Besluit van 11 oktober 2016, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming (Besluit natuurbescherming)
- BWB-id
- BWBR0038662
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2022-01-01 t/m 2023-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0038662
- ELI
- /eli/nl/amvb/2017/besluit-natuurbescherming
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2017/besluit-natuurbescherming/2022-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0038662&g=2022-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0038662&z=2026-06-06&g=2022-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2022-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2017/besluit-natuurbescherming
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In dit besluit wordt verstaan onder: – bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; – bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; – bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; – depositieruimte: artikel 2.1 ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma, bedoeld in, beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen; – jachtexamen: artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet jachtexamen als bedoeld in; – korpschef: artikel 27 van de Politiewet 2012 korpschef als bedoeld in; – ontwikkelingsruimte: artikel 2.7, derde lid deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van de in voorkomend geval op grond van, gestelde regels, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid; – CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); – CITES-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166); – sloopactiviteit: activiteit inhoudende het slopen van een bouwwerk; – slopen: geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen; – Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317); – voor stikstof gevoelige habitats: voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt; – wet: Wet natuurbescherming . 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 artikel 1.3, vijfde lid, aanhef, van de wet Als minister als bedoeld inwordt aangewezen Onze Minister. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.3 — Artikel 1.3#
Artikel 1.3 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als categorieën van handelingen en projecten als bedoeld inworden aangewezen: a. aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van: 1°. artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet hoofdwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld inen hoofdspoorwegen als bedoeld in; 2°. artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet primaire waterkeringen als bedoeld in, voor zover deze in beheer zijn bij het Rijk; 3°. bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht militaire terreinen en oefengebieden, alsmede de inrichtingen, bedoeld in categorie 29 van; 4°. artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart militaire luchthavens, de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis als bedoeld in; 5°. artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet het landelijke gastransportnet, bedoeld in; 6°. hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen; b. activiteiten ten aanzien van: 1°. artikel 2.7 van de Waterwet het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in; 2°. artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee landaanwinning in de territoriale zee, bedoeld in; 3°. artikel 1 van de Mijnbouwwet het opsporen, winnen of opslaan van diepe delfstoffen, bedoeld in; c. artikel 1.1, eerste lid, van het Waterbesluit het treffen van maatregelen en voorzieningen die nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van hoofdwateren als bedoeld in; d. militaire activiteiten buiten de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde terreinen, gebieden en inrichtingen, en de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde militaire luchthavens; e. vluchten met opsporings- of reddingshelikopters buiten de reguliere routes; f. uitoefening van de volgende vormen van visserij: 1°. niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren; 2°. sleepnetvisserij in zoute wateren; g. lozing van afvalwater in de Waddenzee; h. activiteiten van buitenlandse mogendheden; i. activiteiten die direct het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161) raken; j. activiteiten van of namens een lid van het Koninklijk Huis, en k. activiteiten die geheel of grotendeels plaatsvinden in: 1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54); 2°. Rijkswet instelling exclusieve economische zone de exclusieve economische zone van Nederland, bedoeld in de, of 3°. andere niet-provinciaal ingedeelde gebieden. 2 Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en verplichtingen, bedoeld in de artikelen: a. 2.4, eerste, tweede en derde lid 2.7, tweede en derde lid 2.8, derde, zesde, zevende en negende lid 2.9, derde lid 5.5, eerste lid, van de wet ,,,, en; b. 3.3, eerste en tweede lid 3.4, tweede lid 3.8, eerste en tweede lid 3.9, tweede lid 3.10, tweede lid artikel 3.8, eerste of tweede lid 3.11, eerste en tweede lid 3.34, derde lid, van de wet artikelen 3.15, vierde lid 3.16, vierde lid artikel 3.17, eerste lid, van de wet ,,,,in samenhang met,, enmet uitzondering van vrijstellingen en ontheffingen die met toepassing van de, of, onderscheidenlijk, worden verleend; c. 4.2, eerste, tweede en derde lid 4.3, derde lid 4.5, eerste, derde en vierde lid, van de wet ,, en. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.4 — Artikel 1.4#
Artikel 1.4 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als categorieën van handelingen als bedoeld inworden aangewezen: a. het vervoeren van zieke of gewonde dieren in een dierenambulance; b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan; c. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier. 2 artikelen 3.3, eerste en tweede lid 3.8, eerste en tweede lid 3.10, tweede lid Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de,, en, in samenhang met artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet. 3 Onder «dierenambulance» wordt in het eerste lid, onderdeel a, verstaan: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 1.5 — Artikel 1.5#
Artikel 1.5 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als categorie van handelingen als bedoeld inwordt aangewezen het vangen en onder zich hebben van dieren van de soorten, aangewezen in het derde lid, ten behoeve van: a. het opvangen en verzorgen van zieke of gewonde dieren van deze soorten in een opvangcentrum; b. het doen van wetenschappelijk onderzoek. 2 artikelen 3.8, eerste en tweede lid 3.10, tweede lid artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de, en, in samenhang met. 3 Als soorten als bedoeld in het eerste lid worden aangewezen: a. bruinvis; b. gewone dolfijn; c. gewone zeehond; d. grijze zeehond; e. tuimelaar; f. witflankdolfijn; g. witsnuitdolfijn. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.6 — Artikel 1.6#
Artikel 1.6 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet artikelen 3.1, eerste lid 3.5, eerste en vijfde lid, van de wet Als categorie van handelingen als bedoeld inwordt aangewezen het onder zich hebben van uit het wild afkomstige vogels, andere dieren of planten van de soorten, bedoeld in de, en, die vanuit een ander land binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. 2 artikelen 3.3, eerste en tweede lid 3.8, eerste en tweede lid, van de wet Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de, en. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.7 — Artikel 1.7#
Artikel 1.7 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet artikel 3.32, eerste lid Als categorie van handelingen als bedoeld inworden aangewezen handelingen ter uitvoering van de Verordening invasieve uitheemse soorten, met uitzondering van de uitvoering van maatregelen als bedoeld in. 2 artikel 3.18, eerste, tweede en derde lid in samenhang met het vierde lid, van de wet Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.8 — Artikel 1.8#
Artikel 1.8 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als categorie van handelingen als bedoeld inworden aangewezen: a. het uitzetten van dieren voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden; b. het uitzetten van dieren tezamen met de in onderdeel a bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren. 2 artikel 3.34, derde lid, van de wet Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 1.9 — Artikel 1.9#
Artikel 1.9 1 artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel b, van de wet Als categorie van gebieden als bedoeld inworden aangewezen terreinen waar de Kroondrager gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht. 2 Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen: a. 3.3, eerste en tweede lid 3.4, tweede lid 3.8, eerste en tweede lid 3.9, tweede lid 3.10, tweede lid artikel 3.8, eerste of tweede lid, van de wet artikel 3.15, vierde lid artikel 3.16, vierde lid artikel 3.17, eerste lid, van de wet ,,,,in samenhang met, ingeval deze bevoegdheden worden uitgeoefend met toepassing van,, of; b. 3.12, zevende, achtste en negende lid 3.14, tweede lid 3.18, eerste, tweede en derde lid, al dan niet in samenhang met het vierde lid 3.22, vierde lid 3.25, tweede lid 3.26, derde lid 3.32, tweede lid 3.33, tweede lid, van de wet ,,,,,,, en. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 artikel 1.12b van de wet Het inbedoelde programma stikstofreductie en natuurverbetering bevat voor de periode waarvoor het geldt voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden een beschrijving van: a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van die periode, onderscheiden naar de bijdrage aan de depositie door de belangrijkste sectoren en onderscheiden naar depositie afkomstig uit buitenlandse en binnenlandse bronnen; b. de mate waarin aan het begin van die periode de instandhoudingsdoelstellingen zijn bereikt voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; c. de verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie door bronnen binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvan voor de omvang van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats; d. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan: 1°. vermindering van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats; 2°. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; e. de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel d; f. de verwachte gevolgen van de maatregelen, bedoeld in onderdeel d, voor de omvang van de stikstofdepositie, respectievelijk het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; g. artikel 2.3 de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ingestelde eisen aan het verzamelen en verstrekken van gegevens. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021 2021 175 09-04-2021 01-04-2021 2021 176 09-04-2021 01-04-2021 01-07-2021
Artikel 2.2 — Artikel 2.2#
Artikel 2.2 1 artikel 1.12a van de wet artikel 1.12b, tweede lid, van de wet Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in, en van de tussentijdse doelstellingen, bedoeld invindt plaats door metingen, berekeningen of het op andere wijze verzamelen van gegevens. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de monitoring. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.3 — Artikel 2.3#
Artikel 2.3 1 De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van die maatregelen en verstrekken die gegevens elke twee jaar aan Onze Minister. 2 artikelen 2.3 2.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet De bestuursorganen die ingevolge deenverantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het in artikel 2.3 van de wet bedoelde beheerplan, verzamelen gegevens over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden en verstrekken die gegevens elke zes jaar aan Onze Minister. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.4 — Artikel 2.4#
Artikel 2.4 Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal: a. artikel 1.12f, derde lid, van de wet artikel 1.12a van de wet elk jaar over de resultaten van de beoordeling, bedoeld in, of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in, en aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen; b. elke twee jaar over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering; c. elke zes jaar over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.5 — Artikel 2.5#
Artikel 2.5 artikel 2.9a van de wet Als activiteiten van de bouwsector als bedoeld inworden aangewezen: a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.6 — Artikel 2.6#
Artikel 2.6 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.7 — Artikel 2.7#
Artikel 2.7 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.8 — Artikel 2.8#
Artikel 2.8 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.9 — Artikel 2.9#
Artikel 2.9 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.10 — Artikel 2.10#
Artikel 2.10 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.11 — Artikel 2.11#
Artikel 2.11 Vervallen 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.12 — Artikel 2.12#
Artikel 2.12 Vervallen 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.13 — Artikel 2.13#
Artikel 2.13 Vervallen 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.14 — Artikel 2.14#
Artikel 2.14 1 artikel 2.7, tweede lid, van de wet artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht artikel 5.5, derde lid, van de wet artikel 2.3 van de wet artikel 2.1 Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van een vergunning als bedoeld in, of op grond vanbevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, kan in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma, bedoeld in, niet in gevaar komt, besluiten datmet betrekking tot een project dat stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied buiten toepassing blijft. Het bestuursorgaan neemt dit besluit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in, vaststellen voor de in het programma, bedoeld in artikel 2.1, opgenomen Natura 2000-gebieden waarin de stikstofdepositie die het project veroorzaakt hoofdzakelijk plaatsvindt. 2 artikel 2.7, tweede lid, van de wet Het derde tot en met zesde lid is van toepassing op projecten en andere handelingen als bedoeld in: a. artikel 2.1 die stikstofdepositie veroorzaken op een gebied dat niet in het programma, bedoeld inis opgenomen, of b. ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen. 3 artikel 2.7, derde lid, aanhef en onderdeel a artikel 2.8, derde lid, van de wet Voor de toepassing van, in samenhang metwordt ervan uitgegaan dat de door een project veroorzaakte stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied met zekerheid de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast, indien: a. blijkens de passende beoordeling is verzekerd dat, in samenhang met voor dat project getroffen maatregelen, per saldo nergens in het Natura 2000-gebied de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats als gevolg van dat project toeneemt, en, b. artikel 2.1 artikel 2.5 ingeval het Natura 2000-gebied is opgenomen in het programma, bedoeld in, de gevolgen van de in onderdeel a bedoelde maatregelen niet al zijn betrokken bij de ecologische beoordeling, bedoeld in. 4 Het bestuursorgaan kan ter vermindering van de belasting door stikstofdepositie van het desbetreffende Natura 2000-gebied aan het verlenen van de vergunning voor een project als voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het project of de andere handeling, niet groter is dan de door het bestuursorgaan geregistreerde en voor dat project beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten. 5 artikel 2.4 van de wet Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van, in elk geval de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor het project of de andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen. 6 artikel 2.2, eerste lid, onderdeel j De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dragen zorg voor een actueel overzicht van de gevolgen van de projecten ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen voor de stikstofdepositie. Deze gegevens worden betrokken bij de toepassing van. 2019 517 30-12-2019 18-12-2019 35347 2019 518 30-12-2019 18-12-2019 01-01-2020
Artikel 2.15 — Artikel 2.15#
Artikel 2.15 artikel 1.13a, tweede lid, van de wet artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 artikel 2.12 Het inbedoelde programma voor het legaliseren van activiteiten met een geringe stikstofdepositie die voldeden aan de voorwaarden vanzoals dat luidde tot 1 januari 2017 ofzoals dat luidde op 28 mei 2019, bevat een beschrijving van: a. de totale stikstofdepositie door die activiteiten op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; b. de getroffen of te treffen maatregelen om de gevolgen van de onder a bedoelde stikstofdepositie te mitigeren of te compenseren; c. de gevolgen van de onder b bedoelde maatregelen voor de omvang van de stikstofdepositie op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; d. artikel 2.16 de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen die inworden gesteld aan het verzamelen en verstrekken van gegevens. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 2.16 — Artikel 2.16#
Artikel 2.16 1 De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het programma verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van dat programma en verstrekken die gegevens elk jaar aan Onze Minister. 2 Onze Minister informeert op basis van die gegevens de beide Kamers der Staten-Generaal elk jaar over de voortgang en de gevolgen van het programma. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2021 288 18-06-2021 14-06-2021 01-07-2021
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 artikel 3.15, eerste lid, van de wet Als vogels en dieren van soorten als bedoeld inworden aangewezen: a. Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii); b. houtduif (Columba palumbus); c. kauw (Corvus monedula); d. konijn (Oryctolagus cuniculus); e. vos (Vulpes vulpes), en f. zwarte kraai (Corvus corone corone). 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.1a — Artikel 3.1a#
Artikel 3.1a artikel 3.39 van de wet Als soort als bedoeld inworden de volgende soorten aangewezen: a. Fallopia japonica Japanse duizendknoop (); b. Fallopia sachalinensis Sachalinse duizendknoop (); en c. Fallopia x bohemica bastaardduizendknoop (). 2021 381 28-07-2021 14-07-2021 2021 381 28-07-2021 14-07-2021 01-01-2022
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 1 artikel 3.20, vierde lid, van de wet De jachthouder verleent aan derden, anders dan de jachtopzichter, uitsluitend de toestemming, bedoeld in, indien: a. hij een natuurlijke persoon is en aan hem een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van ondertekening van de toestemming geldig is; b. hij een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders is, of c. hij een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie is. 2 Aanwijzing van een organisatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geschiedt uitsluitend, indien naar het oordeel van Onze Minister een duurzaam beheer van populaties in het wild levende dieren door deze organisatie, gelet op haar doelstelling en gelet op de kennis en kunde waarover de organisatie beschikt, in voldoende mate is verzekerd. Indien een aangewezen organisatie naar het oordeel van Onze Minister niet langer aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde voor aanwijzing voldoet, kan hij de aanwijzing van de organisatie intrekken. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 1 artikel 3.20, vierde lid, van de wet De toestemming, bedoeld in: a. artikel 3.12 is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer; b. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming. 2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter. 3 Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van derden, indien: a. deze derde de jacht uitoefent in het gezelschap van degene aan wie de jachthouder toestemming heeft verleend; b. de jachthouder de uitoefening van de jacht door derden in de desbetreffende toestemming uitdrukkelijk heeft toegestaan, en c. aan degene aan wie de jachthouder de toestemming heeft verleend, een jachtakte of valkeniersakte is verleend die op het tijdstip van uitoefening van de jacht geldig is. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.4 — Artikel 3.4#
Artikel 3.4 artikel 3.21, eerste lid, onderdeel c, van de wet Als soorten van jachtvogels als bedoeld inworden aangewezen: a. haviken (Accipiter gentilis); b. slechtvalken (Falco peregrinus). 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.5 — Artikel 3.5#
Artikel 3.5 artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet Een eendenkooi als bedoeld in, voldoet aan de volgende regels: a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 meter beschreven kan worden; b. het water is ten minste 50 centimeter diep; c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel, en d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.6 — Artikel 3.6#
Artikel 3.6 1 Het is verboden om de jacht uit te oefenen voor zonsopgang en na zonsondergang. 2 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de Hemelvaartsdag. 3 Het is verboden om de jacht uit te oefenen op begraafplaatsen. 4 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig. 5 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanaf of vanuit een vaartuig. 6 Het is verboden om de jacht uit te oefenen vanuit een luchtvaartuig. 7 Het is verboden om de jacht uit te oefenen indien de grond met sneeuw is bedekt. 8 artikel 3.20, tweede lid, van de wet Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld indat zich ten gevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein. 9 artikel 3.20, tweede lid, van de wet Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld invoor zover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs. 10 artikel 3.20, tweede lid, van de wet Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld invoor zover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen. 11 artikel 3.20, tweede lid, van de wet Het is verboden om de jacht uit te oefenen op wild als bedoeld indat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert. 12 artikel 3.20, tweede lid, van de wet Het is verboden om de jacht uit te oefenen binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild als bedoeld inte lokken. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.7 — Artikel 3.7#
Artikel 3.7 1 artikel 3.6, eerste lid Het verbod, bedoeld in, geldt niet voor de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang. 2 artikel 3.6, vijfde lid Het verbod, bedoeld in, geldt niet voor de jacht vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van ten hoogste 5 kilometer per uur. 3 artikel 3.6, zevende lid Het verbod, bedoeld in, geldt niet voor de jacht op: a. wilde eenden of houtduiven, of b. konijnen, hazen of fazanten, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet. 4 artikel 3.6, twaalfde lid artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet Het verbod, bedoeld in, geldt niet voor de uitoefening van de jacht met gebruikmaking van een eendenkooi als bedoeld in. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.8 — Artikel 3.8#
Artikel 3.8 artikel 3.23, eerste lid, onderdeel d, van de wet artikel 81, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied Bij het aangaan van een huurovereenkomst als bedoeld inmag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een ruilakte als bedoeld in, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de huurovereenkomst, voor zover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.9 — Artikel 3.9#
Artikel 3.9 1 artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als middelen als bedoeld inworden aangewezen: a. geweren; b. honden, niet zijnde lange honden; c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds; d. kastvallen; e. vangkooien; f. vangnetten; g. eendenkooien; h. bal-chatri, en i. slag-, snij- of steekwapens. 2 artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet Als methoden als bedoeld inworden aangewezen: a. Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens dezijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen; b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a; c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels; d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; e. artikelen 3.12 3.13 3.14 3.15 3.16 het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de,,,of, inzake: 1°. de omvang van het jachtveld, 2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten, 3°. de munitie, of 4°. het gebruik van het geweer: – voor zonsopgang of na zonsondergang, – artikel 3.21, derde lid, van de wet binnen de bebouwde kom of op terreinen als bedoeld in, – artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in, – vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of – vanuit een luchtvaartuig; f. het doden door middel van cervicale dislocatie, en g. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer. 3 artikel 3.4, vierde lid, van de wet Als middelen, onderscheidenlijk methoden als bedoeld inworden aangewezen: a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan ten behoeve van de uitoefening van de jacht; b. bal-chatri; c. Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden doden met gebruikmaking van middelen die krachtens dezijn toegelaten of vrijgesteld; d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper. 4 De aanwijzing van geweren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, geldt uitsluitend voor zover: a. artikelen 3.12 3.13 3.14 3.15 3.16 wordt gehandeld overeenkomstig de,,,eninzake de regels waaraan het jachtveld voldoet, inzake de regels over de munitie, het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer of de diersoorten waarop het gebruik van het geweer betrekking heeft en inzake de gevallen waarin het gebruik van het geweer is uitgesloten of beperkt, dan wel, b. artikel 3.26, derde lid, van de wet artikelen 3.12 3.13 3.14 3.15 3.16 voor zover het betreft de methode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, op grond vanontheffing of vrijstelling is verleend van de,,,of. 5 artikel 3.30, eerste lid, onderdeel a, van de wet De aanwijzing van woestijnbuizerds, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, geldt uitsluitend voor het gebruik van deze roofvogels door degene die beschikt over een valkeniersakte als bedoeld in. 6 De aanwijzing van bal-chatri, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel h, en geldt uitsluitend onder de voorwaarde dat hierbij geen gebruik wordt gemaakt van levende lokdieren, dat op voorhand is gewaarborgd dat de bal-chatri onder permanent direct toezicht staat van een deskundige en dat gevangen dieren niet onnodig lang vastzitten en niet onnodig worden verwond. 7 De aanwijzing van slag-, snij- of steekwapens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel i, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier. 8 De aanwijzing van lokvogels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, geldt, indien het levende lokvogels betreft, uitsluitend indien: a. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft, die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden, onderscheidenlijk spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten; b. de vogels zijn gefokt; c. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier; d. de vogels niet verminkt of blind zijn, en e. Wet dieren de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte en worden ook overigens gehouden overeenkomstig de eisen gesteld bij of krachtens de. 9 De aanwijzing van cervicale dislocatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel f, geldt alleen voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden, door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak humaan en doeltreffend uit te voeren, en ingeval er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het desbetreffende dier. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.10 — Artikel 3.10#
Artikel 3.10 artikel 3.24, tweede lid, van de wet Als middelen als bedoeld inworden aangewezen: a. hagelpatronen die metallisch lood bevatten; b. klemmen, met uitzondering van klemmen: 1°. uitsluitend geschikt en bestemd voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten, huismuizen, en 2°. artikel 3.2a van de Waterwet die gebruikt worden bij het voorkomen van schade aan waterstaatswerken, veroorzaakt door muskus- en beverratten, ter uitvoering van, door personen die in dienst zijn of handelen in opdracht van een waterschap en die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze taak doeltreffend uit te voeren; c. vallen, met uitzondering van kastvallen; d. strikken; e. vangkooien, met uitzondering van vangkooien geschikt en bestemd voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom; f. lijm; g. netten, geschikt en bestemd om te worden gebruikt voor het vangen van vogels, en h. rodenators. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.11 — Artikel 3.11#
Artikel 3.11 1 Het is verboden mistnetten te vervoeren, te verkopen, te koop aan te bieden, te kopen of onder zich te hebben. 2 Onder «mistnetten» wordt in het eerste lid verstaan: netten, in banen, aan het stuk of in bepaalde vorm, vervaardigd van garens van synthetische of van kunstmatige vezels met een totale dikte van minder van 150 deniers (16,2 mg per meter) en waarvan de maaswijdte, gemeten over het garen, van knoop tot knoop, kleiner is dan 35 millimeter. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.12 — Artikel 3.12#
Artikel 3.12 1 artikel 3.26, eerste lid, onderdeel b, van de wet Een jachtveld als bedoeld in, heeft: a. een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare, per jachthouder die in zijn hoedanigheid als jachthouder gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in dat jachtveld, en b. zodanige afmetingen dat in het jachtveld een cirkel met een straal van ten minste 150 meter kan worden beschreven. 2 artikel 3.20, vierde lid, van de wet Ingeval het op grond van de bij en krachtensgestelde regels ook aan anderen dan de jachthouder, niet zijnde jachtopzichters, is toegestaan om in het desbetreffende jachtveld de jacht uit te oefenen, bedraagt de aaneengesloten oppervlakte van dat jachtveld de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde oppervlakte vermeerderd met 40 hectare per persoon, niet zijnde jachtopzichter, aan wie het is toegestaan in dat jachtveld de jacht uit te oefenen. 3 Bij de berekening van de oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, worden niet meegerekend: a. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350 meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 meter die het dichtst bij die gronden in het jachtveld kan worden beschreven; b. andere gronden dan die, bedoeld in onderdeel a, die van het middelpunt, bedoeld in onderdeel a, uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort; c. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen; d. begraafplaatsen, en e. artikel 3.21, derde lid, van de wet bebouwde kommen van de gemeenten als bedoeld inen onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen. 4 Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook ingeval zij grenzen aan gronden waarop het aan dezelfde persoon of personen is toegestaan om de jacht uit te oefenen: a. gronden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a of b; b. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, en c. artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld inof door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.13 — Artikel 3.13#
Artikel 3.13 1 artikel 3.26, eerste lid, van de wet Een geweer als bedoeld inheeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van ten minste .22 inch of 5,58 millimeter. 2 artikel 3.26, eerste lid, van de wet Een enkelloops hagelgeweer als bedoeld inheeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten. 3 artikel 3.26, eerste lid, van de wet Een kogelgeweer als bedoeld inheeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen. 4 artikel 3.26, eerste lid, van de wet Een geweer als bedoeld inis niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.14 — Artikel 3.14#
Artikel 3.14 1 artikel 3.26, eerste lid, van de wet De munitie die wordt gebruikt in een geweer als bedoeld involdoet aan het tweede of het derde lid. 2 Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood. 3 Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.15 — Artikel 3.15#
Artikel 3.15 1 artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid 3.14, derde lid Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de, en, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt: a. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt; b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt. 2 artikel 3.14, tweede en derde lid Onverminderd, worden met betrekking tot konijnen en houtduiven uitsluitend gebruikt: a. hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt, of b. kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter. 3 artikel 3.14, tweede lid Met betrekking tot hazen, fazanten en wilde eenden worden, onverminderd, uitsluitend hagelpatronen gebruikt. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.16 — Artikel 3.16#
Artikel 3.16 1 wet Het is verboden een geweer ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens dete gebruiken: a. voor zonsopgang en na zonsondergang; b. artikel 3.21, derde lid, van de wet binnen de bebouwde kom of op terreinen als bedoeld in; c. artikel 3.21, eerste lid, onderdeel d, van de wet binnen de afpalingskring van een eendenkooi als bedoeld in; d. vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of e. vanuit een luchtvaartuig. 2 Artikel 3.7, eerste lid , is van overeenkomstige toepassing op het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, ingeval het geweer wordt gebruikt bij de uitoefening van de jacht op wilde eenden. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.17 — Artikel 3.17#
Artikel 3.17 1 artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet artikel 2.48 van de Wet op het financieel toezicht De verzekering, bedoeld in, is gesloten met een financiële onderneming die ingevolgein Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang mag uitoefenen. 2 De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland. 3 De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per gebeurtenis. 4 artikel 932 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet De polis, bedoeld invan de verzekering, bedoeld inbevat in elk geval de volgende gegevens: a. naam en adres van de verzekeraar; b. naam en adres van de verzekeringnemer; c. het polisnummer; d. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de dekking; e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt; f. het gebied waarin de verzekering van kracht is, en g. het verzekerde bedrag. 5 De korpschef maakt aantekening van de gegevens, bedoeld in het vierde lid. 6 De houder van de jachtakte meldt elke wijziging van één van de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk aan de korpschef. 7 artikel 3.26, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel c, van de wet De korpschef verstrekt op verzoek schriftelijke inlichtingen over de nakoming vanvoor zover deze blijken uit de bijgehouden aantekeningen, bedoeld in het vijfde lid, aan: a. Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie; b. wet de personen belast met de opsporing van de bij of krachtens destrafbaar gestelde feiten, en c. artikel 3.29 van de wet hen die aannemelijk maken dat zij betrokken zijn bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.18 — Artikel 3.18#
Artikel 3.18 1 Om door Onze Minister te worden erkend, bevat het jachtexamen: a. een theoretisch gedeelte, waarin wordt getoetst op kennis van: 1°. artikel 3.20, tweede lid, van de wet het wild, bedoeld in, en dieren van andere soorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en van hierop gelijkende diersoorten; 2°. de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten; 3°. artikel 3.20, tweede lid, van de wet het beheer van het wild als bedoeld in; 4°. het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn; 5°. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming; 6°. de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie; 7°. landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen; 8°. de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door dieren van de in onderdeel a bedoelde soorten te voorkomen; 9°. het geweer, de daarbij gebruikte munitie en het gebruik van het geweer; 10°. artikelen 3.21, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, g en h, van de wet artikel 3.25, eerste en tweede lid, van de wet artikel 3.9 de middelen, genoemd in de, de krachtensaangewezen middelen en de middelen, genoemd in, en het gebruik van deze middelen; 11°. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren, en 12°. kennis van hetgeen een goed jager betaamt. b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, waarbij onderscheid kan worden gemaakt al naar gelang de aard van het gebruik van de munitie. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan een jachtexamen om te worden erkend. Deze regels hebben in elk geval betrekking op: a. de wijze van toetsing van kennis, vaardigheid en bekwaamheid, en b. de wijze van beoordeling van examenresultaten. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.19 — Artikel 3.19#
Artikel 3.19 1 artikel 3.30, tweede lid, tweede volzin, van de wet Om door Onze Minister te worden erkend, bevat het examen voor het gebruik van jachtvogels als bedoeld in: a. artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12° een theoretisch gedeelte, waarin wordt getoetst op kennis als bedoeld in; b. een praktisch gedeelte, waarin wordt getoetst op bekwaamheid in de omgang met jachtvogels. 2 Artikel 3.18, tweede lid , is van overeenkomstige toepassing. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.20 — Artikel 3.20#
Artikel 3.20 1 Om door Onze Minister te worden erkend, worden het jachtexamen en het examen voor het gebruik van jachtvogels afgenomen door een organisatie die voldoet aan de volgende eisen: a. zij bezit rechtspersoonlijkheid; b. de bestuursleden zijn naar evenredigheid afkomstig uit de kringen van jagers en natuurbescherming-landbouw; c. zij beschikt over een itembank met ten minste vijfhonderd meerkeuzevragen die betrekking hebben op de examens, waarvan de relatieve samenstelling overeenkomt met de eisen die ten aanzien van het examen worden gesteld; d. artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° zij beschikt over een beeldbank met ten minste twee afbeeldingen van elk dier van de soorten, bedoeld in, en ten minste één afbeelding van de dieren van andere beschermde soorten, en e. zij beschikt over: 1°. een kwaliteitszorgsysteem; 2°. een reglement waarin is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat van het examen wordt beoordeeld, wie gerechtigd is de examens bij te wonen, en 3°. een geschillenregeling. 2 Onze Minister wijst personen aan die belast zijn met het toezicht op de kwaliteit van jachtexamens en examens voor het gebruik van jachtvogels. Deze personen worden gekozen uit de kring van Commissarissen van de Koning en burgemeesters. 3 artikelen 3.18 3.19 Een persoon als bedoeld in het tweede lid ziet erop toe dat de organisatie die examens afneemt voldoet aan de eisen, genoemd in het eerste lid, en dat de examens worden afgenomen in overeenstemming met de bij en krachtens deengestelde regels. 4 Het bestuur van een organisatie die examens afneemt, verstrekt aan personen als bedoeld in het tweede lid desgevraagd inlichtingen over de inhoud van en de wijze van afnemen van examens en laat desgevraagd deze personen het afleggen van examens bijwonen. 5 Een persoon als bedoeld in het tweede lid informeert Onze Minister over zijn bevindingen ten aanzien van de organisatie die van belang zijn voor de erkenning van examens die zijn afgenomen door die organisatie. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.21 — Artikel 3.21#
Artikel 3.21 1 De jachtakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. 2 De valkeniersakte geldt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. 3 wet De jachtakte en de valkeniersakte verliezen hun geldigheid van rechtswege op het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer, onderscheidenlijk van jachtvogels ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens deis ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van: a. de aanvraag van jachtakten en valkeniersakten; b. het besluit op aanvragen van jachtakten en valkeniersakten. 5 Degene wiens jachtakte of valkeniersakte is ingetrokken, levert deze binnen vijf dagen nadat het besluit tot intrekking hem bekend is gemaakt, in bij degene die haar heeft verleend. 6 Degene aan wie de bevoegdheid tot jagen bij een rechterlijke uitspraak is ontzegd, levert binnen vijf dagen nadat die uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, diens jachtakte of valkeniersakte in bij degene die haar heeft verleend. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.22 — Artikel 3.22#
Artikel 3.22 1 artikel 3.30, derde lid, van de wet artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 5°, 10°, 11° en 12° Om door Onze Minister te worden erkend wordt in het examen voor het gebruik van eendenkooien als bedoeld ingetoetst op kennis als bedoeld in. 3 artikelen 3.18, tweede lid 3.20 De, enzijn van overeenkomstige toepassing. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.23 — Artikel 3.23#
Artikel 3.23 artikel 3.30, negende lid, van de wet De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedoeld inpalen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y meter, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor: – x: de naam van de eigenaar van de desbetreffende eendenkooi; – y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.24 — Artikel 3.24#
Artikel 3.24 1 Het is verboden gefokte vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet zijn genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan onder zich te hebben of te verhandelen. 2 Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten onder zich te hebben. 3 Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten te verhandelen. 4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. uit het wild afkomstige dieren en planten die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn; b. uit het wild afkomstige dieren en planten die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, en c. uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. 2019 354 22-10-2019 10-10-2019 2019 354 22-10-2019 10-10-2019 23-10-2019
Artikel 3.25 — Artikel 3.25#
Artikel 3.25 bijlage 1 bij dit besluit Het is verboden uit het wild afkomstige dieren van de soorten, genoemd in, onder zich te hebben of te verhandelen. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.26 — Artikel 3.26#
Artikel 3.26 1 Het is verboden een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te prepareren. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op degene die: a. aan Onze Minister binnen drie dagen na ontvangst gegevens verstrekt over een vogel als bedoeld in het eerste lid, die hem ter preparatie wordt aangeboden, op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze, en b. een door Onze Minister verstrekt merkteken aanbrengt op geprepareerde vogels als bedoeld in het eerste lid. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het verstrekken van gegevens en het merken van geprepareerde vogels, bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op: a. welke gegevens aan Onze Minister worden verstrekt; b. de kenmerken van de merktekens, en c. de wijze waarop een merkteken wordt aangevraagd. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.27 — Artikel 3.27#
Artikel 3.27 1 Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij met betrekking tot dat dier of die plant, indien het dier of de plant behoort tot: a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien, en 2°. bijlage 2 bij dit besluit de soorten, genoemd in, of d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, voor zover voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de CITES-uitvoeringsverordening is afgegeven. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de administratie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de gegevens die worden geadministreerd; b. de wijze waarop de administratie wordt bijgehouden, en c. de bewaartermijn van de administratie. 3 artikel 7.1 van de wet Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft desgevraagd inzage in die administratie aan in en op grond vanaangewezen ambtenaren. 4 Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, onder zich heeft. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.28 — Artikel 3.28#
Artikel 3.28 1 Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring. 2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vogels van de soorten, genoemd in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening. 3 De gesloten pootringen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgereikt door Onze Minister. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de pootringen. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de kenmerken van de pootringen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar vogelsoort, en b. de wijze waarop de gesloten pootringen dienen te worden aangevraagd. 5 In afwijking van het derde lid, kunnen bij ministeriële regeling rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties worden aangewezen die belast zijn met de taak om pootringen uit te geven. 6 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, kan worden bepaald dat: a. de aangewezen organisaties een administratie bijhouden op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze, en b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bij de ministeriële regeling te bepalen wijze. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.29 — Artikel 3.29#
Artikel 3.29 Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen. 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 2017 502 22-12-2017 04-12-2017 01-01-2018
Artikel 3.30 — Artikel 3.30#
Artikel 3.30 1 artikel 3.36, onderdeel e, van de wet Als verordening als bedoeld inwordt aangewezen verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308). 2 artikel 3.36, onderdeel e, van de wet richtlijn 83/129/EEG Als richtlijn als bedoeld inwordt aangewezenvan de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91). 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.31 — Artikel 3.31#
Artikel 3.31 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.32 — Artikel 3.32#
Artikel 3.32 1 Gedeputeerde staten zijn belast met het uitvoeren in hun provincie van uitroeiingsmaatregelen als bedoeld in artikel 17 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de Verordening invasieve uitheemse soorten en herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 20 van de Verordening invasieve uitheemse soorten, ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen uitheemse invasieve soorten die worden genoemd op de Unielijst, bedoeld in artikel 4 van de Verordening invasieve uitheemse soorten. 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in overeenstemming met gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid. 3 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de door gedeputeerde staten te gebruiken methoden, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten; b. de rangschikking naar prioriteit van beheersmaatregelen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten; c. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen beheersmaatregelen, overeenkomstig artikel 19, tweede en derde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten; d. de aard van de door gedeputeerde staten te nemen herstelmaatregelen, overeenkomstig artikel 20, eerste en tweede lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten, en e. de gegevens die gedeputeerden aan Onze Minister verstrekken over de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en over de aanwezigheid van dieren van invasieve uitheemse soorten in hun provincie. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 1 artikel 7.6, eerste lid, van de wet Als gedragingen als bedoeld inworden aangewezen: a. het binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen in strijd met het bepaalde in artikel 4, derde en vierde lid, van de CITES-basisverordening; b. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; c. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onderdeel c, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de CITES-uitvoeringsverordening van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166), en d. artikelen 3.27 3.28 handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens deenvan dit besluit. 2 7.6, tweede lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht De op grond van, vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in. 3 7.6, tweede lid artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht In afwijking van het tweede lid bedraagt de op grond van, vast te stellen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in, indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor een overtreding, behorende tot eenzelfde categorie van gedragingen als bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is geworden. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 Wijzigt het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.2 — Artikel 5.2#
Artikel 5.2 Wijzigt het Besluit bestrijding bacterievuur 1983. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.3 — Artikel 5.3#
Artikel 5.3 Wijzigt het Besluit Bibob. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.4 — Artikel 5.4#
Artikel 5.4 Wijzigt het Besluit houders van dieren. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.5 — Artikel 5.5#
Artikel 5.5 Wijzigt het Besluit inrichting landelijk gebied. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.6 — Artikel 5.6#
Artikel 5.6 Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.7 — Artikel 5.7#
Artikel 5.7 Wijzigt het Besluit ontgrondingen in rijkswateren. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.8 — Artikel 5.8#
Artikel 5.8 Wijzigt het Besluit politiegegevens. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.9 — Artikel 5.9#
Artikel 5.9 Wijzigt het Besluit omgevingsrecht. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.10 — Artikel 5.10#
Artikel 5.10 Wijzigt het Bouwbesluit 2012. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.11 — Artikel 5.11#
Artikel 5.11 Wijzigt het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.12 — Artikel 5.12#
Artikel 5.12 Wijzigt het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.13 — Artikel 5.13#
Artikel 5.13 1 Artikel 5.5, derde lid, van de wet artikel 19d, eerste lid 47a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is niet van toepassing op een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in, of, die is ingediend vóór 1 juli 2015. 2 artikelen 2.7 2.8 2.9 De,enzijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. artikel 2.7, eerste lid voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan; b. artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet artikel 2.8, eerste lid, van de wet de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in, is een volledige passende beoordeling als bedoeld ingemaakt, en c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.14 — Artikel 5.14#
Artikel 5.14 1 artikel 10, eerste lid 12, eerste lid 27 van de Natuurbeschermingswet 1998 artikel 19 24 van de Flora- en faunawet artikel 12.1, onderdeel b, onderscheidenlijk c, van de wet In dit artikel wordt onder «beperkingenbesluit» verstaan een aanwijzing als bedoeld in,ofof een aanwijzing als bedoeld inof, zoals deze wetten golden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van. 2 Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken artikel 15, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster Indien een bestuursorgaan met betrekking tot een beperkingenbesluit toepassing heeft gegeven aan de, draagt dat bestuursorgaan ervoor zorg dat binnen vier dagen na het tijdstip waarop het beperkingenbesluit van rechtswege is vervallen een verklaring met betrekking tot het vervallen van de uit dat beperkingenbesluit voortvloeiende publiekrechtelijke beperking met overeenkomstige toepassing vanter inschrijving wordt aangeboden aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in. 3 De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, behoort, is aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door vergissingen, verzuimen, vertragingen of andere onregelmatigheden, door hem of door personen voor wier gedragingen hij aansprakelijk is begaan bij de nakoming van de in het tweede lid voorgeschreven verplichting. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.15 — Artikel 5.15#
Artikel 5.15 artikel 5, tweede lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten artikel 3.40 van de wet Ontheffingen als bedoeld ingelden als ontheffingen als bedoeld in, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.16 — Artikel 5.16#
Artikel 5.16 1 hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998 artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing vanis verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in. 2 titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet artikel 2.2aa, onderdeel b, van het Besluit omgevingsrecht Onderdelen van een omgevingsvergunning die met toepassing vanis verleend, gelden als onderdelen van een omgevingsvergunning, verleend voor een activiteit als bedoeld in. 3 hoofdstuk IX, titel 2, van de Natuurbeschermingswet 1998 titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet wet Besluit omgevingsrecht De op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aanhangige procedures over de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing vanof van, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deen hetbehandeld. 4 titel III, afdeling 2a, van de Flora- en faunawet In zoverre in afwijking van het derde lid is Onze Minister bevoegd tot het geven van een verklaring van geen bedenkingen over aanvragen van omgevingsvergunning met toepassing van, die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.17 — Artikel 5.17#
Artikel 5.17 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 5.18 — Artikel 5.18#
Artikel 5.18 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit natuurbescherming. 2016 383 28-10-2016 11-10-2016 2016 384 28-10-2016 11-10-2016 01-01-2017
Artikel 3.25#
artikel 3.25
Artikel 3.27#
3.27, eerste lid, onderdeel c, onder 2°