Beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2012, Directie Kinderopvang, nr. KO/ 2012/16947, houdende werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen (Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013)
- BWB-id
- BWBR0032415
- Type
- Beleidsregel
- Ministerie
- Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Geldigheid
- Geldend vanaf 2022-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0032415
- ELI
- /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-werkwijze-toezichthouder-kinderopvang
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-werkwijze-toezichthouder-kinderopvang/2022-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0032415&g=2022-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0032415&z=2026-06-06&g=2022-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0032415/2022-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/beleidsregel/2013/beleidsregel-werkwijze-toezichthouder-kinderopvang
Artikel 1 — Artikel 1 Definities#
Artikel 1 Definities In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. wet: Wet kinderopvang ; b. toezichthouder: artikel 1. 61 van de wet toezichthouder, bedoeld in; c. inspectierapport: artikel 1.63 van de wet inspectierapport, bedoeld in; d. risicomodel: het door GGD GHOR Nederland ontwikkelde risicomodel voor toezicht; e. risicoprofiel: inschatting van de mate waarin: 1° in het kindercentrum op verantwoorde wijze kinderopvang geboden wordt en blijft worden; 2° door tussenkomst van het gastouderbureau op verantwoorde wijze gastouderopvang geboden wordt en blijft worden; f. vestiging: artikel 1, onder j, van de Handelsregisterwet 2007 een vestiging als bedoeld in, van een gastouderbureau of waar buitenschoolse opvang of dagopvang plaatsvindt. 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 01-01-2022
Artikel 2 — Artikel 2 Onderzoek voor registratie#
Artikel 2 Onderzoek voor registratie 1 artikel 1.62, eerste lid, van de wet De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inin verband met het kindercentrum of het gastouderbureau bestaan in ieder geval uit: a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gegevens en bescheiden betreffende dat kindercentrum of dat gastouderbureau; of b. een locatiebezoek. 2 artikel 1.62, eerste lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° artikel 1.45, eerste lid, van de wet degene, bedoeld in; 2° het college. 3 artikel 1.62, eerste lid, van de wet artikelen 1.45 tot en met 1.59 van de wet De toezichthouder kan bij het onderzoek, bedoeld in, alle relevante feiten betrekken, waaronder het niveau van naleving van de bij of krachtens degestelde regels bij andere vestigingen die de houder met zijn onderneming exploiteert. 4 artikel 7, derde of vierde lid, van het Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang Dit artikel is niet van toepassing op een wijziging van de houder of het adres van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 3 — Artikel 3 Onderzoek na registratie#
Artikel 3 Onderzoek na registratie 1 artikel 1.62, tweede lid, van de wet Binnen drie kalendermaanden na registratie in het landelijk register kinderopvang voert de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inin ieder geval de volgende werkzaamheden uit bij het kindercentrum of het gastouderbureau: a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gegevens en bescheiden; of b. een locatiebezoek. 2 artikel 1.62, tweede lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° de houder; 2° een of meer van de bij de houder werkzame personen dan wel een of meer gastouders die door tussenkomst van het gastouderbureau gastouderopvang bieden; 3° een of meer leden van de oudercommissie; of 4° het college. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 4 — Artikel 4 Vervolgonderzoek na registratie#
Artikel 4 Vervolgonderzoek na registratie 1 artikel 3, eerste lid artikel 1.62, tweede lid, van de wet Het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het inspectierapport naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in, is vastgesteld, voert de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inin ieder geval de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, uit bij het kindercentrum of het gastouderbureau. 2 artikel 1.62, tweede lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° de houder; 2° een of meer van de bij de houder werkzame personen dan wel een of meer gastouders die door tussenkomst van het gastouderbureau gastouderopvang bieden; 3° een of meer leden van de oudercommissie; 4° de klachtenfunctionaris en de vertrouwensfunctionaris voor zover een kindercentrum of een gastouderbureau hierover beschikt; of 5° het college. 3 artikel 3, eerste lid De toezichthouder stelt op basis van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, het risicoprofiel van het kindercentrum of het gastouderbureau op. Hierbij worden ook de resultaten van het onderzoek, bedoeld in, betrokken. 4 Op basis van het risicomodel adviseert de toezichthouder het college over de inspectieactiviteiten bij het kindercentrum of het gastouderbureau. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 4a — Artikel 4a Jaarlijks onderzoek#
Artikel 4a Jaarlijks onderzoek 1 artikel 1.62, tweede lid, van de wet artikel 3, eerste lid De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbij het kindercentrum of het gastouderbureau ten behoeve waarvan een risicoprofiel is opgemaakt, bestaan uit de werkzaamheden, bedoeld in, met dien verstande dat voor het onderzoek eenzelfde aantal uren beschikbaar is als het aantal uren dat op grond van het risicomodel beschikbaar is voor een kindercentrum of gastouderbureau met dat risicoprofiel. 2 artikel 1.62, tweede lid, van de wet artikel 4, tweede lid, onder 1° tot en met 5° Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met degenen als bedoeld in. 3 Tijdens het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, bij het kindercentrum worden in ieder geval de volgende onderwerpen beoordeeld: a. de pedagogische praktijk; b. de beroepskracht-kindratio; c. de groepsgrootte; d. de beroepskwalificaties; e. de verklaringen omtrent het gedrag; f. onderwerpen die door leden van de oudercommissie zijn aangedragen en betrekking hebben op de wettelijke kwaliteitseisen voor kinderopvang; en g. de voorschoolse educatie, voor zover daar sprake van is. 4 Tijdens het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, bij het gastouderbureau worden in ieder geval de volgende onderwerpen beoordeeld: a. de bemiddelingsactiviteiten; b. artikel 1.56, eerste lid artikel 1.56b, eerste lid, van de wet het beleid inzake het door de gastouder te voeren pedagogisch beleid, bedoeld in, in verbinding met; c. begeleiding en evaluatie van de voorzieningen voor gastouderopvang; d. de administratie van het gastouderbureau; e. de risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid; f. de verklaringen omtrent het gedrag; en g. onderwerpen die door leden van de oudercommissie zijn aangedragen en betrekking hebben op de wettelijke kwaliteitseisen voor gastouderopvang. 5 De toezichthouder actualiseert het risicoprofiel van het kindercentrum of het gastouderbureau naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 6 In afwijking van het derde en vierde lid kan de toezichthouder in overleg met het college schriftelijk en gemotiveerd vaststellen welke onderwerpen tijdens het jaarlijkse onderzoek worden beoordeeld, waaronder in elk geval: a. de verklaringen omtrent het gedrag; b. de registratie in het personenregister kinderopvang; c. pedagogische kwaliteit; en d. de voorschoolse educatie, voor zover daar sprake van is. 7 In het overleg, bedoeld in het zesde lid, wordt aandacht besteed aan de volgende thema’s: a. ontwikkeling en kwaliteit; b. veiligheid; c. gezondheid; d. stabiliteit; e. professionaliteit. 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 01-01-2022
Artikel 4aa — Artikel 4aa Pilot groene inspectieactiviteit#
Artikel 4aa Pilot groene inspectieactiviteit Vervallen 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 01-01-2022
Artikel 4b — Artikel 4b Incidenteel onderzoek#
Artikel 4b Incidenteel onderzoek 1 artikel 1.62, vierde lid, van de wet artikel 3, eerste lid De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbij het kindercentrum of het gastouderbureau bestaan in ieder geval uit de werkzaamheden, bedoeld in. 2 artikel 1.62, vierde lid, van de wet artikel 4, tweede lid, onder 1° tot en met 5° Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met degenen als bedoeld in. 3 De toezichthouder actualiseert het risicoprofiel van het kindercentrum of het gastouderbureau naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 4 artikel 7, derde of vierde lid, van het Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang Dit artikel is ook van toepassing op een wijziging van de houder of het adres van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 4c — Artikel 4c Nader onderzoek#
Artikel 4c Nader onderzoek 1 artikel 1.62, vijfde lid, van de wet artikel 3, eerste lid De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in debij het kindercentrum of het gastouderbureau bestaan uit de werkzaamheden, bedoeld in. 2 artikel 1.62, vijfde lid, van de wet artikel 4, tweede lid, onder 1° tot en met 3° en 5° Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met degenen als bedoeld in. 3 De toezichthouder actualiseert het risicoprofiel van het kindercentrum of het gastouderbureau naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 4d — Artikel 4d Onderzoek voor registratie#
Artikel 4d Onderzoek voor registratie 1 artikel 1.62, eerste lid, van de wet De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inin verband met de voorziening voor gastouderopvang bestaan in ieder geval uit: a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gegevens en bescheiden betreffende de beoogde voorziening voor gastouderopvang; of b. een locatiebezoek. 2 artikel 1.62, eerste lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° artikel 1.45, tweede lid, van de wet degene die de aanvraag, bedoeld in deheeft ingediend; 2° de gastouder; of 3° het college. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 4e — Artikel 4e Jaarlijks en nader onderzoek#
Artikel 4e Jaarlijks en nader onderzoek 1 artikel 1.62, derde of vijfde lid, van de wet De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbij de voorziening van gastouderopvang bestaan uit: a. een bureauonderzoek van verkregen zakelijke gegevens en bescheiden; of b. een locatiebezoek. 2 artikel 1.62, derde of vijfde lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° de gastouder; 2° de houder van het gastouderbureau; of 3° het college. 2014 18504 30-06-2014 26-06-2014 2014-0000085633 2014 18504 30-06-2014 26-06-2014 2014-0000085633 01-07-2014
Artikel 4f — Artikel 4f Incidenteel onderzoek#
Artikel 4f Incidenteel onderzoek 1 artikel 1.62, vierde lid, van de wet artikel 4e, eerste lid De werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbij de voorziening voor gastouderopvang bestaan uit de werkzaamheden, bedoeld in. 2 artikel 1.62, vierde lid, van de wet Onverminderd het eerste lid kunnen de werkzaamheden van de toezichthouder ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld inbestaan uit het voeren van overleg met: 1° de gastouder; 2° de houder van het gastouderbureau; of 3° het college. 2014 18504 30-06-2014 26-06-2014 2014-0000085633 2014 18504 30-06-2014 26-06-2014 2014-0000085633 01-07-2014
Artikel 5 — Artikel 5 Signaleren niet-geregistreerde activiteiten#
Artikel 5 Signaleren niet-geregistreerde activiteiten Indien naar het oordeel van de toezichthouder sprake is van niet-geregistreerde kinderopvang in een kindercentrum, niet-geregistreerde activiteiten van een gastouderbureau of niet-geregistreerde gastouderopvang die door tussenkomst van een gastouderbureau plaatsvindt, dan informeert de toezichthouder het college waar de niet-geregistreerde kinderopvang of de niet-geregistreerde gastouderopvang voorkomt dan wel het niet-geregistreerde gastouderbureau opereert. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 6 — Artikel 6 Procedure inspectierapport#
Artikel 6 Procedure inspectierapport 1 artikelen 3 4 4a 4b 4e 4f De toezichthouder stuurt het ontwerp van het inspectierapport binnen zes weken na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in de,,,,voor zover sprake is van een steekproefsgewijs onderzoek of, aan de houder bij wiens vestiging het onderzoek is uitgevoerd. 2 artikel 1.63, derde lid, van de wet Binnen twee weken na de verzending van het ontwerp van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, voert de toezichthouder overleg met de houder en is de houder in de gelegenheid zijn zienswijze, bedoeld in, kenbaar te maken. 3 De toezichthouder stelt het inspectierapport binnen een week na afloop van de twee weken, bedoeld in het tweede lid, vast. 4 artikel 1.62, vijfde lid, van de wet artikel 4c artikel 4e In uitzondering op het derde lid, stelt de toezichthouder het inspectierapport naar aanleiding van een nader onderzoek als bedoeld inuiterlijk binnen een week na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in deen,vast. 5 De toezichthouder stelt het college in kennis van de vaststelling van het inspectierapport. 6 artikelen 2 4d Dit artikel is niet van toepassing op een onderzoek voor registratie als bedoeld in deen. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018
Artikel 7 — Artikel 7 Model en inhoud inspectierapport#
Artikel 7 Model en inhoud inspectierapport 1 Het inspectierapport met betrekking tot kindercentra, gastouderbureaus en gastouders wordt opgesteld volgens het door GGD GHOR Nederland ontwikkelde modelrapport en vermeldt de datum van vaststelling. 2 Een inspectierapport bevat: a. de naam, het adres, de postcode en de plaats van de onderzochte vestiging en indien de houder formeel op een ander adres dan deze vestiging gevestigd is ook de naam, het adres, de postcode en de plaats van die andere vestiging van de houder; b. de soort voorziening die is onderzocht; c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar het onderzoek heeft uitgevoerd; d. artikelen 1.62, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de wet naam en adres van de toezichthouder die het onderzoek, bedoeld in, heeft uitgevoerd; e. de aanleiding voor het onderzoek; f. de datum van het onderzoek; g. de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd; h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten; i. een advies aan het college; j. de naam van de GGD-medewerker of GGD-medewerkers die het onderzoek heeft of hebben uitgevoerd. 3 artikelen 1.63, tweede lid, van de wet wet Indien de toezichthouder tot het oordeel, bedoeld in de, komt geeft hij in het inspectierapport aan waarom sprake is van overtreding van een of meer onderdelen van de. 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 2021 49365 15-12-2021 07-12-2021 2021-0000161024 01-01-2022
Artikel 8 — Artikel 8 Rapportage overmacht drie-uursregeling en vaste gezichtencriterium#
Artikel 8 Rapportage overmacht drie-uursregeling en vaste gezichtencriterium 1 artikel 1.62, tweede, vierde en vijfde lid, van de wet Een toezichthouder die in het kader van een onderzoek als bedoeld inoordeelt dat: als gevolg van overmacht niet zijn nageleefd, rapporteert de gedraging niet als overtreding, a. artikelen 7, vierde lid 16, vierde lid artikelen 3, derde lid, onderdeel a, en vierde lid 12, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang de, of, in samenhang met de, respectievelijk, voor zover die bepalingen betrekking hebben op de tijden waarop minder beroepskrachten kunnen worden ingezet; of b. artikel 9, vierde of vijfde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang ; 2 Een toezichthouder beschrijft in het inspectierapport de relevante feiten en omstandigheden van het geval en hoe de toezichthouder is gekomen tot het oordeel dat sprake is van overmacht. 3 artikel 5:5 van de Algemene wet bestuursrecht Het eerste lid geldt onverminderd. 2020 37457 10-07-2020 01-07-2020 2019-0000138845 2020 37457 10-07-2020 01-07-2020 2019-0000138845 11-07-2020
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang Devan 19 december 2011 worden met ingang van 1 januari 2013 ingetrokken. 2012 25821 14-12-2012 05-12-2012 KO/2012/16947 2012 25821 14-12-2012 05-12-2012 KO/2012/16947 01-01-2013
Artikel 10 — Artikel 10 Inwerkingtreding#
Artikel 10 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. 2012 25821 14-12-2012 05-12-2012 KO/2012/16947 2012 25821 14-12-2012 05-12-2012 KO/2012/16947 01-01-2013
Artikel 11 — Artikel 11 Citeertitel#
Artikel 11 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel werkwijze toezichthouder kinderopvang. 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 2017 49288 01-09-2017 21-08-2017 2017-0000130251 01-01-2018