Besluit van 16 juni 2015, houdende nieuwe nadere regels betreffende toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen en nadere regels betreffende wooncoöperaties (Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015)
- BWB-id
- BWBR0036702
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0036702
- ELI
- /eli/nl/amvb/2015/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2015/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015/2026-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0036702&g=2026-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0036702&z=2026-06-06&g=2026-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0036702/2026-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2015/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder: – Autoriteit Consument en Markt: artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt Autoriteit Consument en Markt, genoemd in; – basisrentelening: lening met een vaste contractrente vermeerderd met een opslag die periodiek door de instantie die die lening verstrekt wordt herzien, welke voldoet aan de eisen voor het verstrekken van borging als opgenomen in de standaardleningovereenkomst van de borgingsvoorziening; – beleggingen: door toegelaten instellingen of dochtermaatschappijen uitgezette middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan hun lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van collegiale leningen en financiële derivaten; – bewonersorganisaties: in het belang van huurders van woongelegenheden van toegelaten instellingen werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies; – blijvend gereguleerd daeb-complex: complex waarvan ten minste 10% van de woongelegenheden blijvend gereguleerde daeb-woongelegenheden zijn; – blijvend gereguleerde daeb-woongelegenheid: daeb-woongelegenheid die een blijvend gereguleerde woongelegenheid is; – blijvend gereguleerde woongelegenheid: artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte woongelegenheid met een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag; – collegiale leningen: door toegelaten instellingen aan andere toegelaten instellingen verstrekte leningen; – complex: een verzameling van meer dan één in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief, bouwkundig of anderszins een eenheid vormen; – daeb-tak: administratief afzonderlijk ingericht deel van de toegelaten instelling, dat werkzaamheden verricht die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang; – daeb-woongelegenheid: artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, c of d, van de wet woongelegenheid als bedoeld in; – financiële derivaten: a. financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde of een referentieprijs, of b. onderdelen van financiële contracten die, op zichzelf beschouwd, financiële contracten als bedoeld in onderdeel a zijn; – financiële onderneming: onderneming die in een lidstaat het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen; – fuserende toegelaten instelling: toegelaten instelling of instellingen die, al dan niet gezamenlijk met andere bij een fusie betrokken rechtspersonen of vennootschappen, een verzoek om goedkeuring van een door haar of hen voorgenomen fusie indient of indienen, of die indiening voorbereiden; – fusie: artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek fusie als bedoeld in; – geliberaliseerde woongelegenheid: artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag woongelegenheid die is verhuurd of laatstelijk was verhuurd tegen een huurprijs die hoger is dan het ingenoemde bedrag; – gemengd complex: artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag complex waarvan zowel woongelegenheden deel uitmaken met betrekking tot welke de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, kan leiden tot een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, als woongelegenheden deel uitmaken met betrekking tot welke die waardering kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag; – gemengd geliberaliseerd complex: artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag gemengd complex waarin met betrekking tot minder dan 10% van de daarvan deel uitmakende woongelegenheden de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, kan leiden tot een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag; – getaxeerd: na een taxatie overeenkomstig bij ministeriële regeling te geven voorschriften opgenomen in een taxatierapport dat is opgesteld door een onafhankelijke taxateur die is ingeschreven in een register dat tot doel heeft zijn deskundigheid te waarborgen, dan wel opgenomen in een document dat als ten minste even betrouwbaar kan worden beschouwd als een zodanig taxatierapport; – hedging: door het sluiten van payer swaps afdekken dan wel beperken van risico’s die gepaard gaan met een stijging van de rente op variabele leningen; – herstructurering: a. transformeren van onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang in onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, door middel van: 1°. het slopen van onroerende zaken als eerstgenoemd in de aanhef en het ter plaatse van die sloop bouwen van onroerende zaken als laatstgenoemd in de aanhef, of 2°. het zodanig treffen van ingrijpende voorzieningen aan of het samenvoegen van onroerende zaken als eerstgenoemd in de aanhef, dat die zaken nadien onroerende zaken als laatstgenoemd in de aanhef zijn, of b. verwerven van onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang teneinde die zaken te transformeren overeenkomstig onderdeel a, en vervolgens dat zodanig transformeren; – intrinsieke waarde: waarde van een aandeel in een rechtspersoon of vennootschap, verkregen door het saldo van activa en schulden van die rechtspersoon of vennootschap te delen door het aantal aandelen in die rechtspersoon of vennootschap; – investering: aangaan van een verplichting of achtereenvolgende samenhangende verplichtingen tot het doen bouwen of verwerven van onroerende of roerende zaken respectievelijk met elkaar samenhangende onroerende of roerende zaken, of het beschikbaar stellen van eigen of vreemd vermogen of verlenen van garanties aan of ten behoeve van een verbonden onderneming; – lidstaat: lidstaat van de Europese Unie, andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en Zwitserland; – liquiditeitsbuffer: som van de liquide middelen van een toegelaten instelling, haar direct of vrijwel direct liquide te maken beleggingen en de direct opeisbare en met het oog op het bereiken van een voldoende omvang van die buffer aan te wenden leningsfaciliteiten; – marktwaarde: waarde waartegen een onroerende zaak in de gebruiksstaat waarin die zich bevindt, wordt overgedragen in een situatie waarin partijen volledig geïnformeerd, prudent en niet onder enigerlei dwang handelen; – marktwaarde vrij van huur en gebruik: prijs, die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur en gebruik en op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed; – modelmatige marktwaarde: artikel 31 waarde van een onroerende zaak in verhuurde staat, bepaald overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens; – niet-daeb-complex: complex waarvan minder dan 10% van de woongelegenheden daeb-woongelegenheden zijn; – niet-daeb-tak: administratief afzonderlijk ingericht deel van de toegelaten instelling, dat werkzaamheden verricht die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang; – niet-daeb-woongelegenheid: woongelegenheid die niet een daeb-woongelegenheid is; – onrendabele top: het verschil tussen de stichtingskosten, bestaande uit de bouwkosten en de aanschafkosten van de grond, en de marktwaarde van een project, indien de stichtingskosten hoger zijn dan de marktwaarde is; – payer swap: renteswap van de partij die een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt; – potentieel te liberaliseren daeb-complex: complex waarvan minder dan 10% van de woongelegenheden blijvend gereguleerde daeb-woongelegenheden zijn en ten minste 10% van de woongelegenheden daeb-woongelegenheden zijn; – potentieel te liberaliseren daeb-woongelegenheid: daeb-woongelegenheid die een potentieel te liberaliseren woongelegenheid is; – potentieel te liberaliseren woongelegenheid: artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte woongelegenheid met een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag; – rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een lidstaat; – ratingbureau: bureau dat een rating verstrekt; – rentecap: financieel derivaat tussen twee partijen bij of inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een ten hoogste te betalen rentetarief verkrijgt; – renteswap: financieel derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen; – saneringsplan: artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de wet plan als bedoeld in; – splitsing: artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek splitsing als bedoeld in; – variabele lening: lening waarvan de rente elke 12 maanden of vaker wordt herzien; – vervreemding van een woongelegenheid voor eigen gebruik: vervreemding van een woongelegenheid aan een natuurlijke persoon, waarin die persoon of een bloed- of aanverwant in de eerste graad van die persoon zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben; – vervreemding van een woongelegenheid niet voor eigen gebruik: vervreemding van een woongelegenheid aan een natuurlijke persoon, waarin die persoon of een bloed- of aanverwant in de eerste graad van die persoon niet zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben; – wet: Woningwet ; – WOZ-waarde: artikelen 17 18 van de Wet waardering onroerende zaken artikel 22, eerste lid, van die wet aan een onroerende zaak overeenkomstig deentoegekende waarde, vastgesteld overeenkomstig. 2 Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde worden onder woongelegenheden, gebouwen en onroerende zaken mede verstaan hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden. 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 1a — Artikel 1a#
Artikel 1a De termijn voor de inbreng van zienswijzen waarvoor ingevolge dit besluit de gelegenheid wordt geboden bedraagt acht weken, tenzij anders is bepaald. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 artikel 16, eerste lid Op het tijdstip van de oprichting van een wooncoöperatie bestaat de meerderheid van haar leden uit personen met een huishoudinkomen dat niet hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in. 2 De wooncoöperatie heeft bij haar oprichting een coöperatieplan, waarover met toegelaten instellingen overleg is gevoerd. Het coöperatieplan bevat in elk geval een regeling omtrent de wijze waarop de wooncoöperatie bijdraagt aan het onderhoud en het beheer van de woongelegenheden die door haar leden worden bewoond, en, indien de wooncoöperatie zich ten doel stelt aan dat onderhoud en beheer bij te dragen nadat haar leden de door hen bewoonde woongelegenheden in eigendom hebben verworven, een regeling omtrent het na haar oprichting door toegelaten instellingen aan hen vervreemden van die woongelegenheden. 3 De betrokken toegelaten instelling stelt voor het opstellen van het coöperatieplan eenmalig financiële middelen, ter hoogte van een door haar te bepalen bedrag van ten minste € 5.000, ter beschikking op verzoek van degenen die ten overstaan van haar aannemelijk hebben gemaakt dat zij de leden van de wooncoöperatie zullen zijn, onder vermelding van de door hen bewoonde woongelegenheden. Indien meerdere toegelaten instellingen woongelegenheden in eigendom hebben die worden bewoond door personen die lid van de wooncoöperatie zullen zijn, wordt dat verzoek op hetzelfde tijdstip bij die toegelaten instellingen ingediend en stelt elk van die toegelaten instellingen een deel van de in de eerste volzin bedoelde financiële middelen ter beschikking naar rato van het aandeel van haar zodanige woongelegenheden in het totaal van die zodanige woongelegenheden, in welk geval die toegelaten instellingen het bedrag van die financiële middelen gezamenlijk bepalen op ten minste € 5.000. 4 De betrokken toegelaten instelling doet verzoeken als bedoeld in het derde lid, eerste volzin, aan Onze Minister toekomen. Zij willigt elk verzoek van degenen, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, in om met hen overleg over het coöperatieplan te voeren. In het geval, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, is de verplichting, bedoeld in de tweede volzin van dit lid, uitsluitend van toepassing op een zodanig verzoek aan de betrokken toegelaten instellingen gezamenlijk. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 De toegelaten instelling die een woongelegenheid aan een lid van de wooncoöperatie vervreemdt, reserveert voor dat lid of de wooncoöperatie een bedrag ter hoogte van de door die toegelaten instelling voorziene uitgaven aan onderhoud aan die woongelegenheid in de eerste vijf jaar na die vervreemding. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 artikel 2, derde lid, eerste volzin Een toegelaten instelling vervreemdt of sloopt geen woongelegenheden als bedoeld in, gedurende de eenmalige periode die aanvangt op het tijdstip van indiening van het verzoek, bedoeld in die volzin, en eindigt hetzij op het tijdstip van oprichting van de wooncoöperatie, hetzij zes maanden na die indiening ingeval de wooncoöperatie niet binnen die zes maanden is opgericht. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 artikel 19, eerste lid, tweede volzin, van de wet Het verzoek, bedoeld in, gaat in elk geval vergezeld van: a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van de vereniging of de stichting of van de notariële akte waarin de statuten van de vereniging na haar oprichting zijn opgenomen, en van de notariële akten waarin statutenwijzigingen zijn opgenomen; b. het bewijs dat de vereniging of de stichting is ingeschreven in een openbaar register, gehouden door de Kamer van Koophandel; c. het bewijs dat een authentiek afschrift van de akte van oprichting of van de notariële akte waarin de statuten zijn opgenomen, dan wel een authentiek uittreksel van die akte, authentieke afschriften van de notariële akten waarin statutenwijzigingen zijn opgenomen en de statuten als laatstelijk gewijzigd ten kantore van die Kamer zijn neergelegd; d. de reglementen van de vereniging of de stichting; e. de meest recente balans, winst- en verliesrekening en begroting van de vereniging of de stichting; f. andere bescheiden die bijdragen aan een juist en volledig inzicht van Onze Minister in de financiële situatie van de vereniging of de stichting en g. artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de wet artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet afzonderlijke gegevens omtrent de te verhuren woongelegenheden van de vereniging of de stichting als bedoeld in, de te verhuren overige woongelegenheden van de vereniging of de stichting, de te verhuren gebouwen van de vereniging of de stichting als bedoeld inen de te verhuren overige gebouwen van de vereniging of de stichting. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 artikel 19, eerste lid, tweede volzin, van de wet Onze Minister beslist op het verzoek, bedoeld in, binnen zes weken na ontvangst van de zienswijzen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, eerste volzin, van de wet. Indien een college van burgemeester en wethouders of een bewonersorganisatie zijn of haar zodanige zienswijze niet of niet tijdig aan Onze Minister heeft doen toekomen, beslist Onze Minister binnen zes weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 19, tweede lid, tweede volzin, van de wet. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 1 artikel 20, vijfde lid, tweede volzin, van de wet artikel 23b lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de wet artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet Teneinde te voldoen aanverkoopt Onze Minister of de persoon of instantie, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, het overschot, bedoeld in, voor zover daartoe iets anders dan geld behoort en de statuten van de ontbonden vereniging of stichting of een rechterlijke beschikking geen nadere aanwijzing behelzen. De verkoop geschiedt in het openbaar naar de plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden. Onze Minister of die persoon of instantie kan bepalen in welke volgorde woongelegenheden als bedoeld inen gebouwen als bedoeld inter verkoop worden aangeboden aan de verschillende categorieën mogelijke verkrijgers van die woongelegenheden of gebouwen. 2 artikel 20, vijfde lid, tweede volzin, van de wet artikel 57, eerste lid, van de wet Teneinde te voldoen aanbesteedt Onze Minister de netto-opbrengst van de verkoop aan subsidies als bedoeld in. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 21, eerste lid, eerste volzin, van de wet Onze Minister keurt het zich verbinden, bedoeld in, niet goed, indien: a. het aantal potentieel te liberaliseren woongelegenheden van de toegelaten instelling, die zij voornemens is in de rechtspersoon of vennootschap onder te brengen, waaronder mede worden begrepen zodanige woongelegenheden in gemengde geliberaliseerde complexen en waaronder niet worden begrepen andere woongelegenheden in zodanige complexen, hoger is dan 10% van het aantal zodanige woongelegenheden dat de toegelaten instelling op 31 december 2014 in eigendom had; b. artikel 81, derde lid, eerste volzin, onverminderd de tweede, derde en vierde volzin van dat lid door dat zich verbinden strijdigheid zou ontstaan met; c. de verrekening tussen de betrokken rechtspersoon of vennootschap en de toegelaten instelling voor meer dan 60% geschiedt in de vorm van het inbrengen van kapitaal; d. indien de toegelaten instelling in verband met dat onderbrengen een lening aan die rechtspersoon of vennootschap verstrekt: die lening: 1°. geen hypothecaire geldlening is of 2°. artikel 10, tweede lid niet voldoet aan het bepaalde bij en krachtensen in verband daarmee vierde lid, onverminderd het bepaalde bij en krachtens artikel 10, derde lid en in verband daarmee vierde lid; e. artikel 64 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 175 van dat boek indien het voornemen bestaat zich te verbinden met een naamloze vennootschap als bedoeld inof een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid als bedoeld in, de statuten van die naamloze of besloten vennootschap: 1°. niet uitsluitend aandelen op naam kennen, geen blokkeringsregeling bevatten of toelaten dat met medewerking van de vennootschap certificaten aan toonder worden uitgegeven in het geval van een naamloze vennootschap en geen blokkeringsregeling bevatten in het geval van een besloten vennootschap; 2°. artikel 89 lid 1 tweede volzin 92 lid 1 105 lid 1 135 lid 4 198 lid 1 201 lid 1 245 lid 1 van dat boek bepalingen bevatten die afwijken van,,,,,of; 3°. artikelen 192 lid 1 aanhef en onder a 242 lid 1 eerste volzin van dat boek bepalingen bevatten als bedoeld in deen; 4°. niet bepalen dat de voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van die naamloze of besloten vennootschap is vereist voor besluiten van haar bestuur over: i. artikel 26, eerste lid, onderdelen c en i, van de wet dienovereenkomstige aangelegenheden als die, bedoeld in; ii. artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het oprichten van een dochtermaatschappij of het deelnemen in een rechtspersoon of vennootschap in de zin van; of iii. het verstrekken van een lening aan of het zich in enigerlei opzicht garant stellen voor een dochtermaatschappij of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld onder ii; of 5°. niet bepalen, indien en zolang die naamloze of besloten vennootschap een dochtermaatschappij van de toegelaten instelling is, dat haar bestuur zich gedraagt naar de aanwijzingen van de algemene vergadering, welke bepaling in de statuten van die naamloze vennootschap kan worden beperkt tot aanwijzingen van die vergadering die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in die statuten aangegeven terreinen betreffen. 2 artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de wet Onze Minister betrekt bij zijn oordeel, bedoeld in, in elk geval: a. de geraamde solvabiliteit van de toegelaten instelling na een zich verbinden als bedoeld in dat lid; b. de verhouding tussen het saldo van de operationele kasstromen en de rentelasten van de toegelaten instelling gedurende de eerste vijf jaren na een zich zodanig verbinden en c. artikel 66, eerste lid, onderdeel f de meest recente beoordeling door de borgingsvoorziening van de kredietwaardigheid van de toegelaten instelling, indien zij leningen als bedoeld in, heeft aangetrokken. 3 Onze Minister kan op verzoek van de toegelaten instelling een hoger percentage dan dat, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, vaststellen, indien: artikel 10, eerste lid Het bepaalde bij en krachtensen in verband daarmee vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. a. de toegelaten instelling bij dat verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van dat hogere percentage noodzakelijk is om haar financiële continuïteit of die van de betrokken rechtspersoon of vennootschap voldoende te waarborgen, of b. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet aantoont dat toereikend toepassing gegeven kan worden aanwat betreft haar werkzaamheden die diensten van algemeen economisch belang zijn. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 artikel 21, eerste lid, tweede volzin, onderdeel e, van de wet De financiële continuïteit, bedoeld in, is niet voldoende gewaarborgd, indien Onze Minister van oordeel is dat de financiële middelen van de betrokken toegelaten instelling of rechtspersoon of vennootschap onvoldoende zullen blijken te zijn om hun voorgenomen werkzaamheden te kunnen verrichten. 2 artikel 21, eerste lid, tweede volzin, onderdeel f, van de wet Een lening als bedoeld in: a. artikel 21, eerste lid, eerste volzin, van de wet heeft een rentepercentage dat gelijk is aan de op het tijdstip van indiening van het verzoek om een goedkeuring als bedoeld ingeldende rente op tienjarige staatsleningen, vermeerderd met een bij ministeriële regeling te bepalen percentage, en b. wordt binnen vijftien jaar afgelost in liquide middelen en zodanig, dat na vijf en tien jaar ten minste een derde respectievelijk twee derde deel is afgelost. 3 De toegelaten instelling kan Onze Minister verzoeken om de aflossing, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, op een later tijdstip te stellen of het af te lossen bedrag lager vast te stellen. Onze Minister willigt het verzoek uitsluitend in, indien naar zijn oordeel daardoor wordt voorkomen dat de financiële continuïteit van de rechtspersoon of vennootschap niet meer is gewaarborgd en de financiële continuïteit van de toegelaten instelling gewaarborgd blijft. Hij kan aan dat inwilligen nadere voorwaarden verbinden. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 artikel 21, vijfde lid, van de wet Onze Minister willigt een verzoek als bedoeld inuitsluitend in, indien de betrokken samenwerkingsvennootschap uitsluitend is opgericht: a. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet met het oogmerk om mogelijk te maken dat de daarin samenwerkende toegelaten instellingen bijdragen aan elkaars werkzaamheden met het oog op het voldoen aanof b. artikel 41b van de wet met het oogmerk dat het in stand houden van of het treffen van voorzieningen aan woongelegenheden van een toegelaten instelling, die zijn gelegen in een gemeente of regio als bedoeld inwaar die toegelaten instelling niet feitelijk werkzaam is, geschiedt door een toegelaten instelling die in die gemeente of regio feitelijk werkzaam is. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 1 21a, derde lid, van de wet Onze Minister kan ontheffing als bedoeldverlenen indien: a. het verschaffen van vermogen plaatsvindt door het kwijtschelden van schulden van de met haar verbonden onderneming, indien: 1° de toegelaten instelling enig aandeelhouder is van de verbonden onderneming; 2° de verbonden onderneming uitsluitend schulden heeft bij de toegelaten instelling; 3° de waarde van de activa van de verbonden onderneming nihil is, en 4° de verbonden onderneming na kwijtschelding van de schulden wordt ontbonden; b. Hoofdstuk IV, Afdeling 3, paragraaf 4 paragraaf 5, van de wet het verstrekken van vermogen plaatsvindt bij het bewerkstelligen van een administratieve scheiding of juridische scheiding als bedoeld in, onderscheidenlijkaan een dochtermaatschappij en het verschaffen van vermogen voor maximaal 60% geschiedt in de vorm van het inbrengen van kapitaal; c. dat naar zijn oordeel noodzakelijk is: i. om te voorkomen dat de toegelaten instelling gehouden is om schulden van de betrokken verbonden onderneming te voldoen, of ii. ten behoeve van de herfinanciering van leningen die bestonden op 1 juli 2015, of iii. ten behoeve van de herfinanciering van leningen die bestaan op het tijdstip waarop een juridische scheiding wordt bewerkstelligd, of d. naar zijn oordeel: i. artikel 47, eerste lid, van de wet voldoende gewaarborgd is dat het te verschaffen vermogen is bestemd voor diensten van algemeen economisch belang, als bedoeld in, of voor werkzaamheden die bijdragen aan die diensten van algemeen economisch belang, en ii. de financiële continuïteit van de toegelaten instelling gewaarborgd blijft. 2 Onze Minister kan bij zijn oordeel, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, de zienswijze van de in het belang van de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties en de zienswijze van de gemeenten waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is, betrekken. 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 1 artikel 21c, eerste lid, van de wet De categorieën van instellingen, bedoeld in, zijn: a. Nederlandse overheden; b. artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht Nederlandse banken als bedoeld in, met ten minste een single B-rating of een daarmee vergelijkbare rating, afgegeven door ten minste twee van de bij ministeriële regeling te noemen ratingbureaus; c. artikel 2:15, eerste lid 2:16, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht banken met een vergunning als bedoeld in, of, met ten minste een single B-rating of een daarmee vergelijkbare rating, afgegeven door ten minste twee van de bij ministeriële regeling te noemen ratingbureaus, en d. artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht professionele beleggers als bedoeld in, begripsomschrijving van professionele belegger, onderdelen b tot en met r, van de. 2 artikel 21c, eerste lid, van de wet In afwijking van het eerste lid, onderdelen b en c, zijn de categorieën van instellingen, bedoeld in: a. banken als bedoeld in de onderdelen b en c met ten minste een single A-rating of een daarmee vergelijkbare rating, afgegeven door ten minste twee van de bij ministeriële regeling te noemen ratingbureaus, indien de transacties betrekking hebben op beleggingen of financiële derivaten; b. banken als bedoeld in de onderdelen b en c met een lagere dan single B-rating of zonder rating indien de transacties uitsluitend betrekking hebben op het aantrekken van leningen. 3 Bij ministeriële regeling kunnen andere daarbij te bepalen categorieën van instellingen worden aangewezen, indien zonder die aanwijzing het aangaan van financiële transacties door toegelaten instellingen op een wijze zou worden belemmerd die strijdig is met het belang van de volkshuisvesting. 4 artikel 21c, tweede lid, van de wet Het percentage, bedoeld in, is 70. 5 artikel 403 lid 1 onder f van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek De eisen ten aanzien van de rating, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing voor een bank die een volledige dochtermaatschappij is van een bank die aan die eisen voldoet en ten aanzien waarvan die bank een schriftelijke verklaring als bedoeld inheeft afgegeven. 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 01-01-2022 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 13a — Artikel 13a#
Artikel 13a 1 artikel 13, eerste, tweede en derde lid Een toegelaten instelling trekt de financiële middelen voor werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang uitsluitend aan bij categorieën van instellingen als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens, en zonder gebruikmaking van de borgingsvoorziening. Zij kan uitsluitend op een andere wijze financiële middelen voor die werkzaamheden inzetten: a. in geval van herstructurering, of b. indien zij ten overstaan van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen gevolg kan geven aan de eerste volzin. 2 artikel 10, tweede lid, onderdeel a De toegelaten instelling stelt ten behoeve van toepassing van het eerste lid, tweede volzin, een voorziening in, ten laste waarvan zij een interne lening verstrekt, die aan de niet-daeb-tak ten goede komt. Op het rentepercentage van die lening is het bepaalde bij en krachtens, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 66, eerste lid, onderdelen a en b artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet De voorziening, bedoeld in het tweede lid, bevat uitsluitend de netto-opbrengsten van vervreemdingen op 1 januari 2012 of nadien van woongelegenheden als bedoeld in, en, verminderd met het per jaar aan die woongelegenheden toe te rekenen deel van de leningen, bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdeel f, welk deel verhoudingsgewijs gelijk is aan het quotiënt van het totaalbedrag van die leningen en dat van de WOZ-waarde van die woongelegenheden, welke totaalbedragen blijken uit de voor dat jaar vastgestelde balans van de toegelaten instelling. De voorziening bevat die aldus verminderde netto-opbrengsten voorts uitsluitend, voor zover er een batig saldo over het betrokken jaar is uit de verhuur en de vervreemding van woongelegenheden als bedoeld in de eerste volzin, bepaald op grond van waardering van die woongelegenheden tegen de modelmatige marktwaarde. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarlijks aan de voorziening toe te voegen middelen. 4 artikel 70, tweede lid Op de aflossing van de lening, bedoeld in het tweede lid, is, van overeenkomstige toepassing. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 1 De toegelaten instelling maakt in elk stuk tot het verstrekken waarvan zij ingevolge de wet of dit besluit verplicht is, en in elk van haar reglementen inzichtelijk welke feiten, omstandigheden en bepalingen betrekking hebben op hetzij haar daeb-tak, hetzij haar niet-daeb-tak, hetzij haar gehele organisatie. 2 Onze Minister maakt in elk besluit jegens en in elke andere mededeling aan een toegelaten instelling inzichtelijk welke elementen daarvan betrekking hebben op hetzij haar daeb-tak, hetzij haar niet-daeb-tak, hetzij haar gehele organisatie. 3 artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de wet Het eerste en tweede lid zijn, ten aanzien van toegelaten instellingen op welkeingevolge de tweede volzin van dat lid niet van toepassing is, van overeenkomstige toepassing op hetzij hun werkzaamheden die behoren respectievelijk niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, hetzij haar gehele organisatie. 4 artikel 50a van de wet Dit artikel is niet van toepassing, indien en zodra de toegelaten instelling toepassing heeft gegeven aan. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 artikel 1, eerste lid, van de wet artikel 2, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag De inkomensgrens, bedoeld in, is € 51.537. In afwijking van de eerste volzin is de inkomensgrens, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet tot 1 januari 2030 voor een meerpersoonshuishouden als bedoeld in€ 56.910. 2 artikel 252a, tweede lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag artikel 36a, vierde lid, van de wet De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar, bedoeld in, van het bedrag, genoemd in. De bedragen, genoemd in de inbedoelde ministeriële regeling, worden met ingang van elk kalenderjaar, voor het eerst op 1 januari 2017, bij ministeriële regeling vervangen door de bedragen zoals die op 1 januari van het daaraan voorafgaande jaar overeenkomstig de eerste volzin zijn gewijzigd. 3 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met aanpassingen met betrekking tot inbreng van vermogen in verbindingen, overcompensatie, de differentiatie van de inkomensgrens, verlening van administratieve diensten, inkomensbewijzen voor DAEB-toewijzing en novatie van basisrenteleningen (Stb. 2024, 430) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verlenging van de tijdelijke verhoging DAEB-inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens. 2025 41733 16-12-2025 12-12-2025 2025-0000041234 2025 41733 16-12-2025 12-12-2025 2025-0000041234 01-01-2026 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 artikelen 21a, tweede lid, tweede volzin 47, vierde lid, van de wet artikelen 63, eerste lid 69, derde lid Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met het oog op de toepassing van de, en, en de, en, en kunnen stukken worden aangewezen uit welke blijkt dat de toegelaten instelling beoogt een aanvang met bepaalde werkzaamheden te maken. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 artikel 59b, tweede lid, van de wet De zienswijze, bedoeld in, heeft in elk geval betrekking op: a. de geschiktheid van de beoogde bestuurder of commissaris, blijkend uit diens opleiding, diens werkervaring en vakinhoudelijke kennis en diens competenties; en b. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bijlage 1 de betrouwbaarheid van de beoogde bestuurder of commissaris, blijkend uit diens handelen of nalaten of voornemens daartoe, een door de beoogde bestuurder of commissaris verkregen verklaring omtrent zijn gedrag, als bedoeld in, en uit de antecedenten, genoemd inbij dit besluit. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het uitbrengen van de zienswijze en voorschriften worden gegeven omtrent de door de borgingsvoorziening aan Onze Minister te verstrekken inlichtingen ten behoeve van het opstellen van die zienswijze. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 18a — Artikel 18a#
Artikel 18a Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18b — Artikel 18b#
Artikel 18b Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18c — Artikel 18c#
Artikel 18c Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18d — Artikel 18d#
Artikel 18d Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18e — Artikel 18e#
Artikel 18e Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 18f — Artikel 18f#
Artikel 18f Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 artikelen 25, tweede lid 30, derde lid, van de wet De zienswijze, bedoeld in de, en, heeft in elk geval betrekking op: a. de geschiktheid van de beoogde bestuurder of commissaris, blijkend uit diens opleiding, diens werkervaring en vakinhoudelijke kennis en diens competenties, en b. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bijlage 1 de betrouwbaarheid van de beoogde bestuurder of commissaris, blijkend uit diens handelen of nalaten of voornemens daartoe, een door de beoogde bestuurder of commissaris verkregen verklaring omtrent zijn gedrag, als bedoeld in, en uit de antecedenten, genoemd inbij dit besluit. 2 Onze Minister betrekt bij zijn zienswijze de aard en zwaarte van de functie waarvoor de beoogde bestuurder of commissaris in aanmerking wordt gebracht, en de aard en de omvang van de werkzaamheden van de toegelaten instelling. 3 artikelen 25, tweede lid 30, derde lid, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het uitbrengen van de zienswijze, bedoeld in de, en, en voorschriften worden gegeven omtrent de door de toegelaten instelling aan Onze Minister te verstrekken inlichtingen ten behoeve van het opstellen van die zienswijze. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 Vervallen 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 1 artikel 26, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet De goedkeuring, bedoeld in, is niet vereist in geval van investeringen ten behoeve van het in stand houden van of treffen van voorzieningen aan onroerende zaken in eigendom van de toegelaten instelling, tenzij de statuten bepalen dat die goedkeuring in dat geval wel vereist is. 2 artikel 26, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de wet De goedkeuring, bedoeld in, is niet vereist, indien: a. met het betrokken besluit van het bestuur een bedrag van minder dan € 10.000.000 gemoeid is; b. de betrokken besluiten van het bestuur transacties als bedoeld in dat onderdeel betreffen met betrekking tot woongelegenheden van welke de beoogde verkrijger een natuurlijke persoon is en waarin die persoon of een bloed- of aanverwant in de eerste graad van die persoon zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, tenzij de statuten bepalen dat die goedkeuring in die gevallen wel vereist is. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet De goedkeuring, bedoeld in, is niet vereist voor: a. de vervreemding van woongelegenheden of complexen met woongelegenheden, indien het een vervreemding betreft: 1°. aan een toegelaten instelling; 2°. aan een natuurlijk persoon voor eigen gebruik: i. tegen een prijs van ten minste 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde; of ii. tegen een prijs tussen de 50% en 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde en de bij ministeriële regeling bepaalde voorwaarden; b. de vervreemding van onroerende zaken, anders dan woongelegenheden en complexen met woongelegenheden, indien: 1°. bijlage 2 artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet het een verhuurd gebouw met een maatschappelijke gebruiksbestemming als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet, betreft of een verhuurd gebouw met een zorgfunctie als bedoeld inbij dit besluit, dat functioneel een eenheid vormt met woongelegenheden als bedoeld in, dat wordt vervreemd aan: i. een toegelaten instelling; of ii. degene die het direct voorafgaand aan die vervreemding huurde; 2°. het een onroerende zaak, anders dan een verhuurd gebouw, bedoeld onder 1°, betreft; c. artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet de vestiging van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een andere gebouwde onroerende zaak dan een woongelegenheid, een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming als bedoeld in, heeft of op onbebouwde grond, of overdracht van de economische eigendom van een zodanige onroerende zaak; d. de vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een woongelegenheid of op een zaak die zich in of nabij een woongelegenheid bevindt, in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen. 2 artikel 252a, tweede lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag In de ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, onder ii, kunnen voorwaarden worden verbonden aan de deling van de waardeontwikkeling tussen de toegelaten instelling en de verkrijger, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen personen met een huishoudinkomen van ten hoogste € 57.500 en personen met een huishoudinkomen hoger dan dat bedrag. Het in de eerste zin genoemde bedrag wordt met ingang van 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar, bedoeld in, van het bedrag, genoemd in. 3 artikel 36, eerste lid, van de wet Vervreemdingen waarvoor geen goedkeuring is vereist op grond van het eerste lid, onderdelen a, onder 1°, b, onder 1°, subonderdeel i of 2°, vinden, indien aan een toegelaten instelling wordt vervreemd, plaats tegen een bij ministeriële regeling bepaalde waarde, tenzij de toegelaten instelling het noodzakelijk acht een andere prijs te hanteren, in welk geval zij dit verantwoordt in het jaarverslag, bedoeld in. 4 artikel 36, eerste lid, van de wet De toegelaten instelling verantwoordt in het jaarverslag, bedoeld in, een vervreemding waarvoor geen goedkeuring is vereist op grond van het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, subonderdeel ii, of onder 2°, indien die vervreemding plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan de getaxeerde marktwaarde. 2025 41733 16-12-2025 12-12-2025 2025-0000041234 2025 41733 16-12-2025 12-12-2025 2025-0000041234 01-01-2026 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 23 — Artikel 23#
Artikel 23 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Het verzoek, bedoeld in, betreffende de vervreemding van blijvend gereguleerde daeb-woongelegenheden of blijvend gereguleerde daeb-complexen, aan natuurlijke personen niet voor eigen gebruik of aan rechtspersonen, niet zijnde andere toegelaten instellingen, gaat vergezeld van: a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit; b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten, met daarin het beding dat die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van de vervreemding voor verhuur bestemd blijven; c. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; d. de zienswijze van de gemeente waar die woongelegenheid of dat complex is gelegen en van de betrokken bewonersorganisatie; e. een verklaring van de beoogde verkrijger dat hij zich als een sociale verhuurder zal gedragen; en f. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex. 2 Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat: a. artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bij een verhuurde woongelegenheid die een zelfstandige woning, bedoeld in, is: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik; b. bij een niet-verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken voor eigen gebruik te koop is aangeboden aan de huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen in ten minste de gemeente waar de woning is gelegen onder bekendmaking van de getaxeerde marktwaarde; c. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan andere toegelaten instellingen; en d. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. 3 Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder, huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen bedoeld in het tweede lid, onder b of andere toegelaten instellingen is vervreemd. 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 01-07-2024
Artikel 23a — Artikel 23a#
Artikel 23a 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Het verzoek, bedoeld in, betreffende de vervreemding van potentieel te liberaliseren daeb-woongelegenheden of potentieel te liberaliseren daeb-complexen, aan natuurlijke personen niet voor eigen gebruik of aan rechtspersonen, niet zijnde andere toegelaten instellingen, gaat vergezeld van: a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit; b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten; c. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; d. de zienswijze van de gemeente waar die woongelegenheid of dat complex is gelegen, tenzij: 1°. artikel 44, eerste lid, van de wet artikel 47, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de wet met die gemeente op grond van, afspraken zijn gemaakt over de omvang van de voorraad van woongelegenheden als bedoeld in, en de eventuele vervreemding van een deel van die voorraad, en 2°. die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden worden vervreemd onder het beding dat zij ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van de vervreemding voor verhuur met een huurprijs van ten hoogste € 1000,– bestemd blijven; en e. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex. 2 Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat: a. bij een verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik; b. bij een niet-verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken voor eigen gebruik te koop is aangeboden aan de huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen in ten minste de gemeente waar de woning is gelegen onder bekendmaking van de getaxeerde marktwaarde; c. die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. 3 Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder, bedoeld in het tweede lid, onder a, of aan andere huurders als bedoeld in het tweede lid, onder b, is vervreemd. 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 01-07-2024
Artikel 23b — Artikel 23b#
Artikel 23b 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Het verzoek, bedoeld in, betreffende de vervreemding van niet-daeb woongelegenheden of niet-daeb complexen, aan natuurlijke personen niet voor eigen gebruik of aan rechtspersonen, niet zijnde andere toegelaten instellingen, gaat vergezeld van: a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit; b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten; c. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; en d. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex. 2 Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 23c — Artikel 23c#
Artikel 23c 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet bijlage 2 Het verzoek, bedoeld in, betreffende de vervreemding van een verhuurd gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in, of een verhuurd gebouw met een zorgfunctie als bedoeld inbij dit besluit, dat functioneel een eenheid vormt met woongelegenheden als bedoeld in, gaat vergezeld van: a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit; b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten; c. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; d. de zienswijze van de gemeente waar dat gebouw is gelegen en van de huurder; en e. de getaxeerde marktwaarde van dat gebouw. 2 Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat dit gebouw: a. gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder; en b. gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. 3 Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet aan de huurder is vervreemd. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 23d — Artikel 23d#
Artikel 23d 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet artikelen 23 tot en met 23c Het verzoek, bedoeld in, betreffende de vervreemding van een onroerende zaak waarop deniet van toepassing zijn, de vestiging van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een onroerende zaak of de overdracht van de economische eigendom van een onroerende zaak gaat vergezeld van: a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit; b. in geval van vervreemding: de ontwerpovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten; c. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld invan de beoogde verkrijger of begunstigde, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; d. de zienswijze van de gemeente waar die onroerende zaak is gelegen en de bij ministeriële regeling bepaalde andere zienswijzen; en e. de getaxeerde marktwaarde van de onroerende zaak. 2 Indien het verzoek betrekking heeft op een vervreemding als bedoeld in het eerste lid, gaat het verzoek, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is of de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat die onroerende zaak gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde. 3 Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing in geval van een vervreemding als bedoeld in het eerste lid aan een toegelaten instelling of een natuurlijk persoon voor eigen gebruik. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 23e — Artikel 23e#
Artikel 23e 1 artikelen 23 tot en met 23d Het verzoek, bedoeld in de, wordt ingediend met gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier. Onze Minister bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een zodanig verzoek. 2 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de bij een verzoek om een goedkeuring als bedoeld in, over te leggen gegevens. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 24 — Artikel 24#
Artikel 24 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Onze Minister kan besluiten om een besluit als bedoeld in, niet goed te keuren, indien: a. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens artikel 23, eerste lid, onderdeel e artikel 4 indien van toepassing: de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld invan de beoogde verkrijger of begunstigde, of de verklaring, bedoeld in, niet is overgelegd, en, in geval van een vervreemding, indien en zolangvan toepassing is. b. het belang van de volkshuisvesting naar zijn oordeel beter is gediend met het niet nemen van een zodanig besluit ten aanzien van de betrokken onroerende zaak of het nemen van een zodanig besluit ten aanzien van die zaak, waarbij de verkrijger of de begunstigde een ander is dan de blijkens het ter goedkeuring voorgelegde besluit beoogde verkrijger of begunstigde; c. dat besluit er naar zijn oordeel toe zou leiden dat de financiële continuïteit van de toegelaten instelling niet voldoende is gewaarborgd; of d. de betrokken over te leggen bescheiden niet zijn overgelegd of onjuist zijn, of indien een overgelegde andere verklaring of een overgelegde zienswijze daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft. 2 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Onze Minister kan besluiten om een besluit als bedoeld inniet goed te keuren, bij vervreemding van: a. een blijvend gereguleerde daeb-woongelegenheid of een blijvend gereguleerd daeb-complex, indien: 1°. deze wordt vervreemd tegen een prijs die lager is dan de getaxeerde marktwaarde; of 2°. deze wordt vervreemd zonder het beding dat die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijven. b. een potentieel te liberaliseren daeb-woongelegenheid of potentieel te liberaliseren daeb-complex, indien deze wordt vervreemd tegen een prijs die lager is dan de getaxeerde marktwaarde. c. een niet-daeb-woongelegenheid of niet-daeb-complex, indien deze wordt vervreemd tegen een prijs die lager is dan de getaxeerde marktwaarde. d. artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet bijlage 2 een verhuurd gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in, of een verhuurd gebouw met een zorgfunctie als bedoeld inbij dit besluit dat functioneel een eenheid vormt met woongelegenheden als bedoeld in, indien deze wordt vervreemd tegen een prijs die lager is dan de getaxeerde marktwaarde. 3 artikel 1.1. van de Erfgoedwet In afwijking van het eerste en tweede lid keurt Onze Minister een verzoek om een goedkeuring omtrent de vervreemding van een gebouw dat de status heeft van rijksmonument als bedoeld in, of de status heeft van monument op grond van een provinciale of gemeentelijke verordening, goed, indien het wordt vervreemd: a. aan een rechtspersoon met de status van professionele organisatie voor monumentenbehoud; b. tegen een prijs van ten minste de getaxeerde waarde die zij met behoud van haar huidige bestemming vertegenwoordigt; en c. onder het beding dat zij gedurende ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijft. 4 tweede lid, onderdeel a, van de artikelen 23 23a 23c artikel 29, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet Onze Minister kan het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid buiten toepassing laten, of bepalen dat het door de toegelaten instelling overleggen van bescheiden waaruit blijkt dat een aanbieding aan de huurder als bedoeld in het,ofheeft plaatsgevonden niet vereist is, indien ten aanzien van de betrokken toegelaten instelling een situatie als bedoeld in, of, van toepassing is. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het tweede en vierde lid. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 01-07-2024
Artikel 24a — Artikel 24a#
Artikel 24a artikel 24, onderdelen a of d, onder 1°, of onderdeel e artikel 36, eerste lid, van de wet Vervreemdingen waarvoor geen goedkeuring is vereist op grond van, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van het Besluit van 17 november 2021 tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet (Stb. 2021, 570), voor zover deze artikel 24 wijzigt, vinden, indien aan een toegelaten instelling wordt vervreemd, van 1 januari 2021 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit plaats tegen een bij ministeriële regeling bepaalde waarde, tenzij de toegelaten instelling het noodzakelijk acht een andere prijs te hanteren, in welk geval zij dit verantwoordt in het jaarverslag, bedoeld in. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 25 — Artikel 25#
Artikel 25 1 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Onze Minister beslist binnen twaalf weken na ontvangst daarvan op een verzoek om goedkeuring als bedoeld in, welke termijn hij, door schriftelijke kennisgeving daarvan aan de toegelaten instelling binnen die termijn, eenmalig kan verlengen met een door hem daarbij te bepalen termijn van ten hoogste twee weken. 2 artikel 27, derde lid, van de wet Onze Minister kan, indien hij toepassing geeft aan, de in het eerste lid genoemde termijn of ingevolge dat lid verlengde termijn schorsen totdat het advies, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de wet, is uitgebracht. Hij geeft binnen die termijn schriftelijk kennis van een zodanige schorsing aan de betrokken toegelaten instelling. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 25a — Artikel 25a#
Artikel 25a Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 26 — Artikel 26#
Artikel 26 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 26a — Artikel 26a#
Artikel 26a Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 27 — Artikel 27#
Artikel 27 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 28 — Artikel 28#
Artikel 28 1 artikel 27, eerste lid, onderdeel b, van de wet Onze Minister keurt een vervreemding als bedoeld inaan anderen dan toegelaten instellingen niet goed, indien: a. die vervreemding naar zijn oordeel ertoe leidt dat de financiële continuïteit van de toegelaten instelling niet langer is gewaarborgd; b. die vervreemding geschiedt tegen een prijs die naar zijn oordeel onvoldoende overeenkomt met de intrinsieke waarde; c. de toegelaten instelling een lening of een garantie aan de dochtermaatschappij heeft verstrekt of voor haar schulden aansprakelijk is, en die vervreemding ertoe zou leiden dat zij de helft of minder van de stemrechten in de algemene vergadering van de dochtermaatschappij overhoudt of d. artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens degene aan wie wordt vervreemd hem geen verklaring omtrent het gedrag als bedoeld inkan overleggen. 2 Onze Minister kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, een vervreemding goedkeuren die onvoldoende overeenkomt met de intrinsieke waarde wanneer de toegelaten instelling aannemelijk maakt dat de intrinsieke waarde in het desbetreffende geval geen juist beeld geeft van de waarde bij verkoop. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 29 — Artikel 29#
Artikel 29 1 Voor zover het bestuur van de toegelaten instelling Onze Minister niet reeds schriftelijk mededeling heeft gedaan omtrent de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende omstandigheden, stelt de raad van commissarissen Onze Minister schriftelijk op de hoogte van zijn werkzaamheden ter uitoefening van zijn taak: a. indien naar zijn oordeel of dat van Onze Minister sprake is van door de betrokken toegelaten instelling berokkende schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting die zij niet binnen een afzienbare termijn kan herstellen respectievelijk voorkomen; b. indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de raad van commissarissen van de toegelaten instelling, tussen individuele leden van de raad van commissarissen van de toegelaten instelling onderling, of tussen de toegelaten instelling en een dochtermaatschappij; c. indien naar zijn oordeel twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het handelen of nalaten, de governance of de integriteit van beleid en beheer van de toegelaten instelling, en het bestuur die twijfel niet heeft weggenomen of d. indien sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen in de toegelaten instelling of een dochtermaatschappij van die toegelaten instelling. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 30 — Artikel 30#
Artikel 30 1 artikel 35, eerste lid, van de wet artikel 36, eerste lid, van de wet Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek Op de jaarrekening, bedoeld in, en het jaarverslag, bedoeld in, zijn niet van toepassing de volgende artikelen van: a. artikel 361 lid 2 eerste volzin, zinsnede «en de in artikel 360 lid 3 bedoelde stichtingen en verenigingen»; b. artikel 362 lid 7 eerste volzin en tweede volzin vanaf «omschreven», en leden 8 en 9; c. artikel 373 lid 5 ; d. artikel 378 leden 2, 3 en 4 ; e. artikel 383a ; f. artikel 384 lid 1 tweede volzin , voor zover die volzin betrekking heeft op de waardering van onroerende zaken; g. artikel 384 lid 6 , voor zover dat lid betrekking heeft op de waardering van onroerende zaken; h. artikel 388 , voor zover dat artikel betrekking heeft op de waardering van onroerende zaken; i. artikel 389 leden 4 en 5 ; j. artikel 391 lid 1 vijfde volzin vanaf «gesteld»; k. artikel 392 lid 1 onder a en e, en leden 3, 4 en 5 ; l. artikel 394 lid 1 tweede volzin, zinsnede «of, als dat niet is vervaardigd, een exemplaar in het Frans, Duits of Engels,», en lid 4 eerste volzin, zinsnede «de zelfde taal of» en tweede volzin, zinsnede «a,», m. artikel 395 lid 2 vierde volzin ; m. artikel 395a ; o. artikel 396 ; p. artikel 397 ; q. artikel 398 leden 3 en 5 ; r. artikel 406 leden 3, 4 en 5 ; s. artikel 408 lid 1 onder d en e en t. artikel 414 lid 5 . 2 afdelingen 2 tot en met 8 10 11 13 16 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 35, eerste lid, van de wet artikel 36, eerste lid, van de wet Voor de toepassing van de,,,enop de jaarrekening, bedoeld in, en het jaarverslag, bedoeld in, wordt in die afdelingen: a. artikel 379 lid 2 onder b invoor «leden 1 tot en met 7» gelezen «leden 1, 2, 3, 6 en 7»; b. artikel 397 lid 7 invoor «onderdelen e en f» gelezen «onderdeel f»; c. artikel 398 lid 2 invoor «leden 3 tot en met 8» gelezen «leden 3, 4 en 5». 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 31 — Artikel 31#
Artikel 31 1 artikel 35, tweede lid, van de wet De waardering, bedoeld in, vindt plaats tegen de modelmatige marktwaarde, en onder gebruikmaking van een berekeningssystematiek door middel waarvan de toekomstige inkomende en uitgaande kasstromen contant worden gemaakt naar het heden. 2 artikel 35, tweede lid, van de wet Bij de waardering, bedoeld in, wordt onderscheid gemaakt tussen: a. artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet woongelegenheden, met uitzondering van woongelegenheden als bedoeld in; b. artikel 45, tweede lid, onderdelen d en g, van de wet gebouwen als bedoeld in; c. parkeervoorzieningen en d. artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet woongelegenheden als bedoeld in. 3 Ten behoeve van de waardering wordt, behoudens in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen, een waarde bepaald voor zowel het geval dat de toegelaten instelling de onroerende zaak gedurende een bij ministeriële regeling bepaald tijdvak blijft verhuren, als het geval dat de toegelaten instelling die zaak na het in dat tijdvak eindigen van een overeenkomst van huur en verhuur zal vervreemden. De modelmatige marktwaarde is de hoogste van die waarden. 4 artikel 35, tweede lid, van de wet Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de toepassing van dit artikel, welke voorschriften kunnen afwijken van het eerste, tweede en derde lid of voor bij die regeling te bepalen categorieën van toegelaten instellingen verschillend kunnen worden vastgesteld, een en ander met het oog op het bewerkstelligen van een goede verhouding tussen de lasten voor toegelaten instellingen om te komen tot de waardering, bedoeld in, en een goede uitvoering van het toezicht. 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 32 — Artikel 32#
Artikel 32 1 artikel 36a, eerste lid, van de wet Het volkshuisvestingsverslag, bedoeld in, omvat in elk geval een uiteenzetting inzake het verslagjaar over: a. artikel 44, eerste lid, van de wet de uitvoering van de in de gemeenten waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is geldende woonvisie, en van in het inbedoelde overleg gemaakte afspraken daarover; b. artikel 42, tweede en derde lid, van de wet het inzetten van haar middelen, bedoeld in; c. artikel 44, eerste lid, van de wet het gevoerde overleg als bedoeld inmet de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is; d. het gevoerde overleg met de betrokken bewonersorganisaties; e. artikel 45 van de wet de uitvoering van elk van haar werkzaamheden, bedoeld in; f. artikel 46 van de wet de uitvoering van; g. artikel 55a, tweede lid, van de wet de uitvoering van het reglement, bedoeld in; h. artikel 55b, derde lid, van de wet de uitvoering van het reglement, bedoeld in, en i. de uitvoering van haar andere reglementen. 2 Het volkshuisvestingsverslag omvat voorts een overzicht van de met de toegelaten instelling verbonden ondernemingen, met uitzondering van de ondernemingen van welke de toegelaten instelling minder dan 2% van het kapitaal inbrengt, en een uiteenzetting over hun werkzaamheden. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 33 — Artikel 33#
Artikel 33 1 artikelen 38, vierde lid 44a, derde lid, van de wet Onze Minister beoordeelt bij de toepassing van de, enin elk geval: a. de liquiditeit van de toegelaten instelling, waaronder in elk geval de risico’s daarvoor vanwege het bezit van financiële derivaten; b. haar solvabiliteit; c. haar ruimte voor het doen van investeringen in de eerstvolgende vijf kalenderjaren na het verslagjaar waarop het oordeel betrekking heeft; d. artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet haar beschikbare financiële middelen in verhouding tot de werkzaamheden die zijn opgenomen in het overzicht, bedoeld in; e. de mate waarin het risico bestaat dat haar vermogen niet bestemd blijft voor het behartigen van het belang van de volkshuisvesting en f. de kwaliteit van haar organisatiestructuur. 2 artikelen 38, vierde lid artikel 44a, derde lid, van de wet Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke onderwerpen voorts in elk geval worden beoordeeld bij de toepassing van de, en. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022 Abusievelijk is voor het tweede lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 34 — Artikel 34#
Artikel 34 1 artikel 41a, eerste lid, van de wet Onze Minister keurt een voornemen als bedoeld inniet goed, indien: a. de gemeente waarop dat voornemen betrekking heeft niet direct grenst aan een gemeente in Nederland waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is; b. die toegelaten instelling in de gemeenten in Nederland waar zij feitelijk werkzaam is niet alle personen kan huisvesten die aldaar door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting, of c. zienswijzen op dat voornemen van de gemeente waarop het betrekking heeft, van de direct aan die gemeente grenzende gemeenten in Nederland of van de betrokken bewonersorganisaties hem daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 35 — Artikel 35#
Artikel 35 1 artikel 41b, eerste lid, van de wet Een verzoek als bedoeld inomvat in elk geval: a. een overzicht van de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in de gemeenten die dat verzoek indienen; b. het aantal in die gemeenten gezamenlijk woonachtige huishoudens en c. de zienswijzen op dat verzoek van die toegelaten instellingen, van andere gemeenten waar die toegelaten instellingen feitelijk werkzaam zijn of van de betrokken bewonersorganisaties. 2 artikel 41b, eerste lid, van de wet Het verzoek kan mede inhouden dat de goedkeuring, bedoeld in, uitsluitend betrekking heeft op die, in dat verzoek te noemen, toegelaten instellingen zonder de bijdrage van welke een of meer van de betrokken gemeenten geen uitvoering kan geven aan haar woonvisie, of die in een of meer van die gemeenten een zodanig groot deel van hun werkzaamheden verrichten dat die goedkeuring naar het oordeel van die gemeenten om die reden noodzakelijk is. 3 artikel 41b, eerste lid, van de wet Onze Minister kan besluiten om een verzoek als bedoeld inniet in te willigen, indien: a. een van de gemeenten die dat verzoek indienen voordien een zodanig verzoek heeft ingediend, en Onze Minister dat verzoek heeft ingewilligd of b. indien in die gemeenten gezamenlijk minder dan 100 000 huishoudens woonachtig zijn. 4 artikel 41b, eerste lid, van de wet Onze Minister kan bij de inwilliging van een verzoek als bedoeld inbepalen dat zijn goedkeuring uitsluitend betrekking heeft op de in zijn besluit te noemen in de betrokken gemeenten feitelijk werkzame toegelaten instellingen, op welke het tweede lid naar zijn oordeel van toepassing is. 5 artikel 41b, eerste lid, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen een verzoek als bedoeld indient te omvatten. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 36 — Artikel 36#
Artikel 36 artikel 41c, tweede lid, eerste volzin, van de wet De categorieën van personen, bedoeld in, zijn: a. artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs personen die zijn ingeschreven bij een universiteit of hogeschool als bedoeld in, of bij een instelling als bedoeld in, of die zich voorbereiden op een promotie als bedoeld in artikel 7.18 van eerstgenoemde wet; b. ouderen, gehandicapten en andere personen die zorg of begeleiding behoeven en c. andere personen, voor welke de voorziening in de behoefte aan huisvesting dringend noodzakelijk is uit het oogpunt van gezondheid, veiligheid, sociale factoren, overmacht of calamiteiten. 2022 184 18-05-2022 06-05-2022 2022 184 18-05-2022 06-05-2022 01-08-2022
Artikel 37 — Artikel 37#
Artikel 37 1 artikel 41c, tweede lid, tweede volzin, van de wet Een verzoek om een ontheffing als bedoeld inomvat in elk geval: a. de gemeenten waar die ontheffing van toepassing zou moeten zijn; b. een uiteenzetting over de gevolgen van het niet verlenen van die ontheffing voor de uitvoering door toegelaten instellingen van de woonvisies die in die gemeenten gelden; c. een uiteenzetting over het aandeel van de werkzaamheden van de toegelaten instelling in die gemeenten in het totaal van haar werkzaamheden en d. artikel 41b, eerste lid, van de wet indien de toegelaten instelling zienswijzen op dat verzoek heeft ontvangen van de gemeenten, bedoeld in onderdeel a, van de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam mag zijn uit hoofde van het inwilligen van het inbedoelde verzoek, dat tot het in dit lid bedoelde verzoek heeft geleid, van de in een van die gemeenten feitelijk werkzame toegelaten instellingen, of van de betrokken bewonersorganisaties: die zienswijzen. 2 Onze Minister kan besluiten om geen ontheffing als bedoeld in het eerste lid te verlenen, indien de uitvoering door toegelaten instellingen van de woonvisies die gelden in de gemeenten waar de betrokken ontheffing van toepassing zou zijn naar zijn oordeel door dat besluit niet nadelig wordt beïnvloed. In afwijking van de eerste zin kan Onze Minister besluiten om een ontheffing te verlenen indien: a. artikel 41b van de wet de gemeenten waar die ontheffing van toepassing zou moeten zijn direct grenzen aan een gebied als bedoeld inwaarin de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is, in welke gemeenten de toegelaten instelling reeds woongelegenheden in bezit heeft; en b. de zienswijzen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, daartoe aanleiding geven. 3 artikel 41c, eerste lid, van de wet artikel 41b, eerste lid, van de wet Onze Minister kan aan het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid het gevolg, bedoeld in, verbinden ten aanzien van de gemeenten waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam mag zijn uit hoofde van het inwilligen van het inbedoelde verzoek, dat tot het in dit lid bedoelde verzoek heeft geleid, indien de uitvoering door toegelaten instellingen van de woonvisies die in die gemeenten gelden naar zijn oordeel daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. 4 artikel 41c, tweede lid, tweede volzin, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen een verzoek om een ontheffing als bedoeld indient te omvatten, en omtrent de toepassing van het tweede of derde lid. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 37a — Artikel 37a#
Artikel 37a 1 artikel 41c, eerste lid, van de wet Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in, ten aanzien van werkzaamheden die zich, gezien de aard en omvang daarvan, in hoofdzaak beperken tot het gebied ter plaatse van voordien daartoe gesloopte woongelegenheden of hun onroerende of infrastructurele aanhorigheden. 2 Artikel 37 is niet van toepassing op het verzoek, bedoeld in het eerste lid. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 38 — Artikel 38#
Artikel 38 1 artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet Onze Minister draagt er zorg voor dat jaarlijks voor 1 juli elke gemeente met betrekking tot de toegelaten instellingen die aldaar feitelijk werkzaam zijn en elke betrokken bewonersorganisatie beschikt over een indicatie van de middelen welke die toegelaten instellingen ter beschikking staan voor de uitvoering vanin ten minste het op die datum eerstvolgende kalenderjaar. 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze van bepaling van de indicatie, bedoeld in het eerste lid. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 39 — Artikel 39#
Artikel 39 1 artikel 43, eerste lid, van de wet De toegelaten instelling betrekt bij het vaststellen van het overzicht, bedoeld in, de door Onze Minister vast te stellen rijksprioriteiten met betrekking tot het terrein van de volkshuisvesting. Onze Minister stelt die prioriteiten ten minste een maal per vier jaar vast voor een tijdvak van de vier op dat jaar volgende kalenderjaren en doet deze voor de aanvang van dat tijdvak toekomen aan beide kamers der Staten-Generaal. In het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan een zodanig tijdvak voert hij overleg over de voor dat tijdvak voorgenomen prioriteiten met in elk geval personen of instanties uit de kring van de toegelaten instellingen, de gemeenten en de bewonersorganisaties. 2 artikel 43, eerste lid, van de wet Indien de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is geen woonvisie aan de toegelaten instelling hebben verstrekt, neemt de toegelaten instelling in het overzicht, bedoeld in, in elk geval op: a. artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de wet haar voornemens voor het doen bouwen of verwerven van woongelegenheden als bedoeld in; b. artikel 45, tweede lid, onderdelen d en f, van de wet haar voornemens met betrekking tot het toepassing geven aan; c. artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag haar voornemens met betrekking tot de samenstelling van haar woningvoorraad, waaronder in elk geval haar voornemens met betrekking tot vervreemding van haar woongelegenheden en haar voornemens tot het bij het aangaan van nieuwe overeenkomsten van huur en verhuur zodanig verhogen van huurprijzen van haar woongelegenheden, dat zij komen te liggen boven het ingenoemde bedrag; d. haar voornemens met betrekking tot de kwaliteit en de duurzaamheid van haar woningvoorraad en de direct daaraan grenzende omgeving; e. artikel 46, eerste lid, onderdeel a, van de wet haar voornemens met betrekking tot de betaalbaarheid en de bereikbaarheid van haar woongelegenheden voor degenen, bedoeld in; en f. artikel 36 haar voornemens met betrekking tot de huisvesting van de categorieën van personen, genoemd in. 3 artikel 43, eerste lid, van de wet Het overzicht, bedoeld in, heeft geen betrekking op de met de toegelaten instelling verbonden ondernemingen van welke zij minder dan 2% van het kapitaal inbrengt. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 40 — Artikel 40#
Artikel 40 1 artikel 44, derde lid, van de wet Onze Minister stelt een commissie in, die hem adviseert over de behandeling van geschillen als bedoeld in. De commissie bestaat uit personen uit de kring van organisaties die zich ten doel stellen de belangen van toegelaten instellingen te behartigen, uit personen uit de kring van organisaties die zich ten doel stellen de belangen van gemeenten te behartigen, en personen uit de kring van bewonersorganisaties. De commissie is zodanig samengesteld, dat geen van die categorieën van personen de meerderheid van de commissie kan uitmaken. 2 artikel 44, derde en vierde lid, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften gegeven worden over de behandeling van geschillen als bedoeld in, en de werkwijze en samenstelling van de commissie, bedoeld in het eerste lid. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 41 — Artikel 41#
Artikel 41 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 42 — Artikel 42#
Artikel 42 Vervallen 2019 210 12-06-2019 28-05-2019 2019 210 12-06-2019 28-05-2019 01-07-2019
Artikel 43 — Artikel 43#
Artikel 43 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 44 — Artikel 44#
Artikel 44 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 45 — Artikel 45#
Artikel 45 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 45a — Artikel 45a#
Artikel 45a 1 artikel 44d, tweede lid, van de wet Het financieel voordeel, bedoeld in, is het verschil tussen: a. artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag de canon die de gemeente op basis van de actuele grondwaarde zou opleggen bij uitgifte van de grond, indien die bestemd is voor huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in, en ten hoogste een in de gemeentelijke verordening bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs, en; b. artikel 44d, eerste lid, van de wet de canon die de gemeente op basis van de actuele grondwaarde zou opleggen bij uitgifte van de grond met de bestemming voorafgaand aan een wijziging daarvan als bedoeld in. 2 artikel 1, eerste lid De grondwaarden, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk een maand na wijziging van de bestemming bepaald door een onafhankelijke taxateur als bedoeld in, die door de gemeente en de toegelaten instelling gezamenlijk is aangesteld voor rekening van de toegelaten instelling. De taxateur rapporteert aan beide partijen. 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 01-01-2022
Artikel 46 — Artikel 46#
Artikel 46 artikel 45, eerste lid, tweede volzin, van de wet Een verbonden onderneming voldoet in een kalenderjaar aan, indien zij over dat jaar een percentage van haar omzet genereert uit werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, dat ten minste gelijk is aan het percentage van het kapitaal dat een toegelaten instelling in haar inbrengt. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 46a — Artikel 46a#
Artikel 46a artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet De werkzaamheden, genoemd in: a. worden door een toegelaten instelling niet verricht ten aanzien van de in die onderdelen bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming; b. worden door een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verricht ten aanzien van de in dat onderdeel bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een andere verbonden onderneming: 1°. indien en zolang alle aandelen in die andere verbonden onderneming door toegelaten instellingen worden gehouden, of 2°. indien en zolang toegelaten instellingen of een of meer van de met hen verbonden ondernemingen alleen of samen alle bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan. 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 47 — Artikel 47#
Artikel 47 1 artikel 45, tweede lid, onderdeel c, van de wet bijlage bij het Besluit servicekosten Tot de diensten, bedoeld in, behoren mede de in degenoemde zaken en diensten. 2 artikel 45, tweede lid, onderdeel c, onder 1° en 2°, van de wet Diensten als bedoeld inmogen uitsluitend worden geleverd aan: a. bewoners van eigen woongelegenheden; b. bewoners van woongelegenheden van een toegelaten instelling; c. artikel 112 lid 1 onder e van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek leden van verenigingen van eigenaars als bedoeld in; d. bewoners van woongelegenheden die bouwkundig een geheel vormen met de eigen woongelegenheden of de woongelegenheden van een toegelaten instelling; e. indien de diensten worden geleverd door een aan een toegelaten instelling verbonden onderneming, bewoners van woongelegenheden van een verbonden onderneming waarvan alle aandelen door toegelaten instellingen worden gehouden; f. artikel 45, zevende lid, van de wet bewoners van woongelegenheden als bedoeld in; g. artikel 48, eerste lid, onderdeel b leden van wooncoöperaties waaraan de toegelaten instelling woongelegenheden heeft vervreemd voor zover het werkzaamheden, bedoeld in, betreft. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 48 — Artikel 48#
Artikel 48 1 De toegelaten instelling stelt uitsluitend financiële middelen ter beschikking in de vorm van: a. tegemoetkomingen in de kosten van activiteiten die door de bewoners van haar woongelegenheden worden georganiseerd: 1°. in het belang van het behoud of de verbetering van die woongelegenheden of de direct daaraan grenzende omgeving, en 2°. gericht op ontmoeting van bewoners van die woongelegenheden; b. artikel 16, eerste lid reserveringen voor leden van wooncoöperaties met een huishoudinkomen dat niet hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in, in verband met het onderhoud aan hun woongelegenheden; c. tegemoetkomingen in het blijkens een geldleningsovereenkomst te betalen bedrag aan rente over een hypothecaire geldlening, overeenkomstig het tweede lid, of d. artikel 2, derde lid tegemoetkomingen ter voldoening aan het bepaalde in. 2 Tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden uitsluitend verstrekt: a. artikel 13, eerste en tweede lid artikel 2:60 van de Wet op het financieel toezicht over ten hoogste 20% van de verwervingskosten overeenkomstig de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie, welke kosten worden gefinancierd door een instelling die behoort tot een categorie als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens, of aan welke een vergunning als bedoeld inis verleend; b. in geval van het verstrekt zijn van de hypothecaire geldlening onder de voorwaarden en normen van de onder auspiciën van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen ontwikkelde Nationale Hypotheek Garantie; c. artikel 16, eerste lid aan instellingen als bedoeld in onderdeel a ten behoeve van personen die voor de eerste maal als eigenaar een woning bewonen, zolang het huishoudinkomen van die personen niet hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in; d. indien niet tevens een tegemoetkoming wordt verstrekt: 1°. Wet bevordering eigenwoningbezit op grond van deof 2°. door de toegelaten instelling, voor zover ertoe leidend dat de woning aan een persoon als bedoeld in onderdeel c wordt vervreemd tegen een prijs die lager is dan 90% van de getaxeerde marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde, of met het oogmerk een zodanige persoon anderszins zodanig te bevoordelen dat een dienovereenkomstige uitkomst wordt bereikt, en e. indien uit overeenkomsten tussen de betrokken persoon en een instelling als bedoeld in onderdeel a, en tussen die instelling en de toegelaten instelling, blijkt dat de tegemoetkoming wordt verlaagd of beëindigd, indien het huishoudinkomen van die persoon daartoe aanleiding geeft blijkens een periodieke beoordeling van dat inkomen overeenkomstig in die overeenkomsten neergelegde bepalingen. 3 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald onder welke modellen voor of bepalingen in overeenkomsten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan worden verstrekt. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 49 — Artikel 49#
Artikel 49 1 artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet De gebouwen, bedoeld in, zijn: a. bijlage 2 de gebouwen en categorieën van gebouwen, genoemd inbij dit besluit en b. bijlage 3 de gebouwen en categorieën van gebouwen, genoemd inbij dit besluit, welke ten aanzien van een toegelaten instelling uitsluitend tot het gebied van de volkshuisvesting behoren, indien zij deze op het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden in eigendom had. 2 bijlage 2 Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het doen bouwen of verwerven van andere gebouwen met een maatschappelijke gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die gebouwen naar zijn oordeel behoren tot een aan een categorie als genoemd inbij dit besluit nauw verwante categorie. 3 De werkzaamheden ten aanzien van welke Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het tweede lid, behoren tot de diensten van algemeen economisch belang. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 49a — Artikel 49a#
Artikel 49a 1 Een toegelaten instelling kan gebouwen verwerven die geen verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting indien zij binnen vijf jaar na verwerving die gebouwen: a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting; of b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting. 2 Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verhuren van gebouwen als bedoeld in het eerste lid, of gedeelten daarvan, aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen: a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting; of b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 50 — Artikel 50#
Artikel 50 1 artikel 49, eerste lid artikel 48, zesde lid, van de wet De toegelaten instelling kan met betrekking tot ten hoogste 10% van het bruto-vloeroppervlak van haar gebouwen, bedoeld in, overeenkomsten van huur en verhuur aangaan met anderen dan die, bedoeld in. Tot het bruto-vloeroppervlak, bedoeld in de eerste volzin, behoort mede het vloeroppervlak van de bij die gebouwen behorende overdekte parkeervoorzieningen en de oppervlakte van de bij die gebouwen behorende overige parkeervoorzieningen. 2 artikel 48, zesde lid, van de wet De toegelaten instelling kan met betrekking tot ruimten van gebouwen die kantoorruimten van de toegelaten instelling zijn en waarvan meer dan 50% van het bruto-vloeroppervlak als zodanig door de toegelaten instelling wordt gebruikt, indien de toegelaten instelling dat gebouw op 1 juli 2015 in bezit had, overeenkomsten van huur en verhuur aangaan met anderen dan die, bedoeld in. 3 Artikel 45, vierde lid, onderdeel a, van de wet , is niet van toepassing op de ruimten, bedoeld in het vorige lid. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 51 — Artikel 51#
Artikel 51 Het bijdragen aan de leefbaarheid houdt uitsluitend in: a. woonmaatschappelijk werk, met inbegrip van het leveren van een bijdrage aan uitvoering van achter-de-voordeur-programma’s onder verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties en uitsluitend ten behoeve van de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling; b. aanleg en onderhoud van kleinschalige infrastructuur in de directe nabijheid van woongelegenheden of andere onroerende zaken van de toegelaten instelling; c. bijdragen aan de uitvoering van plannen: 1°. ter bevordering van een schone woonomgeving, 2°. ter voorkoming van overlast, 3°. ter bevordering van de veiligheid, en d. bijdragen aan activiteiten gericht op ontmoeting van huurders van woongelegenheden van de toegelaten instelling. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52 — Artikel 52#
Artikel 52 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52a — Artikel 52a#
Artikel 52a artikelen 45, tweede lid, onderdeel i 47, eerste lid, onderdeel g, van de wet Tot de werkzaamheden, bedoeld in de, en, behoren niet transacties die zijn gericht op het wijzigen van eigendomsverhoudingen en zakelijke rechten zonder dat er sprake is van feitelijke overdracht van bezit, behalve indien die transacties noodzakelijk zijn om werkzaamheden als bedoeld in de andere onderdelen van die artikelleden te kunnen verrichten. 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Voorheen art. 53. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 52b — Artikel 52b#
Artikel 52b artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet De diensten, bedoeld in: a. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een met die toegelaten instelling verbonden onderneming, indien: 1°. de toegelaten instelling alleen of samen met één of meerdere toegelaten instellingen of hun dochtermaatschappijen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van die verbonden onderneming kunnen uitoefenen, of 2°. toegelaten instellingen of een of meer van hun dochtermaatschappijen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan. b. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een verbonden onderneming van een andere toegelaten instelling, indien en zolang: 1°. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van die verbonden onderneming door toegelaten instellingen of hun dochtermaatschappijen wordt bezeten, of 2°. toegelaten instellingen of een of meer van hun dochtermaatschappijen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan, en 3°. zij ook diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van die andere toegelaten instelling verleent. 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 52c — Artikel 52c#
Artikel 52c artikel 45, tweede lid, onderdeel k, van de wet De diensten, bedoeld in, worden door een toegelaten instelling of een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verleend aan een in dat onderdeel bedoelde huurdersorganisatie of bewonerscommissie: a. die de belangen van de huurders van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming behartigt, of b. waarvan de achterban mede bestaat uit huurders van woongelegenheden van de dienstverlenende toegelaten instelling of verbonden onderneming. 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 01-01-2022 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52d — Artikel 52d#
Artikel 52d 1 artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet Het verhuren van woongelegenheden en aanhorigheden van derden, bedoeld in, is slechts toegestaan indien een overeenkomst van huur en verhuur wordt aangegaan: a. artikel 1 van de wet met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, bedoeld in, of b. artikel 57 met categorieën van personen als bedoeld in, en c. artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag tegen een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag. 2 artikel 45, zevende lid, onderdeel b, van de wet Het in stand houden van en treffen van kleinschalige voorzieningen aan gebouwen van derden, bedoeld in, is slechts toegestaan indien: a. de werkzaamheden die zijn gericht op het geschikt maken van het gebouw voor bewoning, een investering vergen van ten hoogste een bij ministeriële regeling bepaald bedrag per beoogde verhuureenheid; b. artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld inof indien ten aanzien van de gebouwen en aanhorigheden tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet, en c. artikel 45, zevende lid, onderdeel c van de wet artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor zover de werkzaamheden worden verricht in gebouwen en aanhorigheden, ten aanzien waarvan tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie als bedoeld inworden uitgevoerd, de werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in. 3 artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet Het huren van gebouwen van derden, bedoeld in, is slechts toegestaan indien: a. artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet de toegelaten instelling deze gebouwen huurt met het oogmerk deze te verhuren op grond van; b. artikel 45, zevende lid, onderdeel c de ontwerphuurovereenkomst tussen de toegelaten instelling en de derde, bedoeld in, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden, en c. er voldoende vermogen beschikbaar is om de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst te kunnen opvangen. 4 artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet Het verlenen van diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van derden, bedoeld in, is slechts toegestaan indien: a. met betrekking tot ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan: 1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, of 2°. artikel 57 met categorieën van personen als bedoeld in, en 3°. artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag tegen een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, waarbij met ten minste 95% van de huishoudens als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet een huurprijs is overeengekomen van ten hoogste de huurprijs als bedoeld in dat lid; b. artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek de diensten worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in, en c. artikel 36a, vierde lid, van de wet de ontwerpovereenkomst van opdracht, bedoeld in onderdeel b, is opgenomen in het overzicht met verantwoordingsgegevens, bedoeld in. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52e — Artikel 52e#
Artikel 52e 1 artikel 52d artikel 45, zevende lid, van de wet In afwijking vanzijn de werkzaamheden, bedoeld in, voor zover deze worden verricht vanuit de niet-daeb-tak of door de met de toegelaten instelling verbonden onderneming of samenwerkingsvennootschap, slechts toegestaan indien: a. artikel 45, tweede lid, onderdelen d en g, van de wet zij worden verricht in gebieden waar woongelegenheden in eigendom van de toegelaten instelling gelegen zijn, en voor zover de gebouwen, bedoeld in, een op een wijk, buurt of buurtschap in een zodanig gebied gerichte functie hebben; en b. die werkzaamheden bijdragen aan het verrichten van andere werkzaamheden van de toegelaten instelling op het gebied van de volkshuisvesting. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52f — Artikel 52f#
Artikel 52f artikel 45, zevende lid, van de wet Een toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap beëindigt in ieder geval de werkzaamheden, bedoeld in, indien: a. artikelen 52d 52e niet aan de voorwaarden van deenwordt voldaan; of b. de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risico’s of de financiële positie van de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap zodanig zijn, dat het onverantwoord is dat zij deze uitvoert. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit onderdeel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52g — Artikel 52g#
Artikel 52g Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 52h — Artikel 52h#
Artikel 52h Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 53 — Artikel 53#
Artikel 53 Door vernummering vervallen. 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 53a — Artikel 53a#
Artikel 53a Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 53b — Artikel 53b#
Artikel 53b Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 53c — Artikel 53c#
Artikel 53c Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 53d — Artikel 53d#
Artikel 53d Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 53e — Artikel 53e#
Artikel 53e Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 53f — Artikel 53f#
Artikel 53f Vervallen 2016 350 06-10-2016 27-09-2016 2016 295 22-07-2016 13-07-2016 34403 28-10-2021 Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E,
van de Wijzigingswet Woningwet (tijdelijk uitbreiden werkgebied van
toegelaten instellingen met het oog op huisvesten van
vergunninghouders) (Stb. 2016/295) in werking treedt.
Artikel 54 — Artikel 54#
Artikel 54 1 artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet Het percentage, bedoeld in, is, gerekend over twee opeenvolgende kalenderjaren, 95. 2 artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet Tot de huishoudens, bedoeld in, worden mede gerekend: a. personen die als een- of tweepersoonshuishouden een woongelegenheid wensen te betrekken en: 1°. artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs ingeschreven staan bij een universiteit of hogeschool als bedoeld inof bij een instelling als bedoeld in, en daar voltijds studeren of 2°. artikel 7.18 van eerstgenoemde wet zich voltijds voorbereiden op een promotie als bedoeld inof 3°. artikel 1.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten recht hebben op een tegemoetkoming als bedoeld inen b. artikel 8, onderdeel a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000 vreemdelingen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning hebben ontvangen als bedoeld in. 3 artikel 46, tweede lid, van de wet artikel 56 Indien de toegelaten instelling woongelegenheden waarop het bepaalde bij en krachtensvan toepassing is verhuurt aan of heeft ondergebracht in een rechtspersoon of vennootschap welke overeenkomsten van huur en verhuur ten aanzien van zodanige woongelegenheden aangaat met natuurlijke personen, of een rechtspersoon of vennootschap welke zodanige woongelegenheden verhuurt aan een rechtspersoon of vennootschap welke zodanige overeenkomsten aangaat, draagt zij er zorg voor dat die rechtspersoon of vennootschap met betrekking tot die woongelegenheden dat bepaalde naleeft, en isvan toepassing op de aan die rechtspersoon of vennootschap te verstrekken gegevens. 4 artikel 48, vierde lid artikel 55, derde lid, van de wet De toegelaten instelling voert overleg met de rechtspersoon of vennootschap, eerstbedoeld in het derde lid, met het oogmerk te bewerkstelligen dat die rechtspersoon of vennootschap alle handelingen verricht en aan de toegelaten instelling alle inlichtingen verstrekt die voor haar noodzakelijk zijn om aan, enen het eerste tot en met derde lid van dit artikel te voldoen. 5 artikel 46, tweede lid, van de wet artikel 48, vierde lid artikel 55, derde lid, van de wet Het is de toegelaten instelling verboden een overeenkomst met een rechtspersoon of vennootschap ter zake van de huur en verhuur van woongelegenheden waarop het bepaalde bij en krachtensvan toepassing is aan te gaan, die in de weg staat aan de juiste toepassing van, enen het eerste tot en met derde lid van dit artikel. Indien een voor het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden aangegane zodanige overeenkomst ertoe leidt dat die toegelaten instelling niet over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn voor een beoordeling als bedoeld in het zesde lid, wordt dat die toegelaten instelling bij die beoordeling niet aangerekend. 6 artikel 56 Onze Minister beoordeelt jaarlijks voor 1 december of de toegelaten instelling in het aan die datum voorafgaande jaar dit artikel enheeft nageleefd of doen naleven, en verstrekt dat oordeel aan de toegelaten instelling. 2022 184 18-05-2022 06-05-2022 2022 184 18-05-2022 06-05-2022 01-08-2022
Artikel 54a — Artikel 54a#
Artikel 54a artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2a van de Wet op de zorgtoeslag artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet Op verzoek van een uit een of meer personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld inhebben bereikt, bestaand huishouden waarvan de rendementsgrondslag, bedoeld in, meer bedraagt dan het ingenoemde van toepassing zijnde bedrag, kan de toegelaten instelling ten aanzien van dat huishouden het inover de huurprijs buiten toepassing laten. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 55 — Artikel 55#
Artikel 55 1 artikel 54, derde lid artikel 46, tweede lid, van de wet De administratie van de toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, is zodanig, dat een juiste, volledige en tijdige vastlegging daarin is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen. Die gegevens worden voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtensvoor een kalenderjaar niet langer daarin bewaard dan tot het tijdstip dat de compensatie over dat kalenderjaar voor werkzaamheden van de toegelaten instelling die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang onherroepelijk is komen vast te staan. 2 De toegelaten instelling is verplicht tot geheimhouding van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift haar tot mededeling verplicht of uit haar taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 56 — Artikel 56#
Artikel 56 1 artikel 54, derde lid bijlage 4 artikel 46, tweede lid, van de wet Wet op de huurtoeslag De toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, geeft toepassing aan het bepaalde bij en krachtens, overeenkomstigbij dit besluit. Zij geeft hieraan slechts toepassing nadat degene die als huurder een woongelegenheid waarop dat bepaalde van toepassing is wenst te betrekken, ten behoeve van de vaststelling of hij in de zin van dat bepaalde in aanmerking komt voor een huurtoeslag in de zin van de, aan haar heeft overgelegd: a. een door hem opgestelde en ondertekende verklaring over de samenstelling van zijn huishouden; b. gegevens waaruit het huishoudinkomen blijkt, of op grond waarvan dat inkomen zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk kan worden geschat; en c. artikel 54a indien de verhuurder heeft verzocht om toepassing van, gegevens waaruit de in dat artikel bedoelde grondslag sparen en beleggen van zijn huishouden blijkt. 2 De toegelaten instelling voegt in haar administratie, onverwijld na de toepassing, bedoeld in het eerste lid, bij de in verband daarmee afgegeven verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, een door haar ondertekende verklaring dat zij geen redenen heeft om aan de juistheid van de eerstbedoelde verklaring te twijfelen. 3 artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 artikel 46 van de wet Wet op de huurtoeslag artikel 54, derde lid bijlage 4 Indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend vreemdelingen zijn die in Nederland rechtmatig verblijf hebben als bedoeld inen behoren tot de groep verblijfsgerechtigden die in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de taakstelling overeenkomstig, dan geeft de toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, in afwijking van het eerste lid, slechts toepassing aan het bepaalde bij of krachtens, overeenkomstigbij dit besluit, nadat een van diegenen die als huurder de woongelegenheid wenst te betrekken, ten behoeve van de vaststelling of hij in aanmerking komt voor huurtoeslag als bedoeld in de, aan haar een inkomstenverklaring als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, heeft overgelegd, waaruit de samenstelling van het huishouden blijkt. 4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing: a. Wet studiefinanciering 2000 artikel 1.1, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten artikel 54, derde lid indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend, en ten hoogste twee, personen zijn die studiefinanciering op grond van deontvangen of een tegemoetkoming als bedoeld in, en degene die als huurder de woongelegenheid wenst te betrekken bewijzen daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, heeft overgelegd, en b. Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek artikel 54, derde lid indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken van buiten Nederland afkomstige personen zijn, die zich hebben ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs in de zin van de, en bewijzen daarvan of verklaringen ter zake aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, zijn overgelegd. 5 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn, behoudens het zesde en zevende lid: a. artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers in geval van vreemdelingen als bedoeld in het derde lid: een inkomstenverklaring, welke niet langer dan zes maanden voordat de overeenkomst van huur en verhuur zou moeten ingaan is afgegeven door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in; b. Participatiewet in geval van personen die algemene bijstand ontvangen op grond van de: een bewijs van toekenning van algemene bijstand; c. artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in geval van andere personen dan de personen, bedoeld in de onderdelen a en b: de aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting of de inkomensgegevens, bedoeld in, van ieder van die personen, over een van de twee kalenderjaren die direct voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst van huur van verhuur zou moeten ingaan. 6 Voor zover gegevens als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, niet beschikbaar zijn blijkens een schriftelijke verklaring van een functionaris van de rijksbelastingdienst die bij regeling van de Minister van Financiën als inspecteur is aangewezen, zijn de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorts: a. die verklaring en b. indien een van degenen die de betrokken woongelegenheid wensen te betrekken dusdanig kort een inkomen in Nederland geniet of dusdanig recent een inkomen in Nederland genoten heeft, dat dat inkomen nog niet bekend is bij de rijksbelastingdienst: 1°. een door degene die als huurder die woongelegenheid wenst te betrekken opgestelde en ondertekende inkomensverklaring waarin ten minste het door hem geschatte huishoudinkomen is opgenomen en, indien die verklaring melding maakt van het benutten van fiscale aftrekposten of van winst uit onderneming, stukken die aantonen dat die verklaring met betrekking tot die aspecten juist en volledig is, en 2°. artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet hetzij een jaaropgave van de werkgever of werkgevers van degenen, bedoeld in de aanhef, over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst ter zake van een verhuur als bedoeld inzou moeten ingaan, dan wel een jaaropgave over eerstbedoeld kalenderjaar van de instantie of instanties die aan diegenen een uitkering verstrekken, hetzij loonstroken of uitkeringsspecificaties van die werkgever of werkgevers respectievelijk die instantie of instanties met betrekking tot één kalendermaand, welke maand geen eerdere is dan de zesde kalendermaand voorafgaand aan de dagtekening van de verklaring, bedoeld onder 1°. 7 artikel 54, derde lid De huurder kan de toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, verzoeken om andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, te gebruiken voor de vaststelling van het huishoudinkomen indien uit de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, een huishoudinkomen blijkt dat: artikel 54, derde lid In deze gevallen overlegt de huurder dat oordeel met een onderbouwing daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in, in welk geval de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voorts zijn de gegevens overeenkomstig het zesde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°. a. artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in, terwijl naar het oordeel van degene die als huurder de betrokken woongelegenheid wenst te betrekken het huishoudinkomen niet hoger is dan dat bedrag, of b. artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag lager of gelijk is aan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in, terwijl naar het oordeel van degene die als huurder de betrokken woongelegenheid wenst te betrekken het huishoudinkomen hoger is dan dat bedrag. 8 artikel 54, derde lid artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet artikel46, tweede lid, eerste volzin, van de wet In afwijking van het eerste lid kan een rechtspersoon of vennootschap als eerstbedoeld in, overeenkomsten ter zake van verhuur als bedoeld inaangaan zonder dat daaraan voorafgaand een verklaring en gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn overgelegd, indien degene die als huurder een woongelegenheid waarop het bepaalde bij en krachtensvan toepassing is, wenst te betrekken een onderdaan is van een lidstaat en voor het verrichten van arbeid in Nederland verblijft. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven door een rechtspersoon of vennootschap die beschikt over een keurmerk van de Stichting keurmerk internationale arbeidsbemiddeling of van de Stichting normering flexwonen en bij het aangaan van de betrokken overeenkomst van huur en verhuur een bewijs van de toekenning van dat keurmerk aan de toegelaten instelling overlegt. 9 artikel 54, derde lid De rechtspersoon of vennootschap, eerstbedoeld in, legt op de laatste dag van elk kalenderkwartaal ten aanzien van de huurders, bedoeld in het achtste lid, met wie in dat kwartaal een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan aan de toegelaten instelling over: a. het adres van de woongelegenheid die de huurder, bedoeld in het achtste lid, heeft betrokken; b. de naam van de huurder en de datum waarop de huurder de woongelegenheid heeft betrokken; c. een verklaring over de samenstelling van het huishouden van de huurder, en d. gegevens waaruit het huishoudinkomen van de huurder en in voorkomend geval de grondslag sparen en beleggen blijkt, of op grond waarvan dat inkomen en in voorkomend geval die grondslag zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk kan worden geschat. 10 bijlage 4 artikel 252a, tweede lid, onderdeel f, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de huurtoeslag De ingenoemde index l1 en index l2 worden bij ministeriële regeling vastgesteld en jaarlijks met ingang van 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd met de procentuele wijziging per 1 januari van het peiljaar, bedoeld in, van het bedrag, genoemd in. 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 2025 424 10-12-2025 04-12-2025 01-01-2026
Artikel 57 — Artikel 57#
Artikel 57 artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet De categorieën van personen, bedoeld in, zijn: a. artikel 54, tweede lid, onderdelen a en b de categorieën van personen, genoemd in; b. artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg personen die zijn of worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld invoor: 1°. artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van die wet verblijf als bedoeld inof 2°. artikel 10.1.4 van die wet direct oproepbare assistentie bij algemene dagelijkse levensverrichtingen als bedoeld in. c. artikel 2.1 van het Besluit zorgverzekering artikel 2.10 van dat besluit personen die op grond vanvoor een periode van ten minste een jaar ten minste 10 uur per week verpleging of verzorging als bedoeld inontvangen en d. artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit personen die zijn of worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld inzoals dat luidde op 31 december 2014 voor: 1°. artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ verblijf als bedoeld inzoals dat luidde op die datum of 2°. artikel 34 van dat besluit ADL-assistentie als bedoeld inzoals dat luidde op die datum. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 58 — Artikel 58#
Artikel 58 1 artikel 48, tweede lid, van de wet artikelen 48, eerste, tweede en vierde lid 55, derde en vierde lid, van de wet De toegelaten instelling voert overleg met de rechtspersoon of vennootschap, eerstbedoeld in, met het oogmerk te bewerkstelligen dat die rechtspersoon of vennootschap alle handelingen verricht en aan de toegelaten instelling alle inlichtingen verstrekt die voor haar noodzakelijk zijn om aan de, ente voldoen. 2 artikel 48, eerste lid, van de wet 55, derde of vierde lid, van de wet Het is de toegelaten instelling verboden een overeenkomst met een rechtspersoon of vennootschap ter zake van de huur en verhuur van woongelegenheden waaropvan toepassing is aan te gaan, die in de weg staat aan de juiste toepassing van artikel 48, eerste, tweede of vierde lid, van de wet,of het eerste lid van dit artikel. Indien een voor 18 mei 2013 aangegane zodanige overeenkomst ertoe leidt dat die toegelaten instelling niet over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn voor een beoordeling als bedoeld in artikel 48, achtste lid, van de wet, wordt dat die toegelaten instelling bij die beoordeling niet aangerekend. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 59 — Artikel 59#
Artikel 59 1 artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 4 van de Huisvestingswet 2014 artikel 16, eerste lid De toegelaten instelling geeft bij het aangaan van overeenkomsten van huur en verhuur met betrekking tot haar woongelegenheden, bedoeld in, in de gevallen dat het huishoudinkomen hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in, voorrang aan huishoudens overeenkomstig een huisvestingsverordening als bedoeld in, indien een zodanige verordening van toepassing is, en vervolgens aan: a. huishoudens voor welke de voorziening in de behoefte aan huisvesting dringend noodzakelijk is uit het oogpunt van gezondheid, veiligheid, sociale factoren, overmacht of calamiteiten; b. huishoudens die woongelegenheden met elkaar ruilen en c. artikel 266 lid 1 267 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek 268 lid 1 van dat boek degenen die ingevolgeofmedehuurder van de betrokken woongelegenheid waren en de overeenkomst van huur en verhuur voortzetten overeenkomstig artikel 266 lid 3, 267 lid 6 of. 2 artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 16, eerste lid Na het geven van voorrang overeenkomstig het eerste lid houdt de toegelaten instelling bij het aangaan van overeenkomsten van huur en verhuur met betrekking tot haar woongelegenheden, bedoeld in, in de gevallen dat het huishoudinkomen hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in, de volgorde aan die voortvloeit uit het daarover door haar vast te stellen beleid. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 60 — Artikel 60#
Artikel 60 1 artikel 48, vijfde lid, eerste volzin, van de wet Het verzoek, bedoeld in, omvat in elk geval: a. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet het gebied waarin de verzoekende toegelaten instelling of instellingen een lager percentage dan het op grond vangeldende percentage van toepassing willen laten zijn, en welk percentage dat zou moeten zijn; b. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet het gebied waarin de in het verzoek te noemen andere toegelaten instelling of instellingen een hoger percentage dan het op grond vangeldende percentage van toepassing willen laten zijn, en welk percentage dat zou moeten zijn; c. voor hoeveel jaren dat lagere en hogere percentage van toepassing zouden moeten zijn, welk aantal jaren ten hoogste 4 is, en d. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet de wijze waarop gedurende die jaren wordt bewerkstelligd dat na die jaren zal worden voldaan aan. 2 Voordat Onze Minister op het verzoek beslist, stelt hij de gemeenten die gelegen zijn in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en waar een of meer van de bij het verzoek betrokken toegelaten instellingen feitelijk werkzaam zijn, in de gelegenheid hun zienswijzen daarop aan hem kenbaar te maken. Die gemeenten kunnen die zienswijzen binnen vier weken aan hem doen toekomen. 3 artikel 48, vijfde lid, eerste volzin, van de wet Onze Minister bepaalt voor elke toegelaten instelling afzonderlijk het lagere percentage, bedoeld in, en het hogere percentage, bedoeld in de derde volzin van dat lid, met gebruikmaking van de formule: in welke formule voorstelt: – wgl/geb (woongelegenheden gebieden): artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 36a, vierde lid, van de wet het aantal woongelegenheden, bedoeld in, van de betrokken toegelaten instelling volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, dat gelegen is in het gebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a respectievelijk b, van dit artikel; – perc/geb (percentage gebieden): het lagere of hogere percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a respectievelijk b; – wgl/ov (woongelegenheden overig): artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 36a, vierde lid, van de wet het aantal woongelegenheden, bedoeld in, van de betrokken toegelaten instelling volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, dat niet gelegen is in het gebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a respectievelijk b, van dit artikel; – wgl/tot (woongelegenheden totaal): artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 36a, vierde lid, van de wet het totale aantal woongelegenheden, bedoeld in, van de betrokken toegelaten instelling volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 61 — Artikel 61#
Artikel 61 1 De compensatie in enig boekjaar bedraagt: a. het in dat jaar door de toegelaten instelling genoten voordeel uit het aantrekken van leningen met gebruikmaking van de borgingsvoorziening, of van borgstelling daarvan door overheden, welk voordeel wordt bepaald op 0,7% van de zodanige leningen die de toegelaten instelling op 31 december van dat jaar in portefeuille had; b. artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet de in dat jaar aan de toegelaten instelling toegekende subsidies als bedoeld in. De toegekende subsidies worden evenredig toegerekend aan het lopende kalenderjaar en de negen daaropvolgende jaren; c. artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de wet de in dat jaar door de toegelaten instelling ontvangen subsidies als bedoeld in, voor zover deze subsidies hoger zijn dan de onrendabele top van de werkzaamheden waarvoor de subsidies zijn verleend; en d. het in dat jaar door de toegelaten instelling genoten voordeel uit het verwerven van grond ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang tegen een prijs die ligt beneden de marktwaarde van die grond op het tijdstip van die verwerving. 2 Onze Minister berekent de overcompensatie in enig boekjaar overeenkomstig de formule: dnr-daeb-gesch + tc -/- rn X mw-daeb, met dien verstande dat de overcompensatie niet hoger is dan de overeenkomstig het eerste lid berekende compensatie en niet hoger is dan dnr-daeb, in welke formule voorstelt: – artikel 1 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dnr-daeb-gesch: het directe netto resultaat uit exploitatie in het betrokken boekjaar van de onroerende zaken in eigendom van de toegelaten instelling, die verband houden met haar werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, voor de afdracht van de verschuldigde vennootschapsbelasting, bedoeld inen geschoond voor rentelasten, rentebaten, schenkingen en baten en lasten uit deelnemingen, beleggingen en liquiditeiten en andere baten en lasten uit overhead; – tc: de in het betreffende boekjaar verkregen compensatie, berekend overeenkomstig het eerste lid; – mw-daeb: de waarde op 31 december van het betrokken boekjaar van de onroerende zaken in eigendom van de toegelaten instelling, die verband houden met haar werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang; – rn: de rendementsnorm genoemd in het derde of vierde lid; – dnr-daeb: het directe netto resultaat uit exploitatie in het betrokken boekjaar van de onroerende zaken in eigendom van de toegelaten instelling, die verband houden met haar werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang. 3 De rendementsnorm voor de boekjaren 2024 tot en met 2029 bedraagt 0,0369. 4 In afwijking van het derde lid bedraagt de rendementsnorm: a. artikel 41c, tweede lid, van de wet artikel 36, onderdeel b 0,057 voor toegelaten instellingen als bedoeld in, die zich bij hun werkzaamheden in het bijzonder richten op de huisvesting van categorieën van personen, bedoeld in; b. 0,0455 voor toegelaten instellingen waarvan minimaal 50% van hun woongelegenheden is gelegen in de bij ministeriële regeling vastgestelde gebieden. 5 Met ingang van het boekjaar 2024 worden de rendementsnormen, genoemd in het derde en vierde lid, telkens voor een periode van 5 jaren opnieuw vastgesteld. 6 Indien een saneringsplan de eigen toegelaten instelling betreft toetst Onze Minister in het geval van een positieve uitkomst van de formule, bedoeld in het tweede lid, of die positieve uitkomst in overeenstemming is met de uitgangspunten van het saneringsplan. Voor zover de toets uitwijst dat dat het geval is wordt die uitkomst niet beschouwd als overcompensatie. 7 De in enig boekjaar af te dragen overcompensatie bedraagt het gemiddelde van de op grond van het tweede lid berekende overcompensatie in dat boekjaar en de twee direct daaraan voorafgaande boekjaren, waarbij de af te dragen overcompensatie op nihil wordt vastgesteld indien de berekening leidt tot een negatieve uitkomst. 8 Onze Minister stelt de af te dragen overcompensatie, bedoeld in het zevende, vast en vordert de af te dragen overcompensatie terstond terug nadat deze is vastgesteld. 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 62 — Artikel 62#
Artikel 62 1 Indien: artikel 63 vordert Onze Minister, tenzij hij toepassing geeft aan, de compensatie, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgesteld dat een geval als bedoeld in onderdeel a, b of c zich heeft voorgedaan, terug, voor zover deze te hoog is gebleken. a. artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel 16, eerste lid artikel 60 het percentage woongelegenheden, bedoeld in, met betrekking tot welke de toegelaten instelling overeenkomsten van huur en verhuur heeft aangegaan in gevallen dat het huishoudinkomen niet hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in, in een boekjaar meer dan 5 procentpunt lager is dan het op grond vangeldende dan wel het overeenkomstigvastgestelde percentage; b. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel 60 de toegelaten instelling gedurende twee achtereenvolgende boekjaren niet voldoet aan, waarbij, indien van toepassing, het overeenkomstigvastgestelde percentage in aanmerking wordt genomen of c. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel 60 het percentage woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a, in een boekjaar minder dan 5 procentpunt lager is dan het op grond vangeldende dan wel het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage, en in het daaropvolgende boekjaar niet zodanig hoger is dan het op grond van artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet geldende percentage dan wel het overeenkomstigvastgestelde percentage, dat over de twee betrokken boekjaren gezamenlijk bezien voldaan is aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, 2 artikel 48, tweede lid, van de wet artikel 47, eerste lid, onderdeel b of c, van de wet Indien het, door een toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap ten aanzien van welke zij toepassing heeft gegeven aan, in een boekjaar aangaan van één overeenkomst van huur van verhuur met betrekking tot een andere woongelegenheid van die toegelaten instelling dan die, bedoeld in, aanleiding zou geven tot een terugvordering als bedoeld in het eerste lid, wordt geen toepassing aan dat lid gegeven. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022 Abusievelijk is voor het eerste lid, onderdeel c, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 63 — Artikel 63#
Artikel 63 1 artikel 62, eerste lid, onderdeel a, b of c artikel 60 Artikel 62, tweede lid artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel 1, eerste lid, begripsomschrijving van compensatie, onderdeel a of c, van de wet Onze Minister kan in een geval als bedoeld in, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgesteld dat een zodanig geval zich heeft voorgedaan, bepalen dat een toegelaten instelling, zolang zij niet voldoet aan, geen compensatie toekomt in de vorm, bedoeld in, voor werkzaamheden met betrekking tot welke na zijn besluit uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken komt te blijken dat wordt beoogd daarmee een aanvang te maken. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt, indien van toepassing, het overeenkomstigvastgestelde percentage in aanmerking genomen., is van overeenkomstige toepassing. 2 Onze Minister vordert, indien de toegelaten instelling compensatie heeft verkregen in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste lid, die compensatie terug. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 64 — Artikel 64#
Artikel 64 1 artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de wet De toegelaten instellingen op welkeingevolge de tweede volzin van dat lid niet van toepassing is, delen door middel van het opstellen van een kostenverdeelstaat jaarlijks hun baten en lasten toe aan werkzaamheden die behoren respectievelijk niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang. Daarbij maken zij inzichtelijk dat de compensatie uitsluitend ten goede is gekomen aan werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang. 2 artikelen 13a, tweede, derde en vierde lid 66 67 69, vierde lid 70 tot en met 78 79, tweede lid 80, vierde lid Op toegelaten instellingen als bedoeld in het eerste lid zijn de,,,,,, en, niet van toepassing. 3 artikel 69, eerste tot en met derde en vijfde lid Op toegelaten instellingen als bedoeld in het eerste lid is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. artikel 64, eerste lid in de aanhef van het eerste lid voor «ten laste van de daeb-tak brengen» wordt gelezen «in de kostenverdeelstaat, bedoeld in, onder de werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang rangschikken»; b. in het tweede lid: 1°. artikel 64, eerste lid voor «ten laste van de daeb-tak worden gebracht» wordt gelezen «in de kostenverdeelstaat, bedoeld in, onder de werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang worden gerangschikt» en 2°. voor «ten laste van die tak worden gebracht» wordt gelezen «zodanig worden gerangschikt» en c. in het vijfde lid voor «tweede, derde en vierde lid» wordt gelezen: tweede en derde lid. 4 artikel 80, eerste, tweede, derde en vijfde lid artikel 64, eerste lid Op toegelaten instellingen als bedoeld in het eerste lid is, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid, onderdeel a, voor «administratief naar de niet-daeb-tak over te brengen» wordt gelezen: in de kostenverdeelstaat, bedoeld in, te rangschikken onder de werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 65 — Artikel 65#
Artikel 65 1 artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel II, derde lid, tweede volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting De toegelaten instellingen op welkevan toepassing is, nemen in het voorstel, bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken, voor elke wijk of buurt waar onroerende zaken zijn gelegen welke zij voornemens is in haar daeb-tak onder te brengen, een bedrag op dat gelijk is aan 5% van de WOZ-waarde van die zaken op 31 december 2015. 2 artikel 36, eerste lid, van de wet artikel 66 De toegelaten instellingen, bedoeld in artikel 64, eerste lid, nemen in het jaarverslag, bedoeld in, over het jaar 2015, voor elke wijk of buurt waar onroerende zaken zijn gelegen welke ingevolgein de daeb-tak zouden kunnen zijn ondergebracht, een bedrag op dat gelijk is aan 5% van de WOZ-waarde van die zaken op 31 december 2015. 3 artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel 49a, van de wet De toegelaten instellingen op welke, van toepassing is, nemen in het voorstel, bedoeld in, voor elke wijk of buurt waar onroerende zaken zijn gelegen welke zij voornemens is in haar daeb-tak onder te brengen, een bedrag op dat gelijk is aan 5% van de WOZ-waarde van die zaken. 4 Indien de in de betrokken gemeente geldende woonvisie mede de aanwijzing van een gebied inhoudt waar herstructurering wordt beoogd en dat gebied meer dan een wijk of buurt beslaat, kan de toegelaten instelling voor de toepassing van het eerste, tweede of derde lid uitgaan van de WOZ-waarde van haar onroerende zaken die gelegen zijn in dat gebied. 5 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke delen van een gemeente voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid als wijk of buurt worden beschouwd. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 66 — Artikel 66#
Artikel 66 1 artikel 50, tweede lid, onderdeel e, van de wet De toegelaten instelling brengt, onverminderd, in de daeb-tak onder: a. artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag haar verhuurde woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, alsmede haar geprojecteerde woongelegenheden die zij voornemens is tegen een zodanige huurprijs te verhuren; b. haar niet verhuurde woongelegenheden die laatstelijk waren verhuurd tegen een huurprijs als bedoeld in onderdeel a; c. artikel 47, eerste lid, onderdelen c en d, van de wet haar woongelegenheden, bedoeld in; d. artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet haar bestaande en geprojecteerde gebouwen, bedoeld inalsmede haar niet verhuurde gebouwen die laatstelijk waren verhuurd overeenkomstig dat artikel; e. haar onbebouwde grond, voor zover daarop ingevolge een bestemmingsplan woningbouw zal moeten plaatsvinden, en zij voornemens is daarop binnen tien jaar na het verwerven van die grond woongelegenheden te doen bouwen, van welke ten minste 90% zal behoren tot de woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a; f. de door haar aangetrokken leningen met gebruikmaking van de borgingsvoorziening, of van borgstelling daarvan door overheden; g. artikel 13a, tweede lid de voorziening, bedoeld in; h. haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen uit hoofde van bedingen die betrekking hebben op een opvolgende vervreemding door de verkrijger van een woongelegenheid van de toegelaten instelling, indien die woongelegenheid op het tijdstip dat deze laatstelijk door de toegelaten instelling werd verhuurd, was aan te merken als een woongelegenheid als bedoeld in onderdeel a of c, en is vervreemd aan een natuurlijke persoon, en i. haar baten en lasten, naar de mate waarin zij betrekking hebben op activa of passiva als bedoeld in de onderdelen a tot en met h, of, voor zover die baten en lasten niet aldus aan activa of passiva kunnen worden gerelateerd, jaarlijks het deel van die baten en lasten dat verhoudingsgewijs gelijk is aan het aandeel van de onroerende zaken, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, in het totaal van haar onroerende zaken, welk aandeel en totaal blijken uit haar laatstelijk vastgestelde balans. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen de toegelaten instelling in de daeb-tak onderbrengt. 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 2024 105 25-04-2024 09-04-2024 01-07-2024
Artikel 67 — Artikel 67#
Artikel 67 1 artikel 50, tweede lid, onderdeel e, van de wet De toegelaten instelling brengt, onverminderd, in de niet-daeb-tak onder: a. artikel 66, eerste lid, onderdelen a tot en met e haar bestaande en geprojecteerde onroerende zaken die zij niet ingevolge, of het bepaalde krachtens artikel 66, tweede lid, in de daeb-tak onderbrengt; b. artikel 66, eerste lid, onderdeel f de andere door haar aangetrokken leningen dan die, bedoeld in, niet zijnde vlottende schuld; c. haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen uit hoofde van bedingen die betrekking hebben op een opvolgende vervreemding door de verkrijger van een woongelegenheid van de toegelaten instelling, indien die woongelegenheid op het tijdstip dat deze laatstelijk door de toegelaten instelling werd verhuurd, niet was aan te merken als een woongelegenheid als bedoeld in onderdeel a of c, en is vervreemd aan een natuurlijke persoon; d. de met haar verbonden ondernemingen, alsmede haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen jegens die ondernemingen, en e. haar baten en lasten, naar de mate waarin zij betrekking hebben op activa of passiva als bedoeld in de onderdelen a, b en c, of, voor zover die baten en lasten niet aldus aan activa of passiva kunnen worden gerelateerd, jaarlijks het deel van die baten en lasten dat verhoudingsgewijs gelijk is aan het aandeel van de onroerende zaken, bedoeld in onderdeel a, in het totaal van haar onroerende zaken, welk aandeel en totaal blijken uit haar laatstelijk vastgestelde balans. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen de toegelaten instelling in de niet-daeb-tak onderbrengt of kan onderbrengen. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 68 — Artikel 68#
Artikel 68 1 artikel 69 artikel 65, eerste lid artikel 49, eerste lid, eerste volzin, van de wet artikel II, derde lid, tweede volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting artikel 49a van de wet Ten behoeve van de toepassing vantot en met 31 december 2025 hanteren de toegelaten instellingen op welkevan toepassing is, het bedrag, bedoeld in, dat deel uitmaakt van een goedgekeurd voorstel als bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken, of dat deel uitmaakt van een goedgekeurd voorstel als bedoeld in. Ten behoeve van die toepassing na die datum stellen die toegelaten instellingen, voor elke wijk of buurt waar onroerende zaken zijn gelegen welke zij in de daeb-tak hebben ondergebracht, een bedrag vast dat gelijk is aan 5% van de WOZ-waarde van die zaken op 31 december 2025. 2 artikel 69, eerste tot en met derde lid artikel 64, eerste lid artikel 65, tweede lid artikel 36, eerste lid, van de wet Ten behoeve van de toepassing van, tot en met 31 december 2025 hanteren de toegelaten instellingen, bedoeld in, het bedrag, bedoeld in. Ten behoeve van die toepassing na die datum nemen zij in het jaarverslag, bedoeld in, over het jaar 2025, op de wijze, bedoeld in artikel 65, tweede lid, een bedrag op dat gelijk is aan 5% van de WOZ-waarde van de betrokken onroerende zaken op 31 december 2025. 3 Artikel 65, derde en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 69 — Artikel 69#
Artikel 69 1 De toegelaten instelling kan in geval van herstructurering ten laste van de daeb-tak brengen: a. artikel 1, eerste lid voor zover die herstructurering bestaat uit werkzaamheden als bedoeld in, begripsomschrijving van herstructurering, aanhef en onderdeel a: de kosten die zijn gemoeid met het verwerven van de betrokken onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, dan wel met de afboeking van die onroerende zaken, vermeerderd met de kosten van de sloop van die onroerende zaken en het bouwrijp maken van de grond ter plaatse van die sloop, en verminderd met de op residuele wijze, uitgaande van de voorgenomen bouw van onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, bepaalde marktwaarde van die grond na het bouwrijp maken daarvan; b. artikel 1, eerste lid voor zover die herstructurering bestaat uit werkzaamheden als bedoeld in, begripsomschrijving van herstructurering, aanhef en onderdeel b: de kosten die zijn gemoeid met het verwerven van de betrokken onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, dan wel met de afboeking van die onroerende zaken, verminderd met de op residuele wijze, uitgaande van het voorgenomen treffen van ingrijpende voorzieningen of de voorgenomen samenvoeging, bepaalde marktwaarde van die onroerende zaken. 2 artikel II, vierde lid, tweede volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting artikel 49a, derde lid, tweede volzin, van de wet artikel 65, eerste of tweede lid artikel 68, eerste of tweede lid Bij toepassing van het eerste lid kan in het tijdvak dat aanvangt op het ingangstijdstip, bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken, of het ingangstijdstip, bedoeld in, en dat eindigt op 31 december 2025, ten hoogste het bedrag, bedoeld in, ten laste van de daeb-tak worden gebracht. Bij toepassing van dat lid kan per daaropvolgend tijdvak van tien jaar, waarvan het eerste aanvangt op 1 januari 2026 en de volgende telkens tien jaar nadien, ten hoogste het bedrag, bedoeld in, ten laste van die tak worden gebracht. 3 Het ten laste brengen in enig tijdvak, bedoeld in het eerste en tweede lid, is uitsluitend van toepassing op herstructurering, met welke in dat tijdvak een aanvang is gemaakt, of met betrekking tot welke uit schriftelijke, uitsluitend op die herstructurering betrekking hebbende, stukken blijkt dat het maken van die aanvang wordt beoogd. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit lid. 4 Bij toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gaat onverwijld na het bouwrijp maken van de grond, bedoeld in dat onderdeel, die grond over naar de niet-daeb-tak onder verrekening tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak van de marktwaarde daarvan, bepaald overeenkomstig dat onderdeel. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 70 — Artikel 70#
Artikel 70 1 artikelen 66 67 artikel 10, tweede lid, onderdeel a Indien de toepassing van het bepaalde bij en krachtens deener zonder nadere maatregelen toe zou leiden, dat de financiële continuïteit van de daeb-tak niet in dezelfde mate is gewaarborgd als die van de niet-daeb-tak, voert de toegelaten instelling bij die toepassing onder de naam «interne startlening» een vordering van de daeb-tak op de niet-daeb-tak op. Op het rentepercentage van die vordering is het bepaalde bij en krachtens, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het rentepercentage, bedoeld in dat artikel, geldt als minimumpercentage. 2 artikel II, derde lid, tweede volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting artikel 49a, eerste lid, tweede volzin, van de wet Van de vordering, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maal per vijf jaar een bedrag ingelost, dat verhoudingsgewijs gelijk is aan het periodiek af te lossen bedrag op de leningen die zijn aangetrokken met gebruikmaking van de borgingsvoorziening. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt uitgegaan van die vordering en die leningen als opgenomen in het door Onze Minister goedgekeurde voorstel, bedoeld in, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken, of het door Onze Minister goedgekeurde voorstel, bedoeld in. 3 De toegelaten instelling kan Onze Minister verzoeken om de inlossing, bedoeld in het tweede lid, op een later tijdstip te stellen of het in te lossen bedrag lager vast te stellen. Onze Minister willigt het verzoek uitsluitend in, indien naar zijn oordeel daardoor wordt voorkomen dat de financiële continuïteit van de niet-daeb-tak niet meer is gewaarborgd en de financiële continuïteit van de daeb-tak gewaarborgd blijft. Hij kan aan dat inwilligen nadere voorwaarden verbinden. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 71 — Artikel 71#
Artikel 71 1 Overdrachten door de toegelaten instelling tussen haar daeb-tak en haar niet-daeb-tak van garanties of rechten van pand of hypotheek op zaken en daarmee verbonden rechten na 1 juli 2015 leiden op generlei wijze tot een wijziging voor derden in het kunnen inroepen van hun rechten jegens de toegelaten instelling. 2 artikel 13a, tweede lid artikel 79, tweede lid, onderdeel a De toegelaten instelling verschaft vanuit haar daeb-tak niet anderszins financiële middelen aan haar niet-daeb-tak dan door middel van een voorziening als bedoeld in, een interne startlening als bedoeld in artikel 70, eerste lid, of een interne lening als bedoeld in. Zij verschaft vanuit haar daeb-tak geen garanties aan haar niet-daeb-tak. 3 De toegelaten instelling kan Onze Minister verzoeken om een ontheffing van het verbod, bedoeld in het tweede lid. Onze Minister willigt het verzoek uitsluitend in, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk is: a. om te voorkomen dat de toegelaten instelling gehouden is om schulden van de niet-daeb-tak uit haar daeb-tak te voldoen of b. ten behoeve van de herfinanciering van leningen die bestonden op 1 juli 2015 en nadien in de niet-daeb-tak zijn ondergebracht. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 72 — Artikel 72#
Artikel 72 artikelen 66 tot en met 71 De administratie van de toegelaten instelling wordt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens deingericht. In die administratie wordt elke overdracht van financiële middelen vanuit de niet-daeb-tak van de toegelaten instelling aan haar daeb-tak afzonderlijk verantwoord. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 73 — Artikel 73#
Artikel 73 1 artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder De toegelaten instelling stelt, voordat zij een verzoek om goedkeuring van een voorgenomen administratieve scheiding indient, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente waar zij haar woonplaats heeft en van de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is, de betrokken bewonersorganisaties en de huurders van haar gebouwen die een maatschappelijke gebruiksbestemming hebben als bedoeld inin de gelegenheid om hun zienswijze op die scheiding te geven. De personen en instanties, bedoeld in de eerste volzin, kunnen binnen zes weken hun zienswijzen aan de toegelaten instelling doen toekomen. De betrokken bewonersorganisaties kunnen binnen zes weken hun adviezen, bedoeld in, aan haar doen toekomen. 2 artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder De toegelaten instelling verstrekt de personen en instanties, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, alle inlichtingen die redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het zich vormen van hun zienswijze, of aan het opstellen van een advies als bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het tweede lid. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 74 — Artikel 74#
Artikel 74 1 De toegelaten instelling voert overleg over het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen administratieve scheiding met de gemeente waar zij haar woonplaats heeft en de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is, alsmede met de betrokken bewonersorganisaties. 2 De toegelaten instelling stelt de huurders van haar andere gebouwen dan woongelegenheden in de gelegenheid met haar overleg te voeren over het verzoek, bedoeld in het eerste lid. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 75 — Artikel 75#
Artikel 75 1 Het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen administratieve scheiding gaat in elk geval vergezeld van: a. artikel 49a, van de wet het voorstel, bedoeld in, en een schriftelijke toelichting daarop; b. artikelen 13a 70 71 de gegevens over de beoogde toepassing van het bepaalde bij en krachtens de,en; c. artikel 73, eerste lid de zienswijzen daarop van de personen en instanties, bedoeld in, en, in geval van een negatieve zodanige zienswijze, een onderbouwde reactie daarop van de toegelaten instelling, dan wel, bij het uitgebleven zijn van een zienswijze, bescheiden waaruit blijkt dat zij om die zienswijze heeft gevraagd; d. artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder de adviezen, bedoeld in, en, in geval van een negatief zodanig advies, een onderbouwde reactie daarop van de toegelaten instelling, dan wel, bij het uitgebleven zijn van een advies, bescheiden waaruit blijkt dat zij om dat advies heeft gevraagd en e. de balans van de toegelaten instelling zoals zij die na de goedkeuring van die scheiding beoogt in te richten. 2 In de toelichting op het voorstel voor de voorgenomen administratieve scheiding wordt in elk geval opgenomen: a. artikel 49a, tweede lid, van de wet artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet de motieven voor het bij die scheiding toepassing geven aan, waarbij in elk geval wordt ingegaan op het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven van; b. artikel 49a, tweede lid, van de wet artikel 50, eerste en tweede lid, van de wet artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte een overzicht van haar werkzaamheden, baten, lasten, activa en passiva, bedoeld in, in samenhang met, die zij voornemens is in de niet-daeb-tak onder te brengen, welk overzicht wat betreft haar woongelegenheden en gebouwen is uitgesplitst per gemeente waar zij gelegen zijn, en waarin zijn opgenomen de modelmatige marktwaarde van die woongelegenheden en gebouwen, alsmede de huurprijs en de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, van die woongelegenheden; c. een uiteenzetting over de financiële relaties die als gevolg van die scheiding tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak zullen bestaan; d. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet een uiteenzetting over de beoogde prestaties op het terrein van de volkshuisvesting van de daeb-tak en de niet-daeb-tak na die scheiding, inhoudende een uiteenzetting over de wijze waarop de toegelaten instelling toepassing zal geven aan; e. een uiteenzetting over de financiële continuïteit van de daeb-tak en de niet-daeb-tak na die scheiding, mede inhoudende een uiteenzetting over de financiële gevolgen van de in verband met die scheiding verwachte wijzigingen in het beleid van de toegelaten instelling en f. een uiteenzetting over de mogelijkheden voor en de bereidheid van financiële instellingen om de niet-daeb-tak financiële middelen te verschaffen ten behoeve van de uitvoering van zijn werkzaamheden. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 76 — Artikel 76#
Artikel 76 Op verzoek van Onze Minister verstrekt de toegelaten instelling hem nadere inlichtingen over de voorgenomen administratieve scheiding, voor zover dat naar zijn oordeel voor de beoordeling van het verzoek om goedkeuring daarvan noodzakelijk is. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inlichtingen die de toegelaten instelling dient te verstrekken. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 77 — Artikel 77#
Artikel 77 1 Onze Minister betrekt bij zijn beoordeling van de financiële continuïteit van de daeb-tak na goedkeuring van de voorgenomen administratieve scheiding in elk geval: a. zijn geraamde solvabiliteit na die scheiding; b. de verhouding tussen het saldo van zijn operationele kasstromen en zijn rentelasten gedurende de eerste vijf jaren na die scheiding en c. artikel 66, eerste lid, onderdeel f de meest recente beoordeling van zijn kredietwaardigheid door de borgingsvoorziening, indien de toegelaten instelling leningen als bedoeld in, heeft aangetrokken. 2 Onze Minister betrekt bij zijn beoordeling van de financiële continuïteit van de niet-daeb-tak na goedkeuring van de voorgenomen administratieve scheiding in elk geval zijn geraamde solvabiliteit na die scheiding. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 78 — Artikel 78#
Artikel 78 Onze Minister keurt een voorgenomen administratieve scheiding niet goed, indien: a. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet de uitvoering van de daarin vervatte voornemens ertoe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aanof b. artikel 73, eerste lid de zienswijze van een college of bewonersorganisatie als bedoeld in, daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 79 — Artikel 79#
Artikel 79 1 artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag Indien de toegelaten instelling met betrekking tot een woongelegenheid een overeenkomst van huur en verhuur aangaat met een opvolgende huurder, waarbij de huurprijs hoger wordt of, in geval van een woongelegenheid als bedoeld in, hoger blijft dan het ingenoemde bedrag, behoren vanaf het tijdstip waarop die overeenkomst ingaat de werkzaamheden met betrekking tot die woongelegenheid niet meer tot de diensten van algemeen economisch belang. 2 In een geval als bedoeld in het eerste lid brengt de toegelaten instelling in haar niet-daeb-tak onder: a. artikel 13a, tweede lid artikel 10, tweede lid, onderdeel b, en derde lid de betrokken woongelegenheden, tegen hun modelmatige marktwaarde, onder een gelijktijdige verrekening tussen haar niet-daeb-tak en haar daeb-tak waarmee een geldbedrag gemoeid is dat hetzij gelijk is aan die modelmatige marktwaarde, hetzij lager is dan die modelmatige marktwaarde, in welk geval zij voorts tegelijkertijd ten laste van de voorziening, bedoeld in, een interne lening verstrekt welke aan de niet-daeb-tak ten goede komt, ter hoogte van het verschil tussen het verrekende bedrag en die modelmatige marktwaarde, welke lening een rentepercentage heeft dat gelijk is aan de op het tijdstip van verstrekking daarvan geldende rente op tienjarige staatsleningen, vermeerderd met een bij ministeriële regeling te bepalen percentage, en wordt afgelost onder overeenkomstige toepassing van, en b. artikel 66, eerste lid, onderdelen f, h en i de aan die woongelegenheden toe te rekenen gedeelten van de verplichtingen, baten en lasten, bedoeld in. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 27-11-2021 01-01-2021
Artikel 80 — Artikel 80#
Artikel 80 1 artikel 50, eerste lid, van de wet artikel 47, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de wet Een verzoek als bedoeld inkan uitsluitend betrekking hebben op werkzaamheden als bedoeld inmet betrekking tot: en de werkzaamheden die noodzakelijkerwijs uit het verrichten van die werkzaamheden voortvloeien. a. potentieel te liberaliseren woongelegenheden; b. blijvend gereguleerde woongelegenheden, indien die woongelegenheden deel uitmaken van een gemengd geliberaliseerd complex; c. artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet woongelegenheden als bedoeld in; d. artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet gebouwen als bedoeld in, of e. artikel 49, tweede lid gebouwen ten aanzien van welke Onze Minister toepassing heeft gegeven aan, 2 Het verzoek gaat in elk geval vergezeld van: a. artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte een overzicht van haar woongelegenheden of gebouwen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c, d of e, die zij voornemens is administratief naar de niet-daeb-tak over te brengen, dat is uitgesplitst per gemeente waar die woongelegenheden of gebouwen gelegen zijn, en waarin zijn opgenomen de modelmatige marktwaarde van die woongelegenheden of gebouwen, alsmede de huurprijs en de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, van die woongelegenheden, en b. artikel 44, eerste lid, van de wet de zienswijze van de betrokken gemeenten en bewonersorganisaties op het verzoek, tenzij de toegelaten instelling met die gemeenten en bewonersorganisaties op grond van, afspraken heeft gemaakt over de omvang van de voorraad van woongelegenheden of gebouwen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c, d of e, en de vervreemding van een deel van die voorraad. 3 Onze Minister willigt het verzoek niet in, indien: a. artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet de uitvoering van de daarin vervatte voornemens er naar zijn oordeel toe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aanof b. een zienswijze als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft of, na mogelijkheid tot herstel, onterecht niet is meegezonden. 4 Artikel 79, tweede lid, onderdeel a , is van overeenkomstige toepassing op de woongelegenheden en gebouwen, bedoeld in het eerste lid. 5 artikel 50, eerste lid, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen waarvan een verzoek als bedoeld invergezeld gaat, en de gronden waarop Onze Minister het verzoek niet inwilligt. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 81 — Artikel 81#
Artikel 81 1 De toegelaten instelling brengt in een woningvennootschap onder: a. artikel 66, eerste lid, onderdelen a tot en met e haar bestaande en geprojecteerde onroerende zaken die zij bij een administratieve scheiding niet ingevolge, of het bepaalde krachtens artikel 66, tweede lid, in de daeb-tak zou onderbrengen; b. artikel 66, eerste lid, onderdeel f de andere door haar aangetrokken leningen dan die, bedoeld in, niet zijnde vlottende schuld; c. artikel 66, eerste lid, onderdeel a of b artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen uit hoofde van bedingen, inhoudende dat bij vervreemding door de koper van een door haar aan hem vervreemde woongelegenheid die laatstelijk voordien niet een woongelegenheid als bedoeld in, ofwas, die koper aan haar of zij aan die koper een bedrag verschuldigd is, en d. de met haar verbonden ondernemingen, alsmede haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen jegens die ondernemingen, en e. haar baten en lasten, naar de mate waarin zij betrekking hebben op activa of passiva als bedoeld in de onderdelen a, b en c, of, voor zover die baten en lasten niet aldus aan activa of passiva kunnen worden gerelateerd, het deel van die baten en lasten dat verhoudingsgewijs gelijk is aan het aandeel van de onroerende zaken, bedoeld in onderdeel a, in het totaal van haar onroerende zaken, welk aandeel en totaal blijken uit haar laatstelijk voor het geven van uitvoering van dit artikel vastgestelde balans. 2 Voor zover passiva of lasten als bedoeld in het eerste lid bestaan uit schulden en andere verplichtingen jegens derden, brengt de toegelaten instelling deze niet onder in een woningvennootschap, indien de betrokken derde daarmee niet instemt. 3 artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte De toegelaten instelling kan woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag, alsmede gemengde geliberaliseerde complexen, in een woningvennootschap onderbrengen, zolang het aantal daarin ondergebrachte zodanige woongelegenheden niet hoger wordt dan 10% van het aantal zodanige woongelegenheden dat de toegelaten instelling op 31 december 2014 in eigendom had. Voor de toepassing van de eerste volzin worden de woongelegenheden in gemengde geliberaliseerde complexen met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag, niet meegerekend. Onze Minister kan op verzoek van de toegelaten instelling een hoger percentage dan dat, genoemd in de eerste volzin, vaststellen, indien de toegelaten instelling bij dat verzoek: artikel 10, eerste lid Het bepaalde bij en krachtensen in verband daarmee vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. a. aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van dat hogere percentage noodzakelijk is om haar financiële continuïteit of die van de betrokken woningvennootschap voldoende te waarborgen, of b. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet aantoont dat toereikend toepassing gegeven kan worden aan. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen de toegelaten instelling in een woningvennootschap onderbrengt of kan onderbrengen. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 82 — Artikel 82#
Artikel 82 1 artikel 81 artikel 10, tweede en derde lid Indien de toepassing van het bepaalde bij en krachtenser zonder nadere maatregelen toe zou leiden, dat de financiële continuïteit van een woningvennootschap niet in dezelfde mate is gewaarborgd als die van de toegelaten instelling, verstrekt de toegelaten instelling bij die toepassing een startlening aan de woningvennootschap. De startlening kan een hypothecaire lening zijn. Op het rentepercentage en de aflossing van die lening is het bepaalde bij en krachtens, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het rentepercentage, bedoeld in dat artikel, geldt als minimumpercentage. 2 De woningvennootschap zet voor de aflossing van de startlening het gedeelte van de netto-opbrengst in van de vervreemding van haar onroerende zaken, niet zijnde woongelegenheden waarin natuurlijke personen als eigenaar hun hoofdverblijf zullen hebben, dat verhoudingsgewijs gelijk is aan het aandeel van de modelmatige marktwaarde van die zaken in de totale modelmatige marktwaarde van haar onroerende zaken op het tijdstip van die vervreemding. De eerste volzin is niet van toepassing, indien zij de in die volzin bedoelde netto-opbrengst besteedt aan het bouwen of verwerven van, of het treffen van ingrijpende voorzieningen aan, woongelegenheden of gebouwen, of zij ten overstaan van Onze Minister aannemelijk maakt dat aanhouding daarvan noodzakelijk is voor haar voortbestaan in financieel opzicht. 3 artikel 81 artikel 66, eerste lid, onderdeel f Indien de toepassing van het bepaalde bij en krachtenser zonder nadere maatregelen toe zou leiden, dat de financiële continuïteit van de woningvennootschap in onvoldoende mate is gewaarborgd, kan de toegelaten instelling bij die toepassing, in afwijking van artikel 81, eerste lid, onderdeel b, besluiten andere leningen dan die, genoemd in, niet in die woningvennootschap onder te brengen. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 83 — Artikel 83#
Artikel 83 1 artikel 82, eerste lid De toegelaten instelling verschaft bij de bewerkstelliging van een juridische scheiding niet anderszins financiële middelen aan een woningvennootschap dan door middel van een startlening als bedoeld in, of in de vorm van aandelenkapitaal. Er zijn geen preferente aandelen, indien die ertoe zouden leiden dat de toegelaten instelling die een meerderheid van de aandelen houdt niet in staat is een dienovereenkomstige invloed op de gang van zaken in de woningvennootschap uit te oefenen. 2 De toegelaten instelling stelt zich in generlei opzicht garant voor een woningvennootschap. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 84 — Artikel 84#
Artikel 84 1 artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder De toegelaten instelling stelt, voordat zij een verzoek om goedkeuring van een voorgenomen juridische scheiding indient, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente waar zij haar woonplaats heeft, van de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is, van die waar woningvennootschappen na die scheiding hun woonplaats zullen hebben en van die waar zij na die scheiding feitelijk werkzaam zullen zijn, de betrokken bewonersorganisaties en de huurders van haar gebouwen die een maatschappelijke gebruiksbestemming hebben als bedoeld inin de gelegenheid om hun zienswijze op die scheiding te geven. De personen en instanties, bedoeld in de eerste volzin, kunnen binnen zes weken hun zienswijzen aan de toegelaten instelling doen toekomen. De betrokken bewonersorganisaties kunnen binnen zes weken hun adviezen, bedoeld in, aan haar doen toekomen. 2 artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder De toegelaten instelling verstrekt de personen en instanties, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, alle inlichtingen die redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het zich vormen van hun zienswijze, of aan het opstellen van een advies als bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het tweede lid. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 85 — Artikel 85#
Artikel 85 1 De toegelaten instelling voert overleg over het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen juridische scheiding met de gemeente waar zij haar woonplaats heeft, die waar zij feitelijk werkzaam is, die waar de woningvennootschappen na die scheiding hun woonplaats zullen hebben en die waar zij daarna feitelijk werkzaam zullen zijn, alsmede met de betrokken bewonersorganisaties. 2 De toegelaten instelling stelt de huurders van haar andere gebouwen dan woongelegenheden in de gelegenheid met haar overleg te voeren over het verzoek, bedoeld in het eerste lid. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 86 — Artikel 86#
Artikel 86 1 Het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen juridische scheiding gaat in elk geval vergezeld van: a. een voorstel voor die scheiding en een schriftelijke toelichting daarop; b. artikelen 82 83 de gegevens over de beoogde toepassing van het bepaalde bij en krachtens deen; c. artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte een overzicht van de woongelegenheden van de toegelaten instelling met een huurprijs van ten hoogste het ingenoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag, die zij voornemens is in een woningvennootschap onder te brengen; d. artikel 84, eerste lid de zienswijzen daarop van de personen en instanties, bedoeld in, en, in geval van een negatieve zodanige zienswijze, een onderbouwde reactie daarop van de toegelaten instelling, dan wel, bij het uitgebleven zijn van een zienswijze, bescheiden waaruit blijkt dat zij om die zienswijze heeft gevraagd; e. artikel 5, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder de adviezen, bedoeld in, en, in geval van een negatief zodanig advies, een onderbouwde reactie daarop van de toegelaten instelling, dan wel, bij het uitgebleven zijn van een advies, bescheiden waaruit blijkt dat zij om dat advies heeft gevraagd en f. de ontwerpstatuten van de beoogde woningvennootschappen. 2 In de toelichting op het voorstel voor de voorgenomen juridische scheiding wordt in elk geval opgenomen: a. de motieven voor die scheiding; b. artikel 50a, tweede lid, tweede volzin, van de wet de motieven voor het bij die scheiding toepassing geven aan, waarbij in elk geval wordt ingegaan op: 1°. artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven vanen 2°. artikel 16, eerste lid het door die toepassing bijdragen aan het beschikbaar komen van geliberaliseerde woongelegenheden voor huishoudens met een huishoudinkomen dat hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in; c. artikel 50a, tweede lid, tweede volzin, van de wet artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte een overzicht van haar werkzaamheden, baten, lasten, activa en passiva, bedoeld in, die zij voornemens is in de woningvennootschap onder te brengen, waarin zijn opgenomen de huurprijs en de waardering van de kwaliteit, bedoeld in, van de betrokken woongelegenheden; d. een uiteenzetting over de organisatorische, bestuurlijke en financiële relaties die als gevolg van die scheiding tussen de toegelaten instelling en de woningvennootschappen zullen bestaan; e. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet een uiteenzetting over de beoogde prestaties op het terrein van de volkshuisvesting van de toegelaten instelling en de woningvennootschappen na die scheiding, inhoudende een uiteenzetting over de wijze waarop de toegelaten instelling toepassing zal geven aan; f. een uiteenzetting over de financiële continuïteit van de toegelaten instelling en de woningvennootschappen na die scheiding, mede inhoudende een uiteenzetting over de financiële gevolgen van de in verband met die scheiding verwachte wijzigingen in het beleid van de toegelaten instelling; g. een uiteenzetting over de mogelijkheden voor en de bereidheid van financiële instellingen om de woningvennootschappen financiële middelen te verschaffen ten behoeve van de uitvoering van hun werkzaamheden en h. een uiteenzetting over het beleid dat de woningvennootschappen beogen te voeren inzake het gewenste op hun aandelen te behalen rendement, dat mede is gebaseerd op de mogelijkheden, bedoeld in onderdeel g, en dat is gericht op het door die woningvennootschappen kunnen uitkeren van dividend aan de toegelaten instelling en haar andere aandeelhouders. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 87 — Artikel 87#
Artikel 87 Op verzoek van Onze Minister verstrekt de toegelaten instelling hem nadere inlichtingen over de voorgenomen juridische scheiding, voor zover dat naar zijn oordeel voor de beoordeling van het verzoek om goedkeuring daarvan noodzakelijk is. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inlichtingen die de toegelaten instelling dient te verstrekken. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 88 — Artikel 88#
Artikel 88 1 Onze Minister betrekt bij zijn beoordeling van de financiële continuïteit van een toegelaten instelling na goedkeuring van de voorgenomen juridische scheiding in elk geval: a. haar geraamde solvabiliteit na die scheiding; b. de verhouding tussen het saldo van haar operationele kasstromen en haar rentelasten gedurende de eerste vijf jaren na die scheiding en c. artikel 66, eerste lid, onderdeel f de meest recente beoordeling van haar kredietwaardigheid door de borgingsvoorziening, indien zij leningen als bedoeld in, heeft aangetrokken. 2 Onze Minister betrekt bij zijn beoordeling van de financiële continuïteit van een woningvennootschap na goedkeuring van de voorgenomen juridische scheiding in elk geval haar geraamde solvabiliteit na die scheiding. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 89 — Artikel 89#
Artikel 89 artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, en derde lid Op de goedkeuring van de juridische scheiding isvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister op verzoek van de toegelaten instelling een hoger percentage dan dat, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, kan vaststellen, indien de toegelaten instelling bij dat verzoek aantoont dat zonder toepassing van dat hogere percentage de financiële continuïteit van de toegelaten instelling respectievelijk de woningvennootschap onvoldoende gewaarborgd is. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 90 — Artikel 90#
Artikel 90 1 artikel 50c, tweede lid, van de wet artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet Onze Minister kan toepassing geven aan, indien naar zijn oordeel vervreemding van aandelen in een woningvennootschap noodzakelijk is uit het oogpunt van het waarborgen van de financiële continuïteit van de toegelaten instelling of van het door de toegelaten instelling kunnen voldoen aan. 2 artikel 50c, tweede lid, van de wet Een aanbieding als bedoeld ingeschiedt tegen de intrinsieke waarde. Bij de aanbieding geeft de toegelaten instelling te kennen welke invloed wijzigingen die na de vervreemding van de aandelen zullen optreden in het beleid inzake de verhuur van de woongelegenheden van de woningvennootschap zullen hebben op de prijs waartegen zij de aandelen vervreemdt. 3 Onze Minister kan in afwijking van het tweede lid goedkeuren dat de aanbieding plaatsvindt tegen een andere waarde dan de intrinsieke waarde wanneer de toegelaten instelling aannemelijk maakt dat de intrinsieke waarde in het desbetreffende geval geen juist beeld geeft van de waarde bij verkoop. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 91 — Artikel 91#
Artikel 91 Indien toegelaten instellingen beogen met elkaar te fuseren, dienen zij gezamenlijk een verzoek in om goedkeuring daarvan, en verrichten zij gezamenlijk alle daartoe vereiste andere voorbereidingshandelingen. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 92 — Artikel 92#
Artikel 92 1 De fuserende toegelaten instelling informeert zo spoedig mogelijk de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij haar woonplaats heeft, waar zij feitelijk werkzaam is, waar de fuserende toegelaten instelling na de voorgenomen fusie haar woonplaats zal hebben en waar zij na die fusie feitelijk werkzaam zal zijn over: a. haar fusievoornemens en haar motieven daarvoor; en b. de verwachte gevolgen van die fusie voor de huurders van haar woongelegenheden en gebouwen, voor de bijdragen van toegelaten instellingen aan de gemeentelijke woonvisie en voor de overige belanghebbenden. 2 artikel 53, derde lid, van de wet De fuserende toegelaten instelling verstrekt de instanties, bedoeld in, alle inlichtingen die redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het zich vormen van hun zienswijze en haar oordeel. 3 artikel 53, tweede lid, derde volzin, van de wet De fuserende toegelaten instelling voert, naast het overleg, bedoeld in, overleg over het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen fusie met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten als bedoeld in het eerste lid. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste en tweede lid. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 93 — Artikel 93#
Artikel 93 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 94 — Artikel 94#
Artikel 94 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 95 — Artikel 95#
Artikel 95 1 artikel 53, tweede lid, eerste volzin, van de wet Het verzoek om goedkeuring van de voorgenomen fusie, als bedoeld in, gaat, naast hetgeen waarvan het ingevolge artikel 53, derde lid, van de wet vergezeld gaat, vergezeld van: a. artikelen 312 313 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een fusievoorstel en een schriftelijke toelichting daarop, als bedoeld in deen; b. artikel 92, eerste lid artikel 53, derde lid, onderdeel a, van de wet de zienswijzen daarop van de gemeenten, bedoeld in, voor zover niet reeds bij het verzoek gevoegd ingevolge, en, in geval van een negatieve zodanige zienswijze of andere zienswijze als bedoeld in artikel 53, derde lid, van de wet, een onderbouwde reactie daarop van de fuserende toegelaten instelling, dan wel, bij het uitblijven van een zienswijze na zes weken nadat hierom is gevraagd, bescheiden waaruit blijkt dat zij om die zienswijze heeft gevraagd; en c. Hoofdstuk 5 van de Mededingingswet indien die fusie een concentratie is waaropvan toepassing is: 1°. artikel 37, eerste lid, van die wet een onvoorwaardelijke mededeling als bedoeld indat voor die concentratie geen vergunning is vereist, of een verklaring dat geen mededeling als bedoeld in dat lid is gedaan binnen vier weken na de melding van die fusie aan de Autoriteit Consument en Markt; 2°. artikel 37, eerste lid, van die wet een voorwaardelijke mededeling als bedoeld indat voor die concentratie geen vergunning is vereist, vergezeld van bescheiden waarmee wordt aangetoond dat tijdig aan de in die mededeling gestelde voorwaarden is voldaan; 3°. artikel 37 van die wet de voor die concentratie ingevolgevereiste vergunning of 4°. artikel 53, derde lid, onderdeel b, van de wet in geval van een negatief oordeel als bedoeld in: een onderbouwde reactie daarop van de fuserende toegelaten instelling, dan wel, bij het uitblijven van een oordeel, bescheiden waaruit blijkt dat zij om dat oordeel heeft gevraagd. 2 artikel 53, vijfde lid, van de wet Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien sprake is van een fusie als bedoeld in. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 96 — Artikel 96#
Artikel 96 1 artikel 313 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek In de toelichting, bedoeld in, wordt in elk geval opgenomen: a. de motieven voor de voorgenomen fusie; b. een uiteenzetting over de alternatieven voor die fusie, waarin de verwachte effecten van die fusie en de verwachte meerwaarde ervan worden vergeleken met die van minder vergaande vormen van samenwerking, en c. een fusie-effectrapportage overeenkomstig het tweede lid. 2 De fusie-effectrapportage omvat in elk geval een weergave van de gevolgen van de voorgenomen fusie voor: a. de lokale binding, inhoudende: 1°. een overzicht van de organisatorische en bestuurlijke structuur van de verkrijgende toegelaten instelling, waaruit blijkt dat er een lokaal aanspreekpunt zal zijn in die gemeenten waar de verkrijgende toegelaten instelling 100 of meer woongelegenheden in bezit heeft, en 2°. een uiteenzetting over de gevolgen van de met die fusie gepaard gaande schaalvergroting op de samenwerking met de gemeenten waar de verkrijgende toegelaten instelling haar woonplaats zal hebben en die waar zij feitelijk werkzaam zal zijn; b. artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet de prestaties op het terrein van de volkshuisvesting, inhoudende een uiteenzetting over de wijze waarop de verkrijgende toegelaten instelling toepassing zal geven aan; c. de financiële continuïteit van de verkrijgende toegelaten instelling, inhoudende een uiteenzetting over de financiële gevolgen van de in verband met die fusie verwachte wijzigingen in het beleid van de fuserende toegelaten instelling, en d. de financiële draagkracht van de verkrijgende toegelaten instelling. 3 artikel 53, vijfde lid, van de wet Het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid zijn niet van toepassing indien sprake is van een fusie als bedoeld in. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 97 — Artikel 97#
Artikel 97 Op verzoek van Onze Minister verstrekt de fuserende toegelaten instelling hem nadere inlichtingen over de voorgenomen fusie, voor zover dat naar zijn oordeel voor de beoordeling van het verzoek om goedkeuring daarvan noodzakelijk is. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inlichtingen die de toegelaten instelling dient te verstrekken. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 98 — Artikel 98#
Artikel 98 1 Onze Minister keurt de voorgenomen fusie niet goed, indien naar zijn oordeel de lokale binding van de verkrijgende toegelaten instelling niet voldoende gewaarborgd zal zijn. 2 artikel 53, vierde lid, onderdeel d, van de wet Het percentage, bedoeld in, is 70. 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 2021 575 30-11-2021 22-11-2021 01-01-2022
Artikel 99 — Artikel 99#
Artikel 99 De verkrijgende toegelaten instelling doet onverwijld een gewaarmerkt afschrift van de notariële akte waarbij de fusie is geschied en, indien de fusie gepaard is gegaan met een wijziging van de statuten van de fuserende toegelaten instelling, van de notariële akte waarin die wijziging is vervat, aan Onze Minister toekomen. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 100 — Artikel 100#
Artikel 100 1 artikel 21 van de wet Onze Minister keurt de voorgenomen splitsing niet goed, indien deze niet leidt tot een zich verbinden als bedoeld in. 2 afdeling 7 Op voorgenomen splitsingen die geen juridische scheiding zijn, is het bepaalde bij en krachtensvan overeenkomstige toepassing: a. artikelen 95, eerste lid, onderdeel c 96, eerste lid, onderdeel b 98 met uitzondering van de,, en; b. afdeling 7 artikel 21, eerste tot en vierde lid, van de wet voorts met uitzondering van de bepalingen vanin het onderwerp waarvan wordt voorzien door het bepaalde bij en krachtensen c. artikel 92, tweede lid met dien verstande dat onder de instanties, bedoeld in, niet de Autoriteit Consument en Markt wordt begrepen. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 101 — Artikel 101#
Artikel 101 artikel 54, eerste lid, van de wet Het percentage, bedoeld in, is een bij ministeriële regeling te bepalen percentage. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 102 — Artikel 102#
Artikel 102 1 Onze Minister kan bepalen dat het toetsingskader van Aedes vereniging van woningcorporaties inzake de kosten van de bedrijfsvoering van toegelaten instellingen van toepassing is op alle toegelaten instellingen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de berekening van de kosten, bedoeld in het eerste lid, en de toegestane hoogte daarvan. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 103 — Artikel 103#
Artikel 103 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, wordt vastgesteld door het bestuur. Het is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen en Onze Minister. 2 artikel 36, eerste lid, van de wet Een wijziging van een reeds vastgesteld en goedgekeurd reglement is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen en wordt verantwoord in het jaarverslag, bedoeld in. 3 Een wijziging als bedoeld in het tweede lid die geheel of mede betrekking heeft op het beleid en beheer van het aantrekken of aanhouden van financiële derivaten door de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij of de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, is tevens onderworpen aan de goedkeuring van Onze Minister. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 104 — Artikel 104#
Artikel 104 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, bevordert dat het financiële beleid en beheer van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, dienstbaar is aan het bereiken van haar doelstellingen op het terrein van de volkshuisvesting en gericht is op het waarborgen van haar financiële continuïteit. Het reglement bevordert voorts het optimaal beheersen van financiële risico’s en het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van wettelijke voorschriften. 2 Het reglement bepaalt: a. de doelstellingen van het financiële beleid en beheer en de samenhang tussen die doelstellingen en de doelstellingen van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, op het terrein van de volkshuisvesting; b. dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, beschikt over een meerjarenbegroting voor ten minste de vijf kalenderjaren volgend op het laatst afgesloten boekjaar; c. de voor die kalenderjaren te hanteren streefwaarden en prestatieindicatoren, die betrekking hebben op de in die jaren verwachte financiële situatie en financiële risico’s, en in elk geval het verwachte kasstroomsaldo, de verwachte liquiditeitspositie, de verwachte solvabiliteit en de verwachte financieringsbehoefte van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, betreffen; d. artikel 36, eerste lid, van de wet dat de toegelaten instelling in het jaarverslag, bedoeld in, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze melding maakt van de met haar verbonden ondernemingen, en e. de, door de raad van commissarissen vast te stellen, bedragen die ten hoogste met een besluit van het bestuur gemoeid mogen zijn zonder dat het onderworpen is aan goedkeuring van de raad van commissarissen, en de criteria voor die goedkeuring. 3 Het reglement omvat nadere bepalingen voor collegiale leningen en beleggingen, overeenkomstig bij ministeriële regeling daaromtrent te geven voorschriften. 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 105 — Artikel 105#
Artikel 105 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, omvat voorts, steeds mede ten aanzien van het aantrekken en gebruiken van financiële derivaten ten aanzien van collegiale leningen en ten aanzien van beleggingsactiviteiten: a. artikel 104, tweede lid, onderdeel c de bepaling dat de administratie zodanig wordt ingericht, dat het bestuur steeds op de hoogte kan zijn van de ontwikkeling van de waarden en indicatoren, bedoeld in, en daarover de raad van commissarissen kan inlichten; b. de bepaling dat de beheersing van financiële risico’s wordt geïntegreerd in de bedrijfsvoering; c. de bepaling dat de wijze van beheersing van financiële risico’s en hetgeen daaromtrent van de daarmee belaste functionarissen wordt verwacht wordt vastgelegd in proces- en functiebeschrijvingen, welke aan dat reglement worden gehecht; d. artikel 37, eerste lid, van de wet voorschriften omtrent de organisatiestructuur met betrekking tot het financiële beleid en beheer, waaronder in elk geval voorschriften omtrent bevoegdheden en mandatering daarvan en omtrent de betrokkenheid daarbij van de raad van commissarissen en degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in, heeft gegeven; e. bepalingen met betrekking tot de financiële functie en de controlfunctie, die in elk geval inhouden: 1°. dat hetzij een lid van het bestuur hetzij een lid van de directie voor die functies eindverantwoordelijk is; 2°. dat die functies steeds betrokken zijn bij voorgenomen besluiten met verstrekkende financiële gevolgen; 3°. dat de controlfunctie mede de aspecten van de interne bedrijfsvoering alsmede de effectiviteit en de efficiency van de organisatie omvat; 4°. dat de controlfunctie bij een toegelaten instelling of dochtermaatschappij die meer dan 5.000 verhuureenheden in eigendom heeft in een afzonderlijke organisatie-eenheid is opgenomen en zowel gevraagd als ongevraagd het bestuur en de raad van commissarissen kan adviseren omtrent in het kader van het financiële beleid en beheer te nemen maatregelen; f. voorschriften die waarborgen dat de raad van commissarissen voldoende kennis heeft van financieel beleid en beheer; g. de bepaling dat de raad van commissarissen van een toegelaten instelling die meer dan 10.000 woongelegenheden in eigendom heeft, uit zijn midden een auditcommissie instelt; h. de bepaling dat de belangrijkste financiële risico’s ten minste twee maal per jaar worden besproken door het bestuur en de raad van commissarissen, aan de hand van een door het bestuur opgestelde rapportage waarin inzicht wordt gegeven in de aard, waarschijnlijkheid, mogelijke omvang en financiële gevolgen van die risico’s, alsmede in genomen of mogelijk te nemen maatregelen ten aanzien van die risico’s; i. artikel 37, eerste lid, van de wet de bepaling dat het de raad van commissarissen is toegestaan om de financiële risico’s zonder dat het bestuur daarbij aanwezig of vertegenwoordigd is te bespreken met degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in, heeft gegeven en met de functionarissen die met de beheersing van die risico’s belast zijn; j. de bepaling dat het bestuur het financiële jaarplan ter goedkeuring aan de raad van commissarissen voorlegt en k. artikel 37, eerste lid, van de wet de bepaling dat de raad van commissarissen jaarlijks, na overleg met het bestuur en, indien deze geen lid van het bestuur is, de persoon, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, in samenspraak met degene aan wie de raad van commissarissen de opdracht, bedoeld in, heeft gegeven, de controleaanpak en de speciale aandachtspunten voor de controle vaststelt. 2 Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014 Het aantal verhuureenheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 4, wordt bepaald overeenkomstig de bepaling daarvan voor de toepassing van de bij debehorende tabel. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 106 — Artikel 106#
Artikel 106 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, bepaalt dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan: a. inzake financiële derivaten, collegiale leningen en beleggingen geen rentevisie hanteren; b. financiële derivaten en beleggingsactiviteiten uitsluitend aantrekken en afstoten met als doel risico’s van het financiële beleid en beheer te beperken; c. geen financiële derivaten vervreemden, anders dan door het sluiten van derivaatposities, en d. geen gelden lenen met het doel deze uit te zetten bij dezelfde of een andere partij. 2 Het reglement bepaalt voorts dat in of ten aanzien van financiële derivaten geen clausules worden gehanteerd, die op enigerlei wijze de uitoefening van het toezicht op toegelaten instellingen, dochtermaatschappijen en verbonden ondernemingen waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan kunnen belemmeren, en dat een toegelaten instelling die op het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden een derivatenportefeuille heeft die financiële derivaten met zodanige clausules bevat, een plan van aanpak heeft dat is gericht op het zo spoedig mogelijk afstoten van die derivaten. 3 Onze Minister kan nadere eisen stellen aan het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, en de te hanteren termijn voor het in dat lid bedoelde afstoten van financiële derivaten. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 107 — Artikel 107#
Artikel 107 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, bepaalt voorts dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan: a. artikel 1, eerste lid geen andere financiële derivaten als bedoeld in, begripsomschrijving van financiële derivaten, onderdeel a, aantrekt dan rentecaps of payer swaps ter hedging van variabele leningen die voor of tegelijk met het tijdstip van aantrekken van dat derivaat zijn aangetrokken, welke payer swaps geen langere looptijd hebben dan 10 kalenderjaren, waarvan het kalenderjaar waarin zij worden aangetrokken het eerste is, en b. artikel 1, eerste lid geen andere financiële derivaten als bedoeld in, begripsomschrijving van financiële derivaten, onderdeel b, aantrekt dan basisrenteleningen, indien dat geschiedt in het kader van een schuldvernieuwing van een reeds aangetrokken basisrentelening, waarbij de dag waarop de looptijd van de nieuwe basisrentelening eindigt niet later is dan het einde van de looptijd van de reeds aangetrokken basisrentelening indien deze niet vernieuwd was, en de omvang van de ontstane vordering niet groter is dan de vordering op grond van de reeds aangetrokken basisrentelening. 2 Het reglement bepaalt voorts dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan: a. artikel 4:18d van de Wet op het financieel toezicht; uitsluitend financiële derivaten aantrekt, indien de instelling van welke zij die derivaten aantrekt haar heeft aangemerkt als een niet-professionele belegger als bedoeld in b. uitsluitend financiële derivaten aantrekt, nadat zij met de instelling van welke zij die derivaten aantrekt een raamovereenkomst, overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model daarvoor, heeft gesloten; c. artikel 1, eerste lid uitsluitend financiële derivaten als bedoeld in, begripsomschrijving van financiële derivaten, onderdeel a, aantrekt onder het sluiten van een modelovereenkomst, overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model daarvoor, met de instelling van welke zij die derivaten aantrekt en d. uitsluitend financiële derivaten aantrekt, die luiden in euro’s. 3 artikel 13, eerste lid Het reglement bepaald voorts dat een bank, waarbij een dochtermaatschappij financiële derivaten afsluit of middelen uitzet, voldoet aan de eisen, genoemd in. 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 2024 430 23-12-2024 18-12-2024 01-01-2025
Artikel 108 — Artikel 108#
Artikel 108 1 artikel 55a, tweede lid, van de wet Het reglement, bedoeld in, bepaalt voorts dat: a. toegelaten instellingen, dochtermaatschappijen en verbonden ondernemingen waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan die financiële derivaten gebruiken daartoe een liquiditeitsbuffer aanhouden van een zodanige omvang, dat daaruit, met inachtneming van redelijkerwijs voorzienbare beroepen daarop in verband met andere bedrijfsrisico’s dan dat gebruik, aan de uit dat gebruik voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 2%-punt kan worden voldaan; b. indien die liquiditeitsbuffer een geringere omvang heeft dan ingevolge onderdeel a vereist, de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, dat terstond aan Onze Minister meedeelt en na overleg met hem maatregelen vaststelt om die situatie op te heffen en c. de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, geen payer swaps aantrekt, indien en zolang de omvang van die liquiditeitsbuffer zodanig gering is, dat niet kan worden voldaan aan de uit het gebruik van financiële derivaten voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 1%-punt. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdeel a. 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 109 — Artikel 109#
Artikel 109 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 110 — Artikel 110#
Artikel 110 1 artikel 40 van de wet De toegelaten instellingen zijn niet betrokken bij de volkshuisvesting buiten Nederland waaropniet van toepassing is. 2 Garanties die met goedkeuring van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of Onze Minister voor 1 juli 2015 zijn verleend in verband met een betrokkenheid als bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangesproken overeenkomstig de voorwaarden waaronder zij zijn verleend. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 110a — Artikel 110a#
Artikel 110a 1 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden bestaat uit vijf leden, waaronder: a. de voorzitter; b. een lid, op schriftelijke voordracht van de in het belang van de toegelaten instellingen werkzame organisaties; en c. een lid dat beschikt over financiële kennis, waaronder kennis van de herstructurering en het herstel van organisaties. 2 Onze Minister benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar, en zij kunnen tweemaal voor ten hoogste vier jaar worden herbenoemd. 3 Ieder lid kan te allen tijde door Onze Minister worden geschorst of ontslagen op verzoek of indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven. 4 artikel 56a, tweede lid, van de wet De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De leden beschikken gezamenlijk over de deskundigheid, ervaring en affiniteit voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in. 5 Een lid vervult geen functie waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van diens lidmaatschap of het behoud van en het vertrouwen in diens onpartijdigheid en onafhankelijkheid. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110b — Artikel 110b#
Artikel 110b 1 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden stelt haar eigen werkwijze vast die de goedkeuring behoeft van Onze Minister. 2 Onze Minister voorziet in het secretariaat van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden. 3 artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies De leden van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering vanen hiermee niet het inbedoelde maximumbedrag overschrijden. 4 artikel 56a, tweede lid, van de wet De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden brengt uiterlijk twaalf weken nadat het adviesverzoek, bedoeld inbij haar is ingediend advies uit. De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden kan deze termijn door schriftelijke kennisgeving daarvan aan de verzoekende toegelaten instelling telkens gemotiveerd verlengen met een door haar daarbij te bepalen termijn van ten hoogste vier weken, van welke verlenging zij kennis geeft voor het verstrijken van de beslistermijn. 5 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden draagt zo spoedig mogelijk na het afronden van een advies of, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden voor een advies over aan Onze Minister. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent wijze van verantwoording en ondersteuning van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110c — Artikel 110c#
Artikel 110c 1 artikel 56a, tweede lid, van de wet Een verzoek waarbij een advies als bedoeld inaan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden wordt gevraagd, wordt door de verzoekende partij ondertekend en bevat ten minste: a. de dagtekening; b. de naam en het adres van de betrokken toegelaten instelling; c. artikel 29, eerste lid, eerste volzin, van de wet een beschrijving van de situatie als bedoeld invan de betrokken toegelaten instelling; en d. een beschrijving van de volkshuisvestelijke situatie op de korte, middellange en lange termijn, waaronder in ieder geval de bevolkingssamenstelling en vraag naar typen woningen. 2 De toegelaten instelling die een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden voorlegt, verschaft voorts de bescheiden die voor het advies van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Tot deze gegevens behoren in ieder geval: a. artikel 38, eerste lid en tweede lid, van de wet de bescheiden, bedoeld in; b. artikel 42, eerste lid, van de wet de in de betreffende gemeente geldende woonvisie, bedoeld in; en c. de bescheiden, bedoeld in artikel 44a, eerste lid en tweede lid, van de wet. 3 artikel 41b, tweede lid, van de wet artikel 110f, onderdelen b, c, d, g, h en i De toegelaten instelling die het verzoek tot advies aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden richt, zendt een afschrift van het verzoek aan toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied, bedoeld inals de verzoekende instelling en de partijen genoemd in. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110d — Artikel 110d#
Artikel 110d 1 artikel 56a, tweede lid, van de wet De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden betrekt in haar advies ten aanzien vanin ieder geval: a. artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet artikel 41b, eerste lid de zienswijzen van de autoriteit en een organisatie die zich ten doel stelt de belangen van toegelaten instellingen te behartigen over de omvang van de inbedoelde noodzakelijke werkzaamheden alsmede de mogelijkheden, waaronder en de financiële draagkracht om die werkzaamheden binnen een redelijke termijn voort te zetten, van de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond van, als de verzoekende toegelaten instelling; b. artikel 47, eerste lid, van de wet artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet de zienswijzen van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling meer dan 5% van het totaal van de diensten bedoeld inin die gemeente verricht, over de omvang van de inbedoelde noodzakelijke werkzaamheden; c. artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet de zienswijzen van de in het belang van de huurders van de woongelegenheden van de verzoekende toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies over de omvang van de in, bedoelde noodzakelijke werkzaamheden; d. artikel 41b, eerste lid, van de wet de zienswijzen van de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond van inals de verzoekende instelling; en e. de zienswijze van de borgingsvoorziening over de risico’s voor de borgstelling van het conceptadvies dat de Adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden voornemens is uit te brengen. 2 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden stelt de in het eerste lid bedoelde partijen in de gelegenheid hun zienswijze aan haar kenbaar te maken binnen een termijn van: a. vier weken, voor de zienswijzen bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d; b. twee weken, voor de zienswijze bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110e — Artikel 110e#
Artikel 110e 1 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden hanteert de volgende uitgangspunten voor de vaststelling van haar advies: a. artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet artikel 110d, eerste lid, onderdeel b de omvang van de inbedoelde noodzakelijke werkzaamheden is niet groter dan hetgeen in de zienswijzen, bedoeld in, naar voren is gebracht; b. artikel 56a, tweede lid, onderdeel b, van de wet bij het onderzoek naar de inbedoelde mogelijkheden wordt de investeringscapaciteit van toegelaten instellingen vastgesteld aan de hand van informatie uit het overzicht, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet en de door de autoriteit kenbaar gemaakte financiële normen. c. artikel 56a, tweede lid, onderdeel b, van de wet artikel 41b, eerste lid, van de wet het onderzoek naar de inbedoelde mogelijkheden wordt gericht op toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond vanals de verzoekende toegelaten instelling, waarbij voorts als prioritering geldt, tenzij afwijking daarvan in het belang van de volkshuisvesting is: 1°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in dezelfde gemeenten als de verzoekende toegelaten instelling; 2°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in gemeenten die grenzen aan de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is; 3°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in de nabijheid van de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is. 2 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden betrekt bij haar advies: a. artikel 42, eerste lid, van de wet de woonvisie, bedoeld invan de betrokken gemeente(n); en b. artikel 44, eerste lid, van de wet de afspraken als bedoeld in. 3 De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden weegt in ieder geval mee in haar advies: a. artikel 56a, tweede lid, van de wet de financiële en de volkshuisvestelijke gevolgen van de door de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden verschillende te overwegen scenario’s in het kader van het advies, bedoeld invoor alle daarbij betrokken partijen; en b. artikel 56a, tweede lid, onder c, van de wet de kwaliteit van de woningen, waaronder de mogelijkheden tot verduurzaming in het kader van het advies bedoeld in. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en derde lid. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110f — Artikel 110f#
Artikel 110f artikel 56a, tweede lid, van de wet De adviezen, bedoeld inworden verstrekt aan: a. artikel 56a, tweede lid, van de wet de verzoekende toegelaten instelling, bedoeld in; b. de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is; c. de in het belang van de huurders van de woongelegenheden van de verzoekende toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties; d. artikel 41b, tweede lid toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied als bedoeld in, als de verzoekende toegelaten instelling; e. artikel 56a, tweede lid, onder a, van de wet de toegelaten instellingen die op grond van het advies van belang zijn om de inbedoelde noodzakelijke werkzaamheden binnen een redelijke termijn voort te zetten; f. artikel 56, derde lid de toegelaten instellingen die op grond van, inlichtingen hebben verschaft aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden; g. de in het belang van de toegelaten instellingen werkzame organisaties; h. de borgingsvoorziening; en i. de autoriteit. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 110g — Artikel 110g#
Artikel 110g 1 artikel 56b, eerste lid, van de wet Indien de minister een aanwijzing geeft als bedoeld ingeschiedt de overdracht tegen de getaxeerde marktwaarde. 2 artikel 56b, eerste lid, onderdeel d, van de wet De minister stelt de borgingsvoorziening in de gelegenheid haar zienswijzen als bedoeld inaan hem kenbaar te maken binnen een termijn van twee weken. Indien de borgingsvoorziening binnen die termijn geen zienswijze heeft verstrekt, wordt zij geacht geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen aanwijzing. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 111 — Artikel 111#
Artikel 111 1 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet De aanvraag om een subsidie als bedoeld in, door de toegelaten instelling die niet beschikt over de financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten, gaat in elk geval vergezeld van: a. een analyse van de oorzaken die hebben geleid tot de situatie dat de toegelaten instelling niet beschikt over de financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten; b. een overzicht en een analyse van de financiële situatie van de toegelaten instelling op het tijdstip van indiening van die aanvraag, waaronder in elk geval haar balans, haar liquiditeits- en solvabiliteitspositie, een aan die posities gerelateerde en naar baten en lasten gespecificeerde meerjarenanalyse van de door haar verwachte kasstromen, en een analyse van haar leningportefeuille; c. meerjarenanalyses ten aanzien van in elk geval: 1°. mogelijke besparingen op de kosten van de bedrijfsvoering van de toegelaten instelling en de naar haar oordeel noodzakelijke kosten van de instandhouding van en het treffen van voorzieningen aan haar onroerende zaken; 2°. de verhuurbaarheid van haar onroerende zaken en mogelijke optimalisatie van haar huuropbrengsten, gelet op de vraag naar en het aanbod van woongelegenheden in de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is; 3°. de mogelijkheden voor het vervreemden van haar onroerende zaken en 4°. de mogelijkheden om haar werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang door andere toegelaten instellingen te laten voortzetten; d. artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet het laatstelijk opgestelde overzicht, bedoeld in; e. het door Onze Minister goed te keuren saneringsplan waarover de toegelaten instelling overleg heeft gevoerd met de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is en met de borgingsvoorziening; f. de uitkomsten van het overleg, bedoeld in onderdeel e en; g. artikel 56a, tweede lid, van de wet het advies, bedoeld in. 2 Indien uit de analyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat de daarin genoemde oorzaken geheel of ten dele voortvloeien uit de werkzaamheden van de toegelaten instelling die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, neemt de toegelaten instelling in het saneringsplan mogelijke maatregelen op om die werkzaamheden zo spoedig mogelijk te beëindigen of door andere rechtspersonen of vennootschappen te laten voortzetten. 3 Het saneringsplan bestrijkt een daarin op te nemen periode van ten hoogste 10 jaar. De stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, bestrijken de periode die het saneringsplan bestrijkt. 4 artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet Het doel van het saneringsplan is dat een toegelaten instelling, na de periode die het saneringsplan bestrijkt, de inbedoelde werkzaamheden kan verrichten of voortzetten. 5 Het saneringsplan omvat in elk geval: a. een overzicht van de maatregelen die de toegelaten instelling, al dan niet in samenwerking met andere personen of instanties, neemt of zal nemen in relatie tot de meerjarenanalyses, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; b. artikel 55a, tweede lid, van de wet een overzicht van de maatregelen die de toegelaten instelling neemt of zal nemen om te voldoen aan het reglement, bedoeld in; c. de uitkomsten van overleg met personen en instanties die betrokken zijn bij de financiering of de werkzaamheden van de toegelaten instelling over het door hen financieel bijdragen aan de uitvoering van het saneringsplan en d. artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet een raming, in relatie tot de meerjarenanalyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van de benodigde subsidie als bedoeld in, alsmede de gewenste vorm van die subsidie en het gewenste tijdstip of de gewenste tijdstippen van uitbetaling van die subsidie. 6 Indien op grond van het saneringsplan uitsluitend een of meerdere andere toegelaten instellingen dan de toegelaten instelling, bedoeld in het eerste lid, een subsidie als bedoeld in dat lid zullen aanvragen, dan zendt de laatstbedoelde toegelaten instelling zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van het saneringsplan de stukken, bedoeld in dat lid, aan Onze Minister ten behoeve van de behandeling van de aanvragen van een of meerdere van die andere toegelaten instellingen, met dien verstande dat het tijdstip, bedoeld in onderdeel b van dat lid, het tijdstip van verzending van die stukken betreft. 7 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de stukken, bedoeld in het eerste lid. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 112 — Artikel 112#
Artikel 112 1 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet Onze Minister verstrekt uitsluitend een subsidie als bedoeld in: a. indien naar zijn oordeel zonder die subsidie een toegelaten instelling niet in staat is om de betrokken werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang te kunnen verrichten of voortzetten; b. artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet indien het verrichten of voortzetten van die werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij worden verricht noodzakelijk is voor het in stand houden van voldoende woongelegenheden in die gemeenten, als bedoeld inen c. artikel 58, tweede lid, van de wet voor zover hij over voldoende middelen daarvoor beschikt als verkregen of te verkrijgen uit de bijdragen, bedoeld in. 2 artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet De subsidie is niet hoger dan het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om te waarborgen dat een toegelaten instelling na uitvoering van het saneringsplan over voldoende financiële middelen beschikt om de inbedoelde werkzaamheden te verrichten of voort te zetten in het geval: a. de werkzaamheden worden verricht of voortgezet door een andere toegelaten instelling dan de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, wordt de hoogte vastgesteld met inachtneming van het verschil tussen de waarde waartegen de andere toegelaten instelling met inachtneming van haar financiële continuïteit die werkzaamheden kan verkrijgen en de getaxeerde marktwaarde daarvan; of b. de werkzaamheden worden verricht of voortgezet door de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, wordt de hoogte vastgesteld met inachtneming van haar financiële continuïteit en, voor zover werkzaamheden worden verricht zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat, voor die werkzaamheden aan de hand van een benchmark met andere toegelaten instellingen waarbij het niveau gelijk is aan de bovenkant van het onderste kwintiel. 3 Onze Minister kan aan de verstrekking van de subsidie voorwaarden en verplichtingen verbinden ter waarborging van de uitvoering van het saneringsplan. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 113 — Artikel 113#
Artikel 113 1 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet In de aanvraag om een subsidie als bedoeld inmaakt de toegelaten instelling aannemelijk, dat: a. zij over onvoldoende financiële middelen beschikt om bepaalde, in de aanvraag op te nemen, werkzaamheden te kunnen verrichten; b. artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 61d van de wet de werkzaamheden in verband met welke die subsidie wordt aangevraagd zijn opgenomen in het overzicht, bedoeld in, of ingevolge een aanwijzing als bedoeld inaan haar zijn opgedragen, en c. personen of instanties die geen toegelaten instelling zijn niet of niet volledig bereid zijn die werkzaamheden te verrichten of daarvoor financiële middelen te verstrekken. 2 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet De aanvraag om een subsidie als bedoeld ingaat in elk geval vergezeld van: a. het projectplan met betrekking tot de werkzaamheden in verband met welke die subsidie wordt aangevraagd, dat in elk geval inzicht geeft in aard en duur van die werkzaamheden, alsmede de financiële baten en lasten die met die werkzaamheden samenhangen; b. de zienswijze op dat projectplan van de gemeente of gemeenten waar die werkzaamheden zijn voorzien, en van de betrokken bewonersorganisaties; c. een toelichting op de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; d. artikel 42, tweede lid, van de wet de bijdragen aan de werkzaamheden, die kunnen worden verkregen door toepassing vanen van personen of instanties die geen toegelaten instelling zijn, en e. een raming, in relatie tot de bijdragen, bedoeld in onderdeel d, van de benodigde zodanige subsidie. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de stukken, bedoeld in het tweede lid. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 114 — Artikel 114#
Artikel 114 1 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet Onze Minister verstrekt uitsluitend een subsidie als bedoeld in: a. indien de werkzaamheden in verband met welke de toegelaten instelling die subsidie heeft aangevraagd behoren tot de diensten van algemeen economisch belang; b. indien de toegelaten instelling de werkzaamheden in verband met welke zij die subsidie heeft aangevraagd naar het oordeel van Onze Minister niet zonder die subsidie kan verrichten en c. artikel 58, tweede lid, van de wet voor zover hij over voldoende middelen daarvoor beschikt als verkregen of te verkrijgen uit de bijdragen, bedoeld in. 2 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet artikel 29, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet Bij de verstrekking van een subsidie als bedoeld ingeeft Onze Minister voorrang aan aanvragen om een zodanige subsidie van toegelaten instellingen op welke een situatie als bedoeld invan toepassing is. 3 artikel 113, tweede lid, onderdeel d De subsidie is niet hoger dan de kosten van de werkzaamheden ter tegemoetkoming in de kosten waarvan zij wordt verstrekt, verminderd met de door Onze Minister geraamde opbrengsten daaruit, en verminderd met bijdragen als bedoeld in. 4 artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de berekening van de subsidie, bedoeld in. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 115 — Artikel 115#
Artikel 115 1 artikel 58, tweede lid, van de wet De bijdrage, bedoeld in, voor alle toegelaten instellingen gezamenlijk bestaat uit de som van: a. artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet een door Onze Minister begroot bedrag ten behoeve van het verstrekken van subsidies als bedoeld in; b. artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet een door hem begroot bedrag ten behoeve van het verstrekken van subsidies als bedoeld inen c. artikel 57, eerste lid, van de wet een door hem begroot bedrag ten behoeve van de dekking van de kosten die zijn gemoeid met de verstrekking van subsidies als bedoeld in. 2 artikel 57, eerste lid, van de wet artikel 36a, vierde lid, van de wet Onze Minister begroot de bedragen, bedoeld in het eerste lid, zodanig, dat hij naar zijn oordeel over voldoende financiële middelen beschikt om uitvoering te geven aan, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, niet hoger is dan 5% onderscheidenlijk 1% van de gerealiseerde jaarhuuropbrengst van de woongelegenheden, als volgens het overzicht, bedoeld in, voor de bijdrageplichtige toegelaten instellingen gezamenlijk bepaald over het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de bijdrage verschuldigd is. 3 artikel 38, eerste lid, van de wet Onze Minister begroot de bedragen, bedoeld in het eerste lid, zo veel mogelijk aan de hand van de ingevolgeaan hem gezonden bescheiden. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 116 — Artikel 116#
Artikel 116 artikel 58, tweede lid, van de wet De bijdrage, bedoeld in, bedraagt de som van: a. artikel 115, eerste lid artikel 36a, vierde lid, van de wet de helft van de som van de ingevolge, begrote bedragen, gedeeld door het totale aantal woongelegenheden die de toegelaten instellingen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover die bijdrage verschuldigd is in eigendom hadden volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, en vervolgens vermenigvuldigd met het op dienovereenkomstige wijze bepaalde aantal woongelegenheden die de betrokken toegelaten instelling in eigendom had, en b. artikel 115, eerste lid artikel 36a, vierde lid, van de wet de helft van de som van de ingevolge, begrote bedragen, gedeeld door de totale WOZ-waarde van de woongelegenheden die de toegelaten instellingen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover die bijdrage verschuldigd is in eigendom hadden volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, en vervolgens vermenigvuldigd met de op dienovereenkomstige wijze bepaalde WOZ-waarde van de woongelegenheden die de betrokken toegelaten instelling in eigendom had. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 117 — Artikel 117#
Artikel 117 1 artikel 58, tweede lid, van de wet Onze Minister stelt per toegelaten instelling de bijdrage, bedoeld in, vast en maakt deze uiterlijk op 1 oktober van het jaar waarover deze verschuldigd is bekend aan de toegelaten instelling. 2 afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht De bijdrage dient te worden betaald binnen een maand na dagtekening van de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid. Bij niet tijdige betaling is vanaf de datum van het verstrijken van die termijn de verplichting van toepassing tot betaling van een rente, bepaald overeenkomstig. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 118 — Artikel 118#
Artikel 118 1 artikel 58, tweede lid, van de wet Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van een toegelaten instelling de op grond vanverschuldigde bijdrage kwijtschelden, indien die toegelaten instelling naar zijn oordeel niet over de financiële middelen beschikt om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten. 2 artikel 58, tweede lid, van de wet artikel 56a, tweede lid, van de wet artikel 111, vierde lid Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van een toegelaten instelling de op grond vanverschuldigde bijdrage, of een deel daarvan, kwijtschelden, indien naar zijn oordeel de verzoekende toegelaten instelling na het uitbrengen van het advies, bedoeld inof gedurende de periode, bedoeld in, bij een andere toegelaten instelling betrokken is geweest door middel van: a. artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet het verwerven van woongelegenheden als bedoeld invan die toegelaten instelling tegen ten minste de marktwaarde in verhuurde staat van die woongelegenheden op het tijdstip van die verwerving en onder het beding deze vanaf dat tijdstip ten minste zeven jaar te zullen verhuren; b. artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet het financieel bijdragen aan werkzaamheden van die toegelaten instelling, indien naar zijn oordeel zonder dat bijdragen aan die toegelaten instelling een subsidie als bedoeld inhad kunnen worden verstrekt, of c. het fuseren met die toegelaten instelling. 3 De kwijtschelding betreft ten hoogste de verschuldigde bijdragen gedurende het jaar waarin het verzoek is ingediend en de vijf kalenderjaren die hier direct op volgen. 4 Indien Onze Minister een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid inwilligt en de bijdrage in het jaar van het verzoek reeds door de toegelaten instelling voldaan is, betaalt hij een als gevolg daarvan ten onrechte betaald bedrag terug aan de toegelaten instelling, vermeerderd met de wettelijke rente van niet-handelstransacties vanaf het tijdstip van betaling van de bijdrage tot het tijdstip van terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdrage. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 119 — Artikel 119#
Artikel 119 artikel 59, tweede lid, van de wet 111 112 115 tot en met 118 Voor zover een mandaat als bedoeld inde betrokken in dat lid bedoelde bevoegdheid betreft zijn de artikelen,envan overeenkomstige toepassing op de borgingsvoorziening. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 120 — Artikel 120#
Artikel 120 Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector bijlage 1 bij die wet artikel 1.1, onderdeel o, onder 5°, van die wet De autoriteit oefent toezicht uit op de juiste toepassing van de, voor zover het de inopgenomen rechtspersonen of instellingen betreft met betrekking tot welke Onze Minister wie het aangaat is in de zin van. 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 2016 209 08-06-2016 27-05-2016 01-07-2016
Artikel 121 — Artikel 121#
Artikel 121 1 Elke toegelaten instelling die op 1 januari van een kalenderjaar als zodanig bestaat, is over dat kalenderjaar een bijdrage aan Onze Minister verschuldigd in de kosten die in het algemeen gemoeid zijn met de uitoefening van het toezicht. Onze Minister begroot de bijdrage voor alle toegelaten instellingen gezamenlijk. 2 De bijdrage, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, bedraagt de som van: a. artikel 36a, vierde lid, van de wet de helft van het ingevolge de tweede volzin van het eerste lid begrote bedrag, gedeeld door het totale aantal woongelegenheden die de toegelaten instellingen en de dochtermaatschappijen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover die bijdrage verschuldigd is in eigendom hadden volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, en vervolgens vermenigvuldigd met het op dienovereenkomstige wijze bepaalde aantal woongelegenheden die de betrokken toegelaten instelling en haar dochtermaatschappijen in eigendom hadden, en b. artikel 36a, vierde lid, van de wet de helft van het ingevolge de tweede volzin van het eerste lid begrote bedrag, gedeeld door de totale WOZ-waarde van de woongelegenheden die de toegelaten instellingen en de dochtermaatschappijen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover die bijdrage verschuldigd is in eigendom hadden volgens de gegevens, opgenomen in het overzicht, bedoeld in, en vervolgens vermenigvuldigd met de op dienovereenkomstige wijze bepaalde WOZ-waarde van de woongelegenheden die de betrokken toegelaten instelling en haar dochtermaatschappijen in eigendom hadden. 3 Onze Minister stelt per toegelaten instelling de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, vast en maakt deze uiterlijk op 1 oktober van het jaar waarover deze verschuldigd is bekend aan de toegelaten instellingen. 4 Onze Minister kan een verrekening toepassen op de, op grond van het tweede lid vastgestelde bijdrage, indien de totale kosten van het toezicht in het voorafgaande jaar meer of minder bedragen dan de voor dat jaar begrote kosten. De totale som waarmee de gezamenlijke bijdragen voor de toegelaten instellingen wordt verhoogd of verlaagd is in dat geval gelijk aan het verschil tussen de daadwerkelijke en begrote kosten van het toezicht voor het voorafgaande jaar. 5 afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht De bijdrage wordt betaald binnen een maand na dagtekening van de bekendmaking, bedoeld in het derde lid. Bij niet tijdige betaling is vanaf de datum van het verstrijken van die termijn de verplichting van toepassing tot betaling van een rente, bepaald overeenkomstig. 6 artikelen 48, zevende lid 61d 61g, eerste, tweede en derde lid 61h, eerste lid 104a, eerste lid 105, eerste lid 120b van de wet De kosten die gemoeid zijn met de ingevolge de,,,,,, engegeven aanwijzingen en genomen maatregelen, worden in rekening gebracht bij de toegelaten instelling jegens welke of jegens welker dochtermaatschappij de betrokken aanwijzing of maatregel is gegeven respectievelijk genomen. 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 122 — Artikel 122#
Artikel 122 Onze Minister stelt de betrokken raden van commissarissen en besturen van dochtermaatschappijen op de hoogte van: a. artikel 19, vierde lid 48, achtste lid 61d 61g, eerste, tweede of derde lid 61h, eerste lid 104a, eerste lid 105, eerste lid 120b van de wet zijn voornemens om toepassing te geven aan,,,,,,, of, alsmede zijn besluiten daartoe; b. artikel 21, eerste lid 27, eerste lid 41b, eerste lid 49a, tweede lid 50b, eerste lid 53, tweede lid, eerste volzin, van de wet zijn voornemens om een goedkeuring als bedoeld in,,,,, of, niet te verlenen, alsmede zijn besluiten daartoe; c. artikel 29, eerste lid eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn activiteiten en voorgenomen activiteiten jegens toegelaten instellingen ten aanzien van welke een situatie als bedoeld inofvan toepassing is; d. de saneringsplannen die hij heeft goedgekeurd; e. artikel 38, eerste, tweede en derde lid, van de wet zijn oordeel over de stukken, bedoeld in, indien daaruit kan worden opgemaakt dat hij van oordeel is dat de betrokken toegelaten instellingen schade aan het belang van de volkshuisvesting hebben berokkend, en f. zijn andere activiteiten, besluiten en voornemens daartoe, in de gevallen waarin hij van oordeel is dat kennisneming daarvan door de betrokken raden van commissarissen of besturen van dochtermaatschappijen uit het oogpunt van een goede uitvoering van hun toezicht noodzakelijk is. 2023 236 30-06-2023 19-06-2023 2024 120 30-04-2024 18-04-2024 01-07-2024
Artikel 123 — Artikel 123#
Artikel 123 Vervallen 2017 240 14-06-2017 06-06-2017 2017 111 24-03-2017 06-03-2017 01-07-2017 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Veegwet Wonen in
werking treedt.
Artikel 124 — Artikel 124#
Artikel 124 Wet gemeenschappelijke regelingen Voor zover gemeenten bevoegdheden die hen ingevolge dit besluit toekomen hebben overgedragen aan een samenwerkingsverband als bedoeld in de, zijn de bepalingen van dit besluit die op die bevoegdheden betrekking hebben van overeenkomstige toepassing op dat samenwerkingsverband. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 125 — Artikel 125#
Artikel 125 Vervallen 2021 570 26-11-2021 17-11-2021 2021 601 09-12-2021 01-12-2021 01-01-2022
Artikel 126 — Artikel 126#
Artikel 126 1 artikel II, derde tot en met elfde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting artikel I van die wet hoofdstuk IV van de wet De toegelaten instellingen geven, behoudensen het tweede lid van dit artikel, terstond na het tijdstip waaropin werking is getreden toepassing aan het bepaalde bij en krachtens, voor zover zij niet binnen het in artikel II, tweede lid, van genoemde wet bedoelde tijdvak ten overstaan van Onze Minister aannemelijk maken dat het verrichten van werkzaamheden in verband met het toepassing geven aan dat lid daaraan naar redelijkheid in de weg staat. 2 Indien het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, een ander is dan 1 januari van enig kalenderjaar: a. artikelen 35 tot en met 38 46, tweede lid, van de wet geven de toegelaten instellingen met ingang van 1 januari van het op dat kalenderjaar eerstvolgende kalenderjaar toepassing aan het bepaalde bij en krachtens deen; b. artikel 44, eerste lid, van de wet artikel 43, eerste lid, van de wet dragen de toegelaten instellingen, in afwijking van, er zorg voor dat de in dat lid genoemde instanties op 1 november van dat kalenderjaar beschikken over het overzicht, bedoeld in, dat betrekking heeft op de op dat kalenderjaar eerstvolgende vijf kalenderjaren, en c. artikel 48 van de wet artikel 16, eerste lid wordt bij de verslaglegging over het uitvoering geven aan het bepaalde bij en krachtensde betrokken inkomensgrens, genoemd in, op dezelfde wijze betrokken als in de situatie dat die grens had gegolden gedurende het gehele kalenderjaar waarin dat tijdstip valt. 3 artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg artikel 57 van die wet Toegelaten instellingen kunnen tot 1 januari 2021, ten aanzien van 25% van het bruto-vloeroppervlak van de gebouwen, genoemd in de tweede volzin, het aangaan van overeenkomsten van huur en verhuur in de daeb-tak onderbrengen, indien het voornemen daartoe is opgenomen in het overzicht, bedoeld inover het jaar 2017. De gebouwen, bedoeld in de eerste volzin, zijn de gebouwen waarin na 31 december 2011 zorg is verleend door een instelling die behoort tot een categorie als bedoeld inen die is toegelaten voor de zorgvorm verblijf als bedoeld in hetzoals dat luidde op 31 december 2014, in combinatie met een of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding als bedoeld in dat besluit, en voor welke zorg de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in, een vergoeding voor kapitaallasten heeft vastgesteld op grond van. Tot het bruto-vloeroppervlak, bedoeld in de eerste volzin, behoort mede het vloeroppervlak van de bij die gebouwen behorende overdekte parkeervoorzieningen en de oppervlakte van de bij die gebouwen behorende overige parkeervoorzieningen. 4 artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit artikel 4 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ artikel 5 van dat besluit artikel 6 van dat besluit Tot en met 31 december 2015 behoren tot de categorieën van personen, bedoeld in, personen die worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld inzoals dat luidde op 31 december 2014, voor persoonlijke verzorging als bedoeld inzoals dat luidde op die datum, verpleging als bedoeld inzoals dat luidde op die datum, of individuele begeleiding als bedoeld inzoals dat luidde op die datum, in welk indicatiebesluit ten minste 10 uur zorg per week wordt toegekend, en welk indicatiebesluit een geldigheidsduur heeft van ten minste een jaar of, indien het is afgegeven in de periode van 28 juli 2014 tot en met 31 december 2014, van ten minste zes maanden. 5 Artikel 52, eerste lid , zoals dat luidde op 30 juni 2016, blijft van toepassing op werkzaamheden, als bedoeld in dat artikel waarmee voor die datum een aanvang is gemaakt, of met betrekking tot welke uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken blijkt dat het maken van die aanvang voor die datum werd beoogd. 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 2021 509 29-10-2021 13-10-2021 01-01-2022
Artikel 127 — Artikel 127#
Artikel 127 1 Besluit beheer sociale-huursector Hetwordt ingetrokken. 2 Besluit beheer sociale-huursector Het bepaalde bij en krachtens hetblijft van toepassing: a. artikel 126, eerste lid indien het tijdstip, bedoeld in, een ander is dan 1 januari van enig kalenderjaar: op de jaarrekening, het jaarverslag en het volkshuisvestingsverslag van de toegelaten instelling over het kalenderjaar waarin dat tijdstip valt, en het onderzoeken en beoordelen van die verslagen; b. indien dat tijdstip 1 januari van enig kalenderjaar is: op de in onderdeel a genoemde verslagen over het aan dat kalenderjaar direct voorafgaande kalenderjaar, en het onderzoeken en beoordelen van die verslagen, en c. artikel 126, eerste lid hoofdstuk IV van de wet voor zover de toegelaten instellingen ingevolge, ten overstaan van Onze Minister aannemelijk hebben gemaakt dat het verrichten van werkzaamheden in verband met het toepassing geven aan artikel II, tweede lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting naar redelijkheid in de weg staat aan het door hen toepassing geven aan. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 128 — Artikel 128#
Artikel 128 Besluit centraal Fonds voor de Volkshuisvesting Hetwordt ingetrokken. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 129 — Artikel 129#
Artikel 129 Vervallen 2020 536 22-12-2020 11-12-2020 2020 536 22-12-2020 11-12-2020 23-12-2020
Artikel 130 — Artikel 130#
Artikel 130 artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet artikelen 25 26 van dit besluit Op verzoeken om een goedkeuring als bedoeld in, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 27 maart 2017 tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met het wijzigen van de voorschriften omtrent het vervreemden van geliberaliseerde en potentieel te liberaliseren woongelegenheden door toegelaten instellingen (Stb. 2017, 129), zijn deenzoals dat luidde voor dat tijdstip, van toepassing. 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 131 — Artikel 131#
Artikel 131 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 132 — Artikel 132#
Artikel 132 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 133 — Artikel 133#
Artikel 133 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 134 — Artikel 134#
Artikel 134 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 135 — Artikel 135#
Artikel 135 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 136 — Artikel 136#
Artikel 136 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 137 — Artikel 137#
Artikel 137 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 138 — Artikel 138#
Artikel 138 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 139 — Artikel 139#
Artikel 139 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 140 — Artikel 140#
Artikel 140 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 141 — Artikel 141#
Artikel 141 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 142 — Artikel 142#
Artikel 142 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 143 — Artikel 143#
Artikel 143 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 144 — Artikel 144#
Artikel 144 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 145 — Artikel 145#
Artikel 145 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 146 — Artikel 146#
Artikel 146 Vervallen 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 2017 129 31-03-2017 27-03-2017 01-04-2017
Artikel 147 — Artikel 147#
Artikel 147 De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Bij dat koninklijk besluit kan worden bepaald dat artikelen van dit besluit of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een bij dat koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor die artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 148 — Artikel 148#
Artikel 148 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015. 2015 231 19-06-2015 16-06-2015 2015 232 19-06-2015 16-06-2015 01-07-2015
Artikel 19#
artikel 19
Artikel 49#
artikel 49
Artikel 49#
artikel 49, eerste lid, onderdeel a
Artikel 49#
artikel 49
Artikel 49#
artikel 49, eerste lid, onderdeel b
Artikel 56#
artikel 56
Artikel 56#
artikel 56, eerste lid, onderdeel b
Artikel 56#
artikel 56, zevende lid, onderdeel a of b
Artikel 56#
artikel 56, tiende lid
Artikel 16#
artikel 16, eerste lid, onderdeel b