Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de voorzitter van de commissie van deskundigen van 14 oktober 2013, nr. ILT-2013/39422 betreffende een nadere invulling van de technische eisen die gelden in het kader van de afgifte van certificaten van onderzoek voor binnenvaartschepen op grond van de Binnenvaartwet (Beleidsregel Binnenvaart 2013)
- BWB-id
- BWBR0034079
- Type
- Beleidsregel
- Ministerie
- Infrastructuur en Milieu
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2018-02-02
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0034079
- ELI
- /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-binnenvaart-2013
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-binnenvaart-2013/2018-02-02
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0034079&g=2018-02-02
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0034079&z=2026-06-06&g=2018-02-02
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0034079/2018-02-02
Absolute ELI: /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-binnenvaart-2013
Artikel 1.1 — Artikel 1.1#
Artikel 1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: ADN: bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen de inopgenomen voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, zijnde de Nederlandse vertaling van het ADN en de daarvan deel uitmakende bijlagen; richtlijn 2006/87/EG: richtlijn nr. 2006/87/EG richtlijn nr. 82/714/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006, tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking vanvan de Raad van de Europese Unie (PbEU L 389); RosR 1995: Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 bij resolutie van 18 mei 1994 (protocol 1994-I-23) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 1.2 — Artikel 1.2#
Artikel 1.2 ADN richtlijn 2006/87/EG RosR 1995 In afwijking van de in deze beleidsregel worden binnen de grenzen van het, deen hetandere voorzieningen aanvaard indien ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt aangetoond dat deze een gelijkwaardig niveau van veiligheid garanderen. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 2.1 — Artikel 2.1#
Artikel 2.1 Een aanvraag om het vermogen van de voortstuwingsinstallatie van een binnenvaartschip tot een lagere waarde dan het nominale vermogen terug te stellen, wordt ingewilligd onder de volgende voorwaarden: a. de afstelling van het vermogen geschiedt door de fabrikant of diens officiële vertegenwoordiger in Nederland; b. de reductie van het vermogen bedraagt niet meer dan 25% van het nominale vermogen; c. de afstelling is verzegeld door degene die de motor of motoren heeft afgesteld; d. op elke motor wordt duurzaam door middel van het motorplaatje aangegeven op welk vermogen en toerental de motor is afgesteld; e. RosR 1995, Bijlage J Richtlijn 2006/87/EG de afstelling wordt vermeld in het proces-verbaal van de motorkenmerken (de inbouwverklaring) als bedoeld in het, Deel VIII en in aanhangsel V van bijlage II van; f. artikel 14 van de Binnenvaartwet degene die de motor of motoren heeft afgesteld maakt een verklaring op waaruit blijkt dat op het betreffende, met name te noemen schip, de motorinstallatie is afgesteld, met vermelding van het afgestelde vermogen en toerental en tevens de vermelding dat de afstelling in de inbouwverklaring is opgenomen. Deze verklaring wordt overgelegd aan de certificerende instantie die ingevolgeis belast met het onderzoek en aan de ILT, directie Scheepvaart; en g. de afstelling wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en in de meetbrief. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 3.1 — Artikel 3.1#
Artikel 3.1 artikelen 3.04, derde lid, van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG Voor de toepassing van deen 3.04, derde lid, van bijlage II van de EU-worden kunststof afvoerleidingen van sanitaire systemen die door dekken van machinekamers voeren, beschouwd te zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal indien voldaan wordt aan de volgende eisen: a. indien de machinekamer niet is voorzien van een vaste brandblusinstallatie met blusgas: 1° de doorvoering door het dek bestaat uit een stalen sok; en 2° het waterslot, als zich dat onder het dek bevindt, aansluitend aan de stalen doorvoering eveneens van staal is. Aan de aansluitende leidingen, zowel boven als onder het dek, worden geen materiaaleisen gesteld. Deze mogen van kunststof vervaardigd zijn. Indien het waterslot zich boven het dek bevindt, worden er aan de aansluitende leidingen boven het dek, geen materiaaleisen gesteld en mogen deze van kunststof zijn vervaardigd; b. indien de machinekamer voorzien is van een vaste brandblusinstallatie met blusgas: 1° de doorvoering door het dek bestaat uit een stalen sok; en 2° het waterslot, als zich dat onder het dek bevindt, aansluitend aan de stalen doorvoering eveneens van staal is. Aan de aansluitende leidingen, boven het dek worden geen materiaaleisen gesteld. Deze mogen van kunststof vervaardigd zijn. Indien het waterslot zich boven het dek bevindt, worden er aan de aansluitende leidingen boven het dek, geen materiaaleisen gesteld en mogen deze van kunststof zijn vervaardigd; en 3° de aansluitende leidingen in de machinekamer van staal of een ander met betrekking tot onbrandbaarheid gelijkwaardig materiaal vervaardigd zijn. Indien de aansluitende leidingen in de machinekamer van een ander materiaal zijn, zoals kunststof, is de machinekamer voorzien van een doelmatige automatisch werkende brandmeldinstallatie. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 3.2 — Artikel 3.2#
Artikel 3.2 Artikel 3.1 is van overeenkomstige toepassing indien een doorvoering door een wand gaat. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 3.3 — Artikel 3.3#
Artikel 3.3 artikelen 3.1 3.2 Indien bestaande situaties, die reeds vóór 1 januari 2001 door deminister dan wel door de commissie van deskundigen zijn aanvaard, niet voldoen aan deen, kan worden aanvaard dat de betreffende leidingen worden geïsoleerd met brandisolatie van voldoende dikte, bijvoorbeeld steenwol met een dikte van ten minste 10 cm. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.1 — Artikel 4.1#
Artikel 4.1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: frame: de omlijsting van een venster; geladen lastlijn: richtlijn 2006/87/EG artikel 1.1 van het RosR 1995 de diepgangslijn overeenkomend met het vlak van de grootste inzinking, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van bijlage II van de, dan wel; glas: voorgespannen glas dat voldoet aan de specificaties in de norm NEN-ISO 21005:2004; lichtranden: met glas afgesloten openingen in de scheepshuid of de buitenwand die niet geopend kunnen worden en die voldoen aan de norm NEN-ISO 1751; patrijspoorten: met glas afgesloten openingen in de scheepshuid of de buitenwand die geopend kunnen worden en die voldoen aan de norm NEN-ISO 1751; ramen: met glas afgesloten rechthoekige openingen in de scheepshuid of de buitenwand; vensters: ramen, lichtranden en patrijspoorten. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.2 — Artikel 4.2#
Artikel 4.2 artikelen 3.02 van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG Voor de toepassing van deen 3.02 van bijlage II van de EU-worden Vensters in de scheepshuid en in de buitenwand van binnenvaartschepen geacht voldoende sterk te zijn indien wordt voldaan aan de in deze paragraaf gestelde eisen. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.3 — Artikel 4.3#
Artikel 4.3 1 De positie van vensters wordt bepaald naar de plaats in hoogte in de scheepshuid dan wel in de buitenwand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: Positie 1: Voor zone 2: vensters waarvan de onderkant van het glas binnen 0,60 m van de geladen lastlijn ligt; Voor zone 3 en 4: vensters waarvan de onderkant van het glas binnen 0,30 m van de geladen lastlijn ligt; Positie 2: Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 1, doch niet meer dan 0,60 m daarboven ligt; Positie 3: Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 2, doch niet meer dan 1,30 m daarboven ligt; Positie 4: Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 3 ligt. 2 Voor vensters van open rondvaartboten en van rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, bestemd voor de vaart op zone 4, is geen indeling naar positie bepaald. Ook worden voor deze schepen geen eisen gesteld aan de constructie van de frames. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.4 — Artikel 4.4#
Artikel 4.4 1 Voor de constructie van vensters gelden de volgende eisen: a. in positie 1: 1°. de vensters kunnen niet geopend worden; 2°. de constructie van de frames van ramen voldoet aan de norm NEN-ISO 3903 Type E zware uitvoering. De nominale grootte bedraagt niet meer dan 1100x800 mm dan wel 800x1100 mm; en 3°. de constructie van de frames van lichtranden voldoet aan de norm NEN-ISO 1751 Type B half-zware uitvoering. b. in positie 2: 1°. de vensters kunnen geopend worden maar zijn volledig waterdicht afsluitbaar; 2°. de constructie van de frames van ramen voldoet aan de norm NEN-ISO 3903 Type F lichte uitvoering. De nominale grootte bedraagt niet meer dan 1100x800 mm dan wel 800x1100 mm; en 3°. de constructie van de frames van lichtranden en patrijspoorten voldoet aan de norm NEN-ISO 1751 Type C lichte uitvoering; c. in positie 3: 1° de vensters kunnen geopend worden; en 2° de constructie van de frames is voldoende sterk. Ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt dat aangetoond; d. in positie 4: 1° de vensters kunnen geopend worden; en 2° 2 er zijn geen eisen van kracht met betrekking tot de constructie van de frames. Indien op een hoogte van 1 m boven het dek een valbescherming aanwezig is en tevens de oppervlakte van het venster niet meer dan 1 mbedraagt, is toegestaan dat vensters in een rubberprofiel gevat zijn. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.5 — Artikel 4.5#
Artikel 4.5 1 De minimum glasdikte wordt bepaald volgens de formule uit de NEN-ISO norm 3903 Annex B: Hierin geldt: t: de glasdikte in millimeters; a: de kleinste maat van het venster in mm; β: de factor als gevolg van de verhouding tussen de grootste en de kleinste maat van het venster; P: de druk op het venster in kPa. De waarde van β wordt bepaald uit de grafiek in de NEN-ISO norm 3903 Annex B. Deze waarde kan ook berekend worden met de volgende formule: 3 2 β = 0.0179 * x– 0.2091 * x+ 0.817 *x – 0.3378 – met als maximum 0,75 Hierin is x de grootste glasmaat b gedeeld door de kleinste glasmaat a. 2 P wordt als volgt bepaald: 1 1 P = Px f 1 Voor vensters in positie 1 geldt: P= 60 – (10 * h/V) 1 Voor vensters in positie 2, 3 en 4 geldt: P= (50 – 42 * (h – V) met een minimum van 1 kPa. In deze formules is: V: 0,60 m voor zone 2 en 0,30 m voor zone 3 en 4; h: de hoogte van de onderkant van het venster boven de geladen lastlijn in meters; 1 f: correctiefactor voor de zone. 1 De correctiefactor fvoor de zone bedraagt: 1 Voor zone 2: f= 1; 1 Voor zone 3: f= 0,64; 1 Voor zone 4: f= 0,25. 3 Voor lichtranden en patrijspoorten wordt de glasdikte bepaald volgens de formule: 1 t = 0,87 x t(mm). Hierin is: 1 t: basisdikte in mm. Deze wordt overeenkomstig het eerste lid bepaald. 4 De berekende minimum glasdikte mag in alle gevallen met ten hoogste 0,5 mm naar beneden worden afgerond in verband met genormaliseerde standaard glasdikten. 5 De glasdikte van ramen bedraagt in alle gevallen ten minste 8 mm voor ramen in de positie 1 en ten minste 5 mm voor ramen in de positie 2, 3 en 4. 6 Gelamineerd voorgespannen glas mag in alle gevallen worden toegepast, waarbij de equivalente dikte wordt bepaald volgens de formule: Hierin betekent: ti: de dikte van elke afzonderlijke glaslaag (mm); t: de equivalente glasdikte volgens dit artikel. 7 Voor binnenvaartschepen, waarbij de vensters in de opbouw geplaatst zijn en het gangboord is uitgevoerd met een dichte verschansing aan de buitenzijde, wordt voor deze vensters de maat h vervangen door de maat: 1 h= h + 0,2 b + 0,2 q. Hierin is: b: de hoogte van de dichte verschansing in meters; q: de breedte van het gangboord in m, horizontaal gemeten vanaf de buitenkant van het schip tot aan de opbouw. Indien de maat b minder bedraagt dan 0,15 m en de maat q minder bedraagt dan 0,40 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h1. 8 2 Voor binnenvaartschepen waarbij vensters in een (schuif-)pui in de achterwand van de opbouw geplaatst zijn, wordt voor deze vensters de maat h vervangen door de maat h= h + 0,5c. Hierin is: 2. c: de kortste afstand van de zijkant van het venster tot aan de buitenhuid, horizontaal dwarsscheeps gemeten in m. Indien de maat c minder bedraagt dan 0,40 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h 9 Wanneer een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype is voorzien van een berghout en een overstekend gangboord wordt de factor h, als bedoeld in het derde lid, vervangen door de factor: 3 h= h + 0,2 p + 0,2 q. Hierin is: p: de horizontale oversteek van het berghout in m, aan de onderzijde gemeten; 3 q: de breedte van het gangboord in m, horizontaal gemeten vanaf de buitenkant van het berghout tot de onderkant van de opbouw. Indien de maat p minder bedraagt dan 0,10 m of de maat q minder bedraagt dan 0,30 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h. 10 De glasdikte van ramen in open rondvaartboten en in rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, bestemd voor de vaart op zone 4, bedraagt ten minste 5 mm. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.6 — Artikel 4.6#
Artikel 4.6 1 Indien een raam in de positie 3 en 4 door middel van stijlen in afzonderlijke delen is verdeeld, bijvoorbeeld bij toepassing van schuif- of klapramen, wordt bij de bepaling van de glasdikte rekening gehouden met de afmetingen van de afzonderlijke delen indien de frames zo sterk zijn dat de afzonderlijke delen als afzonderlijk raam kunnen worden beschouwd. 2 artikel 4.5 Bij toepassing van vensters met dubbel glas, waarbij de glasschijven worden gescheiden door een spouw, wordt de glasdikte van de buitenste glasschijf bepaald volgens. De dikte van de binnenste glasschijf bedraagt ten minste 4 mm. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 4.7 — Artikel 4.7#
Artikel 4.7 1 artikelen 4.1 tot en met 4.6 Dezijn niet van toepassing op schepen die op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in het bezit zijn van een geldig certificaat van onderzoek. 2 artikelen 4.1 tot en met 4.6 Bij verbouwing van een in het eerste lid bedoeld schip, zijn devan toepassing op de te verbouwen gedeelten. 3 artikelen 4.1 tot en met 4.6 Indien voor een dergelijk schip uitbreiding van het toegestane vaargebied wordt aangevraagd, zijn devan toepassing. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 5.1 — Artikel 5.1#
Artikel 5.1 artikel 7.02, derde lid, van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG Bij de toepassing van, en artikel 7.02, derde lid, van bijlage II van dewordt onderstaande invulling gegeven aan bevoegdheid van de Commissie van Deskundigen: 1. indien vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt, over een boog van 40 graden van recht achteruit naar stuurboord en over een boog van 40 graden van recht achteruit naar bakboord geen direct vrij gezichtsveld van ten minste 25 graden aan elke zijde aanwezig is, zijn aanvullende maatregelen nodig in de vorm van optische of elektronische hulpmiddelen. 2. Door toepassing van deze hulpmiddelen wordt bereikt dat er vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt zicht is over een boog van ten minste 25 graden van recht achteruit naar bakboord en over een boog van ten minste 25 graden van recht achteruit naar stuurboord. 3. Optische of elektronische hulpmiddelen: a. geven een beeld van voldoende grootte en kwaliteit, vrij van vervorming; b. zijn trillingsvrij opgesteld; en c. functioneren onder alle weersomstandigheden. 2018 6065 01-02-2018 2018 6065 01-02-2018 02-02-2018
Artikel 6.1 — Artikel 6.1#
Artikel 6.1 ADN hoofdstuk 1.16 van het ADN Voor certificaten die zijn afgegeven op grond van hetgelden de procedure en de termijnen zoals opgenomen in. Eerste certificering certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb) artikelen 3.11 van de Binnenvaartregeling 2.06 van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG Bij het vaststellen van de geldigheidsduur van de certificaten op grond van de,, en 2.06 van Bijlage II bij dehanteert de certificerende instantie voor nieuwbouwschepen het wettelijk maximum, waarbij de datum van de proefvaart geldt als peildatum. Verlenging van certificaat van onderzoek (cvo) of communautair binnenvaartcertificaat (cbb) Bij verlenging of vernieuwing van het certificaat wordt de geldigheidsduur volgens de onderstaande tabel bepaald. voetnoten bij de tabel 1 ) Zowel zeilende als werktuigelijk voortgedreven passagiersschepen. 2 artikel 1.16.11 van het ADN ) Indien een tankschip gebruik maakt van de mogelijkheid om krachtensde geldigheidsduur met één jaar te laten verlengen, kan ook het CVO/CBB met één jaar worden verlengd. Zo’n verlenging kan slechts eenmaal in twee geldigheidsperioden worden toegekend. Het droogstaande onderzoek en het veiligheidsonderzoek vinden plaats in het jaar voorafgaand aan de vervaldatum van het certificaat. De geldigheidsduur van het nieuwe certificaat wordt dan gerekend vanaf de vervaldatum van het vorige certificaat. Een droogstaand onderzoek dat maximaal twee jaar voorafgaand aan de vervaldatum heeft plaatsgevonden kan worden geaccepteerd. In dat geval wordt de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat gerekend vanaf de datum van de droogzetting. De nieuwe ingangsdatum van het certificaat ligt altijd eerder dan of direct aansluitend aan de afloopdatum van het laatste geldige certificaat. De certificerende instantie kan op basis van het onderzoek besluiten een kortere geldigheidsduur toe te passen dan hierboven aangegeven. Toepassing overgangsbepalingen Hoofdstuk 24 Richtlijn 2006/87/EG Om aanspraak te kunnen maken op overgangsbepalingen volgensen 24 a van het ROSR 1995 en bijlage II van de, moet het schip voorzien zijn van een geldig certificaat. Gedurende een overgangsperiode tot 1 februari 2020 kan nog aanspraak op overgangsbepalingen worden gemaakt indien het schip beschikt over een certificaat dat op het moment van de aanvraag voor hercertificering niet langer dan één certificaatsperiode is verlopen. De geldigheidsduur van het certificaat wordt daarbij bepaald als bij verlenging, ingaand vanaf de droogzetting. type schip geldigheidsduur cvo en cbb 1 Passagiersschip) art 2.06, lid 2 5 jr () Tankschip voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 2 5 jr (+1)) Overige schepen art 2.06, lid 2 7 jr () 2018 6065 01-02-2018 2018 6065 01-02-2018 02-02-2018
Artikel 6.2 — Artikel 6.2#
Artikel 6.2 artikel 44 van Bijlage 3.8 van de Binnenvaartregeling Voor de toepassing vanhanteert de certificerende instantie voor een bunkerstation een tijdspanne tussen twee droogstaande keuringen van maximaal tien jaar. Tussentijdse inspecties kunnen plaatsvinden terwijl het schip in het water ligt. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 7.1 — Artikel 7.1#
Artikel 7.1 artikelen 3.03, vijfde lid, van het RoSR 1995 richtlijn 2006/87/EG Voor de toepassing van deen 3.03, vijfde lid, van Bijlage II vanstaat de certificerende instantie de volgende doorvoeringen door de schotten toe: a. elektrische kabels, indien de doorvoering door het schot deugdelijk is uitgevoerd; b. doorvoeringen van systemen die in de achterliggende ruimte een volledig gesloten systeem vormen, zoals bijvoorbeeld AC units; c. een lensleiding, mits het ongeacht de stand van de afsluiters, niet mogelijk is dat er via deze leiding water vanuit de voorpiek in ruimte achter het schot stroomt. Zo nodig worden hiervoor terugslagkleppen aangebracht; d. uitlaten en luchttoevoerleidingen die tenminste 50 cm boven de maximale ontwerpdiepgang liggen of, als ze minder dan 50 cm boven deze lijn liggen: 1°. dikwandig zijn uitgevoerd; 2°. zo hoog mogelijk door het schot gaan; 3°. zoveel mogelijk midscheeps maar in ieder geval 1/5 B uit de huid liggen; 4°. zo dicht mogelijk tegen het schot aan liggen; en 5°. nooit verder naar voren uitkomen dan 3% van de lengte vanuit de VLL gemeten. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 8.1 — Artikel 8.1#
Artikel 8.1 artikelen 3.04, derde lid, van het RoSR 1995 richtlijn 2006/87/EG Voor de toepassing van deen 3.04, derde lid, van Bijlage II bijwordt onder gelijkwaardig onbrandbaar materiaal verstaan: aluminium, geïsoleerd als bij brandklasse A30. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 9.1 — Artikel 9.1#
Artikel 9.1 artikelen 7.03 7.04, van het RoSR 1995 Richtlijn 2006/87/EG Indien een schip is voorzien van brugvleugelbediening worden de eisen van deenen 7.03 en 7.04 van Bijlage II bijtoegepast met inachtneming van het volgende. 1. Inschakelen brugvleugelbediening a. Nadat in het stuurhuis een schakelaar omgezet is, kan men op de betreffende brugvleugel de besturing overnemen. b. De bediening vanuit het centrale stuurhuis moet echter in alle gevallen zonder handelingen op de brugvleugel teruggenomen kunnen worden. c. Het moet zichtbaar zijn welke bediening in bedrijf is. d. De besturing van het schip is maar op één plaats tegelijk mogelijk. 2. Stuurinrichting a. De roeren of roerpropellers moeten vanaf de brugvleugel volledig bediend kunnen worden. Wegafhankelijke bediening heeft de voorkeur. b. Indien er een noodbediening noodzakelijk is dan moet deze ook op de brugvleugel aanwezig zijn. c. De stand van de roeren of roerpropellers moet op de brugvleugel zichtbaar zijn. d. Indien het stuurhuis in de onmiddellijke omgeving van de brugvleugelbediening en in alle gevallen goed bereikbaar is, kan volstaan worden met een verzamelalarm voor storingen aan de stuurinrichtingen. De alarmering kan echter niet gecombineerd worden met alarmering voor de boegschroeven en de hoofdmotoren. 3. Bediening van de boegschroeven a. Indien een boegschroef verplicht is op grond van de afmetingen of manoeuvreereigenschappen van het schip moet deze ook vanaf de brugvleugel bediend kunnen worden. b. Indien de boegschroef vanaf de brugvleugel bediend kan worden gelden de volgende voorwaarden: 1°. de installatie moet vanaf de brugvleugel gestart en gestopt kunnen worden; 2°. toerental en richting van de boegschroef moeten vanaf de brugvleugel bediend kunnen worden; 3°. toerental en richting van de boegschroef moeten op de brugvleugel zichtbaar zijn; en 4°. indien het stuurhuis zich in de onmiddellijke omgeving van de brugvleugelbediening bevindt en in alle gevallen goed bereikbaar is, kan volstaan worden met een verzamelalarm voor storingen aan de boegschroef. De alarmering kan echter niet gecombineerd worden met alarmering voor de stuurinrichting en de hoofdmotoren. 4. Bediening van de hoofdmotoren a. Voorruit, achteruit en toerental moeten vanaf de brugvleugel geregeld kunnen worden. b. Het toerental moet op de brugvleugel zichtbaar zijn. c. Indien op de brugvleugel uit de stand van het bedieningshandel opgemaakt kan worden wat de draairichting van de schroeven is, behoeft dit niet apart gesignaleerd te worden. d. Indien het stuurhuis in de onmiddellijke omgeving van de brugvleugelbediening en in alle gevallen goed bereikbaar is, kan volstaan worden met een verzamelalarm voor storingen aan de hoofdmotoren en de keerkoppeling. De alarmering kan echter niet gecombineerd worden met alarmering voor de stuurinrichting en de boegschroeven. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 10.1 — Artikel 10.1#
Artikel 10.1 artikelen 10.02, tweede lid, onderdeel f, van het RosR 199 richtlijn 2006/87/EG Een geschikte verbandtrommel, zoals bedoeld in de5 en 10.02, tweede lid, onderdeel f, van Bijlage II van, is de Bedrijfsverbanddoos BHV zoals ontwikkeld door het Oranje Kruis. Deze verbandtrommel is herkenbaar aan het opschrift ‘Goedgekeurd door:’, het logo van ‘Het Oranje Kruis’ en een leveranciersspecifiek goedkeuringsnummer. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 11.1 — Artikel 11.1#
Artikel 11.1 artikelen 11.01, eerste en tweede lid, van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG Voor de toepassing van deen 11.01, eerste en tweede lid, van Bijlage II vangeldt ten aanzien van de stuurhuthefkolom het volgende. a. Geen toegang tijdens de vaart Op de deur van de stuurhuthefkolom is een bord aangebracht met de tekst: ‘’. b. Door middel van optische en akoestische afstandsbewaking kan in het stuurhuis worden vastgesteld of de deur naar de stuurhuthefkolom geopend is. Indien de bediening van de hefinrichting gekoppeld is aan deze afstandbewaking moet de noodzakinrichting echter te allen tijde blijven functioneren. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 12.1 — Artikel 12.1#
Artikel 12.1 artikelen 15.11, dertiende lid, onderdeel b, van het RosR 1995 richtlijn 2006/87/EG De uitzondering bedoeld in deen 15.11, dertiende lid, onderdeel b, van Bijlage II bijis niet toegestaan. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 13.1 — Artikel 13.1#
Artikel 13.1 Beleidsregel binnenvaart Devan 13 september 2011 wordt ingetrokken. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 13.2 — Artikel 13.2#
Artikel 13.2 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013
Artikel 13.3 — Artikel 13.3#
Artikel 13.3 Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel binnenvaart 2013. 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 2013 29915 28-10-2013 14-10-2013 ILT-2013/39422 29-10-2013