Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021)
- BWB-id
- BWBR0045555
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-04-02
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0045555
- ELI
- /eli/nl/amvb/2022/besluit-inburgering-2021
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2022/besluit-inburgering-2021/2026-04-02
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0045555&g=2026-04-02
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0045555&z=2026-06-06&g=2026-04-02
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0045555/2026-04-02
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2022/besluit-inburgering-2021
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 Begripsbepalingen#
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: asielstatushouders: artikel 13, eerste lid, van de wet inburgeringsplichtigen, bedoeld in; B1-route: artikel 7 van de wet de leerroute, bedoeld in; Besluit inburgering: Besluit inburgering , zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit, tenzij anders is vermeld; cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde zijn leerroute te behalen; gezinsmigranten en overige migranten: artikel 19, van de wet inburgeringsplichtigen, bedoeld in; inburgeringscertificaat: artikel 6, tweede lid, van de wet het certificaat, bedoeld in; inburgeringsdiploma: artikel 6, tweede lid, van de wet het diploma, bedoeld in; inburgeringsvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht; landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling: het door Onze Minister van Justitie en Veiligheid in de Staatscourant bekendgemaakte totale aantal vergunninghouders in wier huisvesting in het daarbij aangegeven kalenderhalfjaar naar verwachting voorzien zal moeten worden; lening: artikel 20, van de wet lening, bedoeld in; wet: Wet inburgering 2021 de. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 Voortduren inburgeringsplicht bij tijdelijke beëindiging#
Artikel 2.1 Voortduren inburgeringsplicht bij tijdelijke beëindiging 1 artikel 3, eerste lid, van de wet artikel 3.82, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 De inburgeringsplicht eindigt niet, indien de vreemdeling direct aansluitend op de periode waarin hij op grond vaninburgeringsplichtig was of op de termijn, bedoeld in, rechtmatig verblijf in de zin vanheeft verkregen. 2 artikel 3, eerste lid, van de wet De inburgeringsplicht wordt geacht niet te zijn geëindigd, indien de vreemdeling tussen twee tijdvakken waarin hij op grond vaninburgeringsplichtig was, gedurende een tijdvak van maximaal een jaar: a. Wet basisregistratie personen geen ingezetene in de zin van dewas; b. in Nederland verbleef voor een tijdelijk doel; of c. artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn werkzaamheden als geestelijke bedienaar, bedoeld inheeft onderbroken. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 Tijdelijke verblijfsdoelen#
Artikel 2.2 Tijdelijke verblijfsdoelen 1 artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld inis tijdelijk in de zin van, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met: a. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft; b. arbeid als zelfstandige; c. arbeid als kennismigrant; d. Richtlijn (EU) 2021/1883 Richtlijn 2009/50/EG verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin vanvan het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking vanvan de Raad (PbEU 2021, L 382/1); e. seizoenarbeid; f. overplaatsing binnen een onderneming; g. arbeid in loondienst; h. grensoverschrijdende dienstverlening; i. Richtlijn (EU) 2016/801 onderzoek in de zin vanvan het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PbEU 2016, L132); j. lerend werken; k. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel; l. studie; m. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst; n. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag; o. medische behandeling; p. tijdelijke humanitaire gronden; q. artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap het afwachten van een verzoek op grond van. 2 artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet artikel 3.5, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 Het doel van het verblijf van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in, verleend onder een andere beperking dan bedoeld in het eerste lid, is tijdelijk in de zin van, indien zulks met toepassing vanis bepaald. 3 artikel 8, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet Het doel van het verblijf van de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld inis niet tijdelijk in de zin van. 2024 150 11-06-2024 03-06-2024 2024 150 11-06-2024 03-06-2024 12-06-2024 Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor
onderdeel e in plaats van onderdeel d.
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 Vrijstelling aantoonbaar voldoende ingeburgerd#
Artikel 2.3 Vrijstelling aantoonbaar voldoende ingeburgerd artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet Onze Minister verleent de vrijstelling, bedoeld in, indien: a. de inburgeringsplichtige volgens de basisregistratie personen ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven is geweest; b. de inburgeringsplichtige aantoonbaar gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk heeft verricht in Nederland; en c. in een gesprek is vastgesteld dat de inburgeringsplichtige beheerst over spreekvaardigheid en luistervaardigheid in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen#
Artikel 2.4 Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen De advisering met betrekking tot voor de inburgeringsplicht vrijstellende buitenlandse diploma’s, certificaten of andere documenten, wordt uitgevoerd door een of meer bij ministeriële regeling aangewezen organisaties. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 Aanvraag tot vrijstelling#
Artikel 2.5 Aanvraag tot vrijstelling artikel 4, eerste lid, van de wet Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de procedure voor een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 Verblijf in Nederland#
Artikel 2.6 Verblijf in Nederland Leerplichtwet 1969 artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet De duur van de periode dat een persoon leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de, bedoeld in, blijkt uit inschrijving als ingezetene in de basisregistratie personen. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 Medische ontheffing#
Artikel 2.7 Medische ontheffing 1 artikel 5, eerste lid, van de wet artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend. 2 De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan. 3 Een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt uitsluitend verleend indien vanwege de belemmering of beperking niet kan worden voldaan aan: a. maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden of het examen KNM van het inburgeringsexamen; b. artikel 8, vierde lid, van de wet maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1 of het examen KNM als bedoeld invan de onderwijsroute; of c. artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b het participatiegedeelte van de zelfredzaamheidsroute, bedoeld in, met uitzondering van de activiteiten van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie. 4 Indien Onze Minister op grond van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige wel aan een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen dan wel een of meerdere examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in het derde lid, kan voldoen onder examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, geldt dat: a. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op het niveau A2 en het examen kennis van de Nederlandse maatschappij in een beschikking wordt vermeld welke aangepaste examenomstandigheden het betreft; en b. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1, de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, waarin ten aanzien van de inburgeringsplichtige een voorstel wordt gedaan met betrekking tot in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden voor het voornoemde examen, aan de inburgeringsplichtige wordt verstrekt. 5 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid. 7 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de omstandigheden waaronder de kosten van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, worden vergoed aan de inburgeringsplichtige. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt. 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 01-01-2022
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden#
Artikel 2.8 Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden 1 artikel 5, tweede lid, van de wet Gehele ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege bijzondere individuele omstandigheden, bedoeld in, wordt slechts verleend in zeer uitzonderlijke, onvoorziene omstandigheden, die niet aan de inburgeringsplichtige te wijten zijn en waarbij het vasthouden aan de inburgeringsplicht voor de inburgeringsplichtige tot een zeer schrijnende situatie leidt. 2 Bij de aanvraag tot gehele ontheffing van de inburgeringsplicht legt de inburgeringsplichtige een advies van het college over. 3 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. 4 Onze Minister kan ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing. Indien van toepassing adviseert het college Onze Minister inzake dit besluit. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanvraag en het verlenen van de ontheffing. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 Inhoud en vormgeving participatieverklaringstraject#
Artikel 3.1 Inhoud en vormgeving participatieverklaringstraject 1 Het participatieverklaringstraject wordt wat betreft het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden afgelegd door het deelnemen aan een door of namens het college aangeboden inleiding op de Nederlandse kernwaarden en wat betreft het onderdeel ondertekenen van de participatieverklaring door het aanwezig zijn bij de ondertekeningsbijeenkomst en het aldaar ondertekenen van de participatieverklaring. 2 Het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden bestaat uit minimaal een activiteit of excursie in het kader waarvan aan ten minste een Nederlandse kernwaarde een praktische uitwerking wordt gegeven. 3 Het participatieverklaringstraject omvat ten minste 12 uren. 4 Bij het participatieverklaringstraject worden door het college de aanwezigheid van de inburgeringsplichtige bij de inleiding op de Nederlandse kernwaarden en de ondertekening van de participatieverklaring geregistreerd. 5 artikel 5.3, vijfde lid Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van, in mindering worden gebracht op de urennorm, genoemd in het derde lid. 6 artikel 6, achtste lid, van de wet bijlage De tekst van de participatieverklaring, bedoeld in, is opgenomen alsbij dit besluit. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 Inhoud en vormgeving module Arbeidsmarkt en Participatie#
Artikel 3.2 Inhoud en vormgeving module Arbeidsmarkt en Participatie 1 De inburgeringsplichtige neemt in het kader van de module Arbeidsmarkt en Participatie deel aan activiteiten die erop zijn gericht zijn kennis en vaardigheden te vergroten over de volgende thema’s: a. beroepenoriëntatie; b. werknemerscompetenties; c. realistisch beroepsbeeld; d. beroepskansen; e. beroepscompetenties verwerven; f. netwerk opbouwen; g. werk vinden; en h. werkcultuur. 2 De module Arbeidsmarkt en Participatie wordt afgesloten met een eindgesprek tussen de inburgeringsplichtige en het college. 3 artikel 5.3, vijfde lid Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van, in mindering worden gebracht op de voor de module Arbeidsmarkt en Participatie geldende urennorm. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, waaronder een urennorm. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 Inhoud examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden#
Artikel 3.3 Inhoud examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft de examinering van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, uit de volgende examenonderdelen: a. leesvaardigheid; b. luistervaardigheid; c. schrijfvaardigheid; en d. spreekvaardigheid. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 Inhoud examen kennis van de Nederlandse maatschappij#
Artikel 3.4 Inhoud examen kennis van de Nederlandse maatschappij 1 Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij, uit de volgende onderwerpen: a. werk en inkomen; b. omgangsvormen, waarden en normen; c. wonen; d. gezondheid en gezondheidszorg; e. geschiedenis en geografie; f. instanties; g. staatsinrichting en rechtsstaat; en h. onderwijs en opvoeding. 2 Bij ministeriële regeling worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, nader uitgewerkt in te behalen eindtermen. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 Vaststellen en afnemen van examen#
Artikel 3.5 Vaststellen en afnemen van examen 1 artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal Het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1, bedoeld in, vindt plaats overeenkomstig de regels van het. 2 Onze Minister stelt de volgende examens vast: a. artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in; b. het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. 3 De examens, bedoeld in het tweede lid, worden afgenomen door Onze Minister. 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede en derde lid, onder meer omtrent de wijze van examineren en de beoordeling van de examens. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 Aanmelding examen#
Artikel 3.6 Aanmelding examen 1 artikel 3.5, tweede lid Degene die wenst te worden toegelaten tot de examens, bedoeld in, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 Examengeld#
Artikel 3.7 Examengeld 1 artikel 3.5, tweede lid Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte en het betalen van het examengeld, voor de examens, bedoeld in, en op welke wijze het verschuldigde examengeld wordt voldaan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen groepen inburgeringsplichtigen. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het kosteloos afleggen van een of meerdere examenpogingen van onderdelen van het inburgeringsexamen door groepen van inburgeringsplichtigen, in welk geval Onze Minister het examengeld voor het afleggen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal voldoet. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 Identificatie bij examen#
Artikel 3.8 Identificatie bij examen artikel 3.5, tweede lid artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Op verzoek van degene die de examens, bedoeld in, afneemt of daarop toezicht houdt, identificeert de kandidaat zich met een document als bedoeld in. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 Aangepaste examenomstandigheden#
Artikel 3.9 Aangepaste examenomstandigheden 1 artikel 3.5, tweede lid Onze Minister kan de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking op diens verzoek in de gelegenheid stellen om de examens, bedoeld in, af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. 2 artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg De inburgeringsplichtige kan kosteloos een deskundigenverklaring aanvragen van een door Onze Minister aangewezen arts, niet zijnde de behandeld arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in, waarin deze arts zich uitlaat over de noodzaak tot het treffen van aangepaste examenomstandigheden bij het afleggen van een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen en welke mogelijke aangepaste examenomstandigheden dit kunnen betreffen. 3 Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, legt de kandidaat de deskundigenverklaring, bedoeld in het tweede lid, over, waaruit blijkt dat hij een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden. 4 artikel 2.7 Indien Onze Minister bij de toepassing vanheeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanmelding voor het voornoemde examen, de beschikking, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel over. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 Onregelmatigheden#
Artikel 3.10 Onregelmatigheden 1 artikel 3.5, tweede lid Indien een kandidaat zich ten aanzien van een onderdeel van de examens, bedoeld in, aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan Onze Minister het betreffende examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen. 2 Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan Onze Minister het examenresultaat ongeldig verklaren. 3 Indien de onregelmatigheid eerst na het verstrekken van het inburgeringsdiploma wordt ontdekt, kan het examenresultaat van het betreffende examen ongeldig worden verklaard en kan Onze Minister het inburgeringsdiploma intrekken. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 Normen voor de kwaliteit van de examinering#
Artikel 3.11 Normen voor de kwaliteit van de examinering artikel 3.5, tweede lid Bij ministeriële regeling worden normen voor de kwaliteit van de examinering van de examens, bedoeld in, vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op: a. de afname van de examens; b. de voorwaarden voor toelating tot de examens; c. de deskundigheid van de beoordelaars; d. het vaststellen van de uitslag van de examens; e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering; f. de procedures en sancties bij onregelmatigheden. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 Aanvraag gedeeltelijke vrijstelling van examen#
Artikel 3.12 Aanvraag gedeeltelijke vrijstelling van examen artikel 7, derde lid, van de wet Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de procedure tot een aanvraag van een gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen als bedoeld in. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen#
Artikel 3.13 Aanwijzing adviserende instelling over vrijstellende opleidingen De advisering met betrekking tot voor onderdelen van het inburgeringsexamen vrijstellende buitenlandse diploma’s, certificaten of andere documenten, wordt uitgevoerd door een of meer bij ministeriële regeling aangewezen organisaties. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 Inhoud en vormgeving zelfredzaamheidsroute#
Artikel 3.14 Inhoud en vormgeving zelfredzaamheidsroute 1 Het college biedt de inburgeringsplichtige de onderdelen van de zelfredzaamheidsroute aan, waarbij de invulling van deze onderdelen wordt afgestemd op het vermogen en de ontwikkelbehoeften van de inburgeringsplichtige. 2 De zelfredzaamheidsroute bestaat voor asielstatushouders uit de volgende onderdelen: a. artikel 32 van de wet in totaal 800 cursusuren gevolgd bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond van, bestaande uit: i. cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, onder persoonlijke begeleiding van een NT2-docent; en ii. cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij. b. in totaal 800 uren besteed aan activiteiten gericht op zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij, waarbij de activiteiten: i. plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving; en ii. niet in isolement plaatsvinden; en c. een eindgesprek met het college. 3 Het tweede lid, onderdeel a en c, zijn van toepassing op gezinsmigranten en overige migranten. 4 artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Het college verleent geen mandaat of machtiging aan een derde, met uitzondering van een openbaar lichaam als bedoeld in, met betrekking tot de taak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c. 5 De uren gemoeid met de module Arbeidsmarkt en Participatie en het participatieverklaringstraject worden in mindering gebracht op de urennorm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. 6 Participatiewet artikel 13 van de wet artikel 5.3, vijfde lid Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal of kennis van de Nederlandse maatschappij zijn gevolgd of activiteiten zijn verricht, of gedurende de brede intake activiteiten zijn verricht in het kader van de, of in het kader van de maatschappelijke begeleiding, bedoeld in, activiteiten zijn verricht, die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen de hiermee gemoeide uren, in afwijking van, in mindering worden gebracht op de urennorm, die geldt op grond van het tweede of achtste lid. 7 artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d artikel 3.4 Indien de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examenonderdelen, genoemd in, op het niveau A2, of het examenonderdeel, genoemd in, wenst af te leggen en het college de inburgeringsplichtige daartoe in staat acht, legt het college dit vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie. 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, waarbij voor inburgeringsplichtigen met een auditieve of visuele beperking onder nader vast te stellen voorwaarden, een lagere urennorm kan worden vastgesteld dan de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of voor deze groep kan worden vastgesteld dat voor bepaalde vaardigheden van een cursus Nederlands als tweede taal, geen cursusuren hoeven te worden gevolgd. 9 artikel 32 van de wet Indien de inburgeringsplichtige in de periode vanaf twee jaar voorafgaand aan de vaststelling van het persoonlijk plan inburgering en participatie, onderwijs Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij heeft gevolgd aan een opleiding als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, b of c, dan kunnen de gevolgde uren, al dan niet in combinatie met uren gevolgd bij een cursusinstelling met een keurmerk als bedoeld in, in mindering worden gebracht op de urennorm, die geldt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en achtste lid. 10 De inburgeringsplichtige, bedoeld in het negende lid, neemt deel of heeft deelgenomen aan: a. artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in, in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding, bedoeld in; b. artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 het praktijkonderwijs, bedoeld in; of c. artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs de entreeopleiding, bedoeld in. 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 10-07-2025
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 Het inburgeringsdiploma#
Artikel 3.15 Het inburgeringsdiploma 1 Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader het inburgeringsexamen of de onderwijsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringsdiploma. 2 artikel 6.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met c artikel 1.1, onderdeel b, van het Besluit inburgering Degene die de examenonderdelen, bedoeld in, met goed gevolg heeft afgelegd, ontvangt een inburgeringsdiploma als bedoeld in. 3 Onze Minister verstrekt het inburgeringsdiploma. 4 Het inburgeringsdiploma wordt ondertekend door Onze Minister. 5 Duplicaten van het inburgeringsdiploma worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt. 6 Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringsdiploma vastgesteld. 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 10-07-2025 01-01-2022
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 Het inburgeringscertificaat#
Artikel 3.16 Het inburgeringscertificaat 1 Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader de zelfredzaamheidsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringscertificaat. 2 Onze Minister verstrekt het inburgeringscertificaat. 3 Het inburgeringscertificaat wordt ondertekend door Onze Minister. 4 Duplicaten van inburgeringscertificaten worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt. 5 Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringscertificaat vastgesteld en kunnen regels worden gesteld over de wijze van afgifte van het inburgeringscertificaat. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 Aanbod tot voorbereiding op de inburgering#
Artikel 3.17 Aanbod tot voorbereiding op de inburgering 1 artikel 10 van de wet Aan de inburgeringsplichtige, bedoeld in, wordt door Onze Minister dan wel door een op grond van artikel 10 van de wet aangewezen instelling een aanbod tot voorbereiding op de inburgering gedaan. 2 De voorbereiding op de inburgering bestaat uit de volgende onderdelen: a. een cursus Nederlands als tweede taal; b. een introductiemodule Arbeidsmarkt en Participatie; c. een introductiemodule kennis van de Nederlandse maatschappij; en d. een introductiemodule participatieverklaringstraject. 3 De deelname aan voorbereiding op de inburgering is kosteloos en deelname kan niet worden verplicht. 4 Deelname aan voorbereiding op de inburgering mag het inburgeringstraject in geen geval vertragen. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 Bekostiging voorbereiding op de inburgering#
Artikel 3.18 Bekostiging voorbereiding op de inburgering 1 Onze Minister bekostigt de voorbereiding op de inburgering. 2 artikel 3.17, eerste lid De kosten voor de uitvoering van deze taak door de aangewezen instelling, bedoeld in, komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 Internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau#
Artikel 3.19 Internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau Op verzoek van de inburgeringsplichtige zullen de door Onze Minister aangewezen organisaties kosteloos het door de inburgeringsplichtige behaalde internationale diploma of de behaalde opleidingsjaren waarderen dan wel een indicatie geven van het door de inburgeringsplichtige behaalde onderwijsniveau. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 Begripsbepaling#
Artikel 4.1 Begripsbepaling artikel 11, eerste lid, van de wet artikel 12 van de wet artikelen 24, tweede en derde lid 25, tweede lid, van de wet In dit hoofdstuk wordt verstaan onder termijn de termijn, bedoeld in, de op grond vanverlengde termijn, of de vastgestelde nieuwe termijn, bedoeld in de, en, tenzij anders is bepaald. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 Verlenging termijn na tijdelijke beëindiging#
Artikel 4.2 Verlenging termijn na tijdelijke beëindiging artikel 2.1, tweede lid De termijn wordt verlengd met de duur van de periode, bedoeld in. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 Verlenging bij geen verwijtbaarheid#
Artikel 4.3 Verlenging bij geen verwijtbaarheid 1 De inburgeringsplichtige treft geen verwijt ter zake van het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht, indien hij aannemelijk maakt dat zich gedurende de periode van de termijn een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor hij niet in staat is geweest deel te nemen aan activiteiten die erop zijn gericht te voldoen aan de inburgeringsplicht en dit hem in alle redelijkheid niet te verwijten valt. 2 artikel 11, eerste lid, van de wet artikel 12 van de wet De inburgeringsplichtige treft geen verwijt ter zake van het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht, indien hij aantoont dat hij gedurende de termijn, bedoeld in, een bij ministeriële regeling aan te wijzen niet vrijstellende opleiding volgt of volgde, of deze opleiding na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 11 van de wet, of de op grond vanverlengde termijn, nog voortzet. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de duur van de verlenging en de toepassing van het eerste en het tweede lid. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 Verlenging na aanzienlijke inspanningen bij bijna afgeronde inburgeringsplicht#
Artikel 4.4 Verlenging na aanzienlijke inspanningen bij bijna afgeronde inburgeringsplicht 1 artikel 11, eerste lid, van de wet artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet Onze Minister verlengt de termijn genoemd in, in het geval van, met zes maanden. 2 artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet Van aanzienlijke inspanningen als bedoeld inis sprake indien de inburgeringsplichtige: a. de B1-route volgt en de spreekvaardigheid, luistervaardigheid, leesvaardigheid en schrijfvaardigheid worden geëxamineerd op het niveau dat is vastgelegd in het persoonlijk plan inburgering en participatie, maar ten minste op het niveau A2; b. alle taallessen en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij heeft gevolgd, met uitzondering van afwezigheid vanwege geoorloofd verzuim; c. minimaal twee van de vier examenonderdelen als bedoeld in onderdeel a, van het inburgeringsexamen heeft behaald, alsmede het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij; en d. het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie heeft afgerond. 3 Voor gezinsmigranten en overige migranten geldt in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, dat zij ten minste 450 uren aan taallessen of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij hebben gevolgd. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 Procedure verlenging#
Artikel 4.5 Procedure verlenging 1 Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. 2 In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. 3 In bijzondere gevallen die alle inburgeringsplichtigen of categorieën van inburgeringsplichtigen betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn voor een bij ministeriële regeling te bepalen duur. 4 In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 Inhoud en vormgeving maatschappelijke begeleiding#
Artikel 5.1 Inhoud en vormgeving maatschappelijke begeleiding artikel 13, tweede lid, van de wet De maatschappelijke begeleiding, bedoeld in, bevat in ieder geval de volgende componenten: a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen: ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving; b. voorlichting over basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving: voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 Inhoud en verslaglegging brede intake#
Artikel 5.2 Inhoud en verslaglegging brede intake 1 artikel 14, derde lid, van de wet Het college brengt, in aanvulling op de onderdelen, bedoeld in, in het kader van de brede intake met betrekking tot de inburgeringsplichtige in ieder geval het volgende in kaart: a. het taalniveau; b. de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; en c. de mate van zelfredzaamheid. 2 Het college wijst de inburgeringsplichtige op het recht om de gesprekken in het kader van de brede intake enkel met hem persoonlijk te voeren, derhalve zonder de aanwezigheid van enig ander persoon, niet zijnde degene die in de hoedanigheid van zijn professie bij de gesprekken aanwezig is. 3 Het college legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 Persoonlijk plan inburgering en participatie#
Artikel 5.3 Persoonlijk plan inburgering en participatie 1 artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 Het college stelt het persoonlijk plan inburgering en participatie vast uiterlijk 10 weken na de dag waarop Onze Minister de inburgeringsplichtige schriftelijk in kennis heeft gesteld van de inburgeringsplicht. Indien de inburgeringsplichtige op de datum van deze kennisgeving nog niet is ingeschreven in de gemeente waar hij op grond vanwordt gehuisvest, stelt het college het plan vast uiterlijk 10 weken na de dag waarop de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen is ingeschreven in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest. 2 Het college kan afwijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om het persoonlijk plan inburgering en participatie binnen deze termijn vast te stellen zonder informatie van een derde, van welke informatie het college in afwachting is. Uiterlijk twee weken na ontvangst van deze informatie stelt het college het plan alsnog vast. 3 Als de inburgeringsplichtige, voor wie het persoonlijk plan inburgering en participatie is opgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente het voornoemde plan vast binnen uiterlijk 10 weken na de datum van inschrijving van de inburgeringsplichtige in deze gemeente. 4 Het college legt het aantal te voeren voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtige vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie. 5 Inspanningen die een inburgeringsplichtige heeft verricht voorafgaand aan het vaststellen van het persoonlijk plan inburgering en participatie, wegen niet mee voor het voldoen aan de inburgeringsplicht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. 6 artikel 17, tweede lid, van de wet artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet Indien het college de leerroute van de inburgeringsplichtige ingevolge, opnieuw vaststelt, of ingevolge artikel 17, derde lid, van de wet besluit dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, in afwijking vangeheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd, past het college het persoonlijk plan inburgering en participatie conform deze wijziging aan. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023 01-01-2022
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 Termijn en gevolgen van wijzigen van leerroute#
Artikel 5.4 Termijn en gevolgen van wijzigen van leerroute 1 artikel 17, tweede lid, van de wet artikel 11, eerste lid, van de wet De termijn, bedoeld in, bedraagt maximaal anderhalf jaar vanaf de aanvang van de termijn, bedoeld in, met dien verstande dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route. 2 artikel 4.3, tweede lid Indien de inburgeringsplichtige een niet vrijstellende opleiding als bedoeld in, heeft afgerond of voortijdig heeft beëindigd na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, kan het college, in afwijking van de termijn, bedoeld in het eerste lid, na het afronden van deze opleiding de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute wijzigen. 3 In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college afwijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid. 4 Bij het wijzigen van leerroute geldt dat bij het wijzigen van: a. de onderwijsroute of de zelfredzaamheidsroute naar de B1-route: i. artikel 8, tweede lid, van de wet artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a bij het bepalen van de intensiteit van de leerroute rekening wordt gehouden met de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een instelling als bedoeld inof met de gevolgde cursusuren, bedoeld in; ii. de in de onderwijsroute reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij, gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen. b. artikel 8, vierde lid, van de wet de B1-route naar de onderwijsroute: de reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in. c. artikel 32 van de wet artikel 8, tweede lid, van de wet artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a de B1-route of de onderwijsroute naar de zelfredzaamheidsroute: de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond vanof bij een instelling als bedoeld in, in mindering worden gebracht op de urennorm, bedoeld in. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 Afschalen naar niveau A2#
Artikel 5.5 Afschalen naar niveau A2 1 artikel 17, derde lid, van de wet artikel 32 van de wet artikel 8, tweede lid, van de wet Van aanzienlijke inspanningen, bedoeld in, is sprake indien de inburgeringsplichtige in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, heeft gevolgd bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond vanof bij een instelling als bedoeld inen voorts uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat hij zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen. 2 artikel 5.3, vijfde lid Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, zijn gevolgd die voldoen aan het gestelde in het eerste lid, kunnen deze uren, in afwijking van, in mindering worden gebracht de urennorm, genoemd in het eerste lid. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 Voorwaarden recht op lening#
Artikel 6.1 Voorwaarden recht op lening artikel 3, tweede lid, van de wet artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld inen die: a. artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet 16 jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld innog niet heeft bereikt; b. Leerplichtwet 1969 minder dan acht jaren leerplichtig of kwalificatieplichtig is geweest op grond van de; c. artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet beschikt over een diploma, certificaat of ander document als bedoeld inen geen opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van voornoemd diploma, certificaat of ander document; d. Leerplichtwet 1969 niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is op grond van de; of e. niet heeft aangetoond al voldoende te zijn ingeburgerd. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 Hoogte en aanwending van de lening#
Artikel 6.2 Hoogte en aanwending van de lening 1 artikel 20, tweede lid, van de wet Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde inop aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor: a. het volgen van een cursus ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute; b. het volgen van een taalschakeltraject ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute; c. het volgen van alfabetiseringsonderwijs, mits de verplichting hiertoe is opgenomen in het persoonlijk plan inburgering en participatie; of d. artikel 7, eerste lid, van de wet het afleggen van het inburgeringsexamen, bedoeld in. 2 artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 3 van die wet De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstigte berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in. 3 artikel 28, eerste lid, van de wet artikel 32, eerste lid, van de wet De lening ten behoeve van het volgen van een cursus of alfabetiseringsonderwijs wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus of alfabetiseringsonderwijs volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld inof een keurmerk als bedoeld in. 4 artikel 8, tweede lid, van de wet De lening ten behoeve van het volgen van een taalschakeltraject wordt slechts verstrekt indien deze in het kader van de onderwijsroute wordt gevolgd, waarbij sprake moet zijn van een erkend taalschakeltraject als bedoeld in. 5 artikel 4.1 van het Besluit inburgering besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond vanzoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het(Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden. 6 artikel 4.1 van het Besluit inburgering De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond vaneen lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden. 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 6.2a — Artikel 6.2a Verstrekken van een lening aan anderen dan inburgeringsplichtigen#
Artikel 6.2a Verstrekken van een lening aan anderen dan inburgeringsplichtigen 1 Artikel 6.2, eerste lid artikel 3, tweede lid, van de wet artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 , is niet van toepassing op de persoon, bedoeld in, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in. 2 Aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor: a. artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet Het afleggen van de examenonderdelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, bedoeld in, op ten minste het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen; b. artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet Het afleggen van het examenonderdeel Kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in; c. artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering Het afleggen van het examenonderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt bedoeld in; of d. artikel 28, eerste lid, van de wet artikel 32, eerste lid, van de wet Het volgen van een alfabetiseringscursus, een inburgeringscursus, of een cursus Nederlands als tweede taal, ter voorbereiding van de examenonderdelen, genoemd in de onderdelen a tot en met c, bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld inof een keurmerk als bedoeld in; 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 10-07-2025 01-01-2022
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 Duur en betaling van de lening#
Artikel 6.3 Duur en betaling van de lening 1 artikel 19, van de wet artikel 20, tweede lid, van de wet artikel 11 van de wet artikel 12, eerste lid, van de wet artikelen 24, tweede lid 25, tweede lid, van de wet artikel 6.1 De inburgeringsplichtige, bedoeld inheeft, behoudens het bepaalde in, aanspraak op de lening gedurende de termijn, bedoeld in, gedurende de verlengde termijn bedoeld inen gedurende de termijn, genoemd in de boetebeschikking, bedoeld in de, en. Een persoon als bedoeld inheeft aanspraak op de lening gedurende drie jaar nadat hij rechtmatig verblijf verkrijgt. 2 Het geleende bedrag wordt niet uitbetaald, indien de inburgeringsplichtige: a. Wet basisregistratie personen niet langer ingezetene is in de zin van de; b. artikel 8, onderdelen a, c, e van de Vreemdelingenwet 2000 artikelen 14 20 45 van de Vreemdelingenwet artikel 2.2, eerste lid als vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer heeft in de zin van, dan wel, in de in, bedoelde gevallen, in de zin van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover dit ziet op de,en; of c. artikel 20, tweede lid, van de wet overeenkomstiggeen of niet langer aanspraak heeft op een lening. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de betaling van de lening. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.4 — Artikel 6.4 Aanvraag van de lening#
Artikel 6.4 Aanvraag van de lening 1 In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn: naam- en adresgegevens, burgerservicenummer en rekeningnummer. 2 artikel 6.9 6.12 Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende verklaring waarin hij Onze Minister machtigt het bedrag van de maandelijkse termijnen die hij op grond vanofmoet terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.5 — Artikel 6.5 Vaststelling van de lening#
Artikel 6.5 Vaststelling van de lening Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.6 — Artikel 6.6 Rente#
Artikel 6.6 Rente 1 Onze Minister stelt jaarlijks voor 31 december ten behoeve van het daaropvolgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand september van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd van drie tot vijf jaren. 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 6.7 — Artikel 6.7 Terugbetalingsperiode lening#
Artikel 6.7 Terugbetalingsperiode lening 1 De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren. 2 artikel 21, derde lid, onderdeel a of b, van de wet De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het inbedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt. 3 artikel 21, derde lid, aanhef, van de wet Gedurende de inbedoelde aanloopfase van zes maanden bestaat geen verplichting tot terugbetaling, doch is wel rente verschuldigd over het bedrag van de lening. 4 artikel 6.1 In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld inaan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat het inburgeringsexamen is behaald. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.8 — Artikel 6.8 Maandelijks termijnbedrag#
Artikel 6.8 Maandelijks termijnbedrag 1 De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij ministeriële regeling genoemde gevallen. 2 artikel 6.7, derde lid De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in 6.7, tweede lid, tweede volzin. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de hoogte van het termijnbedrag alsmede de wijze waarop dit wordt berekend. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.9 — Artikel 6.9 Beschikking tot terugbetaling#
Artikel 6.9 Beschikking tot terugbetaling 1 artikel 6.7, derde lid artikelen 6.6 tot en met 6.8 Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, tweede volzin, stelt Onze Minister het termijnbedrag vast dat de debiteur overeenkomstig demaandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het termijnbedrag. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.10 — Artikel 6.10 Aanvraag vaststelling draagkracht debiteur#
Artikel 6.10 Aanvraag vaststelling draagkracht debiteur artikel 6.9 Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstigvastgestelde termijnbedrag te voldoen, kan hij bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende terugbetalingsperiode. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.11 — Artikel 6.11 Berekening draagkracht debiteur#
Artikel 6.11 Berekening draagkracht debiteur 1 artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner als bedoeld inin aanmerking genomen. 2 artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.12 — Artikel 6.12 Beschikking aanpassing draagkracht#
Artikel 6.12 Beschikking aanpassing draagkracht 1 artikel 6.10 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in, een beschikking. 2 artikel 6.9 Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het overeenkomstigvastgestelde termijnbedrag, wordt het termijnbedrag opnieuw vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin Onze Minister het nieuwe termijnbedrag aan de debiteur bekend heeft gemaakt. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.13 — Artikel 6.13 Verzuim, aanmaning en invordering#
Artikel 6.13 Verzuim, aanmaning en invordering Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent verzuim, aanmaning en de invordering van de schuld. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.14 — Artikel 6.14 Van rechtswege tenietgaan schuld#
Artikel 6.14 Van rechtswege tenietgaan schuld 1 artikel 6.12, tweede lid De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig, het termijnbedrag opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnbedragen. 2 De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat op dat ogenblik teniet. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.15 — Artikel 6.15 Termijnverlenging#
Artikel 6.15 Termijnverlenging artikel 6.3, eerste lid artikel 2.1, tweede lid De termijnen, bedoeld in, worden verlengd met de duur van de periode, bedoeld in. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 6.16 — Artikel 6.16 Awir Toepasselijkheid#
Artikel 6.16 Awir Toepasselijkheid artikelen 3 4 6, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen De,enzijn van overeenkomstige toepassing. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 Hoogte boete bij niet meewerken tijdens inburgeringstraject#
Artikel 7.1 Hoogte boete bij niet meewerken tijdens inburgeringstraject 1 artikel 22 van de wet De bestuurlijke boete, bedoeld in, bedraagt € 250. 2 artikel 23 van de wet De bestuurlijke boete, bedoeld in, bedraagt € 50. 3 artikel 23 van de wet De boete, bedoeld in het tweede lid, wordt steeds met 100 procent van het boetebedrag verhoogd tot een bedrag van ten hoogste € 800, indien binnen een tijdvak van twaalf maanden voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van het bepaalde inis geconstateerd, en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden. 4 Bij het opleggen van de boete, bedoeld in het tweede lid, worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: a. indien er sprake is van opzet, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent; b. indien er sprake is van grove schuld, wordt de boete vastgesteld op 75 procent; c. indien er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent; d. indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent. 5 artikel 11, eerste lid, van de wet artikel 12 van de wet artikelen 24, tweede en derde lid 25, tweede lid, van de wet Het totaal aan opgelegde boetes, bedoeld in het eerste en tweede lid, beloopt gedurende de termijn, genoemd in, of de op grond vanverlengde termijn, ten hoogste € 2.400 en beloopt gedurende de op grond van de, envastgestelde nieuwe termijn ten hoogste: a. € 400 bij een nieuwe termijn van zes maanden; b. € 800 bij een nieuwe termijn van een jaar; c. € 1.200 bij een nieuwe termijn van anderhalf jaar; d. € 1.600 bij een nieuwe termijn van twee jaar. 6 De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien het college op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 Hoogte boete bij niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht#
Artikel 7.2 Hoogte boete bij niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht 1 artikel 24 van de wet De bestuurlijke boete, bedoeld in, bedraagt € 340. 2 artikel 25 van de wet De bestuurlijke boete, bedoeld in, wordt vastgesteld op basis van het aantal geregistreerde uren dat de inburgeringsplichtige heeft besteed aan de leerroute, het aantal afgelegde examenpogingen en het aantal behaalde examens. 3 De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien Onze Minister op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de boetes, bedoeld in het tweede lid. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 Criteria voor aanwijzing instelling voor afgifte keurmerk#
Artikel 8.1 Criteria voor aanwijzing instelling voor afgifte keurmerk 1 artikel 32 van de wet De door Onze Minister aan te wijzen instelling die een keurmerk als bedoeld inverleent, betreft een instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden: a. zij heeft rechtspersoonlijkheid; b. zij is onafhankelijk van door haar te beoordelen personen of instellingen, en zij, haar leidinggevenden en haar medewerkers voeren geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of integriteit kunnen schaden; c. zij en haar medewerkers voeren de activiteiten met betrekking tot het verlenen en beheren van het keurmerk uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste vakbekwaamheid op het specifieke werkveld uit, en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel beïnvloeden; d. haar medewerkers beschikken over een gedegen vakinhoudelijke opleiding, voldoende kennis van de eisen inzake het keurmerk en over voldoende kennis van de relevante nationale regelgeving; e. de beloning van haar personeel hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan; en f. zij sluit een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af. 2 De instelling informeert Onze Minister over: a. omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor haar aanwijzing; en b. op verzoek, over de binnen de werkingssfeer van haar aanwijzing verrichte activiteiten en andere activiteiten waaronder uitbesteding. 3 De instelling stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van de door haar in verband met haar taak verrichte werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. 4 De aanwijzing kan worden geschorst of worden ingetrokken: a. op grond van door de instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, vanwege hun aard of ernst, mits de onjuistheid van de inlichtingen aan haar bekend was of kon zijn; b. indien de instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid; of c. indien de instelling de taken waarvoor zij is aangewezen, niet of niet meer naar behoren uitvoert. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2023
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 Eisen keurmerk#
Artikel 8.2 Eisen keurmerk 1 In het keurmerk worden in ieder geval eisen gesteld omtrent de volgende aspecten van de cursusinstelling: a. de bedrijfsvoering, waarbij de eisen zien op: 1°. de continuïteit van de instelling; 2°. de integriteit van het bestuur; 3°. een transparante en deugdelijke financiële administratie; b. de onderwijskwaliteit, waarbij de eisen zien op: 1°. de kwalificaties van de docenten; 2°. een veilige onderwijsomgeving; 3°. een aan de docent verleende verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens; c. fraudepreventie, waarbij in ieder geval de eis wordt gesteld dat bestuurders van de cursusinstelling beschikken over een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 2 Ten behoeve van een effectieve controle door de verlener van het keurmerk bevat het keurmerk eisen met betrekking tot de medewerking van de cursusinstelling aan controles, waaronder onaangekondigde controles en controles gedurende het onderwijs. 3 De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3, en het eerste lid, onderdeel c, is in het bezit van de cursusinstelling, en is op het moment van overlegging aan de cursusinstelling niet ouder dan zes maanden. 4 De keurmerkverlener stelt voorwaarden op omtrent de schorsing of intrekking van het keurmerk. 5 De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt geschorst indien: a. er aanwijzingen zijn van fraude; b. er sprake is van onvoldoende tevredenheid onder de inburgeraars; c. de slagingspercentages van de cursusinstelling onvoldoende zijn; of d. de cursusinstelling geen medewerking verleent aan een controle door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie. 6 De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt ingetrokken indien: a. na een door de keurmerkverstrekker vastgestelde periode na de schorsing, bedoeld in het vierde lid, geen sprake is van verbetering; b. er sprake is van het herhaaldelijk geen medewerking verlenen aan controles door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie; of c. er sprake is van fraude door de cursusinstelling. 7 De keurmerkverlener voert jaarlijks effectieve controles uit bij de cursusinstellingen. 8 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de eisen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid. 2023 201 19-06-2023 09-06-2023 2023 201 19-06-2023 09-06-2023 01-01-2024
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 Vergoeding voor het keurmerk#
Artikel 8.3 Vergoeding voor het keurmerk 1 artikel 32, tweede lid, onderdeel d, van de wet De keurmerkhouder is een vergoeding verschuldigd aan de door de minister aangewezen instelling voor kosten, bedoeld in. 2 De vergoeding wordt jaarlijks vastgesteld en behoeft goedkeuring van Onze Minister. De goedgekeurde vergoeding wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant. 3 Indien uit de eisen van het keurmerk volgt dat diensten van derden worden benut, komen deze ten laste van de aanvrager of houder van het keurmerk. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen van de inburgeringsplicht#
Artikel 9.1 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen van de inburgeringsplicht 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren, vrijstellen en de ontheffing van de inburgeringsplicht en het daaruit volgende inburgeringstraject. 2 Onze Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt Onze Minister de volgende gegevens: a. gegevens over het verblijfsdoel en de wijziging daarvan; b. artikel 107, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 artikel 2a van de Vreemdelingenwet 2000 identiteitsgegevens, waaronder het vreemdelingennummer, bedoeld in, en het burgerservicenummer, van de betrokkene, en, indien van toepassing, van de referent, bedoeld in. 3 Onze Minister verstrekt het college gegevens over: a. de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan; b. een gehele vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht; c. een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht, waaronder de datum van de verlening alsmede over aangepaste examenomstandigheden, dan wel de afwijzing van een aanvraag daarvan; d. de toekenning van het inburgeringscertificaat. 4 artikel 10 van de wet Onze Minister verstrekt de instelling die belast is met de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in, de gegevens over de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan, en maakt daarbij gebruik van het vreemdelingennummer of het burgerservicenummer. 5 De aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering verstrekken Onze Minister een advies over vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt. 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 01-01-2022
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de inburgeringsplicht#
Artikel 9.2 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de inburgeringsplicht 1 artikel 6 van de wet artikel 10 van de wet De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de uitvoering van verschillende onderdelen van de inburgeringsplicht, bedoeld in, alsmede de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in. 2 Het college verstrekt Onze Minister gegevens over: a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute, alsmede wijzigingen daarvan, en, indien van toepassing, de intensiteit van de leerroute; b. de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, het taalniveau, het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie. 3 Het college verstrekt de cursusinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute, alsmede wijzigingen daarvan. 4 Cursusinstellingen verstrekken het college gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, van asielstatushouders, en desgevraagd, van gezinsmigranten en overige migranten. 5 Onze Minister verstrekt het college gegevens over: a. examendeelname, examenpogingen en examenresultaten, en het afronden van de inburgeringsplicht; b. de datum van het inburgeringsdiploma; c. de toekenning van het inburgeringscertificaat. 6 Onze Minister verstrekt cursusinstellingen gegevens over examendeelname, examenresultaten en het afronden van de inburgeringsplicht. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en verlengen van de inburgeringstermijn#
Artikel 9.3 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en verlengen van de inburgeringstermijn 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de vaststelling en verlenging van de inburgeringstermijn. 2 Het college verstrekt Onze Minister de gegevens over: a. artikel 15, derde lid, van de wet de datum van vaststelling van het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in; b. artikel 16, eerste lid, van de wet artikel 4.3 het uitblijven van het inburgeringsaanbod, bedoeld in, met het oog op de verlenging, bedoeld inen, indien van toepassing, of de inburgeringsplichtige een niet vrijstellende opleiding volgt als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. 3 Onze Minister verstrekt het college de gegevens over: a. de aanvang en het einde van de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige aan de onderdelen van de inburgeringsplicht dient te voldoen; b. gegevens over de indiening van een verzoek tot verlenging van de termijn, de beoordeling van dat verzoek, de datum van verlenging en de einddatum van de nieuwe termijn. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de taken van het college#
Artikel 9.4 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de taken van het college 1 wet De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de taken van het college op grond van de. 2 Onze Minister verstrekt het college gegevens over: a. de vaststelling van het recht op maatschappelijke begeleiding; b. artikel 4.3, tweede lid de niet vrijstellende opleiding, bedoeld in. 3 artikel 10 van de wet De instelling die is belast met de voorinburgering, bedoeld in, verstrekt het college de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige: a. identiteitsgegevens, waaronder het burgerservicenummer; b. gegevens over diens gezinssamenstelling; en c. gegevens die de instantie heeft verkregen in het kader van de deelname aan de voorinburgering, waaronder gegevens over de voortgang van de deelname en de taalvaardigheid. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 9.5 — Artikel 9.5 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en beheren van de sociale lening#
Artikel 9.5 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en beheren van de sociale lening 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren en de terugbetaling van de sociale lening. 2 artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 3 van die wet De Belastingdienst verstrekt de gegevens over het toetsingsinkomen, bedoeld invan de aanvrager en diens partner als bedoeld inaan Onze Minister. 3 artikel 20 vijfde lid, van de wet De aangewezen cursusinstelling, bedoeld in, verstrekt aan Onze Minister de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige: a. contractgegevens en inschrijvingsgegevens; b. factuurgegevens. 4 artikel 9.2, tweede lid, onderdeel a Het college verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid. 5 artikel 9.1, tweede lid Onze Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 9.6 — Artikel 9.6 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de handhaving van de inburgeringsplicht#
Artikel 9.6 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de handhaving van de inburgeringsplicht 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de handhaving. 2 artikel 14, vijfde lid, van de wet De gegevens die door de instantie, bedoeld in, aan het college worden verstrekt, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid. 3 artikel 9.2, vierde lid De gegevens, bedoeld in, die de cursusinstelling verstrekt aan het college, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 9.2, tweede lid, onderdeel b Het college verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid, en verstrekt, op verzoek, gegevens over opgelegde boetes. 5 Onze Minister verstrekt het college gegevens over opgelegde boetes. 6 Cursusinstellingen verstrekken Onze Minister de inschrijvingsgegevens van de inburgeringsplichtige, en van gezinsmigranten en overige migranten gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen. 7 artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens Het College voor toetsen en examens, genoemd in, verstrekt Onze Minister gegevens over de examendeelname en examenresultaten staatsexamen Nederlands als tweede taal. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt. 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 2021 629 20-12-2021 13-12-2021 01-01-2022
Artikel 9.7 — Artikel 9.7 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het verblijfsrecht en het verkrijgen van het Nederlanderschap#
Artikel 9.7 Gegevensuitwisseling ten behoeve van het verblijfsrecht en het verkrijgen van het Nederlanderschap artikel 33, onderdeel b, van de wet Ten behoeve van het doel, bedoeld in, verstrekt Onze Minister aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid gegevens over: a. de status van de inburgeringsplicht; en b. de datum waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 9.8 — Artikel 9.8 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag#
Artikel 9.8 Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag artikel 1.6, eerste lid, onderdeel g, van de Wet kinderopvang artikel 11, tweede lid, van de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen Ten behoeve van de uitvoering van, verstrekt Onze Minister aan de Dienst Toeslagen, bedoeld in, gegevens over: a. de inburgeringsplicht; en b. de inschrijving en gevolgde cursus bij de cursusinstelling. 2023 295 15-09-2023 30-08-2023 2023 295 15-09-2023 30-08-2023 01-01-2024
Artikel 9.9 — Artikel 9.9 Bewaartermijnen#
Artikel 9.9 Bewaartermijnen 1 Het college en Onze Minister bewaren persoonsgegevens die zij in het kader van de uitvoering van deze wet hebben verkregen niet langer dan noodzakelijk en verwijderen de persoonsgegevens: a. na verloop van vijf jaren na beëindiging van de inburgeringsplicht; of b. indien de betrokkene is overleden. 2 In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen verwijderd na verloop van ten hoogste vijftig jaar: a. burgerservicenummer; b. naamgegevens; c. adresgegevens; d. woonplaats; e. geboortedatum; f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht; g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de inburgeringsplicht; h. de datum en de wijze waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan. i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake van een lening. 3 artikel 19 van de wet artikel 6.1 In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld inenvan dit besluit verwijderd na verloop van vijf jaar nadat de lening is voldaan, kwijtgescholden, of teniet gegaan: a. burgerservicenummer; b. naamgegevens; c. adresgegevens; d. woonplaats; e. geboortedatum; f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald; g. gegevens over de lening. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 9.10 — Artikel 9.10 Gebruik burgerservicenummer#
Artikel 9.10 Gebruik burgerservicenummer artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens artikel 10 van de wet artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer Cursusinstellingen, het College voor toetsen en examens, genoemd in, de op grond vanaangewezen instelling, en de aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering gebruiken het nummer, bedoeld inbij het verwerken van gegevens op grond dit hoofdstuk. 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 2022 489 07-12-2022 05-12-2022 01-01-2023
Artikel 9.11 — Artikel 9.11 De verwerking van bijzondere persoonsgegevens#
Artikel 9.11 De verwerking van bijzondere persoonsgegevens artikel 37 van de wet Bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in, wordt de toegang tot deze gegevens beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door: a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben; b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 9.12 — Artikel 9.12 Statistiek, monitoring en evaluatie#
Artikel 9.12 Statistiek, monitoring en evaluatie artikel 39, eerste lid, van de wet De instanties, bedoeld in, die aan Onze Minister gegevens en inlichtingen verstrekken ten behoeve van statistiek, monitoring en evaluatie, betreffen: a. artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op het centraal bureau voor de statistiek het CBS, bedoeld in; b. artikel 10 van de wet de instelling die is belast met de voorinburgering, bedoeld in; c. Onze Minister van Justitie en Veiligheid; d. de door Onze Minister aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 Berekening voorlopige uitkering gemeente#
Artikel 10.1 Berekening voorlopige uitkering gemeente 1 De voorlopige uitkering voor een gemeente in het uitvoeringsjaar t wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: U = BGO + BA + ABO Waarbij: a. U de uitkering is in jaar t; b. BGO het deel van de uitkering is voor gezinsmigranten en overige migranten; c. BA het deel van de uitkering is voor asielstatushouders; en d. artikel 15, derde lid, van wet ABO het deel van de uitkering is dat ziet op het eenmalige aanvullend budget voor de onderwijsroute voor asielstatushouders bij wie in het persoonlijke plan inburgering en participatie, bedoeld in, de onderwijsroute is vastgelegd. 2 Het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: BGO = AGO(cohort t-2) * a Waarbij: a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente; b. Cohort (t-2) het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant. 3 Het deel van de uitkering voor asielstatushouders, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: BA = GG / SOM GG * TBA Waarbij: a. GG de gemeentelijke grondslag is voor de berekening van het deel van de uitkering voor asielstatushouders; b. SOM GG het landelijk totaal is van de gemeentelijke grondslagen; en c. TBA het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders. 4 De gemeentelijke grondslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: Waarbij: GG = GPAS (cohort jaar t) * PA (jaar t) * [a] + GHT (cohort jaar t-1) * PA (jaar t-1) * [b] + VAA (cohort jaar t-2) * [c] + AIA (jaar t-2) * [d] a. GPAS staat voor gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar; b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar; c. artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 GHT staat voor de gemeentelijke huisvestingstaakstelling in het betreffende jaar welke wordt vastgesteld op basis van de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, en wordt verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners conform de formule, bedoeld in; d. VAA staat voor het voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort jaar t-2 in de gemeente; e. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; f. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het aangegeven jaar t-2 in de gemeente; en g. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule. 5 Het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: Waarbij: TBA = LPAS (cohort jaar t) * PA (jaar t) * [a] + LHT (cohort jaar t-1) *PA (jaar t-1) * [b] + LVAA (cohort jaar t-2) * [c] a. LPAS staat voor landelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende cohort; b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de landelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar; c. LHT staat voor de landelijke huisvestingstaakstelling; d. LVAA staat voor het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort; e. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en f. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule. 6 Het deel van de uitkering voor asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: ABO = GPAS (cohort jaar t) * PA (jaar t) * PO (jaar t) * [a] Waarbij: a. GPAS staat voor de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar; b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders in het betreffende jaar; c. artikel 15, derde lid, van de wet PO staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders bij wie in het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in, de onderwijsroute wordt vastgelegd; en d. [a] staat voor het bedrag aan uitkering per asielstatushouder in de onderwijsroute. 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 20-11-2025 01-09-2025
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 Berekening definitieve uitkering gemeente#
Artikel 10.2 Berekening definitieve uitkering gemeente 1 artikel 10.1, eerste en tweede lid Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in, berekend aan de hand van de volgende formule: BGO = AGO (cohort t) * a Waarbij: a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente; b. Cohort het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant in jaar t. 2 artikel 10.1, derde lid, onderdeel c Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het totaal beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in, berekend aan de hand van de volgende formule: Waarbij: TBA = LAA (cohort jaar t) * [a] + LAA (cohort jaar t-1) * [b] + LAA (cohort jaar t-2) * [c] a. LAA staat voor het landelijk aantal asielstatushouders van het betreffende cohort; b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en c. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule. 3 artikel 10.1, vierde lid Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt de gemeentelijke grondslag, bedoeld in, berekend aan de hand van de volgende formule: Waarbij: GG = AA (cohort jaar t) * [a] + AA (cohort jaar t-1) * [b] + AA (cohort jaar t-2) * [c] + AIA (jaar t-2) * [d] a. AA staat voor het aantal asielstatushouders van het betreffende cohort in de gemeente; b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; c. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het betreffende jaar t-2 in de gemeente; en d. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule. 4 artikel 10.1, eerste lid, onderdeel d, en zesde lid Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het deel van de uitkering voor asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in, berekend aan de hand van de volgende formule: ABO = AAO (jaar t) * [a] Waarbij: a. artikel 15, derde lid, van de wet AAO staat voor het aantal gehuisveste asielstatushouders in het betreffende jaar bij wie in het persoonlijk plan inburgering en participatie, bedoeld in, de onderwijsroute is vastgelegd en voor wie niet eerder een aanvullend bedrag is uitgekeerd voor de onderwijsroute; en b. [a] staat voor het bedrag aan uitkering per asielstatushouder in de onderwijsroute. 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 20-11-2025 01-09-2025
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 Nadere bepalingen voor de berekening van de uitkering#
Artikel 10.3 Nadere bepalingen voor de berekening van de uitkering 1 artikel 10.1 Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de bepaling van de voorlopige uitkering, bedoeld in, uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan. 2 artikel 10.1, vierde lid, onderdeel b Bij ministeriële regeling wordt het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in, het te verwachten percentage asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.1, zesde lid, onderdeel c, en het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling onderscheidenlijk de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel b, vastgesteld. 3 artikelen 10.1, tweede lid, onderdeel c 10.2, eerste lid, onderdeel c Bij ministeriële regeling wordt het bedrag per gezinsmigrant of overige migrant, bedoeld in de, en, het aanvullend bedrag per asielstatushouder in de onderwijsroute, bedoeld in artikel 10.1, zesde lid, onderdeel d, en artikel 10.2, vierde lid, onderdeel b, en worden de bedragen per asielstatushouder per variabele a tot en met c, bedoeld in de artikelen 10.1, vijfde lid, onderdeel f en 10.2, tweede lid, onderdeel c, vastgesteld. 4 artikel 10.1, vierde lid, onderdeel g 10.2, derde lid, onderdeel d Bij ministeriële regeling worden de gewichten a tot en met d, bedoeld in, en, vastgesteld. 5 artikel 10.1 artikel 10.2 wet Bij de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in, en de definitieve uitkering, bedoeld in, zal in het eerste jaar nadat bij ministeriële regeling aan het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten in jaar t-2, bedoeld in artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e en 10.2, derde lid, onderdeel c, een gewicht wordt toegekend dat groter is dan 0, alle vanaf de inwerkingtreding van deaangevangen en inmiddels met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders tot en met jaar t-2 worden meegeteld. 6 artikel 10.1 artikel 10.2 artikel 10.4 Voor de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in, en de definitieve uitkering, bedoeld in, worden onder asielstatushouders en gezinsmigranten en overige migranten, mede verstaan de personen die in het jaar waarin ze in een Nederlandse gemeente waren gehuisvest onder de definitie vielen van een asielstatushouder of gezinsmigrant of overige migrant, maar die op een peilmoment, bedoeld in, op basis waarvan de uitkering wordt bepaald, reeds aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan. 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 20-11-2025 01-09-2025
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 Bronnen en peildata gehanteerde gegevens voor de berekening van de uitkering#
Artikel 10.4 Bronnen en peildata gehanteerde gegevens voor de berekening van de uitkering artikelen 10.1 10.2 Voor de variabelen in de formules, bedoeld in deen, geldt dat: a. artikel 10.1, tweede lid, onderdeel a het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t-2; b. artikel 10.2, eerste lid, onderdeel a het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t; c. artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel c de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in, bepaald wordt aan de hand van de op die jaren betrekking hebbende landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstellingen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid; d. artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel a de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in, wordt afgeleid van het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat voor het jaar t van onze Minister zoals bekend op de derde dinsdag van september voorafgaand aan het betreffende jaar; e. artikel 10.1, vierde lid, onderdeel a artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 de gemeentelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in, en artikel 10.1, zesde lid, onderdeel a, wordt vastgesteld op basis van de landelijke prognose aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel a, en wordt verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners conform de formule, bedoeld in, met dien verstande dat voor de toepassing van deze formule in plaats van «vg» moet worden gelezen «landelijke prognose aantal asielstatushouders»; f. artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel c het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in, en het voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel c, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t-2; g. artikel 10.2, tweede lid, onderdeel a het landelijk aantal asielstatushouders, bedoeld in, en het aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t; h. artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e 10.2, derde lid, onderdeel c het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders, bedoeld in de, en, wordt bepaald aan de hand van cijfers van DUO over het gehele jaar t-2; i. artikel 10.2, vierde lid, onderdeel a Het landelijk aantal asielstatushouders in de onderwijsroute, bedoeld in, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t. 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 2025 371 19-11-2025 11-11-2025 20-11-2025 01-09-2025
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 Reserveringsregeling#
Artikel 10.5 Reserveringsregeling 1 artikel 40, eerste lid, van de wet Indien in een kalenderjaar de uitkering, bedoeld in, niet volledig is besteed, kan het college het niet bestede bedrag reserveren tot een maximum van de reserveringsruimte voor besteding aan inburgeringsvoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar. 2 De bepaling van de maximale reserveringsruimte, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: Waarbij: a. artikel 40, eerste lid, van de wet U staat voor het bedrag van de uitkering, bedoeld in; b. Jaar t staat voor het uitvoeringsjaar waarop de uitkering betrekking heeft; en c. [a en b] staan voor de percentages die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule. 3 Bij ministeriële regeling worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vastgesteld. 2026 75 01-04-2026 28-03-2026 2026 75 01-04-2026 28-03-2026 02-04-2026 01-01-2024
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 Doorschuiven van uitkering overstijgende lasten#
Artikel 10.6 Doorschuiven van uitkering overstijgende lasten artikel 40, eerste lid, van de wet Indien in een kalenderjaar de netto lasten van gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen, de uitkering, bedoeld inoverstijgt, dan worden de lasten administratief door Onze Minister toegerekend aan het volgende kalenderjaar. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 Bepalingen omtrent de verantwoordingsinformatie#
Artikel 10.7 Bepalingen omtrent de verantwoordingsinformatie 1 artikel 42, tweede lid, van de wet Voor de terugvordering, bedoeld in, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen. 2 artikel 18 van de wet artikel 42, tweede lid, van de wet artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen Indienvan toepassing is, kan voor de terugvordering, bedoeld in, de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam heeft verantwoord over het jaar waarop de terugvordering betrekking heeft. De eerste zin is slechts van toepassing indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 10.8 — Artikel 10.8 Betaalbaarstelling van de uitkering#
Artikel 10.8 Betaalbaarstelling van de uitkering 1 artikel 40, eerste lid, van de wet Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering bedoeld in, betaald 2 Na de definitieve vaststelling van de uitkering wordt deze, indien hoger is vastgesteld in één keer nabetaald en indien lager is vastgesteld in één keer teruggevorderd. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 Besluit inburgering Wijziging van het#
Artikel 11.1 Besluit inburgering Wijziging van het Wijzigt het Besluit inburgering. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 Besluit SUWI Wijziging van het#
Artikel 11.2 Besluit SUWI Wijziging van het Wijzigt het Besluit SUWI. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 12.1 — Artikel 12.1 Besluit inburgering Intrekken#
Artikel 12.1 Besluit inburgering Intrekken Besluit inburgering Wet inburgering wet Hetwordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie devan toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 12.1a — Artikel 12.1a Besluit inburgering Overgangsrecht#
Artikel 12.1a Besluit inburgering Overgangsrecht 1 artikel 4.13, vierde lid, van het Besluit inburgering In afwijking van, wordt de schuld, bedoeld in dat artikel, door Onze Minister ambtshalve, geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden volgens de bij regeling, krachtens artikel 4.13, eerste lid, van dat besluit, aangewezen gevallen. 2 artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit inburgering In, wordt «over de maand oktober» gelezen als «over de maand september». 3 artikel 4.8 van het Besluit inburgering artikel 4.10 van het Besluit inburgering artikel 4.7, tweede lid, van het Besluit inburgering Bij de vaststelling van het termijnbedrag op grond vanstelt Onze Minister de draagkracht van de debiteur ambtshalve vast overeenkomstig. Het termijnbedrag wordt in afwijking vanlager vastgesteld indien het bedrag van de draagkracht lager is dan de hoogte van het maandelijkse termijnbedrag, bedoeld in dat artikel. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld. 4 Het college kan desgevraagd, of uit eigen beweging, begeleiding aanbieden aan degene die: a. artikel 4.1a, derde lid, van het Besluit inburgering Wet inburgering inburgeringsplichtige is als bedoeld in artikel in, en inburgeringsplichtig is onder de; en b. artikel 4.1a van het Besluit inburgering een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van zijn lening, bedoeld in, heeft uitgeput. 5 artikel 2.4a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag artikel 15 van die wet Voor de toepassing vanop verzoeken ingediend op of na 1 januari 2024 luidt de formule: M * 48 * 6, waarbij M staat voor het minimumuurloon, bedoeld in, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in. 6 artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit inburgering artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet Onze Minister verleent de inburgeringsplichtige vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in, indien hij de module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in, succesvol heeft afgerond. 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 2025 179 09-07-2025 04-07-2025 10-07-2025
Artikel 12.2 — Artikel 12.2 Inwerkingtredingsbepaling#
Artikel 12.2 Inwerkingtredingsbepaling 1 Wet inburgering 2021 35 483 Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2020 ingediende voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving () (Kamerstukken) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking. 2 artikel 8.1, derde lid In afwijking van het eerste lid, treedt, van dit besluit, in werking met ingang van 1 januari van het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 12.3 — Artikel 12.3 Citeertitel#
Artikel 12.3 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inburgering met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst. 2021 410 01-09-2021 27-08-2021 2021 586 03-12-2021 30-11-2021 01-01-2022 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021
in werking treedt.
Artikel 3.1#
artikel 3.1, zesde lid