — Artikel 8.4.3#
Artikel 8.4.3 Wijzigt de Penitentiaire maatregel. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.4.4 — Artikel 8.4.4#
Artikel 8.4.4 Wijzigt het Vrijstellingsbesluit Wbp. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.5.1 — Artikel 8.5.1#
Artikel 8.5.1 Wijzigt het Besluit op de huurtoeslag. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.6.1 — Artikel 8.6.1#
Artikel 8.6.1 Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.6.2 — Artikel 8.6.2#
Artikel 8.6.2 Wijzigt het Besluit bijzondere militaire pensioenen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.7.1 — Artikel 8.7.1#
Artikel 8.7.1 Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.8.1 — Artikel 8.8.1#
Artikel 8.8.1 Wijzigt het Besluit Bibob. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 8.9.1 — Artikel 8.9.1#
Artikel 8.9.1 Wijzigt het Besluit tijdelijke verruiming toepassingsbereik concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Begripsbepalingen#
Artikel 9.1 Begripsbepalingen Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Doel van het experiment#
Artikel 9.2 Doel van het experiment Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Reikwijdte en toegang tot het experiment.#
Artikel 9.3 Reikwijdte en toegang tot het experiment. Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 Ondersteuningsplan#
Artikel 9.4 Ondersteuningsplan Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.5 — Artikel 9.5 Organisatie integraal budget#
Artikel 9.5 Organisatie integraal budget Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.6 — Artikel 9.6 Verlening, -vaststelling van het integrale budget en trekkingsrecht#
Artikel 9.6 Verlening, -vaststelling van het integrale budget en trekkingsrecht Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.7 — Artikel 9.7 Evaluatie#
Artikel 9.7 Evaluatie Vervallen 2019 255 12-07-2019 03-07-2019 2019 304 30-09-2019 18-09-2019 01-10-2019 Artikel 12, eerste lid, van Stb. 2019/255 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 Administratiebesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.2 — Artikel 10.2#
Artikel 10.2 Besluit wachttijd bijzondere ziektekostenverzekering Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.3 — Artikel 10.3#
Artikel 10.3 Besluit zorgaanspraken AWBZ Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.4 — Artikel 10.4#
Artikel 10.4 Besluit zorgplanbespreking AWBZ-zorg Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.5 — Artikel 10.5#
Artikel 10.5 Bijdragebesluit zorg Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.6 — Artikel 10.6#
Artikel 10.6 Inschrijvingsbesluit bijzondere ziektekostenverzekering 1992 Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.7 — Artikel 10.7#
Artikel 10.7 Zorgindicatiebesluit Hetwordt ingetrokken. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.8 — Artikel 10.8#
Artikel 10.8 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 artikel 2.1.1, vierde en vijfde lid, van de wet Na de inwerkingtreding van de wet berust hetmede op. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.9 — Artikel 10.9#
Artikel 10.9 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2016/484. derde lid van artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten artikel 4 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 5 van dat besluit Tot uiterlijk 1 mei 2015 is hetniet van toepassing op de verzekerde aan wie onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van deeen persoonsgebonden budget op grond van die wet was verleend voor persoonlijke verzorging als bedoeld inof voor verpleging als bedoeld in. 2016 484 12-12-2016 29-11-2016 2016 509 16-12-2016 12-12-2016 01-01-2017
Artikel 10.10 — Artikel 10.10#
Artikel 10.10 artikel 7.1.2 Een zorgkantoor zorgt in afwijking vanvoor een project voor preventieve maatregelen waaraan het deelneemt op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van het Besluit van 4 februari 2026 tot wijziging van het Besluit langdurige zorg in verband met regels inzake maatregelen van zorgkantoren gericht op voorkoming, vermindering of uitstel van de behoefte aan zorg op grond van de Wet langdurige zorg en tot wijziging van het Besluit Wfsv (Stb. 2026, 24), binnen drie maanden na dat tijdstip, voor een projectplan dat voldoet aan artikel 7.1.2. 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 2026 24 10-02-2026 04-02-2026 01-04-2026
Artikel 10.10a — Artikel 10.10a#
Artikel 10.10a Vervallen 2016 527 21-12-2016 12-12-2016 2016 527 21-12-2016 12-12-2016 01-01-2018
Artikel 10.11 — Artikel 10.11#
Artikel 10.11 Bij ministeriële regeling kunnen ten behoeve van een goede uitvoering van dit besluit nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit besluit geregelde onderwerpen. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.12 — Artikel 10.12#
Artikel 10.12 1 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2 Artikel 8.1.3 de wet werkt terug tot en met de datum waaropin werking treedt. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015
Artikel 10.13 — Artikel 10.13#
Artikel 10.13 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit langdurige zorg. 2014 520 18-12-2014 09-12-2014 2014 521 18-12-2014 09-12-2014 01-01-2015