Beleidsregels Algemene wet bestuursrecht Bureau Heffingen 2003
- BWB-id
- BWBR0015976
- Type
- Beleidsregel
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2004-10-23 t/m 2005-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0015976
- ELI
- /eli/nl/beleidsregel/2003/beleidsregels-algemene-wet-bestuursrecht-en-invorderingswet-
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/beleidsregel/2003/beleidsregels-algemene-wet-bestuursrecht-en-invorderingswet-/2004-10-23
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0015976&g=2004-10-23
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0015976&z=2026-06-06&g=2004-10-23
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0015976/2004-10-23
Absolute ELI: /eli/nl/beleidsregel/2003/beleidsregels-algemene-wet-bestuursrecht-en-invorderingswet-
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 Leidraad Invordering 1990 Hoofdstuk IV van de Meststoffenwet Heten dezijn van overeenkomstige toepassing op de heffing en invordering van de heffingen vanwaarvan de heffing en invordering aan het Bureau Heffingen zijn opgedragen. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 Leidraad Invordering 1990 Voor de toepassing van dit besluit wordt in heten deverstaan onder: a. minister: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; b. staatssecretaris: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; c. Belastingdienst: Bureau Heffingen; d. fiscus: Bureau Heffingen; e. Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet regeling:; f. artikel 3 van de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet artikel 26 Invorderingswet 1990 artikel 28, tweede lid, onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 directeur: de directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bedoeld in, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake van de bevoegdheid van de directeur mandaat is verleend door die directeur, en voor de toepassing vande directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, bedoeld in; g. het Infobulletin van de FIOD: de Staatscourant; h. FIOD: AID; i. aanslagbiljet: naheffingsaanslag, tenzij uit de context anders blijkt; j. artikel 1, aanhef, onderdeel j, van de Meststoffenwet bedrijf: bedrijf als bedoeld in; k. belastingaanslag: naheffingsaanslag, tenzij uit de context anders blijkt; l. belastingschuldige: degene op wiens naam het aanslagbiljet (mede) is gesteld; m. hoofdstuk IV van de Meststoffenwet artikel 41, eerste lid, van de Meststoffenwet heffingen: de heffingen, bedoeld in, die van rijkswege door de minister worden geheven op grond van; n. artikel 42 van de Meststoffenwet artikel 3 van de regeling inspecteur: de inspecteur van het Bureau Heffingen, bedoeld inen, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake van de bevoegdheden van de inspecteur mandaat is verleend door de minister of door de inspecteur; o. artikel 42 van de Meststoffenwet artikel 3 van de regeling ontvanger: de ontvanger van het Bureau Heffingen, bedoeld inen; p. ministerie, directoraat-generaal Belastingdienst, team Juridische Zaken: directeur; q. paragraaf 2 Voorschrift Awb 1997: de beleidsregels, bedoeld in, van dit besluit, tenzij uit de context anders blijkt. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 paragraaf 1.7, onderdeel 2, van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 artikel 43, vijfde lid, van de Meststoffenwet artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht Voor de toepassing van dit besluit wordt, in afwijking van, de aangifte voorzover deze als een verzoek om verrekening als bedoeld in, wordt aangemerkt, beschouwd als een aanvraag in de zin van. 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 11-12-2003 01-01-1998
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 paragraaf 2.1 van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 Voor de toepassing van dit besluit wordtals volgt gelezen: Awb Awb Deis van toepassing op besluiten van bestuursorganen. De inspecteur, de ontvanger, de directeur Financieel-economische Zaken van het Ministerie van LNV en de Minister van LNV zijn bestuursorgaan in de zin van de. Organen van de rechterlijke macht en de wetgevende macht zijn geen bestuursorgaan. artikel 3, derde lid, van de Regeling uitvoering heffingen en verrekening Meststoffenwet In(Regeling van 19 december 1997, Stcrt. 247) is de directeur van het Bureau Heffingen aangewezen als inspecteur en ontvanger van het bureau. Omdat de bevoegdheidsuitoefening binnen het Bureau Heffingen veelal plaatsvindt in mandaat, wijst de directeur ambtenaren van het Bureau Heffingen aan die namens hem de bevoegdheid van inspecteur onderscheidenlijk ontvanger uitoefenen. Dit is vastgelegd in mandaatbesluiten. Deze vermelden de ambtenaren die bevoegd zijn namens de inspecteur besluiten te nemen en die bevoegd zijn namens de ontvanger besluiten te nemen. Aan dezelfde ambtenaar wordt geen algemeen mandaat verleend voor de bevoegdheden van zowel de inspecteur als de ontvanger. Wel is het mogelijk dat voor een bepaald geval hierop een uitzondering wordt gemaakt door middel van het verlenen van een bijzonder mandaat. 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 11-12-2003 01-01-1998
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 paragraaf 5.5.5 van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 Bij de toepassing van dit besluit blijft de laatste volzin vanbuiten toepassing. 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 11-12-2003 01-01-1998
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a paragraaf 1, achtste lid, van de Leidraad Invordering 1990 De ontvanger is te allen tijde belast met de leiding van de invordering waaroverhandelt, ook in de fase van de dwanginvordering. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 5b — Artikel 5b#
Artikel 5b hoofdstuk I, artikel 3, paragraaf 2, eerste lid, van de Leidraad Invordering 1990 Het conservatoir beslag en de versnelde invordering waaroverhandelt, worden uitgevoerd door de Belastingdienst vanaf het moment van terhandstelling van het dwangbevel door de ontvanger aan de ontvanger van de Belastingdienst. Voorafgaand aan de dwanginvorderingsfase kunnen handelingen ten behoeve van conservatoir beslag en versnelde invordering plaatsvinden. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 5c — Artikel 5c#
Artikel 5c hoofdstuk I, artikel 5, paragraaf 1, van de Leidraad Invordering 1990 Met betrekking tot de relatieve competentie waaroverhandelt, zijn voor de toepassing van de Invorderingswet in het kader van de heffingen, nadere regels gesteld in de regeling. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 5d — Artikel 5d#
Artikel 5d hoofdstuk IV, artikel 24, paragraaf 1, vierde lid, van de Leidraad Invordering 1990 Verrekening van verschuldigde bedragen waaroverhandelt, vindt niet plaats tussen verschuldigde bedragen aan heffingen en door de inspecteur van het Bureau Heffingen opgelegde bestuurlijke boeten met belastingschulden uit hoofde van de rijksbelastingen. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 5e — Artikel 5e#
Artikel 5e 1 hoofdstuk IV, artikel 25, paragraaf 1, tweede lid, van de Leidraad Invordering 1990 Meststoffenwet Naast de ingenoemde redenen om een verzoek tot uitstel van betaling in te dienen, kunnen ook bezwaren tegen een op grond van dedoor de inspecteur of ontvanger genomen beschikking leiden tot een verzoek tot uitstel van betaling. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. hoofdstuk IV van de Meststoffenwet artikel 29 Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999 Uitstel van betaling vindt uitsluitend plaats voor het bedrag van een aan de belastingschuldige opgelegde belastingaanslag, of een gedeelte daarvan. In de uitvoering van de heffingen, geregeld inkan dit alleen een naheffingsaanslag zijn. Geen uitstel wordt verleend voor verschuldigde heffing die op aangifte moet worden voldaan. Wanneer de belastingschuldige zijn verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger indient binnen veertien dagen na dagtekening van de naheffingsaanslag en het verzoek door de ontvanger wordt gehonoreerd, kan de inspecteur de bij de naheffingsaanslag opgelegde bestuurlijke boete ingeval van verzachtende omstandigheden matigen op grond van. 2 hoofdstuk IV, artikel 25, paragraaf 1, zesde lid, van de Leidraad Invordering 1990 Een verzoek om uitstel van betaling wordt afgewezen op grond van de ingenoemde gronden of ingeval niet tijdig aangifte is gedaan. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998. 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 2003 238 09-12-2003 01-12-2003 TRCJZ/2003/8047 11-12-2003 01-01-1998
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Dit besluit kan worden aangehaald als: Beleidsregels Algemene wet bestuursrecht en Invorderingswet 1990 Bureau Heffingen. 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 2004 203 21-10-2004 08-10-2004 TRCJZ/2004/5428 23-10-2004 01-01-1998