Besluit van 26 oktober 1956, houdende regelen betreffende het verlenen van vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden aan militairen, die behoren tot het reserve-personeel der krijgsmacht
- BWB-id
- BWBR0002237
- Type
- KB
- Ministerie
- Defensie
- Geldigheid
- Geldend vanaf 1997-10-17
Wetstechnische informatie / identifiers
- BWB-id
- BWBR0002237
- ELI
- /eli/nl/kb/1956/besluit-vrijstelling-herhalingsoefeningen-reserve-personeel
- ELI (gepinde datum)
- /eli/nl/kb/1956/besluit-vrijstelling-herhalingsoefeningen-reserve-personeel/1997-10-17
- JCI 1.0 (vindplaats)
- wetten.overheid.nl/1.0:c:BWBR0002237&g=1997-10-17
- JCI 1.3 (citatie)
- jci1.3:c:BWBR0002237&z=2026-06-06&g=1997-10-17
- Op wetten.overheid.nl
- https://wetten.overheid.nl/BWBR0002237/1997-10-17
Absolute ELI: /eli/nl/kb/1956/besluit-vrijstelling-herhalingsoefeningen-reserve-personeel
Artikel 1 — Artikel 1#
Artikel 1 1 Onze Minister, personeel werkelijke dienst Stb. artikel 1 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 Dit besluit verstaat onderenhetgeen daaronder wordt verstaan in(1989, 592). 2 de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden a artikel 4, eerste lid, onderdeel, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 Dit besluit verstaat onderde verplichting, bedoeld in. 3 de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in gewone omstandigheden b artikel 4, eerste lid, onderdeel, van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 Dit besluit verstaat onderde verplichting, bedoeld in. 4 Ons besluit Stb. Dit besluit verstaat onderhet Besluit mobilisatie-vrijstelling reserve-personeel (1956, 469). 1997 339 29-07-1997 25-06-1997 1997 454 16-10-1997 23-09-1997 17-10-1997
Artikel 2 — Artikel 2#
Artikel 2 1 Aan hem, die tot het personeel behoort en die: zal door Onze Minister vrijstelling worden verleend van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden. a. op grond van het bepaalde in Ons besluit is vrijgesteld van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden; b. artikel 2, eerste lid a de hoedanigheid bezit als omschreven in,, onder nummer 13 of 14, van Ons besluit en op grond daarvan in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden, doch ten aanzien van wie, op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, de vrijstelling niet is verleend of de verleende vrijstelling is ingetrokken; of c. op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van Ons besluit in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden, doch ten aanzien van wie, op grond van het bepaalde in het derde lid van dat artikel, de vrijstelling niet is verleend of de verleende vrijstelling is ingetrokken; 2 b c De in het voorgaande lid bedoelde vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden zal door Onze Minister niet worden verleend of, indien de vrijstelling reeds is verleend, worden ingetrokken, indien een militair, als bedoeld in het voorgaande lid onderof, schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven niet of niet langer voor vrijstelling in aanmerking te willen komen en het algemeen belang zich tegen inwilliging van dat verzoek niet verzet. 1997 339 29-07-1997 25-06-1997 1997 454 16-10-1997 23-09-1997 17-10-1997
Artikel 3 — Artikel 3#
Artikel 3 1 Onze Minister is gemachtigd geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden aan hem, die tot het personeel behoort en die: a. verkeert in één der gevallen, als aangegeven in artikel 3, eerste lid, van Ons besluit, doch niet in aanmerking is gekomen voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden of ten aanzien van wie de verleende vrijstelling op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel is ingetrokken; b. artikel 2, eerste lid a de hoedanigheid bezit, als aangegeven in,, onder nummer 15, van Ons besluit en op grond daarvan in aanmerking komt voor vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van buitengewone omstandigheden, doch ten aanzien van wie, op grond van het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, de vrijstelling niet is verleend of de verleende vrijstelling is ingetrokken; c. door het sluiten van een verbintenis bij het personeel zich heeft verplicht tot het verrichten van werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden, welke uitgaat boven of dient ter vervanging van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden; d. is aangewezen om in geval van buitengewone omstandigheden als militair een zelfde functie te vervullen als die, welke hij als burger vervult; e. Stb. Stb. Stb. Stb. Stb. Stb. een verbintenis bij het personeel heeft gesloten ingevolge het gestelde in Onze besluiten van 11 november 1948,I 501, 10 januari 1952,11, 12 september 1952,468, 23 oktober 1952,533, 6 november 1952,550 en 11 juli 1956,404; of f. niet is bestemd voor het vervullen van een functie in de oorlogsorganisatie der krijgsmacht. g. in zeer bijzondere omstandigheden verkeert waarin naar het oordeel van Onze Minister het belang van opkomst redelijkerwijs niet opweegt tegen het persoonlijk of zakelijk belang bij die vrijstelling. 2 Onze Minister is gemachtigd, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de krijgsmacht noodzakelijk is, een op grond van het bepaalde in het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk verleende vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienstin geval van gewone omstandigheden in te trekken. 1997 339 29-07-1997 25-06-1997 1997 454 16-10-1997 23-09-1997 17-10-1997
Artikel 4 — Artikel 4#
Artikel 4 De vrijstelling van de verplichting tot opkomst in werkelijke dienst in geval van gewone omstandigheden, welke op grond van dit besluit is verleend, vervalt van rechtswege, indien de grond, waarop de vrijstelling werd verleend, vervalt. 1997 339 29-07-1997 25-06-1997 1997 454 16-10-1997 23-09-1997 17-10-1997
Artikel 5 — Artikel 5#
Artikel 5 Het Koninklijk besluit van 23 april 1913, nr. 41 wordt ingetrokken. 1956 519 26-10-1956 1956 519 26-10-1956 15-11-1956
Artikel 6 — Artikel 6#
Artikel 6 Staatsblad Dit besluit, dat kan worden aangehaald onder de titel "Besluit vrijstelling herhalingsoefeningen reserve-personeel", treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het, waarin het wordt geplaatst. 1956 519 26-10-1956 1956 519 26-10-1956 15-11-1956