Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden (Besluit kwaliteit leefomgeving)
- BWB-id
- BWBR0041313
- Type
- AMvB
- Ministerie
- Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2026-05-29
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0041313
- ELI
- /eli/nl/amvb/2024/besluit-kwaliteit-leefomgeving
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/amvb/2024/besluit-kwaliteit-leefomgeving/2026-05-29
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0041313&g=2026-05-29
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0041313&z=2026-06-06&g=2026-05-29
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0041313/2026-05-29
Absolute ELI: /eli/nl/amvb/2024/besluit-kwaliteit-leefomgeving
Artikel 1.1 — Artikel 1.1 (begripsbepalingen)#
Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Bijlage I bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 1.1a — Artikel 1.1a (grondslag)#
Artikel 1.1a (grondslag) 1 artikelen 1.5, tweede lid 2.10, vierde lid 2.11, tweede lid 2.11a 2.14 2.15, eerste lid 2.18, eerste lid 2.19, vijfde lid 2.24, eerste lid 2.39, vierde lid 2.41, tweede lid 2.43, eerste en tweede lid 3.10, tweede lid 3.13 3.16, tweede lid 5.18 5.34, tweede lid 5.38, derde lid 5.39, onder a 5.40, eerste en tweede lid 5.42, eerste en derde lid 12.24, vierde lid 12.37, derde lid 16.139, eerste lid 20.1, derde en vierde lid 20.2, eerste, vierde, vijfde en zesde lid 20.3, eerste lid 20.6, eerste lid 20.8, eerste lid 20.10, eerste lid 20.14, derde en vierde lid 20.16, eerste lid 23.1 Dit besluit berust op de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,, envan de wet. 2 Dit besluit berust ook op: a. artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet subsidies I en M ; en b. artikelen 3.4, eerste lid, aanhef en onder b 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de, en. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 578 01-12-2021 24-11-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 1.2 — Artikel 1.2 (exclusieve economische zone)#
Artikel 1.2 (exclusieve economische zone) artikelen 1.1 2.8a 2.8b 3.1 3.15 4.1, onder b, onder 3° 4.2a 4.8 tot en met 4.10 afdeling 4.4 hoofdstuk 8 afdelingen 8.1 8.3 artikel 8.17 artikelen 11.21 11.38 11.66 De,,,,,,en,,, met uitzondering van deenen, en de,enzijn ook van toepassing op de exclusieve economische zone. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0 — Artikel 2.0 (onderbouwing omgevingswaarden gemeente of provincie)#
Artikel 2.0 (onderbouwing omgevingswaarden gemeente of provincie) 1 artikel 2.11 2.12 van de wet Als bij omgevingsplan of omgevingsverordening op grond vanrespectievelijkomgevingswaarden worden vastgesteld, berusten deze op onderzoek verricht door een onafhankelijke deskundige. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. afdeling 2.3 van de wet artikel 2.22 2.24 van de wet omgevingswaarden die op grond vanof regels als bedoeld inofzijn vereist; b. artikel 2.11, tweede lid 2.12, tweede lid, van de wet afwijkende omgevingswaarden als bedoeld in, of; en c. afdeling 2.3 van de wet geluidproductieplafonds als omgevingswaarden die niet op grond vanzijn vereist. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0a — Artikel 2.0a (omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 2.0a (omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen) artikel 2.0c Voor de veiligheid van primaire waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0b — Artikel 2.0b (toepassingsbereik omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 2.0b (toepassingsbereik omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen) bijlage II De omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen gelden voor een dijktraject als bedoeld in, onder A, waarvan de locatie bij ministeriële regeling is begrensd. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0c — Artikel 2.0c (omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen per dijktraject)#
Artikel 2.0c (omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen per dijktraject) 1 bijlage II Voor dijktrajecten als bedoeld in, onder A, geldt de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 1. 2 bijlage II In afwijking van het eerste lid geldt voor de dijktrajecten 201, 204a, 204b, 205, 206, 208 tot en met 212, 214 tot en met 219 en 222 tot en met 228 de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in, onder B, kolom 2. 3 bijlage II In afwijking van het eerste lid geldt voor dijktraject 16-5 de ten hoogste toelaatbare kans op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade per keer dat het een hydraulische belasting ondervindt door het overstromen van het gebied dat door een voorliggend dijktraject beschermd is, bedoeld in, onder B, kolom 3. 4 bijlage II Voor de dijktrajecten 25-3, 27-3, 27-4, 31-3, 33-1, 34-3, 34-4 en 34-5 geldt ook de ten hoogste toelaatbare kans op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade per keer dat een toename van hydraulische belasting optreedt door een maatregel gericht op het vergroten van de afvoer- of bergingscapaciteit van een watersysteem, bedoeld in, onder B, kolom 4. 5 bijlage II Voor de dijktrajecten 208 tot en met 210 en 225 geldt ook de ten hoogste toelaatbare kans op niet-sluiten van de stormvloedkering per keer dat het noodzakelijk is die te sluiten, bedoeld in, onder B, kolom 5. 2025 236 16-09-2025 08-09-2025 2025 236 16-09-2025 08-09-2025 01-01-2026
Artikel 2.0d — Artikel 2.0d (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 2.0d (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid primaire waterkeringen) 1 Aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen wordt voldaan met ingang van 1 januari 2050. 2 De omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0e — Artikel 2.0e (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen niet in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0e (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen niet in beheer bij het Rijk) 1 Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen, voor zover die niet in beheer zijn bij het Rijk, kan in het waterbeheerprogramma een uitzondering worden gemaakt. 2 Het eerste lid geldt voor gevallen waarin: a. artikel 4.9 van de Waterwet artikel 7.24, eerste lid, onder a, b of c, van die wet de maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde staan geprogrammeerd op het onderdeel van het deltaprogramma, bedoeld in, dat de maatregelen bevat die Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of waterschappen moeten treffen om een reden als bedoeld in; b. het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is; c. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het algemeen bestuur van het waterschap de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de primaire waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of d. ondanks de verrichte handelingen daartoe niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.0f — Artikel 2.0f (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0f (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) 1 Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen kan in het nationale waterprogramma, als het gaat om een primaire waterkering in beheer bij het Rijk, een uitzondering worden gemaakt. 2 artikel 2.0e, tweede lid, onder b, c en d Het eerste lid geldt voor gevallen als bedoeld in, waarbij in onderdeel c in plaats van «het algemeen bestuur van het waterschap» wordt gelezen «Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat». 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0g — Artikel 2.0g (omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0g (omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) bijlage II artikel 2.0i Voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, als het gaat om waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk, genoemd in, onder 2, onder B, bij het Omgevingsbesluit, gelden de omgevingswaarden, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0h — Artikel 2.0h (toepassingsbereik omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0h (toepassingsbereik omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) De omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, gelden voor: a. bijlage IIa dijktrajecten als bedoeld in, onder A, waarvan de locaties bij ministeriële regeling zijn begrensd; of b. bijlage IIa waterkerende kunstwerken in ingegraven delen van waterkeringen als bedoeld in, onder A. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0i — Artikel 2.0i (omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0i (omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) 1 bijlage IIa Voor dijktrajecten als bedoeld in, onder A, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend, bedoeld in bijlage IIa, onder B. 2 bijlage IIa Voor waterkerende kunstwerken in ingegraven delen van waterkeringen als bedoeld in, onder A, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop het kunstwerk moet zijn berekend van 1:100. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0j — Artikel 2.0j (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0j (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) 1 Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2032. 2 De omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, zijn resultaatsverplichtingen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.0k — Artikel 2.0k (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 2.0k (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) 1 Op het voldoen aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in beheer zijn bij het Rijk, kan in het nationale waterprogramma een uitzondering worden gemaakt. 2 artikel 2.0e, tweede lid, onder b, c en d Het eerste lid geldt voor gevallen als bedoeld in, waarbij in onderdeel c in plaats van «het algemeen bestuur van het waterschap» wordt gelezen «Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat». 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.1 — Artikel 2.1 (omgevingswaarden luchtkwaliteit)#
Artikel 2.1 (omgevingswaarden luchtkwaliteit) artikelen 2.3 tot en met 2.8a Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.1a — Artikel 2.1a (omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)#
Artikel 2.1a (omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) 1 artikelen 2.3 tot en met 2.8 10 2,5 De omgevingswaarden, bedoeld in de, gelden bij 293 K en 101,3 kPa voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon en bij heersende temperatuur en druk voor PMen PM. 2 Bij omgevingsplan of omgevingsverordening kan voor de kwaliteit van de buitenlucht een aanvullende omgevingswaarde of een afwijkende omgevingswaarde die strenger is dan de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld. Bij de vaststelling daarvan worden de economische effecten betrokken. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.2 — Artikel 2.2 (toepassingsbereik omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit)#
Artikel 2.2 (toepassingsbereik omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit) artikelen 2.3 tot en met 2.7 Richtlijn 89/654/EEG De omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de, zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 vanvan de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.3 — Artikel 2.3 (omgevingswaarden zwaveldioxide)#
Artikel 2.3 (omgevingswaarden zwaveldioxide) 1 Voor zwaveldioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 3 350 μg/mals uurgemiddelde, dat ten hoogste 24 maal per kalenderjaar wordt overschreden; b. 3 125 μg/mals 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste drie maal per kalenderjaar wordt overschreden; c. 3 20 μg/mals kalenderjaargemiddelde; en d. 3 20 μg/mals winterhalfjaargemiddelde, over de periode van 1 oktober tot en met 31 maart. 2 De omgevingswaarden voor zwaveldioxide zijn resultaatsverplichtingen. 3 2 De omgevingswaarden, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c en d, gelden op locaties met een oppervlakte van ten minste 1.000 kmdie zijn gelegen op een afstand van ten minste: a. 20 km van een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie; en b. 5 km van: 1°. een andere locatie met bebouwing; 2°. een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie; en 3°. een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.4 — Artikel 2.4 (omgevingswaarden stikstofdioxide en stikstofoxiden)#
Artikel 2.4 (omgevingswaarden stikstofdioxide en stikstofoxiden) 1 Voor stikstofdioxide gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 3 200 μg/muurgemiddelde, dat ten hoogste achttien maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 3 40 μg/mals kalenderjaargemiddelde. 2 3 Voor stikstofoxiden geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/mals kalenderjaargemiddelde. 3 De omgevingswaarden voor stikstofdioxide en stikstofoxiden zijn resultaatsverplichtingen. 4 artikel 2.3, derde lid De omgevingswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in het tweede lid, geldt op locaties als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.5 — Artikel 2.5 (omgevingswaarden fijnstof)#
Artikel 2.5 (omgevingswaarden fijnstof) 1 10 Voor PMgelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 3 50 μg/mals 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; en b. 3 40 μg/mals kalenderjaargemiddelde. 2 2,5 Voor PMgelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 3 25 μg/mals kalenderjaargemiddelde; b. 3 20 μg/mals over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden; en c. 3 14,4 μg/mals over drie kalenderjaren berekend voortschrijdend gemiddelde van de kalenderjaargemiddelden. 3 10 2,5 De omgevingswaarden voor PM, bedoeld in het eerste lid, en de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, zijn resultaatsverplichtingen. 4 2,5 De omgevingswaarde voor PM, bedoeld in het tweede lid, onder c, is een inspanningsverplichting. 5 De omgevingswaarden, bedoeld in het tweede lid, onder b en c, gelden op stedelijke achtergrondlocaties, zijnde stedelijk gebied waar de concentraties representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.6 — Artikel 2.6 (omgevingswaarden benzeen, lood en koolmonoxide)#
Artikel 2.6 (omgevingswaarden benzeen, lood en koolmonoxide) 1 3 Voor benzeen geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 5 μg/mals kalenderjaargemiddelde. 2 3 10 Voor lood geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 0,5 μg/mals kalenderjaargemiddelde in PM. 3 3 Voor koolmonoxide geldt een ten hoogste toelaatbare concentratie van 10.000 μg/mals hoogste acht-uurgemiddelde van een dag. 4 De omgevingswaarden voor benzeen, koolmonoxide en lood zijn resultaatsverplichtingen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.7 — Artikel 2.7 (omgevingswaarden ozon)#
Artikel 2.7 (omgevingswaarden ozon) 1 Voor ozon gelden de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties: a. 3 120 μg/mals hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, die gemiddeld over drie kalenderjaren op ten hoogste vijfentwintig dagen per kalenderjaar wordt overschreden; b. 3 120 μg/mals hoogste acht-uurgemiddelde concentratie van een dag, gedurende een kalenderjaar, waaraan wordt voldaan op de lange termijn; c. 3 18.000 (μg/m) ▪ uur als AOT40 gemiddeld over vijf kalenderjaren; en d. 3 6.000 (μg/m) ▪ uur als AOT40 per kalenderjaar, waaraan wordt voldaan op de lange termijn. 2 3 3 AOT40 is een gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 μg/men 80 μg/mtussen 8.00 uur en 20.00 uur voor de periode van 1 mei tot en met 31 juli. 3 De omgevingswaarden voor ozon zijn inspanningsverplichtingen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.8 — Artikel 2.8 (omgevingswaarden richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)#
Artikel 2.8 (omgevingswaarden richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) 1 10 Voor de volgende stoffen geldt de daarbij aangegeven ten hoogste toelaatbare concentratie als kalenderjaargemiddelde in PM: a. 3 voor arseen: 6 ng/m; b. 3 voor cadmium: 5 ng/m; c. 3 voor nikkel: 20 ng/m; en d. 3 voor benzo(a)pyreen: 1 ng/m. 2 De omgevingswaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen zijn inspanningsverplichtingen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.8a — Artikel 2.8a (omgevingswaarden nec-richtlijn)#
Artikel 2.8a (omgevingswaarden nec-richtlijn) 1 Voor de totale jaarlijkse antropogene emissies van in Nederland gelegen bronnen van de volgende stoffen geldt het daarbij aangegeven reductiepercentage ten opzichte van 2005, waaraan wordt voldaan met ingang van 1 januari van het daarbij aangegeven jaar: a. voor zwaveldioxide: 1°. 28%, in 2020; en 2°. 53%, in 2030; b. voor stikstofoxiden: 1°. 45%, in 2020; en 2°. 61%, in 2030; c. voor vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan: 1°. 8%, in 2020; en 2°. 15%, in 2030; d. voor ammoniak: 1°. 13%, in 2020; en 2°. 21%, in 2030; en e. 2,5 voor PM: 1°. 37%, in 2020; en 2°. 45%, in 2030. 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zwaveldioxide: alle zwavelverbindingen, uitgedrukt als zwaveldioxide, waaronder zwaveltrioxide, zwavelzuur en gereduceerde zwavelverbindingen zoals zwavelwaterstof, mercaptanen en dimethylsulfiden. 3 2,5 De omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan, ammoniak en PMzijn resultaatsverplichtingen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.8b — Artikel 2.8b (uitzonderingsmogelijkheden omgevingswaarden)#
Artikel 2.8b (uitzonderingsmogelijkheden omgevingswaarden) 1 artikel 2.8a Op het voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in, kan alleen een uitzondering worden gemaakt voor zover dat is toegestaan volgens de nec-richtlijn. 2 Het eerste lid geldt als niet aan een omgevingswaarde kan worden voldaan: a. door een uitzonderlijk koude winter of een uitzonderlijk droge zomer: dan wordt geacht aan de omgevingswaarde te zijn voldaan als het gemiddelde van de jaarlijkse emissies voor het lopende, het voorgaande en het komende jaar voldoet aan de omgevingswaarde; of b. door een plotselinge en uitzonderlijke onderbreking of capaciteitsverlies in het stroom- of warmtevoorzienings- of productiesysteem die redelijkerwijs niet kon worden voorspeld: dan wordt geacht aan de omgevingswaarde te zijn voldaan gedurende ten hoogste drie jaar, als: 1°. alle redelijke inspanningen, met inbegrip van het treffen van nieuwe maatregelen en het uitvoeren van nieuw beleid, zijn geleverd om aan de omgevingswaarde te voldoen; 2°. die inspanningen worden voortgezet om de periode waarin niet aan de omgevingswaarde wordt voldaan zo kort mogelijk te houden; en 3°. het treffen van maatregelen en het uitvoeren van beleid in aanvulling op de maatregelen en het beleid, bedoeld onder 1°, zou leiden tot onevenredig hoge kosten, een aanzienlijk risico zou inhouden voor de nationale energiezekerheid of een aanzienlijk deel van de bevolking zou blootstellen aan een substantieel risico van energiearmoede. 3 artikel 2.8a, eerste lid, onder e, onder 2° Als het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in, geldt het eerste lid ook niet als, na alle kosteneffectieve maatregelen te hebben getroffen, niet aan de omgevingswaarde kan worden voldaan. Dan wordt geacht aan de omgevingswaarde te zijn voldaan gedurende ten hoogste vijf jaar, als voor elk jaar daarvan het niet voldoen wordt gecompenseerd met een gelijkwaardige emissiereductie van een andere stof waarvoor een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.8a geldt. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.9 — Artikel 2.9 (omgevingswaarden waterkwaliteit)#
Artikel 2.9 (omgevingswaarden waterkwaliteit) 1 artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.15, eerste lid Voor de waterkwaliteit van een krw-oppervlaktewaterlichaam gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de,, en. 2 artikelen 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid Voor de waterkwaliteit van een grondwaterlichaam gelden de omgevingswaarden, bedoeld in de, en. 3 Bij omgevingsverordening kan voor de waterkwaliteit van een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam een aanvullende omgevingswaarde of afwijkende omgevingswaarde die strenger is dan de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vastgesteld. Bij de vaststelling daarvan worden de economische effecten betrokken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.10 — Artikel 2.10 (omgevingswaarden goede chemische toestand krw-oppervlaktewaterlichaam)#
Artikel 2.10 (omgevingswaarden goede chemische toestand krw-oppervlaktewaterlichaam) 1 Een krw-oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand. Van een goede chemische toestand is sprake als: a. bijlage III wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in, waarbij voor de stoffen, genoemd in de kolommen 10 en 11 van die bijlage, wordt voldaan aan de omgevingswaarden met ingang van de datum, genoemd in die kolommen; en b. bijlage III de concentratie van de prioritaire stoffen die de neiging hebben te accumuleren in sediment of in biota, niet significant zijn toegenomen op de ingenoemde data. 2 Elk van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de eis, bedoeld in het eerste lid, onder b, is afzonderlijk een omgevingswaarde. 3 bijlage III bijlage III In een geval als bedoeld in artikel 3, lid 8ter, van de richtlijn prioritaire stoffen geldt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, in plaats van de datum 22 december 2021, genoemd in kolom 10 van, de datum 22 december 2027, genoemd in kolom 11 van. 4 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet De omgevingswaarden zijn andere verplichtingen als bedoeld in, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii en iii, van de kaderrichtlijn water. 5 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a De omgevingswaarden gelden voor een krw-oppervlaktewaterlichaam dat op grond van, of, is aangewezen in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.11 — Artikel 2.11 (omgevingswaarde goede ecologische toestand krw-oppervlaktewaterlichaam)#
Artikel 2.11 (omgevingswaarde goede ecologische toestand krw-oppervlaktewaterlichaam) 1 Een krw-oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede ecologische toestand. Van een goede ecologische toestand is sprake als het krw-oppervlaktewaterlichaam: a. voor de kwaliteitselementen die voor dat type natuurlijk krw-oppervlaktewaterlichaam zijn uitgewerkt, voldoet aan de definities van de goede ecologische toestand voor dat type, bedoeld in bijlage V, paragraaf 1.2, tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water, uitgewerkt in het Stowa-rapport voor natuurlijke watertypen; en b. voor het kwaliteitselement specifiek verontreinigende stoffen geen hogere concentratie van een in bijlage IIIa vermelde stof bevat dan de waarde die daarin voor die stof is vermeld. 2 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet De omgevingswaarde is een andere verplichting als bedoeld in, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a, onder ii, van de kaderrichtlijn water. 3 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a De omgevingswaarde geldt voor een krw-oppervlaktewaterlichaam dat op grond van, of, is aangewezen in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.12 — Artikel 2.12 (uitzonderingsmogelijkheid goed ecologisch potentieel krw-oppervlaktewaterlichaam)#
Artikel 2.12 (uitzonderingsmogelijkheid goed ecologisch potentieel krw-oppervlaktewaterlichaam) 1 artikel 2.11, eerste lid Voor een kunstmatig krw-oppervlaktewaterlichaam of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam kan een uitzondering worden gemaakt op de plicht om te voldoen aan de omgevingswaarde een goede ecologische toestand, bedoeld in, als een goed ecologisch potentieel is vastgesteld in een regionaal waterprogramma, als het gaat om regionale wateren, of het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren. 2 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a Het goede ecologische potentieel geldt voor een kunstmatig krw-oppervlaktewaterlichaam of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam, dat op grond van, of, is aangewezen in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.13 — Artikel 2.13 (omgevingswaarde goede kwantitatieve toestand grondwaterlichaam)#
Artikel 2.13 (omgevingswaarde goede kwantitatieve toestand grondwaterlichaam) 1 Een grondwaterlichaam verkeert in een goede kwantitatieve toestand. Van een goede kwantitatieve toestand is sprake als wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage V, punt 2.1.2, bij de kaderrichtlijn water. 2 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet De omgevingswaarde is een andere verplichting als bedoeld in, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, onder ii, van de kaderrichtlijn water. 3 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b De omgevingswaarde geldt voor een grondwaterlichaam dat op grond van, is aangewezen in een regionaal waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.14 — Artikel 2.14 (omgevingswaarden goede chemische toestand grondwaterlichaam)#
Artikel 2.14 (omgevingswaarden goede chemische toestand grondwaterlichaam) 1 Een grondwaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand. Van een goede chemische toestand is sprake als: a. bijlage IV wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in bijlage V, punt 2.3.2, bij de kaderrichtlijn water, en de eisen, bedoeld in, tabellen A en B; of b. niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld onder a, maar gedeputeerde staten door een passend onderzoek in overeenstemming met bijlage III bij de grondwaterrichtlijn hebben bevestigd dat wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, en vijfde lid, van die richtlijn. 2 Elke voorwaarde en eis, bedoeld in het eerste lid, onder a, is afzonderlijk een omgevingswaarde. 3 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet De omgevingswaarden zijn andere verplichtingen als bedoeld in, zoals omschreven in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, onder ii, van de kaderrichtlijn water. 4 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b De omgevingswaarden gelden voor een grondwaterlichaam dat op grond van, is aangewezen in een regionaal waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.15 — Artikel 2.15 (omgevingswaarden water onttrokken op een waterwinlocatie in een krw-oppervlaktewaterlichaam)#
Artikel 2.15 (omgevingswaarden water onttrokken op een waterwinlocatie in een krw-oppervlaktewaterlichaam) 1 bijlage V Het water dat op een waterwinlocatie gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken, voldoet aan de eisen voor het onttrokken water, bedoeld in. 2 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet De omgevingswaarde is een andere verplichting als bedoeld in, zoals omschreven in artikel 7, tweede lid, van de kaderrichtlijn water. 3 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c 4.10, tweede lid, aanhef en onder b De omgevingswaarde geldt voor een waterwinlocatie gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam, die op grond van, of, is aangewezen in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.16 — Artikel 2.16 (strengste eis bij samenloop)#
Artikel 2.16 (strengste eis bij samenloop) De strengste eis gericht op de bescherming van de waterkwaliteit is van toepassing als voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam gelijktijdig meer dan een van de volgende omgevingswaarden, andere doelstellingen of andere eisen gelden: a. artikel 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15 eerste lid 2.19, eerste lid een omgevingswaarde als bedoeld in,,,,, of; b. artikel 2.12, eerste lid een goed ecologisch potentieel als bedoeld in; c. artikel 4.15, eerste lid 4.17, eerste lid 4.19 4.21, tweede lid een andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving als bedoeld in,,, of; of d. een andere eis, gericht op de bescherming van de waterkwaliteit op grond van andere regelgeving. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 2.17 — Artikel 2.17 (uitzonderingsmogelijkheden omgevingswaarden en goed ecologisch potentieel)#
Artikel 2.17 (uitzonderingsmogelijkheden omgevingswaarden en goed ecologisch potentieel) 1 artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid Op het voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en, kan in een regionaal waterprogramma, als het gaat om regionale wateren, of in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, alleen een uitzondering worden gemaakt voor zover dat is toegestaan volgens de kaderrichtlijn water of de richtlijn prioritaire stoffen. 2 Het eerste lid geldt voor gevallen waarin: a. de toestand van het krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet verder achteruitgaat; b. het voldoen aan de omgevingswaarde als gevolg van aantasting door menselijke activiteiten of vanwege zijn natuurlijke gesteldheid niet haalbaar of onevenredig kostbaar is; c. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water; en d. een minder strenge doelstelling en de motivering daarvan voor het waterlichaam wordt opgenomen in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren, of het nationale waterprogramma, als gaat om rijkswateren. 3 Het eerste lid geldt ook voor gevallen waarin: a. het niet voldoen aan de omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron; b. het voldoen aan de omgevingswaarde als gevolg van de grensoverschrijdende krw-verontreiniging niet mogelijk is; en c. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de richtlijn prioritaire stoffen. 4 Het eerste lid geldt ook voor gevallen waarin: a. het niet voldoen het gevolg is van nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de toestand van een grondwaterlichaam; b. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren, of het nationale waterprogramma, als gaat om rijkswateren. 5 artikel 2.12 Het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op het goede ecologische potentieel dat voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam is vastgesteld op grond van. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.18 — Artikel 2.18 (uitzonderingsmogelijkheid termijn omgevingswaarden)#
Artikel 2.18 (uitzonderingsmogelijkheid termijn omgevingswaarden) 1 artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid De termijn waarop aan een omgevingswaarde moet worden voldaan, kan, voor zover dat is toegestaan volgens de kaderrichtlijn water, voor de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en, worden verlengd als: a. de toestand van het krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet achteruitgaat; b. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, vierde en achtste lid, van de kaderrichtlijn water; en c. de motivering wordt opgenomen in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren, of het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren. 2 artikel 2.12 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het goede ecologische potentieel dat voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam is vastgesteld op grond van. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.19 — Artikel 2.19 (omgevingswaarde zwemlocatie)#
Artikel 2.19 (omgevingswaarde zwemlocatie) 1 Een zwemlocatie voldoet in ieder geval aan de klasse aanvaardbaar, bedoeld in bijlage II, onder 2, bij de zwemwaterrichtlijn. 2 De omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, is een resultaatsverplichting. 3 Bij omgevingsverordening kan voor de kwaliteit van een zwemlocatie een aanvullende omgevingswaarde of een afwijkende omgevingswaarde die strenger is dan de omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld. Bij de vaststelling daarvan worden de economische effecten betrokken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 2.20 — Artikel 2.20 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarde)#
Artikel 2.20 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarde) artikel 2.19, eerste lid In afwijking van, en in overeenstemming met artikel 5, vierde lid, van de zwemwaterrichtlijn mag een zwemlocatie zich tijdelijk in de klasse slecht bevinden als aan het begin van het badseizoen: a. gedeputeerde staten passende zwemwaterbeheersmaatregelen treffen, waaronder het geven van een negatief zwemadvies of het instellen van een zwemverbod, om de blootstelling van zwemmers aan zwemwaterverontreiniging te voorkomen; b. de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam de oorzaken van zwemwaterverontreiniging waardoor de klasse aanvaardbaar niet is bereikt, identificeert en passende maatregelen treft om verontreiniging te voorkomen of te beperken of de oorzaken weg te nemen; en c. artikel 10.39, derde lid, van het Omgevingsbesluit gedeputeerde staten het publiek voorlichten in overeenstemming met. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.1 — Artikel 3.1 (initiële beoordeling, omschrijving goede milieutoestand en milieudoelen)#
Artikel 3.1 (initiële beoordeling, omschrijving goede milieutoestand en milieudoelen) Ter voorbereiding van het programma van maatregelen mariene strategie stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, voor de Nederlandse mariene wateren vast: a. de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn mariene strategie; b. de omschrijving van de goede milieutoestand, bedoeld in artikel 9, eerste lid, in samenhang met artikel 3, vierde en vijfde lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie; en c. de milieudoelen en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 3, zevende lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.2 — Artikel 3.2 (aanwijzing zwemlocaties)#
Artikel 3.2 (aanwijzing zwemlocaties) Gedeputeerde staten wijzen jaarlijks, in overeenstemming met de beheerders van de oppervlaktewaterlichamen, uit de locaties waar naar hun oordeel door een groot aantal personen wordt gezwommen de zwemlocaties aan. Zij betrekken bij het aanwijzen van zwemlocaties: a. de ontwikkelingen van het aantal personen dat op de locaties zwemt, de infrastructuur of faciliteiten; en b. de ter bevordering van het zwemmen getroffen maatregelen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.3 — Artikel 3.3 (niet aanwijzen zwemlocatie)#
Artikel 3.3 (niet aanwijzen zwemlocatie) 1 Een locatie wordt niet meer als zwemlocatie aangewezen als deze zwemlocatie zich gedurende vijf opeenvolgende jaren in de klasse slecht, bedoeld in bijlage II, onder 1, bij de zwemwaterrichtlijn, bevond. 2 Als een locatie niet meer als zwemlocatie wordt aangewezen op grond van het eerste lid, geven gedeputeerde staten een negatief zwemadvies of stellen zij een zwemverbod in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.4 — Artikel 3.4 (duur badseizoen)#
Artikel 3.4 (duur badseizoen) Gedeputeerde staten stellen per zwemlocatie het begin en het einde van het badseizoen vast. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.5 — Artikel 3.5 (veiligheidsonderzoek en het treffen van maatregelen)#
Artikel 3.5 (veiligheidsonderzoek en het treffen van maatregelen) 1 Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat jaarlijks een onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie wordt verricht. 2 Op grond van de resultaten van het onderzoek treffen zowel de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam als gedeputeerde staten maatregelen om de veiligheid van de zwemlocaties te waarborgen of te verbeteren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.6 — Artikel 3.6 (zwemwaterprofiel)#
Artikel 3.6 (zwemwaterprofiel) 1 De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam draagt er zorg voor dat voor een zwemlocatie een zwemwaterprofiel wordt opgesteld als bedoeld in artikel 6 van de zwemwaterrichtlijn in overeenstemming met bijlage III bij die richtlijn. 2 Een zwemwaterprofiel kan betrekking hebben op één zwemlocatie of op meerdere aangrenzende zwemlocaties. 3 artikel 2.19 Op basis van het zwemwaterprofiel draagt de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam er zorg voor dat er maatregelen worden getroffen om te voldoen aan de omgevingswaarde, bedoeld in. 4 Zowel de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam als gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat realistische en evenredige maatregelen worden getroffen voor het behoud of het verbeteren van de kwaliteit van de zwemlocatie en om het aantal als uitstekend of goed ingedeelde zwemlocaties te laten toenemen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.7 — Artikel 3.7 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij overmatige groei van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton)#
Artikel 3.7 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij overmatige groei van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton) 1 Als zich een overmatige groei van cyanobacteriën voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden, dragen gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam er elk zorg voor dat onverwijld passende zwemwaterbeheersmaatregelen worden getroffen ter voorkoming van blootstelling aan zwemwaterverontreiniging. 2 Als zich een overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton voordoet en gedeputeerde staten een gezondheidsrisico vaststellen of vermoeden, dragen gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam er elk zorg voor dat passende zwemwaterbeheersmaatregelen worden getroffen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.8 — Artikel 3.8 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij zwemwaterverontreinigingen)#
Artikel 3.8 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij zwemwaterverontreinigingen) artikel 11.44, derde lid Als de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam naar aanleiding van de monitoring, bedoeld in, een zwemwaterverontreiniging door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval vaststelt, dragen zowel de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam als gedeputeerde staten er zorg voor dat passende zwemwaterbeheersmaatregelen worden getroffen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.9 — Artikel 3.9 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij onverwachte omstandigheden)#
Artikel 3.9 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij onverwachte omstandigheden) De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam treft als dit nodig is tijdig passende zwemwaterbeheersmaatregelen als hij op de hoogte is van onverwachte situaties die negatieve gevolgen hebben of redelijkerwijs kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie en de gezondheid van zwemmers. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.10 — Artikel 3.10 (periode voor treffen zwemwaterbeheersmaatregelen)#
Artikel 3.10 (periode voor treffen zwemwaterbeheersmaatregelen) artikelen 3.7 tot en met 3.9 Degelden alleen gedurende het badseizoen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.11 — Artikel 3.11 (procedures kortstondige zwemwaterverontreiniging)#
Artikel 3.11 (procedures kortstondige zwemwaterverontreiniging) De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam stelt in overeenstemming met bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn procedures vast voor de voorspelling en aanpak van een kortstondige zwemwaterverontreiniging, zijnde een microbiologische besmetting als bedoeld in bijlage I, kolom A, bij de zwemwaterrichtlijn met duidelijk aantoonbare oorzaken waarvan normaliter niet wordt verwacht dat zij de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten dan 72 uur vanaf het begin van de aantasting. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.12 — Artikel 3.12 (aanwijzing rijkswateren peilbesluit)#
Artikel 3.12 (aanwijzing rijkswateren peilbesluit) artikel 2.41, tweede lid, van de wet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt in ieder geval peilbesluiten als bedoeld invast voor de volgende oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan: a. Noordzeekanaal, Afgesloten IJ en Amsterdam-Rijnkanaal; b. Grevelingenmeer; c. Veerse Meer; d. Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal en Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en de Kreekraksluizen; en e. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Buiten-IJ, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer en Drontermeer. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.13 — Artikel 3.13 (vrijstelling legger)#
Artikel 3.13 (vrijstelling legger) artikel 2.39, eerste lid, van de wet Van de verplichting tot vaststelling van een legger, bedoeld in, zijn de volgende waterstaatswerken of delen daarvan vrijgesteld: a. de oppervlaktewaterlichamen Noordzee, Waddenzee, Eems-Dollard, Westerschelde en IJsselmeer, met inbegrip van het Zwarte Meer en het Ketelmeer; en b. artikel 2.21, eerste lid, van de wet de locaties binnen de oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk die niet op grond vanzijn aangewezen als beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.14 — Artikel 3.14 (rangorde bij waterschaarste)#
Artikel 3.14 (rangorde bij waterschaarste) 1 Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste wordt, gelet op de verdeling van het beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij het beheer van watersystemen de volgende rangorde van behoeften in acht genomen: a. het waarborgen van de veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare schade; b. nutsvoorzieningen; c. kleinschalig hoogwaardig gebruik; en d. overige behoeften. 2 Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, komt achtereenvolgens prioriteit toe aan: a. de stabiliteit van waterkeringen; b. het voorkomen van klink en zettingen; en c. natuur, voor zover het gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade. 3 Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, komt achtereenvolgens prioriteit toe aan: a. de drinkwatervoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid; en b. de energievoorziening, voor zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid. 4 Bij de behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, komt, gelet op het zo veel mogelijk beperken van de maatschappelijke en economische gevolgen, prioriteit toe aan: a. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen; en b. het verwerken van industrieel proceswater. 5 Bij de overige behoeften, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, komt, gelet op het zo veel mogelijk beperken van de maatschappelijke en economische gevolgen, prioriteit toe aan: a. scheepvaart; b. landbouw; c. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade; d. industrie; e. waterrecreatie; f. binnenvisserij; g. de drinkwatervoorziening, anders dan de drinkwatervoorziening, bedoeld in het derde lid, aanhef en onder a; h. de energievoorziening, anders dan de energievoorziening, bedoeld in het derde lid, aanhef en onder b; en i. overige belangen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.15 — Artikel 3.15 (calamiteitenplannen)#
Artikel 3.15 (calamiteitenplannen) artikel 19.14 van de wet Het door de beheerder vast te stellen calamiteitenplan, bedoeld in, bevat in ieder geval: a. een overzicht van de soorten calamiteiten die zich in de watersystemen of onderdelen daarvan kunnen voordoen, waaronder een inventarisatie van de daarmee gepaard gaande risico’s; b. een overzicht van te treffen maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die voortkomen uit de voor die watersystemen geldende overstromingsrisicobeheerplannen, en het beschikbare materieel, benodigd om de verschillende calamiteiten het hoofd te bieden; c. een overzicht van de diensten, instanties en organisaties, die bij gevaar kunnen worden ingeschakeld; d. een beschrijving van het moment en de wijze waarop burgemeesters van de gemeenten en voorzitters van de veiligheidsregio’s waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan liggen door de beheerder worden geïnformeerd; e. een schema van de calamiteitenorganisatie van de beheerder; f. een meld- en alarmeringsprocedure; en g. een overzicht waaruit blijkt hoe de beheerder de kwaliteit van de calamiteitenorganisatie waarborgt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.15a — Artikel 3.15a (risicobeoordeling en risicobeheer onttrekkingsgebieden waterwinning)#
Artikel 3.15a (risicobeoordeling en risicobeheer onttrekkingsgebieden waterwinning) 1 artikel 2.17 2.18 2.19 van de wet Het bestuursorgaan waaraan op grond van,ofhet beheer of de bescherming van de kwaliteit van het desbetreffende grond- of oppervlaktewaterlichaam is toegedeeld voert de risicobeoordeling en het risicobeheer uit van onttrekkingsgebieden voor waterwinlocaties, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef en onder a, 8, eerste, tweede en vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor die grond- of oppervlaktewaterlichamen waarvoor de maatschappelijke functie «drinkwateronttrekking» is vastgelegd in een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma. 2 De risicobeoordeling en het risicobeheer, bedoeld in het eerste lid, worden voor de eerste maal uiterlijk op 12 juli 2027 uitgevoerd en vervolgens elke zes jaar geactualiseerd, of tussentijds als wijzigingen in de omstandigheden daartoe aanleiding geven. 3 Als dat noodzakelijk is in het belang van de gezondheid worden zo nodig eerder maatregelen getroffen. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.15b — Artikel 3.15b (risicobeoordeling en maatregelen huishoudelijke leidingnetten)#
Artikel 3.15b (risicobeoordeling en maatregelen huishoudelijke leidingnetten) 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voeren de risicobeoordeling uit van huishoudelijke leidingnetten, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef en onder c, en zesde lid en 10, eerste lid, van de drinkwaterrichtlijn. 2 De risicobeoordeling van de huishoudelijke leidingnetten wordt voor de eerste keer uiterlijk op 12 januari 2029 uitgevoerd. De risicobeoordeling wordt om de zes jaar herzien, en waar nodig geactualiseerd. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dragen zorg voor het treffen van maatregelen om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico’s te beperken als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, van de drinkwaterrichtlijn. 4 Als dat noodzakelijk is in het belang van de gezondheid worden zo nodig eerder maatregelen getroffen. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.16 — Artikel 3.16 (ontwerp, bouw en onderhoud van openbare riolen)#
Artikel 3.16 (ontwerp, bouw en onderhoud van openbare riolen) Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat een openbaar vuilwaterriool zo wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden dat: a. het zoveel mogelijk is berekend op de eigenschappen, samenstelling en hoeveelheid van het afvalwater; b. lekkage zoveel mogelijk wordt voorkomen; en c. het aantal overstortingen zo beperkt is als voor een doelmatig beheer van afvalwater mogelijk is. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.17 — Artikel 3.17 (ontwerp en bouw van zuiveringtechnische werken)#
Artikel 3.17 (ontwerp en bouw van zuiveringtechnische werken) 1 Bij het ontwerpen en bouwen van een zuiveringtechnisch werk door het waterschapsbestuur of het gemeentebestuur wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 10 van de richtlijn stedelijk afvalwater. 2 Als het waterschapsbestuur een andere rechtspersoon heeft belast met de exploitatie van een zuiveringtechnisch werk en onderdeel van die exploitatie het ontwerpen of bouwen van het zuiveringtechnisch werk is, draagt het waterschapsbestuur er zorg voor dat die rechtspersoon bij het ontwerpen of bouwen voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 10 van de richtlijn stedelijk afvalwater. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.18 — Artikel 3.18 (toepassingsbereik)#
Artikel 3.18 (toepassingsbereik) 1 Deze afdeling is van toepassing op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. 2 Bij de toepassing van deze afdeling worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die: a. zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; en b. geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen. 3 In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op het geluid: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op een industrieterrein ligt; of b. op een niet-geluidgevoelige gevel. 4 In afwijking van het tweede lid wordt een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar niet in aanmerking genomen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.19 — Artikel 3.19 (begripsbepaling)#
Artikel 3.19 (begripsbepaling) Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.20 — Artikel 3.20 (geluidaandachtsgebied)#
Artikel 3.20 (geluidaandachtsgebied) 1 den tabel 3.34 Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in L, bedoeld in. 2 Op het bepalen van het geluidaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.21 — Artikel 3.21 (geluidgevoelige gebouwen)#
Artikel 3.21 (geluidgevoelige gebouwen) 1 Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2 Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. 3 Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.22 — Artikel 3.22 (geluidgevoelige ruimten)#
Artikel 3.22 (geluidgevoelige ruimten) 1 Een geluidgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, worden ruimten in woonschepen en woonwagens niet als geluidgevoelig beschouwd. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.23 — Artikel 3.23 (waar waarden gelden)#
Artikel 3.23 (waar waarden gelden) Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden: a. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: 1°. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en 2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; b. op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen, als het gaat om een woonschip of woonwagen; en c. in de geluidgevoelige ruimte, als het gaat om een geluidgevoelige ruimte. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.24 — Artikel 3.24 (bepalen geluid door wegen en spoorwegen)#
Artikel 3.24 (bepalen geluid door wegen en spoorwegen) 1 Bij het bepalen van het geluid door een weg of spoorweg wordt voor de geluideigenschappen van een wegdek of een spoorconstructie uitgegaan van de geluideigenschappen zoals die gemiddeld zijn gedurende de technische levensduur van dat wegdek of die spoorconstructie. 2 Bij het bepalen van het geluid door een spoorweg wordt het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen: a. betrokken bij een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; en b. niet betrokken bij een lokale spoorweg, tenzij die bij omgevingsverordening is aangewezen. 3 Bij het bepalen van het geluid door een weg of spoorweg wordt het geluid door alle tot die geluidbronsoort behorende wegen of spoorwegen betrokken. 4 Bij het bepalen van het geluid op een geluidreferentiepunt van een weg of spoorweg wordt een werk of bouwwerk betrokken als dit onderdeel is van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond. 5 Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.25 — Artikel 3.25 (bepalen geluid door industrieterreinen)#
Artikel 3.25 (bepalen geluid door industrieterreinen) 1 Als een geluidgevoelig gebouw ligt in het geluidaandachtsgebied van: a. één industrieterrein, wordt het geluid door dat industrieterrein betrokken bij het bepalen van het geluid op dat gebouw; en b. meerdere industrieterreinen, wordt het geluid door die industrieterreinen betrokken bij het bepalen van het geluid op dat gebouw. 2 Bij het bepalen van het geluid op een geluidreferentiepunt van een industrieterrein worden betrokken: a. het geluid door alleen dat industrieterrein; b. werken of bouwwerken als deze onderdeel zijn van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond; en c. het geluid door activiteiten, anders dan het wonen, die op het industrieterrein worden verricht en die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 3 Bij het bepalen van het geluid door een industrieterrein wordt buiten beschouwing gelaten het geluid door: a. windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; b. Ar,LT tabel 5.65.1 activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan het geluid op een afstand van 30 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in, verminderd met 5 dB; c. het TT Circuit Assen en het Circuit Park Zandvoort gedurende ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar; d. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; en e. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. 4 Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.26 — Artikel 3.26 (toepassingsbereik)#
Artikel 3.26 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op: a. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en b. lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 20-09-2025
Artikel 3.27 — Artikel 3.27 (waarde van de basisgeluidemissie)#
Artikel 3.27 (waarde van de basisgeluidemissie) 1 De basisgeluidemissie van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg is: a. den artikel 11.46 de geluidemissie in Lvan die weg of spoorweg in het eerste jaar waarvoor die geluidemissie op grond vanwordt bepaald, voor een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande weg of spoorweg; of b. den de geluidemissie in Ldie ten grondslag ligt aan het besluit tot aanleg of wijziging van die weg of spoorweg. 2 artikel 5.78m, derde lid artikel 5.78n, derde lid Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, kan de basisgeluidemissie van die gemeenteweg worden gebaseerd op het geluid door die gemeenteweg en die lokale spoorweg gezamenlijk. Als toepassing is gegeven aan, of, wordt de basisgeluidemissie van die gemeenteweg gebaseerd op het geluid door die gemeenteweg en die lokale spoorweg gezamenlijk. 3 De basisgeluidemissie van een rijksweg of provinciale weg waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en waarvan het beheer wordt overgedragen aan een gemeente of een waterschap en van een hoofdspoorweg die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij koninklijk besluit wordt aangewezen als lokale spoorweg is de geluidemissie op grond van de geluidbrongegevens, behorende bij het op het tijdstip van de overdracht of de aanwijzing geldende geluidproductieplafond. 4 De basisgeluidemissie van een lokale spoorweg waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, en waarvoor die geluidproductieplafonds komen te vervallen, is de geluidemissie op grond van de geluidbrongegevens, behorende bij het op het tijdstip van de intrekking geldende geluidproductieplafond. 5 Op het bepalen van de geluidemissie van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 6 Als basisgeluidemissie van een gemeenteweg, een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen respectievelijk een waterschapsweg kan worden gehanteerd: a. een lagere waarde dan de geluidemissie, bedoeld in het eerste lid, onder a of b; b. artikel 3.28 de geluidemissie die ten grondslag ligt aan de afweging, bedoeld in; of c. een waarde die volgt uit wijziging van de regels, bedoeld in het vijfde lid. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.28 — Artikel 3.28 (afweging maatregelen naar aanleiding van resultaat monitoring)#
Artikel 3.28 (afweging maatregelen naar aanleiding van resultaat monitoring) 1 artikel 11.47 Als het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van een waterschap naar aanleiding van de monitoring, bedoeld in, vaststelt dat de basisgeluidemissie met meer dan 1,5 dB is overschreden, beziet het college respectievelijk het dagelijks bestuur voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid meer dan 1,5 dB hoger is dan in de situatie waarop de basisgeluidemissie betrekking heeft of geluidbeperkende maatregelen of geluidwerende maatregelen worden getroffen. 2 tabel 3.35 paragraaf 3.5.5 Als het college respectievelijk het dagelijks bestuur naar aanleiding van de monitoring vaststelt dat voor het in het eerste lid bedoelde geluidgevoelige gebouw sprake is van een overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in, en die overschrijding niet ongedaan wordt gemaakt met het treffen van de in het eerste lid bedoelde geluidbeperkende maatregelen, bepaalt het college respectievelijk het dagelijks bestuur met toepassing vanbij besluit of en zo ja, welke geluidwerende maatregelen aan dat gebouw worden getroffen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.29 — Artikel 3.29 (akoestische kwaliteit rijkswegen en hoofdspoorwegen)#
Artikel 3.29 (akoestische kwaliteit rijkswegen en hoofdspoorwegen) 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat draagt er zorg voor dat bij het aanleggen van bij ministeriële regeling aangewezen rijkswegen of het vervangen van het wegdek van die wegen een wegdek van zeer open asfaltbeton of een akoestisch ten minste gelijkwaardig wegdek wordt toegepast, tenzij overwegende bezwaren van technische aard zich hiertegen verzetten. 2 artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet De beheerder, bedoeld in, draagt er zorg voor dat voor bij ministeriële regeling aangewezen hoofdspoorwegen: a. bij het aanleggen of het vervangen van een spoorconstructie van die hoofdspoorwegen een constructie van langgelast spoor in een ballastbed op betonnen dwarsliggers op een zandlichaam of een akoestisch ten minste gelijkwaardige constructie wordt toegepast, tenzij overwegende bezwaren van technische aard zich hiertegen verzetten; en b. de bogen en wissels op een spoorwegemplacement, die naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat relevant zijn voor het geluid op geluidgevoelige gebouwen, een werkend spoorstaafconditioneringssysteem hebben of dat hiervoor een akoestisch ten minste gelijkwaardige techniek wordt toegepast. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.30 — Artikel 3.30 (toepassingsbereik geluidproductieplafonds als omgevingswaarden)#
Artikel 3.30 (toepassingsbereik geluidproductieplafonds als omgevingswaarden) Paragraaf 3.5.4 is van toepassing op de vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.31 — Artikel 3.31 (bepalen van geluidreferentiepunten, geluidbrongegevens en geluidaandachtsgebied)#
Artikel 3.31 (bepalen van geluidreferentiepunten, geluidbrongegevens en geluidaandachtsgebied) Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde worden bepaald: a. de geluidreferentiepunten; b. de geluidbrongegevens; en c. het geluidaandachtsgebied. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.32 — Artikel 3.32 (geluidreferentiepunten voor wegen en spoorwegen)#
Artikel 3.32 (geluidreferentiepunten voor wegen en spoorwegen) 1 Voor een weg of spoorweg liggen de geluidreferentiepunten op: a. een afstand van ten hoogste 60 m vanaf het midden van de dichtstbijzijnde rijstrook of het dichtstbijzijnde spoor, aan weerszijden van de weg of spoorweg; b. een onderlinge afstand van ten hoogste 120 m; en c. een afstand van 4 m boven het maaiveld. 2 Als langs de weg of spoorweg een bij de weg of spoorweg behorend bouwwerk of werk ligt dat is opgenomen in de geluidbrongegevens, kunnen geluidreferentiepunten op een afstand liggen die groter is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder a. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.33 — Artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen)#
Artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) 1 Voor een industrieterrein liggen de geluidreferentiepunten op: a. een afstand van 0,5 x √ S vanaf de in het omgevingsplan vastgelegde begrenzing van het industrieterrein, waarbij S de oppervlakte van het industrieterrein is, en waarbij de afstand ten minste 50 m en ten hoogste 500 m is; b. een onderlinge afstand van ten hoogste de met toepassing van onderdeel a bepaalde afstand; en c. een afstand van 4 m boven het maaiveld. 2 Als dat noodzakelijk is voor het beperken van het geluid op geluidgevoelige gebouwen, kunnen geluidreferentiepunten worden toegevoegd op een afstand vanaf de begrenzing van het industrieterrein die niet groter is dan de met toepassing van het eerste lid, onder a, bepaalde afstand. Het eerste lid, onder b en c, is niet van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.34 — Artikel 3.34 (hoofdregel vaststellen geluidproductieplafond)#
Artikel 3.34 (hoofdregel vaststellen geluidproductieplafond) 1 Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende twee waarden: a. de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.34; of b. het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold op het tijdstip van de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond. Tabel 3.34: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen Rijkswegen den 50 L Gemeentewegen Waterschapswegen den 53 L Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen den 55 L Industrieterreinen den 50 L night 40 L 2 Voor een onderwijsfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van beide, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. night gelden de waarden in Lniet; en b. den de wordt in tabel 3.34 gelezen voor «L»: «L». 3 artikel 3.21, eerste lid, onder b of d Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. night gelden de waarden in Lniet; en b. den day wordt in tabel 3.34 gelezen voor «L»: L». 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.35 — Artikel 3.35 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding hoogste waarde)#
Artikel 3.35 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding hoogste waarde) 1 artikel 3.34, eerste lid Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in, worden overschreden als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. de overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35. Tabel 3.35: Grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen Rijkswegen den 65 L Gemeentewegen Waterschapswegen den 70 L Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen den 70 L Industrieterreinen den 60 L night 50 L 2 Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 3 paragraaf 3.5.4.4 Op het bepalen van de financiële doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen voor rijkswegen en hoofdspoorwegen isvan toepassing. 4 In afwijking van het eerste lid, onder b, kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding in mindere mate beperken maar die leiden tot minder gecumuleerd geluid. 5 Geluidbeperkende maatregelen worden bij voorkeur aan de bron getroffen. 6 Artikel 3.34, tweede en derde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «tabel 3.34» wordt gelezen: tabel 3.35. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.36 — Artikel 3.36 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding grenswaarde provinciale wegen binnen bebouwde kom)#
Artikel 3.36 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding grenswaarde provinciale wegen binnen bebouwde kom) Wegenverkeerswet 1994 tabel 3.35 Voor een provinciale weg die binnen een krachtens devastgestelde bebouwde kom ligt, kan bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde de grenswaarde, bedoeld in, met ten hoogste 5 dB worden overschreden, als die overschrijding redelijkerwijs niet is te voorkomen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.37 — Artikel 3.37 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding grenswaarde als dat onvermijdelijk is)#
Artikel 3.37 (vaststellen geluidproductieplafond: overschrijding grenswaarde als dat onvermijdelijk is) 1 artikel 3.36 artikel 3.35, tweede lid Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.35, of de waarde die volgt uit toepassing van, worden overschreden als geen geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in, kunnen worden getroffen om aan de waarde te voldoen. 2 Overschrijding van een in het eerste lid bedoelde waarde is alleen toegestaan als: a. geen andere maatregelen dan bedoeld in het eerste lid kunnen worden getroffen om aan de waarde te voldoen; b. geen wijziging van het omgevingsplan mogelijk is om het geluidgevoelige gebouw niet meer toe te laten; en c. geen overeenkomst kan worden bereikt met de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw over het treffen van bouwkundige maatregelen. 3 Als een in het eerste lid bedoelde waarde wordt overschreden: a. wordt de overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk beperkt; en b. artikel 3.29 voldoen rijkswegen of hoofdspoorwegen aan de akoestische kwaliteit, bedoeld in, als deze rijkswegen of hoofdspoorwegen het geluid veroorzaken. 4 De maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden in aanmerking genomen als deze in redelijkheid niet te kostbaar zijn en daartegen geen zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 5 artikel 5.78w artikel 3.35, tweede lid Op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten met toepassing vanen waarop de grenswaarde met ten hoogste 5 dB wordt overschreden, zijn het tweede lid, het derde lid, onder b, en het vierde lid, niet van toepassing en is op de geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het derde lid, onder a,, van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.38 — Artikel 3.38 (vaststellen geluidproductieplafond: beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid)#
Artikel 3.38 (vaststellen geluidproductieplafond: beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid) 1 artikelen 3.35 3.36 3.37 Bij de toepassing van de,enwordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid beoordeeld. 2 Het gecumuleerde geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. 3 Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken: a. voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort; b. den Wet luchtvaart voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 Lgeluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van deeen luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart; c. den voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 L: het geluid door die windturbine of dat windpark; en d. S,dan voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 B: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 4 Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.39 — Artikel 3.39 (vaststellen geluidproductieplafond: bepalen gezamenlijk geluid)#
Artikel 3.39 (vaststellen geluidproductieplafond: bepalen gezamenlijk geluid) 1 artikelen 3.35 3.36 3.37 Bij de toepassing van de,enwordt het gezamenlijke geluid op een geluidgevoelige gebouw bepaald. 2 Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. 3 Artikel 3.38, derde lid , is van overeenkomstige toepassing. 4 Op het bepalen van het gezamenlijke geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.40 — Artikel 3.40 (vaststellen geluidproductieplafond: geluid door defensieactiviteiten)#
Artikel 3.40 (vaststellen geluidproductieplafond: geluid door defensieactiviteiten) Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor een industrieterrein waarop defensietaken worden uitgeoefend, wordt gewaarborgd dat geen belemmeringen ontstaan voor de uitoefening van die taken. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.41 — Artikel 3.41 (vaststellen geluidproductieplafond: treffen van maatregelen bij onjuiste gegevens in geluidregister)#
Artikel 3.41 (vaststellen geluidproductieplafond: treffen van maatregelen bij onjuiste gegevens in geluidregister) artikel 11.52, eerste lid Artikel 3.35, tweede lid Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan worden bepaald dat geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen worden getroffen als bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gebruik is gemaakt van een gegeven als bedoeld in, waarvan na het toelaten is gebleken dat dit onjuist is., is van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.42 — Artikel 3.42 (vaststellen geluidproductieplafond: technische aanpassingen)#
Artikel 3.42 (vaststellen geluidproductieplafond: technische aanpassingen) artikel 3.34 Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde isniet van toepassing als het geluidproductieplafond: a. wordt verlaagd in overeenstemming met de vermindering van het geluid door een geluidbeperkende maatregel die wordt toegevoegd aan de geluidbrongegevens; b. wordt vastgesteld in verband met wijziging van de bij ministeriële regeling gestelde regels voor het bepalen van het geluid; of c. artikel 3.32 3.33, eerste lid wordt vastgesteld om een geluidreferentiepunt te verplaatsen naar een locatie die voldoet aanof. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.43 — Artikel 3.43 (vaststellen geluidproductieplafond: overdracht van wegen en spoorwegen)#
Artikel 3.43 (vaststellen geluidproductieplafond: overdracht van wegen en spoorwegen) artikel 3.34 Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde isniet van toepassing: a. bij de overdracht van een provinciale weg aan het Rijk of de overdracht van een rijksweg aan een provincie, als het geluidproductieplafond wordt vastgesteld in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond dat gold tot het tijdstip van de overdracht; b. bij de aanwijzing van een lokale spoorweg, die bij omgevingsverordening is aangewezen, als hoofdspoorweg, als het geluidproductieplafond wordt vastgesteld in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond dat gold tot tijdstip van de aanwijzing; c. bij de aanwijzing van een hoofdspoorweg als lokale spoorweg, als die spoorweg bij omgevingsverordening wordt aangewezen en het geluidproductieplafond wordt vastgesteld in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond dat gold tot het tijdstip van de aanwijzing; d. bij de overdracht van een gemeenteweg of waterschapweg aan een provincie of het Rijk, als het geluidproductieplafond wordt vastgesteld in overeenstemming met: 1°. artikel 3.27, eerste lid, onder a de geluidbrongegevens behorende bij de basisgeluidemissie, bedoeld in, en wordt verhoogd met ten hoogste 1,5 dB; of 2°. artikel 3.27, eerste lid, onder b de geluidbrongegevens behorende bij de basisgeluidemissie, bedoeld in; e. artikel 2.13a, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet bij de aanwijzing van een lokale spoorweg, waarvoor geen geluidproductieplafonds golden, op grond vanof bij de aanwijzing van een lokale spoorweg, waarvoor geen geluidproductieplafonds golden, als hoofdspoorweg, als het geluidproductieplafond wordt vastgesteld in overeenstemming met: 1°. artikel 3.27, eerste lid, onder a de geluidbrongegevens behorende bij de basisgeluidemissie, bedoeld in, en wordt verhoogd met ten hoogste 1,5 dB; of 2°. artikel 3.27, eerste lid, onder b de geluidbrongegevens behorende bij de basisgeluidemissie, bedoeld in; of f. als na een overdracht of een aanwijzing als bedoeld in de onderdelen a tot en met e wijziging van een geluidproductieplafond langs een aansluitende of in de nabijheid liggende weg of spoorweg plaatsvindt in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij de geldende geluidproductieplafonds. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.44 — Artikel 3.44 (aard van geluidproductieplafond als omgevingswaarde)#
Artikel 3.44 (aard van geluidproductieplafond als omgevingswaarde) Een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is een resultaatsverplichting. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.45 — Artikel 3.45 (maatregelen of programma bij (dreigende) overschrijding)#
Artikel 3.45 (maatregelen of programma bij (dreigende) overschrijding) 1 artikel 3.10, eerste lid, van de wet In plaats van te voldoen aan de plicht tot vaststelling van een programma, bedoeld in, treffen de volgende bestuursorganen of instanties maatregelen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde: a. voor bij omgevingsverordening aangewezen wegen: gedeputeerde staten; b. artikel 18, eerste lid, van de Wet lokaal spoor voor bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorwegen: de op grond vanaangewezen beheerder; c. voor bij ministeriële regeling aangewezen wegen: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; en d. artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet voor bij ministeriële regeling aangewezen hoofdspoorwegen: de beheerder, bedoeld in. 2 artikel 2.12a van de wet artikel 3.10 van de wet Voor een industrieterrein geeft het college van burgemeester en wethouders, of, als toepassing is gegeven aan, geven gedeputeerde staten uitvoering aandoor: a. maatregelen te treffen, gericht op het voldoen aan een geluidproductieplafond als omgevingswaarde; of b. artikel 3.10, eerste lid, van de wet te voldoen aan de plicht, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.46 — Artikel 3.46 (afwijkend tijdstip en afwijkende termijn voor voldoen aan geluidproductieplafond)#
Artikel 3.46 (afwijkend tijdstip en afwijkende termijn voor voldoen aan geluidproductieplafond) 1 Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan worden bepaald dat aan het geluidproductieplafond wordt voldaan op het tijdstip dat een wijziging van de weg, de spoorweg of het industrieterrein of een maatregel aan of bij de weg, de spoorweg of het industrieterrein is gerealiseerd. 2 Als sprake is van bijzondere omstandigheden kan bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde worden bepaald dat gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaar niet aan dat geluidproductieplafond hoeft te worden voldaan. Daarbij kan worden bepaald: a. in welke mate en hoe lang het geluidproductieplafond mag worden overschreden; of b. dat geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen worden getroffen. 3 Paragraaf 3.5.4.2 is niet van toepassing als bij de vaststelling van een geluidproductieplafond alleen het in het eerste lid bedoelde tijdstip of de in het tweede lid bedoelde termijn wordt bepaald. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Artikel X van Stb. 2020/557 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 3.47 — Artikel 3.47 (toepassingsbereik)#
Artikel 3.47 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het treffen van geluidbeperkende maatregelen bij rijkswegen en hoofdspoorwegen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.48 — Artikel 3.48 (begripsbepalingen)#
Artikel 3.48 (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: geluidgevoelig cluster: een of meer bijeengelegen geluidgevoelige gebouwen die een significante vermindering van het geluid door een weg of spoorweg ondervinden door een aaneengesloten geluidbeperkende maatregel; geluidreductie: artikel 3.50 geluidreductie als bedoeld in; maatregelpunt: rekeneenheid waarin de kosten voor het treffen van de geluidbeperkende maatregel zijn uitgedrukt, bepaald volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels; reductiepunt: rekeneenheid voor de beoordeling van de financiële doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen voor een geluidgevoelig cluster; situatie zonder maatregelen: situatie waarin: a. artikel 3.29 een weg of spoorweg voldoet aan de eisen van; en b. geen geluidbeperkende maatregelen, waarvoor maatregelpunten gelden, zijn getroffen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.49 — Artikel 3.49 (bepalen financiële doelmatigheid)#
Artikel 3.49 (bepalen financiële doelmatigheid) 1 Een geluidbeperkende maatregel is financieel doelmatig als: a. het aantal maatregelpunten lager is dan het aantal reductiepunten voor het geluidgevoelige cluster waarvoor de maatregel is bedoeld; en b. de maatregel leidt tot een significante afname van het geluid op het geluidgevoelige cluster. 2 In afwijking van het eerste lid is een geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk alleen financieel doelmatig als deze, al dan niet in combinatie met maatregelen aan de bron, leidt tot een afname van het geluid op ten minste één geluidgevoelig gebouw met ten minste 5 dB. 3 In afwijking van het eerste lid is een geluidbeperkende maatregel niet financieel doelmatig als: a. deze de grootste geluidreductie oplevert voor het geluidgevoelige cluster; b. het aantal maatregelpunten voor de maatregel hoger is dan het aantal maatregelpunten voor een andere geluidbeperkende maatregel die een gelijke of nagenoeg gelijke geluidreductie voor het geluidgevoelige cluster oplevert; en c. de extra maatregelpunten in vergelijking met de andere geluidbeperkende maatregel niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie die door de maatregel wordt bereikt. 4 In afwijking van het eerste lid is een geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk niet financieel doelmatig als met de maatregel een bestaande geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk wordt vervangen die: a. niet ouder is dan tien jaar; b. niet hoger kan worden gemaakt; en c. een geluidreductie oplevert die nagenoeg gelijk is aan die van het nieuwe werk of bouwwerk. 5 In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid wordt de financiële doelmatigheid van een bij ministeriële regeling aangewezen geluidbeperkende maatregel bepaald door de werkelijke kosten van aanleg en onderhoud van die maatregel af te wegen tegen de geluidreductie die door de maatregel wordt bereikt, het aantal geluidgevoelige gebouwen waar de maatregel voor is bedoeld en de daaruit voortvloeiende waarde van het geluid. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.50 — Artikel 3.50 (bepalen geluidreductie)#
Artikel 3.50 (bepalen geluidreductie) 1 Geluidreductie is het verschil tussen: a. artikel 3.21, eerste lid, onder a het geluid op het geluidgevoelige gebouw als bedoeld in, in de situatie zonder maatregelen; en b. de hoogste van de volgende drie waarden: 1°. het geluid op het geluidgevoelige gebouw in de situatie dat er geluidbeperkende maatregelen zijn getroffen; 2°. het geluid op het geluidgevoelige gebouw bij volledige benutting van geluidproductieplafonds; en 3°. tabel 3.34 de standaardwaarde, bedoeld in. 2 artikel 3.21, eerste lid, onder a Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in, gelijkgesteld: elke 15 m geluidbelaste gevel van een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, onder b, c, of d, per bouwlaag. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.51 — Artikel 3.51 (bepalen reductiepunten voor geluidgevoelig cluster)#
Artikel 3.51 (bepalen reductiepunten voor geluidgevoelig cluster) 1 artikel 3.21, eerste lid, onder a Het aantal reductiepunten voor een geluidgevoelig cluster is de som van de reductiepunten voor alle geluidgevoelige gebouwen als bedoeld in, in dat geluidgevoelige cluster. 2 bijlage Va Het aantal reductiepunten per geluidgevoelig gebouw als bedoeld in het eerste lid is het aantal, bedoeld in. 3 artikel 3.50, tweede lid Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is, van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.52 — Artikel 3.52 (besluit over geluidwerende maatregelen; gevallen)#
Artikel 3.52 (besluit over geluidwerende maatregelen; gevallen) 1 De volgende bestuursorganen nemen in de daarbij bedoelde gevallen een besluit of, en zo ja welke geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw worden getroffen: a. het college van burgemeester en wethouders, als: 1°. artikel 3.28 naar aanleiding van de afweging, bedoeld in, geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de basisgeluidemissie of de grenswaarde ongedaan maken; 2°. artikel 3.35 3.36 3.37 3.41 bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde door een bestuursorgaan van de gemeente toepassing is gegeven aan,,of; 3°. artikel 5.78n 5.78o 5.78af in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toepassing is gegeven aan,of, derde lid, en het geluid op het geluidgevoelige gebouw hoger is dan het geluid op het tijdstip van de toepassing; of 4°. artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer het geluid op een geluidgevoelig gebouw toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld indat is vastgesteld door dit college of een door hem ingestelde bestuurscommissie; b. het dagelijks bestuur van een waterschap, als: 1°. artikel 3.28 naar aanleiding van de afweging, bedoeld in, geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de basisgeluidemissie of de grenswaarde ongedaan maken; of 2°. artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer het geluid op een geluidgevoelig gebouw toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld indat is vastgesteld door het algemeen bestuur of dagelijks bestuur van het waterschap; c. gedeputeerde staten, als: 1° 3.35 3.36 3.37 3.41 bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van de provincie toepassing is gegeven aan artikel,,of; of 2°. artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of waterschapsweg toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld indat door hen is vastgesteld; d. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, als: 1°. artikel 3.35 3.36 3.37 3.41 bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van het Rijk toepassing is gegeven aan,,of; of 2°. artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of waterschapsweg toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld indat door hem is vastgesteld. 2 In afwijking van het eerste lid wordt het besluit, als sprake is van een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, genomen door het bevoegd gezag voor dat besluit of, als dat een andere minister is, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 In afwijking van het eerste lid, onder a, b en c, en het tweede lid, wordt het besluit over een geluidgevoelig gebouw dat gelegen is buiten het grondgebied van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de geluidbron gelegen is, genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 3.53 — Artikel 3.53 (geluidwerende maatregelen)#
Artikel 3.53 (geluidwerende maatregelen) 1 Tot het treffen van geluidwerende maatregelen wordt besloten als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53. Tabel 3.53: Grenswaarde in geluidgevoelige ruimten (binnenwaarde) Gebouw in het geluidaandachtsgebied van rijkswegen of hoofdspoorwegen Gebouw in het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, lokale spoorwegen of industrieterreinen den Binnenwaarde in L paragraaf 12.1.6 Geluidgevoelig gebouw waarvoor de bouwvergunning is afgegeven voor 1 januari 1982 waarvoorwordt of is uitgevoerd 41 of Geluidgevoelig gebouw waarvoor de bouwvergunning is afgegeven voor 1 januari 1982 en dat ligt langs een weg die in gebruik is genomen voor 1 januari 1982 of langs een spoorweg die in gebruik is genomen voor 1 juli 1987 Wet geluidhinder geluidgevoelig gebouw dat eerder op grond van devanwege het geluid door wegen of spoorwegen op kosten van het Rijk is gesaneerd of artikel 111b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder artikel 2.5, aanhef en onder b, van het Besluit geluidhinder woning als bedoeld in, en ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in, zoals die artikelen luidden voor inwerkingtreding van dit besluit artikel 5.23a, aanhef en onder b, van het Besluit bouwwerken leefomgeving Geluidgevoelig gebouw dat door wijziging van de gebruiksfunctie geluidgevoelig is geworden en waarvooris toegepast Ander geluidgevoelig gebouw 36 2 Geluidwerende maatregelen leiden tot een karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een geluidgevoelige ruimte die ten minste 3 dB groter is dan het verschil tussen het gezamenlijke geluid en de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53. 3 Besloten kan worden geen geluidwerende maatregelen te treffen die voldoen aan het tweede lid als zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard bestaan tegen het treffen van die maatregelen, mits, als andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidwering zoveel mogelijk te verbeteren, die andere maatregelen wel worden getroffen. 4 Besloten kan worden geen of minder geluidwerende maatregelen te treffen als: a. de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw geen medewerking verleent aan het onderzoek naar het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen zijn gebouw en naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; b. de eigenaar geen medewerking verleent aan het treffen van geluidwerende maatregelen; c. het geluidgevoelige gebouw gebreken heeft die in de weg staan aan het treffen van de geluidwerende maatregelen en de eigenaar van het gebouw deze niet tijdig heeft hersteld; d. aannemelijk is dat het geluidgevoelige gebouw binnen vijf jaar wordt onteigend of gesloopt of binnen vijf jaar het omgevingsplan wordt gewijzigd zodat op die locatie geen geluidgevoelig gebouw meer is toegelaten; of e. artikel 3.35 3.36 3.37 het geluid door een geluidbronsoort waarvoor toepassing is gegeven aan,often minste 6 dB lager is dan het gezamenlijke geluid. 5 Een gebrek als bedoeld in het vierde lid, onder c, is in ieder geval: a. hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving het niet voldoen aan de eisen van, voor zover het gaat om geluidgevoelige ruimten of de bereikbaarheid daarvan; b. ontbrekende of buiten werking gestelde geluidwerende voorzieningen die eerder van overheidswege zijn aangebracht; of c. een zodanige mate van achterstallig onderhoud dat deze redelijkerwijs in de weg staat aan het treffen van de maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.54 — Artikel 3.54 (wijziging besluit over geluidwerende maatregelen)#
Artikel 3.54 (wijziging besluit over geluidwerende maatregelen) Een besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen wordt in ieder geval gewijzigd in een besluit om geen geluidwerende maatregelen te treffen als de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw: a. een door hem verleende toestemming tot het treffen van maatregelen intrekt; of b. de voor het treffen van de maatregelen noodzakelijke medewerking niet verleent. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.55 — Artikel 3.55 (hoogst toelaatbare concentraties)#
Artikel 3.55 (hoogst toelaatbare concentraties) artikel 19.9a van de wet bijlage Vb De ten hoogste toelaatbare concentraties van stoffen waarbij in ieder geval sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid, bedoeld in, zijn de concentraties, bedoeld in, waarbij de berekende concentratie overeenkomt met het levenslang gemiddelde blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico humaan, uitgedrukt in microgram per kilogram lichaamsgewicht per dag. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.56 — Artikel 3.56 (rekening houden met economische, sociale, culturele en lokale omstandigheden)#
Artikel 3.56 (rekening houden met economische, sociale, culturele en lokale omstandigheden) Onverminderd de bij dit besluit voor taken en bevoegdheden op het gebied van de natuurbescherming en het beheer van natuurgebieden gestelde regels, houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening daarvan rekening met de economische, sociale en culturele belangen, en met de regionale en lokale bijzonderheden. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.57 — Artikel 3.57 (maatregelen voor behoud of herstel habitats en soorten)#
Artikel 3.57 (maatregelen voor behoud of herstel habitats en soorten) 1 Het provinciebestuur draagt zorg voor het treffen van de maatregelen die nodig zijn voor: a. de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle in Nederland van nature in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; b. het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn, van de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, genoemd in bijlage I bij de habitatrichtlijn, en van de in Nederland voorkomende habitats van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; en c. artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten, genoemd in de rode lijsten, bedoeld in. 2 De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn zodanig afgestemd op de maatregelen van de provinciebesturen van de andere provincies, dat tezamen met die maatregelen de doelstellingen voor geheel Nederland kunnen worden bereikt. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.58 — Artikel 3.58 (eisen aan aanwijzingsbesluit)#
Artikel 3.58 (eisen aan aanwijzingsbesluit) 1 artikel 2.44, eerste lid, van de wet Een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied als bedoeld inbevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval: a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn. 2 In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.59 — Artikel 3.59 (instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen)#
Artikel 3.59 (instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen) artikel 2.19, vierde lid, van de wet artikel 3.62 Het provinciebestuur of, in de gevallen, bedoeld in, Onze inaangewezen Minister, draagt zorg voor het treffen van de voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied of het onder zijn taak vallende gedeelte daarvan nodige: a. instandhoudingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; en b. passende maatregelen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn, waaronder: 1°. artikel 2.45, eerste lid, van de wet het besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied op grond vante beperken of te verbieden; 2°. artikel 10.10b van de wet de feitelijke handelingen, bedoeld in; en 3°. het in en rondom een Natura 2000-gebied aanbrengen van de nodige kentekenen die de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.60 — Artikel 3.60 (toegangsbeperking)#
Artikel 3.60 (toegangsbeperking) 1 artikel 2.45, eerste lid, van de wet De toegang tot een Natura 2000-gebied wordt niet op grond vanbeperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door de beperking of het verbod de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd. 2 In een besluit om de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.61 — Artikel 3.61 (begrenzing gebied bij compenserende maatregelen)#
Artikel 3.61 (begrenzing gebied bij compenserende maatregelen) artikel 8.74b, tweede lid, onder c 10.24, tweede lid, onder c Als een compenserende maatregel als bedoeld in, of, voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, zorgt Onze Minister voor Natuur en Stikstof ervoor dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.62 — Artikel 3.62 (aanwijzing voor maatregelen verantwoordelijke ministers)#
Artikel 3.62 (aanwijzing voor maatregelen verantwoordelijke ministers) artikel 2.18, eerste lid, onder f, onder 2°, van de wet De zorg voor het nemen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan als bedoeld inberust bij: a. bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat een oppervlaktewaterlichaam is dat is aangewezen in; b. Onze Minister van Defensie, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat voor militaire doeleinden wordt gebruikt; c. Onze Minister voor Natuur en Stikstof: 1°. voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan die, genoemd onder a en b; of 2°. artikel 2.45, eerste lid, van de wet als het gaat om de maatregelen, bedoeld in, voor een Natura 2000-gebied of gedeelte daarvan dat wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.63 — Artikel 3.63 (aanwijzing – gevallen waarin)#
Artikel 3.63 (aanwijzing – gevallen waarin) artikel 2.44, tweede lid, van de wet Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld inwordt alleen genomen, als: a. het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn; b. het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de habitatrichtlijn; c. artikel 8.74b, tweede lid, onder c 10.24, tweede lid, onder c in het gebied leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats van soorten worden ontwikkeld of verbeterd ter uitvoering van een compenserende maatregel als bedoeld in, of; of d. bescherming van het gebied nodig is voor: 1°. de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden voor in Nederland natuurlijk in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; of 2°. het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten of de soorten, genoemd in respectievelijk bijlage I, II, IV of V bij de habitatrichtlijn. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.64 — Artikel 3.64 (eisen aanwijzingsbesluit)#
Artikel 3.64 (eisen aanwijzingsbesluit) 1 artikel 2.44, tweede lid, van de wet Een besluit tot aanwijzing van een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld inbevat instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval: a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de vogelrichtlijn; of b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de habitatrichtlijn. 2 In het besluit wordt de geometrische begrenzing van het gebied vastgelegd. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.65 — Artikel 3.65 (toegangsbeperking)#
Artikel 3.65 (toegangsbeperking) 1 artikel 2.45, derde of vierde lid, van de wet Een besluit om de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied op grond vante beperken of te verbieden wordt genomen als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2 De toegang wordt niet beperkt of verboden voor de eigenaar van een in het gebied gelegen onroerende zaak en voor degene die een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht heeft, voor zover door de beperking of het verbod de toegang tot de onroerende zaak ernstig zou worden belemmerd. 3 In het besluit om de toegang te beperken of te verbieden wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het gebied waarvoor de beperking of het verbod geldt. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.66 — Artikel 3.66 (instandhoudingsmaatregelen)#
Artikel 3.66 (instandhoudingsmaatregelen) artikel 10.10b van de wet Feitelijke handelingen als bedoeld inworden verricht als dat nodig is voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, en omvatten zo nodig het aanbrengen in en rondom een bijzonder nationaal natuurgebied van de nodige kentekenen die de aanwijzing als bijzonder nationaal natuurgebied en de rechtsgevolgen daarvan kenbaar maken. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.67 — Artikel 3.67 (provinciale taak exoten en verwilderde dieren)#
Artikel 3.67 (provinciale taak exoten en verwilderde dieren) 1 bijlage VC Gedeputeerde staten dragen zorg voor het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 20 van de invasieve-exoten-basisverordening met betrekking tot de ingenoemde soorten. 1 bijlage VC Als er ineen datum wordt genoemd, geldt de in het eerste lid bedoelde taak met ingang van die datum. 3 bijlage VC Bestrijding van uitheemse dieren, niet behorende tot de ingenoemde soorten, en bestrijding van verwilderde dieren vindt alleen plaats als dat nodig is: a. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom; c. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang; d. voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; e. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; of f. in het algemeen belang. 2026 13 30-01-2026 21-01-2026 2026 13 30-01-2026 21-01-2026 31-01-2026 Abusievelijk publiceert het Staatsblad een tweede lid 1.
Artikel 3.68 — Artikel 3.68 (aanwijzing nationaal park)#
Artikel 3.68 (aanwijzing nationaal park) 1 Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan een gebied als nationaal park aanwijzen, als: a. het een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van ten minste 1.000 ha betreft: 1°. waarin zich een of meer ecosystemen bevinden die niet wezenlijk zijn aangetast door menselijk gebruik; 2°. waarin zich dier- en plantensoorten, geomorfologische locaties en habitats bevinden die een bijzonder natuurwetenschappelijk, educatief en recreatief belang vertegenwoordigen; of 3°. dat een natuurlijk landschap van grote schoonheid omvat; b. het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied is verzekerd; c. het gebied is opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied; en d. het gebied zich duidelijk onderscheidt van eerder aangewezen nationale parken. 2 Aanwijzing gebeurt alleen op verzoek van gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin het gebied ligt. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.69 — Artikel 3.69 (aanwijzing bevoegde instantie)#
Artikel 3.69 (aanwijzing bevoegde instantie) 1 Onze Minister voor Natuur en Stikstof is de bevoegde instantie voor de uitvoering als de aanwijzing daarvan wordt vereist door een EU-verordening of -richtlijn over: a. het verhandelen of om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten, hout of producten daarvan; of b. bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten als bedoeld in. 2 Het eerste lid is alleen van toepassing als Onze Minister voor Natuur en Stikstof geen andere instantie als bevoegde instantie heeft aangewezen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.70 — Artikel 3.70 (verstrekking fytosanitaire certificaten en etiketten voor cites)#
Artikel 3.70 (verstrekking fytosanitaire certificaten en etiketten voor cites) Onze Minister voor Natuur en Stikstof verstrekt op aanvraag: a. voor planten van bij ministeriële regeling aangewezen soorten fytosanitaire certificaten in overeenstemming met artikel 17, tweede lid, van de cites-uitvoeringsverordening; en b. etiketten als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.71 — Artikel 3.71 (erkenning examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien)#
Artikel 3.71 (erkenning examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien) 1 artikelen 11.87 tot en met 11.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkent een examen voor een jachtgeweeractiviteit, een examen voor een valkeniersactiviteit en een examen voor het gebruik van een eendenkooi alleen als de examens voldoen aan de eisen in de. 2 Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst de examens aan die zijn erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en die gelijkwaardig zijn aan een door hem erkend examen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.72 — Artikel 3.72 (erkenning organisatie examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien)#
Artikel 3.72 (erkenning organisatie examens gebruik jachtgeweer, roofvogels en eendenkooien) artikel 11.91 van het Besluit activiteiten leefomgeving Onze Minister voor Natuur en Stikstof erkent een organisatie die examens voor een jachtgeweeractiviteit, examens voor een valkeniersactiviteit of examens voor het gebruik van een eendenkooi afneemt alleen als de organisatie voldoet aan de eisen in. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.73 — Artikel 3.73 (aanwijzing certificatie-instellingen gasverbrandingsinstallaties)#
Artikel 3.73 (aanwijzing certificatie-instellingen gasverbrandingsinstallaties) In deze afdeling wordt verstaan onder: a. certificaat, certificatie-instelling en certificatieschema: artikel 3, eerste lid, van de Woningwet conformiteitsverklaring, conformiteitsbeoordelingsinstantie en conformiteitsbeoordelingsdocument als bedoeld in; b. certificaathouder: artikel 6.44 van het Besluit bouwwerken leefomgeving certificaathouder als bedoeld in. 2020 348 25-09-2020 14-09-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.74 — Artikel 3.74 (aanwijzing certificatie-instellingen)#
Artikel 3.74 (aanwijzing certificatie-instellingen) 1 artikel 3.75, eerste lid Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan een certificatie-instelling op aanvraag aanwijzen voor het afgeven van certificaten voor een op grond van, aangewezen certificatieschema. De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag. 2 Een certificatie-instelling wordt alleen aangewezen als deze: a. is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065; b. rechtspersoonlijkheid bezit; c. onafhankelijk is van de door haar beoordeelde organisaties, processen, diensten of producten; d. beschikt over voldoende kennis en deskundigheid en is toegerust om de taken naar behoren uit te oefenen; e. beschikt over een administratie waarin de gegevens over de uitoefening van haar taken op een systematische wijze worden vastgelegd; f. verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid voor risico’s die voortvloeien uit de uitoefening van haar taken; g. beschikt over een adequate klachtenregeling; h. in staat is te beslissen op bezwaarschriften; en i. artikel 11.26 in staat is te voldoen aan rapportage- en informatieverplichtingen op grond van. 3 Een aanwijzing kan worden ingetrokken of geschorst als de certificatie-instelling: a. daarom verzoekt; b. in surseance van betaling verkeert of failliet is verklaard; of c. niet voldoet aan de voorschriften die zijn verbonden aan de aanwijzing of aan de regels, gesteld in of krachtens deze afdeling. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het indienen van een aanvraag en de gegevens die bij een aanvraag moeten worden verstrekt. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden waarop en de voorwaarden waaronder Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een certificatie-instelling kan aanwijzen, de aanwijzing kan wijzigen, weigeren, schorsen of intrekken, de voorschriften die aan een aanwijzing kunnen worden verbonden en de termijn waarvoor een aanwijzing geldt of kan worden geschorst. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vergoeding die door een certificatie-instelling in rekening kan worden gebracht voor de aanvraag van een certificaat. 2020 348 25-09-2020 14-09-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 3.75 — Artikel 3.75 (aanwijzing certificatie-schema’s)#
Artikel 3.75 (aanwijzing certificatie-schema’s) 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan op aanvraag certificatieschema’s aanwijzen. De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2 artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie Een certificatieschema wordt slechts aangewezen als het door de nationale accreditatie-instantie, bedoeld in, is geëvalueerd en, voor zover van toepassing op de reikwijdte van het certificatieschema, het ter voorkoming van het vrijkomen van koolmonoxide in ieder geval eisen bevat over: a. de reikwijdte van de werkzaamheden waarop het certificatieschema betrekking heeft; b. artikel 6.45, tweede lid, onder a tot en met c, van het Besluit bouwwerken leefomgeving het op adequate wijze verrichten van werkzaamheden als bedoeld in; c. het op adequate wijze controleren van een gasverbrandingsinstallatie voordat deze in bedrijf wordt gesteld; d. artikel 6.45, tweede lid, onder d, van het Besluit bouwwerken leefomgeving de vakbekwaamheid van personen die werkzaamheden als bedoeld inverrichten, het actueel houden van het hiervoor benodigde kennisniveau en de wijze waarop dit kennisniveau wordt beoordeeld; e. het informeren van de certificatie-instelling over de inbedrijfstelling van gasverbrandingsinstallaties na afronding van werkzaamheden door de certificaathouder; f. de beschikbaarheid, het gebruik, het onderhoud en het beheer van meetinstrumenten en andere hulpmiddelen die bij de te verrichten werkzaamheden worden gebruikt; g. het buiten bedrijf stellen van gasverbrandingsinstallaties als wordt vastgesteld dat bij het gebruik ervan koolmonoxide vrijkomt; en h. de wijze waarop medewerkers zich bij klanten moeten legitimeren. 3 Om in aanmerking te komen voor aanwijzing bevat een certificatieschema ook eisen over het toezicht door de certificatie-instelling op het handelen overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde eisen. Het certificatieschema bevat daartoe in ieder geval eisen over: a. de wijze waarop certificatie-instellingen gegevens over en van certificaathouders verwerken; b. artikel 6.45, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving de wijze, frequentie en omvang van de steekproefsgewijs uitgevoerde controles door de certificatie-instelling op de werkzaamheden als bedoeld in; c. de wijze, frequentie en omvang van audits bij de certificaathouder door de certificatie-instelling ten behoeve van de toetsing van het administratieve kwaliteitssysteem; d. de wijze waarop wordt omgegaan met niet-naleving van de eisen door certificaathouders; en e. het afwijzen van een aanvraag voor het verkrijgen van een certificaat of het schorsen of intrekken van een certificaat als de aanvrager van het certificaat respectievelijk certificaathouder in surseance van betaling verkeert of failliet is verklaard. 4 In het geval dat een certificatieschema alleen betrekking heeft op werkzaamheden aan rookgasafvoervoorzieningen of verbrandingsluchttoevoervoorzieningen zijn de eisen genoemd in het tweede lid, onder d en e, niet van toepassing en kan het schema, in afwijking van het tweede lid, onder c, de eis bevatten dat alleen de rookgasafvoervoorzieningen of de verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en de aansluiting daarvan op de andere onderdelen van de gasverbrandingsinstallatie worden gecontroleerd. 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de aanwijzing en inhoud van certificatieschema’s; b. het indienen van een aanvraag voor een aanwijzing van een certificatieschema en de gegevens die bij een aanvraag dienen te worden verstrekt; en c. de gronden waarop en de voorwaarden waaronder Onze van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een certificatieschema kan aanwijzen, de aanwijzing kan weigeren, wijzigen, schorsen of intrekken, de voorschriften die aan een aanwijzing kunnen worden verbonden en de termijn waarvoor een aanwijzing kan worden verleend of geschorst. 2020 348 25-09-2020 14-09-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024 Abusievelijk is voor het vijfde lid, onder c, een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 3.76 — Artikel 3.76 (toepassingsbereik)#
Artikel 3.76 (toepassingsbereik) artikel 7ad, eerste lid, van de Woningwet Deze afdeling is van toepassing op het toelaten van instrumenten voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen als bedoeld in. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.77 — Artikel 3.77 (beoordelingsregels instrumenten voor kwaliteitsborging)#
Artikel 3.77 (beoordelingsregels instrumenten voor kwaliteitsborging) 1 De toelatingsorganisatie beslist binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag om toelating van een instrument voor kwaliteitsborging tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen. 2 artikelen 3.80 tot en met 3.87 Een instrument voor kwaliteitsborging wordt alleen tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen toegelaten als het voldoet aan de. 3 artikelen 3.80 tot en met 3.87 Op aanvraag van de instrumentaanbieder kan de toelating van een instrument voor kwaliteitsborging worden gewijzigd. Dezijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot wijziging van de toelating. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.78 — Artikel 3.78 (vergoeding behandeling aanvraag en register)#
Artikel 3.78 (vergoeding behandeling aanvraag en register) 1 artikel 7ai, eerste lid, onder a tot en met c, van de Woningwet De instrumentaanbieder betaalt een vergoeding aan de toelatingsorganisatie voor de kosten die samenhangen met het behandelen van een aanvraag om toelating van een instrument voor kwaliteitsboring tot het stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen en het bijhouden van de gegevens in het register, bedoeld in. 2 De toelatingsorganisatie stelt jaarlijks tarieven vast, evenals de wijze van betaling daarvan, voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.79 — Artikel 3.79 (verdeelsleutel en doorberekenen toezichtkosten)#
Artikel 3.79 (verdeelsleutel en doorberekenen toezichtkosten) 1 artikel 7an, tweede lid, van de Woningwet Instrumentaanbieders dragen gezamenlijk voor een vierde deel bij aan de kosten van de toelatingsorganisatie, bedoeld in. 2 De toelatingsorganisatie stelt jaarlijks een tarief vast waarmee zij de individuele bijdrage van een instrumentaanbieder jaarlijks achteraf vaststelt op basis van de inzet van het instrument voor kwaliteitsborger geteld naar het aantal bouwprojecten en, in het geval van een woningbouwproject, geteld naar het aantal woningen. 3 Bij ministeriële regeling wordt een rekenmethodiek vastgesteld voor het bepalen van de individuele bijdrage, bedoeld in het tweede lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.80 — Artikel 3.80 (borgingsplan)#
Artikel 3.80 (borgingsplan) 1 hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de kwaliteitsborger voor het begin van de bouwwerkzaamheden een borgingsplan vaststelt dat is gebaseerd op een beoordeling van de bouwtechnische risico’s met het oog op het voldoen aan de regels, bedoeld in deen. 2 hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving In het borgingsplan wordt vastgesteld welke maatregelen getroffen zijn om de in het eerste lid genoemde bouwtechnische risico’s te voorkomen of te beperken, op welke wijze het ontwerp van het bouwplan en de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoen aan de regels, bedoeld in deen, en wordt vastgesteld op welke momenten de kwaliteitsborging wordt uitgevoerd. 3 Het borgingsplan beschrijft ten minste: a. de totstandkoming ervan; b. de aard en omvang van de uit te voeren kwaliteitsborging; c. de voor de kwaliteitsborging eindverantwoordelijke personen; d. de wijze waarop de verschillende onderdelen van het bouwplan in samenhang worden beoordeeld; e. hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving de wijze waarop integraal wordt beoordeeld of de bouwwerkzaamheden voldoen aan de regels, bedoeld in deen; f. in welke gevallen en op welke momenten het borgingsplan wordt geactualiseerd; g. artikel 2.14, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 2.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving welke normen of kwaliteitsverklaringen bouw als bedoeld in, dan wel gelijkwaardige maatregelen als bedoeld inbij de bouwwerkzaamheden worden toegepast; h. op welke specifieke bouwwerkzaamheden, rekening houdend met de bijzonder lokale omstandigheden, de beoordeling ten minste is gericht, en i. bij welke bouwwerkzaamheden rekening wordt gehouden met andere kwaliteitsborgingssystemen. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.81 — Artikel 3.81 (geen toestemming toepassing instrument)#
Artikel 3.81 (geen toestemming toepassing instrument) 1 Een instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de instrumentaanbieder geen toestemming verleent het instrument toe te passen, als de aanvrager failliet is of in surseance van betaling verkeert. 2 Een instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat een verleende toestemming het instrument toe te passen: a. wordt geschorst als de kwaliteitsborger in surseance van betaling verkeert; b. wordt ingetrokken als de kwaliteitsborger failliet wordt verklaard. 3 Een instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat een toestemming om het instrument voor kwaliteitsborging toe te passen niet overdraagbaar is. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.82 — Artikel 3.82 (onafhankelijkheid kwaliteitsborger)#
Artikel 3.82 (onafhankelijkheid kwaliteitsborger) Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de kwaliteitsborging alleen uitgevoerd wordt door een kwaliteitsborger die niet organisatorisch, financieel of juridisch betrokken is bij het betreffende bouwproject, tenzij deze betrokkenheid alleen voortvloeit uit de overeenkomst tot het uitvoeren van de kwaliteitsborging. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.83 — Artikel 3.83 (opleiding, kennis en ervaring kwaliteitsborger)#
Artikel 3.83 (opleiding, kennis en ervaring kwaliteitsborger) 1 Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de personen die de kwaliteitsborging uitvoeren, voldoen aan de in het instrument gestelde eisen aan het benodigde kennis- en opleidingsniveau en aan de genoten ervaring over: a. hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving het opstellen van risicobeoordelingen op het terrein van de regels, bedoeld in deen; b. de algemene coördinatie bij de kwaliteitsborging; c. constructieve veiligheid; d. brandveiligheid; e. bouwfysica; f. installaties, en g. controle op de bouw. 2 Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat het kennis- en opleidingsniveau van degene die de kwaliteitsborging uitvoert, actueel gehouden wordt. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het bepaalde in het eerste en tweede lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.84 — Artikel 3.84 (administratieve organisatie kwaliteitsborger)#
Artikel 3.84 (administratieve organisatie kwaliteitsborger) 1 Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor op welke wijze een kwaliteitsborger de eisen voor de toepassing ervan in zijn administratieve organisatie opneemt en ziet ten minste op: a. het vastleggen van de gegevens van de rechtspersoon of natuurlijk persoon die eindverantwoordelijk is voor de kwaliteitsborging; b. artikel 3.83 het vastleggen van de gegevens van de personen die de kwaliteitsborging feitelijk uitvoeren en de wijze waarop gewaarborgd wordt dat zij aan de krachtensgestelde kennis-, opleidings- en ervaringseisen voldoen; c. het vastleggen van de wijze waarop informatie over de kwaliteitsborging en de vermelding van de daarvoor verantwoordelijke personen actueel gehouden wordt; d. het bijhouden van een ordentelijke administratie van de gegevens en bescheiden over de kwaliteitsborging. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.85 — Artikel 3.85 (informatieverstrekking kwaliteitsborger aan instrumentaanbieder)#
Artikel 3.85 (informatieverstrekking kwaliteitsborger aan instrumentaanbieder) 1 Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de kwaliteitsborger ten minste de volgende gegevens verstrekt aan de instrumentaanbieder: a. bedrijfsnaam en plaats van vestiging en het nummer van inschrijving van de kwaliteitsborger in het handelsregister; b. artikelen 3.80 tot en met 3.84 gegevens waaruit blijkt dat de kwaliteitsborger voldoet aan de eisen, bedoeld in de; c. gegevens over de bouwprojecten waarvoor de kwaliteitsborger het instrument toepast; d. gegevens over de afronding van de kwaliteitsborging. 2 Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft op welke momenten de in het eerste lid bedoelde gegevens worden verstrekt. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het bepaalde in het eerste lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.86 — Artikel 3.86 (informatieverstrekking kwaliteitsborger aan de bouwpartijen en bevoegd gezag)#
Artikel 3.86 (informatieverstrekking kwaliteitsborger aan de bouwpartijen en bevoegd gezag) 1 hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de kwaliteitsborger, voor zover van toepassing, zijn opdrachtgever en de andere bij de bouwwerkzaamheden betrokken partijen onverwijld informeert over bij de kwaliteitsborging geconstateerde afwijkingen van regels als bedoeld in deen, en dat hij ook het bevoegd gezag informeert als de afwijkingen het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid in de weg staan. 2 Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat de kwaliteitsborger na de afronding van de bouwwerkzaamheden aan zijn opdrachtgever een verklaring afgeeft, waarin hij, voor zover van toepassing, verklaart dat: a. hij toestemming heeft van de instrumentaanbieder het instrument toe te passen; b. hij de kwaliteitsborging heeft uitgevoerd volgens de in het instrument gestelde eisen; c. hoofdstukken 4 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving er naar zijn oordeel een gerechtvaardigd vertrouwen is dat het resultaat van de bouwactiviteit voldoet aan de regels, bedoeld in deen. 3 Een instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat een kopie van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt verstrekt aan de andere bij de bouwwerkzaamheden betrokken partijen. 4 Voor de verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt bij ministeriële regeling een formulier vastgesteld. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 3.87 — Artikel 3.87 (maatregelen instrumentaanbieder)#
Artikel 3.87 (maatregelen instrumentaanbieder) 1 Een instrument voor kwaliteitsborging beschrijft de werkwijze van de instrumentaanbieder over: a. periodieke onderzoeken naar de toepassing van het instrument volgens de in het instrument gestelde eisen; b. de wijze waarop geschillen tussen de instrumentaanbieder en de kwaliteitsborger en tussen de kwaliteitsborger en zijn opdrachtgever worden behandeld; c. de behandeling van klachten over de toepassing van het instrument en het oplossen van fouten bij de toepassing ervan. 2 Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft in welke gevallen de kwaliteitsborger een waarschuwing wordt gegeven, de toestemming het instrument toe te passen wordt geschorst of ingetrokken, als uit de in het eerste lid bedoelde onderzoeken blijkt dat bij de kwaliteitsborging in strijd met de in het instrument gestelde eisen is gehandeld. 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste en tweede lid. 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.1 — Artikel 4.1 (bestuursorgaan voor programma’s bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde)#
Artikel 4.1 (bestuursorgaan voor programma’s bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde) artikel 3.10, eerste lid, van de wet In afwijking vanstellen de volgende bestuursorganen een programma vast als aannemelijk is dat niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan de daarbij bedoelde omgevingswaarden: a. gedeputeerde staten als het gaat om: 1°. artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder c en d de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, bedoeld in; of 2°. artikel 2.4, tweede lid de omgevingswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in; en b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat als het gaat om: 1°. 2,5 artikel 2.5, tweede lid, aanhef en onder b en c de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in; 2°. artikel 2.7 de omgevingswaarden voor ozon, bedoeld in; of 3°. 2,5 artikel 2.8a de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan, ammoniak en PM, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.2 — Artikel 4.2 (eisen aan programma’s bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde)#
Artikel 4.2 (eisen aan programma’s bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde) 1 artikelen 2.3 tot en met 2.7 artikel 3.10, eerste lid, van de wet Als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de, bevat een programma als bedoeld inde gegevens, bedoeld in bijlage XV, deel A, bij de richtlijn luchtkwaliteit. 2 artikelen 2.3 2.4 2.5, eerste lid, en tweede lid, onder a en b 2.6 Als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de,,, en, bevat een programma passende maatregelen, zodat binnen een zo kort mogelijke periode aan de omgevingswaarde wordt voldaan. 3 Een programma gericht op het voldoen aan de volgende omgevingswaarden bevat de daarbij bedoelde maatregelen: a. 2,5 artikel 2.5, tweede lid, aanhef en onder c als het gaat om de omgevingswaarde voor PM, bedoeld in: alle nodige maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen; b. als het gaat om de omgevingswaarden voor ozon: 1°. artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a en c bedoeld in: alle nodige maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen; 2°. artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder b en d bedoeld in: kosteneffectieve maatregelen, als wel wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a respectievelijk c; en c. artikel 2.8, eerste lid als het gaat om de omgevingswaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen, bedoeld in: alle nodige maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen, met name gericht op de grootste emissiebronnen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.2a — Artikel 4.2a (eisen aan nationaal nec-programma)#
Artikel 4.2a (eisen aan nationaal nec-programma) Het nationale nec-programma bevat de gegevens en maatregelen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de nec-richtlijn in overeenstemming met bijlage III bij die richtlijn. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.3 — Artikel 4.3 (waterbeheerprogramma)#
Artikel 4.3 (waterbeheerprogramma) Een waterbeheerprogramma bevat: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn, in samenhang met artikel 11 van de kaderrichtlijn water; c. maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s; en d. maatregelen als bedoeld in de artikelen 8, vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld onder a of b. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.4 — Artikel 4.4 (regionaal waterprogramma)#
Artikel 4.4 (regionaal waterprogramma) 1 3 In een regionaal waterprogramma wordt in ieder geval vastgelegd de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking voor regionale wateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 mwater wordt onttrokken, of van waaruit water wordt onttrokken voor meer dan 50 personen. 2 Een regionaal waterprogramma bevat de aanwijzing van: a. krw-oppervlaktewaterlichamen die niet in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde krw-oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen in overeenstemming met artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water; b. grondwaterlichamen; en c. waterwinlocaties gelegen in een: 1°. krw-oppervlaktewaterlichaam; en 2°. grondwaterlichaam. 3 Een regionaal waterprogramma bevat: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn, in samenhang met artikel 11, van de kaderrichtlijn water; c. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s; en d. maatregelen als bedoeld in de artikelen 8, vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld onder a of b. 4 De onderdelen van een regionaal waterprogramma die uitvoering geven aan de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s vormen afzonderlijke delen van dat programma. Hieronder vallen in ieder geval de maatregelen, bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.4a — Artikel 4.4a (goed ecologisch potentieel in regionaal waterprogramma)#
Artikel 4.4a (goed ecologisch potentieel in regionaal waterprogramma) artikel 4.4, tweede lid, onder a artikel 2.12, eerste lid Als in een regionaal waterprogramma voor een op grond van, aangewezen kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam, een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, wordt vastgesteld, gebeurt dat, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het krw-oppervlaktewaterlichaam: a. zoveel mogelijk in overeenstemming met de definities voor de biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen van de goede ecologische toestand van de meest vergelijkbare typen natuurlijk krw-oppervlaktewaterlichaam; en b. met inachtneming van de definities van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in bijlage V, paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.5 — Artikel 4.5 (overzicht toestandsklasse regionaal waterprogramma)#
Artikel 4.5 (overzicht toestandsklasse regionaal waterprogramma) Een regionaal waterprogramma bevat een overzicht van de toestandsklasse per stof en kwaliteitselement van elk krw-oppervlaktewaterlichaam en grondwaterlichaam, waarop het programma betrekking heeft, bepaald over de voorgaande programmaperiode. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.6 — Artikel 4.6 (stroomgebiedsbeheerplan)#
Artikel 4.6 (stroomgebiedsbeheerplan) Een stroomgebiedsbeheerplan bevat: a. de informatie, bedoeld in bijlage VII bij de kaderrichtlijn water en de artikelen 3, vijfde en zesde lid, 4, vierde lid, en 5, vierde en vijfde lid, van en bijlage II, deel C, bij de grondwaterrichtlijn over het Nederlandse deel van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems; b. de informatie, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn prioritaire stoffen en de inventaris, bedoeld in artikel 5 van die richtlijn; en c. artikel 4.12, eerste lid, onder c een overzicht van de uitzonderingen, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de grondwaterrichtlijn, waar op grond van, gebruik van is gemaakt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.7 — Artikel 4.7 (overstromingsrisicobeheerplan)#
Artikel 4.7 (overstromingsrisicobeheerplan) 1 Een overstromingsrisicobeheerplan voldoet aan artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s en bevat de doelstellingen en maatregelen als bedoeld in dat artikel voor het Nederlandse deel van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. 2 Het plan heeft geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.8 — Artikel 4.8 (programma van maatregelen mariene strategie)#
Artikel 4.8 (programma van maatregelen mariene strategie) 1 Het programma van maatregelen mariene strategie dat voor de Nederlandse mariene wateren wordt vastgesteld, voldoet aan de artikelen 13, eerste tot en met vierde lid, zevende en achtste lid, en 14 van de kaderrichtlijn mariene strategie. 2 artikel 3.1, aanhef en onder b Het programma bevat de maatregelen om de goede milieutoestand, bedoeld in, te bereiken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.9 — Artikel 4.9 (maritiem ruimtelijk plan)#
Artikel 4.9 (maritiem ruimtelijk plan) 1 Het maritiem ruimtelijk plan ziet op de Nederlandse mariene wateren, met uitzondering van de kustwateren, bedoeld in artikel 2, onder 7, van de kaderrichtlijn water, of delen daarvan, die gemeentelijk of provinciaal zijn ingedeeld en waarvan in het maritiem ruimtelijk plan is vermeld dat het plan niet op die wateren ziet. 2 Het maritiem ruimtelijk plan beoogt in overeenstemming met artikel 5 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning bij te dragen aan de in dat artikel bedoelde doelstellingen. 3 In het maritiem ruimtelijk plan wordt de ruimtelijke en temporele verdeling van bestaande en toekomstige activiteiten en maatschappelijke functies in de Nederlandse mariene wateren geïdentificeerd, waarbij onverminderd artikel 2, derde lid, van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning de relevante wisselwerkingen van activiteiten en maatschappelijke functies in aanmerking worden genomen. 4 Het maritiem ruimtelijk plan bevat een weergave van de procedurele stappen die zijn of worden genomen om aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, bij te dragen, waarbij rekening wordt gehouden met relevante activiteiten in en maatschappelijke functies van de mariene wateren. Daarvoor bevat het maritiem ruimtelijk plan in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop in het kader van maritieme ruimtelijke planning: a. rekening is gehouden met: 1°. de bijzonderheden van de mariene regio waarvan de Noordzee deel uitmaakt; 2°. de relevante bestaande en toekomstige activiteiten en maatschappelijke functies en het effect daarvan op het milieu; 3°. de natuurlijke rijkdommen; 4°. de wisselwerking tussen land en zee; en 5°. de ecologische, economische, sociale en veiligheidsaspecten; b. ernaar wordt gestreefd de samenhang tussen maritieme ruimtelijke planning en andere planprocessen te bevorderen; c. in overeenstemming met artikel 10 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning het gebruik van de beste beschikbare gegevens, en de uitwisseling van informatie, is georganiseerd, en hoe daarbij gebruik is gemaakt van de relevante instrumenten en hulpmiddelen; en d. in overeenstemming met de artikelen 11 en 12 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning de grensoverschrijdende samenwerking heeft plaatsgevonden. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.10 — Artikel 4.10 (nationaal waterprogramma)#
Artikel 4.10 (nationaal waterprogramma) 1 In het nationale waterprogramma worden voor de rijkswateren in ieder geval de volgende maatschappelijke functies vastgelegd: a. 3 de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking voor rijkswateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 mwater wordt onttrokken, of van waaruit water wordt onttrokken voor meer dan 50 personen; en b. de maatschappelijke functie schelpdierwater. 2 Het nationale waterprogramma bevat de aanwijzing van: a. krw-oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk veranderde krw-oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen in overeenstemming met artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water; b. waterwinlocaties gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om een krw-oppervlaktewaterlichaam als bedoeld onder a; en c. schelpdierwateren in de krw-oppervlaktewaterlichamen, bedoeld onder a. 3 Het nationale waterprogramma bevat: a. maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water; b. maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn in samenhang met artikel 11 van de kaderrichtlijn water; c. doelstellingen en maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s; en d. maatregelen als bedoeld in de artikelen 8, vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor zover dit geen maatregelen zijn als bedoeld onder a of b. 4 De onderdelen van het nationale waterprogramma die uitvoering geven aan de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s vormen afzonderlijke delen van dat programma. Hieronder vallen in ieder geval de maatregelen, bedoeld in het derde lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.10a — Artikel 4.10a (goed ecologisch potentieel in nationaal waterprogramma)#
Artikel 4.10a (goed ecologisch potentieel in nationaal waterprogramma) artikel 4.10, tweede lid, onder a artikel 2.12, eerste lid Als in het nationale waterprogramma voor een op grond van, aangewezen kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, wordt vastgesteld, gebeurt dat, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het krw-oppervlaktewaterlichaam: a. zoveel mogelijk in overeenstemming met de definities voor de biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen van de goede ecologische toestand van de meest vergelijkbare typen natuurlijk krw-oppervlaktewaterlichaam; en b. met inachtneming van de definities van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in bijlage V, paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.11 — Artikel 4.11 (overzicht toestandsklasse nationaal waterprogramma)#
Artikel 4.11 (overzicht toestandsklasse nationaal waterprogramma) Het nationale waterprogramma bevat een overzicht van de toestandsklasse per stof en kwaliteitselement van elk krw-oppervlaktewaterlichaam, waarop het programma betrekking heeft, bepaald over de voorgaande programmaperiode. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.12 — Artikel 4.12 (waterprogramma's: vrijstellingen en uitzonderingen)#
Artikel 4.12 (waterprogramma's: vrijstellingen en uitzonderingen) 1 artikelen 4.4, derde lid, onder a tot en met c 4.10, derde lid Voor de in de regionale waterprogramma’s en het nationale waterprogramma op te nemen doelstellingen en maatregelen als bedoeld in de, en, kan gebruik worden gemaakt van: a. de mogelijkheden tot het verlenen van vrijstellingen of toestemmingen als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder e, laatste volzin, en onder j, van de kaderrichtlijn water; b. de mogelijkheden van artikel 6, tweede lid, van de grondwaterrichtlijn; en c. de mogelijkheid tot het toepassen van uitzonderingen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de grondwaterrichtlijn. 2 Als gebruik wordt gemaakt van een uitzondering als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, wordt dit opgenomen in het waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.12a — Artikel 4.12a (signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering)#
Artikel 4.12a (signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering) bijlage Vd Bij de beoordeling of als maatregel in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma een grondwatersanering van historische grondwaterverontreiniging nodig is, wordt rekening gehouden met de signaleringsparameters voor grondwaterkwaliteit, bedoeld in. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.13 — Artikel 4.13 (omgevingswaarden en goed ecologisch potentieel krw-oppervlaktewaterlichaam en waterprogramma’s)#
Artikel 4.13 (omgevingswaarden en goed ecologisch potentieel krw-oppervlaktewaterlichaam en waterprogramma’s) 1 artikel 2.17, tweede tot en met vijfde lid 2.18 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a Tenzij een uitzonderingsmogelijkheid als bedoeld in, of, van toepassing is, wordt met de uitvoering van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma voor elk van de daarin op grond van, of, aangewezen krw-oppervlaktewaterlichamen: a. artikel 2.10, eerste lid voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in; en b. artikel 2.11, eerste lid artikel 2.12, eerste lid ofwel een goede ecologische toestand als bedoeld in, ofwel een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, bereikt. 2 artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a bijlage III In afwijking van het eerste lid wordt met de uitvoering van een programma als bedoeld in dat lid, dat geldt voor een periode die na 21 december 2021 begint, op 22 december 2027 voldaan aan de omgevingswaarde, bedoeld in, voor zover het gaat om de stoffen, waarvoor dat inis bepaald. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.14 — Artikel 4.14 (omgevingswaarde grondwaterlichaam en waterprogramma’s)#
Artikel 4.14 (omgevingswaarde grondwaterlichaam en waterprogramma’s) artikel 2.17, tweede tot en met vijfde lid 2.18 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b artikelen 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid Tenzij een uitzonderingsmogelijkheid als bedoeld in, of, van toepassing is, wordt met de uitvoering van een regionaal waterprogramma voor elk van de daarin op grond van, aangewezen grondwaterlichamen voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de, en. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.15 — Artikel 4.15 (geen achteruitgang toestand)#
Artikel 4.15 (geen achteruitgang toestand) 1 Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma wordt voorkomen: a. artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a de achteruitgang van de chemische toestand en de achteruitgang van de ecologische toestand van elk van de op grond van, of, daarin aangewezen krw-oppervlaktewaterlichamen; b. artikel 2.12 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a 4.10, tweede lid, aanhef en onder a de achteruitgang van een goed ecologisch potentieel dat op grond vanis vastgesteld voor een kunstmatig krw-oppervlaktewaterlichaam of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam dat op grond van, of, is aangewezen; en c. artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b de achteruitgang van de chemische toestand en de achteruitgang van de kwantitatieve toestand van elk van de op grond van, aangewezen grondwaterlichamen. 2 artikel 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid Er wordt voldaan aan de plicht tot voorkoming van achteruitgang van de toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam als bedoeld in het eerste lid, als een stof of kwaliteitselement waarvoor op grond van dit besluit een omgevingswaarde als bedoeld in,,, of, voor water geldt: a. in dezelfde toestandsklasse is gebleven of in een hogere is terecht gekomen; of b. in de laagste toestandsklasse niet is verslechterd. 3 bijlage III Het tweede lid geldt, voor zover het gaat om de stoffen waarvoor dit inis aangegeven, met ingang van 22 december 2021. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.16 — Artikel 4.16 (uitzonderingsmogelijkheden geen achteruitgang)#
Artikel 4.16 (uitzonderingsmogelijkheden geen achteruitgang) 1 artikel 4.15, eerste lid Op het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in, kan alleen een uitzondering worden gemaakt in de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid. 2 Het eerste lid geldt voor een tijdelijke achteruitgang in gevallen waarin: a. de achteruitgang het resultaat is van omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak of overmacht voordoen en die uitzonderlijk zijn of niet redelijkerwijs waren te voorzien, met name extreme overstromingen en lange droogteperioden, of het gevolg zijn van omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zesde, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water wordt voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het eerstvolgende nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het eerstvolgende regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 3 Het eerste lid geldt ook voor gevallen waarin: a. het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.17 — Artikel 4.17 (ombuiging significante en stijgende trends)#
Artikel 4.17 (ombuiging significante en stijgende trends) 1 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder b Met de uitvoering van een regionaal waterprogramma wordt bereikt dat in elk van de op grond van, aangewezen grondwaterlichamen geen significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 2, onder 3, van de grondwaterrichtlijn plaatsvinden in de concentraties van krw-verontreinigende stoffen, groepen krw-verontreinigende stoffen of indicatoren van krw-verontreiniging, die een significant schaderisico opleveren voor: a. de kwaliteit van een aquatisch of terrestrisch ecosysteem; b. de gezondheid; of c. het rechtmatig gebruik, feitelijk of potentieel, van het watermilieu. 2 Een significante en aanhoudend stijgende trend levert een significant schaderisico op, als het beginpunt voor een trendomkering wordt of dreigt te worden overschreden en de vereiste maatregelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de grondwaterrichtlijn, niet worden getroffen. 3 bijlage IV Het beginpunt voor de trendomkering bedraagt 75% van de concentraties, bedoeld in, tabellen A en B. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.18 — Artikel 4.18 (bijzondere plicht ombuiging significante en stijgende trends)#
Artikel 4.18 (bijzondere plicht ombuiging significante en stijgende trends) 1 artikel 4.17, eerste lid Op het bereiken van de doelstelling, bedoeld in, wordt voor het percentage, bedoeld in het derde lid van dat artikel, een uitzondering gemaakt als sprake is van een situatie als bedoeld in bijlage IV, deel B, punt 1, onder a, b, of c, bij de grondwaterrichtlijn. 2 De motivering wordt opgenomen in het regionale waterprogramma. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.19 — Artikel 4.19 (geen bacteriële besmetting schelpdierwater)#
Artikel 4.19 (geen bacteriële besmetting schelpdierwater) artikel 4.10, tweede lid, aanhef en onder c Met de uitvoering van het nationale waterprogramma wordt voor elk van de daarin op grond van, als schelpdierwater aangewezen krw-oppervlaktewaterlichamen bereikt dat geen bacteriële besmetting aanwezig is in een mate die schadelijk kan zijn voor de gezondheid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.20 — Artikel 4.20 (omgevingswaarden water onttrokken op een waterwinlocatie in een krw-oppervlaktewaterlichaam en waterprogramma’s)#
Artikel 4.20 (omgevingswaarden water onttrokken op een waterwinlocatie in een krw-oppervlaktewaterlichaam en waterprogramma’s) artikel 2.17, tweede tot en met vijfde lid 2.18 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c 4.10, tweede lid, aanhef en onder b artikel 2.15, eerste lid Tenzij een uitzonderingsmogelijkheid als bedoeld in, of, van toepassing is, wordt met de uitvoering van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma voor elk van de daarin op grond van, of, aangewezen waterwinlocaties gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de omgevingswaarde, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.21 — Artikel 4.21 (verbetering van de kwaliteit en geen achteruitgang kwaliteit vanwege vermindering zuiveringsinspanning)#
Artikel 4.21 (verbetering van de kwaliteit en geen achteruitgang kwaliteit vanwege vermindering zuiveringsinspanning) 1 Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma en het nationale waterprogramma wordt, om het niveau van zuivering van het onttrokken water te verlagen dat is vereist voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, gestreefd naar een verbetering van de kwaliteit van elk: a. artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c 4.10, tweede lid, aanhef en onder b krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam waarin een op grond van, of, aangewezen waterwinlocatie gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam of aangewezen waterwinlocatie gelegen in een grondwaterlichaam ligt; en b. artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c 4.10, tweede lid, aanhef en onder b krw-oppervlaktewaterlichaam waaruit na oeverinfiltratie op een op grond van, of, aangewezen waterwinlocatie gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam water wordt onttrokken. 2 artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c 4.10, tweede lid, aanhef en onder b Met de uitvoering van een programma als bedoeld in het eerste lid wordt voor elk krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam waarin een op grond van, of, aangewezen waterwinlocatie gelegen in een krw-oppervlaktewaterlichaam of aangewezen waterwinlocatie gelegen in een grondwaterlichaam ligt, die achteruitgang van de kwaliteit van dat waterlichaam voorkomen, waarbij het risico bestaat dat het niveau van zuivering van het onttrokken water dat bij de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water wordt toegepast, moet worden verhoogd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.22 — Artikel 4.22 (plandrempel)#
Artikel 4.22 (plandrempel) 1 artikelen 3.6, eerste lid 3.8, eerste lid 3.9, eerste lid, onder b, van de wet den night Een actieplan als bedoeld in de,, enbevat een plandrempel in Len in Lvoor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen. 2 De plandrempel kan voor verschillende categorieën van gevallen verschillend zijn. 3 In het actieplan wordt aangegeven welke maatregelen worden overwogen of in uitvoering zijn om overschrijdingen van de plandrempel te voorkomen of ongedaan te maken. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.23 — Artikel 4.23 (actieplan geluid gemeente)#
Artikel 4.23 (actieplan geluid gemeente) 1 artikel 3.6, eerste lid, van de wet Een actieplan als bedoeld inbevat in ieder geval: a. een beschrijving van de geluidbronnen, bedoeld in dat artikellid, die binnen het gemeentelijke grondgebied liggen; b. een vermelding van de instanties bij wie die geluidbronnen in beheer zijn; c. een beschrijving van het wettelijk kader voor geluidbelasting door die geluidbronnen; d. een samenvatting van de gegevens die zijn vervat in de geluidbelastingkaart of geluidbelastingkaarten waarop het actieplan berust; e. den night een beschrijving van het beleid voor de eerstkomende vijf jaar en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, voor de vijf jaar daarna, om de geluidbelasting in Len de geluidbelasting in Ldie wordt veroorzaakt door de betrokken geluidbron of geluidbronnen te beperken; f. een overzicht van belangrijke infrastructurele werken die in de komende vijf jaar zijn voorgenomen en andere belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de geluidhindersituatie; g. een overzicht van bestaande en in voorbereiding of uitvoering zijnde bron- en overdrachtsmaatregelen voor de betrokken geluidbron of geluidbronnen; h. een overzicht en een beoordeling van het aantal bewoners van woningen dat door geluid als gevolg van de betrokken geluidbron of geluidbronnen lijdt aan ischemische hartziekten als bedoeld in bijlage III, onder 1, bij de richtlijn omgevingslawaai, een hoge mate van hinder of een hoge mate van slaapverstoring ondervindt; i. den night een planning van de voorgenomen maatregelen om de geluidbelasting in Len de geluidbelasting in Lin de komende vijf jaar te verminderen, waarbij een relatie wordt gelegd met de plandrempel en een schatting wordt gegeven van het effect van de maatregelen op het aantal bewoners van woningen, bedoeld onder h; j. financiële informatie over de voorgenomen maatregelen, voor zover deze beschikbaar en openbaar is; k. Wet luchtvaart tabellen 3.34 5.78t de situaties waarin de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op grond van deof de standaardwaarde, bedoeld in deen, wordt overschreden; l. tabellen 3.35 5.78u de situaties waarin de grenswaarde, bedoeld in deen, wordt overschreden; m. een overzicht van voorgenomen maatregelen om te voldoen aan in het omgevingsplan vastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden; n. een evaluatie van de uitvoering en de resultaten van het vorige actieplan; en o. een beknopte samenvatting van de onder a tot en met n bedoelde elementen. 2 Het actieplan bevat ook: a. artikel 11.45, vierde lid, onder a artikel 3.44 het verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in; b. artikel 3.37 een overzicht van in het omgevingsplan vastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden waarbij toepassing is gegeven aan; c. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; d. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder c, aanleiding geven tot intrekking of wijziging van de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; e. artikel 11.45 de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in; en f. een overzicht van voorgenomen maatregelen om te voldoen aan in het omgevingsplan vastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. 3 Bij de beschrijving van het beleid, bedoeld in het eerste lid, onder e, wordt in ieder geval betrokken de bescherming van stille gebieden, zijnde: a. de bij omgevingsplan aangewezen stille gebieden; en b. gebieden waarin de fysieke leefomgeving in verband met geluid bijzondere bescherming behoeft. 4 Op het bepalen van het aantal bewoners van woningen dat door een of meer geluidbronnen de gezondheidseffecten ondervindt, bedoeld in het eerste lid, onder h, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 299 25-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.24 — Artikel 4.24 (actieplan geluid provincie)#
Artikel 4.24 (actieplan geluid provincie) 1 artikel 3.8, eerste lid, van de wet artikel 4.23, eerste lid, onder b tot en met n Een actieplan als bedoeld inbevat een beschrijving van de in dat artikellid bedoelde geluidbronnen binnen het provinciale grondgebied en de elementen, bedoeld in, en een beknopte samenvatting van die geluidbronnen en elementen. 2 artikel 4.23, eerste lid, onder e Bij de beschrijving van het beleid, bedoeld in, wordt in ieder geval betrokken de bescherming van stille gebieden, zijnde: a. artikel 7.11, eerste lid, onder a de op grond van, bij omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden; en b. gebieden waarin de fysieke leefomgeving in verband met geluid bijzondere bescherming behoeft, waartoe in ieder geval behoren de gebieden die als zodanig bij omgevingsplan zijn aangewezen en die zijn gelegen binnen een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie. 3 Het actieplan bevat ook: a. artikel 11.45, vierde lid, onder b artikel 3.44 het verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in; b. artikelen 2.12a, eerste lid 2.13a, eerste lid, van de wet artikel 3.37 een overzicht van de op grond van de, envastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden waarbij toepassing is gegeven aan; c. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; d. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder c, aanleiding geven tot intrekking of wijziging van de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; e. artikel 11.45 de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in; en f. artikelen 2.12a, eerste lid 2.13a, eerste lid, van de wet een overzicht van voorgenomen maatregelen om te voldoen aan op grond van de, envastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.25 — Artikel 4.25 (actieplan geluid Rijk)#
Artikel 4.25 (actieplan geluid Rijk) 1 artikel 3.9, eerste lid, onder b, van de wet artikel 4.23, eerste lid, onder b tot en met n Een actieplan als bedoeld inbevat een beschrijving van de in dat artikellid bedoelde geluidbronnen en bevat de elementen, bedoeld in, en een beknopte samenvatting van die geluidbronnen en elementen. 2 artikel 4.23, eerste lid, onder e Bij de beschrijving van het beleid, bedoeld in, wordt in ieder geval betrokken de bescherming van stille gebieden, zijnde: a. artikel 7.11, eerste lid, onder a de op grond van, bij omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden; en b. de gebieden die als zodanig bij omgevingsplan zijn aangewezen en die zijn gelegen binnen een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie. 3 artikel 3.29 Bij het vaststellen van het actieplan worden de resultaten van een evaluatie van de toepassing vanbetrokken. 4 In het actieplan wordt vermeld of het voornemen bestaat om de geluidproductieplafonds voor wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen aan te passen aan het beleid om de geluidbelasting door de betrokken geluidbron of geluidbronnen te beperken. 5 Het actieplan bevat ook: a. artikel 11.45, vierde lid, onder c en d artikel 3.44 het verslag van de resultaten van de monitoring, bedoeld in, en de wijze waarop is voldaan aan de resultaatsverplichting, bedoeld in; b. artikel 2.15, tweede lid, van de wet artikel 3.37 een overzicht van de op grond vanvastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden waarbij toepassing is gegeven aan; c. een beschrijving van de ontwikkelingen van het bronbeleid en andere relevante ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; d. een motivering of de ontwikkelingen, bedoeld onder c, aanleiding geven tot intrekking of wijziging van de geluidproductieplafonds, bedoeld onder b; e. artikel 11.45 de conclusies naar aanleiding van de resultaten van de monitoring, bedoeld in; f. artikel 2.11a van de wet een overzicht van voorgenomen maatregelen om te voldoen aan op grond vanvastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden; g. artikel 10.42b, tweede en derde lid, van het Omgevingsbesluit een validatie van de in het verslag, bedoeld in, opgenomen berekende waarden voor het geluid door een onafhankelijke deskundige, waarbij de validatie onder andere berust op steekproefsgewijze metingen; h. de planning van de sanering bij rijkswegen en hoofdspoorwegen voor de eerstvolgende vijf jaar; en i. artikel 2.15, tweede lid, van de wet een overzicht van de op grond vanvastgestelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden die worden gewijzigd naar aanleiding van ontwikkelingen in het bronbeleid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.26 — Artikel 4.26 (beheerplan Natura 2000)#
Artikel 4.26 (beheerplan Natura 2000) artikel 3.8, derde lid 3.9, derde lid, van de wet artikel 3.58, eerste lid Een beheerplan Natura 2000 als bedoeld in, ofbevat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in, in ieder geval een beschrijving van de voor het Natura 2000-gebied: a. nodige instandhoudingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, of tweede lid, van de vogelrichtlijn en artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; b. nodige passende maatregelen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn; en c. beoogde resultaten van de maatregelen, bedoeld onder a en b. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.27 — Artikel 4.27 (programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 4.27 (programma stikstofreductie en natuurverbetering) 1 Het programma stikstofreductie en natuurverbetering bevat voor de periode waarvoor het geldt voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden een beschrijving van: a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van die periode, onderscheiden naar de bijdrage aan de depositie door de belangrijkste sectoren en onderscheiden naar depositie afkomstig uit buitenlandse en binnenlandse bronnen; b. de mate waarin aan het begin van die periode de instandhoudingsdoelstellingen zijn bereikt voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; c. de verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie door bronnen binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvan voor de omvang van de stikstofdepositie in de voor stikstof gevoelige habitats; d. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan: 1°. vermindering van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats; en 2°. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; e. de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld onder d; f. de verwachte gevolgen van de maatregelen, bedoeld onder d, op de omvang van de stikstofdepositie, respectievelijk het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; en g. artikel 11.69 artikel 10.36da van het Omgevingsbesluit de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ingestelde eisen aan het verzamelen van gegevens en de ingestelde eisen aan het verstrekken van gegevens. 2 In het programma worden tussentijdse doelstellingen opgenomen met het oog op: a. artikel 2.15a, eerste lid, van de wet het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in; en b. het treffen van de in het programma opgenomen maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. 3 De in het tweede lid bedoelde doelstellingen worden vormgegeven als inspanningsverplichtingen. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.28 — Artikel 4.28 (wijziging programma met oog op doelbereik)#
Artikel 4.28 (wijziging programma met oog op doelbereik) artikel 11.69a artikel 4.27, tweede lid Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijzigt het programma stikstofreductie en natuurverbetering als uit de gegevensverzameling, bedoeld in, blijkt dat met het programma niet kan worden voldaan aan een tussentijdse doelstelling als bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.28a — Artikel 4.28a (wijziging programma na ontvangst gebiedsgerichte uitwerking)#
Artikel 4.28a (wijziging programma na ontvangst gebiedsgerichte uitwerking) artikel 10.36db van het Omgevingsbesluit artikel 2.15a, eerste lid, van de wet artikel 4.27, tweede lid, onder a Na ontvangst van de gegevens, bedoeld in, en nadat het betrokken college van gedeputeerde staten met de wijziging heeft ingestemd, kan Onze Minister voor Natuur en Stikstof het programma stikstofreductie en natuurverbetering wijzigen, door daarin voor elke voor stikstof gevoelige habitat in de betrokken Natura 2000-gebieden en voor de betrokken provincie in ieder geval de maatregelen te beschrijven die nodig zijn om tijdig te voldoen aan de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in, en aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig te voldoen aan die omgevingswaarden, bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 4.29 — Artikel 4.29 (gemeentelijke programmatische aanpak stikstof)#
Artikel 4.29 (gemeentelijke programmatische aanpak stikstof) 1 Het college van burgemeester en wethouders kan een programma vaststellen dat: a. betrekking heeft op bestaand stedelijk gebied, een bestaand bedrijventerrein of een haven- en industriegebied; b. gericht is op: 1°. een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied; en 2°. vermindering van de stikstofdepositie door activiteiten in dat gebied op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; c. bepalingen bevat over de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied veroorzaakt; en d. artikel 3.58, eerste lid in voorkomend geval voorziet in verdeling van de ruimte voor stikstofdepositie die er gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, bedoeld in, is over de Natura 2000-activiteiten in het gebied waarop het programma betrekking heeft. 2 Het programma wordt alleen vastgesteld als: a. artikel 3.15 van de wet het op grond vanis aangewezen; b. artikel 8.74b voor Natura 2000-activiteiten waarop het programma betrekking heeft op grond van een passende beoordeling als bedoeld inde zekerheid is verkregen dat deze activiteiten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten; c. is voorzien in een zodanige monitoring en bijsturing van het programma, dat de uitkomst van de beoordeling, bedoeld onder b, op het moment van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor die activiteiten redelijkerwijs nog steeds aan die beslissing ten grondslag kan worden gelegd; en d. de vaststelling gezamenlijk met gedeputeerde staten gebeurt. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.30 — Artikel 4.30 (programma met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten)#
Artikel 4.30 (programma met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten) 1 artikel 11.18, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving 11.21 van dat besluit Een programma dat vergunningvrije Natura 2000-activiteiten aanwijst als bedoeld in, voldoet aan de artikelen 11.18, tweede lid, en. 2 Een programma dat vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten aanwijst: a. artikel 11.41, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving 11.44, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, voldoet aan de artikelen 11.41, tweede lid, en; b. artikel 11.49, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving 11.52, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, voldoet aan de artikelen 11.49, tweede lid, en; c. artikel 11.55, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving bijlage IX bij dat besluit 11.58, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in, voldoet aan de artikelen 11.55, tweede lid, en. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 4.31 — Artikel 4.31 (bestuursorgaan voor programma bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde stikstofdepositie)#
Artikel 4.31 (bestuursorgaan voor programma bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde stikstofdepositie) artikel 3.10, eerste lid, van de wet artikel 2.15a, eerste lid, van de wet In afwijking vanstelt Onze Minister voor Natuur en Stikstof een programma vast als aannemelijk is dat niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan een omgevingswaarde voor stikstofdepositie als bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.1 — Artikel 5.1 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.1 (toepassingsbereik) artikel 4.2, eerste lid, van de wet Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.1a — Artikel 5.1a (dienstenrichtlijn)#
Artikel 5.1a (dienstenrichtlijn) Een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376). 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.1b — Artikel 5.1b (begripsbepaling)#
Artikel 5.1b (begripsbepaling) Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.2 — Artikel 5.2 (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises)#
Artikel 5.2 (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises) 1 artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in, rekening gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. artikel 1 van die wet de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in. 2 paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Het eerste lid laat onverlet de ingestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.3 — Artikel 5.3 (toepassingsbereik gebouwen en locaties)#
Artikel 5.3 (toepassingsbereik gebouwen en locaties) 1 paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Dezijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 bijlage VI Beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties zijn de gebouwen en locaties, bedoeld in. 3 bijlage VI Onder een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar gebouw en een beperkt kwetsbare en kwetsbare locatie wordt ook verstaan een gebouw en locatie als bedoeld indat of die nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.3a — Artikel 5.3a (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.3a (eerbiedigende werking) 1 Artikel 5.2 is niet van toepassing voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling. 2 paragraaf 5.1.2.2 bijlage VII De bepalingen inzijn niet van toepassing op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie waren toegestaan en aanwezig waren op 1 april 2015, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit als bedoeld in, onder C. 3 paragraaf 5.1.2.2 Een locatie voor evenementen in de openlucht voor ten minste 5.000 personen voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie is toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding vanen tot dat tijdstip werd aangemerkt als beperkt kwetsbaar object, wordt aangemerkt als beperkt kwetsbare locatie, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit die op dat tijdstip op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig op een locatie wordt verricht of is toegestaan. 4 paragraaf 5.1.2.2 Een gebouw met een gezondheidszorgfunctie zonder bedgebied dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie is toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding vanen dat tot dat tijdstip werd aangemerkt als beperkt kwetsbaar object, wordt aangemerkt als beperkt kwetsbaar gebouw, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit die op dat tijdstip op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig op een locatie wordt verricht of is toegestaan. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.4 — Artikel 5.4 (toepassingsbereik activiteiten)#
Artikel 5.4 (toepassingsbereik activiteiten) 1 bijlage VII Deze paragraaf is ook van toepassing op het op een locatie toelaten van een milieubelastende activiteit als bedoeld inin verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 artikelen 5.7, eerste lid 5.11, eerste lid artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving De, en, zijn van overeenkomstige toepassing op het toelaten van een risicoverhogend bouwwerk in de directe omgeving van een buisleiding als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.4a — Artikel 5.4a (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 5.4a (tijdelijke uitzondering windparken) Deze paragraaf is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.5 — Artikel 5.5 (functionele binding)#
Artikel 5.5 (functionele binding) artikelen 5.7 5.11, eerste en tweede lid bijlage VII Deen, zijn niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties waar een activiteit als bedoeld inwordt verricht of die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in die bijlage. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.6 — Artikel 5.6 (plaatsgebonden risico)#
Artikel 5.6 (plaatsgebonden risico) Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.7 — Artikel 5.7 (plaatsgebonden risico: kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen)#
Artikel 5.7 (plaatsgebonden risico: kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen) 1 In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het toelaten van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van binnenwateren die behoren tot het basisnet, met uitzondering van zeevaartroutes, het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal. 3 Het eerste lid is niet van toepassing op kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op een locatie: a. die parallel aan een tunnel is gelegen; of b. boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.8 — Artikel 5.8 (plaatsgebonden risico: afstanden)#
Artikel 5.8 (plaatsgebonden risico: afstanden) 1 Aan artikel 5.7 bijlage VII wordt voldaan door inachtneming van de volgende afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van: a. de onderdelen A en B: de afstand, aangegeven bij die activiteit; b. onderdeel C: de afstand tot de locaties die bij ministeriële regeling zijn aangewezen; en c. de onderdelen D en E: een berekende afstand. 2 bijlage VII In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, kunnen de volgende afstanden in acht worden genomen voor de activiteiten aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van: a. artikel 4.7 van de wet onderdeel A: de afstand waarvoor toestemming als bedoeld inis verleend, als de toestemming gaat om een gelijkwaardige maatregel die betrekking heeft op die afstand; en b. onderdeel B, onder 2 of 3: een berekende afstand. 3 Als de afstand, bedoeld in het eerste lid, onder b, alleen een deel van de breedte van de weg, de spoorweg of het binnenwater beslaat, laat het omgevingsplan boven de volle breedte geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toe. 4 Als een weg of spoorweg die tot het basisnet behoort gedeeltelijk bestaat uit een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen is toegestaan, laat het omgevingsplan boven dat gedeelte geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties toe. 5 Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.9 — Artikel 5.9 (plaatsgebonden risico: tot waar afstanden gelden)#
Artikel 5.9 (plaatsgebonden risico: tot waar afstanden gelden) 1 artikel 5.8 De afstanden, bedoeld in, gelden: a. voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen, anders dan woonschepen of woonwagens: tot de gevel; b. voor nieuw te bouwen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen: tot de locatie waar een gevel mag komen; c. voor kwetsbare locaties: tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen; en d. voor woonschepen en woonwagens: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2 bijlage VII De afstanden gelden voor zeer kwetsbare gebouwen ook tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw, als het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit als bedoeld in, onder A, onder 1a, B, C, D, onder 2, en E, onder 2 tot en met 13. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.10 — Artikel 5.10 (plaatsgebonden risico: tijdelijke afwijking kwetsbare gebouwen en locaties)#
Artikel 5.10 (plaatsgebonden risico: tijdelijke afwijking kwetsbare gebouwen en locaties) 1 artikel 5.7 In afwijking vankan in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht worden genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar: a. voor kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties; b. gedurende een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum: 1°. waarop het gebouw of de locatie is toegelaten; of 2°. van het begin van de activiteit; en c. artikel 5.7 als na die periode wordt voldaan aan. 2 artikel 5.9 Aan het eerste lid wordt voldaan door inachtneming van een berekende afstand. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De afstand geldt tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.11 — Artikel 5.11 (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties)#
Artikel 5.11 (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. 2 artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving In afwijking van het eerste lid wordt, als het gaat om het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in, een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar. 3 artikel 5.8 Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door inachtneming van de afstanden, bedoeld in. 4 Aan het tweede lid wordt voldaan door inachtneming van een berekende afstand. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 5 artikel 5.9 De afstanden gelden tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.11a — Artikel 5.11a (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, uitzonderingen basisnet)#
Artikel 5.11a (plaatsgebonden risico: beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, uitzonderingen basisnet) 1 Artikel 5.11, eerste lid , is niet van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van binnenwateren die behoren tot het basisnet, met uitzondering van zeevaartroutes, het Amsterdam-Rijnkanaal en het Lekkanaal. 2 Artikel 5.11, eerste lid , is niet van toepassing op beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties op een locatie: a. die parallel aan een tunnel is gelegen; en b. boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. 3 Als een weg of spoorweg die tot het basisnet behoort gedeeltelijk bestaat uit een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen is toegestaan, wordt in het omgevingsplan boven dat gedeelte rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.12 — Artikel 5.12 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: categorieën)#
Artikel 5.12 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: categorieën) 1 2 Een brandaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand de warmtestraling ten hoogste 10 kW/mis. 2 Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. 2 een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/mis; of b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. 3 Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw kunnen overlijden door blootstelling aan de bij ministeriële regeling vastgestelde dosis van een gevaarlijke stof. 4 In afwijking van het derde lid wordt een gifwolkaandachtsgebied voor de toepassing van deze paragraaf begrensd door een afstand van 1,5 km vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit, bepaald volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als de afstand, bedoeld in het derde lid, groter is dan 1,5 km. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026 Artikel X, eerste lid, van Stb. 2025/242 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.13 — Artikel 5.13 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: begrenzing)#
Artikel 5.13 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: begrenzing) 1 artikel 5.12 bijlage VII De afstanden, bedoeld in, zijn voor de volgende activiteiten aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van: a. de onderdelen A, onder 1a en 7, B, onder 2 en 5, C en E, onder 9, 10 en 13: de afstand, aangegeven bij die activiteit; en b. de onderdelen D, onder 2, en E, onder 2 tot en met 9, 11 en 12: een berekende afstand. 2 bijlage VII artikel 5.8, tweede lid, onder b In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt de afstand berekend, als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder B, onder 2, en als voor die activiteit de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in, wordt berekend. 3 Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 4 bijlage VII Als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder C, zijn brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden de locaties die bij ministeriële regeling zijn aangewezen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.14 — Artikel 5.14 (aandachtsgebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden)#
Artikel 5.14 (aandachtsgebieden en brand- en explosievoorschriftengebieden) 1 Een brandvoorschriftengebied en een explosievoorschriftengebied zijn de locaties: a. die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als op die locaties een brandaandachtsgebied, respectievelijk een explosieaandachtsgebied is toegelaten; en b. artikel 4.90, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving waar voor een bouwwerk de eis vangeldt. 2 In een omgevingsplan wordt: a. een brandaandachtsgebied aangewezen als brandvoorschriftengebied; en b. een explosieaandachtsgebied aangewezen als explosievoorschriftengebied. 3 In afwijking van het tweede lid kan in een omgevingsplan worden afgezien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dit geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten. 4 In een omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van een brandvoorschriftengebied en van een explosievoorschriftengebied. 5 bijlage VII Het tweede lid, aanhef en onder a, derde en vierde lid zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.15 — Artikel 5.15 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: groepsrisico)#
Artikel 5.15 (aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s: groepsrisico) 1 In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. 2 Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied: a. geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; of b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt: 1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of 2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.15a — Artikel 5.15a (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.15a (eerbiedigende werking) 1 Artikel 5.15 is niet van toepassing: a. voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling; of b. op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling. 2 Artikel 5.15 is ook niet van toepassing: a. artikel III, onder E artikel IX, eerste lid, van het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025 voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van, of zijn toegestaan met toepassing vanof b. artikel X, eerste lid, van het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025 op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het onder a bedoelde tijdstip of zijn toegestaan met toepassing van. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.16 — Artikel 5.16 (risicogebied externe veiligheid: aanwijzing en werking)#
Artikel 5.16 (risicogebied externe veiligheid: aanwijzing en werking) 1 bijlage VII Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied activiteiten als bedoeld in, onder E, onder 3 tot en met 5.2, 6 tot en met 9 en 11 tot en met 13, worden toegelaten. 2 In een omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van een risicogebied externe veiligheid. 3 bijlage VII In een omgevingsplan wordt op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar, met uitzondering van het risico van een activiteit als bedoeld in, onder C, en onder D, onder 2. 4 artikel 5.8 Aan het derde lid wordt voldaan door inachtneming van de afstanden, bedoeld in, op de begrenzing van een risicogebied externe veiligheid. 5 artikelen 5.7 5.11 Artikel 5.15 Deenzijn niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit in een risicogebied externe veiligheid.is niet van toepassing op een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied of een gifwolkaandachtsgebied voor zover dat ligt binnen een risicogebied externe veiligheid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.17 — Artikel 5.17 (risicogebied externe veiligheid: beperkingen)#
Artikel 5.17 (risicogebied externe veiligheid: beperkingen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een risicogebied externe veiligheid: a. kunnen beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten als die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al zijn toegestaan op het tijdstip van het aanwijzen van het gebied; b. kunnen beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare of kwetsbare locaties worden toegelaten die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor het gebied of voor een binnen het gebied toegelaten activiteit; en c. worden geen zeer kwetsbare gebouwen toegelaten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.18 — Artikel 5.18 (belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen)#
Artikel 5.18 (belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen) artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving Een belemmeringengebied buisleiding is de locatie aan weerszijden van een buisleiding als bedoeld in, gemeten vanuit het hart van de buisleiding tot een afstand van: a. 5 m; of b. 4 m, als door de buisleiding aardgas wordt vervoerd, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.19 — Artikel 5.19 (belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen: beperkingen)#
Artikel 5.19 (belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen: beperkingen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een belemmeringengebied buisleiding: a. laat het omgevingsplan niet toe: 1°. kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met die buisleiding; en 2°. zeer kwetsbare gebouwen; en b. wordt in het omgevingsplan gewaarborgd dat de veiligheid van de buisleiding niet wordt geschaad bij het toelaten van: 1°. andere bouwwerken dan die, bedoeld onder a; en 2°. artikel 1, eerste lid, van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten activiteiten die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, met uitzondering van graafwerkzaamheden als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.20 — Artikel 5.20 (vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik)#
Artikel 5.20 (vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik) artikel 3.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze paragraaf is ook van toepassing op het op een locatie toelaten van het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in, in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.21 — Artikel 5.21 (vuurwerk: afstanden)#
Artikel 5.21 (vuurwerk: afstanden) 1 artikel 4.1042, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties de afstand, bedoeld inin acht genomen, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, of tweede lid, van dat artikel geldt. 2 artikel 5.20 Het eerste lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.22 — Artikel 5.22 (vuurwerk: tot waar afstanden gelden)#
Artikel 5.22 (vuurwerk: tot waar afstanden gelden) 1 artikel 5.21, eerste lid De afstanden, bedoeld in, gelden: a. voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen: tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw; en b. voor beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties: tot de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen. 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, gelden de afstanden voor: a. beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen gelegen op meer dan 10 m vanaf de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw: tot 10 m vanaf de locatie waar een gevel mag komen; en b. beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen als het gaat om woonschepen of woonwagens: tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.23 — Artikel 5.23 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk)#
Artikel 5.23 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk) artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving bijlage VIII Explosieaandachtsgebieden vuurwerk om een activiteit als bedoeld inzijn de locaties die worden begrensd door de afstanden, bedoeld in, onder A en B. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.24 — Artikel 5.24 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk: beperkingen)#
Artikel 5.24 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk: beperkingen) 1 Een omgevingsplan laat binnen een explosieaandachtsgebied vuurwerk geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe. 2 artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Het eerste lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in. 3 artikel 5.23 artikel 5.22 De afstanden, bedoeld in, gelden tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.25 — Artikel 5.25 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk: afwijking)#
Artikel 5.25 (explosieaandachtsgebieden vuurwerk: afwijking) 1 artikel 5.24, eerste lid In afwijking van, kan een omgevingsplan binnen een explosieaandachtsgebied beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaten als: a. 2 de warmtestraling als gevolg van brand op de begrenzing van de locatie voor het verblijf van personen buiten het gebouw ten hoogste 10 kW/mis; en b. de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de deuropening van een bewaarplaats of een bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen en beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen ten minste 60 minuten is. 2 Het eerste lid is van toepassing voor zover het gaat om: a. het opslaan, herverpakken of bewerken van meer dan 10.000 kg vuurwerk van categorie F1, F2 of F3; of b. het opslaan of bewerken van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik al dan niet samen met vuurwerk van categorie F1, F2 of F3. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.26 — Artikel 5.26 (toepassingsbereik ontplofbare stoffen voor civiel gebruik)#
Artikel 5.26 (toepassingsbereik ontplofbare stoffen voor civiel gebruik) 1 artikelen 5.28 tot en met 5.30 Dezijn ook van toepassing op het op een locatie toelaten van de volgende activiteiten in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. artikel 3.33 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in; of b. artikelen 3.72, eerste lid, onder f 3.73, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in de, en. 2 Artikel 5.27 is ook van toepassing op het toelaten van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.27 — Artikel 5.27 (ontplofbare stoffen voor civiel gebruik: afstanden voor opslaan)#
Artikel 5.27 (ontplofbare stoffen voor civiel gebruik: afstanden voor opslaan) 1 artikel 4.1051, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan worden voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties de afstanden, bedoeld in, in acht genomen, voor zover de afstand, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, of derde lid van dat artikel geldt. 2 artikel 5.9 De afstanden gelden tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.28 — Artikel 5.28 (civiele explosieaandachtsgebieden)#
Artikel 5.28 (civiele explosieaandachtsgebieden) artikel 5.26 Civiele explosieaandachtsgebieden A, B en C om de activiteiten, bedoeld in, zijn: a. de locaties die worden begrensd door: 1°. bijlage IX voor zover het gaat om het opslaan in een bouwwerk met onderdelen die grenzen aan de buitenlucht van ten hoogste 23 cm metselwerk of minder dan 20 cm beton: de afstanden voor de opslag van stoffen van de ADR-klassen, bedoeld in, onder A tot en met C; en 2°. voor zover het gaat om het opslaan op andere wijze: de afstand, bepaald in overeenstemming met de NATO Guidelines for the Storage of Military Ammunition and Explosives (AASTP-1); of b. bijlage IX als het gaat om activiteiten op de locaties, genoemd in, onder D, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd: de gebieden, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, rondom die locaties. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.29 — Artikel 5.29 (civiele explosieaandachtsgebieden: beperkingen)#
Artikel 5.29 (civiele explosieaandachtsgebieden: beperkingen) 1 Een omgevingsplan laat niet toe: a. binnen een civiel explosieaandachtsgebied A: 1°. beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen; 2°. beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties; 3°. autowegen, autosnelwegen, spoorwegen, vaarwegen, of parkeerterreinen voor meer dan 10 motorvoertuigen; en 4°. agrarische activiteiten die een meer dan incidentele aanwezigheid van enkele personen vereisen; b. binnen een civiel explosieaandachtsgebied B: 1°. beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen; en 2°. beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties; en c. binnen een civiel explosieaandachtsgebied C: gebouwen waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is met: 1°. een vlies- of gordijngevel; en 2°. grote glasoppervlakten. 2 artikel 5.26 Het eerste lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in. 3 artikel 5.9 Het eerste lid geldt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.30 — Artikel 5.30 (civiele explosieaandachtsgebieden: eerbiedigende werking)#
Artikel 5.30 (civiele explosieaandachtsgebieden: eerbiedigende werking) 1 Artikel 5.29, eerste lid , is niet van toepassing op activiteiten of werken in een civiel explosieaandachtsgebied A, B en C voor zover: a. die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling; en b. in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht wordt genomen van: 1°. ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties; en 2°. ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. 2 artikel 5.9 Aan het eerste lid, onder b, wordt voldaan door inachtneming van een berekende afstand. Op het berekenen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De afstand geldt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.31 — Artikel 5.31 (toepassingsbereik opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen op militaire objecten)#
Artikel 5.31 (toepassingsbereik opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen op militaire objecten) artikelen 5.32 tot en met 5.34 artikel 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving Dezijn van toepassing op het op een locatie toelaten van het opslaan en bewerken van stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in, in verband met het externe veiligheidsrisico voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.32 — Artikel 5.32 (militaire explosieaandachtsgebieden)#
Artikel 5.32 (militaire explosieaandachtsgebieden) artikel 5.31 Militaire explosieaandachtsgebieden A, B en C om de activiteit, bedoeld in, zijn: a. de locatie die wordt begrensd door de afstand bepaald in overeenstemming met de NATO Guidelines for the Storage of Military Ammunition and Explosives (AASTP-1); en b. bijlage X de locaties, genoemd in, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.33 — Artikel 5.33 (militaire explosieaandachtsgebieden: beperkingen)#
Artikel 5.33 (militaire explosieaandachtsgebieden: beperkingen) 1 Artikel 5.29, eerste lid , is van overeenkomstige toepassing op militaire explosieaandachtsgebieden A, B en C. 2 artikel 5.31 Het eerste lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in. 3 artikel 5.9 Het eerste lid geldt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.34 — Artikel 5.34 (militaire explosieaandachtsgebieden: eerbiedigende werking)#
Artikel 5.34 (militaire explosieaandachtsgebieden: eerbiedigende werking) 1 Artikel 5.33, eerste lid , is niet van toepassing op activiteiten of werken in een militair explosieaandachtsgebied A, B en C voor zover: a. die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling; en b. in een omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 100.000 per jaar voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. 2 artikel 5.9 Aan het eerste lid, onder b, wordt voldaan door inachtneming van een bepaalde afstand. Op het bepalen van de afstand zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De afstand geldt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties tot de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.35 — Artikel 5.35 (infrastructuur rond Seveso-inrichtingen)#
Artikel 5.35 (infrastructuur rond Seveso-inrichtingen) artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Bij het toelaten van de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg worden de gevolgen van het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in, voor de veiligheid van weggebruikers en passagiers betrokken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.36 — Artikel 5.36 (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.36 (eerbiedigende werking) paragrafen 5.1.3.2 5.1.3.3 5.1.3.4 5.1.3.5 De bepalingen in de,,enzijn niet van toepassing voor zover activiteiten: a. op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen; of b. zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.37 — Artikel 5.37 (weging van het waterbelang)#
Artikel 5.37 (weging van het waterbelang) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. 2 paragraaf 5.1.3 Het eerste lid laat onverlet de ingestelde specifieke regels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.38 — Artikel 5.38 (geen belemmeringen voor primaire waterkeringen)#
Artikel 5.38 (geen belemmeringen voor primaire waterkeringen) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een primaire waterkering, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de primaire waterkering. 2 artikel 2.20, eerste lid, van de wet Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een krachtensof bij omgevingsverordening of waterschapsverordening aangewezen gebied grenzend aan een primaire waterkering waar ter bescherming van de primaire waterkering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die primaire waterkering, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 5.39 Voor zover de primaire waterkering een zandige primaire waterkering binnen het kustfundament, bedoeld in, is, wordt bij het toelaten van activiteiten ook gewaarborgd dat het zandvolume binnen de primaire waterkering en het gebied, bedoeld in het tweede lid, duurzaam behouden blijft. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 5.39 — Artikel 5.39 (aanwijzing kustfundament)#
Artikel 5.39 (aanwijzing kustfundament) bijlage XI Het kustfundament is de locatie die is weergegeven op de kaarten inen waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.40 — Artikel 5.40 (bouwen binnen het kustfundament)#
Artikel 5.40 (bouwen binnen het kustfundament) 1 Een omgevingsplan laat geen bouwactiviteiten toe, voor zover het omgevingsplan van toepassing is op een locatie: a. binnen het kustfundament; en b. gelegen buiten stedelijk gebied. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op bouwactiviteiten die betrekking hebben op: a. bouwwerken voor tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten; b. een eenmalige uitbreiding van de grondoppervlakte van een bestaand bouwwerk met ten hoogste 10%, gerekend vanaf 30 december 2011; c. bouwwerken van openbaar belang die niet in het stedelijk gebied kunnen worden geplaatst, waarbij als bouwwerk van openbaar belang in ieder geval worden aangemerkt bouwwerken voor: 1°. telecommunicatievoorzieningen en hulpverleningsdiensten; 2°. opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit met een windturbine; en 3°. waterbeheer en natuurbeheer; d. bouwwerken die bijdragen aan de versterking van het zandige deel van het kustfundament; en e. bouwwerken voor recreatief nachtverblijf of gebouwen ten behoeve van recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken, eten en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt, of waar recreatieve activiteiten plaatsvinden. 3 artikel 7.2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover op grond vanbij omgevingsverordening van de provincie Fryslân voor de Friese Waddeneilanden regels zijn gesteld over omgevingsplannen die afwijken van dat lid. 2020 204 25-06-2020 27-05-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.41 — Artikel 5.41 (aanwijzing rivierbed grote rivieren)#
Artikel 5.41 (aanwijzing rivierbed grote rivieren) 1 bijlage XII Het rivierbed van de grote rivieren is de locatie in de rivieren die zijn weergegeven op de kaart in, die wordt begrensd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering of de lijn van de hoogwaterkerende gronden bij die rivieren en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 Het stroomvoerend deel van het rivierbed van de grote rivieren is het deel van het rivierbed, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 Het bergend deel van het rivierbed van de grote rivieren is het deel van het rivierbed, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.42 — Artikel 5.42 (aanwijzing reserveringsgebieden grote rivieren)#
Artikel 5.42 (aanwijzing reserveringsgebieden grote rivieren) 1 De reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Rijntakken zijn de locaties, bestaande uit het retentiegebied in de Rijnstrangen, de hoogwatergeul bij Deventer, de dijkteruglegging Brakel, de dijkteruglegging Oosterhout, de dijkteruglegging Loenen en de hoogwatergeul Varik-Heesselt, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 De reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Maas zijn de locaties, bestaande uit de dijkverlegging Bokhoven, de dijkverlegging Kraaijenbergse Plassen, het retentiegebied Kraaijenbergse Plassen-west, het retentiegebied Keent Zuid bij Reek, de retentiegebieden dijkverlegging Overasselt, de dijkverlegging Alem, de dijkverlegging Moordhuizen, de dijkverleggingen Hedel en de dijkverleggingen Noorzijde Bergsche Maas, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.43 — Artikel 5.43 (algemene criteria toelaten activiteiten)#
Artikel 5.43 (algemene criteria toelaten activiteiten) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het rivierbed van de grote rivieren, wordt bij het toelaten van activiteiten gewaarborgd dat: a. sprake is van een veilig en doelmatig gebruik van de rivier; b. feitelijke belemmeringen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier worden voorkomen; en c. een waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 204 25-06-2020 27-05-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.44 — Artikel 5.44 (kleine, tijdelijke en noodzakelijke activiteiten rivierbed)#
Artikel 5.44 (kleine, tijdelijke en noodzakelijke activiteiten rivierbed) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het rivierbed van de grote rivieren, kan het omgevingsplan in ieder geval de volgende activiteiten toelaten: a. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit voor een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk is vereist; b. activiteiten voor rivierbeheer en -verruiming; c. tijdelijke activiteiten; en d. activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 204 25-06-2020 27-05-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.45 — Artikel 5.45 (activiteiten bergend deel rivierbed)#
Artikel 5.45 (activiteiten bergend deel rivierbed) 1 artikel 5.44 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het bergend deel van het rivierbed van de grote rivieren, kan het omgevingsplan, naast de activiteiten, bedoeld in, ook andere activiteiten toelaten, mits een afname van het bergend vermogen van de rivier als gevolg van die activiteiten wordt gecompenseerd. 2 Het omgevingsplan bevat in dat geval de maatregelen die de afname van het bergend vermogen compenseren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.46 — Artikel 5.46 (activiteiten stroomvoerend deel rivierbed)#
Artikel 5.46 (activiteiten stroomvoerend deel rivierbed) 1 artikel 5.44 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het stroomvoerend deel van het rivierbed van de grote rivieren, kan het omgevingsplan, naast de activiteiten, bedoeld in, alleen de volgende activiteiten toelaten, mits een waterstandsverhoging van de rivier als gevolg van die activiteiten wordt gecompenseerd: a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; b. de aanleg van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart; c. de bouw van waterkrachtcentrales; d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, als die activiteit is gekoppeld aan het vervoer over de rivier; e. artikel 3.144 van het Besluit activiteiten leefomgeving de aanleg of wijziging van scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen en specifiek daaraan verbonden activiteiten als bedoeld in; f. de aanleg, het beheer of de verbetering van natuur; g. de verbetering van de waterkwaliteit; h. de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; i. de aanleg van voorzieningen voor waterrecreatie of extensieve uiterwaardrecreatie; j. de winning van oppervlaktedelfstoffen; k. de aanleg van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; l. activiteiten met een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden verricht; m. een verandering van een gebruiksfunctie binnen de bestaande bebouwing; n. activiteiten voor het behoud van cultureel erfgoed, in het bijzonder bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; en o. activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie; p. de aanleg van voorzieningen voor het agrarisch, landschappelijk of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed; q. het behoud of herstel van landschappelijke elementen of cultureel erfgoed; r. verduurzaming van de energievoorziening van bestaande voorzieningen in het rivierbed; en s. de aanleg van voorzieningen voor elektriciteitsopwekking door zonne- of windenergie die redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. 2 Een omgevingsplan dat activiteiten als bedoeld in het eerste lid toelaat, bevat de maatregelen die de gevolgen voor de waterstand compenseren of, wanneer onderdeel o van dat lid van toepassing is, die meer ruimte voor de rivier opleveren. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 204 25-06-2020 27-05-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.47 — Artikel 5.47 (geen grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen)#
Artikel 5.47 (geen grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de reserveringsgebieden voor de lange termijn voor de Rijntakken of de Maas, laat het omgevingsplan geen grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen toe die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.48 — Artikel 5.48 (aanwijzing IJsselmeergebied)#
Artikel 5.48 (aanwijzing IJsselmeergebied) artikel 3.12, onder e Het IJsselmeergebied is de locatie, bestaande uit de oppervlaktewaterlichamen, genoemd in, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.49 — Artikel 5.49 (beperkingen landaanwinning en bouwwerken)#
Artikel 5.49 (beperkingen landaanwinning en bouwwerken) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het IJsselmeergebied, laat het omgevingsplan geen landaanwinning en bouwactiviteiten toe. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op landaanwinning en bouwactiviteiten voor ontwikkelingen die zijn gericht op overstroombare natuur en daarvoor benodigde beschermende waterstaatkundige constructies, projecten in het kader van dijk- of kustversterking en projecten van nationaal belang voor windenergie. 3 Het eerste lid is ook niet van toepassing op landaanwinning en bouwactiviteiten met een totale oppervlakte per gemeente van ten hoogste: a. 350 ha voor de gemeente Amsterdam voor het project IJburg tweede fase; b. 700 ha voor de gemeente Almere, waarvan: 1°. ten hoogste 12 ha in het Gooimeer voor het project Hoogtij; en 2°. de overige oppervlakte in het Markermeer voor het project Schaalsprong Almere; c. 150 ha voor de gemeente Lelystad voor woonfuncties, daaraan gerelateerde activiteiten en een overslaghaven; d. 35 ha voor de gemeente Harderwijk voor het project Waterfront Harderwijk; e. 17 ha voor de gemeente Fryske Marren, waarvan: 1°. ten hoogste 7 ha voor een tijdelijk werkeiland voor de winning van beton- en metselzand; en 2°. ten hoogste 10 ha voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing; f. 10 ha voor de gemeenten Edam-Volendam en Gooise Meren voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing; en g. 5 ha voor andere gemeenten dan die genoemd onder a tot en met f, voor ontwikkeling van natuur of andere functies dan het ontwikkelen van natuur, als die andere functies aansluiten op bestaande bebouwing. 4 Bij de toepassing van het derde lid wordt het aantal hectares berekend ten opzichte van de toegestane mogelijkheden op grond van het op 22 december 2009 geldende bestemmingsplan, uitgaande van de op die datum geldende gemeentelijke indeling, of, voor gemeenten die na die datum zijn ingesteld, uitgaande van de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze bepaling geldende gemeentelijke indeling. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.50 — Artikel 5.50 (luchtkwaliteit wegtunnels, auto(snel)wegen)#
Artikel 5.50 (luchtkwaliteit wegtunnels, auto(snel)wegen) 1 Dit artikel is van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten: a. bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving de aanleg van een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte als bedoeld invan ten minste 100 m; b. een wijziging van een wegtunnelbuis waarbij de tunnelbuislengte met ten minste 100 m toeneemt; of c. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 2 10 Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM, worden in een omgevingsplan de volgende omgevingswaarden in acht genomen: a. artikel 2.4, eerste lid, onder b de omgevingswaarde voor stikstofdioxide, bedoeld in; en b. 10 artikel 2.5, eerste lid de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in. 3 10 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of van PMzijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.51 — Artikel 5.51 (luchtkwaliteit in aandachtsgebieden)#
Artikel 5.51 (luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) 1 Dit artikel is van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten: a. artikel 5.50, eerste lid de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen, niet zijnde een activiteit als bedoeld in; b. activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of c. Besluit activiteiten leefomgeving milieubelastende activiteiten waarover in hetregels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. 2 De aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof zijn de volgende agglomeraties en gemeenten waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen: a. Amsterdam/Haarlem; b. Arnhem; c. Eindhoven; d. Etten-Leur; e. ‘s-Gravenhage/Leiden; f. Rotterdam/Dordrecht; en g. Utrecht. 3 De aandachtsgebieden voor fijnstof zijn de volgende gemeenten: a. Asten; b. Barneveld; c. Bernheze; d. Ede; e. Leudal; f. Nederweert; g. Scherpenzeel; en h. Venray. 4 Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van een van de volgende stoffen in een daarbij aangegeven aandachtsgebied, worden in een omgevingsplan de daarbij aangegeven omgevingswaarden in acht genomen: a. in een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijnstof: 1°. artikel 2.4, eerste lid, onder b de omgevingswaarde voor stikstofdioxide, bedoeld in; en 2°. 10 artikel 2.5, eerste lid de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in; en b. 10 artikel 2.5, eerste lid in een aandachtsgebied voor fijnstof: de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in. 5 10 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of van PMzijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2021 200 26-04-2021 05-03-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.52 — Artikel 5.52 (uitgezonderde locaties luchtkwaliteit)#
Artikel 5.52 (uitgezonderde locaties luchtkwaliteit) artikelen 5.50 5.51 10 Deenzijn niet van toepassing voor zover het gaat om de verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of van PMop: a. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of b. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.53 — Artikel 5.53 (niet in betekenende mate luchtkwaliteit)#
Artikel 5.53 (niet in betekenende mate luchtkwaliteit) 1 artikelen 5.50 5.51 10 3 artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deenzijn niet van toepassing voor zover het toelaten van activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PMvan 1,2 μg/mof minder, tenzij het gaat om het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in: a. 10 waarvan de emissie van PMvanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar; en b. op een locatie in de volgende gemeenten en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd: 1°. Asten; 2°. Barneveld; 3°. Deurne; 4°. Ede; 5°. Nederweert; 6°. Renswoude; en 7°. Scherpenzeel. 2 Bij het bepalen van de verhoging wordt opgeteld de verhoging veroorzaakt door een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de locatie waar de activiteit wordt verricht. 3 Als sprake is van meerdere activiteiten, wordt de verhoging veroorzaakt door die activiteiten opgeteld, voor zover de verwachte datum van het begin van de activiteiten ligt in een periode van vijf jaar na vaststelling van het omgevingsplan, voor zover het gaat om een verhoging veroorzaakt door een toename van de verkeersintensiteit als gevolg van het toelaten van activiteiten die: a. gebruikmaken of zullen maken van dezelfde ontsluitingsweg; en b. 3 aan elkaar grenzen, zullen grenzen of in elkaars directe nabijheid zijn gelegen, tot een afstand van ten hoogste 1.000 m, waarbij activiteiten die niet meer bijdragen aan de concentratie dan 0,1 μg/mbuiten beschouwing blijven. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.54 — Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit)#
Artikel 5.54 (standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit) 10 3 artikel 5.53 Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PMvan 1,2 μg/mof minder als bedoeld invoor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a. gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. 2 één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100.000 m; of 2°. 2 twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m; b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; c. zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1°. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2°. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties; d. artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in kassen, bedoeld in, voor zover het gaat om: 1°. niet-verwarmde kassen; of 2°. verwarmde kassen niet groter dan 2 ha; e. artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in de open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt, bedoeld in; f. artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, bedoeld in, voor zover het gaat om: 1°. witloftrek; of 2°. teelt van eetbare paddenstoelen; of g. artikel 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in, voor zover het gaat om het begin van de activiteit of een wijziging die leidt tot een toename van het aantal dieseltractie-uren van ten hoogste 7.500 per jaar. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.55 — Artikel 5.55 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.55 (toepassingsbereik) 1 Paragraaf 5.1.4.2 is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 paragraaf 5.1.4.2 In afwijking van het eerste lid is: a. niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel; c. artikelen 5.58 5.59 met uitzondering van deenniet van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; d. niet van toepassing op het geluid door activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, met uitzondering van windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; e. niet van toepassing op het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van een hoofdspoorweg of een bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg; en f. niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.56 — Artikel 5.56 (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 5.56 (tijdelijke uitzondering windparken) 1 Paragraaf 5.1.4.2 is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor: a. artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in; b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. 2 Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.57 — Artikel 5.57#
Artikel 5.57 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/557. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.58 — Artikel 5.58 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit)#
Artikel 5.58 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als één activiteit beschouwd: a. afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving een activiteit als bedoeld in de; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1°. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2°. elkaar functioneel ondersteunen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.59 — Artikel 5.59 (geluid door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.59 (geluid door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 3 Op het bepalen van het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.60 — Artikel 5.60 (waar waarden gelden)#
Artikel 5.60 (waar waarden gelden) Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor het geluid door een activiteit: a. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen, gelden: 1°. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en 2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; b. op een woonschip of woonwagen gelden op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en c. in een geluidgevoelige ruimte gelden in de geluidgevoelige ruimte. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.61 — Artikel 5.61 (functionele binding)#
Artikel 5.61 (functionele binding) Als een omgevingsplan waarden bevat over het geluid door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat die waarden niet van toepassing zijn op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.62 — Artikel 5.62 (voormalige functionele binding)#
Artikel 5.62 (voormalige functionele binding) Als een omgevingsplan waarden bevat over het geluid door een activiteit: kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden niet van toepassing zijn op het geluid door die activiteit op een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. a. artikel 3.200 3.205 3.208 3.211 3.215 3.218 3.221 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de agrarische sector als bedoeld in,,,,,,of; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector; 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.63 — Artikel 5.63 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.63 (toepassingsbereik) 1 subparagraaf 5.1.4.2.3 Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van activiteiten als bedoeld in. 2 artikel 5.73 In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf, met uitzondering van, niet van toepassing op: a. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; b. evenementen: 1°. die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; of 2°. artikel 5.68 die geen festiviteiten als bedoeld inzijn; en c. geluid dat niet representatief is voor een activiteit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.64 — Artikel 5.64 (verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.64 (verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.65 Aan, wordt voldaan door toepassing te geven aan. 2 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.66 5.67 5.68 5.69 5.70 5.71 In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan,,,,of. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.65 — Artikel 5.65 (standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen)#
Artikel 5.65 (standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen) 1 Een omgevingsplan bevat: a. als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw; en b. als waarden de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.65.2, voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Tabel 5.65.1 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Ar,LT Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lals gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 70 dB(A) 70 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door andere piekgeluiden -- 65 dB(A) 65 dB(A) Tabel 5.65.2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Ar,LT Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 55 dB(A) 55 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door andere piekgeluiden -- 45 dB(A) 45 dB(A) 2 Ar,LT Amax Als een omgevingsplan een activiteit toelaat op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kan het omgevingsplan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan geluid en het maximaal geluidniveau Ldoor die activiteit op geluidgevoelige gebouwen op dat bedrijventerrein als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, verhoogd met 5 dB(A), bevatten. 3 Ar,LT Als een omgevingsplan een activiteit toelaat in een in het omgevingsplan aangewezen agrarisch gebied kan het omgevingsplan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met tabel 5.65.1, eerste rij, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen binnen dat agrarische gebied als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1, eerste rij, verlaagd met 5 dB(A), bevatten. 4 Ar,LT Amax Als het omgevingsplan een woonschip toelaat, kan het omgevingsplan, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, en het derde lid, voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan geluid en het maximaal geluidniveau Ldoor de activiteit op dat woonschip als waarden de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.65.1, verhoogd met 5 dB(A), bevatten: 1°. als de locatie voor 1 juli 2012 voor een woonschip was bestemd; of 2°. als de locatie voor 1 juli 2012 in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd, of als de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in het omgevingsplan is toegelaten. 5 Op het bepalen van het geluid waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, bevat, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.66 — Artikel 5.66 (flexibiliteit – afwijken tot grenswaarden)#
Artikel 5.66 (flexibiliteit – afwijken tot grenswaarden) 1 artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde, of vierde lid Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden, bedoeld in. 2 Een omgevingsplan bevat op grond van het eerste lid alleen hogere waarden als: a. dat niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.66, in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen; of b. op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold en de waarde niet hoger is dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. Tabel 5.66 Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen 07.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur Ar,LT Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen -- 55 dB(A) 55 dB(A) Amax Maximaal geluidniveau Lveroorzaakt door andere piekgeluiden -- 45 dB(A) 45 dB(A) 3 Het tweede lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen als: a. zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard bestaan tegen het treffen van maatregelen aan de gevel die nodig zijn om voor dat gebouw te voldoen aan de grenswaarden, bedoeld in tabel 5.66, mits, als andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidwering zoveel mogelijk te verbeteren, die andere maatregelen wel worden getroffen; b. de eigenaar geen medewerking verleent aan het onderzoek naar het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen zijn gebouw en naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of c. de eigenaar geen medewerking verleent aan het treffen van geluidwerende maatregelen. 4 Voor de toepassing van het tweede lid blijven buiten beschouwing: a. geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid. 5 artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder b Een omgevingsplan kan hogere waarden bevatten dan de grenswaarden, bedoeld in, als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 6 Op het berekenen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.67 — Artikel 5.67 (flexibiliteit – waarden maximaal geluidniveau in de dagperiode)#
Artikel 5.67 (flexibiliteit – waarden maximaal geluidniveau in de dagperiode) Amax Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit, voor de periode van 07.00 tot 19.00 uur voor geluidgevoelige gebouwen of geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen een maximaal geluidniveau Lals gevolg van die activiteit bevatten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.68 — Artikel 5.68 (flexibiliteit – waarden gelden niet bij festiviteiten)#
Artikel 5.68 (flexibiliteit – waarden gelden niet bij festiviteiten) artikel 5.65 In afwijking vankan een omgevingsplan bepalen dat de waarden die het omgevingsplan bevat, niet van toepassing zijn op bepaalde dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. in het omgevingsplan aangewezen festiviteiten; of b. festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waar de activiteit wordt verricht, gedurende ten hoogste twaalf etmalen per jaar. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.69 — Artikel 5.69 (flexibiliteit – afwijken van waar waarden gelden)#
Artikel 5.69 (flexibiliteit – afwijken van waar waarden gelden) artikel 5.60 In afwijking vankan een omgevingsplan bepalen dat de waarden voor het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw gelden op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan: a. artikel 5.60, onder a, onder 1° de gevel, bedoeld in; b. artikel 5.60, onder a, onder 2° de locatie, bedoeld in; of c. artikel 5.60, onder b de begrenzing, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.70 — Artikel 5.70 (flexibiliteit – geen waarden)#
Artikel 5.70 (flexibiliteit – geen waarden) artikel 5.65 In afwijking vankan een omgevingsplan, gelet op de aard of locatie van de activiteit, geheel of gedeeltelijk geen waarden bevatten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.71 — Artikel 5.71 (flexibiliteit – andere regels dan waarden)#
Artikel 5.71 (flexibiliteit – andere regels dan waarden) artikel 5.65 Een omgevingsplan kan in plaats van de waarden, bedoeld in, andere regels bevatten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.72 — Artikel 5.72 (beperking flexibiliteit militaire terreinen)#
Artikel 5.72 (beperking flexibiliteit militaire terreinen) 1 artikel 5.150, eerste lid artikel 5.66, eerste lid Voor activiteiten bij of op een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in, kan een omgevingsplan bij toepassing van, alleen hogere waarden bevatten. 2 artikel 5.150, eerste lid artikelen 5.67 5.69 Voor activiteiten bij of op een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in, zijn deenniet van toepassing. 3 Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.72a — Artikel 5.72a (regels over activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken)#
Artikel 5.72a (regels over activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken) 1 artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c Een omgevingsplan bepaalt dat een activiteit als bedoeld in, niet wordt verricht. 2 Ar,LT tabel 5.65.1 Het eerste lid is niet van toepassing als een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een activiteit, bedoeld in dat lid, waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.73 — Artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen)#
Artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) 1 Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 2 Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.74 — Artikel 5.74 (windturbines en windparken)#
Artikel 5.74 (windturbines en windparken) 1 den night Een omgevingsplan dat het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark toelaat, bevat als waarde de standaardwaarde 47 Len 41 Lvoor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw. 2 In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan hogere of lagere waarden bevatten. Een omgevingsplan kan alleen lagere waarden bevatten als dat gelet op cumulatie met het geluid van een andere windturbine of een ander windpark of gelet op de bijzondere aard van het gebied aangewezen is. 3 Een omgevingsplan bevat geen andere regels over geluid op een geluidgevoelig gebouw door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark dan de waarden die op grond van het eerste of tweede lid in het omgevingsplan zijn opgenomen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.75 — Artikel 5.75 (windturbines en windparken – verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.75 (windturbines en windparken – verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.74, eerste lid Aan, wordt voldaan door toepassing te geven aan. 2 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.74, tweede lid In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.75a — Artikel 5.75a (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 5.75a (tijdelijke uitzondering windparken) 1 artikelen 5.74 5.75 Deenzijn niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. 2 den night Als een omgevingsplan voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarden bevat voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, worden die waarden in ieder geval uitgedrukt in Len L. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.76 — Artikel 5.76 (civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)#
Artikel 5.76 (civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) 1 Dit artikel is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. bijlage XIII militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein als bedoeld in. 2 s,dan Een omgevingsplan dat een activiteit als bedoeld in het eerste lid toelaat, bevat als waarde de standaardwaarde 50 Bvoor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw. 3 In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan voor het exploiteren van een: a. s,dan civiele schietbaan als bedoeld in het eerste lid, onder a, of combinatie van civiele schietbanen, een lagere of hogere waarde bevatten, mits die waarde niet hoger is dan 55 B; of b. voor militaire schietbanen of militaire springterreinen als bedoeld in het eerste lid, onder b, een hogere waarde bevatten, mits die hogere waarde niet hoger is dan: 1°. s,dan artikel 3.335 van het Besluit activiteiten leefomgeving 60 Bvoor militaire schietbanen of militaire springterreinen waaropvan toepassing is; en 2°. s,dan 55 Bvoor andere militaire schietbanen en militaire springterreinen. 4 Een omgevingsplan bevat geen andere regels over geluid op een geluidgevoelig gebouw door een activiteit als bedoeld in het eerste lid dan de waarden die op grond van het tweede of derde lid in het omgevingsplan zijn opgenomen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.77 — Artikel 5.77 (civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen – verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.77 (civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen – verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.76, tweede lid Aan, wordt voldaan door toepassing te geven aan. 2 artikel 5.59, tweede lid artikel 5.76, derde lid In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78 — Artikel 5.78 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78 (toepassingsbereik) 1 Paragraaf 5.1.4.2a is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van: a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en c. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. 2 Paragraaf 5.1.4.2a artikel 5.78s, eerste en tweede lid is, met uitzondering van, niet van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 3 Artikel 5.60 is van overeenkomstige toepassing. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 20-09-2025
Artikel 5.78a — Artikel 5.78a (waarde van het geluid)#
Artikel 5.78a (waarde van het geluid) 1 paragraaf 5.1.4.2a Bij de toepassing vanis het geluid: a. bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden: het geluid bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds; en b. bij wegen en spoorwegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden: het geluid in een voor het verkeer op die weg of spoorweg maatgevend jaar. 2 Bij het bepalen van het geluid door wegen en spoorwegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt het geluid door alle tot die geluidbronsoort behorende wegen of spoorwegen betrokken. 3 artikel 3.27, tweede lid Bij het bepalen van het geluid door een gemeenteweg en een lokale spoorweg waarvoor toepassing is gegeven aan, wordt het geluid door die gemeenteweg en die spoorweg gezamenlijk beschouwd. 4 Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78b — Artikel 5.78b (aanwijzing activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken)#
Artikel 5.78b (aanwijzing activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken) 1 artikel 2.11a van de wet Activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld inzijn: a. bijlage VIII bij het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteiten, bedoeld in; b. het gelijktijdig in gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijk vermogen buiten beschouwing blijven: 1°. elektromotoren en verbrandingsmotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; 2°. elektromotoren en verbrandingsmotoren die tijdelijk aanwezig zijn; 3°. elektromotoren die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie voor dat gebouw worden gebruikt; en 4°. elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; en c. het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer. 2 Ar,LT tabel 5.65.1 Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan het geluid op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in. 3 Artikel 5.58 is van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78c — Artikel 5.78c (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78c (toepassingsbereik) 1 subparagraaf 5.1.4.2.3 artikel 2.11a 2.12a van de wet Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door activiteiten op een industrieterrein, anders dan activiteiten als bedoeld in, waarvoor op grond vanofgeluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. 2 artikel 2.11, eerste lid, van de wet Onder een industrieterrein wordt in deze subparagraaf ook verstaan een ander terrein waarvoor op grond vangeluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78d — Artikel 5.78d (vaststellen geluidproductieplafond industrieterrein)#
Artikel 5.78d (vaststellen geluidproductieplafond industrieterrein) paragraaf 3.5.4 Op de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor een industrieterrein isvan toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78e — Artikel 5.78e (vastleggen begrenzing industrieterrein in omgevingsplan)#
Artikel 5.78e (vastleggen begrenzing industrieterrein in omgevingsplan) De begrenzing van een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omgevingsplan. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78f — Artikel 5.78f (regels over activiteiten – voldoen aan geluidproductieplafonds)#
Artikel 5.78f (regels over activiteiten – voldoen aan geluidproductieplafonds) Een omgevingsplan bevat regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78g — Artikel 5.78g (beperking flexibiliteit militaire terreinen)#
Artikel 5.78g (beperking flexibiliteit militaire terreinen) 1 artikel 5.150, eerste lid tabel 5.65.1 Artikel 5.58 Een omgevingsplan bevat voor een activiteit bij of op een militair terrein of een terrein met een militair object als bedoeld in, geen waarden die lager zijn dan de standaardwaarden, bedoeld in, verhoogd met 5 dB, voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.is van overeenkomstige toepassing. 2 Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78h — Artikel 5.78h (uitzonderingen geluidbronnen)#
Artikel 5.78h (uitzonderingen geluidbronnen) 1 Als een omgevingsplan waarden bevat voor geluid door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat deze niet van toepassing zijn op: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 2 Als een omgevingsplan naast of in plaats van de waarden regels bevat over geluid, zien die niet op activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.78i — Artikel 5.78i (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78i (toepassingsbereik) 1 Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door: a. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en b. lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen. 2 Deze subparagraaf is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 20-09-2025
Artikel 5.78j — Artikel 5.78j (wijziging van gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg)#
Artikel 5.78j (wijziging van gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg) 1 Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder een wijziging van een gemeenteweg of waterschapsweg verstaan: a. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 m; b. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 m; c. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken; d. het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of e. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg. 2 Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder een wijziging van een lokale spoorweg verstaan: a. het verplaatsen van een of meer sporen met meer dan 2 m; b. het verhogen of verlagen van een of meer sporen met meer dan 1 m; c. een toename van het aantal sporen; d. het vervangen van een spoorconstructie door een minder stille spoorconstructie; of e. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de spoorweg. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78k — Artikel 5.78k (wijziging van gebruik van lokale spoorweg)#
Artikel 5.78k (wijziging van gebruik van lokale spoorweg) 1 Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt onder een wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg verstaan een wijziging die leidt tot een toename van de geluidemissie met meer dan 1,5 dB door: a. het verhogen van de maximumrijsnelheid; b. het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of c. het verhogen van de treinintensiteit. 2 De toename van de geluidemissie wordt bepaald door de situatie in een voor die spoorweg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78l — Artikel 5.78l (geluid in geluidaandachtsgebied – rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.78l (geluid in geluidaandachtsgebied – rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door de gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. 3 artikel 5.78p Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval voldaan aan. 4 artikel 5.78m Aan het tweede lid wordt voldaan door toepassing te geven aan. 5 artikel 5.78n 5.78o In afwijking van het vierde lid kan aan het tweede lid worden voldaan door toepassing te geven aanof. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78m — Artikel 5.78m (aanleg of wijziging van gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of wijziging van gebruik van lokale spoorweg)#
Artikel 5.78m (aanleg of wijziging van gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of wijziging van gebruik van lokale spoorweg) 1 tabel 3.34 Een omgevingsplan dat de aanleg van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg toelaat, voorziet erin dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in. 2 Een omgevingsplan dat een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of een wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg toelaat, voorziet erin dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de hoogste van de volgende twee waarden: a. tabel 3.34 de standaardwaarde, bedoeld in; en b. het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. 3 tabel 3.34 Als een aan te leggen of te wijzigen lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, of een aan te leggen of te wijzigen gemeenteweg grotendeels is verweven of gebundeld met een lokale spoorweg, kan voor het geluid van de gemeenteweg en lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in, worden gehanteerd. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.78n — Artikel 5.78n (overschrijding standaardwaarde of toename)#
Artikel 5.78n (overschrijding standaardwaarde of toename) 1 artikel 5.78m, tweede lid Een omgevingsplan dat de aanleg of een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg toelaat of dat regels bevat over een wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg, kan erin voorzien dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen hoger wordt dan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in, als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. de overschrijding van de hoogste van de twee waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. tabel 3.35 het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in. 2 Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 3 tabel 3.35 Als een aan te leggen of te wijzigen lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, of een aan te leggen of te wijzigen gemeenteweg grotendeels is verweven of gebundeld met een lokale spoorweg, kan voor het geluid van de gemeenteweg en lokale spoorweg gezamenlijk de grenswaarde voor gemeentewegen, bedoeld in, worden gehanteerd. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.78o — Artikel 5.78o (overschrijding grenswaarden vanwege zwaarwegende belangen)#
Artikel 5.78o (overschrijding grenswaarden vanwege zwaarwegende belangen) artikel 5.78n tabel 3.35 Bij de toepassing vankan een omgevingsplan meer geluid dan de grenswaarden, bedoeld in, toelaten als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78p — Artikel 5.78p (beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid)#
Artikel 5.78p (beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid) artikelen 5.78n 5.78o Bij de toepassing van deenwordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78q — Artikel 5.78q (bepalen gezamenlijk geluid)#
Artikel 5.78q (bepalen gezamenlijk geluid) artikelen 5.78n 5.78o Bij de toepassing van deenwordt in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op het geluidgevoelige gebouw bepaald. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.78r — Artikel 5.78r (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78r (toepassingsbereik) 1 Deze subparagraaf is van toepassing op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. 2 Deze subparagraaf is niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78s — Artikel 5.78s (geluid in geluidaandachtsgebied – rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.78s (geluid in geluidaandachtsgebied – rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. 3 artikel 5.78ac Bij de toepassing van het eerste lid wordt in ieder geval voldaan aan. 4 artikel 5.78t Aan het tweede lid wordt voldaan door toepassing te geven aan. 5 artikel 5.78u 5.78v 5.78w 5.78x 5.78y 5.78aa In afwijking van het vierde lid kan aan het tweede lid worden voldaan door toepassing te geven aan,,,,of. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78t — Artikel 5.78t (hoofdregel toelaten van geluidgevoelig gebouw)#
Artikel 5.78t (hoofdregel toelaten van geluidgevoelig gebouw) 1 Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t. Tabel 5.78t: Standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen Geluidbronsoort Standaardwaarde Provinciale wegen Rijkswegen den 50 L Gemeentewegen Waterschapswegen den 53 L Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen den 55 L Industrieterreinen den 50 L night 40 L 2 artikel 3.27, tweede lid Als toepassing is gegeven aan, geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 5.78t. 3 artikel 3.21, eerste lid, onder b of d Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in, waarvan het gebruik in de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. night gelden de waarden in Lniet; en b. den de wordt in tabel 5.78t gelezen voor «L»: «L». 4 artikel 3.21, eerste lid, onder b of d Voor een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in, waarvan het gebruik in de avondperiode en de nachtperiode in het omgevingsplan is uitgesloten: a. night gelden de waarden in Lniet; en b. den day wordt in tabel 5.78t gelezen voor «L»: «L». 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78u — Artikel 5.78u (overschrijding standaardwaarde)#
Artikel 5.78u (overschrijding standaardwaarde) 1 tabel 5.78t Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in, als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u. Tabel 5.78u: Grenswaarde geluidgevoelige gebouwen Geluidbronsoort Grenswaarde Provinciale wegen Rijkswegen den 60 L Gemeentewegen Waterschapswegen den 70 L Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen den 65 L Industrieterreinen den 55 L night 45 L 2 artikel 3.27, tweede lid Als toepassing is gegeven aan, geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de grenswaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 5.78u. 3 Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 4 Artikel 5.78t, derde lid en vierde lid , is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «tabel 5.78t» wordt gelezen: tabel 5.78u. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78v — Artikel 5.78v (overschrijding grenswaarde bij vervangende nieuwbouw)#
Artikel 5.78v (overschrijding grenswaarde bij vervangende nieuwbouw) tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als: a. de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden; b. het gebouw op een locatie wordt toegelaten ter vervanging van een op het tijdstip van de vaststelling van het omgevingsplan bestaand geluidgevoelig gebouw; en c. tabel 5.78u het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde, bedoeld in, niet wezenlijk toeneemt. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78w — Artikel 5.78w (overschrijding grenswaarde bij functiewijziging)#
Artikel 5.78w (overschrijding grenswaarde bij functiewijziging) tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat door wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk dat geen geluidgevoelig gebouw is, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78x — Artikel 5.78x (overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten)#
Artikel 5.78x (overschrijding grenswaarde bij zeehavengebonden activiteiten) tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat in het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein waarop zeehavengebonden activiteiten noodzakelijkerwijs in de openlucht worden verricht, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als: a. deze waarde niet meer dan 5 dB hoger is dan de grenswaarde; b. het geluid op het gebouw in belangrijke mate wordt bepaald door die zeehavengebonden activiteiten; en c. het gebouw wordt toegelaten: 1°. in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan bestaand gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie; 2°. aansluitend op een op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan bestaand aaneengesloten gebied met overwegend gebouwen met een woonfunctie en als alleen sprake is van een beperkte uitbreiding van dat gebied; of 3°. in een gebied dat wordt getransformeerd. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78y — Artikel 5.78y (overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen)#
Artikel 5.78y (overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen) 1 tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen die: a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78z — Artikel 5.78z (overschrijding grenswaarde – maatregelen)#
Artikel 5.78z (overschrijding grenswaarde – maatregelen) 1 artikelen 5.78v 5.78w 5.78x 5.78y De,,enworden alleen toegepast als: a. tabel 5.78u geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde, bedoeld in, te voldoen; en b. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. 2 Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78aa — Artikel 5.78aa (overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen; niet-geluidgevoelige gevel)#
Artikel 5.78aa (overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen; niet-geluidgevoelige gevel) 1 tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als: a. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen; en b. artikel 5.78z tabel 5.78u geen andere maatregelen dan de maatregelen, bedoeld inkunnen worden getroffen om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in. 2 Andere maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in aanmerking genomen als deze in redelijkheid niet te kostbaar zijn en daartegen geen zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 3 Bij de toepassing van het eerste lid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel is. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.78ab — Artikel 5.78ab (belang van een geluidluwe gevel)#
Artikel 5.78ab (belang van een geluidluwe gevel) 1 artikel 5.78u Bij de toepassing vanwordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. 2 artikelen 5.78v 5.78w 5.78x 5.78y 5.78aa Bij de toepassing van de,,,enwordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78ac — Artikel 5.78ac (beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid)#
Artikel 5.78ac (beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid) artikelen 5.78u 5.78v 5.78w 5.78x 5.78y 5.78aa Bij de toepassing van de,,,,enwordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78ad — Artikel 5.78ad (bepalen van gezamenlijk geluid)#
Artikel 5.78ad (bepalen van gezamenlijk geluid) artikelen 5.78u 5.78v 5.78w 5.78x 5.78y 5.78aa Bij de toepassing van de,,,,enwordt het gezamenlijke geluid op het geluidgevoelige gebouw bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 5.78ae — Artikel 5.78ae (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78ae (toepassingsbereik) 1 Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door: a. Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en b. artikel 2.13a, eerste lid, van de wet lokale spoorwegen die niet op grond vanzijn aangewezen. 2 Deze subparagraaf is niet van toepassing op: a. paragraaf 5.1.4.2a.3 een weg of spoorweg waaropvan toepassing is; b. paragraaf 5.1.4.2a.3 artikel 5.78j 5.78k een wijziging van een weg of spoorweg of het gebruik van een spoorweg waaropniet van toepassing is op grond vanof; en c. het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 20-09-2025
Artikel 5.78af — Artikel 5.78af (indirecte akoestische effecten)#
Artikel 5.78af (indirecte akoestische effecten) 1 Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg voorziet erin dat het geluid door die weg of spoorweg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. 2 De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg of spoorweg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging. 3 Een omgevingsplan kan erin voorzien dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen; b. de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. artikel 3.35 het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in. 4 Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het derde lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 5 Bij de toepassing van het derde lid wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78ag — Artikel 5.78ag (overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen)#
Artikel 5.78ag (overschrijding grenswaarde vanwege zwaarwegende belangen) artikel 5.78af tabel 3.35 Bij de toepassing vankan een omgevingsplan meer geluid dan de grenswaarden, bedoeld in, toelaten als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78ah — Artikel 5.78ah (toepassingsbereik)#
Artikel 5.78ah (toepassingsbereik) 1 Deze subparagraaf is van toepassing op wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg en industrieterrein die gevolgen hebben voor de geluidoverdracht. 2 Deze subparagraaf is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.78ai — Artikel 5.78ai (indirecte akoestische effecten van wijzigingen in geluidaandachtsgebied)#
Artikel 5.78ai (indirecte akoestische effecten van wijzigingen in geluidaandachtsgebied) In een omgevingsplan dat een wijziging in de geluidoverdracht in een geluidaandachtsgebied toelaat, wordt voor geluidgevoelige gebouwen die als gevolg van die wijziging een significante toename van geluid ondervinden bepaald of: a. geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om de toename van het geluid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; of b. tabel 3.53 geluidwerende maatregelen worden getroffen om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.79 — Artikel 5.79 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.79 (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf: a. niet van toepassing op een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. artikelen 5.82 5.83 met uitzondering van deenniet van toepassing op een trillinggevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; c. artikelen 5.82 tot en met 5.85 met uitzondering van deniet van toepassing op: 1°. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht; en 2°. evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; en d. niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.80 — Artikel 5.80 (trillinggevoelige gebouwen)#
Artikel 5.80 (trillinggevoelige gebouwen) 1 Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2 Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. 3 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, zijn woonschepen en woonwagens geen trillinggevoelige gebouwen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.81 — Artikel 5.81 (trillinggevoelige ruimten)#
Artikel 5.81 (trillinggevoelige ruimten) Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.82 — Artikel 5.82 (meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit)#
Artikel 5.82 (meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als één activiteit beschouwd: a. afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving een activiteit als bedoeld in de; of b. als het gaat om andere activiteiten dan bedoeld onder a, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: 1°. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of 2°. elkaar functioneel ondersteunen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.83 — Artikel 5.83 (trillingen door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.83 (trillingen door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 5.84 — Artikel 5.84 (functionele binding)#
Artikel 5.84 (functionele binding) Als een omgevingsplan waarden bevat voor trillingen door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat die waarden niet van toepassing zijn op trillingen door die activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.85 — Artikel 5.85 (voormalige functionele binding)#
Artikel 5.85 (voormalige functionele binding) Als een omgevingsplan waarden bevat voor trillingen door een activiteit: kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden niet van toepassing zijn op de trilling door die activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. a. artikel 3.200 3.205 3.208 3.211 3.215 3.218 3.221 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de agrarische sector als bedoeld in,,,,,,of; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector; 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.86 — Artikel 5.86 (verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.86 (verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.83, tweede lid artikelen 5.87, eerste lid 5.87a, eerste lid Aan, wordt voldaan door toepassing te geven aan de, en. 2 artikel 5.83, tweede lid artikel 5.87, derde lid 5.87a, derde lid 5.88 5.89 In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan,,of. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.87 — Artikel 5.87 (standaardwaarden continue trillingen)#
Artikel 5.87 (standaardwaarden continue trillingen) 1 Een omgevingsplan bevat voor de toelaatbare continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.87. Tabel 5.87 Standaardwaarden toelaatbare continue trillingen in trillinggevoelige ruimten Soort Standaardwaarde 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur 1 max Atrillingssterkte V 0,1 0,1 2 max Atrillingssterkte V 0,4 0,2 3 per Atrillingssterkte V 0,05 0,05 2 Bij de toepassing van het eerste lid bepaalt het omgevingsplan dat: a. 1 continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A; en b. 2 3 als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder Aen A. 3 In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 4 Op het bepalen van de trillingen waarvoor het omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.87a — Artikel 5.87a (standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen)#
Artikel 5.87a (standaardwaarden herhaald voorkomende trillingen) 1 Een omgevingsplan bevat voor de toelaatbare herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten als waarden de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.87a. Tabel 5.87a Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten 07.00 – 23.00 uur 23.00 – 07.00 uur 1 max Atrillingssterkte V 0,2 0,2 2 max Atrillingssterkte V 0,8 0,4 3 per Atrillingssterkte V 0,1 0,1 2 Bij de toepassing van het eerste lid bepaalt het omgevingsplan dat: a. 1 herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen, bedoeld onder A; en b. 2 3 als niet wordt voldaan aan een waarde als bedoeld onder a: herhaald voorkomende trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder Aen A. 3 In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold. De waarde is niet hoger dan de grenswaarde, zijnde de waarde die op grond van de omgevingsvergunning of het maatwerkvoorschrift was toegelaten. 4 Op het bepalen van de trillingen waarvoor het omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.88 — Artikel 5.88 (afwijken van standaardwaarden activiteit op bedrijventerrein tot aan grenswaarde)#
Artikel 5.88 (afwijken van standaardwaarden activiteit op bedrijventerrein tot aan grenswaarde) 1 artikelen 5.87, eerste en derde lid 5.87a, eerste en derde lid In afwijking van de, en, kan een omgevingsplan hogere of lagere waarden bevatten. 2 Een omgevingsplan bevat op grond van het eerste lid alleen hogere waarden als: a. het gaat om een activiteit die wordt verricht op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein; en b. die waarden niet hoger zijn dan de grenswaarde, zijnde de waarden, bedoeld in de tabellen 5.87 en 5.87a, vermenigvuldigd met de factor 1,8. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89 — Artikel 5.89 (afwijken van standaardwaarde en grenswaarde)#
Artikel 5.89 (afwijken van standaardwaarde en grenswaarde) Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, kan een omgevingsplan hogere waarden bevatten dan: a. artikel 5.87, eerste lid 5.87a, eerste lid de standaardwaarden, bedoeld in, of; b. artikel 5.87, derde lid 5.87a, derde lid de grenswaarde, bedoeld in, of; of c. artikel 5.88, tweede lid, onder b de grenswaarde, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89a — Artikel 5.89a (toepassingsbereik)#
Artikel 5.89a (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten van: a. artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer als bedoeld in, die slagschaduw veroorzaakt in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een slagschaduwgevoelig gebouw waarin slagschaduw wordt veroorzaakt door een windturbine als bedoeld onder a, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 artikel 5.89c In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf, met uitzondering van, niet van toepassing op slagschaduwgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89aa — Artikel 5.89aa (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 5.89aa (tijdelijke uitzondering windparken) 1 artikel 5.89a, eerste lid In afwijking van, is deze paragraaf niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines waarvoor: a. artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in; b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. 2 Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van kracht wordt. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.89b — Artikel 5.89b (slagschaduwgevoelige gebouwen)#
Artikel 5.89b (slagschaduwgevoelige gebouwen) 1 Een slagschaduwgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2 Onder een slagschaduwgevoelig gebouw wordt ook verstaan een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89c — Artikel 5.89c (rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.89c (rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat de slagschaduw door een windturbine in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89d — Artikel 5.89d (functionele binding)#
Artikel 5.89d (functionele binding) Als een omgevingsplan regels bevat over de slagschaduw door een windturbine, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op de slagschaduw in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die windturbine. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89e — Artikel 5.89e (voormalige functionele binding)#
Artikel 5.89e (voormalige functionele binding) Als een omgevingsplan regels bevat over de slagschaduw door een windturbine bij een activiteit: kan het omgevingsplan bepalen dat die regels niet van toepassing zijn op de slagschaduw door die windturbine in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit of die windturbine. a. artikel 3.200 3.205 3.208 3.211 3.215 3.218 3.221 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de agrarische sector als bedoeld in,,,,,,of; of b. verricht op een bedrijventerrein, 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89f — Artikel 5.89f (aanvaardbare slagschaduw)#
Artikel 5.89f (aanvaardbare slagschaduw) 1 artikel 5.89c, tweede lid Aan, wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan dat een windturbine toelaat, bepaalt dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden. 2 De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: a. tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en b. tot de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89fa — Artikel 5.89fa (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 5.89fa (tijdelijke uitzondering windparken) Artikel 5.89f is niet van toepassing op het toelaten van een windpark met 3 of meer windturbines. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89g — Artikel 5.89g (toepassingsbereik)#
Artikel 5.89g (toepassingsbereik) 1 Deze subparagraaf is van toepassing op een bodemgevoelig gebouw, zijnde: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. 2 bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving 2 Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld invan ten hoogste 50 mwordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89h — Artikel 5.89h (definitie bodemgevoelige locatie)#
Artikel 5.89h (definitie bodemgevoelige locatie) Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89i — Artikel 5.89i (waarde toelaatbare kwaliteit bodem)#
Artikel 5.89i (waarde toelaatbare kwaliteit bodem) 1 bijlage XIIIa Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie voor de inaangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen, uitgedrukt in milligram per kilo droge stof uit de bodem. 2 Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89j — Artikel 5.89j (waarde toelaatbare kwaliteit bodem: blootstelling)#
Artikel 5.89j (waarde toelaatbare kwaliteit bodem: blootstelling) 1 artikel 5.89i bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving Bij het vaststellen van de waarden, bedoeld in, wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in. 2 bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving Een omgevingsplan kan hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in. Een hogere waarde dan de interventiewaarde is een berekende concentratie die overeenkomt met: a. bijlage Vb het levenslang gemiddelde blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico humaan, bedoeld inbij dit besluit, uitgedrukt in microgram per kilogram lichaamsgewicht per dag; en b. bijlage XIIIb het blootstellingsniveau van de concentraties in lucht of onaanvaardbare hinder door geuroverlast, bedoeld inbij dit besluit, uitgedrukt in microgram stof per kubieke meter. 3 De grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend per locatie en voor de meest gevoelige gebruiksfunctie. 4 Op het berekenen van de grenswaarde zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89k — Artikel 5.89k (maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem;)#
Artikel 5.89k (maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit bodem;) artikel 5.89i, eerste lid Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89ka — Artikel 5.89ka (omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie)#
Artikel 5.89ka (omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie) 1 artikel 5.89i, eerste lid Als in een omgevingsplan is bepaald dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 2 Het omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 5.89i, eerste lid de onderzoeken, bedoeld in, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in, redelijkerwijs is uit te sluiten; en b. artikel 5.89i, eerste lid als de waarde, bedoeld in, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i redelijkerwijs is uit te sluiten. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89l — Artikel 5.89l (melding bouwactiviteit)#
Artikel 5.89l (melding bouwactiviteit) 1 Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2 Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving de onderzoeken, bedoeld in; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. artikel 5.89i, eerste lid bij overschrijding van een waarde als bedoeld in: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 3 artikel 5.89i, eerste lid Het tweede lid, onder a en e, is niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in, redelijkerwijs is uit te sluiten. 4 Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89m — Artikel 5.89m (ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem)#
Artikel 5.89m (ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem) artikel 5.89i, eerste lid artikel 5.89k Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in, zijn getroffen. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89n — Artikel 5.89n (nazorg)#
Artikel 5.89n (nazorg) Een omgevingsplan bepaalt dat de volgende maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn: a. artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving een afdeklaag als bedoeld indie is aangebracht tijdens de sanering van de bodem door middel van een afdeklaag, die heeft plaatsgevonden op grond van artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift; en b. artikel 19.9a van de wet tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar die blootstelling aan de verontreiniging voorkomen, in verband met een toevalsvondst als bedoeld in. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89o — Artikel 5.89o (aanwijzing bodembeheergebieden)#
Artikel 5.89o (aanwijzing bodembeheergebieden) 1 In een omgevingsplan kunnen een of meer bodembeheergebieden worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van de kwaliteitseisen voor: a. artikel 4.1273 4.1275 4.1277 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem, bedoeld in,,of; of b. artikel 4.1289 4.1291 van het Besluit activiteiten leefomgeving het op of in de landbodem in een bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld inof. 2 Bodembeheergebieden worden aangewezen met het oog op het bevorderen dat grond of baggerspecie, in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a, of mijnsteen of vermengde mijnsteen, in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, die binnen het aangewezen gebied zijn ontgraven, binnen dat gebied weer zo kunnen worden toegepast dat op de schaal van het gebied een goed resultaat wordt behaald uit een oogpunt van het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. 3 In het omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied vastgesteld. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.89p — Artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen)#
Artikel 5.89p (indeling landbodem in bodemfunctieklassen) 1 In een omgevingsplan wordt de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld voor: a. artikel 4.1265 van het Besluit activiteiten leefomgeving het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in; en b. artikel 4.1281 van het Besluit activiteiten leefomgeving het in het bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld in. 2 Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. 3 artikel 25d, vierde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit De landbodem kan worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie, bedoeld in. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.90 — Artikel 5.90 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.90 (toepassingsbereik) 1 Paragraaf 5.1.4.6 is van toepassing op het toelaten: a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 paragraaf 5.1.4.6 artikel 5.92 In afwijking van het eerste lid is, met uitzondering van, niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.91 — Artikel 5.91 (geurgevoelige gebouwen)#
Artikel 5.91 (geurgevoelige gebouwen) 1 Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2 Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een: a. woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied; e. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of f. bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied. 3 Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. 4 Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 5 paragraaf 5.1.4.6 In het omgevingsplan kanovereenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.92 — Artikel 5.92 (geur door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.92 (geur door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. 2 Een omgevingsplan voorziet erin dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.93 — Artikel 5.93 (waar waarden gelden)#
Artikel 5.93 (waar waarden gelden) 1 Een omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden: a. op de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2 Een omgevingsplan kan, in afwijking van wat op grond van het eerste lid in het omgevingsplan is opgenomen, bepalen dat de waarden voor de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen gelden op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, bedoeld in het eerste lid, onder a, de locatie, bedoeld in het eerste lid, onder b, of de begrenzing, bedoeld in het eerste lid, onder c. 3 artikel 5.91, vijfde lid Een omgevingsplan dat door toepassing van, waarden bevat voor de geur door een activiteit op een locatie, bepaalt dat die waarden gelden op de grens van de locatie. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.94 — Artikel 5.94 (tot waar afstanden gelden)#
Artikel 5.94 (tot waar afstanden gelden) 1 Afstanden die in een omgevingsplan in acht moeten worden genomen of die een omgevingsplan bevat vanwege de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen gelden: a. tot de gevel, als het gaat om een geurgevoelig gebouw; b. tot de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen, tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. 2 artikel 5.91, vijfde lid Afstanden die in een omgevingsplan door toepassing van, in acht moeten worden genomen of die een omgevingsplan door toepassing van artikel 5.91, vijfde lid, bevat vanwege de geur door een activiteit op een locatie, gelden tot de grens van de locatie. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.95 — Artikel 5.95 (functionele binding)#
Artikel 5.95 (functionele binding) 1 Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit, bepaalt het omgevingsplan dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. 2 subparagrafen 5.1.4.6.3 5.1.4.6.4 De afstanden, bedoeld in deen, zijn niet van toepassing als het geurgevoelige gebouw een functionele binding heeft met de activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.96 — Artikel 5.96 (voormalige functionele binding)#
Artikel 5.96 (voormalige functionele binding) 1 Als een omgevingsplan waarden of afstanden bevat voor geur door een activiteit: kan het omgevingsplan bepalen dat die waarden of afstanden niet van toepassing zijn op de geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. a. artikel 3.200 3.205 3.208 3.211 3.215 3.218 3.221 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de agrarische sector als bedoeld in,,,,,,of; b. verricht op een bedrijventerrein; of c. in de horecasector, 2 subparagrafen 5.1.4.6.3 5.1.4.6.4 De afstanden, bedoeld in deen, kunnen buiten toepassing worden gelaten als het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, en het geurgevoelige gebouw eerder functioneel verbonden was met die activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.97 — Artikel 5.97 (bebouwingscontour geur)#
Artikel 5.97 (bebouwingscontour geur) 1 subparagraaf 5.1.4.6.2 5.1.4.6.3 5.1.4.6.4 Een omgevingsplan dat regels bevat op grond van,of, wijst een of meer bebouwingscontouren geur aan. In het omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing van een bebouwingscontour geur vastgelegd. 2 Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid wijst een bebouwingscontour geur aan rond stedelijk gebied. 3 In afwijking van het tweede lid kan stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.98 — Artikel 5.98 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.98 (toepassingsbereik) artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.99 — Artikel 5.99 (verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.99 (verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.100, eerste lid Aan, wordt voldaan als toepassing wordt gegeven aan. 2 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.100, tweede lid 5.101 5.102 5.103 In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan,,of. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.100 — Artikel 5.100 (grenswaarde exploitatie van zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 5.100 (grenswaarde exploitatie van zuiveringtechnisch werk) 1 Een omgevingsplan dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.100.1. E 3 Tabel 5.100.1 Grenswaarde toelaatbare geur ou/mals 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig gebouw Activiteit Geurgevoelig gebouw Grenswaarde Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein E 3 0,5 ou/m Gelegen: – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – een bedrijventerrein; of – buiten de bebouwingscontour geur E 3 1 ou/m 2 artikel 8.1 van de Wet milieubeheer Als het gaat om geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond vanin werking en onherroepelijk was, kan een omgevingsplan een waarde bevatten die hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in het eerste lid, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.100.2. E 3 Tabel 5.100.2 Grenswaarde toelaatbare geur ou/mals 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig gebouw Activiteit Geurgevoelig gebouw Grenswaarde Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996 Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een bedrijventerrein E 3 1,5 ou/m Gelegen: – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een bedrijventerrein; of – buiten de bebouwingscontour geur E 3 3,5 ou/m 3 Op het berekenen van de geur waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in het eerste lid of in afwijking daarvan een hogere of lagere waarde bevat, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 5.101 — Artikel 5.101 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarden bij cumulatie of lokale omstandigheden)#
Artikel 5.101 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarden bij cumulatie of lokale omstandigheden) artikel 5.100, eerste of tweede lid Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, een waarde bevatten die lager is dan de grenswaarde, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.102 — Artikel 5.102 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarden bij zwaarwegende maatschappelijke belangen)#
Artikel 5.102 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarden bij zwaarwegende maatschappelijke belangen) artikel 5.100, eerste of tweede lid Een omgevingsplan kan, als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, een waarde bevatten die hoger is dan de voor het zuiveringtechnische werk geldende grenswaarden, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.103 — Artikel 5.103 (geen grenswaarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen)#
Artikel 5.103 (geen grenswaarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen) artikelen 5.100, eerste en tweede lid 5.101 5.102 artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Een omgevingsplan dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk toelaat, bepaalt dat de waarden die op grond van de,enin het omgevingsplan zijn opgenomen en de afstanden of andere regels die, in voorkomend geval, in aanvulling op die waarden in het omgevingsplan zijn opgenomen voor de geur door die activiteit, niet van toepassing zijn op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond vanin werking en onherroepelijk was op geurgevoelige gebouwen die: a. op het moment van verlening van de omgevingsvergunning, bedoeld in de aanhef, niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd; of b. in de omgevingsvergunning, bedoeld in de aanhef, niet als geurgevoelig werden beschouwd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.104 — Artikel 5.104 (begripsbepalingen)#
Artikel 5.104 (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt verstaan onder: houden van landbouwhuisdieren: artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving exploiteren van een veehouderij, bedoeld in; landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a. varkens, kippen, schapen of geiten; b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1°. rundvee tot 24 maanden; 2°. kalkoenen; 3°. eenden; of 4°. parelhoenders; landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor: landbouwhuisdieren waarvoor bij ministeriële regeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.105 — Artikel 5.105 (toepassingsbereik)#
Artikel 5.105 (toepassingsbereik) Deze subparagraaf is van toepassing op de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.106 — Artikel 5.106 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – verhouding met aanvaardbaarheid en eerbiedigende werking bij afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw)#
Artikel 5.106 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – verhouding met aanvaardbaarheid en eerbiedigende werking bij afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw) 1 artikel 5.92, tweede lid Aan, wordt voor de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor voldaan als toepassing wordt gegeven aan: a. artikel 5.109, eerste lid 5.109a 5.110 5.111 ,,of; en b. artikel 5.116 . 2 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.116 Aan, wordt ook voldaan door een afstand aan te houden die kleiner is dan de op grond vanin acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als het omgevingsplan bepaalt dat op die locatie: a. de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen; en b. het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen. 3 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.109, tweede of derde lid 5.117 In afwijking van het eerste en tweede lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan, of. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.106a — Artikel 5.106a (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – verhouding met aanvaardbaarheid en eerbiedigende werking)#
Artikel 5.106a (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – verhouding met aanvaardbaarheid en eerbiedigende werking) 1 artikel 5.92, tweede lid Aan, wordt voor de geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor voldaan als toepassing wordt gegeven aan: a. artikel 5.112, eerste lid 5.115 , of; en b. artikel 5.116 . 2 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.112, tweede lid 5.115 5.116 Aan, wordt ook voldaan door een afstand aan te houden die kleiner is dan de op grond van,ofin acht te nemen afstand tussen een voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan toegelaten activiteit en een voorafgaand aan die wijziging toegelaten geurgevoelig gebouw, als het omgevingsplan bepaalt dat op die locatie het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen. 3 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.112, tweede of derde lid 5.117 In afwijking van het eerste en tweede lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan, of. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.107 — Artikel 5.107 (vanaf waar afstanden gelden)#
Artikel 5.107 (vanaf waar afstanden gelden) artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Een afstand als bedoeld in deze subparagraaf geldt vanaf het emissiepunt, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.108 — Artikel 5.108 (concentratiegebieden)#
Artikel 5.108 (concentratiegebieden) 1 bijlage I bij de Meststoffenwet Een concentratiegebied is in ieder geval gebied I en gebied II, bedoeld in. 2 Een omgevingsplan kan een concentratiegebied aanwijzen. In dat geval wordt de geometrische begrenzing van een concentratiegebied in het omgevingsplan vastgelegd. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.109 — Artikel 5.109 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – standaardwaarde en grenswaarde)#
Artikel 5.109 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – standaardwaarde en grenswaarde) 1 Een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, bevat als waarde voor de toelaatbare geur door die activiteit op een geurgevoelig gebouw de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.109.1. E 3 Tabel 5.109.1 Standaardwaarde toelaatbare geur ou/mals 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw Geurgevoelig gebouw Standaardwaarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied E 3 2,0 ou/m Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied E 3 3,0 ou/m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied E 3 8,0 ou/m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied E 3 14,0 ou/m 2 Het omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde, mits die waarde niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.109.2. E 3 Tabel 5.109.2 Grenswaarde toelaatbare geur ou/mals 98-percentiel door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw Geurgevoelig gebouw Grenswaarde Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied E 3 8,0 ou/m Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied E 3 14,0 ou/m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied E 3 20,0 ou/m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied E 3 35,0 ou/m 3 Als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan, kan het omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid. 4 Op het berekenen van de geur waarvoor het omgevingsplan een waarde bevat als bedoeld in het eerste lid, of in afwijking daarvan een waarde die hoger of lager is dan die waarde, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.109a — Artikel 5.109a (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – eerbiedigende werking bij waarde)#
Artikel 5.109a (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – eerbiedigende werking bij waarde) 1 artikel 5.109 Als een omgevingsplan op grond vanvoor een locatie een waarde bevat die lager is dan de waarde die gold onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan en de geur op die locatie op dat tijdstip rechtmatig meer bedraagt dan die lagere waarde, bepaalt het omgevingsplan dat die lagere waarde niet van toepassing is als op die locatie de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. 2 artikel 5.109 Het eerste lid geldt ook als het omgevingsplan voor een locatie op grond vaneen waarde bevat die hoger is dan de waarde die gold onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging van het omgevingsplan en de geur op die locatie op dat tijdstip rechtmatig meer bedraagt dan die hogere waarde. 3 Voor gevallen als bedoeld in het eerste en tweede lid bepaalt het omgevingsplan dat uitbreiding van een dierenverblijf met landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of van het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor alleen is toegestaan, als: a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en b. de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.110 — Artikel 5.110 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – afstand tot geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000)#
Artikel 5.110 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor – afstand tot geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000) artikelen 5.109, eerste en tweede lid 5.109a De, enzijn niet van toepassing als in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, voor een locatie ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.110, in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; of b. een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan. Tabel 5.110 Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.111 — Artikel 5.111 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor - afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning)#
Artikel 5.111 (geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor - afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning) artikelen 5.109, eerste en tweede lid 5.109a De, enzijn niet van toepassing als in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor toelaat, voor een locatie ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.111, in acht wordt genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 1°. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; 2°. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en 3°. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd. Tabel 5.111 Afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor Ruimte-voor-ruimtewoning Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.112 — Artikel 5.112 (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – afstand en ondergrens afstand tot geurgevoelig gebouw)#
Artikel 5.112 (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – afstand en ondergrens afstand tot geurgevoelig gebouw) 1 In een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.112.1, in acht genomen. Tabel 5.112.1 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2 In het omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in het eerste lid, mits die afstand niet kleiner is dan de ondergrens voor de afstand, bedoeld in tabel 5.112.2. Tabel 5.112.2 Ondergrens afwijkende afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw Ondergrens afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 50 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 25 m 3 Als sprake is van een geurgevoelig gebouw dat heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan, kan in het omgevingsplan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de ondergrens voor de afstand, bedoeld in het tweede lid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.113 — Artikel 5.113#
Artikel 5.113 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.114 — Artikel 5.114#
Artikel 5.114 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.115 — Artikel 5.115 (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning)#
Artikel 5.115 (geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor – afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning) artikel 5.112 In afwijking vanwordt in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor toelaat, ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.115, in acht genomen tot de volgende geurgevoelige gebouwen: a. een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 1°. op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; 2°. in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven; en 3°. in samenhang met de sloop van dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunende activiteiten; en b. een geurgevoelig gebouw dat voor 19 maart 2000 al aanwezig was op een locatie waar een geurgevoelig gebouw als bedoeld onder a is gebouwd. Tabel 5.115 Afstand tot ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor Ruimte-voor-ruimtewoning Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.116 — Artikel 5.116 (geur landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor – afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw)#
Artikel 5.116 (geur landbouwhuisdieren met en zonder geuremissiefactor – afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw) 1 artikelen 5.109 tot en met 5.115 Onverminderd dewordt in een omgevingsplan dat het houden van landbouwhuisdieren toelaat, tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.116, in acht genomen. Tabel 5.116 Afstand gevel dierenverblijf tot geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor Geurgevoelig gebouw Afstand Gelegen binnen de bebouwingscontour geur 50 m Gelegen buiten de bebouwingscontour geur 25 m 2 artikel 5.107 In afwijking vangeldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.117 — Artikel 5.117 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarde en afwijken van ondergrens afstand)#
Artikel 5.117 (flexibiliteit – afwijken van grenswaarde en afwijken van ondergrens afstand) Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen, kan in afwijking van: a. artikel 5.109, tweede lid , een omgevingsplan een hogere waarde bevatten dan de grenswaarde, bedoeld in dat lid; of b. artikel 5.110 5.112, tweede lid 5.116, eerste lid ,, of, in een omgevingsplan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in die bepalingen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.118 — Artikel 5.118 (verhouding met aanvaardbaarheid)#
Artikel 5.118 (verhouding met aanvaardbaarheid) 1 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.120, tweede lid 5.121, tweede lid 5.122, tweede lid 5.123, tweede lid 5.124, tweede lid 5.125, tweede lid 5.126, tweede lid Aan, wordt voldaan als toepassing wordt gegeven aan,,,,,, of. 2 artikel 5.92, tweede lid artikel 5.127 In afwijking van het eerste lid kan aan, worden voldaan door toepassing te geven aan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.119 — Artikel 5.119#
Artikel 5.119 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.120 — Artikel 5.120 (geur opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie – afstand)#
Artikel 5.120 (geur opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie – afstand) 1 Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in; b. artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in; c. artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in; d. artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in; en e. artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in. 2 3 artikel 4.835 van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan dat het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m, champost of dikke fractie, bedoeld in, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.120, in acht genomen. 3 Tabel 5.120 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m, champost of dikke fractie 3 Opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten hoogste 600 m, champost of dikke fractie Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.121 — Artikel 5.121 (geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong – afstand)#
Artikel 5.121 (geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong – afstand) 1 Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in kassen, bedoeld in; b. artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in; c. artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in; en d. artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in. 2 artikel 4.848 van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan dat het opslaan van gebruikt substraatmateriaal, bedoeld in, voor zover het gaat om gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.121, in acht genomen. Tabel 5.121 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.122 — Artikel 5.122 (geur opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen – afstand)#
Artikel 5.122 (geur opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen – afstand) 1 Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in; en b. artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in. 2 artikel 4.841 van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan dat het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de opslagplaats ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.122, in acht genomen. Tabel 5.122 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen Afstand Niet afgedekt opslaan 50 m Afgedekt opslaan 25 m 3 Het tweede lid geldt niet voor in plastic folie verpakte veevoederbalen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.123 — Artikel 5.123 (geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie – afstand)#
Artikel 5.123 (geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie – afstand) 1 Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in; b. artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in; en c. artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in. 2 artikel 4.855 van het Besluit activiteiten leefomgeving 2 3 In een omgevingsplan dat het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in, met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 mof een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, worden vanaf het mestbassin ten minste de afstanden, bedoeld in tabel 5.123, in acht genomen. 2 3 Tabel 5.123 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 mof een gezamenlijk volume van ten hoogste 2.500 m Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin Afstand tot een geurgevoelig gebouw Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving 2 Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m 50 m 25 m 2 2 Gezamenlijke oppervlakte 350 mtot en met 750 m 100 m 50 m 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.124 — Artikel 5.124 (geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten – afstand)#
Artikel 5.124 (geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten – afstand) 1 artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving Dit artikel is van toepassing op het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantaardig materiaal, bedoeld in. 2 artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving 3 In een omgevingsplan dat een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in, met een capaciteit van ten hoogste 25.000 mper jaar aan dierlijke meststoffen, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt vanaf de voorziening ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.124, in acht genomen. Tabel 5.124 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.125 — Artikel 5.125 (geur composteren of opslaan van groenafval – afstand)#
Artikel 5.125 (geur composteren of opslaan van groenafval – afstand) 1 Dit artikel is van toepassing op de volgende activiteiten: a. artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in; b. artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in kassen, bedoeld in; c. artikel 3.208 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in de openlucht, bedoeld in; d. artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving het telen van gewassen in een gebouw, bedoeld in; e. artikel 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van stoffen en het onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen voor agrarisch loonwerk, bedoeld in; en f. artikel 3.250 van het Besluit activiteiten leefomgeving het voor onderhoud van de openbare ruimte opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voertuigen of werktuigen, bedoeld in. 2 artikel 4.879 van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan dat het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in, toelaat bij een activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt tot een geurgevoelig gebouw ten minste de afstand, bedoeld in tabel 5.125, in acht genomen. De afstand geldt vanaf de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval. Tabel 5.125 Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het composteren of opslaan van groenafval Composteren of opslaan van groenafval Afstand Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur 100 m Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur 50 m 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.126 — Artikel 5.126 (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.126 (eerbiedigende werking) 1 artikel 5.120 artikel 5.121 artikel 5.122 artikel 5.125 Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest of champost, bedoeld in, het opslaan van substraatmateriaal, bedoeld in, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in, en het composteren van groenafval, bedoeld in, als: a. artikel 5.120, tweede lid 5.121, tweede lid 5.122, tweede lid 5.125, tweede lid de afstand tussen een activiteit als bedoeld in het eerste lid en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in,,, of; b. het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en c. verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 2 artikel 5.123, eerste lid Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in, als: a. artikel 5.123, tweede lid de afstand tussen een activiteit als bedoeld in het eerste lid en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in; b. het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en c. verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3 In een omgevingsplan dat een activiteit als bedoeld in het eerste of tweede lid toelaat: a. wordt de rechtmatig kleinere afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, in acht genomen; en b. wordt bepaald dat maatregelen of voorzieningen worden getroffen die ertoe leiden dat de geur aanvaardbaar is. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.127 — Artikel 5.127 (flexibiliteit – afwijken van afstanden)#
Artikel 5.127 (flexibiliteit – afwijken van afstanden) artikel 5.120, tweede lid 5.121, tweede lid 5.122, tweede lid 5.123, tweede lid 5.124, tweede lid 5.125, tweede lid In een omgevingsplan kan een afstand worden aangehouden die kleiner is dan de afstand, bedoeld in,,,,, of. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.128 — Artikel 5.128 (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.128 (eerbiedigende werking) paragrafen 5.1.5.2 5.1.5.3 De bepalingen in deenzijn niet van toepassing voor zover activiteiten: a. op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen; of b. zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129 — Artikel 5.129 (behoud vrije horizon)#
Artikel 5.129 (behoud vrije horizon) Een omgevingsplan laat geen activiteiten toe die een belemmering vormen voor het uitzicht op de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de blik op zee. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129a — Artikel 5.129a (aanwijzing PKB-Waddenzee en Waddengebied)#
Artikel 5.129a (aanwijzing PKB-Waddenzee en Waddengebied) 1 bijlage XIIIc De PKB-Waddenzee is de locatie die is weergegeven op de kaart in, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 bijlage XIIIc Het Waddengebied is de locatie die is weergegeven op de kaart in, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129b — Artikel 5.129b (landschappelijke kernkwaliteiten en kenmerkend cultureel erfgoed)#
Artikel 5.129b (landschappelijke kernkwaliteiten en kenmerkend cultureel erfgoed) 1 Als landschappelijke kernkwaliteiten van de PKB-Waddenzee worden aangemerkt de rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis. 2 Als kenmerkend cultureel erfgoed van de PKB-Waddenzee worden aangemerkt: a. historische scheepswrakken, verdronken en ondergeslibde nederzettingen en ontginningssporen, en andere in de PKB-Waddenzee aanwezige archeologische monumenten; b. zeedijken en daaraan verbonden historische sluizen; c. landaanwinningswerken; d. het systeem van stuifdijken; e. het systeem van historische vaar- en uitwateringsgeulen; f. kapen; en g. het ensemble Afsluitdijk. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129c — Artikel 5.129c (activiteiten met mogelijk significant nadelige gevolgen)#
Artikel 5.129c (activiteiten met mogelijk significant nadelige gevolgen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het Waddengebied, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor de landschappelijke kernkwaliteiten van de PKB-Waddenzee of het cultureel erfgoed van de PKB-Waddenzee, tenzij: a. er voor de activiteit geen reële alternatieven voorhanden zijn; b. zwaarwegende redenen van groot openbaar belang, waaronder belangen van sociale of economische aard, belangen die verband houden met de bescherming van de gezondheid, de openbare veiligheid of bereikbaarheid, het toelaten van de activiteit rechtvaardigen of als sprake is van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; en c. de nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129d — Artikel 5.129d (niet toegelaten activiteiten)#
Artikel 5.129d (niet toegelaten activiteiten) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de PKB-Waddenzee, laat het omgevingsplan de volgende activiteiten niet toe: a. het bouwen van een windturbine; b. de aanleg of zeewaartse uitbreiding van een haven of jachthaven, met uitzondering van: 1°. een beperkte zeewaartse uitbreiding van een jachthaven op een Waddeneiland, als die uitbreiding noodzakelijk is voor de veiligheid of bereikbaarheid en er geen andere passende oplossing is; 2°. een zeewaartse verlegging van de veerhaven in de gemeente Den Helder; en 3°. een zeewaartse uitbreiding van de haven van de gemeente Harlingen, als een binnendijkse uitbreiding van die haven redelijkerwijs niet mogelijk is; c. de aanleg of zeewaartse uitbreiding van een bedrijventerrein; d. andere bouwactiviteiten, dan die, bedoeld onder a, b en c, met uitzondering van het bouwen van: 1°. een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de veiligheid van de scheepvaart; 2°. een bouwwerk voor alternatieve mosselzaadbronnen; 3°. een bouwwerk voor een adequate afwatering van het vasteland; 4°. een wadwachtpost, als het gaat om een locatie die niet vanaf het vasteland of een Waddeneiland kan worden bewaakt; 5°. bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving een tijdelijk bouwwerk als bedoeld invoor wetenschappelijk onderzoek en monitoring; 6°. een bouwwerk voor activiteiten als bedoeld onder b, onder 1° tot en met 3°, en onder f, onder 1° en 2°; en 7°. een bouwwerk dat een bestaand bouwwerk vervangt, voor zover het gaat om een bouwwerk van gelijke aard en omvang en gelijk karakter; e. het inpolderen, bedijken of indijken van delen van de PKB-Waddenzee; f. het winnen van mineralen door afbaggering van de zeebodem, met uitzondering van: 1°. het winnen van vrijkomend zand bij onderhoud en de incidentele verdieping van vaargeulen en bij overeenkomstig dit artikel toegelaten bouwactiviteiten; en 2°. het winnen van schelpen beneden 5 m onder NAP; en g. het parkeren van een booreiland of andere offshore-installatie. 2 artikel 5.129c Op het in het omgevingsplan toelaten van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onder b, onder 1° tot en met 3°, onder d, onder 1° tot en met 6°, en onder f, onder 1° en 2°, isvan overeenkomstige toepassing. 3 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie direct grenzend aan de PKB-Waddenzee, is het eerste lid, aanhef en onder b en c, van overeenkomstige toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129e — Artikel 5.129e (mijnbouwactiviteiten)#
Artikel 5.129e (mijnbouwactiviteiten) 1 artikel 2.44, eerste lid, van de wet Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de PKB-Waddenzee, het op grond vanaangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee, het werelderfgoed Waddenzee of de Waddeneilanden, laat het omgevingsplan geen mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van delfstoffen toe. 2 artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving Het eerste lid geldt niet voor het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in, op een locatie waarop zich een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van delfstoffen bevindt dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit rechtmatig aanwezig was. 3 artikel 1, onder e en f, van de Mijnbouwwet artikel 2.44, eerste lid, van de wet Een omgevingsplan dat bouwwerken voor het opsporen of winnen van delfstoffen als bedoeld intoelaat op het vasteland, voor zover dat is gelegen in het Waddengebied en niet is gelegen in de PKB-Waddenzee, de op grond vanaangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone of het Werelderfgoed Waddenzee, bepaalt dat bouwwerken voor de opsporing en winning zo in het landschap worden ingepast dat die bouwwerken de openheid van het landschap niet aantasten. 4 Het derde lid geldt niet voor verplaatsbare mijnbouwwerken, voor zover het gaat om het aanleggen, aanpassen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat op een locatie waarop zich een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van delfstoffen bevindt dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit rechtmatig aanwezig was. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.129f — Artikel 5.129f (overige toegelaten activiteiten)#
Artikel 5.129f (overige toegelaten activiteiten) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het Waddengebied, laat het omgevingsplan: a. geen aanleg van een burgerluchthaven toe; en b. de uitbreiding van de luchthavens in de gemeenten Texel en Ameland alleen toe als dat noodzakelijk is voor de vliegveiligheid. 2 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het Waddengebied, met uitzondering van de PKB-Waddenzee, en bouwactiviteiten toelaat, bepaalt het omgevingsplan: a. voor bouwactiviteiten in stedelijk gebied dat de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken aansluit bij de hoogte van de bestaande bebouwing; en b. voor bouwactiviteiten buiten stedelijk gebied dat de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken en de aard en doeleinden van nieuwe bebouwing passen bij de aard van het omringende landschap. 3 In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt een omgevingsplan voor bouwactiviteiten in het stedelijk gebied van de gemeenten Den Helder, Harlingen en Delfzijl en de Eemshaven dat nieuwe bouwwerken worden ingepast in de stedenbouwkundige structuur van dat stedelijk gebied. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.129g — Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)#
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1 Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2 Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4 artikel 1 van de Dienstenwet Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld inen de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.130 — Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed)#
Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) 1 In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. 2 Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; d. het voorkomen van aantasting van: 1°. de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2°. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en e. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. 3 In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: a. regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en b. gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. 4 2 Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, bepaalt het omgevingsplan dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m. 5 In afwijking van het vierde lid kan in een omgevingsplan een andere oppervlakte worden vastgesteld. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.131 — Artikel 5.131 (behoud werelderfgoed)#
Artikel 5.131 (behoud werelderfgoed) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.131a — Artikel 5.131a (opwekking zonne-energie)#
Artikel 5.131a (opwekking zonne-energie) Bij het toelaten van nieuw te bouwen gebouwen wordt rekening gehouden met het potentieel voor de opwekking van zonne-energie op basis van de zonnestraling ter plaatse, zodat zonne-energietechnologieën kosteneffectief kunnen worden geïnstalleerd. 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 29-05-2026
Artikel 5.131b — Artikel 5.131b (fietsparkeerplaatsen bij gebouwen)#
Artikel 5.131b (fietsparkeerplaatsen bij gebouwen) 1 Als een omgevingsplan een nieuw te bouwen gebouw met een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie toelaat en bij dat gebouw wordt voorzien in een parkeergelegenheid voor auto’s in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel met ten minste vijf parkeervakken, bepaalt het omgevingsplan dat moet zijn voorzien in een parkeergelegenheid voor fietsen, waarbij het aantal fietsparkeerplaatsen ten minste 15% van de gemiddelde of 10% van de totale gebruikerscapaciteit van het gebouw vertegenwoordigt. 2 Bij de inrichting van de fietsparkeerplaatsen wordt rekening gehouden met de ruimte die nodig is voor fietsen met grotere afmetingen dan standaardfietsen. 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 29-05-2026
Artikel 5.132 — Artikel 5.132 (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.132 (eerbiedigende werking) 1 paragrafen 5.1.6.2 5.1.6.3 De bepalingen in deenzijn niet van toepassing voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. 2 paragrafen 5.1.6.2 5.1.6.3 5.1.6.4 De bepalingen in de,enzijn niet van toepassing voor zover activiteiten zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk. 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 5.133 — Artikel 5.133 (aanwijzing reserveringsgebieden autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen)#
Artikel 5.133 (aanwijzing reserveringsgebieden autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen) 1 Reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg zijn de locaties, die bij ministeriële regeling zijn aangewezen en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 De breedte van een reserveringsgebied voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep en bedraagt ten hoogste: a. 34 m aan weerszijden van de weg voor de mogelijke uitbreiding met één rijstrook per rijrichting; b. 38 m aan weerszijden van de weg voor de mogelijke uitbreiding met twee rijstroken per rijrichting; c. 41 m aan weerszijden van de weg voor de mogelijke uitbreiding met drie rijstroken per rijrichting; of d. 45 m aan weerszijden van de weg voor de mogelijke uitbreiding met vier rijstroken per rijrichting. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.134 — Artikel 5.134 (geen bouwactiviteiten)#
Artikel 5.134 (geen bouwactiviteiten) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, laat het omgevingsplan geen bouwactiviteiten toe. 2 Het eerste lid geldt niet voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk dat wordt toegelaten voor een periode van ten hoogste vijf jaar. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.135 — Artikel 5.135 (buisleidingen van nationaal belang)#
Artikel 5.135 (buisleidingen van nationaal belang) Deze paragraaf is van toepassing op buisleidingen, anders dan buisleidingen voor het vervoer van stoffen in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen, die deel uitmaken van een provinciegrensoverschrijdend netwerk van buisleidingen dat is bestemd of wordt gebruikt voor vervoer over lange afstand van: a. aardgas, als de buisleiding een uitwendige diameter heeft van ten minste 45,7 cm en een druk van ten minste 4.000 kPa; of b. artikel 3.101, eerste lid, onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving stoffen of producten als bedoeld in, als de buisleiding een diameter en druk heeft als bedoeld in die onderdelen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.136 — Artikel 5.136 (aanwijzing reserveringsgebieden buisleidingen van nationaal belang)#
Artikel 5.136 (aanwijzing reserveringsgebieden buisleidingen van nationaal belang) 1 Reserveringsgebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang zijn de locaties, die bij ministeriële regeling zijn aangewezen en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. De breedte van een reserveringsgebied bedraagt ten hoogste 70 m, tenzij het gaat om een reserveringsgebied dat een rijkswater kruist. 2 Aan weerszijden van een reserveringsgebied ligt een zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang met een breedte van 250 m, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van het reserveringsgebied. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.137 — Artikel 5.137 (nadere uitwerking ligging reserveringsgebied)#
Artikel 5.137 (nadere uitwerking ligging reserveringsgebied) In een omgevingsplan kan de ligging van een reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang nader worden uitgewerkt, mits het reserveringsgebied: a. artikel 5.136, tweede lid blijft binnen het zoekgebied, bedoeld in; b. aansluit op het reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang in de naastliggende gemeenten; en c. een breedte heeft die gelijk is aan de breedte die dat reserveringsgebied over het grootste deel van het gebied heeft. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.138 — Artikel 5.138 (geen belemmeringen voor aanleg van buisleidingen)#
Artikel 5.138 (geen belemmeringen voor aanleg van buisleidingen) 1 artikel 5.136, eerste lid artikel 5.137 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang als bedoeld in, of een reserveringsgebied waarvan de ligging nader is uitgewerkt als bedoeld in, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. 2 Als belemmeringen worden in ieder geval aangemerkt: a. bouwactiviteiten, met uitzondering van het bouwen van een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de aanleg, het onderhoud of de instandhouding van de buisleiding van nationaal belang; b. de aanleg van een verharde weg of een verhard pad of een spoorweg in de lengterichting van het reserveringsgebied; c. de aanleg van een watergang in de lengterichting van het reserveringsgebied; d. de aanleg van een waterkering of een daaraan grenzend gebied waar ter bescherming van de kering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die kering in de lengterichting van het reserveringsgebied; e. de aanleg van een buisleiding, anders dan een buisleiding van nationaal belang, of een ondergrondse hoogspanningsverbinding of een ondergronds leidingstelsel in de lengterichting van het reserveringsgebied; f. het bebossen; en g. het gebruik als stortplaats voor afvalstoffen of permanente opslag van grond of andere stoffen of zaken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.139 — Artikel 5.139 (aanleg buisleidingen van nationaal belang)#
Artikel 5.139 (aanleg buisleidingen van nationaal belang) 1 Een omgevingsplan laat de aanleg van een buisleiding van nationaal belang alleen toe: a. artikel 5.136, eerste lid artikel 5.137 binnen een reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang als bedoeld in, of een reserveringsgebied waarvan de ligging nader is uitgewerkt als bedoeld in; en b. op zodanige wijze dat de buisleiding zich ten minste 5 m vanaf de buitenste begrenzing van het reserveringsgebied bevindt, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. 2 Het eerste lid is niet van toepassing als het begin- of eindpunt van een buisleiding buiten een reserveringsgebied ligt en de buisleiding een zoveel mogelijk rechtstreekse verbinding legt tussen het reserveringsgebied en dat begin- of eindpunt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.140 — Artikel 5.140 (aanwijzing aanleggebieden Maasvlakte 2 en compensatie)#
Artikel 5.140 (aanwijzing aanleggebieden Maasvlakte 2 en compensatie) 1 Het aanleggebied voor Maasvlakte 2 is de locatie in de Noordzee direct ten westen van en aansluitend op de voormalige, op 20 november 2006 bestaande kust ter hoogte van het Rotterdamse havengebied, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 Het aanleggebied voor compensatie van open droog duin en natte duinvallei is de locatie, bekend als het Natura 2000-gebied Spanjaards Duin, gelegen langs de Delflandse kust ter hoogte van ‘s-Gravenzande, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 Het aanleggebied voor compensatie van zeenatuur is de locatie in de Voordelta, bestaande uit het ondiepe zeegedeelte van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta ter grootte van een gebied van circa 40.000 ha, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.141 — Artikel 5.141 (functies aanleggebied Maasvlakte 2)#
Artikel 5.141 (functies aanleggebied Maasvlakte 2) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het aanleggebied voor Maasvlakte 2, bevat het omgevingsplan voor een grondoppervlakte van ten hoogste 1.000 ha netto uitgeefbaar terrein de functie-aanduiding haven- en industrieterrein. 2 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het aanleggebied voor Maasvlakte 2, laat het omgevingsplan voor locaties waarvoor dat omgevingsplan de functie-aanduiding haven- en industrieterrein bevat, geen andere activiteiten toe dan deep sea gebonden en direct daaraan gerelateerde activiteiten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.142 — Artikel 5.142 (geen belemmeringen voor aanleg en ontwikkeling natuur)#
Artikel 5.142 (geen belemmeringen voor aanleg en ontwikkeling natuur) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het aanleggebied voor compensatie van open droog duin en natte duinvallei, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg en ontwikkeling van 100 ha duin. 2 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het aanleggebied voor compensatie van zeenatuur, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg en ontwikkeling van 31.250 ha zeenatuur. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.143 — Artikel 5.143 (aanwijzing natuur- en recreatiegebieden)#
Artikel 5.143 (aanwijzing natuur- en recreatiegebieden) 1 Het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde is de locatie bekend als het Buijtenland van Rhoon, gelegen in de gemeente Albrandswaard, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 Het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder is de locatie bekend als de Vlinderstrik, gelegen aan de noordzijde van de gemeente Rotterdam, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 Het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Schiezone is de locatie gelegen aan de noordzijde van de gemeente Rotterdam, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.144 — Artikel 5.144 (natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde)#
Artikel 5.144 (natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde, laat het omgevingsplan alleen toe: a. hoogwaardige akkernatuur en openluchtrecreatie; b. agrarische activiteiten, voor zover deze bijdragen aan hoogwaardige akkernatuur en openluchtrecreatie; c. het behoud van aanwezige landschappelijke elementen en cultureel erfgoed; en d. leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit. 2 In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan ter plaatse van het natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde die activiteiten toelaten die voor 30 december 2011 op die locatie waren toegelaten, als op die datum: a. al een of meer gebouwen op die locatie aanwezig waren; b. voor het bouwen van een gebouw op die locatie een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk was verleend; of c. een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder b was ingediend en die omgevingsvergunning na die datum is verleend. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.145 — Artikel 5.145 (natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder)#
Artikel 5.145 (natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder, laat het omgevingsplan voor een totale grondoppervlakte van circa 100 ha natuur en recreatie toe. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.146 — Artikel 5.146 (natuur- en recreatiegebied Schiezone)#
Artikel 5.146 (natuur- en recreatiegebied Schiezone) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het natuur- en recreatiegebied Schiezone, laat het omgevingsplan voor een totale grondoppervlakte van circa 50 ha natuur en recreatie toe. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.147 — Artikel 5.147 (aanwijzing reserveringsgebied parallelle Kaagbaan)#
Artikel 5.147 (aanwijzing reserveringsgebied parallelle Kaagbaan) Vervallen 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 5.148 — Artikel 5.148 (beperkingen reserveringsgebied parallelle Kaagbaan)#
Artikel 5.148 (beperkingen reserveringsgebied parallelle Kaagbaan) Vervallen 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 5.149 — Artikel 5.149 (eerbiedigende werking)#
Artikel 5.149 (eerbiedigende werking) 1 paragrafen 5.1.7.2 5.1.7.3 artikelen 5.157 5.159 5.1.7.4 5.1.7.5 5.1.7.6 5.1.7.7 De bepalingen in de,, met uitzondering van deen,,,enzijn niet van toepassing voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. 2 paragrafen 5.1.7.2 5.1.7.3 5.1.7.4 De bepalingen in de,enzijn niet van toepassing voor zover activiteiten zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk. 3 paragraaf 5.1.7.7 De bepalingen inzijn niet van toepassing voor zover activiteiten zijn toegestaan op grond van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 5.150 — Artikel 5.150 (aanwijzing militaire terreinen en terreinen met een militair object)#
Artikel 5.150 (aanwijzing militaire terreinen en terreinen met een militair object) 1 bijlage XIV Militaire terreinen en terreinen met een militair object zijn de locaties, genoemd in, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 bijlage XIV Onveilige gebieden bij militaire schietbanen zijn de locaties, genoemd in, onder B, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 bijlage XIV Gebieden waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren zijn de locaties, genoemd in, onder C, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 4 bijlage XIV Gebieden waar zich een militaire laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen bevindt, zijn de locaties, genoemd in, onder D, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 5 bijlage XIV Gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, zijn de locaties binnen een straal van 75 km rondom de radarstations, genoemd in, onder E, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.151 — Artikel 5.151 (geen belemmeringen voor militaire terreinen en objecten)#
Artikel 5.151 (geen belemmeringen voor militaire terreinen en objecten) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een militair terrein of een terrein met een militair object, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die het gebruik van dat terrein of object kunnen belemmeren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.152 — Artikel 5.152 (geen belemmeringen voor oefen- en schietgebieden)#
Artikel 5.152 (geen belemmeringen voor oefen- en schietgebieden) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een onveilig gebied bij een militaire schietbaan, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die het gebruik van dat gebied als oefen- en schietgebied kunnen belemmeren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.153 — Artikel 5.153 (geen belemmeringen voor militaire zend- en ontvangstinstallaties)#
Artikel 5.153 (geen belemmeringen voor militaire zend- en ontvangstinstallaties) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren, laat het omgevingsplan het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 22 m vanaf het maaiveld niet toe. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.154 — Artikel 5.154 (geen belemmeringen voor laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen)#
Artikel 5.154 (geen belemmeringen voor laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied waar zich een laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen bevindt, laat het omgevingsplan het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m vanaf het maaiveld niet toe. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.155 — Artikel 5.155 (geen belemmeringen voor militair radarbeeld)#
Artikel 5.155 (geen belemmeringen voor militair radarbeeld) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, laat het omgevingsplan niet toe dat: a. bijlage XIV binnen een straal van 15 km vanaf de radar bouwwerken worden gebouwd die de maximale hoogte van bouwwerken, bedoeld in de tabel in, onder E, overschrijden; en b. bijlage XIV binnen een straal van 15 tot 75 km vanaf de radar windturbines worden gebouwd met een tiphoogte die de maximale hoogte van windturbines, bedoeld in de tabel in, onder E, overschrijdt. 2 Als op een locatie meerdere gebieden als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, elkaar overlappen en sprake is van verschillende maximale hoogtes, is de laagste hoogte bepalend. 3 In een omgevingsplan kan worden bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken of windturbines te bouwen die hoger zijn dan de maximale hoogte, bedoeld in het eerste lid, als regels worden gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als die bouwwerken respectievelijk windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het radarbeeld. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.156 — Artikel 5.156 (aanwijzing locaties voor elektriciteitsvoorziening)#
Artikel 5.156 (aanwijzing locaties voor elektriciteitsvoorziening) 1 bijlage XV Locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking met een of meer elektriciteitsproductie-installaties met een gezamenlijk vermogen van ten minste 500 MW en de daarmee verbonden werken en infrastructuur, met uitzondering van kernenergiecentrales en elektriciteitsproductie-installaties die elektriciteit opwekken door windenergie, zijn de locaties, genoemd in, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 bijlage XV Locaties voor een kernenergiecentrale zijn de locaties, genoemd in, onder B, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 bijlage XV Locaties voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV zijn de tracés tussen de locaties, genoemd in, onder C, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd en de tracés tussen een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking en het hoogspanningsnet met een spanning van ten minste 220 kV. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.157 — Artikel 5.157 (waarborging locaties grootschalige elektriciteitsopwekking)#
Artikel 5.157 (waarborging locaties grootschalige elektriciteitsopwekking) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking, laat het omgevingsplan grootschalige elektriciteitsopwekking toe, voorziet het omgevingsplan in voldoende ruimte daarvoor en bevat het omgevingsplan geen regels die het gebruik van de installaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking beperken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.158 — Artikel 5.158 (waarborging locaties kernenergiecentrale)#
Artikel 5.158 (waarborging locaties kernenergiecentrale) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een kernenergiecentrale en het gebied binnen een straal van één km rondom die locatie, laat het omgevingsplan niet toe: a. het bouwen van gebouwen met een woonfunctie, wanneer als gevolg daarvan het aantal inwoners in het gebied meer dan 5.000 zal bedragen; en b. het bouwen of de realisatie van andere kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties, met uitzondering van een kernenergiecentrale op de locatie en kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor het gebied of voor een binnen het gebied toegelaten activiteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.159 — Artikel 5.159 (waarborging hoogspanningsverbinding)#
Artikel 5.159 (waarborging hoogspanningsverbinding) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, bevat het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het omgevingsplan het gebruik als hoogspanningsverbinding en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere voor die hoogspanningsverbinding noodzakelijke hulpmiddelen toe. 2 Een omgevingsplan wijst geen ander tracé voor hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV aan. 3 In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan een ander tracé voor de hoogspanningsverbinding aanwijzen, mits: a. de hoogspanningsverbinding als zodanig in het omgevingsplan wordt gehandhaafd; b. het gewijzigde tracé aansluit op het tracé voor de hoogspanningsverbinding in de naastliggende gemeenten; en c. de wijziging geen nadelige gevolgen heeft voor de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet die onevenredig zijn in verhouding tot het belang dat met de wijziging van het tracé wordt gediend. 4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het gewijzigde tracé. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.160 — Artikel 5.160 (aanwijzing vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen)#
Artikel 5.160 (aanwijzing vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen) Een rijkswater, uitgezonderd de Noordzee, de Waddenzee, de Westerschelde en het IJsselmeer, dat een vaarweg is, heeft aan weerszijden van die vaarweg een vrijwaringsgebied met een breedte die afhankelijk is van de afmetingen van het scheepvaartverkeer op de vaarweg, maar die ten hoogste 50 m bedraagt en waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.161 — Artikel 5.161 (voorkomen belemmeringen scheepvaart)#
Artikel 5.161 (voorkomen belemmeringen scheepvaart) artikel 5.160 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een rijkswater als bedoeld indat een vaarweg is of een vrijwaringsgebied als bedoeld in dat artikel, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het voorkomen van belemmeringen voor: a. de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de vaarweg voor hulpdiensten; en e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de vaarweg. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.161a — Artikel 5.161a (geen belemmeringen communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart)#
Artikel 5.161a (geen belemmeringen communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart) 1 bijlage XVa Gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regionale betekenis kunnen verstoren, zijn de locaties, genoemd in, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 bijlage XVa Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied als bedoeld in het eerste lid, laat het omgevingsplan geen bouwwerken toe die de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken, bedoeld in, overschrijden. 3 bijlage XVa Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied als bedoeld in het eerste lid, laat het omgevingsplan geen windturbines toe met een tiphoogte die de maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken en windturbines, bedoeld in, overschrijdt. 4 In een omgevingsplan kan worden bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken of windturbines te bouwen die hoger zijn dan de maximale hoogte, bedoeld in het tweede respectievelijk derde lid, als regels worden gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als die bouwwerken respectievelijk windturbines geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de apparatuur, bedoeld in het eerste lid. 5 artikelen 5.150, vijfde lid 5.155 bijlage XIV De, enzijn van overeenkomstige toepassing op de locatie rondom radarstations, genoemd in, onder F. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 5.161b — Artikel 5.161b (behoud landelijke fiets- en wandelroutes)#
Artikel 5.161b (behoud landelijke fiets- en wandelroutes) bijlage XVI Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die de landelijke fiets- en wandelroutes, genoemd in, kunnen doorsnijden, wordt het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes bij het omgevingsplan betrokken. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.161ba — Artikel 5.161ba (toepassingsbereik)#
Artikel 5.161ba (toepassingsbereik) 1 Deze paragraaf is van toepassing op hyperscale datacentra. 2 artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving Onder een hyperscale datacentrum wordt verstaan het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. 3 Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen. 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 5.161bb — Artikel 5.161bb (aanwijzing uitsluitingsgebied hyperscale datacentra)#
Artikel 5.161bb (aanwijzing uitsluitingsgebied hyperscale datacentra) Het uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, zijnde het gebied waar geen hyperscale datacentra zijn toegelaten, is het grondgebied van Nederland met uitzondering van enkele locaties gelegen in de gemeenten Het Hogeland en Hollands Kroon, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 5.161bc — Artikel 5.161bc (geen hyperscale datacentra)#
Artikel 5.161bc (geen hyperscale datacentra) artikel 5.161bb Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, bedoeld in, laat het omgevingsplan geen hyperscale datacentrum toe. 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 5.161c — Artikel 5.161c (aanwijzing woningbouwcategorieën)#
Artikel 5.161c (aanwijzing woningbouwcategorieën) 1 artikel 13.11, eerste lid, van de wet Een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond vankosten moeten worden verhaald, kan regels over te realiseren categorieën woningen bevatten, voor zover het gaat om: a. artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in; b. sociale koopwoningen, zijnde koopwoningen met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie; c. artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte middenhuurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld inmet inbegrip van, voor zover van toepassing, de vermeerdering, bedoeld in; en d. woningen die alleen mogen worden gebouwd in particulier opdrachtgeverschap. 2 Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, bevat, bepaalt dat het gebruik van bedoelde woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen respectievelijk middenhuurwoningen in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn. 3 De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt: a. voor sociale huurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname; b. voor sociale koopwoningen: ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname; en c. voor middenhuurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname. 4 artikel 13.11, eerste lid, van de wet Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, bevat, verzekert dat bouwactiviteiten als bedoeld inop percelen voor particulier opdrachtgeverschap worden verricht door een burger of een groep van burgers, georganiseerd als rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst, die: a. ten minste een zakelijk recht op het gebruik van de grond verkrijgt; en b. volledige zeggenschap heeft en verantwoordelijkheid draagt over het gebruik van de grond en over het ontwerp en de bouw van de woning. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024 Artikel III van Stb. 2024/194 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 5.162 — Artikel 5.162 (toegankelijkheid openbare buitenruimte)#
Artikel 5.162 (toegankelijkheid openbare buitenruimte) Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.163 — Artikel 5.163 (voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen)#
Artikel 5.163 (voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen) In een omgevingsplan dat van toepassing is op de hoofdspoorweginfrastructuur of op een weg in beheer bij het Rijk worden geen regels gesteld die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.164 — Artikel 5.164 (lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s)#
Artikel 5.164 (lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s) 1 artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 Dit artikel is van toepassing op lokale spoorwegen binnen de op grond vanaangewezen gebieden. 2 artikel 12 van de Wet lokaal spoor artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 In het omgevingsplan wordt de geometrische begrenzing vastgelegd van het beperkingengebied waarbinnen de vergunningplicht voor een beperkingengebiedactiviteit geldt volgens de aanwijzing van dit gebied op grond vandoor het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.165 — Artikel 5.165 (lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool)#
Artikel 5.165 (lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool) hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving Als industrieel afvalwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die inis aangewezen, wordt geloosd op het openbaar vuilwaterriool, laat een omgevingsplan die lozing alleen toe, als wordt voldaan aan de eisen van bijlage I, afdeling C, bij de richtlijn stedelijk afvalwater. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.165a — Artikel 5.165a (bebouwingscontour jacht)#
Artikel 5.165a (bebouwingscontour jacht) artikelen 11.71, vierde lid 11.76, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van de, eneen bebouwingscontour jacht aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied en aansluitend aan lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.165b — Artikel 5.165b (bebouwingscontour houtkap)#
Artikel 5.165b (bebouwingscontour houtkap) artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving In een omgevingsplan wordt voor de toepassing vaneen bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 5.166 — Artikel 5.166 (ontheffing instructieregels omgevingsplan)#
Artikel 5.166 (ontheffing instructieregels omgevingsplan) paragrafen 5.1.3.2 5.1.3.3 5.1.3.4 5.1.3.5 5.1.5.2 5.1.5.3 artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g 5.129e, eerste en tweede lid 5.1.6.2 5.1.6.3 5.1.6.4 5.1.7 artikel 5.163 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in de,,,,,, met uitzondering van de, en,,,enen. 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 5.167 — Artikel 5.167 (ontheffing blijft geldig)#
Artikel 5.167 (ontheffing blijft geldig) 1 Een ontheffing die is verleend voor een besluit tot vaststelling van een projectbesluit geldt als ontheffing voor een latere wijziging van een omgevingsplan, voor zover die wijziging toelaat wat op grond van het projectbesluit was toegestaan. 2 Een ontheffing die is verleend voor een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt als ontheffing voor: a. het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met die omgevingsvergunning; en b. een latere wijziging van een omgevingsplan, voor zover die wijziging toelaat wat op grond van een wijziging van het omgevingsplan als bedoeld onder a was toegestaan. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 6.1 — Artikel 6.1 (instructieregel lozingen)#
Artikel 6.1 (instructieregel lozingen) Voor zover in een waterschapsverordening regels worden gesteld over een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap, worden in de waterschapsverordening de eisen, bedoeld in de artikelen 10 en 11, derde lid, aanhef en onder g, van de kaderrichtlijn water, in acht genomen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 6.2 — Artikel 6.2 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor waterlichaam)#
Artikel 6.2 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor waterlichaam) 1 Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam. 2 De waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid artikel 2.18, eerste lid niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; b. artikel 2.12, eerste lid artikel 2.18, tweede lid een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; en c. artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d een minder strenge doelstelling als bedoeld in, niet wordt bereikt. 3 Het tweede lid is niet van toepassing: a. artikel 2.10, eerste lid artikel 2.17, derde lid voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2°. artikel 2.17, vierde lid toepassing is gegeven aan. 4 artikel 4.15, eerste lid De waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er ook niet toe mag leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in, niet wordt bereikt. 5 De waterschapsverordening bepaalt dat het bevoegd gezag in afwijking van het vierde lid een omgevingsvergunning kan verlenen als: a. de aanvraag betrekking heeft op: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling, voor zover het gaat om de achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 6.3 — Artikel 6.3 (aanwijzing bodembeheergebieden)#
Artikel 6.3 (aanwijzing bodembeheergebieden) 1 In een waterschapsverordening kunnen een of meer bodembeheergebieden worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van de kwaliteitseisen voor: a. artikel 4.1273 4.1275 4.1277 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in,,of; of b. artikel 4.1289 4.1291 van het Besluit activiteiten leefomgeving het in een oppervlaktewaterlichaam in het bij ministeriële regeling aangewezen toepassingsgebied toepassen van mijnsteen of vermengde mijnsteen, bedoeld inof. 2 Bodembeheergebieden worden aangewezen met het oog op het bevorderen dat grond of baggerspecie, in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a, of mijnsteen of vermengde mijnsteen, in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder b, die binnen het aangewezen gebied zijn ontgraven, binnen dat gebied weer zo kunnen worden toegepast dat op de schaal van het gebied een goed resultaat wordt behaald uit een oogpunt van het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. 3 In de waterschapsverordening wordt de geometrische begrenzing van een aangewezen bodembeheergebied vastgesteld. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.1 — Artikel 7.1 (algemeen)#
Artikel 7.1 (algemeen) Afdeling 5.1 artikel 4.2, tweede lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsverordening, voor zover die regels als bedoeld inbevat. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.1a — Artikel 7.1a (kernkwaliteiten kustfundament)#
Artikel 7.1a (kernkwaliteiten kustfundament) 1 artikel 5.39 Het kustfundament is de locatie, bedoeld in. 2 artikel 4.2, eerste lid, van de wet artikel 5.40, tweede lid, onder e Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming en instandhouding van de kernkwaliteiten van het kustfundament regels gesteld over regels in omgevingsplannen als bedoeld in, voor zover het gaat om gebouwen en bouwwerken als bedoeld in. 3 Tot de kernkwaliteiten van het kustfundament behoren: a. vrij zicht en grootschaligheid; b. de natuurlijke dynamiek van de kust; c. robuuste waterstaat; d. het contrast tussen compacte bebouwingskernen en uitgestrekte onbebouwde gebieden; e. het contrast tussen kustfundament en achterland; f. kustgebonden cultureel erfgoed in duingebied en achterland; g. specifieke kenmerken van kustplaatsen in relatie tot het achterland; en h. specifieke gebruikskwaliteiten. 2020 204 25-06-2020 27-05-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 7.2 — Artikel 7.2 (bouwen binnen het kustfundament Friese Waddeneilanden)#
Artikel 7.2 (bouwen binnen het kustfundament Friese Waddeneilanden) artikel 5.40, eerste lid Bij omgevingsverordening kan de provincie Fryslân voor de Friese Waddeneilanden regels stellen over omgevingsplannen die afwijken van. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.3 — Artikel 7.3 (aanwijzing en begrenzing van werelderfgoed)#
Artikel 7.3 (aanwijzing en begrenzing van werelderfgoed) 1 Droogmakerij de Beemster is de locatie bekend als de polder De Beemster, gelegen op het grondgebied van de provincie Noord-Holland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2 Hollandse Waterlinies is de locatie bekend als de samengevoegde vroegere verdedigingslinies Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie, gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 3 Schokland en omgeving is de locatie bekend als het voormalige Zuiderzee-eiland Schokland en een deel van de omliggende Noordoostpolder, gelegen op het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 4 Neder-Germaanse Limes is de locatie bekend als de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 5 Koloniën van Weldadigheid is de locatie bekend als een serie van agrarische koloniën gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid, gelegen op het grondgebied van de provincies Drenthe en Fryslân, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. 2025 284 21-10-2025 04-10-2025 2025 355 14-11-2025 04-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.4 — Artikel 7.4 (kernkwaliteiten)#
Artikel 7.4 (kernkwaliteiten) 1 artikel 7.3 bijlage XVII Kernkwaliteiten van de werelderfgoederen, bedoeld in, zijn de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed inin hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed. 2 Bij omgevingsverordening worden de kernkwaliteiten nader uitgewerkt. 3 Bij omgevingsverordening worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen regels gesteld over: a. artikel 4.2, eerste lid, van de wet regels in omgevingsplannen als bedoeld in; en b. artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet projectbesluiten als bedoeld in. 4 De regels voorzien er in ieder geval in dat geen activiteiten worden toegelaten die de kernkwaliteiten aantasten. 5 Bij omgevingsverordening kan, voor zover het gaat om activiteiten die in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed, worden bepaald dat van de regels door gedeputeerde staten: a. ontheffing kan worden verleend aan een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap; en b. kan worden afgeweken bij het vaststellen van een projectbesluit, voor zover: 1°. het gaat om een project dat onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met die regels; en 2°. in het projectbesluit rekening wordt gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in het tweede lid. 2025 284 21-10-2025 04-10-2025 2025 355 14-11-2025 04-11-2025 01-01-2026
Artikel 7.5 — Artikel 7.5 (toepassingsbereik)#
Artikel 7.5 (toepassingsbereik) artikelen 7.6 tot en met 7.8 Dezijn niet van toepassing op: a. bijlage II, onder 1, onder A, bij het Omgevingsbesluit de rijkswateren, genoemd in, met uitzondering van de uiterwaarden van de tot de rijkswateren behorende rivieren en de Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch; en b. het Lauwersmeer, het Veerse meer, het Vuile Gat in het Haringvliet en de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.6 — Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland)#
Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1 artikel 2.44, vierde lid, van de wet Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2 bijlage XIV De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.7 — Artikel 7.7 (wezenlijke kenmerken en waarden)#
Artikel 7.7 (wezenlijke kenmerken en waarden) 1 artikel 7.6, eerste lid Bij omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van de gebieden, bedoeld in. 2 artikel 2.18, eerste lid, onder g, van de wet De wezenlijke kenmerken en waarden, waartoe ook potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities kunnen behoren, worden bepaald met inachtneming van in ieder geval de doelstellingen, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.8 — Artikel 7.8 (beschermingsregime)#
Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1 Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. artikel 4.2, eerste lid, van de wet regels in omgevingsplannen als bedoeld in; en b. artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet projectbesluiten als bedoeld in. 2 De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3 artikel 5.150, eerste lid Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.8a — Artikel 7.8a (omgevingsverordening met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten)#
Artikel 7.8a (omgevingsverordening met vergunningvrije Natura 2000-activiteiten of flora- en fauna-activiteiten) 1 artikel 11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 11.21 van dat besluit Een omgevingsverordening die vergunningvrije Natura 2000-activiteiten aanwijst als bedoeld in, voldoet aan. 2 Een omgevingsverordening die vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten aanwijst: a. artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 11.44, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, voldoet aan; b. artikel 11.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 11.52, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, voldoet aan; c. artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijlage IX bij dat besluit artikel 11.58, eerste lid, van dat besluit als bedoeld inmet betrekking tot dieren of planten van soorten, genoemd in, voldoet aan. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.9 — Artikel 7.9 (voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen)#
Artikel 7.9 (voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen) Een omgevingsverordening bevat geen regels die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur of een weg in beheer bij het Rijk belemmeren. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.10 — Artikel 7.10 (lokale spoorwegen buiten vervoerregio’s)#
Artikel 7.10 (lokale spoorwegen buiten vervoerregio’s) 1 artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 Dit artikel is van toepassing op lokale spoorwegen buiten de op grond vanaangewezen gebieden. 2 In een omgevingsverordening wordt de geometrische begrenzing van de beperkingengebieden met betrekking tot lokale spoorwegen vastgelegd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.10a — Artikel 7.10a (aanwijzing wegen en spoorwegen voor geluidproductieplafonds)#
Artikel 7.10a (aanwijzing wegen en spoorwegen voor geluidproductieplafonds) 1 In een omgevingsverordening worden voor de vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden ten minste de provinciale wegen aangewezen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal gemiddeld over een kalenderjaar. 2 artikel 2.13a, eerste lid, onder b, van de wet In een omgevingsverordening kunnen alleen lokale spoorwegen als bedoeld inworden aangewezen voor zover die niet zijn verweven of gebundeld met delen van een weg. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.11 — Artikel 7.11 (stiltegebieden en grondwaterbeschermingsgebieden)#
Artikel 7.11 (stiltegebieden en grondwaterbeschermingsgebieden) 1 Een omgevingsverordening bevat in ieder geval regels over: a. het voorkomen of beperken van geluidbelasting in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden; en b. het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden, waaronder maatregelen als bedoeld in de artikelen 8, vierde lid, en 13, achtste lid, onder a, van de drinkwaterrichtlijn, voor die grondwaterlichamen waarvoor de maatschappelijke functie «drinkwateronttrekking» is vastgelegd in het regionale waterprogramma. 2 Een omgevingsverordening bevat geen regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, over het voorkomen of beperken van geluidbelasting door het gebruik van ontplofbare stoffen en voorwerpen op een militaire schietbaan of een militair springterrein. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.12 — Artikel 7.12 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor waterlichaam)#
Artikel 7.12 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor waterlichaam) 1 Dit artikel is van toepassing op een omgevingsverordening die bepaalt dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam. 2 De omgevingsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid artikel 2.18, eerste lid niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; b. artikel 2.12, eerste lid artikel 2.18, tweede lid een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; en c. artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d een minder strenge doelstelling als bedoeld in, niet wordt bereikt. 3 Het tweede lid is niet van toepassing: a. artikel 2.10, eerste lid artikel 2.17, derde lid voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2°. artikel 2.17, vierde lid toepassing is gegeven aan. 4 artikel 4.15, eerste lid De omgevingsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er ook niet toe mag leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in, niet wordt bereikt. 5 De omgevingsverordening bepaalt dat in afwijking van wat overeenkomstig het vierde lid in de omgevingsverordening is bepaald, een omgevingsvergunning kan worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. nieuwe duurzame activiteiten, voor zover het gaat om de achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 7.13 — Artikel 7.13 (nadere regels rangorde bij waterschaarste)#
Artikel 7.13 (nadere regels rangorde bij waterschaarste) 1 artikel 3.14, vierde en vijfde lid Bij omgevingsverordening kunnen voor regionale wateren nadere regels worden gesteld over de rangorde, bedoeld in. 2 artikel 3.14, vierde en vijfde lid Bij omgevingsverordening kan de rangorde, bedoeld in, van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het beschikbare grondwater. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.14 — Artikel 7.14 (omgevingsverordening beoordeling milieubelastende activiteit)#
Artikel 7.14 (omgevingsverordening beoordeling milieubelastende activiteit) artikel 5.19, eerste lid, van de wet artikel 4.22, tweede lid, van de wet Op het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld inover het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit isvan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 7.15 — Artikel 7.15 (ontheffing instructieregels omgevingsverordening)#
Artikel 7.15 (ontheffing instructieregels omgevingsverordening) paragrafen 5.1.3.2 5.1.3.3 5.1.3.4 5.1.3.5 5.1.5.2 5.1.5.3 artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g 5.129e, eerste en tweede lid 5.1.6.2 5.1.6.3 5.1.6.4 5.1.7 artikel 7.9 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de,,,,,, met uitzondering van de, en,,,enen. 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 8.0 — Artikel 8.0 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.0 (toepassingsbereik en oogmerk) artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wet Deze afdeling is van toepassing op omgevingsplanactiviteiten die niet vergunningvrij zijn op grond vanen is opgenomen met het oog op de doelen van de. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.0a — Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)#
Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. 2 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.0b — Artikel 8.0b (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)#
Artikel 8.0b (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. hoofdstuk 5 de regels van; b. artikel 2.22 van de wet op grond vangestelde regels over omgevingsplannen; en c. artikelen 2.33 2.34 van de wet op grond van deengegeven instructies over omgevingsplannen. 2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; of c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmert. 3 artikel 4.19a, derde lid, van de wet Het tweede lid, aanhef en onder c, is alleen van toepassing gedurende de termijn, bedoeld in. 4 artikel 2.22 van de wet artikel 2.32, eerste lid, van de wet Als in een op grond vangestelde regel over omgevingsplannen toepassing is gegeven aan, kan een verzoek om ontheffing van de gestelde regel als bedoeld in dat lid ook worden gedaan door Onze Minister die het aangaat. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.0c — Artikel 8.0c (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang)#
Artikel 8.0c (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. hoofdstuk 5 de regels van; b. artikel 2.22 van de wet op grond vangestelde regels over omgevingsplannen, voor zover die ook gelden voor een projectbesluit dat wordt vastgesteld door gedeputeerde staten; en c. artikel 2.22 van de wet afdeling 7.2 7.3 op grond vangestelde regels over een projectbesluit dat wordt vastgesteld door gedeputeerde staten, voor zover die strekken tot uitvoering vanofen andere regels zijn dan de regels over omgevingsplannen, bedoeld onder b; en d. artikel 2.34 van de wet op grond vangegeven instructies over omgevingsplannen. 2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan die is gesteld bij een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk; of c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van het Rijk belemmert. 3 artikel 4.19a, derde lid, van de wet Het tweede lid, aanhef en onder c, is alleen van toepassing gedurende de termijn, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.0d — Artikel 8.0d (doorwerking instructieregels, instructies en voorbereidingsbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang)#
Artikel 8.0d (doorwerking instructieregels, instructies en voorbereidingsbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. artikel 9.1, tweede lid de regels, bedoeld in; b. artikelen 9.2 9.3 deen; en c. artikel 2.34, vierde lid, van de wet op grond vangegeven instructies over omgevingsplannen. 2 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als: a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel, artikel of instructie als bedoeld in het eerste lid; of b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan die is gesteld bij een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van het Rijk. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.0e — Artikel 8.0e (doorwerking maatwerkregel – buitenplanse omgevingsplanactiviteit)#
Artikel 8.0e (doorwerking maatwerkregel – buitenplanse omgevingsplanactiviteit) artikel 8.0a, tweede lid Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel in het omgevingsplan, wordt bij de beoordeling of wordt voldaan aan, rekening gehouden met de regels die gelden voor het stellen van die maatwerkregel. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.1 — Artikel 8.1 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.1 (toepassingsbereik en oogmerk) 1 Deze afdeling is van toepassing op vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: a. hoofdstuk 8 van het Besluit activiteiten leefomgeving een weg in beheer bij het Rijk als bedoeld in; b. hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving een spoorweg als bedoeld in; c. hoofdstuk 10 van het Besluit activiteiten leefomgeving een luchthaven als bedoeld in; en d. paragrafen 6.2.7a 7.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk als bedoeld in deen. 2 Deze afdeling is opgenomen met het oog op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.2 — Artikel 8.2 (beoordelingsregels beperkingengebiedactiviteit)#
Artikel 8.2 (beoordelingsregels beperkingengebiedactiviteit) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: artikel 8.1 als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van het behoeden van de staat en werking van dat werk of object voor nadelige gevolgen van activiteiten. a. een weg; b. een spoorweg; c. een luchthaven; of d. een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk; 2 Tot het belang van het behoeden van de staat en werking van dat werk of object voor nadelige gevolgen van activiteiten behoort voor de werken en objecten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, ook het belang van verruiming of wijziging daarvan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.3 — Artikel 8.3 (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.3 (afbakening maatwerk) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: a. artikel 8.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving een weg in beheer bij het Rijk, is op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunningvan overeenkomstige toepassing; b. artikel 9.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving een spoorweg, is op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunningvan overeenkomstige toepassing; en c. artikelen 6.56f 7.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning deenvan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.3a — Artikel 8.3a (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.3a (toepassingsbereik en oogmerk) artikelen 2.25 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Deze afdeling is van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in deenen is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en duurzaamheid en bruikbaarheid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 145 13-04-2022 04-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.3b — Artikel 8.3b (beoordelingsregels bouwactiviteit)#
Artikel 8.3b (beoordelingsregels bouwactiviteit) 1 hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 4.7 van dat besluit Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels vanen de maatwerkregels die op grond vanin het omgevingsplan zijn gesteld. 2 hoofdstuk 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het verbouwen of het verplaatsen van een bestaand bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.3c — Artikel 8.3c (voorschriften over uitgestelde aanvraagvereisten)#
Artikel 8.3c (voorschriften over uitgestelde aanvraagvereisten) 1 Op verzoek van de aanvrager wordt aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een voorschrift verbonden dat inhoudt dat bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden pas hoeven te worden verstrekt uiterlijk drie weken voor de start van de uitvoering van het onderdeel van de bouwactiviteit waarop die gegevens en bescheiden betrekking hebben. 2 Als de bouwactiviteit naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan aan de omgevingsvergunning voor die activiteit een voorschrift worden verbonden dat inhoudt dat bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden pas hoeven te worden verstrekt uiterlijk drie weken voor de start van de uitvoering van het onderdeel van de bouwactiviteit waarop die gegevens en bescheiden betrekking hebben. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.3d — Artikel 8.3d (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.3d (afbakening maatwerk) artikelen 4.5 4.6 5.3a 7.5 7.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning de,,,envan overeenkomstige toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.3e — Artikel 8.3e (verdere beperking voorschriften bouwactiviteit)#
Artikel 8.3e (verdere beperking voorschriften bouwactiviteit) artikel 8.3c artikel 8.3d Tenzij het gaat om een voorschrift als bedoeld inof om een voorschrift dat op grond vanaan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit kan worden verbonden, kunnen alleen voorschriften van administratieve aard aan de omgevingsvergunning worden verbonden. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.4 — Artikel 8.4 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.4 (toepassingsbereik en oogmerk) paragrafen 6.2.5 7.2.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze afdeling is van toepassing op vergunningplichtige mijnbouwlocatieactiviteiten als bedoeld in deenen is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.5 — Artikel 8.5 (beoordelingsregels mijnbouwlocatieactiviteit)#
Artikel 8.5 (beoordelingsregels mijnbouwlocatieactiviteit) 1 artikelen 7.66, aanhef en onder a 7.67, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de, en, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. medegebruik van een bestaande mijnbouwinstallatie niet mogelijk is; en b. zichthinder veroorzaakt door de nieuwe mijnbouwinstallatie wordt geminimaliseerd. 2 artikelen 7.66, aanhef en onder a 7.67, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de, en, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de belangen van: a. de uitoefening van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van daarop betrekking hebbende activiteiten, voor zover het gaat om een bij ministeriële regeling aangewezen en geometrisch begrensd oefen- en schietgebied; b. de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart, voor zover het gaat om een bij ministeriële regeling aangewezen en geometrisch begrensd drukbevaren deel van de zee; of c. artikel 3, eerste lid 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee de belangen van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark en van de veiligheid van het windpark, voor zover het gaat om een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit als bedoeld in, respectievelijk. 3 artikelen 7.66, aanhef en onder b 7.67, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de, en, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de belangen van: a. de uitoefening van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van daarop betrekking hebbende activiteiten, voor zover het gaat om een bij ministeriële regeling aangewezen en geometrisch begrensd oefen- en schietgebied; b. de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart, voor zover het gaat om een bij ministeriële regeling aangewezen en geometrisch begrensd aanloopgebied; of c. de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart, voor zover het gaat om een bij ministeriële regeling aangewezen en geometrisch begrensd ankergebied in de buurt van een aanloophaven. 4 artikelen 6.45, aanhef en onder a 6.46, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de, en, is het tweede lid, aanhef en onder a, van overeenkomstige toepassing. 5 artikelen 6.45, aanhef en onder b 6.46, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de, en, is het derde lid, aanhef en onder a, van overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.6 — Artikel 8.6 (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.6 (afbakening maatwerk) artikelen 6.56f 7.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning deenvan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.7 — Artikel 8.7 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.7 (toepassingsbereik en oogmerk) hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze afdeling is van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld inen is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid en het milieu. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.8 — Artikel 8.8#
Artikel 8.8 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/578. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 578 01-12-2021 24-11-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.9 — Artikel 8.9 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit algemeen)#
Artikel 8.9 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit algemeen) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. milieuverontreiniging door de activiteit wordt geïntegreerd voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt; b. emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door de activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken; c. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; d. de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; e. er wordt geen significante milieuverontreiniging veroorzaakt; f. energie wordt doelmatig gebruikt; g. de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken; en h. bij de definitieve beëindiging van de activiteit worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik. 2 artikelen 10.14, eerste en tweede lid 10.29a van de Wet milieubeheer Op de beoordeling van de aanvraag zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 3 Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e, wordt bij het bepalen of sprake is van significante milieuverontreiniging in ieder geval rekening gehouden met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening. 4 bijlage XVIII Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, wordt ook rekening gehouden met de informatiedocumenten, bedoeld in, onder B. 2025 373 20-11-2025 11-11-2025 2025 442 22-12-2025 17-12-2025 30-12-2025
Artikel 8.10 — Artikel 8.10 (bepalen beste beschikbare technieken)#
Artikel 8.10 (bepalen beste beschikbare technieken) 1 artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder d bijlage XVIII Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in, wordt bij het bepalen van de beste beschikbare technieken rekening gehouden met de BBT-conclusies en informatiedocumenten, bedoeld in, onder A. 2 Als op een milieubelastende activiteit geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies niet alle mogelijke milieugevolgen van de activiteit behandelen, wordt bij het bepalen van de beste beschikbare technieken in ieder geval rekening gehouden met: a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; b. de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als bedoeld in artikel 3 van de CLP-verordening; c. de ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; f. de aard, de gevolgen en de omvang van de emissies; g. de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen; h. de tijd die nodig is om een betere techniek te gaan toepassen; i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; j. de noodzaak de nadelige gevolgen van de emissies en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken; en l. bijlage XVIII de informatiedocumenten, bedoeld in, onder A. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.10a — Artikel 8.10a (bepalen maatregelen in verband met ongevallen)#
Artikel 8.10a (bepalen maatregelen in verband met ongevallen) 1 artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder g Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in, wordt bij het bepalen van de nodige maatregelen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken in ieder geval rekening gehouden met: a. artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s voor zover het gaat om de risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in, het belang van: 1°. het voorkomen, beperken en bestrijden van die branden, rampen en crises; 2°. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3°. artikel 1 van die wet de geneeskundige hulpverlening aan personen, bedoeld in; b. de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties; en c. de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de activiteit voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, voor zover dat gebied niet is gelegen binnen een risicogebied externe veiligheid. 2 artikel 5.11, derde tot en met vijfde lid Op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, is, van overeenkomstige toepassing. 3 artikelen 5.12 5.13 Op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn deenvan overeenkomstige toepassing. 4 artikel 8.14, eerste lid 8.15, eerste lid 8.16, eerste lid Het eerste lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in,, of. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.11 — Artikel 8.11 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit overig algemeen)#
Artikel 8.11 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit overig algemeen) 1 paragraaf 8.5.1 Bij de toepassing vanworden locaties en gebouwen in de nabijheid van de milieubelastende activiteit in aanmerking genomen die in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en de omgevingsverordening. 2 artikel 5.19, eerste lid, van de wet Voor zover een omgevingsverordening regels bevat over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als die in overeenstemming is met die regels. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.12 — Artikel 8.12 (beoordelingsregels activiteit externe veiligheidsrisico’s)#
Artikel 8.12 (beoordelingsregels activiteit externe veiligheidsrisico’s) 1 bijlage VII Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op milieubelastende activiteiten als bedoeld in, onder B en E. 2 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van de activiteit in acht wordt genomen van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 3 artikelen 5.3 tot en met 5.6 5.8 tot en met 5.10 5.11, tweede tot en met vijfde lid Op de beoordeling van de aanvraag zijn de,en, van overeenkomstige toepassing. 4 Het tweede lid is niet van toepassing op het plaatsgebonden risico van een activiteit in een risicogebied externe veiligheid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.12a — Artikel 8.12a (tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 8.12a (tijdelijke uitzondering windparken) Artikel 8.12 is niet van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een windpark met 3 of meer windturbines. 2022 320 24-08-2022 22-08-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.13 — Artikel 8.13 (beoordelingsregels Seveso-inrichting)#
Artikel 8.13 (beoordelingsregels Seveso-inrichting) 1 artikel 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als voldoende afstand tot een Natura 2000-gebied in acht wordt genomen of andere passende maatregelen worden getroffen. 2 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt vastgesteld of het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de geografische situatie of de ligging van die inrichting ten opzichte van andere Seveso-inrichtingen. 3 Bij de beoordeling van de aanvraag worden in ieder geval de gevolgen betrokken voor de veiligheid van weggebruikers en passagiers die gebruikmaken van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.14 — Artikel 8.14 (beoordelingsregels vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik)#
Artikel 8.14 (beoordelingsregels vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik) 1 artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in. 2 artikel 5.23 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties zijn toegelaten binnen een explosieaandachtsgebied vuurwerk als bedoeld in. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die een functionele binding hebben met een activiteit als bedoeld in het eerste lid. 4 artikelen 5.22 5.24, derde lid 5.25 Op de beoordeling van de aanvraag zijn de,, envan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.15 — Artikel 8.15 (beoordelingsregels ontplofbare stoffen voor civiel gebruik)#
Artikel 8.15 (beoordelingsregels ontplofbare stoffen voor civiel gebruik) 1 Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in; of b. artikelen 3.72, eerste lid, onder f 3.73, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van explosieven, bedoeld in de, en. 2 artikel 5.28 artikel 5.29, eerste lid De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als binnen civiele explosieaandachtsgebieden A, B en C als bedoeld ingeen activiteiten of werken als bedoeld in, zijn toegelaten. 3 artikelen 5.29, tweede en derde lid 5.30 Op de beoordeling van de aanvraag zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.16 — Artikel 8.16 (beoordelingsregels opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen op militaire objecten)#
Artikel 8.16 (beoordelingsregels opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen op militaire objecten) 1 artikel 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het opslaan en bewerken van stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in. 2 artikel 5.32 artikel 5.29, eerste lid De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als binnen militaire explosieaandachtsgebieden A, B en C als bedoeld ingeen activiteiten of werken als bedoeld in, zijn toegelaten. 3 artikelen 5.33, tweede en derde lid 5.34 Op de beoordeling van de aanvraag zijn de, envan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.17 — Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit)#
Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de volgende stoffen, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de volgende omgevingswaarden in acht worden genomen: a. artikel 2.3 de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, bedoeld in; b. artikel 2.4, eerste lid de omgevingswaarde voor stikstofdioxide, bedoeld in; c. artikel 2.4, tweede lid de omgevingswaarde voor stikstofoxiden, bedoeld in; d. 10 artikel 2.5, eerste lid de omgevingswaarden voor PM, bedoeld in; e. 2,5 artikel 2.5, tweede lid, onder a de omgevingswaarde voor PM, bedoeld in; f. artikel 2.6, eerste lid de omgevingswaarde voor benzeen, bedoeld in; g. artikel 2.6, tweede lid de omgevingswaarde voor lood, bedoeld in; en h. artikel 2.6, derde lid de omgevingswaarde voor koolmonoxide, bedoeld in. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. voor zover de verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de in dat lid bedoelde stoffen van toepassing is op: 1°. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of 2°. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben; of b. 10 3 als het verrichten van de activiteit leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide of PMvan 1,2 μg/mof minder. 3 artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.202 van dat besluit Het tweede lid, onder b, is niet van toepassing als het gaat om het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in: 1°. 10 waarvan de emissie van PMvanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar; en 2°. artikel 5.53, eerste lid, onder b op een locatie als bedoeld in. 4 Bij het bepalen van de verhoging van de concentratie in de buitenlucht wordt opgeteld de verhoging veroorzaakt door het gebruik van de wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de locatie waar de activiteit wordt verricht. 5 Op het berekenen van de concentratie van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.18 — Artikel 8.18 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid – grenswaarde geluidgevoelige ruimten bij activiteiten, anders dan specifieke activiteiten)#
Artikel 8.18 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid – grenswaarde geluidgevoelige ruimten bij activiteiten, anders dan specifieke activiteiten) 1 artikel 5.74 5.76 Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, anders dan een activiteit als bedoeld inof, die meer geluid kan veroorzaken op een geluidgevoelig gebouw dan het geluid van die activiteit op dat gebouw dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten. 2 artikel 5.66, tweede lid De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen de grenswaarden, bedoeld in, niet overschrijdt. 3 Het tweede lid is niet van toepassing als: a. artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a het geluid van de activiteit op het gebouw voldoet aan de standaardwaarden, bedoeld in; b. de activiteit plaatsvindt, of het geluidgevoelige gebouw is gelegen, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of c. het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 4 artikel 5.66, tweede lid Het tweede lid is ook niet van toepassing als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold dan de grenswaarden, bedoeld in. De omgevingsvergunning wordt in dat geval alleen verleend als het geluid door de activiteit die hogere waarde niet overschrijdt. 5 Het tweede lid is ook niet van toepassing als: a. zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard bestaan tegen het treffen van maatregelen aan de gevel die nodig zijn om voor dat gebouw te voldoen aan de grenswaarden, mits, als andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidwering zoveel mogelijk te verbeteren, die andere maatregelen wel worden getroffen; b. de eigenaar geen medewerking verleent aan het onderzoek naar het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen zijn gebouw en naar de noodzakelijke geluidwerende maatregelen; of c. de eigenaar geen medewerking verleent aan het treffen van geluidwerende maatregelen. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 8.19 — Artikel 8.19 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid – grenswaarden bij militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen)#
Artikel 8.19 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid – grenswaarden bij militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) 1 Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruik door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, van: a. artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een schietbaan of een combinatie van schietbanen, bedoeld in, als die schietbaan of combinatie van schietbanen ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde; of b. artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving ontplofbare stoffen en voorwerpen die behoren tot ADR-klasse 1, op een springterrein, bedoeld in. 2 s,dan De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan 60 B. 3 Het tweede lid is niet van toepassing als het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. 4 Op het berekenen van het geluid, bedoeld in het tweede lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.20 — Artikel 8.20 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid, trillingen en geur bij functionele binding)#
Artikel 8.20 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geluid, trillingen en geur bij functionele binding) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die geluid, trillingen of geur veroorzaakt, worden bij de beoordeling van dat geluid, die trillingen of die geur buiten beschouwing gelaten het geluid, de trillingen of de geur op een geluidgevoelig, trillinggevoelig of geurgevoelig gebouw dat: a. Besluit activiteiten leefomgeving functioneel verbonden is met de activiteit, maar daar op grond van hetgeen deel van uitmaakt; of b. artikel 5.62 5.85 5.96, eerste of tweede lid eerder functioneel verbonden was met de activiteit en waarvoor op grond van,of, in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden of afstanden, bedoeld in die artikelen, niet gelden. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.21 — Artikel 8.21 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit ammoniak en veehouderij)#
Artikel 8.21 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit ammoniak en veehouderij) artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.202 van dat besluit artikel 5.19, eerste lid, van de wet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag alleen rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld inzijn gesteld in de omgevingsverordening. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.22 — Artikel 8.22 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen)#
Artikel 8.22 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen) 1 Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, en voor zover het gaat om het beschermen van het milieu, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.23 — Artikel 8.23 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit indirecte lozing)#
Artikel 8.23 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit indirecte lozing) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit waardoor afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de milieubelastende activiteit verenigbaar is met het belang van het beschermen van de doelmatige werking van die voorziening en van het zuiveringtechnisch werk waarop vanuit die voorziening afvalwater wordt gebracht en als de verwerking van slib uit dat werk of uit een openbaar vuilwaterriool niet wordt belemmerd. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.24 — Artikel 8.24 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geologische opslag kooldioxide)#
Artikel 8.24 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit geologische opslag kooldioxide) artikel 3.55 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld inmet een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als bij de beoordeling van de aanvraag wordt vastgesteld of het afvangen en comprimeren van kooldioxide en het transporteren daarvan naar een geschikte opslaglocatie in technisch en economisch opzicht haalbaar is. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.25 — Artikel 8.25 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties)#
Artikel 8.25 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit afvalverbrandingsinstallaties of afvalmeeverbrandingsinstallaties) artikel 3.88 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie en de terreinen die daarbij horen zo zijn ontworpen dat het ongeoorloofd en per ongeluk vrijkomen van verontreinigende stoffen op of in de bodem en op een oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.25a — Artikel 8.25a (beoordelingsregels milieubelastende activiteit stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land)#
Artikel 8.25a (beoordelingsregels milieubelastende activiteit stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land) artikelen 3.84, eerste lid, onder a of b 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in de, en, voor zover alleen baggerspecie wordt gestort en de installatie niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de baggerspecie geen gevaarlijke afvalstof is; en b. een geohydrologisch isolatiesysteem kan worden aangebracht. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.26 — Artikel 8.26 (voorschriften over emissiegrenswaarden)#
Artikel 8.26 (voorschriften over emissiegrenswaarden) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die emissiegrenswaarden inhouden voor de stoffen, bedoeld in bijlage II bij de richtlijn industriële emissies, en voor andere stoffen die in significante hoeveelheden kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen het water, de bodem of de lucht milieuverontreiniging kunnen veroorzaken. 2 Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten. 3 De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke voorafgaande verdunning. 4 Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor stoffen in afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringtechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, als daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. 5 Besluit activiteiten leefomgeving Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de motivering van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar regels, opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of het. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.27 — Artikel 8.27 (met beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus)#
Artikel 8.27 (met beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus) 1 artikel 8.26, eerste lid De emissiegrenswaarden, bedoeld in, waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals bepaald in BBT-conclusies en worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als die van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen hogere emissiegrenswaarden worden vastgesteld of emissiegrenswaarden worden vastgesteld die worden uitgedrukt in andere perioden en referentieomstandigheden. 3 De met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus gaan over de bandbreedte van emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden. 4 artikel 8.10, tweede lid artikel 8.26 Als voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de BBT-conclusies staat beschreven als bedoeld in, zijn, het eerste en tweede lid envan overeenkomstige toepassing. 5 artikel 8.10, tweede lid Als de BBT-conclusies, bedoeld in, geen met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus bevatten, wordt bij de toepassing van het vierde lid een niveau van milieubescherming bereikt dat gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken, als beschreven in de BBT-conclusies. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.28 — Artikel 8.28 (voorschriften over minder strenge emissiegrenswaarden)#
Artikel 8.28 (voorschriften over minder strenge emissiegrenswaarden) 1 artikel 8.27, eerste, tweede, vierde en vijfde lid artikel 8.30, derde lid Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat, in afwijking van, en onverminderd, in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden worden vastgesteld, als het halen van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen als gevolg van: a. de geografische ligging of de lokale milieuomstandigheden van de plaats waar de activiteit wordt verricht; of b. de technische kenmerken van de activiteit. 2 De beoordeling of sprake is van buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen vindt plaats volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.29 — Artikel 8.29 (voorschriften over specifieke onderwerpen)#
Artikel 8.29 (voorschriften over specifieke onderwerpen) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over: a. het beschermen van de bodem en het grondwater en het regelmatig onderhouden van voorzieningen en het bewaken van maatregelen die worden getroffen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater, gebaseerd op een systematische evaluatie van het risico van milieuverontreiniging; b. het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater of, als dat niet mogelijk is, een doelmatig beheer van afvalstoffen en de monitoring van afvalstoffen en afvalwater; c. het voorkomen of zo veel mogelijk beperken van milieuverontreiniging die kan worden veroorzaakt door opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden; d. het voorkomen of zo veel mogelijk beperken van grootschalige of grensoverschrijdende milieuverontreinigingen; en e. het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden. 2 Besluit activiteiten leefomgeving Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de motivering van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar regels, opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of het. 3 Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt rekening gehouden met: a. artikel 10.3 van de Wet milieubeheer het circulair materialenplan, bedoeld in; of b. artikel 10.4 artikel 10.5 van die wet de voorkeursvolgorde, aangegeven in, en de criteria, genoemd in. 2025 373 20-11-2025 11-11-2025 2025 442 22-12-2025 17-12-2025 30-12-2025
Artikel 8.30 — Artikel 8.30 (voorschriften over strengere voorwaarden beste beschikbare technieken)#
Artikel 8.30 (voorschriften over strengere voorwaarden beste beschikbare technieken) 1 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften met strengere voorwaarden worden verbonden dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies. 2 artikel 8.10, tweede lid Bij de toepassing van het eerste lid is, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 2.15, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de wet Als voor het voldoen aan een omgevingswaarde als bedoeld instrengere voorwaarden moeten gelden dan die door toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften met aanvullende voorwaarden verbonden, onverminderd andere maatregelen die kunnen worden getroffen om aan die omgevingswaarden te kunnen voldoen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.31 — Artikel 8.31 (voorschriften over technische maatregelen en gelijkwaardige parameters)#
Artikel 8.31 (voorschriften over technische maatregelen en gelijkwaardige parameters) 1 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat technische maatregelen worden getroffen of gelijkwaardige parameters worden bereikt, waarbij niet het gebruik van bepaalde technieken of technologieën wordt voorgeschreven. 2 Bij de toepassing van het eerste lid: a. artikelen 8.26 8.27 leiden de technische maatregelen of gelijkwaardige parameters tot een door toepassing van deengelijkwaardige bescherming van het milieu; en b. kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, die inhouden dat: 1°. over de uitvoering van technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag; of 2°. daarbij aangegeven gegevens worden bijgehouden, verzameld of berekend ter bepaling van de mate waarin milieuverontreiniging wordt veroorzaakt, ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften zijn bedoeld. 3 artikelen 8.33, eerste lid, aanhef en onder b 8.34, eerste lid Als aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b, zijn de, en, van overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.32 — Artikel 8.32 (overige voorschriften)#
Artikel 8.32 (overige voorschriften) 1 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat: a. artikelen 8.29, eerste lid, aanhef en onder b 8.31 andere gegevens worden bijgehouden, verzameld of berekend dan de gegevens, bedoeld in de, en, om de mate waarin de activiteit milieuverontreiniging veroorzaakt, te bepalen; b. onderzoek wordt verricht naar mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de andere aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voorzien; c. bijgehouden, verzamelde of berekende gegevens en onderzoeken worden geregistreerd, bewaard, gemeld of ter beschikking gesteld; d. aan eisen over vakbekwaamheid wordt voldaan; e. Besluit activiteiten leefomgeving door de vergunninghouder schriftelijk aanwijzingen worden gegeven om handelen in strijd met de omgevingsvergunning, de daaraan verbonden voorschriften of de in hetopgenomen regels tegen te gaan, en toezicht wordt gehouden op het naleven van die aanwijzingen; en f. een milieuzorgsysteem of elementen daarvan worden ingevoerd en nageleefd met het doel de algehele milieuprestaties te verbeteren. 2 Het milieuzorgsysteem, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder f, is het gedeelte van het algemene beheersysteem dat de organisatiestructuur, planning, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen omvat die nodig zijn voor het ontwikkelen, uitvoeren, realiseren, toetsen en handhaven van de plannen en het beleid voor de milieuprestatie, zoals officieel vastgesteld door het hoogste leidinggevende niveau van de betrokken organisatie, met inbegrip van de naleving van de regelgeving over de fysieke leefomgeving en van een eventuele verbintenis tot voortdurende verbetering van de milieuprestaties. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.33 — Artikel 8.33 (voorschriften over monitoring)#
Artikel 8.33 (voorschriften over monitoring) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, die inhouden dat: a. artikelen 8.26 tot en met 8.31 door passende eisen voor monitoring of op een andere wijze wordt vastgesteld of aan de voorschriften, bedoeld in de, wordt voldaan, met vermelding van de meetmethode, de frequentie en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens; en b. de bij de bepaling, bedoeld onder a, verkregen gegevens aan het bevoegd gezag regelmatig en ten minste jaarlijks ter beschikking worden gesteld. 2 bijlage XVIII De bepaling, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt gebaseerd op de relevante BBT-conclusies en informatiedocumenten, bedoeld in, onder A. 3 artikel 8.27, tweede lid Als aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden waarin emissiegrenswaarden als bedoeld in, zijn opgenomen, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat: a. de resultaten van de monitoring: 1°. beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; 2°. regelmatig of ten minste jaarlijks worden gemeld in een overzicht dat een vergelijking mogelijk maakt met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; en 3°. worden weergegeven in een overzicht dat een vergelijking mogelijk maakt met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus; en b. artikel 8.27, derde lid ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van de emissies worden beoordeeld, om na te gaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zouden zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, bedoeld in. 4 Besluit activiteiten leefomgeving Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de motivering van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar regels, opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of het. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.34 — Artikel 8.34 (voorschriften in verband met het PRTR-verslag)#
Artikel 8.34 (voorschriften in verband met het PRTR-verslag) 1 artikel 8.33, eerste lid, aanhef en onder b In afwijking van, worden aan een omgevingsvergunning geen voorschriften verbonden over het ter beschikking stellen van gegevens als die gegevens moeten worden opgenomen in een PRTR-verslag. 2 artikel 5.10, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening, kan aan de omgevingsvergunning een voorschrift worden verbonden dat de plicht inhoudt om over emissies in het PRTR-verslag gegevens van een lager aggregatieniveau te verstrekken dan op grond vanis vereist, als dat noodzakelijk is voor de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PRTR-verordening. 3 Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening kan een voorschrift worden verbonden dat de plicht inhoudt om gegevens over de onderwerpen geur of geluid in het PRTR-verslag op te nemen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.35 — Artikel 8.35 (afwijkende geldingsduur voorschriften, innovatie)#
Artikel 8.35 (afwijkende geldingsduur voorschriften, innovatie) Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat daarbij aangewezen voorschriften gedurende een periode van ten hoogste negen maanden niet gelden voor het testen of gebruiken van een nieuwe techniek die, als zij commercieel zou worden ontwikkeld: a. een hoger of ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu kan opleveren; en b. grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de voor de activiteit bestaande beste beschikbare technieken. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.36 — Artikel 8.36 (voorschriften afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie)#
Artikel 8.36 (voorschriften afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie) artikel 3.88 van het Besluit activiteiten leefomgeving Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in, worden voorschriften verbonden over de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.37 — Artikel 8.37 (voorschriften over geologische opslag van kooldioxide)#
Artikel 8.37 (voorschriften over geologische opslag van kooldioxide) artikel 8.24 Als bij de beoordeling, bedoeld in, is vastgesteld dat het afvangen, comprimeren en transporteren van kooldioxide haalbaar is, wordt aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbonden dat inhoudt dat op de locatie van de stookinstallatie een voor opslag geschikte opslaglocatie wordt vrijgemaakt of vrijgehouden. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.38 — Artikel 8.38 (voorschriften over domino-effecten Seveso-inrichting)#
Artikel 8.38 (voorschriften over domino-effecten Seveso-inrichting) artikel 8.13, tweede lid Als bij de beoordeling, bedoeld in, is vastgesteld dat het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de ligging van de Seveso-inrichting ten opzichte van andere Seveso-inrichtingen, wordt aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbonden dat inhoudt dat de Seveso-inrichting is aangewezen als inrichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.39 — Artikel 8.39 (voorschriften over nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen)#
Artikel 8.39 (voorschriften over nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen) paragraaf 3.2.13 3.2.14 3.2.15 3.2.17 3.3.10 3.3.11 3.3.12 3.3.13 afdeling 3.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het nuttig toepassen of verwijderen van afvalstoffen, bedoeld in,,,,,,ofof, worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. registratie plaatsvindt van: 1°. daarbij aangewezen afvalstoffen die nuttig worden toegepast of worden verwijderd: naar hoeveelheid, aard en oorsprong; 2°. stoffen die bij de nuttige toepassing of verwijdering van die afvalstoffen worden gebruikt of verbruikt: naar aard en hoeveelheid; 3°. stoffen, preparaten en andere producten, waaronder afvalstoffen, die bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan: naar aard en hoeveelheid; 4°. de wijze waarop de afvalstoffen, bedoeld onder 3°, nuttig worden toegepast of worden verwijderd; en 5°. stoffen, preparaten en andere producten die in verband met de milieubelastende activiteit worden afgevoerd, als die bij de nuttige toepassing of verwijdering zijn ontstaan: naar aard en hoeveelheid; en b. de geregistreerde gegevens, bedoeld onder a, onder 5°, gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.40 — Artikel 8.40 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – stemgeluid en hulpverlening)#
Artikel 8.40 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – stemgeluid en hulpverlening) Aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die geluid veroorzaakt in geluidgevoelige ruimten van in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen of op geluidgevoelige gebouwen, worden geen voorschriften verbonden die inhouden dat: a. waarden worden gesteld voor onversterkt menselijk stemgeluid; of b. regels worden gesteld over de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.41 — Artikel 8.41 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid dosismaat tijdelijke uitzondering windparken)#
Artikel 8.41 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid dosismaat tijdelijke uitzondering windparken) den night Als een omgevingsvergunning voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarden bevat voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, worden die waarden in ieder geval uitgedrukt in Len L. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.42 — Artikel 8.42 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – militaire schietbanen en militaire springterreinen)#
Artikel 8.42 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – militaire schietbanen en militaire springterreinen) 1 artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving s,dan Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van ontplofbare stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht op een schietbaan of combinatie van schietbanen, bedoeld in, worden geen voorschriften verbonden die inhouden dat het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen lager moet zijn dan 50 Bals de schietbaan of combinatie van schietbanen ligt in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde. 2 artikel 3.335, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving s,dan Aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het gebruik van ontplofbare stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht op een springterrein, bedoeld in, worden geen voorschriften verbonden die inhouden dat het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen lager moet zijn dan 50 B. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.43 — Artikel 8.43 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – militaire terreinen)#
Artikel 8.43 (voorschriften milieubelastende activiteit geluid – militaire terreinen) artikelen 3.324 3.327 3.332 3.335, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde of vierde lid Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een militaire zeehaven, het exploiteren van een militaire luchthaven of het opslaan en bewerken of het gebruiken van ontplofbare stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1 door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in de,,en, worden geen voorschriften verbonden die inhouden dat het geluid door die activiteit op geluidgevoelige gebouwen lager moet zijn dan de standaardwaarden, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.44 — Artikel 8.44 (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming stortplaatsen)#
Artikel 8.44 (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming stortplaatsen) artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze paragraaf is van toepassing op een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de, en, anders dan: a. het exploiteren van een stortplaats waar alleen baggerspecie wordt gestort; en b. het exploiteren van een stortplaats waar: 1°. het storten van afvalstoffen is beëindigd voor 1 maart 1995; of 2°. 3 2 op of na 1 maart 1995 alleen afvalstoffen worden gestort voor het aanbrengen van een bovenafdichting op die stortplaats en de gestorte hoeveelheid ten hoogste 0,3 mafvalstof per mstortoppervlakte bedraagt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.45 — Artikel 8.45#
Artikel 8.45 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/400. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.46 — Artikel 8.46 (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding)#
Artikel 8.46 (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de vakbekwaamheid en de opleiding van degene die de stortplaats exploiteert en de op de stortplaats werkzame personen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.47 — Artikel 8.47 (voorschriften in verband met grondwaterstand)#
Artikel 8.47 (voorschriften in verband met grondwaterstand) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het storten van afvalstoffen zo plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen na zetting van de bodem zich ten minste op de volgende afstand boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand bevinden: a. 0,7 m; of b. 0,5 m, als een capillair onderbrekende laag van grind van ten minste 0,2 m wordt aangebracht als onderdeel van de onderafdichting. 2 Als het niet meer mogelijk is te voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen, in afwijking van dat lid, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden die inhouden dat civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die voldoende waarborgen dat het grondwater niet in contact kan komen met de gestorte afvalstoffen. 3 De gemiddeld hoogste grondwaterstand is de rekenkundig gemiddelde grondwaterstand over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie hoogste grondwaterstanden per hydrologisch jaar van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende kalenderjaar. 4 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat op de plaats waar is of wordt gestort, een onderzoek wordt uitgevoerd naar de gevoeligheid van de bodem voor zettingen onder invloed van de stortplaats en de geohydrologische situatie. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, onder b; b. het bepalen van de gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid; en c. de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het vierde lid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.48 — Artikel 8.48 (voorschriften over onder- en bovenafdichting)#
Artikel 8.48 (voorschriften over onder- en bovenafdichting) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat aan de onderkant van de gestorte afvalstoffen een onderafdichting aanwezig is, die tegengaat dat verontreinigende stoffen uit de gestorte afvalstoffen in de bodem komen. 2 Als een onderafdichting onvoldoende bijdraagt aan de noodzakelijke bescherming van de bodem omdat er door de stortplaatsspecifieke geohydrologische situatie geen sprake is van een voldoende geohydrologische barrière van ten minste 0,5 m, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen, die tegengaan dat verontreinigende stoffen uit de gestorte afvalstoffen in de bodem komen, die een adequaat beschermingsniveau waarborgen. 3 Als een onderafdichting niet meer kan worden aangebracht, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat de daarin aangegeven civieltechnische of geohydrologische maatregelen moeten worden getroffen, die tegengaan dat verontreinigende stoffen zich uit de gestorte afvalstoffen in de bodem verspreiden. 4 Als toepassing wordt gegeven aan het eerste, tweede of derde lid, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat zo spoedig als technisch mogelijk, maar uiterlijk na een in het voorschrift aangegeven periode van ten hoogste 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, of het treffen van de maatregelen, bedoeld in het tweede of derde lid, aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen een bovenafdichting wordt aangebracht die een adequaat beschermingsniveau waarborgt en tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de eisen die worden gesteld aan de onderafdichting, bedoeld in het eerste lid, de civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in het tweede en derde lid, en de bovenafdichting, bedoeld in het vierde lid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.49 — Artikel 8.49 (voorschriften over percolaat)#
Artikel 8.49 (voorschriften over percolaat) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat percolaat zo wordt opgevangen, verzameld en vervolgens gezuiverd of afgevoerd dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.50 — Artikel 8.50 (voorschriften over ondergrondse stortplaatsen)#
Artikel 8.50 (voorschriften over ondergrondse stortplaatsen) Als een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stortplaats waar afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht, worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die inhouden dat: a. Richtlijn 1999/31/EG voor zover van toepassing, de voorzieningen, bedoeld in bijlage A bij Beschikking 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen, in overeenstemming met artikel 16 en bijlage II bijbetreffende het storten van afvalstoffen (PbEG 2003, L 11), worden getroffen; b. de afvalstoffen in de diepe ondergrond worden gebracht in overeenstemming met bijlage A bij de beschikking, bedoeld onder a; en c. ervoor wordt zorg gedragen dat op die stortplaats een rapport met een veiligheidsbeoordeling aanwezig is, die voldoet aan bijlage A, onder 2.5, bij de beschikking, bedoeld onder a. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.51 — Artikel 8.51 (voorschriften over nuttige toepassing in uitgegraven ruimten)#
Artikel 8.51 (voorschriften over nuttige toepassing in uitgegraven ruimten) artikel 3.40c 3.85 van het Besluit activiteiten leefomgeving Als een omgevingsvergunning als bedoeld inofbetrekking heeft op het terugplaatsen van winningsafvalstoffen in een bij bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgegraven ruimte met het doel het terrein te herstellen en weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik, worden in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die inhouden dat degene die de winningsafvalstoffen terugplaatst, de passende maatregelen treft, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de richtlijn winningsafval. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.52 — Artikel 8.52 (voorschriften over asbest)#
Artikel 8.52 (voorschriften over asbest) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. voorzieningen worden getroffen die voorkomen dat asbesthoudende afvalstoffen met andere afvalstoffen vermengd kunnen raken; b. asbesthoudende afvalstoffen die niet deugdelijk zijn verpakt, aan het einde van iedere werkdag zo worden afgedekt dat geen verspreiding van vezels kan plaatsvinden; c. asbesthoudende afvalstoffen die niet zijn verpakt of afgedekt zo vochtig worden gehouden, dat geen verspreiding van vezels kan plaatsvinden; d. het stortgebied van asbesthoudende afvalstoffen wordt afgedekt voorafgaand aan het betreden van die afvalstoffen met materieel; e. op de stortplaats geen andere activiteiten dan stortactiviteiten worden verricht waardoor asbestvezels uit de gestorte afvalstoffen kunnen vrijkomen; f. ervoor zorg wordt gedragen dat op de stortplaats een overzicht aanwezig is van plaatsen waar asbesthoudende afvalstoffen zijn gestort en gegevens aanwezig zijn waaruit blijkt hoe die plaatsen worden afgeschermd ter voorkoming van menselijk contact met asbesthoudende afvalstoffen; g. artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer als een verklaring als bedoeld inis afgegeven: het overzicht, bedoeld onder f, wordt overgelegd; en h. als het gaat om een omgevingsvergunning voor een stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen: asbesthoudende afvalstoffen in een voor asbesthoudende afvalstoffen bestemd stortvak of deel daarvan met een bepaalde hoogte worden gestort. 2 bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving Het eerste lid geldt ook voor producten waarin asbest als bedoeld inis verwerkt en voor asbeststof. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.53 — Artikel 8.53 (voorschriften over stortgas)#
Artikel 8.53 (voorschriften over stortgas) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. vanaf het tijdstip van opbouw van de stortplaats voorzieningen worden getroffen en toegepast om het uit de stortplaats vrijkomende stortgas op te vangen en te verwerken; b. het stortgas, bedoeld onder a, wordt benut of afgefakkeld; en c. de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot wordt gemeten. 2 Als in de aanvraag is aangegeven dat het stortgas wordt afgefakkeld, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden die inhouden dat de fakkelinstallatie voldoet aan de volgende eisen: a. de uittreedtemperatuur bedraagt ten minste 900°C; b. de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkel bedraagt ten minste 0,3 seconden; en c. de fakkel behoort tot het gesloten type. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op een fakkelinstallatie die alleen in gebruik is tijdens onderhoudsbeurten en storingen van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onder a. 4 Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing als aan de hand van de samenstelling van de massa van het stortpakket genoegzaam kan worden aangetoond dat de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onder a, onvoldoende doelmatig zijn. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de inhoud, de frequentie en de locatie van de metingen, bedoeld in het eerste lid, onder c. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.54 — Artikel 8.54 (voorschriften over terugneembaarheid van voorzieningen)#
Artikel 8.54 (voorschriften over terugneembaarheid van voorzieningen) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het storten zo plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen en de voorzieningen die zijn getroffen op de stortplaats kunnen worden teruggenomen zonder ingrijpende aantasting van de bodem. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.55 — Artikel 8.55 (voorschriften over controlesysteem grondwater)#
Artikel 8.55 (voorschriften over controlesysteem grondwater) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. een deugdelijk controlesysteem aanwezig is, waarmee de staat van de bodem kan worden onderzocht, bestaande uit: 1°. beneden de gemiddeld laagste grondwaterstand gelegen, horizontaal aangebrachte drainagebuizen; en 2°. bovenstrooms van de stortplaats ten minste een in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuis en benedenstrooms ten minste twee grondwaterbemonsteringsbuizen; en b. de bemonstering en de vaststelling van de staat van de bodem voor elke drainagebuis of grondwaterbemonsteringsbuis afzonderlijk is uit te voeren. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in de grondwaterbemonsteringsbuizen de grondwaterstand van de bodem op de locatie waar is of wordt gestort, wordt gemeten. 3 In afwijking van het eerste lid worden, als de aanleg van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, technisch niet mogelijk is, aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden, die inhouden dat een vergelijkbaar beschermingsniveau wordt verzekerd als die voorzieningen en dat een deugdelijk controlesysteem aanwezig is om de staat van de bodem te kunnen onderzoeken, bestaande uit: a. benedenstrooms van de stortplaats een in het voorschrift aan te geven aantal van ten minste twee in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuizen; en b. bovenstrooms van de stortplaats ten minste een in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringsbuis. 4 De gemiddeld laagste grondwaterstand is de rekenkundig gemiddelde grondwaterstand over ten minste acht achtereenvolgende jaren van de drie laagste grondwaterstanden per hydrologisch jaar van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende kalenderjaar. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. het bepalen van de gemiddeld laagste grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid; en b. de frequentie waarmee en de wijze waarop de grondwaterstand, bedoeld in het tweede lid, wordt gemeten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.56 — Artikel 8.56 (voorschriften over oppervlaktewaterlichamen)#
Artikel 8.56 (voorschriften over oppervlaktewaterlichamen) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de hoeveelheid en de samenstelling van een in de omgeving van de stortplaats aanwezig oppervlaktewaterlichaam wordt bepaald respectievelijk bemonsterd. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de frequentie en de wijze van bepalen en bemonsteren van de oppervlaktewaterlichamen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.57 — Artikel 8.57 (voorschriften over naleving, onderzoek en rapportage)#
Artikel 8.57 (voorschriften over naleving, onderzoek en rapportage) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. artikel 8.47 een daarin aangegeven aantal malen per jaar wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die op grond vanaan de omgevingsvergunning zijn verbonden; b. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd; en c. onderzoek wordt gedaan naar de staat van de bodem onder de stortplaats. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende resultaten ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden: a. de resultaten van de inspectie en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; b. artikel 8.56 de resultaten van het bepalen en het bemonsteren van de hoeveelheid respectievelijk de samenstelling van de in de omgeving van de stortplaats aanwezige oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in; c. artikel 8.53 de resultaten van de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in; en d. artikelen 8.47 8.55 de resultaten van de metingen van het niveau en de samenstelling van het grondwater, bedoeld in deen. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de inspectie van de bodembeschermende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder b; en b. het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in het eerste lid, onder c. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.57a — Artikel 8.57a (voorschriften urgentieplan op hoofdlijnen)#
Artikel 8.57a (voorschriften urgentieplan op hoofdlijnen) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld. 2 In het urgentieplan op hoofdlijnen wordt aangegeven: a. in welke gevallen en op welke wijze een interventiepunt wordt bepaald; b. op welke wijze wordt bepaald of een interventiepunt wordt bereikt; c. welke maatregelen moeten worden getroffen als het interventiepunt wordt bereikt, om verspreiding van de verontreinigende stoffen te voorkomen of de veroorzaakte bodemverontreiniging ongedaan te maken; en d. de termijn waarbinnen de maatregelen, bedoeld onder c, moeten worden getroffen. 3 Het interventiepunt is het punt waarbij een significante verslechtering van de grondwaterkwaliteit optreedt. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover dit geohydrologische maatregelen zijn. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.57b — Artikel 8.57b (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt)#
Artikel 8.57b (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een voor de stortplaats bepaald interventiepunt is bereikt als: a. standaardwaarden worden overschreden; en b. de overschrijding, bedoeld onder a, is bevestigd. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in afwijking van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, het interventiepunt niet is bereikt als uit de bevestiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, is gebleken dat de overschrijding niet wordt veroorzaakt door de stortplaats. 3 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat referentiemeetpunten en controlemeetpunten worden vastgesteld. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. standaardwaarden als bedoeld in het eerste lid, onder a; b. de bevestiging, bedoeld in het eerste lid, onder b; en c. het vaststellen van de referentiemeetpunten en controlemeetpunten, bedoeld in het derde lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.58 — Artikel 8.58 (voorschriften over bereiken interventiepunten en uitgewerkt urgentieplan)#
Artikel 8.58 (voorschriften over bereiken interventiepunten en uitgewerkt urgentieplan) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een voor de stortplaats bepaald interventiepunt wordt bereikt: a. de overschrijding onverwijld aan het bevoegd gezag wordt gemeld; en b. artikel 8.57a, eerste lid in overleg met het bevoegd gezag binnen een bepaalde periode een uitgewerkt urgentieplan wordt opgesteld op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen, bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.59 — Artikel 8.59 (voorschriften over inspectie en keuring)#
Artikel 8.59 (voorschriften over inspectie en keuring) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. artikel 8.48 voordat voor de eerste keer wordt gestort, daarna en onverwijld nadat een bovenafdichting als bedoeld inis aangebracht: 1°. artikel 8.47 wordt nagegaan of wordt voldaan aan de voorschriften die op grond vanaan de omgevingsvergunning zijn verbonden; 2°. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, worden geïnspecteerd en gekeurd; 3°. de technische staat van die maatregelen wordt onderzocht; 4°. het percolaat wordt geanalyseerd; en 5°. onderzoek wordt gedaan naar de staat van de bodem onder de stortplaats; b. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse zo worden gepresenteerd dat duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie; c. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag worden gezonden; en d. de resultaten van de keuring, het onderzoek en de analyse gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de wijze waarop en de frequentie waarmee de inspectie, de keuring, het onderzoek en de analyse, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 4°, plaatsvinden; en b. het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 5°. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.59a — Artikel 8.59a (monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse)#
Artikel 8.59a (monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater plaatsvinden volgens de actuele stand van de techniek. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.60 — Artikel 8.60 (voorschriften over goede staat van onderhoud)#
Artikel 8.60 (voorschriften over goede staat van onderhoud) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. de bodembeschermende maatregelen die op de stortplaats zijn getroffen, in goede staat van onderhoud worden gehouden en zo nodig worden hersteld; en b. als herstel niet mogelijk is, vervangende maatregelen worden getroffen, die tegengaan dat het grondwater met de gestorte afvalstoffen in contact komt. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.61 — Artikel 8.61 (strengere voorschriften)#
Artikel 8.61 (strengere voorschriften) artikelen 8.46 tot en met 8.60 Aan een omgevingsvergunning kunnen, in afwijking van de, voorschriften met strengere voorwaarden worden verbonden dan bedoeld in die artikelen als: a. artikel 7.11, eerste lid, onder b de stortplaats ligt in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in; b. de stortplaats ligt op een locatie met een diepe grondwaterstand, een hoge stroomsnelheid van het grondwater of een dik watervoerend pakket; c. de stortplaats ligt in een gebied dat met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu, het beschermen van de bodem of ter voorkoming van ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid vanwege het gebruik van de bodem, in het omgevingsplan is aangewezen; of d. in verband met de aard van de afvalstoffen een bijzonder risico bestaat dat het storten van die stoffen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van de bodem. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62 — Artikel 8.62 (geldingsduur voorschriften)#
Artikel 8.62 (geldingsduur voorschriften) artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 8.47 van de Wet milieubeheer artikelen 8.48, vierde lid 8.49 8.57 tot en met 8.57b 8.59 8.59a 8.60 Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de, en, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, worden voorschriften verbonden die inhouden dat de voorschriften die op grond van de,,,,enaan de omgevingsvergunning zijn verbonden, nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, nog van kracht blijven totdat de stortplaats op grond vangesloten is verklaard. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.62a — Artikel 8.62a (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land)#
Artikel 8.62a (toepassingsbereik voorschriften bodembescherming stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land) 1 artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder a en b 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze paragraaf is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het storten van afvalstoffen of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats, bedoeld in de, en, en voor zover: a. op de stortplaats alleen baggerspecie wordt gestort; en b. de stortplaats niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam. 2 Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. voorwerpen die afzonderlijk van of uit de waterbodem zijn verwijderd, voorwerpen die redelijkerwijs tijdens het baggeren uit de baggerspecie kunnen worden verwijderd en voorwerpen die na het baggeren uit de baggerspecie zijn verwijderd; b. waterbodem die is gewonnen met het oog op de toepassing als grondstof; c. waterbodem die niet uit een oppervlaktewaterlichaam is genomen; d. paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving baggerspecie die is ontwaterd of gerijpt met het oog op de toepassing als grond, voor zover wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in; en e. stoffen en producten die zijn ontstaan door de behandeling of toepassing van baggerspecie, met uitzondering van het residu van die behandeling. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62b — Artikel 8.62b (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding)#
Artikel 8.62b (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de vakbekwaamheid en de opleiding van degene die de stortplaats exploiteert en de op de stortplaats werkzame personen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62c — Artikel 8.62c (voorschriften over voorkomen overschrijding standaardwaarden voor grondwater)#
Artikel 8.62c (voorschriften over voorkomen overschrijding standaardwaarden voor grondwater) 1 bijlage XVIIIa Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende maatregelen worden getroffen, als uit een berekening blijkt dat de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in, zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied: a. het aanbrengen van een organisch stofrijke minerale laag op de bodem of de taluds van de stortplaats; of b. het aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem waarmee wordt voorkomen dat het interventiepunt wordt bereikt. 2 bijlage XVIIIa Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, voorkomen dat buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied overschrijding plaatsvindt van de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in. 3 Het toelaatbaar beïnvloede gebied is het gebied direct buiten de stortplaats, waarbinnen wordt nagegaan of het interventiepunt wordt bereikt. 4 Aan een omgevingsvergunning kunnen in afwijking van het eerste en tweede lid voorschriften worden verbonden die inhouden dat andere maatregelen worden getroffen, als is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze maatregelen even duurzaam en gelijkwaardig zijn en binnen het toelaatbaar beïnvloede gebied het interventiepunt niet wordt bereikt en de standaardwaarde voor het grondwater buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied niet wordt overschreden. 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. het bepalen van het toelaatbare beïnvloede gebied, bedoeld in het derde lid; en b. het bepalen of het interventiepunt binnen het toelaatbare beïnvloede gebied wordt bereikt. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.62d — Artikel 8.62d (voorschriften over geohydrologische isolatiesystemen)#
Artikel 8.62d (voorschriften over geohydrologische isolatiesystemen) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het aanbrengen en in werking stellen en houden van een geohydrologisch isolatiesysteem mogelijk moet blijven. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. als een geohydrologisch isolatiesysteem is aangebracht, dit systeem in goede staat van onderhoud wordt gehouden en zo nodig wordt hersteld; en b. het met behulp van een geohydrologisch isolatiesysteem opgepompte water zo wordt opgevangen, verzameld en gezuiverd of afgevoerd dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem of het grondwater. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62e — Artikel 8.62e (voorschriften over afdeklaag)#
Artikel 8.62e (voorschriften over afdeklaag) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat na het beëindigen van de stortwerkzaamheden zo nodig een afdeklaag met een dikte van ten minste 1 m wordt aangebracht op de gestorte baggerspecie. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62f — Artikel 8.62f (voorschriften over baggerspecie)#
Artikel 8.62f (voorschriften over baggerspecie) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven: a. het toegelaten herkomstgebied van de baggerspecie; b. de klasse, klassen of verontreinigingsgraad van de baggerspecie die op de stortplaats mag worden gestort; c. de totale hoeveelheid baggerspecie die op de stortplaats mag worden gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid; en d. tot welke hoogte mag worden gestort. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven onder welke bijzondere omstandigheden na mededeling aan het bevoegd gezag mag worden afgeweken van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a en b. 3 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. de hoeveelheid baggerspecie per oppervlakte-eenheid zo groot mogelijk is; en b. de minst verontreinigde baggerspecie zoveel mogelijk op de bodem en langs de taluds van de stortplaats wordt aangebracht. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62g — Artikel 8.62g (voorschriften over controlesysteem oppervlaktewater en grondwater)#
Artikel 8.62g (voorschriften over controlesysteem oppervlaktewater en grondwater) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een deugdelijk controlesysteem aanwezig is, waarmee het niveau en de kwaliteit van het grondwater en de hoeveelheid en de kwaliteit van het oppervlaktewater in de directe omgeving van de stortplaats kunnen worden onderzocht. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat met het controlesysteem in ieder geval kan worden nagegaan: a. of en in welke mate verontreinigende stoffen zich verspreiden in het oppervlaktewater en het grondwater in de omgeving van de stortplaats; en b. of het interventiepunt zal worden bereikt of is bereikt. 3 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het ontwerp van het controlesysteem rekening wordt gehouden met: a. artikel 8.62d het ontwerp van het geohydrologisch isolatiesysteem, bedoeld in; b. artikel 8.62c, eerste lid de maatregelen tegen de overschrijding, bedoeld in; en c. artikel 8.62c, tweede, derde en vierde lid het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62h — Artikel 8.62h (voorschriften over controle oppervlaktewater)#
Artikel 8.62h (voorschriften over controle oppervlaktewater) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. een inventarisatie wordt uitgevoerd waarbij de ligging, de omvang en de kenmerken worden bepaald van het oppervlaktewater, dat in de potentiële invloedssfeer van de stortplaats is gelegen; en b. parameters in het oppervlaktewater, bedoeld onder a, worden gemeten op de in de voorschriften aangegeven meetpunten. 2 Vanwege de kenmerken van de stortplaats kan worden afgezien van het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de frequentie van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, onder a, en de metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b; en b. de vaststelling van de meetpunten, bedoeld in het eerste lid, onder b. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62i — Artikel 8.62i (voorschriften over controle grondwater)#
Artikel 8.62i (voorschriften over controle grondwater) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het niveau van het grondwater binnen en in de directe omgeving van de stortplaats voor zover mogelijk wordt vastgesteld op de in de voorschriften aangegeven referentiepunten en controlemeetpunten. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden waarin is aangegeven: a. welke parameters worden gemeten in het grondwater; b. op welke diepten in de bodem de monsterneming op elk meetpunt plaatsvindt; c. dat de parameters, bedoeld onder a, voor zover mogelijk worden gemeten op de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in het eerste lid; en d. dat de metingen worden verricht in een vaste periode in het jaar. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de frequentie van de vaststelling van het niveau van het grondwater, bedoeld in het eerste lid; b. de wijze waarop de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald; en c. de frequentie van de metingen, bedoeld in het tweede lid, onder c. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62j — Artikel 8.62j (voorschriften over starten stort baggerspecie)#
Artikel 8.62j (voorschriften over starten stort baggerspecie) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat geen baggerspecie wordt gestort voordat: a. artikelen 8.62c tot en met 8.62f het bevoegd gezag na inspectie van de stortplaats aan degene die de stortplaats exploiteert heeft meegedeeld dat is voldaan aan de voorschriften die op grond van deaan de omgevingsvergunning zijn verbonden; b. artikel 8.62i, tweede lid de concentratie van elke parameter, bedoeld in, is bepaald op ten minste drie in de voorschriften aangegeven meetpunten; en c. artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit degene die de stortplaats exploiteert bewijs aan het bevoegd gezag heeft overgelegd dat op grond vanfinanciële zekerheid is gesteld of een gelijkwaardige voorziening is getroffen. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62k — Artikel 8.62k (voorschriften over urgentieplan op hoofdlijnen)#
Artikel 8.62k (voorschriften over urgentieplan op hoofdlijnen) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld waarin wordt aangegeven welke maatregelen moeten worden getroffen als een interventiepunt wordt bereikt. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62l — Artikel 8.62l (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt)#
Artikel 8.62l (voorschriften over wanneer interventiepunten worden bereikt) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, die inhouden dat het interventiepunt is bereikt als: a. artikel 8.62c, derde lid bijlage XVIIIa binnen het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in, op een controlemeetpunt de concentratie van een of meer stoffen gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in; b. de overschrijding, bedoeld onder a, is bevestigd door een herhaalde meting; en c. onderzoek is verricht naar de oorzaak van de overschrijding, bedoeld onder a, of de voor het verrichten van het onderzoek in de omgevingsvergunning aangegeven termijn is verstreken. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in afwijking van de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, het interventiepunt niet is bereikt als uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, blijkt dat de overschrijding niet is veroorzaakt door de stortplaats. 3 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over de wijze waarop en de termijn waarbinnen de herhaalde meting, bedoeld in het eerste lid, onder b, en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden verricht. 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over: a. de vaststelling van de signaalwaarde, bedoeld in het eerste lid, onder a; en b. de herhaalde meting, bedoeld in het eerste lid, onder b. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62m — Artikel 8.62m (voorschriften over bereiken interventiepunten en uitgewerkt urgentieplan)#
Artikel 8.62m (voorschriften over bereiken interventiepunten en uitgewerkt urgentieplan) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een voor de stortplaats bepaald interventiepunt wordt bereikt: a. dit onverwijld aan het bevoegd gezag wordt gemeld; en b. artikel 8.62k een uitgewerkt urgentieplan wordt opgesteld op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen, bedoeld in, in overleg met het bevoegd gezag, binnen een in de omgevingsvergunning bepaalde periode, waarin in ieder geval wordt aangegeven: 1°. welke maatregelen binnen een daarbij aan te geven termijn worden getroffen om: i. artikel 8.62c, derde lid bijlage XVIIIa te voorkomen dat de concentratie van de betrokken stoffen buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in, gelijk zal zijn aan of groter zal zijn dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor het grondwater, bedoeld in; en ii. de situatie, bedoeld onder i, ongedaan te maken, als deze situatie zich al heeft voorgedaan; en 2°. op welke wijze en binnen welke termijn wordt gecontroleerd of de maatregelen, bedoeld onder 1°, het beoogde effect hebben. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.62n — Artikel 8.62n (voorschriften over rapportage)#
Artikel 8.62n (voorschriften over rapportage) 1 artikelen 8.62h, eerste lid, onder b 8.62i, tweede lid Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de uitkomsten van de metingen, bedoeld in de, en, en de vaststelling, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, worden bewaard. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de volgende resultaten ten minste eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden: a. de uitkomsten van de metingen, vaststellingen en controle, bedoeld in het eerste lid; b. de hoeveelheid baggerspecie die over het voorgaande jaar op de stortplaats is gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid; c. tot welke hoogte baggerspecie is gestort; d. de met baggerspecie bedekte oppervlakte; e. de toegepaste stortmethode; f. het herkomstgebied van de gestorte baggerspecie; g. de klasse of verontreinigingsgraad van de gestorte baggerspecie; h. het consolidatiegedrag in de stortplaats; en i. de resterende stortcapaciteit op de stortplaats, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.62o — Artikel 8.62o (voorschriften over monsterneming en analyse)#
Artikel 8.62o (voorschriften over monsterneming en analyse) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater en het oppervlaktewater plaatsvinden volgens de actuele stand van de techniek. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.63 — Artikel 8.63 (toepassingsbereik voorschriften winningsafvalvoorzieningen)#
Artikel 8.63 (toepassingsbereik voorschriften winningsafvalvoorzieningen) 1 artikelen 3.84, eerste lid, aanhef en onder c 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten die betrekking hebben op het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen in een winningsafvalvoorziening, bedoeld in de, en, anders dan: a. de injectie van water en de herinjectie van opgepompt grondwater, bedoeld in artikel 11, derde lid, onder j, eerste en tweede gedachtestreepje, van de kaderrichtlijn water, als dat krachtens dat artikel is toegestaan; en b. het storten van niet-gevaarlijke, niet-inerte winningsafvalstoffen, tenzij die worden gestort in een winningsafvalvoorziening categorie A. 2 artikelen 8.64 tot en met 8.70 paragraaf 8.2 titel 17.1A van de Wet milieubeheer Tenzij de opslag plaatsvindt in een winningsafvalvoorziening categorie A of in een winningsafvalvoorziening voor in het winningsafvalbeheersplan, bedoeld in artikel 5 van de richtlijn winningsafval, als gevaarlijk afval aangemerkt afval, zijn devan dit besluit enenniet van toepassing op de opslag van: a. niet-gevaarlijke, niet-inerte winningsafvalstoffen, gedurende een periode van ten hoogste een jaar; b. niet-gevaarlijk afval afkomstig uit prospectie, gedurende een periode van ten hoogste drie jaar; c. niet-verontreinigde grond; d. afval uit de winning, behandeling en opslag van turf; en e. inerte winningsafvalstoffen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Abusievelijk is voor het eerste lid een wijzigingsopdracht
geformuleerd die niet geheel juist is.
Artikel 8.64 — Artikel 8.64 (voorschriften over wijziging of herziening van een winningsafvalbeheersplan)#
Artikel 8.64 (voorschriften over wijziging of herziening van een winningsafvalbeheersplan) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. het winningsafvalbeheersplan, bedoeld in artikel 5 van de richtlijn winningsafval, wordt gewijzigd bij ingrijpende wijzigingen in de structuur of de exploitatie van de winningsafvalvoorziening of in de gestorte afvalstoffen, waardoor naar het oordeel van het bevoegd gezag belangrijke negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de gezondheid of het milieu; b. het winningsafvalbeheersplan elke vijf jaar wordt herzien; en c. een wijziging of herziening van het winningsafvalbeheersplan aan het bevoegd gezag wordt meegedeeld. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.65 — Artikel 8.65 (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding)#
Artikel 8.65 (voorschriften over vakbekwaamheid en opleiding) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over vakbekwaamheid en de opleiding van degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert en de op de winningsafvalvoorziening werkzame personen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.66 — Artikel 8.66 (voorschriften over aanleg, aanpassing of bouw van een winningsafvalvoorziening)#
Artikel 8.66 (voorschriften over aanleg, aanpassing of bouw van een winningsafvalvoorziening) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. de winningsafvalvoorziening in overeenstemming met het door het bevoegd gezag goedgekeurde ontwerp wordt aangelegd of gebouwd; en b. na de oplevering van de winningsafvalvoorziening en voor de ingebruikneming daarvan aan het bevoegd gezag een rapportage wordt overgelegd, waarin zijn aangegeven: 1°. de wijze waarop de directievoering op de aanleg of bouw heeft plaatsgevonden; 2°. de tijdens de werkzaamheden ten opzichte van het bestek doorgevoerde afwijkingen en de op die afwijkingen betrekking hebbende revisietekeningen; en 3°. de resultaten van een controle op de deugdelijkheid en fysische stabiliteit van de opgeleverde winningsafvalvoorziening. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veranderingen van de winningsafvalvoorziening. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de controle, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, onder 3°. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.67 — Artikel 8.67 (voorschriften over beheer en onderhoud van een winningsafvalvoorziening)#
Artikel 8.67 (voorschriften over beheer en onderhoud van een winningsafvalvoorziening) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. de winningsafvalvoorziening zo wordt beheerd en onderhouden dat de fysische stabiliteit is verzekerd en verontreiniging of besmetting van bodem, lucht, oppervlaktewaterlichamen of grondwater en schade aan het landschap zoveel mogelijk wordt voorkomen of tegengegaan; b. verontreinigd water of percolaat zo wordt opgevangen, verzameld en gezuiverd of afgevoerd dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem of het grondwater; c. erosie door water of wind wordt tegengegaan, als dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is; d. door periodieke controle van de winningsafvalvoorziening door op de winningsafvalvoorziening werkzame vakbekwame personen wordt verzekerd dat de voorziening voldoet aan de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden; en e. maatregelen worden getroffen wanneer de resultaten van de controle, bedoeld onder d, wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem. 2 Aan de omgevingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de gegevens van de controle, bedoeld in het eerste lid, onder d, samen met de vergunningdocumentatie gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard om een passende overdracht van informatie te verzekeren als de omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.68 — Artikel 8.68 (voorschriften over verslaglegging winningsafvalvoorziening)#
Artikel 8.68 (voorschriften over verslaglegging winningsafvalvoorziening) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert ten minste eenmaal per jaar op basis van verzamelde gegevens een verslag toezendt aan het bevoegd gezag: a. om aan te tonen dat aan de voorschriften van de omgevingsvergunning wordt voldaan; en b. om de kennis van het gedrag van de afvalstoffen en de winningsafvalvoorziening te vergroten. 2 Aan een omgevingsvergunning kan een voorschrift worden verbonden dat de plicht inhoudt dat degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert, de gegevens, op basis waarvan het verslag is opgesteld, laat valideren. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het aan een omgevingsvergunning verbinden van voorschriften over de validatie, bedoeld in het tweede lid. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.69 — Artikel 8.69 (overige voorschriften over preventie)#
Artikel 8.69 (overige voorschriften over preventie) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. in overeenstemming met de kaderrichtlijn water, verslechtering van de toestand van het water wordt voorkomen, door: 1°. evaluatie van de potentiële percolaatvorming, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit de gestorte afvalstoffen zowel tijdens de bedrijfsuitoefening als na de sluiting van de winningsafvalvoorziening; 2°. de waterbalans van de winningsafvalvoorziening te bepalen; 3°. te voorkomen of tegen te gaan dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewaterlichamen, het grondwater of de bodem door de afvalstoffen worden verontreinigd; en 4°. het verontreinigde water en percolaat van de winningsafvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eisen voor lozing ervan; b. degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert, de noodzakelijke maatregelen treft om stof- en gasemissies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; en c. degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert, als winningsafvalstoffen worden teruggeplaatst in een uitgegraven ruimte die is ontstaan door boven- of ondergrondse winning en die na de sluiting mag volstromen: 1°. de noodzakelijke maatregelen treft om verslechtering van de toestand van het water en bodemverontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; en 2°. Besluit activiteiten leefomgeving het bevoegd gezag voorziet van de informatie die noodzakelijk is om te verzekeren dat wordt voldaan aan heten de kaderrichtlijn water. 2 In afwijking van het eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, kan toepassing daarvan achterwege blijven of kunnen andere voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden wanneer op basis van een beoordeling van de milieurisico’s en rekening houdend met de kaderrichtlijn water, wordt vastgesteld dat: a. het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is; of b. de winningsafvalvoorziening geen potentieel gevaar vormt voor oppervlaktewaterlichamen, de bodem of het grondwater. 3 Aan een omgevingsvergunning voor het storten van winningsafvalstoffen in een ontvangend waterlichaam, dat niet is aangelegd voor de verwijdering van winningsafvalstoffen, wordt een voorschrift verbonden dat inhoudt dat degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert, voldoet aan de toepasselijke bepalingen van de kaderrichtlijn water. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70 — Artikel 8.70 (voorschriften voor een winningsafvalvoorziening categorie A)#
Artikel 8.70 (voorschriften voor een winningsafvalvoorziening categorie A) Aan een omgevingsvergunning voor een winningsafvalvoorziening categorie A worden voorschriften verbonden die inhouden dat degene die de winningsafvalvoorziening exploiteert: a. het preventiebeleid voor zware ongevallen als bedoeld in artikel 6 van de richtlijn winningsafval uitvoert; b. bij zware ongevallen en andere voorvallen in overeenstemming met het interne noodplan, bedoeld in artikel 6 van de richtlijn winningsafval, onverwijld maatregelen treft om nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu, met inbegrip van grensoverschrijdende gevolgen, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; en c. een veiligheidsmanager aanstelt, die verantwoordelijk is voor: 1°. de invoering en werking van de veiligheidsbeheerssystemen, bedoeld in artikel 6 van de richtlijn winningsafval; en 2°. de uitvoering van en het periodieke toezicht op het preventiebeleid voor zware ongevallen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70a — Artikel 8.70a (toepassingsbereik voorschriften over zuiveringsslib)#
Artikel 8.70a (toepassingsbereik voorschriften over zuiveringsslib) Deze paragraaf is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70b — Artikel 8.70b (voorschriften over zuiveringsslib)#
Artikel 8.70b (voorschriften over zuiveringsslib) hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat alleen zuiveringsslib op of in de bodem wordt gebracht dat op grond vanmag worden verhandeld. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70c — Artikel 8.70c (voorschriften over de locatie)#
Artikel 8.70c (voorschriften over de locatie) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het brengen van zuiveringsslib op landbouwgronden alleen plaatsvindt, voor zover de waarden voor een of meer van de in de landbouwgronden aanwezige stoffen, bedoeld in tabel 8.70c, niet worden overschreden. L = % lutum H = % organische stof Tabel 8.70c Grenswaarden Stof Grenswaarde Cadmium Ten hoogste 0,4 + 0,007 (L + 3H) mg/kg ds Chroom Ten hoogste 50 + 2 L mg/kg ds Koper Ten hoogste 15 + 0,6 (L + H) mg/kg ds Kwik Ten hoogste 0,2 + 0,0017 (2 L + H) mg/kg ds Nikkel Ten hoogste 10 + L mg/kg ds Lood Ten hoogste 50 + L + H mg/kg ds Zink Ten hoogste 50 + 1,5 (2 L + H) mg/kg ds Arseen Ten hoogste 15 + 0,4 (L + H) mg/kg ds 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70d — Artikel 8.70d (voorschriften over het moment van het op of in de bodem brengen)#
Artikel 8.70d (voorschriften over het moment van het op of in de bodem brengen) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het brengen van zuiveringsslib op: a. bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving grasland of weidegronden als bedoeld in, niet plaatsvindt in de periode dat deze worden beweid; b. bouwland met voedergewassen, niet plaatsvindt als er binnen drie weken wordt geoogst; c. bouwland met groenteaanplant of fruitaanplant, anders dan fruitbomenaanplant, niet plaatsvindt in de groeiperiode van de groenten of het fruit; en d. bouwland voor het telen van rauw te consumeren groenten of fruit, niet plaatsvindt minder dan tien maanden voor de oogst. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70e — Artikel 8.70e (voorschriften over de hoeveelheid)#
Artikel 8.70e (voorschriften over de hoeveelheid) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. het zuiveringsslib op landbouwgronden wordt gebracht in hetzelfde kalenderjaar als het jaar waarin een gewas wordt geteeld; b. de hoeveelheid op landbouwgronden te brengen vloeibaar zuiveringsslib niet groter is dan: 1°. twee ton droge stof per hectare per jaar op bouwland; en 2°. één ton droge stof per hectare per jaar op grasland; c. de hoeveelheid op landbouwgronden te brengen steekvast zuiveringsslib niet groter is dan: 1°. vier ton droge stof per hectare per twee jaar op bouwland; en 2°. twee ton droge stof per hectare per twee jaar op grasland; en d. het grondgebruik tijdens de perioden, bedoeld onder b en c, voor de betrokken hectares gelijk blijft. 2 Voor de toepassing van het eerste lid, onder b en c, is de situatie op 15 mei van een kalenderjaar waarin zuiveringsslib wordt gebruikt, bepalend voor de vraag of sprake is van bouwland of grasland. Als niet op 15 mei maar in de loop van het kalenderjaar een gewas wordt geteeld, is voor de toepassing van het eerste lid, onder b en c, sprake van bouwland. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70f — Artikel 8.70f (voorschriften over aanvullende voorwaarden)#
Artikel 8.70f (voorschriften over aanvullende voorwaarden) Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib: a. bij specifieke weers-, geologische en fysieke omstandigheden; b. bij het bevloeien of beregenen van de bodem; en c. gedurende bepaalde perioden. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.70g — Artikel 8.70g (voorschriften over monsterneming en analyse)#
Artikel 8.70g (voorschriften over monsterneming en analyse) 1 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bodem voordat het zuiveringsslib op of in de bodem wordt gebracht, wordt bemonsterd en geanalyseerd. 2 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat van de bemonstering en analyse een rapportage wordt opgesteld die ten minste tien jaar na de bemonstering wordt bewaard. 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning over wijze en frequentie van de bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, en de rapportage, bedoeld in het tweede lid. 2021 98 25-02-2021 27-11-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.71 — Artikel 8.71 (broeikasgasemissies)#
Artikel 8.71 (broeikasgasemissies) 1 artikel 16.5 van de Wet milieubeheer Aan een omgevingsvergunning worden, als het gaat om een activiteit waarop ook de invervatte verboden betrekking hebben, geen voorschriften verbonden die een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen inhouden, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante milieuverontreiniging in de directe omgeving van de activiteit wordt veroorzaakt. 2 Als aan de omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het eerste lid, vervallen die voorschriften. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 215 22-06-2023 19-06-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.72 — Artikel 8.72 (kooldioxide)#
Artikel 8.72 (kooldioxide) 1 artikel 15.51 van de Wet milieubeheer Aan een omgevingsvergunning worden, als het gaat om een activiteit als bedoeld ingeen voorschriften verbonden die een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van kooldioxide inhouden, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante milieuverontreiniging in de directe omgeving van de activiteit wordt veroorzaakt. 2 Als aan een omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden als bedoeld in het eerste lid, vervallen die voorschriften. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 215 22-06-2023 19-06-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.73 — Artikel 8.73 (overbrenging van afval naar of uit de provincie)#
Artikel 8.73 (overbrenging van afval naar of uit de provincie) Aan een omgevingsvergunning worden geen voorschriften verbonden die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74 — Artikel 8.74 (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.74 (afbakening maatwerk) artikelen 2.23 4.8 4.31 4.35 4.37 4.46 4.56 4.59 4.65 4.73a 4.74 4.96a 4.106 4.442 4.451 4.506 4.609 4.612 4.1077 4.1083 4.1198 4.1199 4.1257a 4.1265a 4.1273 4.1275 4.1277 4.1279 4.1289 4.1291 4.1296 4.1303a 4.1340 4.1349a 5.7l 5.14 5.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning zijn de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,envan overeenkomstige toepassing. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 320 24-08-2022 22-08-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 325 05-10-2023 20-09-2023 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024
Artikel 8.74a — Artikel 8.74a (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.74a (toepassingsbereik en oogmerk) Deze paragraaf is van toepassing op vergunningplichtige Natura 2000-activiteiten en is opgenomen met het oog op de natuurbescherming. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74b — Artikel 8.74b (beoordelingsregels Natura 2000-activiteit)#
Artikel 8.74b (beoordelingsregels Natura 2000-activiteit) 1 artikel 16.53c, eerste lid, van de wet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling, bedoeld in, de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 2 In afwijking van het eerste lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, de omgevingsvergunning worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 3 Als het project significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het tweede lid, onder b, de voorwaarde dat het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of b. artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure vanis toegepast. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74c — Artikel 8.74c#
Artikel 8.74c Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.74d — Artikel 8.74d (gemeentelijke programmatische aanpak stikstof)#
Artikel 8.74d (gemeentelijke programmatische aanpak stikstof) 1 artikel 4.29 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit waarop een gemeentelijk programma als bedoeld invan toepassing is, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de Natura 2000-activiteit voldoet aan de in het programma opgenomen bepalingen. 2 Het eerste lid geldt niet voor een projectbesluit waarin is bepaald dat: a. het projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit; en b. het eerste lid niet van toepassing is op dat projectbesluit. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74e — Artikel 8.74e (beoordelingsregel bij gebruikmaking AERIUS Register)#
Artikel 8.74e (beoordelingsregel bij gebruikmaking AERIUS Register) artikel 10.25 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, kan de omgevingsvergunning worden verleend met gebruikmaking van daarvoor beschikbare stikstofdepositieruimte die is geregistreerd in het register, bedoeld in. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 8.74f — Artikel 8.74f#
Artikel 8.74f Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/298. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.74g — Artikel 8.74g (voorschrift compensatie)#
Artikel 8.74g (voorschrift compensatie) artikel 8.74b, tweede lid Aan een omgevingsvergunning die in overeenstemming met, voor een Natura 2000-activiteit wordt verleend, wordt een voorschrift verbonden dat de plicht inhoudt om compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 8.74b, tweede lid, onder c, te treffen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74h — Artikel 8.74h (voorschrift bij gemeentelijke programmatische aanpak stikstof)#
Artikel 8.74h (voorschrift bij gemeentelijke programmatische aanpak stikstof) artikel 4.29 Aan een omgevingsvergunning die in overeenstemming metvoor een Natura 2000-activiteit wordt verleend, worden de voorschriften en de beperkingen verbonden, die zijn vastgesteld in het gemeentelijke programma, bedoeld in artikel 4.29. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74i — Artikel 8.74i (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.74i (toepassingsbereik en oogmerk) Deze paragraaf is van toepassing op flora- en fauna-activiteiten en is opgenomen met het oog op de natuurbescherming. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74j — Artikel 8.74j (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten vogelrichtlijn)#
Artikel 8.74j (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten vogelrichtlijn) 1 artikel 11.37, eerste lid 11.38, eerste lid 11.39, eerste lid 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,,, of, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. er geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat; b. de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. ter bescherming van flora en fauna; 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; en c. de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort. 2 artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld intot beperking van de omvang van een populatie van vogels, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel, onder 1° tot en met 4°, in aanmerking genomen. 3 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteit door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen. 4 artikel 11.40, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld indie betrekking heeft op het gebruik van motorboten op open zee wordt alleen verleend als is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in bijlage IV, onder b, tweede gedachtestreepje, tweede zin, bij de vogelrichtlijn. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74k — Artikel 8.74k (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten habitatrichtlijn)#
Artikel 8.74k (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: soorten habitatrichtlijn) 1 artikel 11.46, eerste lid 11.47, eerste lid 11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,, of, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat; b. de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of 5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en c. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 2 artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld intot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen. 3 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74l — Artikel 8.74l (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)#
Artikel 8.74l (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten) 1 artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. er geen andere bevredigende oplossing bestaat; b. de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of 5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; 6°. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7°. voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8°. voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9°. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10°. in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11°. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12°. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of 13°. in het algemeen belang; en c. de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 2 artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld intot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, genoemd in dat onderdeel onder 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 13°, in aanmerking genomen. 3 Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74m — Artikel 8.74m (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: bijvoeren)#
Artikel 8.74m (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: bijvoeren) artikel 11.60 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend: a. bij bijzondere weersomstandigheden; of b. bij een tijdelijk natuurlijk voedseltekort waardoor het welzijn van de dieren in het geding is. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74n — Artikel 8.74n (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: uitzetten van dieren of eieren van dieren)#
Artikel 8.74n (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: uitzetten van dieren of eieren van dieren) 1 artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. artikel 8.74l, eerste lid, onder a en b is voldaan aan; en b. het uitzetten van de dieren of eieren van dieren geen afbreuk doet aan het streven de inheemse flora en fauna in het natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 2 Als het gaat om herintroductie van soorten, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als is voldaan aan het eerste lid, onder a en b, en: a. het uitzetten van de dieren of eieren van dieren bijdraagt aan de instandhouding van een bedreigde soort, aan het functioneren van het ecosysteem of aan de compleetheid van het ecosysteem; b. de kans op spontane vestiging of herstel van de bedreigde soort of van het ecosysteem binnen 20 jaar is uitgesloten of, als dat niet is uitgesloten, er dringende ecologische redenen zijn om de spontane vestiging van de soort of het herstel niet af te wachten; c. het verspreidingsgebied van de betrokken soort van oorsprong ook Nederland of delen van Nederland omvatte; d. er voldoende kans is op het ontstaan van een duurzame populatie van de betrokken soort; e. monitoring van de effecten van de herintroductie is verzekerd; en f. de belangen van maatschappelijk draagvlak voor natuurbescherming, van natuureducatie en van verwerving van kennis van natuur zijn meegewogen. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74o — Artikel 8.74o (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten vogelrichtlijn: algemeen)#
Artikel 8.74o (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten vogelrichtlijn: algemeen) 1 artikel 11.37, eerste lid 11.38, eerste lid 11.39, eerste lid 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,,, ofworden voorschriften verbonden, die inhouden: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden; b. de tijd en locatie waarvoor de omgevingsvergunning geldt; c. de soorten van vogels, of hun nesten, rustplaatsen of eieren, waarvoor de omgevingsvergunning geldt; en d. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt. 2 artikel 8.74j, eerste lid, onder b, onder 3° Als de omgevingsvergunning wordt verleend vanwege een belang als bedoeld in, worden alleen middelen voorgeschreven die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74p — Artikel 8.74p (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane middelen)#
Artikel 8.74p (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane middelen) 1 artikel 11.37, eerste lid 11.38, eerste lid 11.39, eerste lid 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,,, ofvoorgeschreven middelen kunnen alleen zijn: a. geweren; b. honden, met uitzondering van lange honden; c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds; d. kastvallen; e. vangkooien; f. vangnetten; g. eendenkooien; h. bal-chatri; en i. slag-, snij- of steekwapens. 2 Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van een woestijnbuizerd wordt als voorschrift verbonden dat degene die de woestijnbuizerd gebruikt beschikt over een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit. 3 Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van een bal-chatri wordt als voorschrift verbonden dat hierbij: a. geen gebruik wordt gemaakt van levende lokdieren; b. op voorhand wordt gewaarborgd dat de bal-chatri onder permanent direct toezicht staat van een deskundige; en c. gevangen dieren niet onnodig lang vastzitten en niet onnodig worden verwond. 4 Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van slag-, snij- of steekwapens wordt als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze middelen alleen is toegestaan: a. voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels; b. door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend te verrichten; en c. als er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het dier. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74q — Artikel 8.74q (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane methoden of installaties)#
Artikel 8.74q (voorschrift soorten vogelrichtlijn: toegestane methoden of installaties) 1 artikel 11.37, eerste lid 11.38, eerste lid 11.39, eerste lid 11.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving De in een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,,, ofvoorgeschreven methoden of installaties voor het vangen of doden van vogels kunnen alleen zijn: a. Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens dezijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van het gebruik maken van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen; b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in ieder geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld onder a; c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels; d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; e. artikelen 11.76 11.79 11.80 11.83 van het Besluit activiteiten leefomgeving het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij op grond van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel wordt gehandeld in afwijking van de in de,,engestelde eisen met betrekking tot: 1°. de omvang van het jachtveld; 2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of een ander instrument om in de nacht te schieten; 3°. de munitie; of 4°. het gebruik van het geweer: i. voor zonsopgang of na zonsondergang; ii. artikel 5.165a binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, bedoeld in, of terreinen die onmiddellijk aan de bebouwingscontour grenzen; iii. binnen de afpalingskring van een eendenkooi; iv. vanaf of vanuit een rijdend voertuig; of v. vanuit een luchtvaartuig; f. het doden door middel van cervicale dislocatie; en g. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer. 2 Een vergunningvoorschrift dat betrekking heeft op het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels, kan alleen betrekking hebben op levende lokvogels, als: a. het eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen betreft die worden gebruikt voor het vangen van eksters, kauwen, zwarte kraaien, ganzen, eenden of spreeuwen met vangkooien, kastvallen of vangnetten; b. de vogels zijn gefokt; c. de vangkooien en kastvallen zodanig zijn vervaardigd dat in de kooi of val geen lichamelijk contact mogelijk is tussen de lokvogel en het te vangen dier; d. de vogels niet verminkt of blind zijn; en e. de vogels beschikken over voldoende voedsel, water, lucht, beschutting en bewegingsruimte. 3 Aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het gebruik van de methode van cervicale dislocatie wordt als voorschrift verbonden dat het gebruik van deze methode alleen is toegestaan: a. voor het doden van in nood verkerende, gewonde vogels van een omvang kleiner dan of gelijk aan eenden; b. door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om deze activiteit humaan en doeltreffend te verrichten; en c. als er redelijkerwijs geen alternatief middel voorhanden is met minder mogelijke nadelige gevolgen voor het welzijn van het dier. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74r — Artikel 8.74r (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: toegestane middelen)#
Artikel 8.74r (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: toegestane middelen) 1 artikel 11.46, eerste lid 11.48 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in,ofworden voorschriften verbonden over de te gebruiken middelen. 2 artikel 8.74k, eerste lid, onder b, onder 2° 8.74l, eerste lid, onder b, onder 2° Als de omgevingsvergunning wordt verleend vanwege een belang als bedoeld in, of, worden alleen middelen voorgeschreven die nadelige gevolgen voor het welzijn van dieren voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74s — Artikel 8.74s (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: niet drijven van groot wild)#
Artikel 8.74s (voorschrift flora- en fauna-activiteit soorten habitatrichtlijn en andere soorten: niet drijven van groot wild) artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving Aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld indie betrekking heeft op het doden of vangen van wilde zwijnen, reeën, damherten of edelherten worden voorschriften verbonden die bepalen: a. dat dit niet door middel van drijven plaatsvindt; en b. of en zo ja, onder welke voorwaarden een methode is toegestaan waarbij een persoon wilde zwijnen opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74t — Artikel 8.74t (beoordelingsregels jachtgeweeractiviteit)#
Artikel 8.74t (beoordelingsregels jachtgeweeractiviteit) 1 Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt alleen verleend als de aanvrager: a. met goed gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister voor Natuur en Stikstof als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt; b. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt; c. artikel 11.76 van het Besluit activiteiten leefomgeving jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen, bedoeld in, en lid is van de wildbeheereenheid waarbinnen zijn jachtveld ligt, of toestemming heeft van een jachthouder met dat lidmaatschap tot uitoefening van de jacht in zijn jachtveld; d. artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving een geldig bewijs van de verzekering, bedoeld in, heeft overgelegd; e. artikel 6a, eerste lid, onder b, van de Wet wapens en munitie heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid op grond vanaangewezen onderzoek; en f. in persoon aanwezig is geweest bij de controle door de korpschef van de op het adres van de aanvrager getroffen voorzieningen voor de opslag van wapens en munitie. 2 Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als: a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen; b. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht; c. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken; d. wet artikel 2.1 2.2 2.3 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.13 2.14 2.15 van de Wet dieren Wet dieren artikel 8.7 van die wet de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is veroordeeld voor een strafbaar feit wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deof wegens gedragingen als bedoeld in,,,,,,,,,,of, tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van deeen bestuurlijke boete als bedoeld inis opgelegd; of e. artikelen 92 95 95a 108 tot en met 110 115 tot en met 117 121 121a 123 tot en met 124a 131 140 tot en met 141a 142 157 164 166 168 170 179 180 241 243 245 tot en met 250 273f 274 279 281 tot en met 282b 284 tot en met 285b 287 tot en met 292 300 tot en met 303 307 312 317 350 352 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht Wet wapens en munitie Opiumwet de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,of, een misdrijf op grond van deof een misdrijf op grond van de. 3 Voor de berekening van de periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 4 Jachtwet Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, niet geweigerd als de aanvrager niet met gunstig gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd, als hem vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens deerkend jachtexamen: a. Jachtwet in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in deis uitgereikt; of b. Flora- en faunawet in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in deis uitgereikt. 5 Het eerste lid, aanhef en onder e en f, is niet van toepassing als de aanvrager een nog geldende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit heeft, tenzij de toepassing van die onderdelen naar het oordeel van de korpschef noodzakelijk is voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a. 2024 60 27-03-2024 25-03-2024 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet seksuele
misdrijven in werking treedt.
Artikel 8.74u — Artikel 8.74u (afwijking aanvrager zonder woonplaats in Nederland)#
Artikel 8.74u (afwijking aanvrager zonder woonplaats in Nederland) Artikel 8.74t, eerste lid, aanhef en onder c , geldt niet als de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit: a. geen woonplaats in Nederland heeft; en b. genoegzaam aantoont dat hij is gerechtigd de jacht uit te oefenen in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74v — Artikel 8.74v (voorschrift bij aanvrager zonder woonplaats)#
Artikel 8.74v (voorschrift bij aanvrager zonder woonplaats) artikel 8.74u Als toepassing wordt gegeven aan, wordt aan een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit het voorschrift verbonden dat de houder zich bij het gebruik van het geweer bevindt in gezelschap van een in Nederland woonachtige houder van een geldige omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74w — Artikel 8.74w (beoordelingsregels valkeniersactiviteit)#
Artikel 8.74w (beoordelingsregels valkeniersactiviteit) 1 Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt alleen verleend als de aanvrager: a. met goed gevolg een examen voor een valkeniersactiviteit heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister voor Natuur en Stikstof, of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister voor Natuur en Stikstof als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt; en b. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. 2 Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als: a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een roofvogel voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen, of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schade misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen; b. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht; c. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken; d. wet artikel 2.1 2.2 2.3 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.13 2.14 2.15 van de Wet dieren Wet dieren artikel 8.7 van die wet de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit is veroordeeld voor een strafbaar feit wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deof wegens gedragingen als bedoeld in,,,,,,,,,,of, of tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd, of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van deeen bestuurlijke boete als bedoeld inis opgelegd; of e. artikelen 92 95 95a 108 tot en met 110 115 tot en met 117 121 121a 123 tot en met 124a 131 140 tot en met 141a 142 157 164 166 168 170 179 180 241 243 245 tot en met 250 273f 274 279 281 tot en met 282b 284 tot en met 285b 287 tot en met 292 300 tot en met 303 307 312 317 350 352 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht Wet wapens en munitie Opiumwet de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,of, een misdrijf op grond van deof een misdrijf op grond van de. 3 Voor de berekening van de periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 4 Een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, niet geweigerd als aan de aanvrager vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Vogelwet 1936 erkend jachtexamen: a. in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een vergunning als bedoeld in de Vogelwet 1936 is uitgereikt; of b. Flora- en faunawet in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een vergunning als bedoeld in deis uitgereikt. 2024 60 27-03-2024 25-03-2024 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet seksuele
misdrijven in werking treedt.
Artikel 8.74x — Artikel 8.74x (aanvrager zonder woonplaats in Nederland)#
Artikel 8.74x (aanvrager zonder woonplaats in Nederland) Als de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit geen woonplaats in Nederland heeft, wordt een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit alleen verleend als de aanvrager genoegzaam aantoont dat hij gerechtigd is de jacht uit te oefenen in het land waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.74y — Artikel 8.74y (voorschrift bij aanvrager zonder woonplaats)#
Artikel 8.74y (voorschrift bij aanvrager zonder woonplaats) artikel 8.74x Als toepassing wordt gegeven aan, wordt aan een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit het voorschrift verbonden dat de houder zich bij het gebruik van de jachtvogel bevindt in gezelschap van een in Nederland woonachtige houder van een geldige omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.75 — Artikel 8.75 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.75 (toepassingsbereik en oogmerk) paragraaf 6.2.2 7.2.2 afdeling 16.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving wet Deze afdeling is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten die niet zijn aangewezen als vergunningvrije activiteiten inofofen is opgenomen met het oog op de doelen van de. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.76 — Artikel 8.76 (beoordelingsregels ontgrondingsactiviteit)#
Artikel 8.76 (beoordelingsregels ontgrondingsactiviteit) 1 de wet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de doelen van. 2 De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als: a. niet aannemelijk is dat de ontgronding, zowel tijdens de uitvoering als daarna, veilig en stabiel is; b. onvoldoende verzekerd is dat het gebied na afloop van het ontgronden goed ingericht en beheerd zal worden; of c. de inrichting van de locatie niet aansluit bij de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld of een functie die mogelijk wordt gemaakt door een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 3 Bij de beoordeling van de aanvraag worden in ieder geval de gevolgen van de ontgronding voor watersystemen betrokken. 4 Als voor een samenstel van activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit is vereist, ook een omgevingsvergunning voor een andere activiteit is vereist, maken de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor die andere activiteit geen deel uit van de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.77 — Artikel 8.77 (voorschriften ontgrondingsactiviteit)#
Artikel 8.77 (voorschriften ontgrondingsactiviteit) 1 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat: a. voor de uitvoering van de ontgronding een werkplan wordt overgelegd en dat voor het werkplan toestemming nodig is van een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan; en b. op een daarbij omschreven wijze wordt aangegeven of aan de voorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking worden gesteld van het bevoegd gezag. 2 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de paleontologie. 3 Artikel 8.81 is van overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.78 — Artikel 8.78 (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.78 (afbakening maatwerk) artikelen 6.14 7.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning deenvan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.79 — Artikel 8.79 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.79 (toepassingsbereik en oogmerk) hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving Deze afdeling heeft betrekking op rijksmonumentenactiviteiten die niet zijn aangewezen als vergunningvrije activiteiten inen is opgenomen met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.80 — Artikel 8.80 (beoordelingsregels rijksmonumentenactiviteit)#
Artikel 8.80 (beoordelingsregels rijksmonumentenactiviteit) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een rijksmonumentenactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. 2 Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.81 — Artikel 8.81 (voorschriften over archeologische monumentenzorg)#
Artikel 8.81 (voorschriften over archeologische monumentenzorg) Aan een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit die betrekking heeft op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. artikel 1.1 van de Erfgoedwet het verrichten van opgravingen als bedoeld in; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.82 — Artikel 8.82 (voorschriften over verplaatsen gebouwde monumenten)#
Artikel 8.82 (voorschriften over verplaatsen gebouwde monumenten) Aan een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, worden voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.83 — Artikel 8.83 (toepassingsbereik en oogmerk)#
Artikel 8.83 (toepassingsbereik en oogmerk) 1 Deze afdeling is van toepassing op de volgende wateractiviteiten: a. hoofdstukken 6 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk als bedoeld in deen; b. hoofdstuk 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie, anders dan een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk als bedoeld in; c. hoofdstukken 3 6 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de,en; d. hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtige lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in; e. paragraaf 7.2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving stortingsactiviteiten op zee die niet zijn aangewezen als vergunningvrije activiteiten in; en f. hoofdstuk 6 afdeling 16.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld inof. 2 Deze afdeling is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het milieu, het beheer van watersystemen en het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.84 — Artikel 8.84 (beoordelingsregels wateractiviteit)#
Artikel 8.84 (beoordelingsregels wateractiviteit) 1 artikel 8.83, eerste lid Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een wateractiviteit als bedoeld in, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. 2 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. 3 Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid artikel 2.18, eerste lid niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; b. artikel 2.12, eerste lid artikel 2.18, tweede lid een goed ecologisch potentieel als bedoeld in, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in; en c. artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d een minder strenge doelstelling als bedoeld in, niet wordt bereikt. 4 Het derde lid is niet van toepassing: a. artikel 2.10, eerste lid artikel 2.17, derde lid voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2°. artikel 2.17, vierde lid toepassing is gegeven aan. 5 artikel 4.15, eerste lid Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in, niet wordt bereikt. 6 In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van: 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of 3°. nieuwe duurzame activiteiten, voor zover het gaat om de achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.85 — Artikel 8.85 (voorschriften wateractiviteit)#
Artikel 8.85 (voorschriften wateractiviteit) Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over het na het beëindigen van de activiteit wegnemen, compenseren of beperken van door de activiteit of het beëindigen daarvan veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.86 — Artikel 8.86 (specifieke oogmerken)#
Artikel 8.86 (specifieke oogmerken) 1 Artikel 8.88 is ook opgenomen met het oog op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten. 2 Artikel 8.90 de wet is ook opgenomen met het oog op de doelen van. 3 Artikel 8.91 is ook opgenomen met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.87 — Artikel 8.87 (beoordelingsregels stortingsactiviteit op zee)#
Artikel 8.87 (beoordelingsregels stortingsactiviteit op zee) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stortingsactiviteit op zee, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het Londen-protocol en het Ospar-verdrag. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.88 — Artikel 8.88 (beoordelingsregels lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.88 (beoordelingsregels lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk. 2 artikelen 8.9, eerste en tweede lid 8.10 8.13, eerste lid Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, zijn de,en, van overeenkomstige toepassing. 3 artikel 8.9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e bijlage XVIII Bij de beoordeling van de aanvraag in overeenstemming met, wordt ook rekening gehouden met de informatiedocumenten, bedoeld in, onder B. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.89 — Artikel 8.89 (beoordelingsregels wateronttrekkingsactiviteit)#
Artikel 8.89 (beoordelingsregels wateronttrekkingsactiviteit) 1 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een wateronttrekkingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem. 2 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met de onttrekking van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, waarbij het in de bodem te brengen water afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als in het in de bodem te brengen water stoffen voorkomen: a. bijlage XIX in lagere concentraties dan in, onder A, voor die stoffen is aangegeven; of b. bijlage XIX als bedoeld in, onder B, als die stoffen niet zijn aangegeven in die bijlage, onder A, en die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten. 3 In afwijking van het tweede lid, onder a, kan de omgevingsvergunning worden verleend en kan voor een of meer stoffen een hogere concentratie als bedoeld in dat onderdeel worden toegestaan voor een in de omgevingsvergunning aan te geven periode, als: a. de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater, als water in de bodem wordt gebracht waarin die stoffen voorkomen in hogere concentraties; of b. aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door het in de bodem brengen van water waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties, opheffen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.90 — Artikel 8.90 (beoordelingsregels beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk)#
Artikel 8.90 (beoordelingsregels beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk) 1 wet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die plaatsvindt buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, kan de omgevingsvergunning worden geweigerd als de activiteit in strijd is met de doelen van de. 2 Voor zover voor een samenstel van activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in het eerste lid is vereist, ook een omgevingsvergunning voor een andere activiteit dan een wateractiviteit is vereist, maken de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor die andere activiteiten geen deel uit van de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor de beperkingengebiedactiviteit. 3 artikel 7.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover het gaat om het bouwen, aanleggen, plaatsen, veranderen of in stand houden van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting, bedoeld in, in een gebied dat bij ministeriële regeling als drukbevaren deel van de zee is aangewezen en geometrisch begrensd, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.91 — Artikel 8.91 (voorschriften beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk)#
Artikel 8.91 (voorschriften beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk) artikel 8.81 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die wordt verricht buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, isvan overeenkomstige toepassing op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.92 — Artikel 8.92 (voorschriften lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.92 (voorschriften lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) artikel 4.5 van de wet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, worden aan die vergunning de voorschriften verbonden die noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van de maatregelen die voor dat oppervlaktewaterlichaam of voor dat zuiveringtechnisch werk zijn opgenomen in een waterbeheerprogramma, een regionaal waterprogramma of het nationale waterprogramma, als toepassing wordt gegeven aan. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.93 — Artikel 8.93 (voorschriften lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.93 (voorschriften lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) artikelen 8.26 tot en met 8.35 bijlage XVIII Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn devan overeenkomstige toepassing, waarbij rekening wordt gehouden met de informatiedocumenten, bedoeld in, onder C. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.94 — Artikel 8.94 (voorschriften wateronttrekkingsactiviteit met infiltratie)#
Artikel 8.94 (voorschriften wateronttrekkingsactiviteit met infiltratie) 1 Aan een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit die betrekking heeft op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, waarbij het in de bodem te brengen water afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam, worden voorschriften verbonden over: a. de kwaliteit van het in de bodem te brengen water; b. de beheersing van de hydrologische situatie; c. de beëindiging van het in de bodem brengen van het water; en d. de controle van de kwaliteit van het grondwater. 2 Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder a, houdt in ieder geval in dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater. 3 Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder b, houdt in ieder geval in dat verspreiding van het in de bodem te brengen water zo veel mogelijk wordt beheerst, om het in de bodem te brengen water grotendeels weer te onttrekken. 4 Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid, onder c, houdt in ieder geval in dat een evaluatie van de gevolgen van het in de bodem brengen van water voor de kwaliteit van de bodem plaatsvindt, gevolgd door een planmatige aanpak van de beëindiging van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, en van het opheffen van eventuele nadelige gevolgen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.95 — Artikel 8.95 (voorschriften stortingsactiviteit op zee)#
Artikel 8.95 (voorschriften stortingsactiviteit op zee) Aan een omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee worden voorschriften verbonden in overeenstemming met het Londen-protocol en het Ospar-verdrag. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.96 — Artikel 8.96 (afbakening maatwerk)#
Artikel 8.96 (afbakening maatwerk) 1 artikelen 2.23 4.65 4.106 4.609 4.612 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning de,,,envan overeenkomstige toepassing. 2 artikelen 6.14 7.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk of een wateronttrekkingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, zijn op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning deenvan overeenkomstige toepassing. 3 artikel 7.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in de Noordzee of een stortingsactiviteit op zee, is op het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunningvan overeenkomstige toepassing. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.97 — Artikel 8.97 (algemene gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning)#
Artikel 8.97 (algemene gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning) 1 Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen of een omgevingsvergunning intrekken op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. 3 Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, als niet kan worden volstaan met wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.97a — Artikel 8.97a (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking)#
Artikel 8.97a (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking) 1 artikel 4.17 van de wet Dit artikel is van toepassing als een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in, anders dan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, vijf jaar onherroepelijk is en een omgevingsplan met die omgevingsvergunning niet in overeenstemming kan worden gebracht op grond van: a. hoofdstuk 5 een regel in; b. artikel 2.22 van de wet een regel op grond vanover het omgevingsplan; of c. artikel 2.33 2.34 van de wet een instructie als bedoeld inof. 2 Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in als: a. de regel of instructie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is op activiteiten die op grond van die omgevingsvergunning rechtmatig worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip waarop de regel of instructie van kracht wordt; en b. de activiteit redelijkerwijs niet kan worden toegelaten door: 1°. een wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 2°. een wijziging van het omgevingsplan; of 3°. artikel 2.32 van de wet een ontheffing als bedoeld in. 3 Als in de regel of de instructie, bedoeld in het eerste lid, een termijn is gesteld waarbinnen een omgevingsplan moet worden gewijzigd die eerder verstrijkt dan de termijn van vijf jaar, bedoeld in dat lid, wordt binnen de in die regel of instructie gestelde termijn toepassing gegeven aan het tweede lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.97b — Artikel 8.97b (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking)#
Artikel 8.97b (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking) 1 artikel 4.17 van de wet Dit artikel is van toepassing als een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang als bedoeld invijf jaar onherroepelijk is en een omgevingsplan met die omgevingsvergunning niet in overeenstemming kan worden gebracht op grond van: a. hoofdstuk 5 een regel in; b. artikel 2.22 van de wet artikel 8.0b, tweede lid een regel op grond vanover het omgevingsplan die op grond van, van toepassing is op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang; of c. artikel 2.34 van de wet een instructie als bedoeld in. 2 Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in als: a. de regel of instructie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is op activiteiten die op grond van die omgevingsvergunning rechtmatig worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip waarop de regel of instructie van kracht wordt; en b. de activiteit redelijkerwijs niet kan worden toegelaten door: 1°. een wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 2°. een wijziging van het omgevingsplan; of 3°. artikel 2.32 van de wet een ontheffing als bedoeld in. 3 Als in de regel of de instructie, bedoeld in het eerste lid, een termijn is gesteld waarbinnen een omgevingsplan moet worden gewijzigd die eerder verstrijkt dan de termijn van vijf jaar, bedoeld in dat lid, wordt binnen de in die regel of instructie gestelde termijn toepassing gegeven aan het tweede lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.97c — Artikel 8.97c (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit van nationaal belang wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking)#
Artikel 8.97c (plicht tot wijziging voorschriften of intrekken omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit van nationaal belang wegens strijd met instructieregels of instructies zonder eerbiedigende werking) 1 artikel 4.17 van de wet Dit artikel is van toepassing als een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang als bedoeld invijf jaar onherroepelijk is en een omgevingsplan met die omgevingsvergunning niet in overeenstemming kan worden gebracht op grond van: a. artikel 2.22 van de wet artikel 2.33 van de wet een regel op grond vanover het omgevingsplan of een instructie als bedoeld in; b. artikel 2.34, vierde lid, van de wet een instructie als bedoeld in; of c. hoofdstuk 5 artikel 8.0b, derde lid een regel indie op grond van, van toepassing is op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang. 2 Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in als: a. de regel of instructie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is op activiteiten die op grond van die omgevingsvergunning rechtmatig worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip waarop de regel of instructie van kracht wordt; en b. de activiteit redelijkerwijs niet kan worden toegelaten door: 1°. een wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften; 2°. een wijziging van het omgevingsplan; of 3°. artikel 2.32 van de wet een ontheffing als bedoeld in. 3 Als in de regel of de instructie, bedoeld in het eerste lid, een termijn is gesteld waarbinnen een omgevingsplan moet worden gewijzigd die eerder verstrijkt dan de termijn van vijf jaar, bedoeld in dat lid, wordt binnen de in die regel of instructie gestelde termijn toepassing gegeven aan het tweede lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.98 — Artikel 8.98 (specifieke gronden – plicht tot bezien omgevingsvergunning in verband met nieuwe BBT-conclusies of nieuw LAP)#
Artikel 8.98 (specifieke gronden – plicht tot bezien omgevingsvergunning in verband met nieuwe BBT-conclusies of nieuw LAP) 1 bijlage XVIII Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie of de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voldoen aan die nieuwe BBT-conclusies, aan overige BBT-conclusies en aan informatiedocumenten als bedoeld in, onder A, die sinds de verlening van de omgevingsvergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien. 2 artikel 10.3 van de Wet milieubeheer Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in, is gaan gelden of de omgevingsvergunning voldoet aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer. 2025 373 20-11-2025 11-11-2025 2025 442 22-12-2025 17-12-2025 30-12-2025
Artikel 8.99 — Artikel 8.99 (specifieke gronden – plicht tot wijziging voorschriften)#
Artikel 8.99 (specifieke gronden – plicht tot wijziging voorschriften) 1 artikel 5.38, eerste lid, van de wet Het bevoegd gezag wijzigt de aan de omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee, een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk verbonden voorschriften als door toepassing vanblijkt dat de milieuverontreiniging die de activiteit veroorzaakt: a. door de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kan worden ingeperkt; of b. door de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moet worden ingeperkt. 2 Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk wijzigt de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, als dit noodzakelijk is gelet op het resultaat van de toetsing, bedoeld in: a. artikel 8.98, eerste lid : binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie; of b. artikel 8.98, tweede lid artikel 10.3 van de Wet milieubeheer : binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in, is gaan gelden. 3 Van ontwikkelingen als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake als: a. geen BBT-conclusies van toepassing zijn, maar belangrijke veranderingen in de beste beschikbare technieken een aanzienlijke beperking van de emissies mogelijk maken; b. de door de activiteit veroorzaakte milieuverontreiniging zodanig is dat de emissiegrenswaarden die in de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn opgenomen, moeten worden gewijzigd of dat in die voorschriften nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen; c. de noodzaak om ongevallen te voorkomen de toepassing van andere technieken vereist; of d. artikel 8.30 artikel 2.15, eerste lid, onder a tot en met c, van de wet op grond vanaan een nieuwe of herziene omgevingswaarde als bedoeld inmoet worden voldaan. 4 artikel 8.28 Als met toepassing vanminder strenge emissiegrenswaarden zijn vastgesteld, wordt bij de toepassing van het eerste en tweede lid opnieuw getoetst of aan de voorwaarden van dat artikel wordt voldaan. 5 artikel 16.55, tweede lid, van de wet Bij toepassing van het eerste en tweede lid, aanhef en onder a, verbindt het bevoegd gezag zo nodig voorschriften aan de omgevingsvergunning die strekken tot toepassing van andere technieken dan die waarover krachtensin of bij de aanvraag om de omgevingsvergunning gegevens of bescheiden zijn verstrekt. 2025 373 20-11-2025 11-11-2025 2025 442 22-12-2025 17-12-2025 30-12-2025
Artikel 8.100 — Artikel 8.100 (specifieke gronden – plicht tot intrekking omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.100 (specifieke gronden – plicht tot intrekking omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in als: a. artikel 8.99, tweede lid door toepassing van, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; of b. artikel 8.47 van de Wet milieubeheer artikel 1.1 van die wet het gaat om een stortplaats als bedoeld inof een afvalvoorziening als bedoeld inen de stortplaats respectievelijk afvalvoorziening op grond van artikel 8.47 van die wet voor gesloten is verklaard. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 8.101 — Artikel 8.101 (specifieke gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.101 (specifieke gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) artikel 4.22, tweede lid, onder b, van de wet Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval wijzigen in verband met het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid als bedoeld in. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.102 — Artikel 8.102 (specifieke gronden – bevoegdheid tot intrekking omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk)#
Artikel 8.102 (specifieke gronden – bevoegdheid tot intrekking omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk) 1 Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk in ieder geval intrekken in verband met: a. een doelmatig beheer van afvalstoffen; of b. artikel 4.22, tweede lid, onder b, van de wet het niet treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid als bedoeld in. 2 Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid als niet kan worden volstaan met wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning. 3 Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt rekening gehouden met: a. artikel 10.3 van de Wet milieubeheer het circulair materialenplan, bedoeld in; of b. artikel 10.4 artikel 10.5 van die wet de voorkeursvolgorde, aangegeven in, en de criteria, genoemd in. 2025 373 20-11-2025 11-11-2025 2025 442 22-12-2025 17-12-2025 30-12-2025
Artikel 8.103 — Artikel 8.103 (specifieke gronden intrekking of wijziging omgevingsvergunning voor activiteiten die de natuur betreffen)#
Artikel 8.103 (specifieke gronden intrekking of wijziging omgevingsvergunning voor activiteiten die de natuur betreffen) 1 Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit in ieder geval in of wijzigt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit in ieder geval, als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 2 Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit intrekken, als de houder van de omgevingsvergunning, nadat die is verleend, onherroepelijk is veroordeeld: a. paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor een overtreding van een in degestelde regel of een daarover gesteld maatwerkvoorschrift of een daarover gestelde maatwerkregel, of als daarvoor tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd; b. wegens handelen in strijd met een andere omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit; of c. artikel 2.1 2.2 2.3 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.13 2.14 2.15 van de Wet dieren Wet dieren artikel 8.7 van die wet wegens gedragingen als bedoeld in,,,,,,,,,,of, als daarvoor tegen hem een strafbeschikking is uitgevaardigd of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van deeen bestuurlijke boete als bedoeld inis opgelegd. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 8.104 — Artikel 8.104 (specifieke gronden intrekking omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten en valkeniersactiviteiten)#
Artikel 8.104 (specifieke gronden intrekking omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten en valkeniersactiviteiten) 1 Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als: a. de bij aan aanvraag om die omgevingsvergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, als de juiste gegevens waren verstrekt, de vergunning zou zijn geweigerd; b. artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in, niet langer met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dat artikel en artikel 11.78, tweede tot en met zevende lid, van dat besluit is gedekt; c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd; d. artikelen 92 95 95a 108 tot en met 110 115 tot en met 117 121 121a 123 tot en met 124a 131 140 tot en met 141a 142 157 164 166 168 170 179 180 241 243 245 tot en met 250 273f 274 279 281 tot en met 282b 284 tot en met 285b 287 tot en met 292 300 tot en met 303 307 312 317 350 352 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht Wet wapens en munitie Opiumwet na de verlening van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,,of, een misdrijf op grond van deof een misdrijf op grond van de; of e. Richtlijn 91/477/EEG Wet wapens en munitie de houder in het bezit is van een magazijn voor een vuurwapen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging vanvan de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22), zonder hiervoor een verlof of ontheffing op grond van dete hebben. 2 Het eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit. 3 Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit kan die omgevingsvergunning intrekken, als: a. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheid om de jacht uit te oefenen misbruik maakt; b. de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht; of c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik maakt. 2024 60 27-03-2024 25-03-2024 2024 61 27-03-2024 25-03-2024 01-07-2024 Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet seksuele
misdrijven in werking treedt.
Artikel 9.1 — Artikel 9.1 (instructieregels projectbesluit)#
Artikel 9.1 (instructieregels projectbesluit) 1 Afdeling 5.1 paragraaf 5.1.5.4 artikel 5.165 , met uitzondering van, enzijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten. 2 paragrafen 5.1.1 5.1.2 artikel 5.37 paragraaf 5.1.4 artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g 5.129e, eerste en tweede lid paragrafen 5.1.5.5 5.1.5a 5.1.7a 5.1.8 artikel 5.165 Deen,,, de, en, de,,enenzijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door een van Onze Ministers. 3 paragraaf 5.1.3.2 In afwijking van het eerste lid isniet van toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld voor de aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering. 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 2026 103 07-05-2026 21-04-2026 29-05-2026
Artikel 9.2 — Artikel 9.2 (instructieregels voor werelderfgoed)#
Artikel 9.2 (instructieregels voor werelderfgoed) 1 artikel 7.4, eerste lid Er wordt geen projectbesluit door een van Onze Ministers vastgesteld voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen, bedoeld in, aantast. 2 artikel 7.4, tweede lid In een projectbesluit dat door een van Onze Ministers wordt vastgesteld wordt rekening gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in. 2025 284 21-10-2025 04-10-2025 2025 355 14-11-2025 04-11-2025 01-01-2026
Artikel 9.3 — Artikel 9.3 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland)#
Artikel 9.3 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland) 1 artikel 7.7, eerste lid Er wordt geen projectbesluit door een van Onze Ministers vastgesteld voor het uitvoeren van een project binnen het natuurnetwerk Nederland dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, bedoeld in, tenzij verzekerd is dat deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 2 artikel 5.150, eerste lid Voor gebieden binnen het natuurnetwerk Nederland die bestaan uit militaire terreinen of terreinen met een militair object als bedoeld in, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover een projectbesluit betrekking heeft op terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen. 2018 292 31-08-2018 03-07-2018 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 9.3a — Artikel 9.3a (afwijken van regels in waterschapsverordening of omgevingsverordening)#
Artikel 9.3a (afwijken van regels in waterschapsverordening of omgevingsverordening) 1 artikel 5.53, derde of vierde lid, van de wet artikel 6.1 Als met toepassing vanregels in een waterschapsverordening als bedoeld inbuiten toepassing worden gelaten, worden de eisen, bedoeld in de artikelen 10 en 11, derde lid, aanhef en onder g, van de kaderrichtlijn water, in acht genomen. 2 artikel 5.53, derde of vierde lid, van de wet artikel 6.2, tweede lid artikel 7.12, tweede lid artikel 8.84, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid Als met toepassing vanregels in een waterschapsverordening als bedoeld in, of in een omgevingsverordening als bedoeld in, buiten toepassing worden gelaten, is, van overeenkomstige toepassing. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 9.4 — Artikel 9.4 (ontheffing instructieregels projectbesluit)#
Artikel 9.4 (ontheffing instructieregels projectbesluit) paragrafen 5.1.3.2 5.1.3.3 5.1.3.4 5.1.3.5 5.1.5.2 5.1.5.3 artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g 5.129e, eerste en tweede lid paragrafen 5.1.6.2 5.1.6.3 5.1.6.4 5.1.7 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de,,,,en, met uitzondering van de, en, en de,,en. 2024 116 30-04-2024 11-04-2024 2024 166 17-06-2024 04-06-2024 01-07-2024
Artikel 10.1 — Artikel 10.1 (landbouwgronden en natuurterreinen)#
Artikel 10.1 (landbouwgronden en natuurterreinen) 1 Bepalingen in deze afdeling die gaan over landbouwgronden, zijn van overeenkomstige toepassing op gronden waarop onmiddellijk enige vorm van landbouw kan worden uitgeoefend. 2 Bepalingen in deze afdeling die gaan over bos, zijn van overeenkomstige toepassing op heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, voor zover het geen gronden zijn waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.2 — Artikel 10.2 (agrarische verkeerswaarde)#
Artikel 10.2 (agrarische verkeerswaarde) 1 Gedeputeerde staten stellen per herverkavelingsblok de agrarische verkeerswaarde van gronden vast op basis van het prijsniveau van de landbouwgronden die in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit in het herverkavelingsblok zijn verkocht. 2 Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit geen verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht. 3 Als in een herverkavelingsblok in het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit onvoldoende verkopen van landbouwgronden hebben plaatsgevonden, stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde vast op basis van de prijs waarvoor in dat jaar binnen het herverkavelingsblok gronden zijn verkocht en de prijs waarvoor vergelijkbare gronden buiten het herverkavelingsblok zijn verkocht. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.3 — Artikel 10.3 (begrenzing bebouwd perceel bij toedeling naastgelegen perceel)#
Artikel 10.3 (begrenzing bebouwd perceel bij toedeling naastgelegen perceel) In een ruilbesluit wordt bij toedeling van een naastgelegen perceel de grens van een perceel waarop een gebouw staat niet aangepast als dat voor de eigenaar of gebruiker van het gebouw zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van het gebouw. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.4 — Artikel 10.4 (uitruilbaarheid waterlopen, plassen en lijnvormige landschapselementen)#
Artikel 10.4 (uitruilbaarheid waterlopen, plassen en lijnvormige landschapselementen) 1 In een ruilbesluit zijn tegen een nihil inbreng uitruilbaar: a. een waterloop met een bovenbreedte van ten minste 5 m; b. 2 een plas met een oppervlakte van ten minste 25 m; en c. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van ten minste 5 m. 2 In een ruilbesluit zijn als aangrenzende gronden uitruilbaar: a. een waterloop met een gemiddelde bovenbreedte van minder dan 5 m; b. 2 een plas met een oppervlakte van minder dan 25 m; en c. een lijnvormig landschapselement bestaande uit een houtopstand met een gemiddelde breedte van minder dan 5 m. 3 In een ruilbesluit kan voor het gehele herverkavelingsblok voor waterlopen, plassen of lijnvormige landschapselementen een andere breedte of oppervlakte worden aangehouden dan de breedten en oppervlakten, bedoeld in het eerste en tweede lid, als dat vanwege de specifieke kenmerken van dat herverkavelingsblok nodig is voor een doelmatige herverkaveling. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.5 — Artikel 10.5 (uitruilbaarheid wegen met openbaar karakter)#
Artikel 10.5 (uitruilbaarheid wegen met openbaar karakter) artikel 4 van de Wegenwet In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld inen een weg die anderszins een openbaar karakter heeft in zijn geheel uitruilbaar tegen een nihil inbreng. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.6 — Artikel 10.6 (uitruilbaarheid weg die aan openbaar verkeer wordt onttrokken)#
Artikel 10.6 (uitruilbaarheid weg die aan openbaar verkeer wordt onttrokken) artikel 4 van de Wegenwet In een ruilbesluit is een openbare weg als bedoeld inuitruilbaar als die weg volgens het inrichtingsbesluit aan het openbaar verkeer wordt onttrokken. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.7 — Artikel 10.7 (uitruilbaarheid waterloop waarvan openbaar gebruik vervalt)#
Artikel 10.7 (uitruilbaarheid waterloop waarvan openbaar gebruik vervalt) In een ruilbesluit is een waterloop met een openbaar gebruik uitruilbaar als dat openbaar gebruik volgens het inrichtingsbesluit vervalt. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.8 — Artikel 10.8 (rangorde uitruilbaarheid gronden voor bos, natuur of agrarisch natuurbeheer)#
Artikel 10.8 (rangorde uitruilbaarheid gronden voor bos, natuur of agrarisch natuurbeheer) 1 artikel 2 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies In een ruilbesluit zijn uitruilbaar gronden die in een gebied liggen waarvoor op grond vanof een provinciale verordening subsidie is of kan worden verstrekt voor natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer. 2 Als geen subsidie voor natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer is verstrekt, wordt in het ruilbesluit de volgende rangorde in acht genomen voor het ruilen van de betrokken gronden: a. ruil met landbouwgronden die zijn verworven voor de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of waarvoor de eigenaar of pachter bereid is om een aanvraag in te dienen voor subsidie als bedoeld in het eerste lid; en b. ruil met de overige landbouwgronden. 3 Als subsidie voor natuurbeheer is verstrekt, worden in het ruilbesluit de betrokken gronden geruild met landbouwgronden die zijn verworven voor de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of met landbouwgronden waarvoor aan de eigenaar of pachter subsidie voor natuurbeheer is verstrekt. 4 Als subsidie voor agrarisch natuurbeheer is verstrekt, worden in het ruilbesluit de betrokken gronden geruild met landbouwgronden waarvoor aan de eigenaar of pachter subsidie voor agrarisch natuurbeheer is verstrekt. 5 artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek Als subsidie voor natuurbeheer is verstrekt en een publiekrechtelijke rechtspersoon voor de betrokken gronden in een overeenkomst tot veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos een verplichting als bedoeld inheeft bedongen en die gronden zijn gelegen op een locatie waaraan in het omgevingsplan niet een functie voor natuur of bos is toegedeeld of volgens een ontwerp daarvan niet een dergelijke functie zal worden toegedeeld, worden die gronden, in afwijking van het derde lid, geruild met gronden waarvoor ook een dergelijke verplichting is bedongen of met gronden die zijn gelegen op een locatie waaraan in het omgevingsplan een functie voor natuur of bos is toegedeeld of volgens een ontwerp daarvan een dergelijke functie zal worden toegedeeld. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.9 — Artikel 10.9 (niet-uitruilbare gronden bij bodemverontreiniging)#
Artikel 10.9 (niet-uitruilbare gronden bij bodemverontreiniging) In een ruilbesluit zijn niet uitruilbaar: a. artikelen 5.7b tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving gronden waar voorafgaand aan een activiteit een bodemonderzoek als bedoeld in dewordt verricht dat nog niet is afgerond; en b. bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving Wet bodembescherming Besluit activiteiten leefomgeving gronden met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in, als de locatie niet is gesaneerd volgens de, het, het omgevingsplan, een maatwerkvoorschrift of een omgevingsvergunning. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.10 — Artikel 10.10 (overige niet-uitruilbare gronden)#
Artikel 10.10 (overige niet-uitruilbare gronden) In een ruilbesluit zijn niet uitruilbaar: a. gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand; b. gronden met een zeer oneffen maaiveld; c. heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruiglanden en laagveenmoerassen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn; d. te diep ontgronde percelen; e. gronden waarop sport- of recreatieterreinen liggen; f. gronden waarop spoorwegen liggen; g. afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de volgende gronden waarvoor op grond vaneen herbeplantingsplicht geldt: 1°. gronden met een houtopstand groter dan 10 are; en 2°. gronden waarop een houtopstand groter dan 10 are heeft gestaan; en h. boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.11 — Artikel 10.11 (doelmatig gebruik en rangorde bij toewijzing)#
Artikel 10.11 (doelmatig gebruik en rangorde bij toewijzing) 1 In een ruilbesluit worden de rechten op kavels zodanig aan rechthebbenden toegewezen dat een doelmatig gebruik van de kavels wordt bevorderd. 2 Bij de toewijzing wordt de volgende rangorde in acht genomen: a. toewijzing gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de landbouwbedrijfskavel; b. toewijzing gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel; c. toewijzing gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels; en d. toewijzing gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.12 — Artikel 10.12 (samenvoeging van kavels)#
Artikel 10.12 (samenvoeging van kavels) In een ruilbesluit worden kavels die ten dienste staan van één gebruiker niet samengevoegd als die samenvoeging voor een betrokken eigenaar zou leiden tot een onevenredige versnippering van zijn eigendom. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.13 — Artikel 10.13 (aanpassing grens van huis- of landbouwbedrijfskavel)#
Artikel 10.13 (aanpassing grens van huis- of landbouwbedrijfskavel) In een ruilbesluit wordt bij toewijzing van het recht op een huis- of landbouwbedrijfskavel de grens van de kavel niet aangepast als dat voor de eigenaar of gebruiker zou leiden tot een onevenredige beperking van het gebruik van het gebouw. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.14 — Artikel 10.14 (kortingspercentage)#
Artikel 10.14 (kortingspercentage) artikel 12.29 van de wet In een ruilbesluit wordt aangegeven met welk percentage op grond vande totale oppervlakte van alle in het herverkavelingsblok opgenomen gronden is verminderd. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.15 — Artikel 10.15 (erfdienstbaarheden en oude zakelijke rechten)#
Artikel 10.15 (erfdienstbaarheden en oude zakelijke rechten) 1 In een ruilbesluit worden erfdienstbaarheden gehandhaafd of gevestigd als niet door herverkaveling of uitvoering van werkzaamheden kan worden tegemoetgekomen aan de behoefte waarin deze rechten voorzien. 2 artikel 150, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek In een ruilbesluit worden zakelijke rechten als bedoeld ingehandhaafd voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.16 — Artikel 10.16 (bepalingen over ingebruikneming kavels)#
Artikel 10.16 (bepalingen over ingebruikneming kavels) 1 artikel 12.24, eerste lid, onder f, van de wet In een ruilbesluit wordt in de bepalingen over de ingebruikneming van de kavels, bedoeld in, rekening gehouden met het belang van een doelmatige uitvoering van werkzaamheden en een doelmatig gebruik van de kavels. 2 Als een ruilbesluit voorziet in tijdelijke ingebruikneming van een kavel, wordt bepaald dat die kavel in gebruik wordt genomen door de eigenaar aan wie het recht op de kavel is toegewezen. 3 In afwijking van het tweede lid bepaalt een ruilbesluit dat een kavel tijdelijk in gebruik wordt genomen door een andere eigenaar dan de eigenaar aan wie het recht op de kavel is toegewezen, als dat nodig is: a. voor een evenwichtige verdeling van de tijdelijke gebruiksmogelijkheden binnen het herverkavelingsblok; of b. om onevenredig nadeel voor die andere eigenaar te voorkomen. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.17 — Artikel 10.17 (kosten en vergoedingen)#
Artikel 10.17 (kosten en vergoedingen) Een besluit geldelijke regelingen bevat alle aan de betrokken eigenaren toe te rekenen kosten en toe te kennen vergoedingen, waaronder kosten en vergoedingen die zijn overeengekomen met eigenaren van gronden die buiten het herverkavelingsblok liggen. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.18 — Artikel 10.18 (vastleggen toestand gronden en overige onroerende zaken bij schatting)#
Artikel 10.18 (vastleggen toestand gronden en overige onroerende zaken bij schatting) 1 artikel 12.38, eerste lid, van de wet In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de schatting, bedoeld in, de toestand van de gronden en de overige onroerende zaken vastgelegd aan de hand van een of meer van de factoren, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, en een of meer van de factoren, bedoeld in het tweede lid, onder c tot en met g. 2 De factoren zijn: a. de ontsluiting van huiskavels, landbouwbedrijfskavels of veldkavels; b. de waterhuishoudkundige toestand van kavels; c. de kavelconcentratie; d. de afstand van de veldkavels tot de landbouwbedrijfskavel; e. het aantal kavels per bedrijf; f. de grootte van de kavels; en g. de vorm van de kavels. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.19 — Artikel 10.19 (verrekenposten)#
Artikel 10.19 (verrekenposten) 1 In een besluit geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen: a. de bij het ruilbesluit betrokken eigenaren onderling; en b. de gezamenlijke eigenaren in het herverkavelingsblok en de individuele eigenaar die is betrokken bij een ruilbesluit. 2 Verrekenposten zijn in ieder geval: a. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten, kabels en leidingen; b. de waarde van gebouwen, werken, beplantingen en houtopstanden; c. artikel 12.29, aanhef en onder c of d, van de wet de algehele vergoeding in geld voor de inbreng van gronden voor de korting, bedoeld in; d. de algehele vergoeding in geld voor de inbreng van kavels met een te kleine oppervlakte; e. artikel 12.35, eerste lid, van de wet de regeling en de opheffing van de beperkte rechten, het recht van huur en de lasten, bedoeld in; f. artikel 12.35, eerste lid, van de wet de afkoop van ruilverkavelings-, herinrichtings-, reconstructie- en landinrichtingsrenten, bedoeld in; g. artikel 12.35, tweede lid, van de wet de vestiging van beperkte rechten, bedoeld in; h. andere dan agrarische waarden; i. artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit het verhaal van kosten in verband met gronden die niet op grond vanzijn ingedeeld in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur; en j. schadevergoeding wanneer bij de uitvoering van werkzaamheden geen vervangende gronden tijdelijk in gebruik kunnen worden gegeven. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.20 — Artikel 10.20 (peilmomenten verrekenposten)#
Artikel 10.20 (peilmomenten verrekenposten) 1 artikel 10.18 artikel 16.125, tweede lid, van de wet In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de verrekenposten die betrekking hebben op een in de openbare registers ingeschreven recht en de waardering van de factoren, bedoeld in, uitgegaan van de situatie op het in heteerstbedoelde tijdstip. 2 In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de waardering van verrekenposten die verband houden met de cultuurtoestand van de bodem uitgegaan van de situatie op het tijdstip van de kavelovergang. 3 In een besluit geldelijke regelingen wordt bij de waardering van de overige verrekenposten, voor zover de hoogte van de verrekenpost niet is overeengekomen, uitgegaan van de situatie bij de terinzagelegging van het ontwerpruilbesluit. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.21 — Artikel 10.21 (waardering factoren)#
Artikel 10.21 (waardering factoren) artikel 10.18 artikel 13.9, vierde lid, van de wet In een besluit geldelijke regelingen worden de factoren, bedoeld in, gewaardeerd om de bijdrage van een eigenaar in de kosten, bedoeld in, te berekenen. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.22 — Artikel 10.22 (waardering verrekenposten)#
Artikel 10.22 (waardering verrekenposten) 1 In een besluit geldelijke regelingen worden de verrekenposten gewaardeerd op basis van de waarde in het maatschappelijk verkeer. 2 Een verrekenpost die het gevolg is van de overgang van een zaak of een recht naar een andere eigenaar wordt voor de inbrengende eigenaar en de eigenaar die de zaak of het recht krijgt toegewezen, op dezelfde waarde geschat, tenzij een andere waardering noodzakelijk is vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.23 — Artikel 10.23 (omslag van de kosten)#
Artikel 10.23 (omslag van de kosten) 1 Een besluit geldelijke regelingen bevat per eigenaar de in rekening te brengen kosten. 2 Deze kosten bestaan uit de som van: a. het saldo van de verrekenposten; en b. artikel 10.18 het totaal van de geldbedragen, die aan hem worden toegerekend aan de hand van de factoren, bedoeld in, vermenigvuldigd met de uitkomst van de deling van het totaal van aan de eigenaren toe te rekenen kosten door het totaal van alle geldbedragen die zijn vastgesteld aan de hand van die factoren. 3 artikel 10.18 Als de waardeverandering door de factoren, bedoeld in, met een puntensysteem is bepaald, wordt in het besluit geldelijke regelingen voor de toepassing van het tweede lid, onder b, de waarde van een punt omgerekend in een geldbedrag door het totaal van de aan de eigenaren toe te rekenen kosten te delen door het totaal van de aan de eigenaren toegerekende punten. 2020 532 22-12-2020 07-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.24 — Artikel 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000)#
Artikel 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000) 1 artikel 16.53c, eerste lid, van de wet Een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling, bedoeld in, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 2 In afwijking van het eerste lid kan, als uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan toch worden vastgesteld, als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en c. het plan bevat de nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 3 In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt, als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, met de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of b. artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure vanis toegepast. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 10.25 — Artikel 10.25 (AERIUS Register)#
Artikel 10.25 (AERIUS Register) 1 Er is een register stikstofdepositieruimte, met de naam AERIUS Register. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. 3 artikel 2.46 van de wet Het register bevat gegevens over stikstofdepositieruimte als bedoeld in, verkregen door de bij ministeriële regeling aangewezen maatregelen of categorieën van maatregelen die leiden tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 4 Het register bevat compartimenten voor de bestemming van stikstofdepositieruimte voor de bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van projecten. Binnen elk compartiment kan nader onderscheid worden gemaakt. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 10.26 — Artikel 10.26 (afroming van stikstofdepositieruimte bij opname in AERIUS Register)#
Artikel 10.26 (afroming van stikstofdepositieruimte bij opname in AERIUS Register) artikel 10.25, derde lid Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of het bij ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan neemt in AERIUS Register ten hoogste het bij die regeling vastgestelde percentage van de vermindering van stikstofdepositie door een maatregel als bedoeld in, op. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 10.27 — Artikel 10.27 (reservering van stikstofdepositieruimte)#
Artikel 10.27 (reservering van stikstofdepositieruimte) 1 artikel 8.74e Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld inreserveert stikstofdepositieruimte in AERIUS Register in de volgorde waarin de aanvragen voor de omgevingsvergunning zijn ontvangen. 2 In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders in de betrokken gemeente stikstofdepositieruimte reserveren voor een cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten. 3 Stikstofdepositieruimte kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden gereserveerd met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 10.28 — Artikel 10.28 (toedeling van stikstofdepositieruimte)#
Artikel 10.28 (toedeling van stikstofdepositieruimte) 1 artikel 8.74e artikel 1 van de Wet windenergie op zee Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in, voor een projectbesluit of voor een kavelbesluit als bedoeld indeelt de stikstofdepositieruimte voor een project toe in die vergunning of dat besluit. 2 artikel 10.27 De stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd als bedoeld inen niet meer bedraagt dan de in AERIUS Register beschikbare stikstofdepositieruimte. 3 Stikstofdepositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden toegedeeld met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels. 4 De stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat die wordt toegedeeld, is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op die hectare die het project in een jaar kan veroorzaken. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 10.29 — Artikel 10.29 (uitzondering reservering voor projectbesluiten en kavelbesluiten)#
Artikel 10.29 (uitzondering reservering voor projectbesluiten en kavelbesluiten) artikelen 10.27, eerste lid 10.28, tweede lid artikel 1 van de Wet windenergie op zee De, en, zijn niet van toepassing op een projectbesluit of op een kavelbesluit als bedoeld in. 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 01-07-2025
Artikel 11.1 — Artikel 11.1 (verantwoordelijkheid gegevensverzameling externe veiligheidsrisico’s)#
Artikel 11.1 (verantwoordelijkheid gegevensverzameling externe veiligheidsrisico’s) De volgende bestuursorganen verzamelen gegevens over externe veiligheidsrisico’s: a. Besluit activiteiten leefomgeving het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning of waaraan een melding als bedoeld in hetwordt gedaan, als het gaat om: 1°. bijlage VII een activiteit als bedoeld in, onder A, onder B, onder D, onder 1, en onder E, onder 1 tot en met 10 en onder 12 en 13; 2°. artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in; en 3°. artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in; b. artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijlage VII Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, als het gaat om het aanleggen en het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in, voor zover het gaat om het winnen, opslaan, bewerken of gereedmaken voor transport van gevaarlijke stoffen als bedoeld in, onder E, onder 11.1, of het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk, bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.2; c. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, als het gaat om: 1°. het basisnet; 2°. artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in; en 3°. artikel 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan en bewerken van stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in; d. artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, als het gaat om het exploiteren van een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van; e. artikelen 5.23 5.28 5.32 bijlage VII de gemeenteraad of het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als het gaat om externe veiligheidsrisico’s van een activiteit als bedoeld in de,enenvoor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties; en f. het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten, als het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen in beheer bij de gemeente, het waterschap, respectievelijk de provincie, die niet behoren tot het basisnet en als het plaatsgebonden risico op de as van de weg hoger is dan 1 op de 1.000.000 per jaar. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.1.
Artikel 11.2 — Artikel 11.2 (gegevensverzameling externe veiligheidsrisico’s algemeen)#
Artikel 11.2 (gegevensverzameling externe veiligheidsrisico’s algemeen) artikel 11.1 De bestuursorganen, bedoeld in, verzamelen de volgende gegevens: a. artikel 5.23 5.28 5.32 bijlage VII artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet de locatie waar een activiteit als bedoeld in,ofofwordt verricht of waar een activiteit wordt verricht waarvoor een vergunning is verleend op grond van; b. artikel 5.23 5.28 5.32 bijlage VII artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet als het gaat om een activiteit als bedoeld in,ofof, onder A, B, D, onder 1, of onder E, of waarvoor een vergunning is verleend op grond van, voor zover van toepassing: 1°. de bedrijfsnaam; 2°. de naam en het adres van degene die de activiteit of het deel van de activiteit verricht; 3°. de datum waarop de omgevingsvergunning voor de activiteit is verleend of laatstelijk is gewijzigd of voor de activiteit een melding is gedaan, voor zover de omgevingsvergunning of de melding betrekking heeft op externe veiligheidsrisico’s; 4°. de aard van het risico; 5°. de chemische naam en het CAS-nummer en voor zover bekend het UN-nummer van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen; en 6°. de gegevens, bedoeld onder 4° en 5°, van zowel de voor het toxisch risico maatgevende stof als de voor het risico van brand of explosie maatgevende stof; c. artikelen 11.3 tot en met 11.7 voor zover het bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het verzamelen van de gegevens, bedoeld onder a en b, en van de gegevens, bedoeld in de: de datum van de laatste wijziging van die gegevens; en d. artikel 5.10 als toepassing is gegeven aan: de afstand tot de locatie waar het plaatsgebonden risico 1 op de 100.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.2. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.3 — Artikel 11.3 (gegevensverzameling milieubelastende activiteit, anders dan mijnbouw, basisnet en buisleidingen met gevaarlijke stoffen)#
Artikel 11.3 (gegevensverzameling milieubelastende activiteit, anders dan mijnbouw, basisnet en buisleidingen met gevaarlijke stoffen) artikel 11.1, onder a Het bevoegd gezag, bedoeld in, verzamelt de volgende gegevens: a. bijlage VII als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder A en B: de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel; b. bijlage VII als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder A, onder 1a en 7, onder B, onder 2 en 5, en onder E, onder 9, voor zover van toepassing, 10 en 13: de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel; c. bijlage VII als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder D, onder 1, en onder E, onder 1: de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels; d. bijlage VII als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder E, onder 2 tot en met 8, onder 9, voor zover van toepassing, en onder 10, 12 en 13: de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar, 1 op de 10.000.000 per jaar en 1 op de 100.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels; e. bijlage VII als het gaat om een activiteit als bedoeld in, onder E, onder 2 tot en met 8, 9, voor zover van toepassing, en 12: de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels; f. bijlage VII de kenmerken van een activiteit als bedoeld in, onder A, onder B, en onder E, onder 9 en 10, bedoeld in de bij die activiteit opgenomen tabel, voor zover van toepassing; g. bijlage VII de kenmerken van een activiteit als bedoeld in, onder E, onder 2 tot en met 8, 9, voor zover van toepassing, 10 en 12, voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied; h. artikel 5.23 de ligging van een explosieaandachtsgebied vuurwerk als bedoeld in; en i. artikel 5.28 de ligging van een civiel explosieaandachtsgebied als bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.3. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.4 — Artikel 11.4 (gegevensverzameling mijnbouw)#
Artikel 11.4 (gegevensverzameling mijnbouw) bijlage VII Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat verzamelt de volgende gegevens als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in, onder E, onder 11: a. bijlage VII de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in, onder E, onder 11.1, en het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 11.2; en b. bijlage VII de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als het gaat om het exploiteren van een mijnbouwwerk als bedoeld in, onder E, onder 11.1. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.4. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.5 — Artikel 11.5 (gegevensverzameling basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen, militaire objecten en nucleaire installaties)#
Artikel 11.5 (gegevensverzameling basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen, militaire objecten en nucleaire installaties) 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt de volgende gegevens: a. als het gaat om het basisnet: 1°. de afstand die bij ministeriële regeling is vastgesteld waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is; en 2°. bijlage VII de afstand voor het brand- of explosieaandachtsgebied, bedoeld in, onder C; b. artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving als het gaat om het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in: 1°. de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels; 2°. de afstand voor het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels; 3°. de uitwendige diameter van de buisleiding in millimeters; 4°. de maximale werkdruk in kilopascal; 5°. de wanddikte van de buis in millimeters; 6°. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld in centimeters; 7°. de materiaalsoort van de buisleiding; en 8°. de kenmerken van de buisleiding voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied; en c. artikel 5.32 de ligging van een militair explosieaandachtsgebied als bedoeld in. 2 artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming verzamelt de volgende gegevens als het gaat om een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van: a. artikel 11.2, onder a tot en met c de gegevens, bedoeld in; en b. de afstand tot de locaties waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar is, berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.5.
Artikel 11.6 — Artikel 11.6 (gegevensverzameling gebouwen en locaties)#
Artikel 11.6 (gegevensverzameling gebouwen en locaties) De gemeenteraad of het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verzamelt gegevens over de locaties van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die in het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.6.
Artikel 11.7 — Artikel 11.7 (gegevensverzameling wegen, anders dan het basisnet)#
Artikel 11.7 (gegevensverzameling wegen, anders dan het basisnet) artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten verzamelen gegevens over externe veiligheidsrisico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in, over wegen in beheer bij de gemeente, het waterschap respectievelijk de provincie, als het gaat om wegen die niet behoren tot het basisnet en als het plaatsgebonden risico op de as van de weg hoger is dan 1 op de 1.000.000 per jaar. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.7.
Artikel 11.8 — Artikel 11.8 (register externe veiligheidsrisico’s)#
Artikel 11.8 (register externe veiligheidsrisico’s) 1 Er is een landelijk register externe veiligheidsrisico’s. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 Het register is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk. 4 Het register bevat: a. artikelen 11.2 tot en met 11.7 de gegevens, bedoeld in de; en b. gegevens over de locaties waarop de activiteiten worden verricht waarover in het register gegevens als bedoeld onder a zijn opgenomen met een aanduiding van: 1°. de afstanden voor het plaatsgebonden risico; 2°. de ligging van het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, voor zover van toepassing; 3°. artikel 5.23 de ligging van het explosieaandachtsgebied vuurwerk, bedoeld in; 4°. artikel 5.28 de ligging van het civiele explosieaandachtsgebied, bedoeld in; en 5°. artikel 5.32 de ligging van het militaire explosieaandachtsgebied, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8.
Artikel 11.9 — Artikel 11.9 (monitoring omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 11.9 (monitoring omgevingswaarden veiligheid primaire waterkeringen) 1 artikel 2.0c Monitoring voor de omgevingswaarde, bedoeld in, vindt plaats door met metingen, berekeningen en modellen de overstromingskans of de faalkans te bepalen door te volgen procedures en te hanteren randvoorwaarden, volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van de monitoring als de omgevingswaarde betrekking heeft op een dijktraject dat in beheer is bij het waterschap respectievelijk het Rijk. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8a. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.10 — Artikel 11.10 (monitoring omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)#
Artikel 11.10 (monitoring omgevingswaarden veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk) 1 artikel 2.0i Monitoring voor de omgevingswaarde, bedoeld in, vindt plaats door bepaling van het waterkerend vermogen van een dijktraject door metingen, berekeningen en modellen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8b.
Artikel 11.11 — Artikel 11.11 (monitoring andere parameters voor signalering over de veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 11.11 (monitoring andere parameters voor signalering over de veiligheid primaire waterkeringen) 1 Door monitoring wordt voor de signalering of voor de veiligheid van primaire waterkeringen maatregelen nodig zijn, bewaakt: a. bijlage II de kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade, bedoeld in, onder B, kolom 6; en b. bijlage II de kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in, onder B, kolom 7. 2 Monitoring vindt plaats door met metingen, berekeningen en modellen de overstromingskans of de faalkans van een dijktraject in de actuele toestand te bepalen door te volgen procedures en te hanteren randvoorwaarden, volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 3 Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn belast met de uitvoering van de monitoring als het gaat om een dijktraject dat in beheer is bij het waterschap respectievelijk het Rijk. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8c. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.12 — Artikel 11.12 (gegevensverzameling voldoen legger grote rivieren)#
Artikel 11.12 (gegevensverzameling voldoen legger grote rivieren) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de mate waarin wordt voldaan aan de voor de grote rivieren opgestelde legger. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8d.
Artikel 11.13 — Artikel 11.13 (gegevensverzameling kustlijn)#
Artikel 11.13 (gegevensverzameling kustlijn) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de ligging van de kustlijn. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.8e.
Artikel 11.14 — Artikel 11.14 (gegevensverzameling voor overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten)#
Artikel 11.14 (gegevensverzameling voor overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten) 1 Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over overstromingsgevaar als bedoeld in artikel 6, derde en vierde lid, van de richtlijn overstromingsrisico’s. 2 Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over overstromingsrisico’s als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de richtlijn overstromingsrisico’s. 3 De gegevens gaan niet over overstromingen vanuit rioolstelsels. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.9.
Artikel 11.15 — Artikel 11.15 (verslag veiligheid primaire waterkeringen)#
Artikel 11.15 (verslag veiligheid primaire waterkeringen) 1 Het dagelijks bestuur van het waterschap en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen elke twaalf jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap respectievelijk het Rijk. 2 Het verslag bevat in ieder geval: a. artikel 2.0c artikel 11.11, eerste lid de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in, en de andere parameters, bedoeld in; en b. artikel 11.11, eerste lid in voorkomend geval, de vermelding dat sprake is van overschrijding van een andere parameter als bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.9a. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.16 — Artikel 11.16 (verslag legger grote rivieren)#
Artikel 11.16 (verslag legger grote rivieren) artikel 11.12 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt elke twaalf jaar een verslag op over de gegevens, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.9b.
Artikel 11.17 — Artikel 11.17 (overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten)#
Artikel 11.17 (overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten) 1 Gedeputeerde staten stellen een overstromingsgevaarkaart en een overstromingsrisicokaart vast. 2 artikel 11.14, eerste lid De overstromingsgevaarkaart verbeeldt de gegevens, bedoeld in. 3 artikel 11.14, tweede lid De overstromingsrisicokaart verbeeldt de gegevens, bedoeld in. 4 De kaarten worden in ieder geval twee jaar voor de vaststelling van het overstromingsrisicobeheerplan vastgesteld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.10.
Artikel 11.18 — Artikel 11.18 (kaarten basiskustlijn)#
Artikel 11.18 (kaarten basiskustlijn) artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de wet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt kaarten van de kustlijn, bedoeld in, vast, waarop die lijn is verbeeld. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.10a.
Artikel 11.19 — Artikel 11.19 (monitoring omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)#
Artikel 11.19 (monitoring omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) 1 artikelen 2.3 tot en met 2.8 Monitoring voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de, vindt plaats door metingen en berekeningen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 artikel 2.6, eerste lid In afwijking van het eerste lid vindt de monitoring voor de omgevingswaarden voor benzeen, bedoeld in, alleen plaats door berekeningen. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.11.
Artikel 11.20 — Artikel 11.20 (uitzondering monitoring omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit)#
Artikel 11.20 (uitzondering monitoring omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit) artikelen 2.3 tot en met 2.7 De beoordeling of aan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de, wordt voldaan, vindt niet plaats op: a. een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft en waar geen vaste bewoning is; of b. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.11a.
Artikel 11.21 — Artikel 11.21 (monitoring omgevingswaarden nec-richtlijn)#
Artikel 11.21 (monitoring omgevingswaarden nec-richtlijn) 1 artikel 2.8a Monitoring voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in, vindt plaats door het voor die stoffen opstellen van de nationale emissie-inventarissen en nationale emissieprognoses, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de nec-richtlijn, volgens de methode, bedoeld in artikel 9 van en bijlage V bij die richtlijn. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring. 3 Voor de beoordeling of aan de omgevingswaarden wordt voldaan, blijven de volgende emissies buiten beschouwing: a. emissies van vliegtuigen, buiten de landings- en startcyclus; b. emissies van de internationale zeevaart; en c. emissies van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan, van activiteiten die vallen onder de categorieën 3B en 3D, bedoeld in de richtsnoeren behorende bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (Trb. 1983, 84). 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. landings- en startcyclus: de cyclus die het taxiën na landing en voor vertrek, starten, opstijgen, aanvliegen en landen en alle andere manoeuvres van het vliegtuig die plaatsvinden beneden een hoogte van 3.000 voet, omvat; en b. internationale zeevaart: reizen over zee en in de kustwateren door vaartuigen van alle vlaggen, uitgezonderd vissersvaartuigen, die vertrekken van het grondgebied van het ene land en aankomen op het grondgebied van een ander land. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.11b.
Artikel 11.22 — Artikel 11.22 (gegevensverzameling luchtkwaliteit door gemeenten, provincies en Rijk)#
Artikel 11.22 (gegevensverzameling luchtkwaliteit door gemeenten, provincies en Rijk) 1 artikel 5.51, tweede lid Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied, bedoeld in, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat gebied ligt, verzamelen gegevens over de verkeersintensiteit op wegen in beheer bij de gemeente respectievelijk de provincie voor de monitoring in die aandachtsgebieden van de concentraties van: a. artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder b stikstofdioxide, bedoeld in; en b. 10 artikel 2.5, eerste lid PM, bedoeld in. 2 artikel 5.51, derde lid artikel 2.5, eerste lid 10 artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waarvan het grondgebied ligt in een aandachtsgebied, bedoeld in, en gedeputeerde staten van de provincie waarvan het grondgebied in dat gebied ligt, verzamelen voor de monitoring in die aandachtsgebieden van de concentraties van PM, bedoeld in, gegevens over het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in: a. 10 waarvan de emissie van PMvanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 800 kg per jaar; of b. 10 10 3 waarvan de emissie van PMvanuit de dierenverblijven meer bedraagt dan 500 kg per jaar, als uit de op basis van het derde lid verzamelde gegevens blijkt dat de achtergrondconcentratie van PMhoger is dan 27 μg/m. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt de volgende gegevens: a. 2,5 10 de gemiddelde concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM, PM, benzeen, lood en koolmonoxide op een schaalniveau van 1 bij 1 km, met: 1°. gegevens van het voorafgaande kalenderjaar; en 2°. de verwachte concentraties voor de daaropvolgende kalenderjaren tot en met het jaar 2030; b. 2,5 10 de correcties voor dubbeltellingen van de lokale bijdragen van wegen in beheer bij het Rijk aan de gemiddelde concentraties van stikstofdioxide, PMen PMop een schaalniveau van 1 bij 1 km, met: 1°. gegevens van het voorafgaande kalenderjaar; en 2°. de verwachte correcties voor de daaropvolgende kalenderjaren tot en met het jaar 2030; c. de meteorologische gegevens van het voorafgaande kalenderjaar en de tienjarige gemiddelde meteorologische gegevens; d. gegevens over de terreinruwheid op een schaal van 1 bij 1 km; en e. het gebruik van wegen in beheer bij het Rijk. 4 In aanvulling op het eerste tot en met derde lid worden gegevens verzameld over de locaties van monitoringspunten waar de luchtkwaliteit wordt beoordeeld. 2021 200 26-04-2021 05-03-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.12. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.23 — Artikel 11.23 (monitoring andere parameters luchtkwaliteit)#
Artikel 11.23 (monitoring andere parameters luchtkwaliteit) 1 Door monitoring worden bewaakt: a. de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van: 1°. 2,5 de chemische samenstellingen van PM, waaronder in ieder geval sulfaat, nitraat, natrium, kalium, ammonium, chloride, calcium, magnesium, elementair koolstof en organisch koolstof; 2°. vluchtige organische stoffen; b. de jaargemiddelde achtergrondconcentraties in de buitenlucht van: 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en 2°. andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen, waaronder in ieder geval benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeen(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen; c. de jaargemiddelde depositie van: 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en 2°. de onder b, onder 2°, bedoelde andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen; d. de totale jaarlijkse antropogene emissies van in Nederland gelegen bronnen van de volgende stoffen: 1°. cadmium, kwik en lood; en 2°. persistente organische verontreinigende stoffen, zijnde polycyclische aromatische koolwaterstoffen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen indeen(1,2,3-cd)pyreen, dioxine/furaan, polychloorbifenylen en hexachloorbenzeen; en e. de negatieve effecten van de verontreiniging van de buitenlucht op ecosystemen. 2 Monitoring vindt plaats door metingen en berekeningen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.13.
Artikel 11.24 — Artikel 11.24 (register richtlijn middelgrote stookinstallaties)#
Artikel 11.24 (register richtlijn middelgrote stookinstallaties) 1 Er is een landelijk register voor middelgrote stookinstallaties. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk. 4 artikel 4.1327 van het Besluit activiteiten leefomgeving Het register bevat in ieder geval de gegevens, bedoeld in. 5 De gegevens worden in het register opgenomen vanaf de dag waarop een melding is ontvangen of een omgevingsvergunning is verleend. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14.
Artikel 11.25 — Artikel 11.25 (register certificering gasverbrandingstoestellen)#
Artikel 11.25 (register certificering gasverbrandingstoestellen) 1 Er is een landelijk register op het gebied van certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3 Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk. 4 artikel 3.73, onder a artikel 6.44 van het Besluit bouwwerken leefomgeving Het register bevat gegevens over certificatie-instellingen en certificatieschema’s als bedoeld in, en de door de certificatie-instellingen verstrekte gegevens over certificaathouders als bedoeld in. 5 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens die in het register worden opgenomen. 2020 348 25-09-2020 14-09-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.26 — Artikel 11.26 (gegevens en bescheiden)#
Artikel 11.26 (gegevens en bescheiden) 1 artikel 3.73, onder a Als een certificatie-instelling als bedoeld in, in staat van faillissement komt te verkeren of surseance van betaling is verleend, informeert zij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onverwijld hierover. 2 artikel 6.44 van het Besluit bouwwerken leefomgeving artikel 11.25 De certificatie-instelling verstrekt gegevens over certificaathouders als bedoeld inaan de minister ten behoeve van het landelijk register, bedoeld in. 3 De certificatie-instelling verstrekt op verzoek kosteloos aan de minister de voor de uitoefening van zijn taken benodigde inlichtingen. 4 artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving De certificatie-instelling zendt de minister jaarlijks een verslag van de verrichte werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van die werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar en de signaleringen, bedoeld in. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over dit verslag. 5 artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie De nationale accreditatie-instantie, bedoeld in, meldt aan de minister de intrekking of schorsing van een accreditatie van een certificatie-instelling. 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitwisseling van informatie tussen certificatie-instellingen onderling en over de uitwisseling van informatie tussen certificatie-instellingen en de minister. 2020 348 25-09-2020 14-09-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.27 — Artikel 11.27 (monitoring andere parameters waterkwaliteit)#
Artikel 11.27 (monitoring andere parameters waterkwaliteit) Door monitoring worden bewaakt: a. de toestand per kwaliteitselement van een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam, uitgewerkt voor het type krw-oppervlaktewaterlichaam; b. de stoffen op de aandachtstoffenlijst, bedoeld in artikel 8 ter, eerste lid, van de richtlijn prioritaire stoffen; c. de indicatoren die een mogelijke bedreiging vormen voor de kwaliteit van water uit krw-oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen dat wordt onttrokken voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, en de parameters, stoffen en verontreinigende stoffen, bedoeld in de artikelen 8, tweede en vierde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn; d. de tendensen over de concentraties van stoffen in grondwaterlichamen; e. escherichia coli of andere indicatoren in schelpdierwater; f. de concentraties van verontreinigende stoffen uit bestaande verontreinigingspluimen in een grondwaterlichaam waarvoor aanvullende trendbeoordelingen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de grondwaterrichtlijn nodig zijn; en g. de parameters nodig voor monitoring voor nader onderzoek in gevallen als bedoeld in bijlage V, onder 1.3.3, bij de kaderrichtlijn water. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14a. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.27a — Artikel 11.27a (monitoring lood in drinkwater)#
Artikel 11.27a (monitoring lood in drinkwater) 1 artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet Door monitoring wordt bewaakt de concentratie van lood in collectieve leidingnetten en woninginstallaties als bedoeld invoor zover het gaat om: 1°. artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang woonfuncties voor gastouderopvang als bedoeld in; 2°. bijeenkomstfuncties voor kinderopvang; en 3°. onderwijsfuncties voor basisonderwijs. 2 artikel 3.15b Het eerste lid is van toepassing als uit de algemene analyse van de risicobeoordeling, bedoeld in, specifieke risico’s voor de drinkwaterkwaliteit en de gezondheid van de mens van de parameter lood zijn vastgesteld. 3 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stellen een monitoringsprogramma vast dat de methode van monitoring bevat. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn belast met de uitvoering van de monitoring. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.28 — Artikel 11.28 (vaststelling monitoringsprogramma kaderrichtlijn water met methode monitoring)#
Artikel 11.28 (vaststelling monitoringsprogramma kaderrichtlijn water met methode monitoring) 1 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een monitoringsprogramma kaderrichtlijn water vast. 2 Het monitoringsprogramma bevat de methode van monitoring van: a. artikelen 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid de toestand van een waterlichaam per stof en kwaliteitselement voor de beoordeling van de omgevingswaarden, bedoeld in de,,,, en; en b. artikel 11.27 de andere parameters, bedoeld in. 3 artikel 11.27, onder f en g Voor de uitwerking van de methode van monitoring van de parameters, bedoeld in, wordt het monitoringsprogramma vastgesteld door: a. artikelen 4.2, eerste lid, onder a 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor krw-oppervlaktewaterlichamen: de bestuursorganen die op grond van de, enbevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen; en b. voor grondwaterlichamen: gedeputeerde staten. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14b.
Artikel 11.29 — Artikel 11.29 (nadere eisen methode van monitoring in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.29 (nadere eisen methode van monitoring in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water) 1 Met het monitoringsprogramma wordt beoogd een samenhangend totaalbeeld te verkrijgen van de watertoestand binnen het Nederlandse deel van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. 2 In het monitoringsprogramma worden: a. de monitoringspunten aangewezen; en b. artikel 11.27, onder c en e de indicatoren, bedoeld in, uitgewerkt, en de stoffen, bedoeld in artikel 11.27, onder d, aangeduid. 3 Het monitoringsprogramma bevat de methode van: a. artikel 2.12, eerste lid de beoordeling of voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan een goed ecologisch potentieel, bedoeld in; b. artikel 4.15, eerste lid de beoordeling of aan het einde van de programmaperiode de doelstelling van geen achteruitgang van de toestand van een waterlichaam, bedoeld in, gedurende de programmaperiode wordt bereikt; c. artikel 4.17, eerste lid de beoordeling of de doelstelling van ombuiging van significante en stijgende trends, bedoeld in, wordt bereikt; d. artikel 4.19 de beoordeling of de doelstelling van geen bacteriële besmetting van schelpdierwater, bedoeld in, wordt bereikt; en e. artikel 4.21 de beoordeling of de doelstellingen van verbetering en de doelstelling van geen achteruitgang van de kwaliteit van waterlichamen met betrekking tot waterwinlocaties, bedoeld in, worden bereikt. 4 richtlijn 2009/90/EG richtlijn 2000/60/EG Het monitoringsprogramma wordt vastgesteld in overeenstemming met de kaderrichtlijn water, de grondwaterrichtlijn, de drinkwaterrichtlijn, de richtlijn prioritaire stoffen envan de Commissie van de Europese Unie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtensvan het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 201). 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14c. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.30 — Artikel 11.30 (vaststelling en indeling toestandsklasse in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.30 (vaststelling en indeling toestandsklasse in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water) 1 Het monitoringsprogramma bevat de methode van: a. vaststelling van de toestandsklasse waarin een waterlichaam zich bevindt, per stof en kwaliteitselement; en b. indeling van een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam in een toestandsklasse, waarbij de indeling in een toestandsklasse overeenkomt met: 1°. bij een krw-oppervlaktewaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de chemische toestand, de ecologische toestand of het ecologische potentieel verkeert; en 2°. bij een grondwaterlichaam: de laagste toestandsklasse waarin de kwantitatieve toestand of de chemische toestand verkeert. 2 Het monitoringsprogramma voorziet bij de vaststelling en indeling, bedoeld in het eerste lid, in de volgende toestandsklassen: a. voor een krw-oppervlaktewaterlichaam: 1°. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en geen goede chemische toestand; 2°. voor de ecologische toestand: een zeer goede ecologische toestand, een goede ecologische toestand, een matige ecologische toestand, een ontoereikende ecologische toestand en een slechte ecologische toestand; en 3°. voor het ecologische potentieel: een goed ecologisch potentieel, een matig ecologisch potentieel, een ontoereikend ecologisch potentieel en een slecht ecologisch potentieel; en b. voor een grondwaterlichaam: 1°. voor de kwantitatieve toestand: een goede kwantitatieve toestand en een ontoereikende kwantitatieve toestand; en 2°. voor de chemische toestand: een goede chemische toestand en een ontoereikende chemische toestand. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14d. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.31 — Artikel 11.31 (eisen gegevensverstrekking in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.31 (eisen gegevensverstrekking in monitoringsprogramma kaderrichtlijn water) artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet Het monitoringsprogramma bevat eisen aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en de beoordeling daarvan door het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en aan de verstrekking van de monitoringsresultaten en overige informatie en gegevens als bedoeld in de artikelen 8, vijfde lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn door de genoemde bestuursorganen aan drinkwaterbedrijven als bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14e. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.32 — Artikel 11.32 (toetsing monitoringsprogramma kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.32 (toetsing monitoringsprogramma kaderrichtlijn water) artikel 2.10, eerste lid 2.11, eerste lid 2.13, eerste lid 2.14, eerste lid 2.15, eerste lid artikel 2.12 artikel 4.15, eerste lid 4.17, eerste lid 4.19 4.21 Het monitoringsprogramma wordt getoetst en zo nodig bijgesteld als niet wordt voldaan aan een omgevingswaarde als bedoeld in,,,, of, of als een goed ecologisch potentieel als bedoeld inof een doelstelling als bedoeld in,,ofniet wordt bereikt. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14f.
Artikel 11.33 — Artikel 11.33 (uitvoering monitoring monitoringsprogramma kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.33 (uitvoering monitoring monitoringsprogramma kaderrichtlijn water) 1 artikelen 4.2, eerste lid, onder a 4.4, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit De bestuursorganen die op grond van de, enbevoegd zijn een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verlenen, zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor krw-oppervlaktewaterlichamen. 2 Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de monitoring volgens het monitoringsprogramma voor grondwaterlichamen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.14g.
Artikel 11.34 — Artikel 11.34 (gegevensverzameling beschermde gebieden kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.34 (gegevensverzameling beschermde gebieden kaderrichtlijn water) Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten, Onze Minister voor Natuur en Stikstof en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen als gegevens de beschermde gebieden, bedoeld in bijlage IV bij de kaderrichtlijn water, voor zover die beschermde gebieden bij hen in beheer zijn. Voor beschermde gebieden die zijn aangewezen voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water vindt de gegevensverzameling mede plaats overeenkomstig de artikelen 8, tweede lid, en 13, achtste lid, van de drinkwaterrichtlijn. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.15. 2022 450 16-11-2022 08-11-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.35 — Artikel 11.35 (gegevensverzameling opstellen stroomgebiedsbeheerplannen)#
Artikel 11.35 (gegevensverzameling opstellen stroomgebiedsbeheerplannen) artikel 4.6 Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor het opstellen van stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.15a.
Artikel 11.36 — Artikel 11.36 (gegevensverzameling analyses en beoordeling artikel 5 van de kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.36 (gegevensverzameling analyses en beoordeling artikel 5 van de kaderrichtlijn water) 1 Het gemeentebestuur verzamelt de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor zover het gaat om de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. 2 Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen de benodigde gegevens voor de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn. 3 De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, verrichten de analyses en beoordeling, bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn water, voor hun aandeel. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.15b.
Artikel 11.37 — Artikel 11.37 (gegevensverzameling voortgang uitvoering maatregelen)#
Artikel 11.37 (gegevensverzameling voortgang uitvoering maatregelen) artikelen 4.3, eerste lid, aanhef en onder a 4.4, derde lid, aanhef en onder a 4.10, derde lid, aanhef en onder a 6.1 Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelen gegevens over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in de,,, en, voor de watersystemen die bij hen in beheer zijn. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.15c.
Artikel 11.38 — Artikel 11.38 (monitoring kaderrichtlijn mariene strategie)#
Artikel 11.38 (monitoring kaderrichtlijn mariene strategie) 1 Door monitoring wordt bewaakt de milieutoestand van de Nederlandse mariene wateren. 2 Monitoring vindt plaats door metingen, bemonsteringen, tellen of het op andere wijze verzamelen van gegevens. 3 Ter voorbereiding van het programma van maatregelen mariene strategie en ter uitvoering van het eerste en tweede lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie, vast. 4 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister voor Natuur en Stikstof, is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.16. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.39 — Artikel 11.39 (gegevensverzameling inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib)#
Artikel 11.39 (gegevensverzameling inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib) Het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk verzamelt gegevens over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.17.
Artikel 11.40 — Artikel 11.40 (register beschermde gebieden kaderrichtlijn water)#
Artikel 11.40 (register beschermde gebieden kaderrichtlijn water) 1 artikel 11.34 Er zijn een of meer registers van de beschermde gebieden, bedoeld in. 2 Het register wordt of de registers worden beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met artikel 6 van de kaderrichtlijn water. 3 Het register wordt voortdurend geactualiseerd. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.18.
Artikel 11.41 — Artikel 11.41 (verslag andere parameters waterkwaliteit)#
Artikel 11.41 (verslag andere parameters waterkwaliteit) artikel 11.27 Het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen een verslag op over de resultaten van de monitoring van de andere parameters voor waterkwaliteit, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.18a.
Artikel 11.42 — Artikel 11.42 (verslag inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib)#
Artikel 11.42 (verslag inzameling, transport en behandeling stedelijk afvalwater en afvoer slib) artikel 11.39 artikel 10.35, eerste lid, van het Omgevingsbesluit Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een verslag op over de stand van zaken van de inzameling, het transport en de behandeling van stedelijk afvalwater en de afvoer van slib, bedoeld in, die door het bevoegd gezag dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk op grond vanzijn verstrekt. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.19.
Artikel 11.43 — Artikel 11.43 (monitoring omgevingswaarde zwemlocaties)#
Artikel 11.43 (monitoring omgevingswaarde zwemlocaties) 1 artikel 2.19 De monitoring voor de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in, vindt plaats door het bemonsteren, meten, berekenen en analyseren van de percentielwaarden intestinale enterokokken en escherichia coli volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarin de zwemlocatie is gelegen, is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.20.
Artikel 11.44 — Artikel 11.44 (monitoring andere parameters zwemlocaties)#
Artikel 11.44 (monitoring andere parameters zwemlocaties) 1 In een zwemlocatie worden door monitoring bewaakt: a. de mogelijke overmatige groei van cyanobacteriën; b. de neiging tot overmatige groei van macroalgen of marien fytoplankton; en c. zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval. 2 Monitoring van de mogelijke overmatige groei van cyanobacteriën vindt plaats in overeenstemming met het Blauwalgenprotocol. 3 Monitoring van zwemwaterverontreinigingen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, vindt plaats door visuele inspectie. 4 De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam waarin de zwemlocatie is gelegen, is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.21.
Artikel 11.45 — Artikel 11.45 (monitoring geluidproductieplafonds als omgevingswaarden)#
Artikel 11.45 (monitoring geluidproductieplafonds als omgevingswaarden) 1 Monitoring voor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden vindt plaats door het geluid op geluidreferentiepunten te berekenen volgens bij ministeriële regeling gestelde regels. 2 Voor de beoordeling of aan de voor een weg of spoorweg geldende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt voldaan, wordt een geluidbeperkende maatregel bestaande uit een werk of bouwwerk alleen betrokken als deze onderdeel is van de geluidbrongegevens behorende bij het geluidproductieplafond en aanwezig is. 3 Voor de beoordeling of aan de voor een industrieterrein geldende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden wordt voldaan, wordt een werk of bouwwerk alleen betrokken als dat aanwezig is. 4 De volgende bestuursorganen of instanties zijn belast met de uitvoering van de monitoring: a. het college van burgemeester en wethouders voor industrieterreinen; b. gedeputeerde staten voor bij omgevingsverordening aangewezen wegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen; c. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor bij ministeriële regeling aangewezen wegen; en d. artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet de beheerder, bedoeld in, voor bij ministeriële regeling aangewezen hoofdspoorwegen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.46 — Artikel 11.46 (gegevensverzameling basisgeluidemissie)#
Artikel 11.46 (gegevensverzameling basisgeluidemissie) 1 Het college van burgemeester en wethouders verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van: a. gemeentewegen; en b. lokale spoorwegen voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen. 2 Het dagelijks bestuur van het waterschap verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van waterschapswegen. 3 De gegevens worden uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip verzameld voor de basisgeluidemissie over een kalenderjaar, maar uiterlijk het jaar 2026. 4 De gegevens omvatten in ieder geval: a. de geluidbrongegevens; en b. het geluidaandachtsgebied. 5 De verkeersintensiteit van wegen en lokale spoorwegen, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt geteld of berekend. De verkeersintensiteit van wegen, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt geteld, berekend of geschat. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 De wijziging is in werking getreden op 1 januari 2026 (Stb.
2025/242). De wijziging wordt niet getoond, omdat het artikel nog
niet in werking is getreden.
Artikel 11.47 — Artikel 11.47 (monitoring andere parameter geluid door gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds)#
Artikel 11.47 (monitoring andere parameter geluid door gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds) 1 den Door monitoring wordt bewaakt het verschil tussen de geluidemissie in Len de basisgeluidemissie van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen. 2 Het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie wordt berekend voor: a. wegen met een verkeersintensiteit van 4.500 of meer motorvoertuigen per etmaal; en b. lokale spoorwegen. 3 Het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie wordt berekend of geschat voor wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal. 4 De volgende bestuursorganen zijn belast met de uitvoering van de monitoring: a. het college van burgemeester en wethouders voor gemeentewegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen; en b. het dagelijks bestuur van het waterschap voor waterschapswegen. 5 Op het berekenen van de geluidemissie en het schatten van het verschil tussen de geluidemissie en de basisgeluidemissie zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.48 — Artikel 11.48 (gegevensverzameling voor monitoring)#
Artikel 11.48 (gegevensverzameling voor monitoring) Voor de uitvoering van de monitoring verzamelen het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap in ieder geval geluidbrongegevens en daarop betrekking hebbende gegevens. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.49 — Artikel 11.49 (gegevensverzameling belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens)#
Artikel 11.49 (gegevensverzameling belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens) 1 Gedeputeerde staten houden bij: a. op welke wegen of delen van wegen, niet zijnde wegen in beheer bij het Rijk, naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan drie miljoen maal een voertuig zal passeren; b. op welke spoorwegen of delen van spoorwegen, niet zijnde hoofdspoorwegen of spoorwegen die zijn gelegen in een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie, naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 30.000 maal een trein zal passeren; en c. op welke burgerluchthavens van regionale betekenis naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen zullen plaatsvinden, oefenvluchten met lichte vliegtuigen niet meegerekend. 2 Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat houdt bij op welke overige burgerluchthavens van nationale betekenis naar verwachting in het daaropvolgende kalenderjaar meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen zullen plaatsvinden, oefenvluchten met lichte vliegtuigen niet meegerekend. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.22.
Artikel 11.50 — Artikel 11.50 (gegevensverzameling voor geluidbelastingkaarten)#
Artikel 11.50 (gegevensverzameling voor geluidbelastingkaarten) 1 den night Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie verzamelt gegevens over de geluidbelasting in Len in Ldoor: a. artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de wet wegen en spoorwegen als bedoeld in; b. artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de wet den night luchthavens als bedoeld in, voor zover de geluidbelasting binnen de gemeente meer is dan 55 Lof 50 L; en c. artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de wet een activiteit of een samenstel van activiteiten als bedoeld in, voor zover het gaat om: 1°. den night activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, voor zover het geluid door dat industrieterrein meer is dan 55 Lof 50 L; 2°. Ar,LT den night artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde, of vierde lid activiteiten in een gebied waarvoor in het omgevingsplan voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lvan geluid een hogere waarde is vastgesteld dan de standaardwaarden, bedoeld in, voor zover de geluidbelasting door die activiteiten op omliggende geluidgevoelige gebouwen meer kan zijn dan 55 Lof 50 L; of 3°. den night activiteiten buiten een gebied als bedoeld onder 2° voor zover de ten hoogste toegelaten geluidbelasting door die activiteiten meer is dan 55 Lof 50 L. 2 den night artikel 10.40, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit Gedeputeerde staten verzamelen gegevens over de geluidbelasting in Len in Ldoor de belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke burgerluchthavens van regionale betekenis die op grond vanzijn gepubliceerd. 3 den night artikel 3.9, eerste lid, onder b, onder 1° en 2°, van de wet artikel 10.40, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over de geluidbelasting in Len in Ldoor de wegen en spoorwegen, bedoeld in, de luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onder b, onder 3°, van de wet, en de belangrijke overige burgerluchthavens van nationale betekenis die op grond vanzijn gepubliceerd. 4 De gegevensverzameling vindt plaats door berekening van: a. den night de geluidbelasting in Len in Ldoor de geluidbronnen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, in het kalenderjaar voorafgaand aan dat van de vaststelling van een geluidbelastingkaart; en b. den night het aantal geluidgevoelige gebouwen en bewoners van woningen dat aan bij ministeriële regeling vastgestelde waarden van de geluidbelasting in Len in Lwordt blootgesteld. 5 den night Op het berekenen van de geluidbelasting in Len in Lzijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.23. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.51 — Artikel 11.51 (geluidregister)#
Artikel 11.51 (geluidregister) 1 Er is een landelijk geluidregister. 2 Het geluidregister wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 Het geluidregister is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.52 — Artikel 11.52 (inhoud geluidregister)#
Artikel 11.52 (inhoud geluidregister) 1 Het geluidregister bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden: 1°. de waarde van het geluidproductieplafond; 2°. een aanduiding van het besluit waarmee het geluidproductieplafond is vastgesteld; 3°. de ligging van het geluidreferentiepunt; 4°. de geluidbrongegevens; 5°. het geluidaandachtsgebied; 6°. artikel 11.45, eerste lid het geluid op een geluidreferentiepunt, bedoeld in, over elk kalenderjaar; 7°. artikel 11.45 een verwijzing naar het internetadres waar het verslag van de monitoring van geluidproductieplafonds, bedoeld in, elektronisch beschikbaar is gesteld; en 8°. voor wegen en spoorwegen, het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben; b. voor het geluid door wegen en spoorwegen met een basisgeluidemissie: 1°. de waarde van de basisgeluidemissie per weg, spoorweg of gedeelte daarvan; 2°. artikel 11.46 een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in, elektronisch is gepubliceerd; 3°. de geluidbrongegevens; 4°. het geluidaandachtsgebied; 5°. den artikel 11.47 het verschil tussen de geluidemissie in Len de basisgeluidemissie, bedoeld in; 6°. artikel 11.47 een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de monitoring van de basisgeluidemissie, bedoeld in, elektronisch is gepubliceerd; en 7°. het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben; c. voor het geluid door luchtvaart: 1°. den den de 48 Lgeluidcontour, de 20 Kosteneenheden geluidcontour en de binnen die contouren gelegen 1 Lgeluidcontouren; en 2°. den een aanduiding van het besluit waarin de 48 Lgeluidcontour of de 20 Kosteneenheden geluidcontour is vastgesteld; d. voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein: 1°. de geluidbrongegevens; en 2°. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan die gegevens zijn ontleend; en e. voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein: 1°. s,dan het gebied waarbinnen dat geluid hoger is dan 50 B; 2°. s,dan de binnen die contouren gelegen 1 B-geluidcontouren; en 3°. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan de gegevens zijn ontleend. 2 Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013) De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, zijn niet herleidbaar tot activiteiten als het gaat om informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het. 3 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden na ontvangst door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat onverwijld in het geluidregister opgenomen. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 11.53 — Artikel 11.53 (plicht tot opstellen geluidbelastingkaarten)#
Artikel 11.53 (plicht tot opstellen geluidbelastingkaarten) 1 artikel 11.50, eerste lid Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie stelt geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in. 2 artikel 11.50, tweede lid Gedeputeerde staten stellen geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in. 3 artikel 11.50, derde lid Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt geluidbelastingkaarten vast voor de geluidbronnen, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.24.
Artikel 11.54 — Artikel 11.54 (verbeelding van gegevens op geluidbelastingkaarten)#
Artikel 11.54 (verbeelding van gegevens op geluidbelastingkaarten) artikel 11.50, vierde lid artikelen 4.23, tweede lid 4.24, tweede lid Geluidbelastingkaarten verbeelden in ieder geval de gegevens, bedoeld in, en stille gebieden als bedoeld in de, en. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.25.
Artikel 11.55 — Artikel 11.55 (begripsbepalingen)#
Artikel 11.55 (begripsbepalingen) paragraaf 11.2.6 Voor de toepassing vanwordt verstaan onder: bevoegd gezag: artikel 11.56 bestuursorgaan als bedoeld in; activiteit: activiteit als bedoeld in bijlage I bij de PRTR-verordening. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.26.
Artikel 11.56 — Artikel 11.56 (aanwijzing bestuursorganen gegevensverstrekking PRTR)#
Artikel 11.56 (aanwijzing bestuursorganen gegevensverstrekking PRTR) Als instantie als bedoeld in artikel 2, onder 2, van de PRTR-verordening wordt aangewezen het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij die verordening. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.27.
Artikel 11.57 — Artikel 11.57 (kwaliteitsbeoordeling PRTR-verslag)#
Artikel 11.57 (kwaliteitsbeoordeling PRTR-verslag) 1 Het bevoegd gezag beoordeelt de kwaliteit van het PRTR-verslag uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar. 2 artikel 5.10 5.12 5.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving Het bevoegd gezag kan uiterlijk op de datum, bedoeld in het eerste lid, verklaren dat het PRTR-verslag niet voldoet aan,of. 3 Het bevoegd gezag kan de afgifte van de verklaring voor ten hoogste drie maanden uitstellen. 4 Het bevoegd gezag kan na de datum, bedoeld in het eerste lid, of, als toepassing is gegeven aan het derde lid, na de datum die met toepassing daarvan is vastgesteld, alsnog verklaren dat het PRTR-verslag niet voldoet aan de eisen, als: a. het verslag onjuiste of onvolledige gegevens bevat; of b. het verslag op een andere manier onjuist is en degene die het verslag heeft ingediend dat weet of behoort te weten. 5 De bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, vervalt vijf jaar na afloop van het verslagjaar. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.28.
Artikel 11.58 — Artikel 11.58 (niet-tijdige indiening PRTR-verslag)#
Artikel 11.58 (niet-tijdige indiening PRTR-verslag) Als niet tijdig een PRTR-verslag is ingediend, kan het bevoegd gezag uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar verklaren dat geen PRTR-verslag is ingediend. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.29.
Artikel 11.59 — Artikel 11.59 (inwerkingtreding verklaring niet voldoend of niet tijdig ingediend verslag)#
Artikel 11.59 (inwerkingtreding verklaring niet voldoend of niet tijdig ingediend verslag) artikel 11.57, tweede of vierde lid 11.58 Een verklaring als bedoeld in, oftreedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop die verklaring is bekendgemaakt. Als gedurende die termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de verklaring niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.30.
Artikel 11.60 — Artikel 11.60 (geheimhouding gegevens)#
Artikel 11.60 (geheimhouding gegevens) 1 Artikel 5.1 van de Wet open overheid Het bevoegd gezag kan, op verzoek van degene die de activiteit verricht of ambtshalve, beslissen dat bepaalde in een PRTR-verslag opgenomen gegevens niet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden verstrekt.is van overeenkomstige toepassing. 2 Een ambtshalve besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het verslagjaar genomen. 3 Een besluit als bedoeld in het eerste lid treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Als gedurende die termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.31. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.61 — Artikel 11.61 (gegevensverzameling diffuse bronnen)#
Artikel 11.61 (gegevensverzameling diffuse bronnen) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verzamelt gegevens over emissies van verontreinigende stoffen uit diffuse bronnen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 9, van het PRTR-protocol, voor zover het opnemen van die gegevens in het PRTR uitvoerbaar is. De gegevens omvatten ook informatie over de methode die is toegepast om de gegevens te verzamelen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.32.
Artikel 11.62 — Artikel 11.62 (PRTR)#
Artikel 11.62 (PRTR) 1 Er is een PRTR dat gegevens bevat over de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen. 2 Het PRTR wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met artikel 5 van het PRTR-protocol. 3 Het PRTR is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.33.
Artikel 11.63 — Artikel 11.63 (minimale inhoud PRTR)#
Artikel 11.63 (minimale inhoud PRTR) 1 Het PRTR bevat: a. artikel 10.44 van het Omgevingsbesluit de in overeenstemming metaan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekte gegevens en gemelde verklaringen; en b. de in overeenstemming met artikel 11.61 verzamelde gegevens over emissies van verontreinigende stoffen vanuit diffuse bronnen, voor zover die gegevens een voldoende mate van ruimtelijke detaillering bezitten. 2 Als in het PRTR gegevens over emissies van verontreinigende stoffen vanuit diffuse bronnen worden opgenomen, wordt ook de methode aangegeven waarmee die gegevens zijn verzameld. 3 artikel 10.45 van het Omgevingsbesluit Als het bevoegd gezag in het PRTR-verslag opgenomen gegevens met toepassing vanniet aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verstrekt, bevat het PRTR: a. het type informatie dat geheim is gehouden; b. artikel 10.45, derde lid, van het Omgevingsbesluit in een geval als bedoeld in: de naam van de groep verontreinigende stoffen waartoe de geheimgehouden verontreinigende stof behoort; c. artikel 5.1 van de Wet open overheid de uitzonderingsgrond uitop grond waarvan tot geheimhouding is besloten; en d. de samenvatting van de motivering van de beslissing waarbij tot geheimhouding is besloten. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.34. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.63a — Artikel 11.63a (ZZS-emissieregister)#
Artikel 11.63a (ZZS-emissieregister) 1 Er is een Zeer Zorgwekkende Stoffen-emissieregister. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. 3 Het register is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk. 4 artikel 5.24a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving Het register bevat in elk geval de gegevens die zijn verstrekt overeenkomstig, met uitzondering van: a. Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 de gegevens die zijn aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het; en b. artikel 3.323 van het van het Besluit activiteiten leefomgeving artikel 3.326 van dat besluit de gegevens die betrekking hebben op het exploiteren van een militaire zeehaven, bedoeld in, of het exploiteren van een militaire luchthaven, bedoeld in. 2024 423 19-12-2024 05-12-2024
Artikel 11.64 — Artikel 11.64 (gegevensverzameling omgevingsvergunningen rijksmonumentenactiviteit)#
Artikel 11.64 (gegevensverzameling omgevingsvergunningen rijksmonumentenactiviteit) Het college van burgemeester en wethouders en, voor zover een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeeld gebied, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verzamelen de volgende gegevens over omgevingsvergunningen voor een rijksmonumentenactiviteit: a. de datum van de omgevingsvergunning; b. het kenmerk van de omgevingsvergunning; c. de locatie van het rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft en de relevante kadastrale gegevens van die locatie; en d. de aard van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.35.
Artikel 11.65 — Artikel 11.65 (register omgevingsvergunningen rijksmonumentenactiviteit)#
Artikel 11.65 (register omgevingsvergunningen rijksmonumentenactiviteit) 1 Er zijn registers over omgevingsvergunningen voor een rijksmonumentenactiviteit. 2 Een register als bedoeld in het eerste lid wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders of, als een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeeld gebied, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 3 De registers zijn openbaar. 4 artikel 11.64 De registers bevatten in ieder geval de gegevens, bedoeld in. 5 artikel 11.64 De gegevens, bedoeld in, worden in het register opgenomen binnen een week na de dag waarop de omgevingsvergunning is verleend. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.36. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.66 — Artikel 11.66 (monitoring broeikasgassen)#
Artikel 11.66 (monitoring broeikasgassen) 1 Door monitoring worden bewaakt de emissies van de broeikasgassen, bedoeld in bijlage V, deel 2, bij de verordening governance van de energie-unie. 2 Monitoring vindt plaats door het voor die broeikasgassen opstellen van de broeikasgasinventarissen, bedoeld in artikel 26 van de verordening governance van de energie-unie, en het nationale inventarisatiesysteem, bedoeld in artikel 37 van die verordening. 3 Onze Minister voor Klimaat en Energie is belast met de uitvoering van de monitoring. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 10.37. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.67 — Artikel 11.67 (monitoring staat van instandhouding en doelen)#
Artikel 11.67 (monitoring staat van instandhouding en doelen) 1 Door monitoring worden bewaakt: a. de staat van instandhouding van: 1°. de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; 2°. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, genoemd in de bijlagen I en II bij de habitatrichtlijn; en 3°. de dier- en plantensoorten, genoemd in de bijlagen IV en V bij de habitatrichtlijn; en b. de voortgang van de inspanningen voor het bereiken van de doelstellingen uit de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. 2 Onze Minister voor Natuur en Stikstof is belast met de uitvoering van de monitoring van de staat van instandhouding van de habitats en soorten. 3 Onze Minister voor Natuur en Stikstof en gedeputeerde staten gezamenlijk zijn belast met de monitoring van de voortgang van de inspanningen voor het bereiken van de doelstellingen uit de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.68 — Artikel 11.68 (monitoring omgevingswaarden stikstofdepositie programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 11.68 (monitoring omgevingswaarden stikstofdepositie programma stikstofreductie en natuurverbetering) 1 artikel 2.15a, eerste lid, van de wet Monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in, vindt plaats door metingen, berekeningen of het op andere wijze verzamelen van gegevens. 2 Onze Minister voor Natuur en Stikstof is belast met de uitvoering van de monitoring. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.69 — Artikel 11.69 (gegevensverzameling programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 11.69 (gegevensverzameling programma stikstofreductie en natuurverbetering) 1 De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van die maatregelen. 2 artikelen 3.8, derde lid 3.9, derde lid, van de wet De bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het beheerplan, bedoeld in de, en, verzamelen gegevens over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.69a — Artikel 11.69a (gegevensverzameling vanwege beoordeling doelbereik tussentijdse doelstellingen programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 11.69a (gegevensverzameling vanwege beoordeling doelbereik tussentijdse doelstellingen programma stikstofreductie en natuurverbetering) artikel 10.36da van het Omgevingsbesluit artikel 4.27, tweede lid Onze Minister voor Natuur en Stikstof verzamelt gegevens, ook op basis van de gegevens, bedoeld in, over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen, bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.69b — Artikel 11.69b (gegevensverzameling gebiedsgerichte uitwerking programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 11.69b (gegevensverzameling gebiedsgerichte uitwerking programma stikstofreductie en natuurverbetering) Gedeputeerde staten verzamelen voor elke voor stikstof gevoelige habitat in de Natura 2000-gebieden in de betrokken provincie in ieder geval de volgende gegevens voor de gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het programma stikstofreductie en natuurverbetering: a. voor zover het programma niet meer actueel is: 1°. de omvang van de stikstofdepositie en de bronnen daarvan, onderscheiden naar de belangrijkste sectoren en naar de afkomst van binnen en buiten de provincie, en de mate waarin de kritische depositiewaarde wordt overschreden; en 2°. de verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie door bronnen binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvan voor de omvang van stikstofdepositie in de voor stikstof gevoelige habitats; b. de binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden in de provincie getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan: 1°. artikel 2.15a, eerste lid, van de wet artikel 4.27, tweede lid, onder a het verminderen van de stikstofdepositie met het oog op het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld inen aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig te voldoen aan die omgevingswaarden, bedoeld in; en 2°. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen; c. de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregelen, bedoeld onder b; en d. de verwachte gevolgen van de maatregelen, bedoeld onder b, voor de omvang van de stikstofdepositie respectievelijk het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 11.69c — Artikel 11.69c (verslagen programma stikstofreductie en natuurverbetering)#
Artikel 11.69c (verslagen programma stikstofreductie en natuurverbetering) Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt de volgende verslagen op met de volgende frequentie: a. elk jaar: 1°. artikel 11.68 een verslag over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie, bedoeld in; en 2°. artikel 4.27, tweede lid, onder a artikel 11.69a een verslag over de mate waarin wordt voldaan aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen, bedoeld in, op basis van de gegevens, bedoeld in; b. artikel 10.36da, eerste lid, van het Omgevingsbesluit elke twee jaar: een verslag over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering op basis van de gegevens, bedoeld in; en c. artikel 10.36da, tweede lid, van het Omgevingsbesluit elke zes jaar: een verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden op basis van de gegevens, bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 11.70 — Artikel 11.70 (registratie stikstofdepositieruimte)#
Artikel 11.70 (registratie stikstofdepositieruimte) 1 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verzamelt gegevens over de stikstofdepositieruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die beschikbaar is voor Natura 2000-activiteiten als gevolg van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de volgende bronmaatregelen: a. de snelheidsverlaging voor de rijkswegen ingevolge het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk RWS-2019/45657, Stcrt. 2019, 71032; b. artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie op grond van; en c. andere maatregelen die bij ministeriële regeling voor de toepassing van dit artikel als bronmaatregel worden aangemerkt. 2 artikel 8.74e Het bevoegd gezag dat met toepassing vanbeslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, met gebruikmaking van stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid, verzamelt de volgende gegevens: a. reserveringen van stikstofdepositieruimte met het oog op toedeling aan omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten en het vervallen van die reserveringen; b. de toegedeelde stikstofdepositieruimte voor omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit; c. de na het wijzigen of intrekken van een reservering of van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of na het beëindigen van de activiteit weer beschikbaar gekomen stikstofdepositieruimte; en d. de omzetting van in een vernietigde omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit toegedeelde stikstofdepositieruimte in voor de betrokken Natura 2000-activiteit gereserveerde stikstofdepositieruimte. 3 artikel 4.25 4.31 van het Omgevingsbesluit artikel 4.37 van dat besluit artikel 16.16, vierde lid, van de wet In afwijking van het tweede lid draagt het bestuursorgaan dat op grond vanofheeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of dat op grond vanofheeft bepaald dat instemming niet is vereist, zorg voor de in het tweede lid bedoelde gegevensverzameling, als stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd voor of toegedeeld in een door een ander bestuursorgaan te nemen of genomen beslissing op de aanvraag om die omgevingsvergunning. 4 artikel 8.74e Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Natura 2000-activiteit verstaan een Natura 2000-activiteit als bedoeld in. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is
ingetrokken door Stb. 2025/165.
Artikel 11.71 — Artikel 11.71 (register stikstofdepositieruimte)#
Artikel 11.71 (register stikstofdepositieruimte) 1 Er is een register stikstofdepositieruimte. 2 Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 3 artikel 11.70 Het register bevat de gegevens, bedoeld in. 4 Het register wordt voortdurend geactualiseerd. 5 artikel 11.70, eerste lid artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door een bronmaatregel als bedoeld in, als stikstofdepositieruimte in het register op. Het percentage is ten hoogste 100% als de stikstofdepositieruimte is bestemd voor verlening van omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit voor projecten die voldeden aan de voorwaarden van, zoals dat luidde op 31 december 2019. 6 Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt stikstofdepositieruimte die het gevolg is van vermindering van de stikstofdepositie door een bronmaatregel alleen in het register op: a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift, een besluit of een overeenkomst nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden of die overeenkomst van kracht is geworden; b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en c. als handhaving van de wettelijke voorschriften of overeengekomen voorwaarden en beperkingen die verband houden met de bronmaatregel voldoende is verzekerd. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is
ingetrokken door Stb. 2025/165.
Artikel 11.72 — Artikel 11.72 (registratie reserveringen register stikstofdepositieruimte)#
Artikel 11.72 (registratie reserveringen register stikstofdepositieruimte) 1 artikel 8.74e, vierde lid Reserveringen van stikstofdepositieruimte als bedoeld in, worden geregistreerd in de volgorde waarin de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zijn ontvangen. 2 artikel 8.74e, derde lid, onder b artikel 11.70, eerste lid, onder a Als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voornemens is om voor een projectbesluit als bedoeld in, stikstofdepositieruimte te gebruiken die is verkregen door de snelheidsverlaging voor de rijkswegen, bedoeld in, reserveert hij die ruimte tijdelijk voor een periode van ten hoogste twee maanden. Hij kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen. 3 artikel 2.2 van de wet Voor zover dezelfde stikstofdepositieruimte nodig is voor zowel een of meer woningbouwprojecten als een projectbesluit als bedoeld in het tweede lid, zet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de tijdelijke reservering alleen na toepassing vanom in een definitieve reservering. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2025 165 23-06-2025 16-06-2025 Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is
ingetrokken door Stb. 2025/165.
Artikel 11.73 — Artikel 11.73 (verzameling gegevens verzekering jachtgeweer)#
Artikel 11.73 (verzameling gegevens verzekering jachtgeweer) artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving De korpschef verzamelt de gegevens die de polis van de verzekering, bedoeld in, bevat. 2021 22 21-01-2021 16-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.1 — Artikel 12.1 (begripsbepalingen)#
Artikel 12.1 (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: aanwezig industrieterrein: artikel 1 van de Wet geluidhinder artikel 12.2 artikel 5.78b op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in, totdat rondom dat industrieterrein met toepassing vangeluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of in het omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld inniet wordt verricht; grenswaarde Wet geluidhinder: a. artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet hogere waarde als bedoeld in; b. artikel 12.7, derde lid grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op elk punt van de buitengrens van een geluidaandachtsgebied als bedoeld in; en c. artikel 63, tweede lid, van de Wet geluidhinder de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, die op grond vandoor Onze Minister zijn vastgesteld. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 20-09-2025
Artikel 12.2 — Artikel 12.2 (eerste geluidproductieplafonds voor een aanwezig industrieterrein)#
Artikel 12.2 (eerste geluidproductieplafonds voor een aanwezig industrieterrein) 1 artikelen 3.34 3.35 3.37 tot en met 3.39 artikel 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet Wet geluidhinder In afwijking van de,enwordt een geluidproductieplafond als bedoeld inals omgevingswaarde vastgesteld op grond van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden. 2 Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde geluidproductie: a. worden geluidregels die deel uitmaken van de regels van het omgevingsplan voor dat industrieterrein in acht genomen; b. wordt rekening gehouden met een voor dat industrieterrein vastgesteld: 1°. artikel 164 van de Wet geluidhinder Aanvullingswet geluid Omgevingswet zonebeheerplan als bedoeld inzoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding van de; en 2°. artikel 3.6, vijfde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet programma als bedoeld in; en c. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet worden omgevingsvergunningen voor een milieubelastende activiteit als bedoeld inen de daaraan verbonden voorschriften in acht genomen. 3 Wet geluidhinder artikel 3.46, tweede lid Als door toepassing van het tweede lid, onder a of c, het geluid op een referentiepunt hoger wordt dan het in het eerste lid bedoelde geluid bij maximale benutting van de grenswaarden, wordt het geluidproductieplafond vastgesteld volgens het eerste lid en wordt voor dat geluidproductieplafond, toegepast. 4 Een met toepassing van het eerste lid bepaald geluidproductieplafond als omgevingswaarde wordt bij de vaststelling daarvan: a. artikel 3.24, tweede lid, onder a verlaagd met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen als bedoeld in; en b. Wet geluidhinder verhoogd met het geluid door afgemeerde vaartuigen of drijvende werktuigen, als dat geluid niet eerder is betrokken bij het vaststellen van de grenswaarden. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.2a — Artikel 12.2a (uitgestelde werking regels over activiteiten – voldoen aan geluidproductieplafonds)#
Artikel 12.2a (uitgestelde werking regels over activiteiten – voldoen aan geluidproductieplafonds) 1 Artikel 5.78f artikel 12.2 is niet van toepassing als de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld met toepassing van. 2 artikel 22.6, derde lid, van de wet artikel 5.78f Uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in, geeft het bevoegd gezag alsnog uitvoering aan. 3 Artikel 5.78g artikel 12.2 is niet van toepassing als alleen toepassing wordt gegeven aan. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.3 — Artikel 12.3 (aanwezig industrieterrein waarop redelijke sommatie is toegepast bij het vaststellen van grenswaarden Wet geluidhinder)#
Artikel 12.3 (aanwezig industrieterrein waarop redelijke sommatie is toegepast bij het vaststellen van grenswaarden Wet geluidhinder) Wet geluidhinder artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 artikel 12.2, eerste lid Als bij het vaststellen van een grenswaardeeen aftrek is toegepast als bedoeld inzoals dat luidde tot 1 januari 2024, wordt bij het toepassen van, die grenswaarde verhoogd met de waarde van de aftrek en wordt de geluidproductie op het industrieterrein met diezelfde waarde van de aftrek verminderd. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.4 — Artikel 12.4 (afwijkend tijdstip en afwijkende termijn waarbinnen aan het geluidproductieplafond wordt voldaan)#
Artikel 12.4 (afwijkend tijdstip en afwijkende termijn waarbinnen aan het geluidproductieplafond wordt voldaan) 1 artikel 12.2, eerste lid artikel 67 van de Wet geluidhinder Als op het tijdstip van de toepassing van, voor een aanwezig industrieterrein een geluidreductieplan gold als bedoeld in, wordt bij de vaststelling van het op grond van artikel 12.2, eerste lid, bepaalde geluidproductieplafond als omgevingswaarde bepaald dat gedurende de in dat geluidreductieplan genoemde termijn niet aan dat geluidproductieplafond hoeft te worden voldaan. 2 artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 artikel 3.44 artikel 12.2, eerste lid Als bij een aanwezig industrieterrein een aftrek is toegepast als bedoeld inzoals dat luidde tot 1 januari 2024 hoeft, in afwijking van, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar niet te worden voldaan aan het geluidproductieplafond dat is vastgesteld met toepassing van, waarbij het geluidproductieplafond mag worden overschreden met ten hoogste de waarde van de aftrek. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.5 — Artikel 12.5 (eerste geluidproductieplafonds voor hoofdspoorwegen met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen)#
Artikel 12.5 (eerste geluidproductieplafonds voor hoofdspoorwegen met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen) 1 artikelen 3.34 3.35 3.37 tot en met 3.39 artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet In afwijking van de,enwijzigt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een op grond vanherberekend geluidproductieplafond voor een hoofdspoorweg met het bij omgevingsvergunning toegestane geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg. 2 Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.5a — Artikel 12.5a (uitgestelde werking uitzondering geluid door spoorvoertuigen op emplacementen)#
Artikel 12.5a (uitgestelde werking uitzondering geluid door spoorvoertuigen op emplacementen) artikel 12.5 artikel 5.55, tweede lid, onder e Totdat uitvoering is gegeven aanvoor een hoofdspoorweg, geldt, niet voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van die hoofdspoorweg. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.6 — Artikel 12.6 (eerste geluidproductieplafonds voor bestaande provinciale wegen)#
Artikel 12.6 (eerste geluidproductieplafonds voor bestaande provinciale wegen) 1 artikelen 3.34 tot en met 3.39 artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet In afwijking van deis een geluidproductieplafond als bedoeld inde door provinciale staten berekende historische geluidproductie, die betrekking heeft op het kalenderjaar waarin hetin werking treedt, een kalenderjaar dat ten hoogste vijf jaar voor dat tijdstip ligt of op een middeling van meerdere van die kalenderjaren, op de daarvoor door hen aangegeven geluidreferentiepunten, verhoogd met 1,5 dB. 2 paragraaf 3.5.4.2 artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet In afwijking van het eerste lid en in afwijking vankan het geluidproductieplafond, bedoeld in, worden vastgesteld op grond van: a. een besluit over aanleg of reconstructie van een weg; b. recent genomen ruimtelijke besluiten; of c. Wet geluidhinder de gegevens uit het eerste lid, waarbij het effect van een stil wegdek als dat is aangelegd zonder dat dit op grond van dewas vereist niet in aanmerking wordt genomen. 3 Het tweede lid, onder b en c, wordt alleen toegepast als de gevolgen voor de fysieke leefomgeving aanvaardbaar worden geacht. 4 artikel 3.34 Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde isniet van toepassing als na toepassing van het eerste of tweede lid door een bestuursorgaan van een provincie wijziging van een geluidproductieplafond langs een aansluitende of in de nabijheid liggende provinciale weg in dezelfde provincie plaatsvindt in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij de nieuwe geluidproductieplafonds. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.6a — Artikel 12.6a (gevallen waarin herberekende geluidproductieplafonds bij provinciale wegen vervallen)#
Artikel 12.6a (gevallen waarin herberekende geluidproductieplafonds bij provinciale wegen vervallen) artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet artikel 3.2a, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet De op grond vanherberekende geluidproductieplafonds voor een provinciale weg, die op grond vangelden als bij besluit als omgevingswaarden vastgestelde geluidproductieplafonds, vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel als: a. den het geluid door die provinciale weg en rijkswegen samen op geen enkel geluidgevoelig gebouw meer bedraagt dan 50 L; of b. de bijdrage van het geluid van die provinciale weg op de voor die bijdrage maatgevende gevel van een geluidgevoelig gebouw 10 dB of meer lager is dan het geluid van die provinciale weg en rijkswegen samen op het geluidgevoelige gebouw bij volledig benutte geluidproductieplafonds. 2024 423 19-12-2024 05-12-2024 2024 424 20-12-2024 12-12-2024 21-12-2024
Artikel 12.7 — Artikel 12.7 (tijdelijk geluidaandachtsgebied)#
Artikel 12.7 (tijdelijk geluidaandachtsgebied) 1 artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet Als toepassing wordt gegeven aan, wordt ook het geluidaandachtsgebied bepaald. 2 artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet artikel 74 van de Wet geluidhinder Totdat toepassing is gegeven aan, is het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in. 3 artikel 3.6, tweede lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet artikel 40 van de Wet geluidhinder Totdat toepassing is gegeven aan, is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de krachtensvastgestelde geluidzone. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.8 — Artikel 12.8 (vergunningvrije gebouwen en mantelzorgwoningen bruidsschat niet geluidgevoelig)#
Artikel 12.8 (vergunningvrije gebouwen en mantelzorgwoningen bruidsschat niet geluidgevoelig) afdeling 3.5 paragrafen 5.1.4.2a.2 5.1.4.2a.3 5.1.4.2a.5 5.1.4.2a.6 Bij de toepassing vanen de,,enwordt een geluidgevoelig gebouw niet in aanmerking genomen als het gaat om: a. artikel 22.1, onder c, van de wet een bijbehorend bouwwerk dat alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, onder 1° of 2°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in; of b. artikel 22.1, onder c, van de wet een bouwwerk waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder c, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.9 — Artikel 12.9 (uitsluiting niet gerealiseerde vergunningvrije bouw- en gebruiksmogelijkheden van eerbiedigende werking)#
Artikel 12.9 (uitsluiting niet gerealiseerde vergunningvrije bouw- en gebruiksmogelijkheden van eerbiedigende werking) 1 artikel 5.78r, tweede lid paragraaf 5.1.4.2a.4 In afwijking van, iswel van toepassing op: a. artikel 22.1, onder c, van de wet een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, onder 1°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in, dat op het tijdstip van vaststelling van het omgevingsplan niet is gebouwd; b. artikel 22.1, onder c, van de wet een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, onder 2°, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in; en c. huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 22.36, onder c, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 2 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het gaat om op het tijdstip van vaststelling van het omgevingsplan bestaande huisvesting in verband met mantelzorg als in het omgevingsplan wordt bepaald dat alleen die vorm van wonen is toegelaten. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.10 — Artikel 12.10 (bestaande mantelzorgwoningen blijvend niet geluidgevoelig)#
Artikel 12.10 (bestaande mantelzorgwoningen blijvend niet geluidgevoelig) afdeling 3.5 paragrafen 5.1.4.2a.2 5.1.4.2a.3 5.1.4.2a.5 5.1.4.2a.6 artikel 22.4 van de wet Bij de toepassing vanen de,,enwordt een geluidgevoelig gebouw dat voor de datum, bedoeld in, in gebruik is genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg en waar alleen die vorm van wonen is toegelaten niet in aanmerking genomen. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.11 — Artikel 12.11 (toepassingsbereik)#
Artikel 12.11 (toepassingsbereik) 1 artikel 15.2 van het Omgevingsbesluit Deze paragraaf is van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in. 2 artikel 12.12 12.13 12.13a Deze paragraaf is ook van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn vermeld in het programma, bedoeld in,respectievelijkals: a. artikel 88 van de Wet geluidhinder artikel 4.17 van het Besluit geluidhinder die geluidgevoelige gebouwen op grond van, zoals dat luidde voor 1 januari 2007, of, zoals dat luidde voor 1 juli 2012, binnen de in die artikelen aangegeven termijn zijn gemeld; en b. artikel 15.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit het geluid, bedoeld in, op die gebouwen door: 1°. Wegenverkeerswet 1994 tabel 3.35 een binnen een krachtens devastgestelde bebouwde kom gelegen provinciale weg hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in; of 2°. Wegenverkeerswet 1994 tabel 3.35 een buiten een krachtens devastgestelde bebouwde kom gelegen provinciale weg, waterschapsweg, gemeenteweg of lokale spoorweg gelijk is aan of minder dan 5 dB lager is dan de grenswaarde, bedoeld in. 3 artikel 15.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit Bij de toepassing van het tweede lid isvan overeenkomstige toepassing. 4 Artikel 3.23 is van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.12 — Artikel 12.12 (sanering geluid infrastructuur gemeente)#
Artikel 12.12 (sanering geluid infrastructuur gemeente) 1 artikel 22.18, eerste lid, van de wet artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit artikel 12.11, tweede lid Een programma als bedoeld inbevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in, en, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste 65 dB. 2 artikel 11.46, derde lid De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in. 3 artikel 2.43 van de wet artikelen 3.53 3.54 Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in. Deenzijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de gemeenteweg of lokale spoorweg wordt verhoogd met 1,5 dB. 4 In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere gemeente genomen door het college van burgemeester en wethouders van die gemeente. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.13 — Artikel 12.13 (sanering geluid infrastructuur waterschap)#
Artikel 12.13 (sanering geluid infrastructuur waterschap) 1 artikel 22.18, tweede lid, van de wet artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit artikel 12.11, tweede lid Een programma als bedoeld inbevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in, en, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een waterschapsweg, te beperken tot ten hoogste 65 dB. 2 artikel 11.46, derde lid De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in. 3 artikel 2.43 van de wet artikelen 3.53 3.54 Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het dagelijks bestuur van het waterschap een besluit als bedoeld in. Deenzijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de waterschapsweg wordt verhoogd met 1,5 dB. 4 In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een ander waterschap genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.13a — Artikel 12.13a (sanering geluid infrastructuur provincie)#
Artikel 12.13a (sanering geluid infrastructuur provincie) 1 artikel 22.18, derde lid, van de wet Een programma als bedoeld inbevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de onderstaande gebouwen, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg of een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste: a. artikel 15.2, tweede lid, onder a en c, van het Omgevingsbesluit Wegenverkeerswet 1994 artikel 12.11, tweede lid 65 dB voor de gebouwen, bedoeld in, en de gebouwen, bedoeld in, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die binnen een krachtens devastgestelde bebouwde kom ligt of van een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen; b. artikel 15.2, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit artikel 12.11, tweede lid 60 dB voor de gebouwen, bedoeld in, en de gebouwen, bedoeld in, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt. 2 artikel 2.43 van de wet artikelen 3.53 3.54 Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, nemen gedeputeerde staten een besluit als bedoeld in. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 3 In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere provincie genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is. 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 2025 242 19-09-2025 04-09-2025 01-01-2026
Artikel 12.13b — Artikel 12.13b (voorwaarden geluidbeperkende maatregelen)#
Artikel 12.13b (voorwaarden geluidbeperkende maatregelen) artikelen 12.12 tot en met 12.13a Voor toepassing van dekomen geluidbeperkende maatregelen in aanmerking als deze financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13c — Artikel 12.13c (verlaging geluidproductieplafond)#
Artikel 12.13c (verlaging geluidproductieplafond) artikel 12.13a Als toepassing vanleidt tot een verlaging van het geluid op een geluidgevoelig gebouw worden de als omgevingswaarden vastgestelde geluidproductieplafonds verlaagd in overeenstemming met het effect van de geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 12.13a, eerste lid. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13d — Artikel 12.13d (sanering gekoppeld aan vaststelling of wijziging geluidproductieplafond)#
Artikel 12.13d (sanering gekoppeld aan vaststelling of wijziging geluidproductieplafond) 1 artikel 2.13a, eerste lid, van de wet artikel 12.13a, eerste lid Bij een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden als bedoeld in, en als, nog niet is toegepast, kunnen in dat besluit ook de geluidbeperkende maatregelen worden vastgesteld om te voldoen aan artikel 12.13a, eerste lid. 2 artikel 12.13a, eerste lid Bij de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde besluit is het geluid op de in, bedoelde geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan de in dat artikel aangegeven waarden. 3 artikel 12.13a, eerste lid artikelen 3.53 3.54 artikel 2.43 van de wet Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan, nemen gedeputeerde staten een besluit als bedoeld in. Deenzijn van overeenkomstige toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13e — Artikel 12.13e (gevel niet-geluidgevoelig op grond van oud recht)#
Artikel 12.13e (gevel niet-geluidgevoelig op grond van oud recht) Afdeling 3.5 paragrafen 5.1.4.2 5.1.4.2a.3 5.1.4.2a.5 5.1.4.2a.6 en de,,enzijn niet van toepassing op: a. artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder een bouwkundige constructie die op grond vanniet als gevel werd beschouwd; b. Interimwet stad-en-milieubenadering een gevel waarvoor met toepassing van deis afgeweken van de wettelijke normen voor geluid. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13f — Artikel 12.13f (nieuwe niet-geluidgevoelige gevels bij provinciale wegen en industrieterreinen)#
Artikel 12.13f (nieuwe niet-geluidgevoelige gevels bij provinciale wegen en industrieterreinen) artikel 3.5, eerste lid 3.6, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet Als bij de toepassing van, of: a. artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder gebruik wordt gemaakt van, wordt voor de bouwkundige constructie bepaald dat deze een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is; en b. voor een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering wordt afgeweken van de wettelijke normen voor geluid wordt bepaald dat deze een niet-geluidgevoelige gevel is. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.13g — Artikel 12.13g (niet-geluidgevoelige gevel overnemen uit tijdelijk deel omgevingsplan)#
Artikel 12.13g (niet-geluidgevoelige gevel overnemen uit tijdelijk deel omgevingsplan) 1 In het omgevingsplan wordt bepaald dat: a. artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder een bouwkundige constructie die op grond vanniet als gevel werd beschouwd een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is; en b. Interimwet stad-en-milieubenadering een gevel waarvoor met toepassing van deis afgeweken van de wettelijke normen voor geluid een niet-geluidgevoelige gevel is. 2 tabel 5.78u Het eerste lid kan buiten toepassing worden gelaten als het geluid op de gevel niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.13h — Artikel 12.13h (aanscherping grenswaarden)#
Artikel 12.13h (aanscherping grenswaarden) 1 tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat in het geluidaandachtsgebied van een hoofdspoorweg kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als: a. deze waarde niet meer dan 3 dB hoger is dan de grenswaarde; en b. voor dat gebouw akoestisch onderzoek is verricht voor 1 januari 2021. 2 Wegenverkeerswet 1994 tabel 5.78u Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw binnen een krachtens devastgestelde bebouwde kom toelaat in het geluidaandachtsgebied van een rijksweg die geen autoweg of autosnelweg is, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in, als: a. artikel 110g van de Wet geluidhinder deze waarde na toepassing van de aftrek als bedoeld inniet meer dan 3 dB hoger is dan de grenswaarde; en b. voor dat gebouw akoestisch onderzoek is verricht voor 1 januari 2021. 3 Dit artikel vervalt 10 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13i — Artikel 12.13i (overgangsrecht activiteiten industrieterreinen)#
Artikel 12.13i (overgangsrecht activiteiten industrieterreinen) artikelen 5.55, tweede lid, onder a en d 5.79, tweede lid, onder a 5.100, eerste en tweede lid 11.50, eerste lid, onder a, onder 1° 8.18, derde lid, onder a artikel 12.1 In de,,,, en, wordt onder «industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld» ook verstaan een aanwezig industrieterrein als bedoeld in. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.13ia — Artikel 12.13ia (bepalen geluid voordat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld)#
Artikel 12.13ia (bepalen geluid voordat geluidproductieplafonds zijn vastgesteld) 1 Dit artikel is van toepassing op het bepalen van het gecumuleerde geluid of het gezamenlijke geluid waarbij geluid betrokken wordt door: a. artikel 2.12a, eerste lid, van de wet een bij omgevingsverordening aangewezen provinciale weg totdat op grond vanvoor die weg geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of b. artikel 12.1 een aanwezig industrieterrein als bedoeld. 2 artikel 3.24, derde en vijfde lid artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid artikel 5.78a, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid artikel 3.5 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet die wet etmaal den In afwijking van,, en, wordt het geluid door de provinciale weg of het industrieterrein bepaald op grond van het inofbedoelde recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van, waarbij voor industrieterreinen de geluidbelasting in Lgeldt als geluidbelasting in L. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.13j — Artikel 12.13j (tijdelijke instructieregel geluid windturbines en windparken)#
Artikel 12.13j (tijdelijke instructieregel geluid windturbines en windparken) Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat het omgevingsplan voor een windturbine, voor zover het niet gaat om een windpark met 3 of meer windturbines, geen lagere waarden in verband met cumulatie met het geluid van een windturbine die of een windpark dat behoort tot een samenstel van activiteiten waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was of een melding was gedaan. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 12.1. 2022 181 13-05-2022 03-05-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13k — Artikel 12.13k (herstel van gebreken bij herberekening en eerste vaststelling van geluidproductieplafonds)#
Artikel 12.13k (herstel van gebreken bij herberekening en eerste vaststelling van geluidproductieplafonds) 1 artikel 3.2, eerste lid 3.5, tweede lid 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet artikelen 3.34 tot en met 3.39 Als een gebrek in een besluit als bedoeld in,, ofwordt hersteld, zijn deniet van toepassing. 2 artikelen 3.53 3.54 Bij het besluit wordt bepaald of geluidbeperkende of geluidwerende maatregelen worden getroffen als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied gebruik is gemaakt van een gebrek als bedoeld in het eerste lid. Deenzijn van toepassing. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.13l — Artikel 12.13l (behoud geluidproductieplafonds lokale spoorweg ontstaan door omzetting hoofdspoorweg)#
Artikel 12.13l (behoud geluidproductieplafonds lokale spoorweg ontstaan door omzetting hoofdspoorweg) 1 artikel 3.2a, eerste lid, onder c, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet Als een omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bevat voor een spoorweg als bedoeld in: a. artikel 3.45, eerste lid artikel 11.45, eerste lid artikel 18, eerste lid, van de Wet lokaal spoor berusten de plicht tot treffen van maatregelen, bedoeld in, en de plicht tot monitoring, bedoeld in, bij de op grond vanaangewezen instantie; en b. artikelen 3.28 11.47 zijn deenniet van toepassing; c. artikelen 5.78j 5.78k paragraaf 3.5.4.2 artikelen 5.78l tot en met 5.78q is op een wijziging van de lokale spoorweg of het gebruik daarvan, als bedoeld in deen,van overeenkomstige toepassing en zijn deniet van toepassing. 2 Als de in het eerste lid bedoelde geluidproductieplafonds als omgevingswaarden komen te vervallen, blijft de plicht tot het treffen van maatregelen, bedoeld in dat lid, onder a, voortbestaan totdat daaraan uitvoering is gegeven. 2020 557 28-12-2020 09-12-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 470 15-12-2023 13-12-2023 01-01-2024
Artikel 12.13m — Artikel 12.13m (overgangsrecht geluid van een gemeenteweg en lokale spoorweg samen)#
Artikel 12.13m (overgangsrecht geluid van een gemeenteweg en lokale spoorweg samen) artikelen 5.78a, derde lid 5.78m, derde lid 5.78n, derde lid 5.78t, tweede lid 5.78u, tweede lid artikel 3.27, tweede lid Zolang de basisgeluidemissie nog niet is bepaald, wordt bij toepassing van de,,,, en, het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk beschouwd als het college van burgemeester en wethouders voornemens is toepassing te geven aan. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.13n — Artikel 12.13n (overgangsrecht gegevens concentratiegebieden voor geluidbelastingkaarten)#
Artikel 12.13n (overgangsrecht gegevens concentratiegebieden voor geluidbelastingkaarten) paragraaf 5.1.4.2 artikel 11.50, eerste lid den night artikel 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer Totdat voor een locatie toepassing is gegeven aan, behoren tot de op grond van, te verzamelen gegevens ook gegevens over de geluidbelasting in Len in Lvan een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven als bedoeld in. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.14 — Artikel 12.14 (tijdelijke bebouwingscontour geur)#
Artikel 12.14 (tijdelijke bebouwingscontour geur) artikel 5.97 Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour geur als bedoeld inis aangewezen, geldt de bebouwde kom als bebouwingscontour geur. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.15 — Artikel 12.15#
Artikel 12.15 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.16 — Artikel 12.16#
Artikel 12.16 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.17 — Artikel 12.17#
Artikel 12.17 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.18 — Artikel 12.18#
Artikel 12.18 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.19 — Artikel 12.19#
Artikel 12.19 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.20 — Artikel 12.20#
Artikel 12.20 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.21 — Artikel 12.21#
Artikel 12.21 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.22 — Artikel 12.22#
Artikel 12.22 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.23 — Artikel 12.23#
Artikel 12.23 Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.24 — Artikel 12.24 (toepassingsbereik)#
Artikel 12.24 (toepassingsbereik) 1 Deze afdeling is van toepassing op: a. het militaire luchtvaartterrein De Peel/luitenant-generaal Bestkazerne; b. het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen; c. het militaire luchtvaartterrein Woensdrecht; en d. het buitenlandse militaire luchtvaartterrein Geilenkirchen. 2 Deze afdeling geldt voor: a. Wet luchtvaart de luchtvaartterreinen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, totdat voor het betrokken luchtvaartterrein een luchthavenbesluit op grond van deis vastgesteld en in werking getreden; en b. Wet luchtvaart het luchtvaartterrein Geilenkirchen, totdat een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven op grond van deis vastgesteld en in werking getreden. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.25 — Artikel 12.25 (aanwijzing geluidzones en obstakelbeheergebieden militaire luchtvaartterreinen)#
Artikel 12.25 (aanwijzing geluidzones en obstakelbeheergebieden militaire luchtvaartterreinen) 1 artikel 2.1, vierde lid, van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Geluidzones voor militaire luchtvaartterreinen zijn de locaties die zijn aangewezen en geometrisch begrensd in, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2 artikel 2.1, vijfde lid, van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Obstakelbeheergebieden voor militaire luchtvaartterreinen zijn de locaties die zijn aangewezen en geometrisch begrensd in, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.26 — Artikel 12.26 (ruimtelijke beperkingen geluidzones en obstakelbeheergebieden militaire luchtvaartterreinen)#
Artikel 12.26 (ruimtelijke beperkingen geluidzones en obstakelbeheergebieden militaire luchtvaartterreinen) 1 Luchtvaartwet Wet geluidhinder Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een geluidzone voor een militair luchtvaartterrein, worden de op grond van deen devastgestelde geluidzones in acht genomen. 2 artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een obstakelbeheergebied voor een militair luchtvaartterrein, is de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in dat gebied in overeenstemming met. 3 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in het eerste en tweede lid. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.26a — Artikel 12.26a (programma legalisering projecten natuur)#
Artikel 12.26a (programma legalisering projecten natuur) artikel 22.21, tweede lid, van de wet artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming Het inbedoelde programma voor het legaliseren van activiteiten met een geringe stikstofdepositie die voldeden aan de voorwaarden vanzoals dat luidde tot 1 januari 2017 ofzoals dat luidde op 28 mei 2019, bevat een beschrijving van: a. de totale stikstofdepositie door die activiteiten op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; b. de getroffen of te treffen maatregelen om de gevolgen van de onder a bedoelde stikstofdepositie ongedaan te maken, te beperken of te compenseren; c. de gevolgen van de onder b bedoelde maatregelen voor de omvang van de stikstofdepositie op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; en d. artikel 12.26b artikel 15.5 van het Omgevingsbesluit de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen die inworden gesteld aan het verzamelen van gegevens en de eisen die inworden gesteld aan het verstrekken van gegevens. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.26b — Artikel 12.26b (gegevensverzameling programma legalisering projecten natuur)#
Artikel 12.26b (gegevensverzameling programma legalisering projecten natuur) De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het programma verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van dat programma. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.26c — Artikel 12.26c (verslag programma legalisering projecten natuur)#
Artikel 12.26c (verslag programma legalisering projecten natuur) artikel 15.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt elk jaar een verslag op over de voortgang en de gevolgen van het programma legalisering projecten natuur op basis van de gegevens, bedoeld in. 2021 287 18-06-2021 14-06-2021 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.26d — Artikel 12.26d paragraaf 5.1.7.7 (overgangsfase)#
Artikel 12.26d paragraaf 5.1.7.7 (overgangsfase) artikel 22.5, eerste lid, van de wet artikel 5.161bc Uiterlijk op het tijdstip bedoeld ingeeft het bevoegd gezag uitvoering aan. 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 2023 492 22-12-2023 20-12-2023 01-01-2024
Artikel 12.26e — Artikel 12.26e (overgangsrecht rechtmatig aanwezige of toegestane geliberaliseerde woningen voor middenhuur na Besluit betaalbare huur)#
Artikel 12.26e (overgangsrecht rechtmatig aanwezige of toegestane geliberaliseerde woningen voor middenhuur na Besluit betaalbare huur) 1 Besluit betaalbare huur Dit artikel is van toepassing op huurwoningen die op het tijdstip van inwerkingtreding van hetop grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig aanwezig waren of waren toegestaan en waarvoor: a. bij de toelating in dat omgevingsplan respectievelijk die omgevingsvergunning regels of voorschriften voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur zijn gesteld: 1°. Besluit betaalbare huur met toepassing van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het; of 2°. artikel 1.1.1, eerste lid, onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening Omgevingswet op grond vanzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de; en b. de termijn voor instandhouding, gesteld bij de regels of de voorschriften, bedoeld onder b, nog niet is verstreken. 2 artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag In afwijking van, kan een omgevingsplan regels bevatten over huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs. 2024 194 28-06-2024 26-06-2024 2024 197 28-06-2024 26-06-2024 01-07-2024 Artikel III van Stb. 2024/194 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Artikel 12.27 — Artikel 12.27 afdeling 5.2 (overgangsfase)#
Artikel 12.27 afdeling 5.2 (overgangsfase) artikel 5.164 Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit geeft het bevoegd gezag uitvoering aan. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.27a — Artikel 12.27a (tijdelijke beoordelingsregel buitenplanse omgevingsplanactiviteit)#
Artikel 12.27a (tijdelijke beoordelingsregel buitenplanse omgevingsplanactiviteit) artikel 8.0a, tweede lid Bij de toepassing van, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 2022 172 05-05-2022 26-04-2022 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.27b — Artikel 12.27b (doorwerking overgangsrecht – buitenplanse omgevingsplanactiviteit)#
Artikel 12.27b (doorwerking overgangsrecht – buitenplanse omgevingsplanactiviteit) 1 artikelen 12.2a 12.5a 12.7, tweede en derde lid 12.8 12.9 12.10 12.13e 12.13f 12.13h 12.13i 12.13ia 12.13j 12.13m 12.14 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn de,,,,,,,,,,,,enop de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing. 2 artikel 12.26 Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van nationaal belang, isop de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024 Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist is.
Artikel 12.27c — Artikel 12.27c (tijdelijke regel voorschriften buitenplanse omgevingsplanactiviteit)#
Artikel 12.27c (tijdelijke regel voorschriften buitenplanse omgevingsplanactiviteit) 1 artikel 22.1, onder a, van de wet Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als de regels voor de locatie deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in. 2 artikel 5.14 artikel 8.0b, aanhef en eerste lid, onder a 8.0c, aanhef en eerste lid, onder a 8.0d, aanhef en eerste lid, onder a Als op de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunningovereenkomstig wordt toegepast op grond van,, of: a. kan als die vergunning een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift worden verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is; en b. wordt als die vergunning een zeer kwetsbaar gebouw toelaat aan die vergunning het voorschrift verbonden dat die locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.28 — Artikel 12.28 (tijdelijke beoordelingsregels ontgrondingsactiviteit)#
Artikel 12.28 (tijdelijke beoordelingsregels ontgrondingsactiviteit) Artikel 8.76, tweede lid, onder c , is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als: a. artikel 22.1, onder a, van de wet de regels voor die locatie deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in, en die regels niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van die locatie na afloop van de ontgronding; of b. wet de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die de ontgronding toelaat is aangevraagd voor de inwerkingtreding van deen de voorschriften van die vergunning niet voorzien in een regeling voor de voorgenomen inrichting van de locatie na afloop van de ontgronding. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.29 — Artikel 12.29 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit)#
Artikel 12.29 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit) artikel 8.97a, tweede lid artikel 22.5, tweede lid, van de wet De verplichting op grond van, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97a, derde lid, van dit besluit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.30 — Artikel 12.30 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang)#
Artikel 12.30 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang) artikel 8.97b, tweede lid artikel 22.5, tweede lid, van de wet De verplichting op grond van, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97b, derde lid, van dit besluit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.31 — Artikel 12.31 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit van nationaal belang)#
Artikel 12.31 (verplichting intrekken vergunning omgevingsplanactiviteit van nationaal belang) artikel 8.97c, tweede lid artikel 22.5, tweede lid, van de wet De verplichting op grond van, van dit besluit geldt niet tot het bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in, tenzij sprake is van een regel of een instructie waarin een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 8.97c, derde lid, van dit besluit. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024
Artikel 12.32 — Artikel 12.32 (doorwerking overgangsrecht – instructieregels projectbesluit)#
Artikel 12.32 (doorwerking overgangsrecht – instructieregels projectbesluit) 1 artikelen 12.2a 12.5a 12.7, tweede en derde lid 12.8 12.9 12.10 12.13e 12.13f 12.13h 12.13i 12.13ia 12.13j 12.13m 12.14 De,,,,,,,,,,,,enzijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit. 2 Artikel 12.26 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024
Artikel 12.33 — Artikel 12.33 (tijdelijke verplichting wijzigen voorschriften vergunning milieubelastende activiteit in verband met financiële zekerheid)#
Artikel 12.33 (tijdelijke verplichting wijzigen voorschriften vergunning milieubelastende activiteit in verband met financiële zekerheid) 1 artikel 8.6, eerste lid, onder e of f, van het Omgevingsbesluit Dit artikel is van toepassing op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld indie: a. wet op het tijdstip van inwerkingtreding van deonherroepelijk is; of b. wet voor het tijdstip van inwerkingtreding van deis aangevraagd en daarna onherroepelijk wordt. 2 Het bevoegd gezag wijzigt binnen twee jaar na het hierna in onderdeel a respectievelijk b genoemde tijdstip de voorschriften van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid door aan die vergunning het voorschrift te verbinden dat degene die de activiteit verricht financiële zekerheid stelt: a. wet bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a: het tijdstip van inwerkingtreding van de; of b. bij een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b: het tijdstip van het onherroepelijk worden van de vergunning. 2023 298 15-09-2023 12-09-2023 2023 320 02-10-2023 27-09-2023 01-01-2024 Voorheen art. 12.32.
Artikel 13.1 — Artikel 13.1 (inwerkingtreding)#
Artikel 13.1 (inwerkingtreding) Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 11.1.
Artikel 13.2 — Artikel 13.2 (citeertitel)#
Artikel 13.2 (citeertitel) Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit leefomgeving. 2020 400 28-10-2020 16-09-2020 2023 113 07-04-2023 05-04-2023 01-01-2024 Voorheen art. 11.2.
Artikel 1.1#
artikel 1.1
Artikel 10.25#
artikel 10.25
Artikel 3.27#
artikel 3.27
Artikel 5.97#
artikel 5.97
Artikel 12.14#
artikel 12.14
Artikel 5.12#
artikel 5.12, eerste lid
Artikel 5.14#
artikel 5.14, eerste, tweede of vijfde lid
Artikel 12.27b#
12.27b
Artikel 5.135#
artikel 5.135
Artikel 5.12#
artikel 5.12, tweede lid
Artikel 5.14#
artikel 5.14, eerste of tweede lid
Artikel 12.27b#
12.27b
Artikel 3.38#
artikel 3.38
Artikel 3.20#
artikel 3.20
Artikel 3.21#
artikel 3.21
Artikel 3.22#
artikel 3.22
Artikel 5.91#
artikel 5.91
Artikel 3.39#
artikel 3.39
Artikel 5.12#
artikel 5.12, derde lid
Artikel 5.161ba#
artikel 5.161ba
Artikel 8.57a#
artikel 8.57a
Artikel 5.78y#
artikel 5.78y, tweede lid
Artikel 5.78aa#
5.78aa, tweede lid
Artikel 12.13f#
12.13f
Artikel 12.13g#
12.13g
Artikel 5.78y#
artikel 5.78y, tweede lid
Artikel 12.13f#
12.13f
Artikel 12.13g#
12.13g, eerste lid
Artikel 5.6#
artikel 5.6
Artikel 5.89b#
artikel 5.89b
Artikel 5.80#
artikel 5.80
Artikel 5.81#
artikel 5.81
Artikel 3.7#
artikelen 3.7
Artikel 3.8#
3.8
Artikel 11.44#
11.44
Artikel 2.0b#
artikelen 2.0b
Artikel 2.0c#
2.0c
Artikel 11.11#
11.11, eerste lid
Artikel 2.0b#
artikel 2.0b
Artikel 2.0c#
artikelen 2.0c
Artikel 11.11#
11.11, eerste lid
Artikel 2.0h#
artikelen 2.0h
Artikel 2.0i#
2.0i, eerste lid
Artikel 2.0h#
artikel 2.0h
Artikel 2.0i#
artikel 2.0i, eerste lid
Artikel 2.10#
artikelen 2.10, eerste en derde lid
Artikel 4.13#
4.13, tweede lid
Artikel 4.15#
4.15, derde lid
Artikel 2.11#
artikel 2.11
Artikel 2.14#
artikelen 2.14, eerste lid
Artikel 4.17#
4.17, derde lid
Artikel 2.15#
artikel 2.15, eerste lid
Artikel 3.51#
artikel 3.51
Artikel 3.55#
artikelen 3.55
Artikel 5.89j#
5.89j, tweede lid
Artikel 3.67#
artikel 3.67
Artikel 4.12a#
artikel 4.12a
Artikel 5.3#
artikel 5.3, tweede en derde lid
Artikel 5.4#
artikelen 5.4
Artikel 5.8#
5.8, eerste en tweede lid
Artikel 5.9#
5.9, tweede lid
Artikel 5.13#
5.13, eerste, tweede en vierde lid
Artikel 5.14#
5.14, vijfde lid
Artikel 5.16#
5.16, eerste en derde lid
Artikel 8.12#
8.12, eerste lid
Artikel 11.1#
11.1 tot en met 11.5
Artikel 5.23#
artikel 5.23
Artikel 5.28#
artikel 5.28
Artikel 5.32#
artikel 5.32
Artikel 5.39#
artikel 5.39
Artikel 5.41#
artikel 5.41, eerste lid
Artikel 5.76#
artikelen 5.76
Artikel 8.19#
8.19
Artikel 8.42#
8.42
Artikel 5.89i#
artikel 5.89i, eerste lid
Artikel 5.89j#
artikel 5.89j, tweede lid
Artikel 5.129a#
artikel 5.129a
Artikel 5.150#
artikelen 5.150
Artikel 5.155#
5.155, eerste lid
Artikel 7.6#
7.6, tweede lid
Artikel 5.150#
artikelen 5.150, eerste lid
Artikel 7.6#
7.6, tweede lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, tweede lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, tweede lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, derde lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, derde lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, vierde lid
Artikel 5.150#
artikel 5.150, vijfde lid,
Artikel 5.155#
artikel 5.155, eerste lid
Artikel 5.151#
artikel 5.151, eerste lid
Artikel 5.161a#
artikel 5.161a, vijfde lid
Artikel 5.155#
artikel 5.155, eerste lid
Artikel 5.151#
artikel 5.151, eerste lid
Artikel 5.156#
artikel 5.156
Artikel 5.161a#
artikel 5.161a
Artikel 5.161b#
artikel 5.161b
Artikel 7.4#
artikel 7.4, eerste lid
Artikel 8.9#
artikelen 8.9, vierde lid
Artikel 8.10#
8.10
Artikel 8.33#
8.33, tweede lid
Artikel 8.88#
8.88, derde lid
Artikel 8.93#
8.93
Artikel 8.98#
8.98
Artikel 8.62c#
artikelen 8.62c
Artikel 8.62l#
8.62l
Artikel 8.62m#
8.62m
Artikel 8.89#
artikel 8.89, tweede lid