Besluit van 20 mei 1933, tot vaststelling van een algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 73a der Wet op het Notarisambt, gelijk dit artikel is vastgesteld bij de wet van 15 mei 1931, Stb. 195
- BWB-id
- BWBR0001961
- Type
- KB
- Ministerie
- Veiligheid en Justitie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1998-01-01
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0001961
- ELI
- /eli/nl/kb/1934/besluit-instelling-centraal-bureau-van-bijstand-ex-artikel-7
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/kb/1934/besluit-instelling-centraal-bureau-van-bijstand-ex-artikel-7/1998-01-01
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0001961&g=1998-01-01
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0001961&z=2026-06-06&g=1998-01-01
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0001961/1998-01-01
Absolute ELI: /eli/nl/kb/1934/besluit-instelling-centraal-bureau-van-bijstand-ex-artikel-7
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 a Door Ons wordt ingesteld een Centraal Bureau van Bijstand, hetwelk de Kamers van Toezicht over de notarissen en candidaat-notarissen zal bijstaan bij het toezicht op de nakoming van de in artikel 73der Wet op het Notarisambt neergelegde verplichting der notarissen tot boekhouding. 2 artikel 4 der Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds artikelen 11 12 Op verzoek van het bestuur van het Notarieel Pensioenfonds, bedoeld in, kan Onze Minister van Justitie bepalen, dat het Centraal Bureau ten behoeve en op kosten van dat fonds de werkzaamheden verricht, die het bestuur van het fonds aan het bureau mocht opdragen ter inwinning van gegevens als bedoeld in deendier wet. 3 Op verzoek van het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds voor de Notarisklerken kan Onze Minister van Justitie bepalen, dat het Centraal Bureau ten behoeve van dat fonds de werkzaamheden verricht, die het bestuur van het fonds aan het bureau mocht opdragen ter inwinning van gegevens welke de bij het fonds aangesloten werkgevers ingevolge artikel 3 der Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht zijn aan het bestuur van het fonds te verstrekken. 1958 2 06-01-1958 1958 2 06-01-1958 01-01-1958
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Het Centraal Bureau is gevestigd in eene door Ons aan te wijzen gemeente. 2 Het bestaat uit een voorzitter en ten minste twee deskundigen, door Ons te benoemen. 3 Wij behouden Ons de benoeming voor van een plaatsvervangend voorzitter en van één of meer plaatsvervangende deskundigen, ter vervanging bij afwezigheid, belet of ontstentenis. 4 Onze Minister van Justitie benoemt het aan het Centraal Bureau verbonden personeel. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 De voorzitter en de deskundigen zijn gehouden hunne woonplaats te hebben in de gemeente, waar het Centraal Bureau is gevestigd. 2 Onze Minister van Justitie kan, telkens voor een bepaalden tijd, vrijstelling van deze verplichting verleenen. In het desbetreffende besluit wordt de woonplaats aangewezen. 3 Het aan het Centraal Bureau verbonden personeel kan met toestemming van den voorzitter buiten de gemeente van vestiging van het Bureau wonen. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 1 Alvorens in bediening te treden leggen de voorzitter, de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel den volgenden eed (belofte) af: "Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning en aan de wetten des Rijks. Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder eenigen vorm of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd noch zal geven of beloven. Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijne betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd middellijk noch onmiddellijk eenige beloften of geschenken aannemen zal, dat ik mijne taak nauwgezet en ijverig zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijne bediening kennis draag, en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen, dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeeling verplicht ben. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)." 2 De voorzitter legt den eed (belofte) af in handen van Onzen Minister van Justitie; de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel in handen van den voorzitter. 3 Van de beëediging wordt proces-verbaal opgemaakt. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 1 De voorzitter geniet jaarlijks een maand vakantie. Voor afwezigheid gedurende langer dan acht achtereenvolgende dagen buiten zijn vakantie behoeft hij het verlof van Onze Minister van Justitie. 2 Het verlof aan de deskundigen en het aan het Centraal Bureau verbonden personeel wordt verleend door den voorzitter. 1977 660 12-12-1977 1977 660 12-12-1977 01-01-1978
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 De deskundigen bekleeden geen openbare of particuliere nevenbetrekkingen of functiën, waaraan geldelijke voordeelen verbonden zijn, zonder toestemming van onze Minister van Justitie; het aan het Centraal Bureau verbonden personeel doet dit niet zonder toestemming van den voorzitter. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 7 — Artikel 7#
Artikel 7 Vervallen 1958 2 06-01-1958 1958 2 06-01-1958 01-01-1958
Artikel 8 — Artikel 8#
Artikel 8 1 De voorzitter is belast met het leiden der vergaderingen van het Centraal Bureau en met de algemeene regeling van de werkzaamheden der deskundigen. 2 Hij regelt tevens de werkzaamheden van het aan het Centraal Bureau verbonden personeel en oefent daarop toezicht uit. 3 Als secretaris van het Centraal Bureau treedt een der deskundigen op, door den voorzitter daartoe aan te wijzen. 4 Indien het Centraal Bureau overgaat tot het vaststellen van een Huishoudelijk Reglement, behoeft dit de goedkeuring van Onzen Minister van Justitie. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 9 — Artikel 9#
Artikel 9 1 artikel 1, eerste lid Het Centraal Bureau oefent zijne in, bedoelde taak uit door: 1°. a in opdracht van de Kamers van Toezicht door zijne deskundigen te doen onderzoeken, of door de notarissen behoorlijk wordt voldaan aan de verplichting tot boekhouding, hun opgelegd bij artikel 73der Wet op het Notarisambt; 2°. voor zoover zulks niet reeds krachtens de onder 1°. bedoelde opdrachten geschiedt, het daar bedoeld onderzoek geregeld ten aanzien van alle notarissen te doen verrichten. 2 artikel 1, tweede en derde lid Het oefent zijn in, bedoelde taken uit, voor zover zijn in het vorige lid omschreven werkzaamheden dit toelaten; 3 Elk der deskundigen is in het geheele Rijk bevoegd. 4 De notarissen verleenen medewerking, mede door aan de deskundigen en de leden van het aan het Centraal Bureau verbonden personeel, door wie de deskundigen zich doen bijstaan inzage te geven van hunne boekhouding. 1966 378 27-08-1966 1966 378 27-08-1966 01-01-1967
Artikel 10 — Artikel 10#
Artikel 10 1 Het Centraal Bureau zendt aan de Kamer van Toezicht zoo spoedig mogelijk na elk onderzoek als bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel een door den deskundige onderteekend verslag van diens bevindingen. 2 Leidt het onderzoek niet tot het maken van opmerkingen van bijzonderen aard, dan kan er mede worden volstaan alleen deze omstandigheid in het verslag te vermelden. 1958 2 06-01-1958 1958 2 06-01-1958 01-01-1958
Artikel 11 — Artikel 11#
Artikel 11 In opdracht van den voorzitter van eene Kamer van Toezicht, die een onmiddellijk onderzoek ten aanzien van een bepaalden notaris noodig acht, zal het Centraal Bureau dat onderzoek onverwijld doen verrichten. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 12 — Artikel 12#
Artikel 12 b De voorzitter van eene Kamer van Toezicht kan het Centraal Bureau opdragen een zijner deskundigen aan te wijzen om bijstand te verleenen aan het lid of de leden der Kamer, met het instellen van een onderzoek belast ingevolge artikel 17 van den ter uitvoering van artikel 50der Wet op het Notarisambt vastgestelden algemeenen maatregel van bestuur. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 13 — Artikel 13#
Artikel 13 Het Centraal Bureau en de deskundigen verstrekken aan de Kamer van Toezicht en aan haar voorzitter alle inlichtingen, welke de Kamer of de voorzitter dienstig zal oordeelen. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 14 — Artikel 14#
Artikel 14 a Het Centraal Bureau dient desgevraagd Onzen Minister van Justitie van voorlichting in alle vragen betreffende de uitvoering van artikel 73der Wet op het Notarisambt. Het is bevoegd aan voornoemden Minister ook eigener beweging daaromtrent voordrachten te doen. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 15 — Artikel 15#
Artikel 15 Telken jare vóór 1 Mei brengt het Centraal Bureau aan Onzen Minister van Justitie schriftelijk verslag uit over zijne werkzaamheden in het afgeloopen jaar. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 16 — Artikel 16#
Artikel 16 1 Vóór 1 Maart van elk jaar maakt het Centraal Bureau een staat van kosten op, welke zijn in het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden hebben medegebracht. De staat bevat de verschillende posten van uitgaaf. 2 In de kosten is begrepen een rente over de uitgaven van het afgelopen jaar; deze rente wordt berekend over een vol jaar naar een rentevoet, welke gelijk is aan de voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V., geldende op 1 juli van het afgelopen jaar, verminderd met een half procentpunt. 3 De staat van kosten behoeft de goedkeuring van Onzen Minister van Justitie. 1995 418 14-09-1995 01-09-1995 1995 418 14-09-1995 01-09-1995 15-09-1995
Artikel 17 — Artikel 17#
Artikel 17 1 artikel 1, tweede lid artikel 1, tweede lid Indien het Centraal Bureau in het afgelopen jaar werkzaamheden als bedoeld in, heeft verricht, stelt Onze Minister van Justitie, na overleg met het Centraal Bureau een door Onze Minister aangewezen vertegenwoordiger van het notariaat en het bestuur van het Notarieel Pensioenfonds, vast welk deel der kosten is te beschouwen als kosten, gemaakt ter uitoefening van de taak, bedoeld in. 2 Het gezamenlijk bedrag der in het vorige artikel bedoelde kosten of, in het geval van het vorige lid, het na aftrek van het aldaar bedoelde deel overblijvende bedrag dier kosten wordt door het Centraal Bureau omgeslagen over alle in Nederland gevestigde notarissen met inachtneming van de navolgende regelen. 1958 2 06-01-1958 1958 2 06-01-1958 01-01-1958
Artikel 18 — Artikel 18#
Artikel 18 1 Telken jare vóór 1 April doen de notarissen aan het Centraal Bureau opgave tot welke der tien onderstaande inkomen-klassen zij behooren. 2 a b c d e f g h i j Tot klassebehoren zij, die bij de uitoefening van het notariaat over het afgelopen kalenderjaar hebben gehad een zuiver inkomen van minder dan f 25 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 25 000,- of meer, doch minder dan f 50 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 50 000,- of meer, doch minder dan f 75 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 75 000,- of meer, doch minder dan f 100 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 100 000,- of meer, doch minder dan f 150 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 150 000,- of meer, doch minder dan f 200 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 200 000,- of meer, doch minder dan f 300 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 300 000,- of meer, doch minder dan f 400 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 400 000,- of meer, doch minder dan f 500 000,-; tot klassezij, die hebben gehad een zuiver inkomen van f 500 000,- of meer. 3 Onder het bedoelde inkomen worden verstaan alle inkomsten, welke direct of indirect uit de uitoefening van het notariaat voortvloeien. Onder indirecte inkomsten worden o.a. verstaan administratieloon, executeurs- en bewindvoerdersloon, inkomsten uit penningmeesterschappen van polders of waterschappen of uit andere functiën, indien deze geacht moeten worden te zijn verkregen in verband met het notariaat. 4 a, b, c, d, e, f, g, h, i, j De omslag geschiedt over hen, die behoren tot klasseofin de verhouding 1, 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17 en 19. 5 Over het jaar, waarin een notaris zijne bediening aanvaardt of ophoudt notaris te zijn, draagt hij of dragen zijne erven of rechtverkrijgenden niet bij. 6 artikelen 10:28 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht De omslag behoeft de instemming van Onzen Minister van Justitie. Detot en metzijn van overeenkomstige toepassing. 1997 764 30-12-1997 22-12-1997 1997 581 18-12-1997 11-12-1997 01-01-1998 Treedt in werking als de Derde tranche Algemene wet
bestuursrecht in werking treedt.
Artikel 19 — Artikel 19#
Artikel 19 1 Het Centraal Bureau herinnert telken jare in de maand Januari de notarissen aan hunne verplichting tot het doen der opgave. 2 Zij, die na herhaalde aanmaning niet vóór 15 April opgave hebben gedaan, worden door het Centraal Bureau ambtshalve in de hoogste klasse ingedeeld. 1977 660 12-12-1977 1977 660 12-12-1977 01-01-1978
Artikel 20 — Artikel 20#
Artikel 20 1 De aanslag over een jaar wordt ten spoedigste, zo mogelijk voor het eind van de maand mei van het daaropvolgende jaar, door het Centraal Bureau bekendgemaakt met vermelding waar, wanneer en hoe de betaling moet geschieden. 2 artikel 17, eerste lid Het Centraal Bureau brengt de vaststelling van het in, bedoelde deel der kosten ten spoedigste ter kennis van het Notarieel Pensioenfonds met de mededeling waar, wanneer en hoe de betaling moet geschieden. 1993 399 06-07-1993 1993 693 23-12-1993 23-12-1993 01-01-1994
Artikel 21 — Artikel 21#
Artikel 21 artikel 16 In den inbedoelden staat wordt opgenomen het bedrag der kosten van een vorig jaar, hetwelk onbetaald mocht zijn gebleven. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934
Artikel 22 — Artikel 22#
Artikel 22 Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip. 1933 292 20-05-1933 1933 213 30-10-1933 01-01-1934