Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 16 december 2010, houdende beleidsregels over de toepassing van artikel 68 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006
- BWB-id
- BWBR0029156
- Type
- Beleidsregel
- Ministerie
- Economische Zaken
- Geldigheid
- 2014-07-01 t/m 2014-12-31
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0029156
- ELI
- /eli/nl/beleidsregel/2011/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/beleidsregel/2011/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006/2014-07-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0029156&g=2014-07-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0029156&z=2026-06-06&g=2014-07-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0029156/2014-07-01
Absolute ELI: /eli/nl/beleidsregel/2011/beleidsregels-regeling-glb-inkomenssteun-2006
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 artikel 68, eerste lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 Verordening (EG) 73/2009 Verordening (EG) nr. 1122/2009 artikelen 3 4 van de Regeling GLB-inkomensteun 2006 De bevoegdheid bedoeld inwordt uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 4 tot en met 6, 23, 24 en 31 van, de artikelen 47 en 70 tot en met 72 van, alsmede deen. 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 bijlage I bijlage II van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 De korting die wordt opgelegd naar aanleiding van een niet-naleving van een randvoorwaarde zoals bedoeld inenbedraagt 3%. 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de norm aan de hand van de omvang, de ernst en het al dan niet permanente karakter besluit de minister dat ten aanzien van de in het tweede lid genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden sprake is van een niet-naleving van gering belang zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009. 2 De in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen van de randvoorwaarden betreffen: a. artikel 2, eerste tot en met derde lid en vijfde lid artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , juncto, voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; b. artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde gedachtestreepje, en derde lid van de Regeling identificatie en registratie van dieren , voor zover het register in geringe mate onvolledig is of voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; c. artikelen 8, eerste lid 12 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , enjuncto artikel 4, eerste tot en met derde lid, van Verordening (EG) 1760/2000, in het geval van het verlies van één oormerk bij maximaal 10% van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; d. artikel 19, eerste tot en met vijfde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) 1760/2000, juncto, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden ten aanzien van maximaal 10% van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; e. artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening 1760/2000, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van runderen goed wordt nageleefd; f. artikel 2, eerste tot en met vierde lid en zesde lid artikel 4 van de regeling identificatie en registratie van dieren , juncto, voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; g. artikel 4 van de Regeling identificatie en registratie van dieren artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) 21/2004 juncto, in het geval van het verlies van één identificatiemiddel bij maximaal 10% van de schapen of geiten tot het absolute aantal van 20 schapen of geiten, en waarbij overigens het geheel van de regels van identificatie en registratie van schapen en geiten goed wordt nageleefd; h. artikelen 38d 38e van de Regeling identificatie en registratie van dieren deen, voor zover het maximaal 3 mutaties betreft of in het geval de houder geen veeteelt bedrijft; i. artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , voor zover het middel niet meer is of de middelen niet meer zijn toegelaten, en er geen vermoeden bestaat dat het middel of de middelen nog worden gebruikt of zijn bedoeld voor gebruik; j. artikel 2.18, tweede lid artikel 6.4 van de Wet dieren artikel 2.1. van het Besluit diervoeders 2012 artikel 13 van de Regeling Diervoeders 2012 , en, in samenhang meten, in samenhang met artikel 5, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) 183/2005 voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; k. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen e juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 8a, 8d en 8van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; l. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; m. Artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, subonderdeel 4°, en onderdeel r, van de Wet dieren artikel 8A.11 van het Besluit diergeneesmiddelen artikel 9A.8 van de Regeling diergeneesmiddelen in samenhang met artikel 4, lid 1 van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder III, onder 8b van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang meten in samenhang met, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden; n. artikel 7 van het Kalverenbesluit , voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een gering aantal kalveren en bij onmiddellijk herstel; o. artikel 9, tweede en derde lid, van het Varkensbesluit , voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt en dit onmiddellijk wordt hersteld; p. artikel 10, eerste lid, van het Varkensbesluit , voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht dat onmiddellijk wordt hersteld, en q. artikel 6, eerste lid, van het Besluit welzijn productiedieren , voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden en de niet-naleving onmiddellijk wordt hersteld. 3 artikel 2 De minister besluit in afwijking vangeen korting op te leggen indien de niet-naleving van gering belang, zoals bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk of binnen de door de controleambtenaar aan de landbouwer mede te delen termijn aantoonbaar is hersteld. 2013 34926 13-12-2013 12-12-2013 WJZ/13183960 2013 34926 13-12-2013 12-12-2013 WJZ/13183960 01-01-2014
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 Voor de toepassing van artikel 70, zesde lid, en artikel 71, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 wordt de goede landbouw- en milieuconditie naast gezondheid, milieu en dierenwelzijn beschouwd als terrein van de randvoorwaarden. 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 Een niet-naleving is opzettelijk begaan indien de landbouwer de desbetreffende niet-naleving heeft beoogd of indien de landbouwer het risico heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. 2 Opzet wordt beoordeeld aan de hand van in ieder geval één of meer van de volgende criteria: a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd; b. de mate van complexiteit van de randvoorwaarde; c. de aanwezigheid van langdurig bestendig beleid; d. de niet-naleving veronderstelt een actieve handeling dan wel het bewust nalaten van een handeling; e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de randvoorwaarde, en f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd. 3 In het geval waarin een niet-naleving door een derde is begaan op de landbouwgrond of in het kader van het bedrijf van een landbouwer wordt desbetreffende niet-naleving aan de landbouwer toegerekend als een opzettelijke niet-naleving indien de landbouwer blijkens: heeft beoogd of het risico heeft aanvaard dat de niet-naleving zou plaatsvinden. a. de keuze voor de derde, b. het door de landbouwer op de derde uitgeoefende toezicht, of c. de door de landbouwer aan de derde gegeven instructies 2014 18138 30-06-2014 25-06-2014 WJZ/14100314 2014 18138 30-06-2014 25-06-2014 WJZ/14100314 01-07-2014
Artikel 5a — Artikel 5a#
Artikel 5a artikel 21a, vierde lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 Ingevolge, wordt een perceel landbouwgrond niet voor de uitvoering van de landbouw gebruikt of beschikbaar gehouden indien: a. het perceel een recreatieve functie kent, blijkend uit het feit dat het perceel wordt betreden of gebruikt ten behoeve van vrijetijdsbesteding, zoals: 1. parken; 2. speelweides; 3. sportvelden, zoals voetbalvelden of golfbanen; 4. onverharde landingsbanen voor luchtsport en luchtvaarthobby’s; 5. kampeerterreinen; 6. moestuinen; 7. siertuinen, zoals bloemen- en kruidentuinen; 8. gazons; 9. erven, inclusief opslagplaatsen, smalle stroken langs gebouwen of kassen; 10. springweides; 11. paardenbakken; 12. dressuurplaatsen; 13. uitloopbakken; 14. geitenweides; 15. kinderboerderijen; b. het perceel hoofdzakelijk een verkeerskundige of infrastructurele functie kent, zoals: 1. bermen langs geasfalteerde of verharde doorgaande wegen; 2. bermen langs parkeerterreinen of toegangspaden; 3. onverharde, maar permanente paden; 4. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer; c. het perceel een bovenste bodemlaag heeft die vanwege in Nederland gebruikelijke natuurlijke omstandigheden zoals getijde, neerslag, of grondwaterstand, onbruikbaar zijn voor de landbouw zoals: 1. slikken; 2. schorren en kwelders, tenzij deze beteelbaar of beweidbaar zijn in de aaneengesloten periode tussen 31 mei en 31 augustus. 2011 20817 18-11-2011 10-11-2011 236671 2011 20817 18-11-2011 10-11-2011 236671 01-01-2012
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 1 De Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB worden ingetrokken. 2 In afwijking van het eerste lid blijven de beleidsregels, bedoeld in het eerste lid, van toepassing op niet-nalevingen die voor 1 januari 2011 zijn geconstateerd. 3 De verwijzingen in de Beleidsregels verlagen subsidie POP2 naar de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB of naar de bijlage bij de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden worden gelezen als verwijzing naar onderhavige beleidsregels. 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 april 2011. 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006. 2011 3426 08-03-2011 02-03-2011 181257 2011 3426 08-03-2011 02-03-2011 181257 01-04-2011 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 2010 20450 21-12-2010 16-12-2010 01-04-2011